CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

3.1 Vaststelling bestemmingsplan Landelijk gebied Repelweg te Marknesse (MITC).pdf

Commissie Woonomgeving 27 juni 2023, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 3: Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)’32.650 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

bestemmingsplan (vastgesteld)

43

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC) regenwater van de RDW-testbaan mag niet direct worden geloosd op het oppervlaktewater. De kans is groot dat dit water bijvoorbeeld olieresten bevat die zeer schadelijk zijn voor het leven in het oppervlaktewater; De aanwezige kavelsloten vallen niet geheel binnen het plangebied. De wateraanvoerfunctie van deze sloten moet blijven bestaan. Er is dus een ‘restgebied’ waarvoor wateraanvoer en waterafvoer in stand gehouden moet worden; Het waterschap geeft aan dat haar voorkeur uitgaat naar een doelmatige behandeling van afvalwater: zo mogelijk afvoeren via riolering naar haar/een AWZI. Daarnaast gelden er vanuit het plan de volgende uitgangspunten: Een deel van het hemelwater moet intern worden opgevangen en hergebruikt. Dit wordt opgeslagen in bassins. Het hemelwater in de bassins kan vervolgens gebruikt worden op de testbaan. Hiermee ontstaat een interne watercyclus waarbij hemelwater hergebruikt wordt. Deze bassins hebben een overloop met geknepen afvoer van 1,5 l/s/ha zodat het niet kan overstromen en voor overlast zorgt. Mogelijk kunnen deze bassins ook gebruikt worden als tijdelijke waterbuffer en daarmee als waterberging dienen; Het huidige waterpeil wordt gehandhaafd; Vuilwater: de precieze invulling van het terrein en het gebruik zijn nog niet bekend.

Er wordt nu ingeschat dat er rekening gehouden moet worden met een piekbelasting 2,1 m3 /uur. 4.4.3 Klimaatadaptie In het kader van klimaatadaptatie adviseert het waterschap om bij de inrichting van een plangebied te anticiperen op hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en mogelijk overstroming. Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit onverhard oppervlak. Door de ontwikkeling en bouw van de testbaan voor het RDW wordt het terrein deels verhard. Omdat er nog geen duidelijkheid is over de definitieve toename van de verharding is er bij de watertoets en in het MER rekening gehouden met 2 scenario's, namelijk een maximum aan verharding voor het terrein van RDW (40%), politie (70% en DigiCity/ Campus (70%). Het tweede scenario betreft een maximale verharding van 30% van het plangebied. Nu de uitwerking van de plannen wat verder is, blijkt het scenario met een maximale verharding van 30% reëel te zijn. Dat geldt in het vervolg van deze waterparagraaf dan ook als uitgangspunt. Bij een toename van verharding zal hemelwater sneller afstromen en kan er minder water infiltreren waardoor er minder grondwateraanvulling is. Deze negatieve effecten moeten, zoals vastgelegd in het beleid van het waterschap, gecompenseerd worden. Voor de toename van verharding hanteert Waterschap Zuiderzeeland per peilgebied andere uitgangspunten.

Voor het plangebied geldt dat er 5% extra waterberging moet komen voor de netto toename van de verharding. Daarnaast zullen er enkele watergangen verdwijnen of verlegd worden. Deze watergangen moeten 100% gecompenseerd worden, wat feitelijk betekent dat er voor de te dempen/verplaatsen watergangen voor minimaal dezelfde hoeveelheid berging/afmeting moet terugkomen in het nieuwe plan. Rond het MITC worden drie nieuwe watergangen toegevoegd. De Voorstertocht wordt deels omgelegd ten noorden en noordwesten van het RDW-terrein. Er komt een aftakking van de wateraanvoersloot ten noorden en oosten van de RDW en ten zuiden wordt een nieuwe aanvoersloot gegraven in aansluiting op de wateraanvoersloot. Op deze manier wordt, in overleg met het waterschap, een robuust watersysteem gerealiseerd. Rond het MITC worden twee nieuwe watergangen toegevoegd. De Voorstertocht wordt deels omgelegd ten noorden en noordwesten van het RDW-terrein en er komt een aftakking van de wateraanvoersloot ten noorden en oosten van de RDW.

44

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)

4.4.4 Watercompensatie Om wateroverlast te voorkomen geldt een compensatieopgave voor het dempen van watergangen en het aanbrengen van substantiële verhardingsoppervlakken. Watergangen die gedempt worden, moeten voor 100% gecompenseerd worden. De berekening van de watercompensatie is in deze waterparagraaf gebaseerd op het landschapsplan van VISTA, waarmee ook wordt aangesloten op het MER. In het kader van de voorbereiding op de uitvoering worden deze getallen specifieker uitgewerkt, op basis van een maatwerkberekening die wordt afgestemd met het waterschap. Als gevolg van de uitvoering van het plan wordt een deel van de huidige Voorstertocht en een aantal kavelsloten gedempt. Hiervoor komen twee watergangen terug, namelijk de omgelegde Voorstertocht en de nieuwe wateraanvoersloot om het RDW-terrein. De tweede wordt onderdeel van een aanvoersloot waarmee deze deels meetelt in de waterberging. De laatst genoemde watergang telt niet mee in de waterberging. Er wordt echter meer waterberging aangelegd dan er wordt gedempt. In het plan wordt ervan uit gegaan dat de compensatieopgave voor de verharding van RDW wordt gevonden in de om te leggen Voorstertocht en de watergangen rondom het terrein van RDW. Voor politie en DigiCity/Campus moet op de kavels nog worden voorzien in voldoende waterberging.

De kavels bieden voldoende ruimte om een 30% verhardingsoppervlak met 5% te compenseren. Dit komt neer op 1,5% wateroppervlak. Een verhardingspercentage van 30% verharding komt neer op 240.000 m2 verharding voor RDW en 168.000 m2 verharding voor politie en DigiCity/Campus. Hiermee komt de totale toename van verharding uit op 408.000m2 . Hiervoor geldt een compensatienorm van 5%, waarmee de compensatieopgave (12.000 m2 + 8.400 m2 ) 20.400 m2 bedraagt. De benodigde compensatie voor RDW zal binnen en direct aangrenzend aan het RDW-terrein worden gerealiseerd. Uitgaande van de maximale verhardingsoppervlakte op het terrein van politie en DigiCity/Campus moet nog waterberging worden gerealiseerd. In dit bestemmingsplan wordt de verhardingsoppervlakte voor RDW in de regels gemaximeerd op 30%, waarmee voor dit onderdeel wordt voldaan aan de compensatieopgave. Voor politie en DigiCity/Campus is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarmee is geregeld dat per 100 m2 verharding, 5 m2 oppervlaktewater op streefpeil moet worden aangelegd. In afwijking hierop kunnen in overleg met het waterschap andere voorzieningen worden gerealiseerd op basis van een maatwerkberekening, zodat er in de eindsituatie geen tekort is aan waterberging.

Uit de voorlopige maatwerkberekeningen van RDW blijkt dat de nieuwe wateraanvoersloot ten oosten en noorden niet in m2 kan meetellen als waterberging op streefpeil. Op basis van een maatwerkberekening telt de sloot wel mee als alternatieve waterberging. In eerste instantie zal RDW minder dan 30% verharding realiseren, namelijk 190.000 m2 (24% van het perceel). Het grootste deel van de compensatieopgave voor RDW wordt rondom het terrein gerealiseerd, maar een deel moet nog worden opgelost omdat de nieuwe wateraanvoersloot deels meetelt. Over de exacte invulling hiervan en van het watersysteem vindt parallel aan de bestemmingsplanprodedure nauwe afstemming plaats met het waterschap. Dit wordt daarom niet nader geregeld in de regels van dit bestemmingsplan.

De inperking van de bouwmogelijkheden op grond van de Keur (uitgewerkt in de Legger, het waterschapsbeleid en het waterbeheerplan) geldt ongeacht of dit in een ruimtelijk plan is opgenomen. De gemeente zal een leggerwijziging uiteindelijk verwerken in de relevante bestemmingsplannen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de Keur en het waterbeheerplan vervangen door respectievelijk de Waterschapsverordening, de Watervisie en het Waterbeheerprogramma. Op deze manier zijn de belangen van het waterschap ook in de toekomst geborgd.

bestemmingsplan (vastgesteld)

45

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)

4.4.5 Goed functionerend watersysteem Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste gronden oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Waterschap Zuiderzeeland heeft de polder verdeeld in peilgebieden om (grond)waterniveaus te sturen en daarmee te laten aansluiten op lokale omstandigheden. Ieder peilgebied kent een andere waterstand. Het MITC doorsnijdt drie peilgebieden. Het oostelijke vak heeft een waterniveau van -3,59 NAP. Naar het westen toe wordt het water niveau lager, van -4,33 NAP tot -4,50 NAP. Er liggen veel zogeheten kavelsloten, waardoor het water noordoostelijk af kan stromen via de Voorstertocht en later de Zwolse Vaart richting het Vollenhoverkanaal stroomt. Momenteel betreft het plangebied een wateraanvoergebied. Vanuit het Vollenhoverkanaal laat het waterschap schoon water de wateraanvoersloot N:5_40 instromen. Deze watergang voedt sloten in het Wendelbos en kavelsloten in het landbouwgebied. De agrariërs beschikken zo over zeer schoon water wat de grond geschikt maakt voor gevoelige teelten.

Het waterschap laat alleen water in als er vraag naar is. In de praktijk is dat in het zomerhalfjaar. In de winter valt de watervraag weg en zal het waterpeil in dit deel van de Voorstertocht zakken. Nabij het plangebied stromen drie KRW-waterlopen: de Voorstertocht, de Zwolse Vaart en het Vollenhoverkanaal. De Voorstertocht maakt onderdeel uit van het KRW-waterlichaam ‘Tochten hoge afdeling NOP’. De Zwolse Vaart hoort bij het KRW-waterlichaam ‘Vaarten NOP’ en het Vollenhoverkanaal is onderdeel van ‘Vollenhover- en Kadoelermeer’. De Blokzijlertocht is ook een KRW-waterlichaam. Het plangebied is grotendeels onderdeel van een wateraanvoergebied. De Blokzijlertocht ligt ook nabij het plangebied, echter is het bovenstrooms gelegen van de Voorstertocht, dus het plan heeft geen invloed op de Blokzijlertocht. Aanpassingen watersysteem Om het MITC waterhuishoudkundig in te passen moet het watersysteem op drie plekken worden aangepast. Door deze aanpassingen moeten stuwen en stuwputten worden verplaatst of nieuwe worden aangebracht. Het waterschap heeft voorkeur voor het deels omleggen van de Voorstertocht ten noordwesten van de RDW in plaats van overkluizen. Daardoor zal de regelbare stuw ongeveer 600 meter stroomafwaarts worden verplaatst. Er zullen afspraken worden gemaakt met de betreffende agrariërs. Aan beide zijden van de omgelegde Voorstertocht komen onderhoudspaden.

Ter plaatse van het RDW-terrein worden kavelsloten gedempt. Zonder aanpassing kan de wateraanvoersloot de agrarische restpercelen niet van water voorzien. De wateraanvoeren waterafvoerfunctie moet echter blijven bestaan. Een aftakking van de wateraanvoersloot oostelijk van de RDW garandeert deze wateraanvoer. Daarnaast zorgt de 3 meter brede watergang voor een fysieke afscheiding van het RDW-terrein. Het uiteinde van de aanvoersloot sluit aan op de Voorstertocht met een stuwput en een duiker door een dam. Hierdoor wordt een doodlopend deel van de watergang voorkomen. De stuwputten van de vervallen kavelsloten schuiven op naar de kavelsloten van de restpercelen. De stuwput van de vervallen kavelsloot wordt verplaatst naar het uiteinde van de aftakking van de wateraanvoersloot. Ten zuidwesten van het RDW-terrein wordt de aanvoersloot N 5_40 verlengd. Met deze verlenging realiseert men een volledig ''blauwe'' omkadering van het RDW-terrein. Het profiel van de verlenging is gelijk aan het bestaande deel van de wateraanvoersloot.

46

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)

4.4.6 Goed omgaan met afvalwater Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het water doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Het vuilwater vanuit het plangebied kan bij de ontwikkelingen aangesloten worden op de persleiding en het bestaande gemaal van NLR. Hierover worden in het kader van de uitwerking afspraken gemaakt. Bij een volledige invulling van het campusgebied kan een situatie ontstaan, waarbij mogelijk onvoldoende capaciteit op de bestaande persleiding is. In dat kader is een aanvulling op het systeem nodig. Dit wordt beoordeeld op het moment dat deze situatie zich voordoet. Hierover vindt in het kader van de uitvoering nadere afstemming met het waterschap en de gemeente plaats. 4.4.7 Goede oppervlaktewaterkwaliteit Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Verontreinigingen worden voorkomen of aangepakt bij de bron. Het plangebied is in de huidige situatie onbebouwd. De functie en het gebruik van de grond veranderen dus.

In het deel dat in de huidige situatie agrarisch wordt gebruikt, is nu sprake van uitspoeling van nutriënten en mogelijk bestrijdingsmiddelen naar het oppervlaktewater. Deze vorm van vervuiling naar het oppervlaktewater vervalt, maar het gebruik van de nieuwe functie als testcentrum voor verkeer heeft een nieuw risico voor de oppervlaktewaterkwaliteit. Afstromend wegwater zorgt op een normale weg met veel verkeersintensiteit voor vervuiling van het oppervlaktewater. Daarnaast treedt er verwaaiïng op van vervuiling van verhard oppervlak en dat kan in het oppervlaktewater terechtkomen. Deze twee manieren van verontreiniging (afstroming en verwaaiing) kunnen ook optreden bij het MITC. Echter, het gebruik van de testbaan is niet te vergelijken met een gewone weg. Wanneer hemelwater van de verharde oppervlakken van de testbaan afstroomt, komt het niet rechtstreeks in het oppervlaktewatersysteem, maar stroomt het af via een berm. Hier worden eventuele verontreinigingen afgevangen. Wanneer water rechtstreeks geloosd wordt op het oppervlaktewater, moet het precieze gebruik van deze verharde oppervlakken worden bekeken om te bepalen of het water rechtstreeks geloosd mag worden of dat er voorwaarden moeten worden gesteld. Het waterschap schrijft geen middelvoorschriften (bijvoorbeeld een bepaalde zuiveringsstap) voor maar doelvoorschriften (lozingsnormen).

Als een middel wordt aangevraagd kan deze na beoordeling wel worden toegestaan. Bij de verdere uitwerking van het plan en invulling van de manier van verwerken van hemelwater moet bekeken worden of dit aan de orde is. Het is aannemelijk dat hemelwater afkomstig van de testbaan niet ongezuiverd geloosd mag worden in oppervlaktewater. Uitgangspunt is dat het eventueel lozen van het hemelwater op het oppervlaktewater plaatsvindt in lijn met geldende regelgeving. Hiermee wordt voorkomen dat er problemen ontstaan met de oppervlaktewaterkwaliteit. Samenvattend geldt dat de belasting van het oppervlaktewater zal veranderen. De belastingen uit agrarisch gebruik vallen weg en daarvoor in de plaats komt een belasting vanuit het gebruik als testbaan. Er worden geen problemen verwacht aangezien de totale emissie van de testbaan naar het oppervlaktewater zeer klein zal zijn.

bestemmingsplan (vastgesteld)

47

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)

4.4.8 Drooglegging In de huidige situatie is de drooglegging - op basis van beschikbare informatie - mogelijk niet voldoende voor de realisatie van bebouwing. Op de locatie van de kantoren is dan ook nader onderzoek nodig naar de (toekomstige) drooglegging en is mogelijk een ophoging nodig. Ook delen van de testbaan zullen opgehoogd worden om de zorgen dat de gehele testbaan op gelijke hoogte kan liggen. Op dit moment loopt het maaiveld af in westelijke richting. De testbaan moet op gelijke hoogte komen te liggen. Hiervoor is het niet nodig om het gehele terrein op te hogen, enkel de testbaan zelf. De inperking van de bouwmogelijkheden op grond van de Keur (uitgewerkt in de Legger, het waterschapsbeleid en het waterbeheerplan) geldt ongeacht of dit in een ruimtelijk plan is opgenomen. De gemeente zal een leggerwijziging uiteindelijk verwerken in de relevante bestemmingsplannen. Door de Omgevingswet wordt de Keur en is het waterbeheerplan vervangen door respectievelijk de Waterschapsverordening, de Watervisie en het Waterbeheerprogramma.

4.5

Bodem

4.5.1 Toetsingskader Bij het aspect 'bodem' staat de vraag centraal of de bodemkwaliteit toereikend is voor het nieuwe gebruik. De bodem kan door eerdere (bedrijfs)activiteiten verontreinigd zijn. Voor de ruimtelijke procedure is het van het belang dat verdachte locaties worden gesignaleerd. 4.5.2 Toetsing In het kader van de ontwikkelingen zijn verschillende bodemonderzoeken uitgevoerd. Hieruit blijkt dat op basis van de beschikbare informatie de bodemkwaliteit van het plangebied deels onvoldoende inzichtelijk is, maar voor het aantonen van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is de locatie voldoende onderzocht. Over het algemeen is in het zuiden van de locatie in het verleden op de terreinen van de DNW en NLR-bodemverontreinigingen met minerale olie en enkele zware metalen aangetoond. Hoewel de dichtstbijzijnde activiteiten op een afstand van circa 50 m hebben plaatsgevonden, is er een kans op een bodemverontreiniging ter plaatse van de hoek van genoemde terreinen. Daarnaast is het niet zeker of de dammen op het akkerland wel of niet puinhoudend zijn. Op het akkerland zelf wordt geen bodemverontreiniging verwacht. Ter plaatse van het erf aan de Vollenhoverweg 28 zijn verdachte activiteiten bekend, met name een aantal boven- en ondergrondse tanks en opslag van bestrijdingsmiddelen.

Uit milieu- en hinderwetvergunningen blijkt dat er nooit een belemmering is geweest voor deze activiteiten. Echter zijn de activiteiten in het verleden niet onderzocht. Op de acht kavels waarop de testbaan van de RDW gesitueerd wordt, is in 2020 en 2021 een verkennend bodemonderzoek gedaan. Hierbij zijn enkele lichte verhogingen aangetoond ten opzichte van de geldende normen. Op basis van dit onderzoek wordt vastgesteld dat geen sprake is van grootschalige verontreinigingen die de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan belemmeren. In de uitvoering wordt rekening gehouden met de bevindingen uit dit onderzoek. In het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouw) en een milieuvergunning is het noodzakelijk om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren op die terreindelen waar dat nog niet is gebeurd. Voor de omgevingsvergunning geldt concreet dat dit onderzoek zich moet richten op het deel van de locatie waar de bouwactiviteiten plaatsvinden. Voor de milieuvergunning geldt dat ter plaatse van de activiteiten die een negatieve

48

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC) invloed op de bodemkwaliteit kunnen hebben een nulsituatie onderzoek uitgevoerd moet worden.

4.6

Archeologie

Toetsingskader Rijk en provincie stellen zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologisch erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Doelstelling van het Verdrag van Valletta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.

Toetsing De (geactualiseerde) Archeologische beleidsadvieskaart die voor het grondgebied van Noordoostpolder is vastgesteld (1 oktober 2018) geeft inzicht in de te verwachten archeologische waarden binnen het plangebied. Een fragment hiervan is opgenomen in figuur 4.3.

Figuur 4.3

Uitsnede archeologische verwachtingskaart

Het plangebied valt onder beleidscategorieën WA-5 en WA-6. Het gaat om zandruggen, die op minimaal 50 centimeter diepte liggen. Bij ingrepen groter dan respectievelijk 2.500 m2 en 5.000 m2 en dieper dan 50 centimeter onder het huidige maaiveld, is een archeologisch onderzoek nodig.

bestemmingsplan (vastgesteld)

49

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)

Ook voor vrijgegeven plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Dit kan ook een scheepswrak betreffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed), de provinciaal archeoloog of gemeentelijk archeoloog. In het kader van het MER is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek geldt het advies om de archeologische verwachtingswaarden over te nemen in het nieuwe bestemmingsplan. Dit advies is in het bestemmingsplan overgenomen, door de dubbelbestemmingen Waarde- Archeologische Verwachtingswaarde 5 en 6 op te nemen. De voorgenomen werkzaamheden bestaan uit het egaliseren van de grond ter plaatse van de aan te leggen testbanen, de aanleg van de testbanen, het graven van een tunnel, het graven en dempen van watergangen en de aanleg van bos en bebouwing. Er zijn in het huidige planstadium nog geen exacte ontgravingsdieptes bekend voor de voorgenomen ingrepen. De exacte inrichting van de verschillende onderdelen ligt ook nog niet vast.

Met betrekking tot de voorgenomen werkzaamheden wordt daarom geadviseerd om de terreindelen waar bodemingrepen (inclusief egaliseringen door middel van afgraven/verschuiven van de grond) dieper dan 50 cm -Mv gepland zijn, nader te onderzoeken (conform archeologiebeleid). In de praktijk wordt de grond ter hoogte van de cunetten voor de aanleg van de rijbanen opgehoogd en wordt er slechts op beperkte delen van het terrein dieper dan 50 cm gegraven. De omvang van deze graafwerkzaamheden zal de vrijstellingsoppervlakte van 2.500 m2 danwel 5000 m2 voor de specifieke archeologische verwachtingswaarde niet overschrijden. Mochten er tijdens de werkzaamheden wel archeologische resten worden gevonden, dan geldt hiervoor de meldingsplicht. In onderstaande figuur is met kleur aangegeven waar grond wordt opgebracht (oranje), waar tot maximaal 40 cm diepte wordt gegraven (licht oranje) en waar diepere afgravingen plaatsvinden (rood). Concreet zijn dat 7 locaties. In overleg met de gemeentelijk archeoloog is afgesproken dat ter plaatse van de rode kleur nader archeologisch onderzoek zal worden uitgevoerd. Op het moment dat het bestemmingsplan wordt vastgesteld zal inzichtelijk zijn gemaakt of er archeologische vindplaatsen zijn op deze locaties.

50

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)

Figuur 4.4 Maximale afgravingen ten behoeve van de aanleg van de testbaan

Voor wat betreft scheepswrakken, die in principe in het gehele plangebied vanaf het maaiveld aanwezig kunnen zijn, geldt dat deze met de gangbare prospectiemethoden en technieken nauwelijks systematisch zijn op te sporen. Vrijwel alle scheepsvondsten in Flevoland zijn tijdens graaf- en grondwerkzaamheden aan het licht gekomen. Ten aanzien van eventuele scheepswrakken is een vervolgonderzoek daarom niet aan de orde. De passende maatregel hiervoor is om voorafgaand aan de werkzaamheden een meldingenprotocol scheepswrakken op te stellen. Dit is een instructie aan de uitvoerder

bestemmingsplan (vastgesteld)

51

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC) hoe te handelen indien mogelijk vondsten gerelateerd aan scheepswrakken worden aangetroffen tijdens de uitvoering. Tot slot geldt in algemene zin de archeologische meldplicht. Wanneer bij werkzaamheden toch onverhoopt andere waardevolle archeologische resten worden aangetroffen, moeten deze conform de Erfgoedwet 2016 (art. 5.10) worden gemeld bij de bevoegde overheid (de gemeente Noordoostpolder).

4.7

Cultuurhistorie

Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving opgenomen moet worden van de manier waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Binnen het plangebied zijn geen specifiek beschermde cultuurhistorische waarden, zoals monumenten, aanwezig. Wel heeft het ontstaan van het landschap van de Noordoostpolder een bijzondere geschiedenis, waardoor het een behoudenswaardige status heeft.

Nationaal erfgoed De Noordoostpolder is op grond van de volgende karakteristieken aangemerkt als nationaal erfgoed: grootschalige droogmakerij met verspreide, rationeel geordende agrarische bebouwing en erven; ring van dorpen rond de hoofdkern Emmeloord; functioneel patroon van wegen en waterwegen met bijbehorende beplantingsprofielen. Deze karakteristieken moeten bij de ontwikkeling van het MITC worden gerespecteerd. In het landschappelijk inpassingsplan, dat is opgenomen in Bijlage 1, is op basis van de gebiedskenmerken aangegeven hoe het Testcentrum optimaal kan worden ingepast in het landschap. Daarbij is rekening gehouden met de ligging van het plangebied nabij het Waterloopbos en de rand van de polder en de kenmerkende waarden van dit gebied. Op deze manier is op een verantwoorde wijze rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden van de omgeving.

4.8

Ecologie

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Bij de bescherming van gebieden gaat het om op Europees niveau aangewezen Natura 2000-gebieden. Verder worden in de provinciale verordening gebieden beschermd die van belang zijn voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De bescherming van gebieden en de bescherming van soorten en hun verblijfplaatsen is geregeld in de Wet natuurbescherming. Ten behoeve van de planontwikkeling wordt een boerderij met opstallen gesloopt, worden bomen gekapt en akkers omgevormd tot bedrijventerrein. In het kader van de ontwikkeling zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd, namelijk een voortoets die ingaat op de effecten op Natura 2000-gebieden (Bijlage 8) en een uitgebreide natuurtoets, die ingaat op de effecten op soorten en het NNN (Bijlage 9). De resultaten zijn in deze paragraaf samengevat. Tevens is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van huismus, gierzwaluw, vleermuis en marterachtigen ter hoogte van de te slopen boerderij. De resultaten uit dat onderzoek zijn ook in dit bestemmingsplan verwerkt.

52

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)

4.8.1 Gebiedsbescherming: Natura 2000 Het plangebied betreft intensief beheerd productieland (akkerland), dat direct is ontsloten op provinciale wegen en aansluit op een bedrijventerrein. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn de Weerribben en De Wieden, gelegen in Overijssel en het IJsselmeer. De ligging van deze gebieden ten opzichte van het plangebied zijn gevisualiseerd in figuur 4.5. Deze gebieden liggen op ongeveer één kilometer vanaf het plangebied.

Figuur 4.5

Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden

Op voorhand uit te sluiten effecten Het plangebied ligt geheel buiten en op enige afstand van Natura 2000-gebieden. Daardoor heeft de ontwikkeling - mede gelet op de aard van de ontwikkeling - geen effect op factoren als oppervlakteverlies, versnippering en mechanische effecten op de Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt verder in een polder met eigen peilbeheer, hydrologisch gescheiden van de Natura 2000-gebieden in de omgeving. Negatieve effecten door verdroging en vernatting zijn daardoor uitgesloten. Er worden geen verontreinigende stoffen uitgescheiden, anders dan uitlaatgassen die een effect op stikstofdepositie kunnen hebben. Verontreiniging kan, mede gelet op de afstand uitgesloten worden. Het plan beoogd ook geen veranderingen in de populatiedynamiek van kwalificerende soorten van de Natura 2000-gebieden. Door de afstand tot het Natura 2000-gebied, en fysieke scheidingen door dijken en brede bosschages zijn geen effecten van kunstlicht of optische verstoring te verwachten. Ook van eventuele trillingen zijn geen effecten te verwachten vanwege deze grote afstand en

bestemmingsplan (vastgesteld)

53

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC) het feit dat deze niet in het water worden geproduceerd, terwijl voor trilling gevoelige soorten voornamelijk vissen betreffen.

Nader onderzochte effecten Verstoring van leefgebied buiten de Natura 2000-begrenzing Vanwege de afstand tot de Natura 2000-gebieden zijn geen effecten te verwachten van oppervlakte-verlies binnen het Natura 2000-gebied. Effecten op soorten die zich niet of nauwelijks verplaatsen buiten het natuurgebied kunnen dan ook worden uitgesloten. Wel zijn er enkele soorten niet-broedvogels met instandhoudingsdoelen die kunnen verblijven in de Natura 2000-gebieden, maar ook kunnen foerageren op akkers en graslanden in de wijde omtrek. Mogelijke effecten van de plantonwikkeling op foerageergebied voor vogelsoorten met instandhoudingdoelen en meervleermuis is nader in beeld gebracht. De conclusie is dat het plangebied en naaste omgeving in de huidige situatie van marginaal belang is voor kolgans, smient, grauwe gans, toendrarietgans en kleine zwaan. Er is veel en kwalitatief beter agrarisch gebied dat geschikt is als foerageergebied voor deze soorten rondom de Natura 2000-gebieden, op de eerste plaats in Overijssel en in de tweede plaats in meer open delen van de Noordoostpolder. Daarbij is de Staat van Instandhouding voor al deze soorten behalve de kleine zwaan gunstig. Voor kleine zwaan is de Staat van Instandhouding weliswaar zeer ongunstig maar dit houdt geen verband met beschikbaar foerageergebied.

Het verlies van een foerageergebied is hooguit van marginaal belang doordat het wordt omgeven door bosschages, bebouwing en drukke N-wegen en zal dan ook zeker niet tot een (significant) negatief effect op deze soorten leiden. Hoewel het plangebied tijdens en na inrichting geheel niet geschikt zal zijn als foerageergebied, zijn negatieve effecten op deze soorten in het plangebied en omringend agrarisch gebied uitgesloten, omdat het gebied in de huidige situatie van zeer gering belang is, er veel foerageergebied van betere kwaliteit beschikbaar is, en de beschikbaarheid van foerageergebied niet bepalend is voor het behalen van de instandhoudingsdoelen. De mogelijke vliegroutes van de meervleermuis tussen de verblijfplaatsen en de Natura 2000-gebieden liggen niet in of direct langs het plangebied. De dichtstbijzijnde mogelijke vliegroute betreft het Vollenhover kanaal, maar tussen het Vollenhover kanaal en het plangebied liggen een N-weg en een bosschage. Negatieve effecten op de vliegroutes, bijvoorbeeld door verlichting kunnen dan ook op voorhand uitgesloten worden. Het plan heeft op dit punt geen negatief effect op de instandhoudingsdoelen voor meervleermuis van de Natura 2000-gebieden.

Effecten van geluid Daarnaast kan geluid kan verstorend zijn voor dieren met een instandhoudingsdoelstelling, indien geluiden doordringen tot in de Natura 2000-gebieden of indien deze diersoorten een deel van de tijd op andere plaatsen dichterbij het plangebied verblijven. Dit laatste kan in potentie het geval zijn voor watervogels die foerageren in het agrarisch gebied, zoals kolgans en kleine zwaan, of voor meervleermuis. In de aanlegfase kunnen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van de vogels op voorhand uitgesloten worden, vanwege het geringe invloedsgebied, de tijdelijkheid van de eventuele verstoring door heiwerkzaamheden, de nu al beperkte geschiktheid van de percelen en de ruime beschikbaarheid van akkerpercelen buiten de invloedsfeer van heiwerkzaamheden. Voor de gebruiksfase is gebruik gemaakt van het akoestisch onderzoek van DGMR, waarbij de volgende contouren in beeld zijn gebracht: >51 dB(A) voor niet-broedvogels; >45 dB(A) voor broedvogels in open terrein; >42 dB(A) voor broedvogels in bebost gebied.

54

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)

Alleen de 42 dB(A)-contour reikt net tot in het Natura 2000-gebied De Wieden, maar deze contour is alleen relevant voor broedvogels van bosgebieden. Hiervan is geen sprake. Verstoring van kwalificerende broedvogels en niet-broedvogels binnen het Natura 2000-gebied kan worden uitgesloten. Voor niet-broedvogels die buiten het Natura 2000-gebied foerageren is de 51 dB(A)-contour relevant. Deze contour komt vrijwel niet buiten het plangebied, dus de effecten van geluidverstoring op foeragerende niet-broedvogels zijn hetzelfde als de effecten van ruimtebeslag. Op basis van de effectbeoordeling van ruimtebeslag kan ook voor verstoring door geluid worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van foeragerende niet-broedvogels.

Impact stikstofdepositie Voor de planvorming van het MITC Marknesse zijn de effecten van stikstofdepositie beoordeeld ten opzichte van de huidige feitelijke en planologisch legale situatie (referentiesituatie). Hiertoe is een stikstofberekening uitgevoerd. Bij de berekening zijn zowel de aanleg- als de gebruiksfase berekend. Daarbij is bij de referentiesituatie gebruik gemaakt van locatiespecifieke gegevens. Naar aanleiding van voortschrijdend inzicht en in de zienswijzen gestelde vragen is het onderzoek ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan aangevuld met een meer toegespitste rekenmethode op basis van de stikstofgebruiksnormen, het type mest, het TAN-gehalte van de mest en de bijbehorende emissiefactor. Daarmee wordt voldaan aan de bewijslast die BIJ12 beschrijft voor saldering met bemeste percelen. De aantoonbare emissie van stikstof in de referentiesituatie is weliswaar iets lager dan waar de algemene kentallen vanuit gaan, maar de conclusies zijn representatief gebleken. Het stikstofonderzoek is als Bijlage 13 toegevoegd. Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling ten opzichte van de referentiesituatie geen toename van de stikstofdepositie op natuurgebieden tot gevolg heeft. De toename van de stikstofdepositie is nergens hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op de stikstofgevoelige habitattype/leefgebieden met een (naderende) overschrijding van de KDW.

Hiermee zijn significante effecten op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten ten gevolge van stikstofdepositie uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie is daarmee geen belemmering voor de planvorming. Het stikstofonderzoek is als Bijlage 13 toegevoegd.

Conclusie Gezien de aard en de omvang van de voorgestelde ontwikkelingen en de afstand van het plangebied tot beschermde gebieden, kan met zekerheid worden gesteld dat dit bestemmingsplan geen (significante) effecten op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied heeft. Om te borgen dat er geen lichtuitstraling plaatsvindt naar groenelementen in de randen van het plangebied, is in de planregels opgenomen dat er geen uitstraling van verlichting mag zijn die schadelijk is voor de vleermuizen in het plangebied.

4.8.2 NatuurNetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur genoemd) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het nationale natuurbeleid. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van het provinciale NNN is voor provincie Flevoland uitgewerkt in het Omgevingsplan Flevoland en de bijbehorende Omgevingsverordening Flevoland. De begrenzing van het NNN is weergegeven in figuur 3.1 in paragraaf 3.2.5. De bosschages aan de noord-, oost- en zuidzijde van het plangebied behoren tot een in het kader van het provinciaal natuurbeleid beschermd NNN-gebied. Ook is een strook die noord-zuid dwars door het plangebied loopt aangewezen als NNN, maar deze bosstrook is

bestemmingsplan (vastgesteld)

55

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC) niet ingericht als NNN en heeft daarom geen beheertype. De strook NNN betreft agrarisch gebruikte grond met een sloot. Verder ligt ten zuidwesten van het plangebied een groot bos- en natuurgebied dat is aangewezen als NNN. Het hele plangebied is aangeduid als 'werkingsgebied NNN'. In deze gebieden mogen ontwikkelingen geen negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN hebben. In dit geval gaat het om de algemene en lokale wezenlijke kenmerken en waarden van het deelgebied Voorsterbos. Er zijn drie aspecten van belang, namelijk oppervlakteverlies binnen het plangebied, verlies van samenhang en verlies van wezenlijke kenmerken en waarden.

Oppervlakteverlies Als gevolg van het plan gaan enkele stukken grond aangewezen als NNN verloren. Deels gaat het om feitelijk aanwezige bosstroken die geheel of gedeeltelijk verwijderd worden en deels gaat het om de strook NNN verloren die nog niet is ingericht. In totaal gaat met uitvoering van het plan 20.590 m2 bos in het NNN verloren met een leeftijd van meer dan 25 jaar. Het plan voorziet in een compensatie met een toeslagfactor van 2/3 vanwege de leeftijd van het bos, zodat 34.317 m2 wordt gecompenseerd. De strook niet-gerealiseerde NNN die verloren gaat door het plan bedraagt 36.867 m2 . Deze strook wordt gecompenseerd zonder toeslagfactor, omdat er nog geen natuurwaarden aanwezig zijn. Bovendien wordt een deel van de om te leggen tocht opgenomen in de NNN.

Verlies van samenhang Het NNN binnen het plangebied lijkt op de kaart weliswaar een noord-zuid-verbinding te vormen tussen de bosschages aan de noord- en zuidrand, en eventueel daarachter gelegen NNN-terreinen. Echter deze noord-zuidverbinding is in gebruik als intensief beheerde akker, met een smalle sloot die regelmatig wordt gemaaid en sterk wordt beïnvloed door de agrarische activiteiten. Ecologisch gezien fungeert de dwarsstrook dus niet als verbinding. Door de kap van bomen langs de Repelweg en door de kap van een noord-zuid verlopende houtsingel door het plangebied, die overigens geen onderdeel van het NNN is, is wel sprake van verlies van samenhang van de zuidelijke en noordelijke bosstrook. Hier staat echter tegenover dat het plan voorziet in de aanplant van nieuwe bosschages om het MITC, zodat de verbinding tussen de noordelijke en zuidelijke bosstrook niet verloren zal gaan. Met de aanplant van de nieuwe bosschages kan het verlies van samenhang dan ook uitgesloten worden.

Verlies van wezenlijke kenmerken en waarden In de natuurtoets zijn de effecten op de aangrenzende bosgebieden in beeld gebracht. Er is sprake van negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken door verstoring van bosvogels in omringende delen van het NNN die behouden blijven. Hiervoor is een kwalitatieve compensatie nodig, die wordt afgestemd met de provincie Flevoland. Wel is relevant of het plan leidt tot effecten op vogels en vleermuizen in de omringende bosschages die behouden blijven. Voor de vogels en vleermuizen in de omringende bossen is bepalend of het plan leidt tot verstoring. Verstoring als gevolg van de testbaan kan worden veroorzaakt door geluid en kunstlicht.

Conclusie De conclusie is dat sprake is van oppervlakteverlies van het NNN binnen het plangebied en dat er negatieve effecten zijn op de wezenlijke waarden en kenmerken door verstoring van bosvogels in omringende delen van het NNN die behouden blijven. Vanwege het

56

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC) oppervlakteverlies wordt al voorzien in compensatie, waarbij wordt overgecompenseerd voor de leeftijd van de te kappen bosschages. Met de provincie Flevoland is overlegd dat het verlies van natuur kwalitatief zal worden gecompenseerd, zodat de natuur geschikt wordt voor andere soorten. In het rapport Landschappelijke inpassing MITC Marknesse (Bijlage 1) is beschreven hoe de belangrijkste effecten op de NNN-kwaliteit, voor zover die optreden binnen het plangebied, het beste gecompenseerd kunnen worden, rekening houdend met het verlies aan oppervlakte en de benodigde toeslag. In dit compensatieplan is ook voorzien in aanleg van nieuwe bosstroken langs het westelijke deel van het plangebied. In het ontwerp wordt uitgegaan van 7,9 ha nieuw aan te leggen NNN, ter compensatie van de 6,6 ha die door het plan verloren gaat. Deze nieuw aan te leggen bosstroken zullen een continu doorlopende ecologische verbinding vormen tussen NNN ten zuiden en ten noorden van het plangebied, waar deze in de bestaande situatie hiaten vertoont. Deze verbinding kan ook fungeren als vervangende vliegroute voor vleermuizen, waar deze nu nog langs de houtsingel loopt die noord-zuid door het plangebied (buiten NNN) loopt.

De verwachting is dat dit plan voor landschappelijke inpassing kan voorzien in ruim voldoende compensatie van negatieve effecten op het NNN en, door het invullen van de nu bestaande hiaten, op onderdelen enigszins kan verbeteren. Het compensatiegebied, inclusief het te handhaven deel van de NNN, is in dit bestemmingsplan planologisch bestemd als 'Natuur'. Het nieuw als NNN aan te wijzen gebied sluit aan op het bestaande NNN-gebied en vormt een verbindingsstrook. De oppervlakte hiervan is ruim 8 hectare. Over de kwalitatieve invulling vindt overleg met de provincie Flevoland plaats. In elk geval wordt aansluiting gezocht bij het beheertype van het te verwijderen en aansluitend bosgebied, namelijk Haagbeuken- en essenbos. In aanvulling op dit compensatieplan is er, na overleg met de provincie Flevoland, gezocht naar een binnenplanse invulling van de benodigde kwalitatieve compensatie voor de verstoring. Door binnen het plangebied meer ruimte te bieden aan biotoop voor bosflora, één van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN, worden de aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden door verstoring buiten het plangebied gecompenseerd. Ten aanzien van de kwalitatieve compensatie van het NNN is een aanvullende memo opgesteld die als Bijlage 14 is opgenomen.

Hierin is uitgewerkt hoe invulling kan worden gegeven aan het versterken van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN om het kwaliteitsverlies als gevolg van de aanleg van het MITC te compenseren. In het voorstel wordt de kwaliteit van het gebied als ‘stapsteen voor de bosflora van het oude land’ verbeterd. Daarvoor wordt overcompensatie van het oppervlakteverlies toegepast en wordt door locatiekeuze, inrichting en beheer zoveel mogelijk variatie nagestreefd in bodemtype, soortsamenstelling, bosklimaat en structuur van de boom- en struiklaag. Op die manier wordt het plangebied zo geschikt mogelijk voor de bosflora. Door de grote variatie die met de inrichting en het bosbeheer worden nagestreefd, zal ook de bosfauna profiteren die eveneens onderdeel vormt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN in deelgebied Voorsterbos. Zo zijn de hakhoutranden met name voor insecten en insecteneters interessant, zijn de watergangen waardevol als foerageergebied voor vleermuizen en zijn de overige delen geschikt zijn als broedplaats van bosvogels en schuilplaats voor onder andere zoogdieren en amfibieën

4.8.3 Soortenbescherming In de natuurtoets zijn de resultaten van een twee veldbezoeken (februari 2020 en november 2021) beschreven, waarbij de ecologische potenties van het plangebied in beeld zijn gebracht. De resultaten uit het aanvullend onderzoek (Bijlage 10 en Bijlage 11) zijn waar relevant toegevoegd.

Planten

bestemmingsplan (vastgesteld)

57

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)

In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen en gezien de terreinomstandigheden ook niet te verwachten. Er treedt geen negatief effect op voor deze soortengroep. Wel is het advies is om de groeiplaats van de schaarse, maar niet beschermde, plantensoort stinkend nieskruid op de grens van het plangebied te ontzien bij werkzaamheden.

Vleermuizen Uit het onderzoek blijkt dat bij kap van een boom met holte bij de inrit vanaf de Repelweg een vleermuisverblijfplaats verloren kan gaan. Daarom is nader onderzoek (Bijlage 10) uitgevoerd om te bepalen of een verblijfplaats aanwezig is. De holte nabij de Repelweg 9 is ongeschikt voor vleermuizen gebleken. Er is op het agrarisch erf onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen. Er blijken geen zomerof kraamverblijfplaatsen aanwezig binnen het plangebied. Bij de uitvoering van het plan gaan geen vleermuisverblijfplaatsen verloren. Tijdens de veldbezoeken is wel één territoriale gewone dwergvleermuis waargenomen die continu op het erf aanwezig was. Via expert judgement is bepaald dat het verblijf zich aan de westgevel van de schuur moet bevinden. Er is een vliegroute van gewone dwergvleermuis aangetroffen langs de bomenrij langs de Vollenhoverweg; er moet tijdens de werkzaamheden rekening worden gehouden met deze vliegroute; er mag geen aantasting van deze bomenrij plaatsvinden. Ook moet lichtval op deze bomenrij worden voorkomen tijdens de werkzaamheden en in die nieuwe situatie. Er is een paarverblijf van gewone dwergvleermuis aangetroffen waarvoor ontheffing aangevraagd moet worden voor het ongeschikt maken of verwijderen van deze verblijfplaats. Daartoe moeten alternatieve verblijven worden gerealiseerd.

Hiervoor gelden eisen aan de uitvoerperiode van de werkzaamheden en aan de uitvoer. De houtsingel die in noord-zuid richting door het plangebied loopt, vormt ook een belangrijke vliegroute voor gewone dwergvleermuis en wordt door ruige dwergvleermuis en laatvlieger als vliegroute benut. Doordat deze houtsingel geheel of grotendeels zal worden verwijderd treedt een negatief effect op voor een belangrijke vliegroute voor vleermuizen. Voor het verwijderen van deze houtsingel is daarom een ontheffing van de Wnb nodig. Door de verlegging van de Blokzijlertocht is een negatief effect op een vliegroute van vleermuizen langs de Blokzijlertocht niet op voorhand uit te sluiten. Daarom is aanvullend onderzoek gedaan naar het gebruik van deze tocht door vleermuizen. Op de locaties waar onderzoek is gedaan naar mogelijk essentiële vliegroutes was beperkte activiteit van vleermuizen. De waargenomen activiteit gaf geen duidelijke essentiële vliegroute weer, maar bleek voornamelijk om zeer lokale vliegbewegingen of foerageerbewegingen te gaan. Negatieve effecten ten aanzien van foerageergebied van vleermuizen zijn niet te verwachten mits langs de voor vleermuizen belangrijkste elementen (zuidelijke houtsingel, de Blokzijlertocht en de bosstrook langs de noordrand en oostrand) aan drie voorwaarden wordt voldaan: De doorgangen in de bosstrook langs de noordrand worden niet verbreed.

Mocht dat toch nodig zijn dan wordt de bosstrook door de onderbrekingen veel minder geschikt en is hier alsnog nader onderzoek nodig. Langs bosranden wordt geen verlichting aangebracht of uitsluitend vleermuisvriendelijke verlichting, zoals armaturen die niet zijwaarts uitstralen of amberkleurige verlichting. De verlichting bij de testbaan en gebouwen zal zodanig worden aangebracht dat geen uitstraling naar groenelementen in de randen van het plangebied of buiten het plangebied zal plaatsvinden.

58

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)

Grondgebonden zoogdieren Eventueel aanwezige verblijfplaatsen van de otter aan de oever van de Voorstertocht net buiten het plangebied blijven behouden. Ook zijn geen negatieve effecten op het foerageergebied van otter te verwachten bij uitvoering van het plan. Voor kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn) kunnen negatieve effecten op verblijfplaatsen en leefgebied niet uitgesloten worden. Daarom moeten voor deze soorten mitigerende maatregelen worden opgenomen om negatieve effecten te vooromen en wordt een ontheffing op de Wnb aangevraagd. Bij het nader onderzoek op het agrarisch erf aan de Vollenhoverweg 28 (Bijlage 10) is gedurende één onderzoeksavond langdurig kabaal gehoord onder het golfplatendak binnen het plangebied vandaan wat duidt op mogelijke aanwezigheid van steenmarter. Hiertoe is aanvullend onderzoek (Bijlage 11) gedaan om de aanwezigheid van een verblijfplaats van de steenmarter te bevestigen of uit te sluiten (aanvullend op het nog benodigde bunzing/wezel nader onderzoek). Uit het vervolgonderzoek blijkt dat de steenmarter minimaal een verblijfplaats heeft binnen het plangebied. Er moet daarom een ontheffing worden aangevraagd om de werkzaamheden te kunnen uitvoeren. Uit het onderzoek blijkt bovendien dat de wezel in het plangebied aanwezig is en meerdere schuilplaatsen heeft. Ook hiervoor moet een ontheffing worden aangevraagd.

In het kader van de onthefffing moet compensatie worden geboden en moet een activiteitenplan worden opgesteld. Negatieve effecten ten aanzien van andere niet-vrijgestelde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten. Voor de vrijgestelde soorten geldt dat de zorgplicht van de Wnb in acht moet worden genomen.

Vogels Als gevolg van de ontwikkeling gaat een nestplaats van buizerd verloren die zich bevindt in het te kappen bosje. Een nestplaats van buizerd is in de provincie Flevoland alleen in beginsel jaarrond beschermd. De aantasting van de nestplaats is niet van invloed op de lokale staat van instandhouding van de soort omdat er voldoende geschikte uitwijkmogelijkheden zijn. Voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding is het belangrijk dat twee andere nesten in de bosrand westelijk van het bosje met de bezette nestplaats in 2020 niet in gebruik waren en dus beschikbaar zijn voor de buizerd met momenteel de nestplaats in het te kappen bosje centraal in het plangebied. Deze plekken zijn potentieel geschikt als alternatieve nestplaats en deze nestplaatsen blijven behouden. Ook de houtige beplanting aan de noordrand van het plangebied is potentieel geschikt als nestplaats voor buizerd. Hier is echter nu geen nest aanwezig. Behalve deze locaties in het plangebied vormen ook de bossen ten zuiden van het plangebied een geschikte broedplaats voor buizerd. De soort komt overal in Flevoland en de Noordoostpolder voor en de broedpopulatie vertoont zowel op de lange termijn (sinds 1983) als op de korte termijn (de laatste 12 jaar) een significant positieve trend in Flevoland.

Ook lokaal komt de soort talrijk voor met tussen 11 en 25 broedparen in het atlasblok van 5x5 kilometer waarbinnen het plangebied valt. Het verlies van één nestplaats zal niet leiden tot een negatief effect op de lokale staat van instandhouding van buizerd vanwege de aanwezigheid van voldoende alternatieve nestplaatsen, de talrijkheid van de soort in de directe omgeving en in Flevoland en de positieve trend van het aantal broedvogels op de lange en korte termijn. Een ontheffing van de Wnb is daarom niet nodig vanwege het verlies van de nestplaats. Verder komt uit de inventarisatie naar voren dat bij de uitvoering van de werkzaamheden rekening moet worden gehouden met het broedseizoen van vogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. Op het agrarisch erf is nader onderzoek (Bijlage 10) gedaan om te bepalen of nest- of verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn. Uit het

bestemmingsplan (vastgesteld)

59

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC) onderzoek is gebleken dat er geen nestlocaties van huismus en gierzwaluw aanwezig zijn binnen het plangebied.

Amfibieën en reptielen Aanwezigheid van rugstreeppad en ringslang kan niet op voorhand uitgesloten worden. Daarom is nader onderzoek gedaan om te bepalen of deze soorten aanwezig zijn. Uit dit onderzoek blijkt dat de aanwezigheid van rugstreeppad niet kan worden uitgesloten vanwege de waarnemingen vlak buiten het plangebied en de mobiliteit van de soort. Het is daarom niet uitgesloten dat er zonder voorzorgsmaatregelen enkele exemplaren van deze soorten worden gedood of verwond, te meer omdat bij aanlegwerkzaamheden geschikter leefgebied voor rugstreeppad zou kunnen ontstaan. Daarom wordt geadviseerd om voor deze soort een ontheffing van de Wnb aan te vragen. Ter compensatie moeten mitigerende maatregelen worden getroffen. Als gevolg van de aanleg van het MITC treden geen negatieve effecten op ringslang op. Een ontheffing van de Wnb is voor de ringslang niet nodig. Voor de vrijgestelde amfibieënsoorten geldt dat de zorgplicht van de Wnb in acht moet worden genomen. Het aanvullend onderzoek is als Bijlage 12 opgenomen.

Overige soorten Negatieve effecten op beschermde soorten van de overige soortgroepen kunnen op voorhand uitgesloten worden.

Conclusie Bij de uitvoering van het plan gaan geen vleermuisverblijfplaatsen verloren. Wel is er een vliegroute van gewone dwergvleermuis aangetroffen langs de bomenrij langs de Vollenhoverweg. Tijdens de werkzaamheden moet rekening worden gehouden met deze vliegroute; er mag geen aantasting van deze bomenrij plaatsenvinden en lichtval op deze bomenrij moet worden voorkomen tijdens de werkzaamheden en in die nieuwe situatie. Vanwege de aanwezigheid van een paarverblijf van gewone dwergvleermuis moet ontheffing worden aangevraagd en ook voor het verwijderen van de houtsingel die dwars door het plangebied loopt is vanwege de aanwezigheid van de gewone vleermuis een ontheffing van de Wnb nodig. Bij de uitwerking van de inrichting van het terrein van RDW en politie wordt rekening gehouden met deels groene en deels gebouwde compenserende maatregelen. Ook voor wezel en steenmarter is ontheffing van de Wnb nodig. De benodigde ontheffingen staan de uitvoering van dit bestemmingsplan niet in de weg. Ten behoeve van de ontheffingen worden alle ecologische waarden in beeld gebracht en wordt een activiteitenplan opgesteld.

4.9

Externe veiligheid

4.9.1 Toetsingskader Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over “externe veiligheid” om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 als

60

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC) grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10-6 -contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

4.9.2 Toetsing Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van twee hogedruk aardgastransportleidingen. In het rapport Externe veiligheid en QRA ondergrondse aardtransportleidingen van 2 december 2021 (Bijlage 15) zijn risicoberekeningen gemaakt. Hieruit blijkt dat voor beide gasleidingen het plaatsgebonden risico 10-6 op de leiding ligt. Aangezien bouwen op de leiding niet is toegestaan, levert deze contour geen extra beperkingen op in vergelijking met de beperkingen die er al zijn door de aanwezigheid van de leiding. Eveneens wijzigt het plaatsgebonden risico in de nieuwe situatie niet ten opzichte van de bestaande situatie. Doordat er geen (geprojecteerde) kwetsbare objecten mogelijk worden gemaakt, wordt er voldaan aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het berekende plaatsgebonden risico brengt geen beperking met zich mee met betrekking tot de beoogde plaatsing van gebouwen Verder moet er rekening worden gehouden met een belemmeringenstrook van 4 meter aan weerszijden van de leiding. Binnen deze ruimte is het niet mogelijk om bouwwerken te plaatsen, omdat de leidingen dan niet toegankelijk zijn voor onderhoud. Het plangebied ligt binnen de 1% en 100% letaliteitscontouren van de buisleidingen. Deze contouren zijn weergegeven in figuur 4.6.

Figuur 4.6. Invloedsgebied relevante buisleidingen (rood= 100% letaliteitsgrens, bruin is 1% letaliteitsgrens)

Vanwege de ligging binnen de 100% letaliteitsgrens, moet het groepsrisico worden verantwoord. Bij de verantwoordingsplicht draait het om de vraag in hoeverre risico's, als

bestemmingsplan (vastgesteld)

61

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC) gevolg van ruimtelijke ordening (zoals meer personen nabij een risicobron), worden geaccepteerd en indien noodzakelijk welke veiligheidsverhogende maatregelen getroffen kunnen worden. Een verantwoordingsplicht kent een uitgebreide en een gedeeltelijke verantwoording. De uitgebreide verantwoordingsplicht geldt niet als: A. een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied waarbinnen de letaliteit van personen binnen het invloedsgebied minder dan 100% of bij toxische stoffen waarbij het plaatsgebonden risico kleiner dan 10-8 per jaar is, of B. het groepsrisico of de toename van het groepsrisico bij verwezenlijking van het bestemmingsplan niet hoger is dan een bij regeling van Onze Minister gestelde waarde (het groepsrisico is minder dan 10% van de oriëntatiewaarde of het groepsrisico neemt met minder dan 10% toe), welke waarde voor verschillende categorieën van buisleidingen verschillend kan worden vastgesteld. Aan uitzondering A wordt niet voldaan, het bestemmingsplan ligt namelijk in het 100% letaliteitsgebied van de buisleiding. Aan uitzondering B wordt wel voldaan. Het groepsrisico neemt in de nieuwe situatie lichtelijk toe ten opzichte van dat in de bestaande situatie.

Op basis van deze conclusie kan voor de motivatie van het groepsrisico in principe worden volstaan met een beperkte verantwoording (conform het Bevb). De verantwoording van het groepsrisico moet door de veiligheidsregio formeel worden opgesteld en het bevoegd gezag moet het groepsrisico verantwoorden. Ten aanzien van de mogelijke bebouwing binnen het geplande terrein van MITC moet verder rekening worden gehouden met de beperkingen vanuit het nabijgelegen vliegveld. In onderstaande figuur is het vliegveld weergegeven. Het lichtblauw gearceerde gebied representeert de PR-contour 10-6 . In noordelijke richting valt de PR-contour 10-6 gedeeltelijk over het plangebied van MITC.

62

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)

Figuur 4.7. PR-contour 10-6 van het vliegveld ten zuiden van het plangebied

Eventuele extra of toekomstige bebouwing is niet mogelijk binnen het gebied van de PR-contour 10-6 van het vliegveld voor kwetsbare objecten. Dit geldt voor bebouwing als deze een bruto vloeroppervlak van 1.500 m2 of meer heeft of als gedurende de dag grote aantallen mensen aanwezig zijn. In overleg met bevoegd gezag moet te zijner tijd beschouwd worden wanneer er sprake is van 'grote aantallen mensen'. Ten westen van het vliegveld is nog een zweefvliegveld gelegen. Dit vliegveld is niet relevant voor de externe veiligheid. Uit de gegevens op basis van de beschikbare bronnen met betrekking tot externe veiligheid blijkt dat er geen contouren/invloedsgebieden aanwezig zijn vanuit het zweefvliegveld, derhalve kan geconcludeerd worden dat het zweefvliegveld niet relevant is voor de externe veiligheid. Ten noorden van het plangebied op circa 150 meter is een propaantank gelegen. Uit de gegevens van de risicokaart blijkt dat de propaantank een PR-contour 10-6 heeft van 25 meter. Op basis van de afstand richting de buisleidingen en het plangebied in relatie tot de beperkte grootte van de PR-contour 10-6 kan geconcludeerd worden dat de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2058/documents/34922