4.1 Bestemmingsplan 'Luttelgeest, Kerkstraat'.pdf
Tekst van het document
4.3.2.2 De dorpen en het landelijk gebied Noordoostpolder kent tien kleine dorpen, variërend van ruim 1.300 inwoners tot circa 3.800 inwoners. Kenmerkend voor de dorpen is de nog steeds sterke sociale samenhang en het organiserend vermogen van bewoners die er een binding hebben. Kenmerkend is ook de slijtage van de oude delen van de woningvoorraad, de afname van het voorzieningenaanbod en een beperkt onderscheidend vermogen van elkaar. Dit is terug te zien in de cijfers, aangezien meer mensen naar Emmeloord of de polder uit trekken. Dit geldt voor zowel ouderen als jongeren. Veel dorpen krimpen hierdoor. Het doel van de gemeente is het realiseren van duurzaam leefbare dorpen. Om dit te realiseren worden de volgende thema’s uitgewerkt: 1. 2. 3. 4. 5.
Opstellen van dorpsvisies; Voorzieningen in de dorpen: krachten bundelen; Woningvoorraad: focus op vernieuwing van binnenuit; Focus op dorpskernen: voorraad, omgeving en voorzieningen; Kleur geven aan dorpen en buurten.
Woningvoorraad: focus op vernieuwing van binnenuit De meeste dorpen krimpen in inwonersaantal en groeien nog licht in aantal huishoudens. De bevolking vergrijst en de eisen voor woningen veranderen, voor senioren, maar ook voor gezinnen en starters. Omdat de marktvraag in dorpen beperkt is, en omdat juist in de bebouwde kom vernieuwing is, zijn we terughoudend met uitbreiding. Inbreiding, door sloop van woningen of functiewijziging van locaties) heeft altijd de voorkeur voor uitbreiding. In de dorpen Nagele, Rutten en Tollebeek is geen uitbreidingsruimte meer. Op vrijkomende locaties binnen het dorp ligt nog een kans enkele woonkavels te realiseren. Bewoners krijgen daarmee de kans om iets naar eigen smaak te realiseren.
4.3.2.3 Een nieuwe woonvisie in voorbereiding Om flexibel in te kunnen spelen op een veranderende, en een zich na de economische crisis weer herstellende woningmarkt, wordt een nieuwe woonvisie voorbereid. Anno 2018 constateert de gemeente dat het aantal huishoudens in Noordoostpolder nog licht groeit tot ongeveer 2030 en daarna, na een periode van stabilisatie, naar verwachting licht zal dalen. De gemeente moet zich voorbereiden op het moment waarop dat omslagpunt plaatsvindt. De samenstelling van de huishoudens verandert de komende jaren, evenals de woonwensen. De focus blijft ‘vernieuwen van binnenuit’, omdat deze past bij de trends en ontwikkelingen: vergrijzing en ontgroening, een verschuiving van meerpersoonshuishouden naar eenpersoonshuishoudens en meer aandacht voor duurzaamheid en energiezuinigheid van woningen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Bestemmingsplan Luttelgeest, Kerkstraat Ontwerp De meeste woningen die nu gebouwd worden, worden neergezet voor minimaal 50 jaar. In praktijk is dat nog veel langer. De opgave is dan ook om de woningmarkt flexibeler te maker, zodat kan worden ingespeeld op de toekomst. Hoe kan dan een woningoverschot en leegstand voorkomen worden? De gemeentelijke ambitie is om in 2030 energieneutraal te zijn. De nieuwbouwwoningen zijn in 2020 bijna energieneutraal (vergelijkbaar met EPC 0,2). De gemeente spant zich in om samen met betrokken partijen ambitieuze doelstellingen op het gebied van energieneutraliteit te bereiken. Nieuwbouwlocaties worden niet meer van een gasnet voorzien. Per 1 juli 2018 mag nieuwbouw niet meer op een gasnet worden aangesloten.
4.3.2.4 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie Noordoostpolder In het Coalitieakkoord 2018-2022 staat: “We bieden ruimte om in te breiden en waar nodig uit te breiden naar behoefte in de dorpen. De dorpsvisies en ontwikkelperspectieven geven de richting aan.” Hiermee geeft de gemeente aan dat er onder voorwaarden ruimte bestaat voor nieuwe woningbouwontwikkelingen waarbij woningen worden toegevoegd aan de bestaande voorraad. Zoals eerder al aangegeven in paragraaf 4.1.4 is voor Luttelgeest een toename van zo’n 15-20 woningen in de periode 2019-2025 (ongeveer 3 woningen per jaar) te motiveren. Daarbij moet rekening worden gehouden met de ingezette trend: een verschuiving van meerpersoonshuishouden naar 1-persoonshuishoudens. Voorliggend plan gaat uit van de realisatie van zeventien woningen van uiteenlopende woningtypen. De afzettijd bedraagt dan ook 7 jaar, daarbij wordt verwacht dat de eerste jaren meer woningen gerealiseerd zullen worden in verband met de grote interesse die er nu al is voor de woningen. Omdat voorliggende nieuwbouwontwikkeling naar verwachting vooral huidige bewoners van Luttelgeest aantrekt, komen er in het dorp ook weer woningen vrij die (na aanpassing en verduurzaming) wellicht geschikt zijn voor bijvoorbeeld overige doelgroepen. Vanuit ouderen is er de wens om zolang mogelijk in hun eigen woning/woonomgeving te kunnen blijven wonen.
Het mogelijk maken van levensloopbestendige woningen kan hieraan bijdragen. Voorliggend bestemmingsplan is bewust flexibel opgesteld om optimaal invulling te kunnen geven aan individuele woonwensen. Geconcludeerd wordt dat voorliggende woningbouwontwikkeling past binnen de kaders van de gemeentelijke woonvisie.
4.3.3
Dorpsontwikkelingsplan 2014-2026: Luttelgeest ‘Vertrouwde plek’
4.3.3.1 Algemeen De gemeente Noordoostpolder heeft het voornemen voor alle dorpen dorpsvisies te maken. Voor het dorp Luttelgeest is hiertoe het ‘Dorpsontwikkelingsplan 2014-2026’ opgesteld. Het plan is het resultaat van een gezamenlijk proces van bewoners, verenigingen, scholen, instellingen, kerken en de gemeente Noordoostpolder. Dorpsbelang Rutten heeft samen met de gemeente en Kars Advies het proces van totstandkoming begeleid. Het dorpsontwikkelingsplan bestaat uit een dorpsvisie en het daarop gebaseerde dorpsplan. De dorpsvisie heeft een tijdshorizon van dertien jaar, terwijl het plan een horizon heeft van vier jaar. In het dorpsplan is de identiteit van het dorp Luttelgeest beschreven en verbeeld. Deze identiteit wordt geformuleerd in termen van kernkwaliteiten, kernwaarden en toekomstbelofte van het dorp. De identiteit – de eigenheid van het dorp – is de basis voor de toekomstvisie van het dorp op de langere termijn. In het dorp Luttelgeest staan ruim 600 woningen, driekwart koop, een kwart huur. Naast de boerderijen en arbeiderswoningen in het buitengebied, gaat het overwegend om eengezinswoningen, zowel in de huur- als in de koopsector. 55% van de woningen staat in de dorpskern, 45% in het buitengebied.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Bestemmingsplan Luttelgeest, Kerkstraat Ontwerp 4.3.3.2 De identiteit van Luttelgeest: Plezierig wonen Het is plezierig en betaalbaar wonen in Luttelgeest. Er is voor elk wat wils: koop- en huurwoningen, nieuw- en oudbouw, woningen in het dorp of juist aan de buitenwegen. En voor wie zelf wil bouwen is er bouwgrond beschikbaar. De meeste mensen wonen in Luttelgeest omdat hun bedrijf er gehuisvest is, of mensen komen er wonen omdat ze werk vinden in de buurt. Ook familie, vrienden en de vereniging zijn redenen om in Luttelgeest te blijven of weer te komen wonen. In Luttelgeest is rust en ruimte, en in de nabijheid is veel natuur: het Kuinderbos, en het Oude Land met Wieden en Weerribben. Het zijn mooie plekken voor sport en recreatie. Er zijn weinig commerciële voorzieningen, wat bekend is voor de mensen die er (gaan) wonen.
4.3.3.3 Dorpsvisie 2014-2026: Wonen en woonomgeving Het uitgangspunt is dat er voor de inwoners van Luttelgeest een woonplek in hun vertrouwde dorp is en blijft. Dit betekent dat er voor elke levensfase een geschikte woning dient te zijn. Jongeren in het dorp geven aan dat ze graag in het dorp willen blijven wonen. Voor jongeren, maar ook voor senioren is er soms behoefte aan een kavel om zelf op te bouwen. Daarnaast bestaat de wens onder senioren om zo lang mogelijk in hun vertrouwde sociale context te blijven wonen.
4.3.3.4 Toetsing van het initiatief aan het Dorpsontwikkelingsplan Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de planologische mogelijkheden voor het realiseren van 17 woningen op een inbreidingslocatie in de kern Luttelgeest. Hiermee wordt met name invulling gegeven aan het uitgangspunt dat Luttelgeest een woonplek is waar inwoners kunnen blijven wonen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een gedifferentieerd woningbouwprogramma dat geschikt is voor zowel starters, doorstromers en senioren. Daarnaast wordt met voorliggend initiatief voorkomen dat de bestaande bebouwing leeg komt te staan. Het bestemmingsplan is hiermee in lijn met de ambities die zijn geformuleerd in het ‘Dorpsontwikkelingsplan Luttelgeest 2014-2026’.
4.3.4
Welstandsnota gemeente Noordoostpolder 2016
4.3.4.1 Algemeen Op 29 november 2016 heeft de raad de welstandsnota "Ruimte voor kwaliteit en welstandsvrijheid" vastgesteld. De welstandsnota geeft richting aan het welstandstoezicht in de Noordoostpolder en voor de inwoners van de gemeente biedt het plan helderheid over de welstandsbeoordeling van hun bouwplannen. Zoals de titel van de nota al aangeeft wordt onderscheid gemaakt tussen welstandsvrije en niet welstandsvrije gebieden. De selectie van niet-welstandsvrije gebieden heeft plaats gevonden aan de hand van twee criteria: • •
de cultuurhistorische betekenis van de bebouwing; de zichtbaarheid van de bebouwing vanuit belangrijke openbare ruimtes.
Op basis van deze criteria is besloten dat in de volgende gebieden welstandstoezicht blijft gelden: 1. 2. 3. 4.
de kernen en beeldbepalende gebieden van Emmeloord; de dorpskernen en beeldbepalende gebieden van Marknesse, Ens, Luttelgeest, Bant, Creil, Espel, Tollebeek, Kraggenburg en Rutten; Nagele en Schokland in zijn geheel; het landelijk gebied.
Uit de welstandsgebiedenkaart blijkt dat het plangebied in welstandsgebied Luttelgeest ligt. In voorliggend geval is een beeldkwaliteitsparagraaf opgesteld voor voorliggende woningbouwontwikkeling. De beeldwaliteitsparagraaf geldt als aanvulling op de welstandsnota en wordt gelijktijdig met het bestemmingsplan vastgesteld. De beeldkwaliteitsparagraaf is als bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd. Daarnaast is in paragraaf 3.2 inhoudelijk op de beeldkwaliteitsparagraaf ingegaan. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan Luttelgeest, Kerkstraat Ontwerp 4.3.4.2 Toetsing van het initiatief aan de Welstandsnota gemeente Noordoostpolder Bij het beoordelen van de omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen zal toetsing aan het opgestelde beeldkwaliteitsplan plaatsvinden. Op voorhand worden geen belemmeringen verwacht.
4.3.5
Duurzaamheidsvisie Noordoostpolder
4.3.5.1 Algemeen In haar duurzaamheidsvisie streeft de gemeente Noordoostpolder naar energieneutraliteit in 2030. De gemeente focust daarnaast op inzet van schone energie. Energiegebruik en –besparing in woningen maken daar een belangrijk onderdeel van uit. Het energiegebruik door woningen bedraagt ongeveer 16% van het totale energiegebruik in Noordoostpolder. Landelijke eisen Het Nationaal Plan voor het bevorderen van bijna-energieneutrale gebouwen in Nederland beschrijft het Nederlandse beleid om te komen tot bijna-energieneutrale woningen vanaf 2021. Het beleid is erop gericht dat de EPC-eis in het Bouwbesluit per 31 december 2020 dichtbij nul komt te liggen, oftewel bijnaenergieneutraal. De eis wordt vanaf 2020 op andere wijze bepaald, maar komt ongeveer overeen met een EPC van 0,2. Op 3 april 2018 is een aanpassing van de Gaswet in werking getreden waardoor de gasaansluitplicht is komen te vervallen. Dit betekent dat geen omgevingsvergunningen meer mogen worden afgegeven voor nieuwbouw die aangesloten wordt op een gasnet. Deze regeling geldt voor omgevingsvergunningen aangevraagd vanaf 1 juli 2018. Een gemeente kan een ontheffing verlenen waardoor toch op het gasnet aangesloten mag worden. Dit kan echter alleen in uitzonderlijke situaties waarbij grote maatschappelijke effecten ontstaan door het niet aansluiten op gas.
Aangezien voor de geplande woningen technische oplossingen beschikbaar en financieel haalbaar zijn voor aardgasloos wonen, verleent de gemeente voor deze locatie geen ontheffing.
4.3.5.2 Duurzaamheid in het stedenbouwkundige plan De woningen worden gasloos en met een EPC van 0,2 gebouwd. De dakvlakken van de woningen kunnen worden gebruikt ten behoeve van het plaatsen van zonnepanelen. Daarnaast wordt voldoende ruimte ingebouwd voor retentie van hemelwater. De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling is dan ook in overeenstemming met het gestelde in de Duurzaamheidsvisie Noordoostpolder.
4.3.6
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat voorliggend initiatief past binnen de gemeentelijke beleidskaders.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan Luttelgeest, Kerkstraat Ontwerp
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.
5.1
Geluid (Wet geluidhinder)
5.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. De functie 'wonen' is aan te merken als een geluidsgevoelige functie.
5.1.2
Situatie plangebied
5.1.2.1 Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de nieuwe woningen wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering).
5.1.2.2 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op zeer ruime afstand van het plangebied ligt.
5.1.2.3 Wegverkeerslawaai Artikel 74.1 van de Wgh bepaalt dat wegen een wettelijke geluidszone hebben. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en of de weg in stedelijk of in buitenstedelijk gebied ligt. In tabel 1 worden de wettelijke geluidszones weergegeven. Aantal rijstroken 1 of 2 3 of 4 5 of meer
Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m
Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m
Tabel 1 Wettelijke geluidszones wegen (Bron: wetten.overheid.nl)
De wettelijke geluidszone bevindt zich aan weerszijde van de weg en begint naast de buitenste rijstrook. Eventuele parkeerstroken, voet- en fietspaden en vluchtstroken behoren niet tot de weg. Binnen de zone van een weg moet akoestisch onderzoek plaatsvinden naar de geluidsbelasting op de binnen de zone gelegen woning(en). BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan Luttelgeest, Kerkstraat Ontwerp Op basis van artikel 74.2 van de Wgh gelden de in tabel 1 opgenomen zones niet voor: • •
Wegen die als woonerf zijn aangeduid; Wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur.
Het feit dat voor de hiervoor genoemde gevallen geen wettelijke geluidszone geldt, betekent niet dat een akoestisch onderzoek automatisch niet benodigd is. Indien vooraf aangenomen kan worden dat niet aan de voorkeurswaarde van 48 dB kan worden voldaan, moet een akoestisch onderzoek uitgevoerd worden. De geluidsbelasting van de weg kan hierdoor meegenomen worden in de belangenafweging in het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’. Het voornemen voorziet in het realiseren van nieuwe geluidgevoelige objecten, namelijk woningen. Het plangebied bevindt zich binnen de wettelijke geluidszone van de Oosterringweg. Daarnaast bevinden er zich enkele 30 km/uur wegen nabij het plangebied die in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ in de belangenafweging worden meegenomen. Het gaat om de Kamplaan en de Kerkstraat. BJZ.nu heeft een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd om de geluidsbelasting als gevolg van de Oosterringweg, Kamplaan en de Kerkstraat inzichtelijk te maken. Het onderzoek is als bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd. In de komende alinea’s wordt op de belangrijkste resultaten en conclusies ingegaan. De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Oosterringweg bedraagt hoogstens 50 dB ter plaatse van de te realiseren woningen. Hiermee wordt de voorkeurswaarde van 48 dB overschreden.
Bron- en overdrachtsmaatregelen kunnen rekenen op zwaarwegende bezwaren. Gevelmaatregelen zijn het meest doelmatig. Er dient gelijktijdig met het bestemmingsplan een hogere waarde van 50 dB te worden vastgesteld ten aanzien van de Oosterringweg. Met het nemen van gevelmaatregelen van maximaal 22 dB, wordt een binnenniveau van maximaal 33 dB gewaarborgd. De geluidsbelasting als gevolg van de Kamplaan en Kerkstraat bedraagt hoogstens 47 dB. Hiermee wordt aan de voorkeurswaarde voldaan. Met het vaststellen van de benodigde hogere waarde voor de Oosterringweg en het nemen van de gevelmaatregelen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen.
5.1.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, is door Sigma Bouw & Milieu een verkennend bodemonderzoek verricht conform de richtlijnen NEN 5740. Het onderzoek is als bijlage 3 bij de toelichting gevoegd. Hierna wordt op de onderzoeksresultaten ingegaan.
5.2.2
Onderzoeksresultaten
De bovengrond, ondergrond en het grondwater bevatten (plaatselijk) verhoogde gehalten zware metalen. De tussenwaarde en de bodemindex waarde worden niet overschreden, zodat er geen reden is tot het instellen van aanvullend onderzoek.
5.2.3
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan Luttelgeest, Kerkstraat Ontwerp
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
5.3.2
Situatie plangebied
In subparagraaf 5.3.1.1 worden voorbeelden aangegeven die aangemerkt worden als een project dat “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. In vergelijking hiermee is dit plan gezien aard en omvang aan te merken als een project dat “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat met deze ontwikkeling geen gevoelige bestemming in het kader het Besluit gevoelige bestemmingen wordt gerealiseerd.
5.3.3
Conclusie
Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan Luttelgeest, Kerkstraat Ontwerp
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
5.4.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (indicatief aangegeven met de rode ovaal) en de directe omgeving weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan Luttelgeest, Kerkstraat Ontwerp
Afbeelding 5.1 Uitsnede Risicokaart (Bron: www.risicokaart.nl)
Uit de inventarisatie blijkt dat de locatie: • • • •
5.4.3
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan Luttelgeest, Kerkstraat Ontwerp
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De VNG-uitgave gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel de richtafstanden in 'Bedrijven en milieuzonering' indicatief zijn, worden deze afstanden wel als harde eis gezien door de Raad van State bij de beoordeling of bedrijven op een passende afstand van woningen worden gesitueerd.
5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Het plangebied ligt in de kern Luttelgeest. Rondom het plangebied is geen sprake van matige of sterke functiemenging. Het gebied kan daarom worden aangemerkt met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan Luttelgeest, Kerkstraat Ontwerp 2.
laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Woonfuncties zijn niet aan te merken als milieubelastende functies en zijn daarom niet van negatieve invloed op het woon- en leefklimaat van omliggende woonfuncties.
5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. De functie ‘wonen’ is namelijk aan te merken als milieugevoelige functie. Rondom de kern Luttelgeest, en daarmee ook rondom het plangebied, zijn meerdere agrarische bedrijven gelegen. Ten noorden en oosten van het plangebied betreft dit met name (glas)tuinbouwbedrijven. Voor deze bedrijven zijn de adviesafstanden voor alle milieuaspecten maatgevend. Ter plaatse zijn echter ook veehouderijen toegestaan. Bij veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’, de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij veehouderijen zijn echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan. Tot slot bevindt zich er een bedrijventerrein ten westen van het plangebied. De meest nabijgelegen percelen zijn bestemd voor bedrijven tot en met milieucategorie 2. In de onderstaande tabel worden milieubelastende activiteiten/functies benoemd welke zijn gelegen in de nabijheid van het plangebied.
daarnaast is aangegeven tot welke milieucategorie deze activiteit of functie (maximaal) wordt gerekend, welke richtafstand aangehouden moet worden tussen het meest nabijgelegen bouwvlak en het bestemmingsvlak van de betreffende milieubelastende functie en wat de daadwerkelijke minimale afstand hiertussen bedraagt (eventueel per fase). Functie
Categorie
Bedrijventerrein Kade 2 Agrarische (glas)tuinbouwbedrijven Oosterringweg 20 Agrarische (glas)tuinbouwbedrijven Oosterringweg 22
2 3.2 3.2
Richtafstand rustige woonwijk 30 meter voor geluid
Daadwerkelijke afstand (circa) 40 meter
30 meter voor geluid en stof* 30 meter voor geluid en stof*
75 meter 140 meter
* geur buiten beschouwing gelaten
In voorliggend geval wordt aan alle richtafstanden voldaan. Gezien de afstand tot omliggende milieubelastende functies mag ervan uit worden gegaan dat ter plaatse van het plangebied voor sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd.
5.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vorm geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan Luttelgeest, Kerkstraat Ontwerp
5.6
Geur
5.6.1
Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor inrichtingen, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorie is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën, waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Het gaat om de afstand van het emissiepunt van een dierenverblijf tot de buitenzijde (gevel) van een geurgevoelig object. Onverminderd de minimale afstand tussen het emissiepunt van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object geldt dat de afstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object: • •
ten minste 50 meter bedraagt indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom ligt; ten minste 25 meter bedraagt indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom ligt.
Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten het concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan kom 2 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odour units per kubieke meter lucht.
5.6.2
Situatie plangebied
Met voorliggend plan worden nieuwe geurgevoelige objecten gerealiseerd. Uit paragraaf 5.5 is gebleken dat er zich in de nabijheid van het plangebied twee percelen liggen waar vanuit planologisch oogpunt dierenverblijven van een grondgebonden veehouderij zouden kunnen worden gerealiseerd. Het gaat om de agrarische bedrijfspercelen aan de Oosterringweg 20 en 22. Het agrarisch bedrijfsperceel Oosterringweg 22 ligt op 140 meter van de te realiseren woningen, waarmee wordt voldaan aan de vaste richtafstand van 100 meter. Het agrarisch bedrijfsperceel Oosterringweg 20 ligt op circa 75 meter van de te realiseren woningen. Hiermee wordt in principe niet aan de vaste richtafstand van 100 meter voldaan. Gelet op de inrichting van het agrarische bedrijfsperceel, waarbij de bedrijfswoning op het meest nabijgelegen deel van het agrarisch bedrijfsperceel staat, kunnen ter plaatse geen bedrijfsgebouwen gerealiseerd worden. De huidige bedrijfsbebouwing, waar dus emissiepunten gerealiseerd zouden kunnen worden, bevindt zich wel op circa 100 meter van het dichtstbijzijnde punt van het bouwvlak. Bovendien wordt de minimale afstand van 50 meter tussen buitenzijde van een dierenverblijf en buitenzijde van een geurgevoelig object wel ruim gehaald. In de huidige situatie bevindt het bouwvlak van het schoolgebouw zich eveneens op circa 75 meter van het agrarische bedrijfsperceel.
Er wordt dus geen geurgevoelig object dichter bij het agrarische bedrijf Oosterringweg 20 gerealiseerd. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er ter plaatse van de te realiseren woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. Veehouderijen worden omgekeerd niet in hun bedrijfsvoering belemmerd als gevolg van voorliggende ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan Luttelgeest, Kerkstraat Ontwerp 5.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
5.7
Ecologie
5.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.
5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.1 Algemeen Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologische Hoofstructuur) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
5.7.2.2 Natura 2000-gebieden In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, de ‘Weerribben’, ligt op een afstand van circa 4,9 kilometer van het plangebied. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk.
Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient evenees te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen heeft BJZ.nu een stikstofberekening met behuld van de Aeriuscalculator uitgevoerd voor zowel de bouwfase en de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling. De bijbehorende rapportage is als bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd. In de komende alinea wordt op de belangrijkste resultaten en conclusies ingegaan. Voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase is geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan Luttelgeest, Kerkstraat Ontwerp plan is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.7.2.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN ligt circa 3 kilometer ten noordenwesten van het plangebied. Vanwege de lokale invloedsfeer hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de kernkwaliteiten en de omgevingscondities van het Natuurnetwerk Nederland. Mogelijk is tijdens de aanlegfase incidenteel geluid waarneembaar buiten het plangebied, maar dit effect is incidenteel en kortstondig en heeft geen negatief effect op het beschermde (natuur)gebied.
5.7.3
Soortenbescherming
5.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. In voorliggend geval heeft Alcedo Natuurprojecten ter plaatse van het plangebied een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 5 van deze toelichting. In de komende subparagraaf worden de belangrijkste resultaten en conclusies van het onderzoek beknopt uiteengezet.
5.7.3.2 Resultaten quickscan flora en fauna Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt het volgende geconcludeerd: • • • • • •
er zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels aangetroffen; er zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van huismussen; het schoolgebouw is niet geschikt als broedlocatie voor gierzwaluwen; het is uit te sluiten dat er vaste verblijfsplaatsen (kraamkolonies) voor vleermuizen aanwezig zijn; vanwege de voorgenomen ontwikkeling gaan er geen foerageerplaatsen van vleermuizen verloren; vanwege de voorgenomen ontwikkeling worden er geen migratiecorridors van vleermuizen doorsneden;
Er wordt geadviseerd de werkzaamheden buiten het broedseizoen (15 maart – 15 juli) uit te voeren. Daarnaast wordt geadviseerd het plangebied op natuur-inclusieve wijze in te richten. Bij voorkeur door het plaatsen van nestkasten voor vleermuizen en huismussen, zodat de biodiversiteit ter plaatse vergroot kan worden.
5.7.4
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met de wet- en regelgeving wat betreft ecologie.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan Luttelgeest, Kerkstraat Ontwerp
5.8
Archeologie & Cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
5.8.1.2 Situatie plangebied De gemeenteraad van Noordoostpolder beschikt over een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. Op basis van de archeologische verwachtingskaart beschikt het plangebied over een lage archeologische verwachtingswaarde. De archeologische verwachtingswaarde is doorvertaald naar een archeologische beleidsadvieskaart. Uit deze beleidsadvieskaart volgt dat met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen ter plaatse van het plangebied geen beperkingen gelden. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.
5.8.2.2 Situatie plangebied Binnen het plangebied is een gemeentelijk monument aanwezig, namelijk het te behouden kerkgebouw. In de regels is bepaald dat er ter plaatse van het kerkgebouw niet gesloopt kan worden, tenzij er geen sprake meer is van cultuurhistorische waarden of de aanwezige cultuurhistorische waarden niet worden aangetast. In de beeldkwaliteitsparagraaf (zie paragraaf 3.2.3 en bijlage 1) zijn criteria opgenomen om de uiterlijke verschijningsvorm van de kerk te behouden. Bij aanpassingen aan de buitenkant van het kerkgebouw wordt aan deze criteria getoetst. Voor het overige geldt dat het kerkgebouw uitsluitend inpandig verbouwd wordt. Op basis van cultuurhistorische waardenkaart Flevoland en het gemeentelijke beleidsstuk ‘Erfgoed in de gemeente Noordoostpolder, blijkt dat zich voor het overige geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden binnen het plangebied bevinden. In de directe omgeving van het plangebied komen eveneens geen monumenten of cultuurhistorische waarden voor die in relatie tot voorliggend plan relevant zijn.
5.8.3
Conclusie
Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk. Daarnaast heeft de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan Luttelgeest, Kerkstraat Ontwerp
5.9
Besluit milieueffectrapportage
5.9.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
•
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
•
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.
5.9.2
Situatie plangebied
Er wordt voorzien in directe eindbestemmingen en is daarmee een besluit. Indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en die de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. Voorliggende ontwikkeling is niet als activiteit opgenomen in de C-lijst van het Besluit MER. In de D-lijst de volgende activiteit opgenomen: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Het plan is als een stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken, waardoor toetsing aan de drempelwaarden dient plaats te vinden. De drempelwaarden zijn ten aanzien van de hiervoor genoemde activiteit als volgt: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
Indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit de D-lijst kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit aangezien deze pas geldt bij een aaneengesloten gebied van 100 hectare of meer en/of 2000 woningen of meer. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan Luttelgeest, Kerkstraat Ontwerp Indien hierbij de drempelwaarden uit de D-lijst voor deze activiteit wordt vergeleken met de omvang van de ontwikkeling (het realiseren van maximaal 17 woningen, waarvan zes binnen bestaande bebouwing), wordt geconcludeerd dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele male kleinschaliger is. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is eveneens bevestigd in de in dit hoofdstuk aan bod gekomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt beschouwd als een vormvrije m.e.r-beoordeling.
5.9.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Daarnaast zijn geen significant negatieve effecten te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan Luttelgeest, Kerkstraat Ontwerp
HOOFDSTUK 6 6.1
WATERASPECTEN
Algemeen
In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt er gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
6.2
Beleidskaders
6.2.1
Waterbeheerplan 2016-2021
Het Waterbeheerplan 2016-2021 (WPB3) is de opvolger van WPB2+ en bevat langetermijndoelen (zichtjaar 2050), doelen voor de planperiode (2016-2021) en maatregelen die het waterschap (samen met gebiedspartners) uit gaat voeren. De doelen en maatregelen hebben betrekking op de kerntaken van het waterschap (waterveiligheid, schoon water, voldoende water) en het thema ‘water en ruimte’. Hierbij gaat het om reguliere werkzaamheden, zoals peilbeheer, onderhoud aan dijken en het zuiveren van afvalwater en om nieuwe ontwikkelingen.
6.2.2
Stroomgebiedsvisie Flevoland (2003)
De Noordoostpolder is gelegen binnen het plangebied van de stroomgebiedsvisie Flevoland. In de watervisie voor 2015 wordt het plangebied aangeduid als een gebied met een vitaal watersysteem. Voor de gemeente Noordoostpolder zijn de wateropgaven onderverdeeld in een aantal generieke maatregelen en in de resterende wateropgave. De generieke maatregelen houden onder andere in: • • •
afvoerblokkering in natuurgebieden; vasthouden van water in natuurgebieden en landbouwgebied; realisatie van duurzame oevers.
Oplossingsrichtingen voor de resterende wateropgave zijn onder andere bergen in open water en efficiënt uitmalen.
6.2.3
Beleid gemeente Noordoostpolder en waterschap Zuiderzeeland
De watervisie van de gemeente Noordoostpolder is zowel opgenomen in het Stedelijk Waterplan Noordoostpolder (d.d. april 2006) als het vigerend Gemeentelijk Rioleringsplan Noordoostpolder. Ten aanzien van het Stedelijk Waterplan is als aanvulling op dit plan, in 2011 door het waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder een bestuurlijke ‘Maatwerkovereenkomst stedelijk water’ ondertekend. Door ondertekening van deze bestuursovereenkomst zijn tussen de waterbeheerder en de gemeente afspraken gemaakt over de invulling van de gezamenlijke taakuitoefening voor het beheer en onderhoud van het stedelijk water. De beoogde doelen op strategisch, tactisch en operationeel niveau ten aanzien van het stedelijk water zijn daarbij beter verankerd. Waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder hebben begin 2019 samen het Watertakenplan Noordoostpolder 2019-2024 vastgesteld. Op grond van de Waterwet is er voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater. In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats. Het ‘gebiedseigen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan Luttelgeest, Kerkstraat Ontwerp water’ wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken. Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot (water)overlast voor de woonomgeving. Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de Keur van het waterschap Zuiderzeeland, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken)
6.3
Watertoetsproces
6.3.1
Algemeen
Het waterbelang is sinds 1 november 2003 door middel van de Watertoets verankerd in het ‘Besluit ruimtelijke ordening’. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn dertien nationale belangen genoemd, deels op het gebied van water. Basisprincipes van het nationaal en Europees beleid zijn: meer ruimte voor water, voorkomen van afwenteling van de waterproblematiek in ruimte of tijd en stand-still (géén verdere achteruitgang in de huidige chemische en ecologische waterkwaliteit). Het bovenstaande resulteert in twee drietrapsstrategieën: • •
Waterkwantiteit (vasthouden, bergen, afvoeren); Waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren).
De waterparagraaf maakt inzichtelijk hoe het vigerend waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichtingsmaatregelen, waarmee rekening moet worden gehouden bij het uitbreiden van woningbouw in Luttelgeest. Bij de inrichting van de stedenbouwkundige inrichting van dit uitbreidingsplan is rekening gehouden met de wijze waarop op deze locaties wordt omgegaan met water ten aanzien van: 1. 2. 3.
6.3.2
Veiligheid; Voldoende water; Schoon water.
Proces van de Watertoets
Het waterschap Zuiderzeeland is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleidt dat de korte procedure van toepassing is. De bijbehorende standaard waterparagraaf is als bijlage 6 bijgevoegd. Het waterschap Zuiderzeeland geeft een positief wateradvies af. Hierna wordt op de relevante wateraspecten ingegaan. Beschrijving van het watersysteem 1.
Veiligheid/Waterkeringen
Het plan ligt niet buitendijks of in de beschermingszone van een waterkering. Er zijn dan ook geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. 2.
Voldoende Water
Wateroverlast Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. Het plangebied ligt in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan Luttelgeest, Kerkstraat Ontwerp
Goed functionerend watersysteem Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot nieuwe peilvakken en heeft geen gevolgen heeft voor het streefpeil van het oppervlakte water in of in de omgeving van het plangebied. Het functioneren van het huidige watersysteem, (doorstroming, afwatering, realiseren van het gewenste peil) zal niet verslechteren. Binnen het plangebied zijn geen watergangen of oppervlaktewaterlichamen aanwezig. Daarnaast worden deze niet gerealiseerd. 3.
Schoon water
Goede oppervlaktewaterkwaliteit Er worden geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zinken dakgoten) gebruikt, waardoor alle verharde nieuw aan te leggen en te bouwen oppervlakken als schoon kunnen worden aangemerkt. Het schone water wordt in de bodem geïnfiltreerd. Goed omgaan met afvalwater Afvalwater wordt via het bestaande rioleringsstelsel afgevoerd. Schoon hemelwater wordt zoveel mogelijk in de bodem geïnfiltreerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Bestemmingsplan Luttelgeest, Kerkstraat Ontwerp
HOOFDSTUK 7 7.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2
Opzet van de regels
7.2.1.
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.
7.2.2
Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); Overgangs- en slotregels.
Algemene regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •
Begrippen (Artikel 1)
In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. •
Wijze van meten (Artikel 2)
Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. De op de verbeelding of in de regels aangegeven bouwhoogte wordt gemeten vanaf peil tot het hoogste punt (exclusief elementen zoals een schoorsteen en/of antenne en dergelijke).
7.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: •
Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan;