CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

3.1 Vaststelling bestemmingsplan Landelijk gebied Repelweg te Marknesse (MITC).pdf

Commissie Woonomgeving 27 juni 2023, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 3: Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)’32.650 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

bestemmingsplan (vastgesteld)

63

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC) propaantank als risicobron in het kader van externe veiligheid niet relevant is en geen belemmering vormt voor de geplande ontwikkelingen bij het MITC.

4.9.3 Conclusie De regeling van dit bestemmingsplan is afgestemd op de aanwezige risicobronnen. Het bouwvlak voor de campus en de politie is afgestemd op de 100% letaliteitscontour van de gasleiding en de PR-contour 10-6 is op de verbeelding opgenomen, teneinde hier grote groepen mensen te voorkomen. Daarbij geldt dat ook in de huidige situatie op deze gronden een bedrijfsbestemming met een groot bouwvlak ligt. Dit plan heeft in die zin geen belangrijk negatief effect op de externe veiligheidssituatie. Wel moet het bevoegd gezag het groepsrisico verantwoorden. Daarnaast is een veiligheidszone luchtvaart opgenomen. Binnen deze zone is het niet toegestaan om kwetsbare objecten te bouwen, teneinde hier grote groepen mensen te voorkomen. Als met bovenstaande rekening wordt gehouden is er vanuit externe veiligheid geen beperking voor de ontwikkeling in het plangebied.

Overlegreactie In het kader van het vooroverleg is advies ontvangen van de Brandweer. Als belangrijkste risico wordt het ontstaan van een fakkelbrand als gevolg van een lekkage van gas genoemd. Daarbij wordt ingegaan op maatregelen ten aanzien van de gebouwde omgeving, zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid van brand (bereikbaarheid, bluswatervoorziening) en aan welke voorwaarden de bebouwde omgeving moet voldoen. Concreet geeft de brandweer aan dat het scenario fakkelbrand hogedruk aardgasleiding en een naburige brand moet worden opgenomen in het ontruimingsplan en moet worden geoefend in afstemming met de BHV-organisatie. Bij de uitwerking van het plangebied moet de bereikbaarheid volgens de richtlijn worden uitgevoerd en het plangebied moet bij de uitwerking worden voorzien van voldoende bluswater in de gebouwde omgeving. Het advies van de brandweer is als Bijlage 16 bij de toelichting opgenomen.

4.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader In de Wet milieubeheer zijn normen voor luchtkwaliteit opgenomen. Deze normen zijn bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, tegen te gaan. Als maatgevend voor de luchtkwaliteit worden de gehalten fijn stof (PM1 0 ) en stikstofdioxide (NO2 ) gehanteerd. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (2025) geldt in de directe omgeving van het plangebied een gemiddelde fijn stof concentratie (PM1 0 ) van 16 µg/m3 en een gemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2 ) van 9 µg/m3 . De norm voor beide stoffen ligt op 40 µg/m3 (jaargemiddelde concentratie vanaf 2015). In de huidige situatie is dus sprake van een goede luchtkwaliteit. Voor bepaalde initiatieven is bepaald dat deze 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een plan komt hiervoor in aanmerking als het voor minder dan 3% van de grenswaarden voor NO2 en PM1 0 bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een verslechtering van de luchtkwaliteit is veelal het gevolg van een toename van het aantal verkeersbewegingen in een gebied.

Toetsing

64

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)

De ontwikkeling die in dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, heeft een sterke verkeersaantrekkende werking waardoor er een negatieve impact op de luchtkwaliteit te verwachten is in de nabijheid van het plangebied. Voor de invoer van de NIBM-tool worden 2.832 voertuigbewegingen per weekdag aangehouden (op basis van de verkeersstudie) met een aandeel van 12% vrachtwagens, hetgeen een worstcase aanname is. De uitkomst is berekend voor jaartal 2023. Uit de tool wordt berekend dat de bijdrage aan de NO2 -en PM1 0 -concentraties mogelijk in betekenende mate bijdragen (meer dan 1,2 ug/m3 voor NO2 en PM1 0 aan de luchtkwaliteit.

Figuur 4.8.

Berekening NIBM-tool

De berekening laat zien dat het extra verkeer maximaal 5,31 ug/m3 bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie NO2 . Voor de concentratie PM10 zal het verkeer maximaal 0,66 ug/m3 bijdragen. Om te beschouwen of de gecumuleerde concentraties voldoen aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit wordt het planeffect opgeteld bij de heersende concentraties. Wanneer het planeffect boven op de eerder genoemde heersende concentraties wordt geteld blijven de totale concentraties voor NO2 en PM1 0 respectievelijk 16,07 ug/m3 en 15,30 ug/m3 . De concentraties voldoen aan de grenswaarden van 40 ug/m3 . Het nemen van maatregelen om de luchtkwaliteit (verder) te verbeteren is dus niet nodig.

4.11 Kabels, leidingen en zoneringen Toetsingskader Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.

Toetsing

bestemmingsplan (vastgesteld)

65

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)

Door het plangebied loopt een gasleiding ter hoogte van de geprojecteerde baan voor de politie en een hoogspanningsmast in de noordoosthoek. Nabij deze kabels en leidingen mogen geen gebouwen worden gerealiseerd. In het bestemmingsplan is daarmee rekening te houden door het bouwvlak te situeren ten zuiden van de gasleiding. Hoogspanningsleidingen beperken de toegestane hoogte voor het groen onder de leiding. Door het gebied loopt een 110 kV net. Om de veiligheid te garanderen moet minimaal 4 meter marge aangehouden worden aan weerszijden van de hoogspanningsleidingen (Tennet, 2016). In het bestemmingsplan is hiermee rekening gehouden.

66

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving 5.1

Algemeen

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het voldoet aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.

5.2

De regels

De regels bevatten allereerst een bestemmingsomschrijving. Hierin staat beschreven voor welke functie(s) de gronden mogen worden ingericht, gebruikt en hoe de onderlinge rangorde van functies is. Indien van toepassing, worden ook de aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies mogelijk gemaakt. De ondergeschiktheid is altijd gerelateerd aan het bestemmingsvlak en dient per geval geïnterpreteerd te worden vanuit de aard, omvang en tijd(sduur) van de ondergeschikte functie ten opzichte van de hoofdfunctie. Door middel van aanduidingen worden op enkele specifieke locaties extra bestaande functiemogelijkheden geboden. Naast de bestemmingsomschrijving zijn in de regels bouwregels en gebruiksregels opgenomen. In de bouwregels is - gerelateerd aan de toegelaten gebruiksfuncties - aangegeven welke gebouwen en andere bouwwerken in principe zijn toegestaan en welke maatvoering daarbij moet worden aangehouden. De gebruiksregels verbieden bepaalde vormen van gebruik of begrenzen toegelaten vormen van gebruik binnen een bestemming (specifieke gebruiksregels) dan wel verbieden alle gebruik in strijd met de gegeven bestemming (algemene gebruiksregels). In de toekomst kunnen zich omstandigheden voordoen (die op dit moment nog niet zijn voorzien), waaruit blijkt dat de bouw- en gebruiksregels niet voldoende zijn.

In deze gevallen kan door het bevoegd gezag met een omgevingsvergunning worden afgeweken van de bouw- en gebruiksregels. Van geval tot geval zal een afweging worden gemaakt. Er zijn ook gebruiksvormen die beleidsmatig wel mogelijk zijn, maar die vanwege een zorgvuldige afweging onder een afwijking zijn gebracht. Deze vergunning wordt afgegeven na een zorgvuldige afweging van waarden en functies in de bestemmingen. Het plan bevat voor een aantal gevallen mogelijkheden om bestemmingen te wijzigen binnen de in de regels aangegeven grenzen. Voor zo'n wijziging bestaan aparte procedureregels. De gemeenteraad heeft het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om het plan te wijzigen. Voor zover het een wijziging binnen de bestemming zelf betreft, bijvoorbeeld het verwijderen van een aanduiding, staat deze in het betreffende artikel genoemd. Voor zover het een wijziging naar een andere bestemming betreft, kan deze in het betreffende artikel zijn opgenomen of in een algemeen artikel. Het overgangsrecht is gericht op bouwwerken die ooit met een bouwvergunning of een melding zijn gebouwd, of een gebruik dat ooit is toegestaan, maar die nu, vanwege een bestemmings- of beleidswijziging onder het overgangsrecht zijn gebracht.

Het overgangsrecht is er op gericht dat deze bouwwerken uiteindelijk zullen verdwijnen of het gebruik ervan wordt beëindigd, zodat de situatie in overeenstemming geraakt met de gegeven bestemming.

bestemmingsplan (vastgesteld)

67

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)

5.3

Toelichting op de bestemmingen

Bedrijf - Mobiliteit en infrastructuur De voor deze bestemming aangewezen grond is bedoeld voor bedrijven op het gebied van mobiliteit en infrastructuur. Daarnaast is binnen deze bestemming nog een specifieke aanduiding opgenomen 'specifieke vorm van bedrijf - oefenterrein'. De bestemming biedt ruimte voor bedrijven en instellingen die direct of indirect zijn gericht op onderzoek op het gebied van mobiliteit en infrastructuur en een testomgeving voor innovatieve modaliteiten, waaronder een eventuele toekomstige testruimte voor zelfrijdende voertuigen of andere middelen van vervoer voor over land en door de lucht zoals vliegende auto's drones en andere innovatieve ontwikkelingen. Voor de bedrijfsbebouwing geldt een maximaal brutovloeroppervlak van 12.200 m2 en een maximale bouwhoogte van 15 meter. Deze oppervlakte is bepaald naar aanleiding van de uitkomsten van het behoefteonderzoek. Verder zijn binnen de bestemming waterloopkundige bedrijven, lucht- en ruimtevaartlaboratoria en hoogwaardige bedrijven gericht op onderzoek, speur- en ontwikkeling(swerk) mogelijk en computerservice en informatietechnologiebedrijven. Deze bedrijvigheid is in de huidige situatie ook toegestaan binnen een deel van het projectgebied waar NLR actief is. Gelet op de gebouwgebonden aard van deze bedrijven ontstaat hier geen verruiming van de mogelijkheden.

Als er in de toekomst een testgebied wordt gerealiseerd voor de innovatieve modaliteiten zoals zelfrijdende voertuigen, vliegende auto's, drones en dergelijke, biedt deze bestemming ook de ruimte voor het realiseren van aanvullende gebouwen (decor) om het oefenterrein in te richten. Ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - oefenterrein' heeft de politie de mogelijkheid voor de aanleg van een baan ten behoeve van rijvaardigheidsopleidingen en een verkeersoefenterrein, inclusief 4.500 m2 bvo aan gebouwen. Daarnaast kan binnen de aanduiding bebouwing worden gerealiseerd voor de toekomstige onderwijsmogelijkheden. Deze 4.500 m2 is aanvullend op de maximale brutovloeroppervlak van 12.200 m2 binnen de bestemming. Van deze 4.500 m2 mag binnen de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - oefenterrein' bebouwing worden gerealiseerd met een maximaal brutovloeroppervlak van 4.500 m2 . Van deze 4.500 m2 mag maximaal 500 m2 aan gebouwen buiten het bouwvlak worden gebouwd, dit om enige flexibiliteit te bieden in de plaatsing van gebouwtjes ten dienste van de oefeningen op het terrein (bijvoorbeeld schuilgelegenheden).

Met het oog op Europese regelgeving voor het vliegen met en testen van drones, wat op het terrein ten zuiden van het plangebied gebeurd en waarvan het invloedsgebied deels over het plangebied ligt, is de ligging van het bouwvlak geoptimaliseerd. Binnen het invloedsgebied waar drones vliegen gelden namelijk beperkingen voor gebouwen waarin mensen verblijven. Het bouwvlak is zodanig gesitueerd dat er voldoende ruimte is om buiten de genoemde zones kantoorgebouwen en dergelijke te situeren. Aan de noordkant is de uitbreiding van het bouwvlak alleen doorgevoerd waar op basis van de huidige planologische regeling al bouwmogelijkheden zijn. Daarnaast bevat deze bestemming een voorwaardelijke verplichting voor de realisatie van de landschappelijke inpassing van de aansluitende gronden binnen de bestemming Natuur. Ter plaatse van de bestemming Leiding – Gas geldt hiervoor een uitzondering. Tevens is een regeling opgenomen om de uitstraling van verlichting op de omliggende natuur te beperken en zo de hinder voor vleermuizen te beperken. Daarnaast bevat de bestemming een voorwaardelijke verplichting voor de aanleg en instandhouding van watercompensatie bij de toename van verhard oppervlak.

Bedrijf - Testcentrum Het terrein waar de vestiging van de RDW-testbaan is voorzien, heeft de bestemming 'Bedrijf-Testcentrum'. Binnen deze bestemming is een testbaan voor motorvoertuigen toegestaan met de daarbij horende gebouwen en bouwwerken en parkeervoorzieningen. Binnen deze bestemming geldt een maximaal bruto vloeroppervlak van 8.000 m2 . Deze 68

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC) oppervlakte is bepaald op basis van de uitgangspunten van het behoefteonderzoek. Binnen deze bestemming geldt voor gebouwen een maximale bouwhoogte van 15 meter. Om enige flexibiliteit te bieden, mag hiervan maximaal 1.000 m2 aan gebouwen buiten het bouwvlak worden gebouwd. Het gaat hier om kleinschalige gebouwen met een maximale oppervlakte van 250 m2 en een maximale bouwhoogte van 6 meter. Met het oog op Europese regelgeving voor het vliegen met en testen van drones, wat op het terrein ten zuiden van het plangebied gebeurd en waarvan het invloedsgebied deels over het plangebied ligt, is de ligging van het bouwvlak geoptimaliseerd. Binnen het invloedsgebied waar drones vliegen gelden namelijk beperkingen voor gebouwen waarin mensen verblijven. Het bouwvlak is zodanig gesitueerd dat er voldoende ruimte is om buiten de genoemde zones kantoorgebouwen en dergelijke te situeren. Daarnaast bevat deze bestemming een voorwaardelijke verplichting voor bouwen en voor gebruik. Er mogen alleen gebouwen ten behoeve van het testcentrum worden gerealiseerd en de gronden en bebouwing mogen alleen worden gebruikt voor het testcentrum als de realisatie van de landschappelijke inpassing van de aansluitende gronden binnen de bestemming Natuur.

Tevens is een regeling opgenomen om de uitstraling van verlichting op de omliggende natuur te beperken en zo de hinder voor vleermuizen te beperken. Als er meer dan 30% van het terrein verhard wordt, geldt bovendien de verplichting om watercompensatie te realiseren.

Natuur De gronden met de bestemming 'Natuur' zijn als zodanig bestemd om daarmee de landschappelijke inpassing van de ontwikkeling in het plangebied te waarborgen. De gronden zijn onder andere bestemd voor bos en het behoud van landschaps- en natuurwaarden. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming worden gebouwd. Binnen deze bestemming is verlichting uitgesloten om de diersoorten die hier verblijven zo min mogelijk te hinderen. Het plaatsen van rood of amberkleurige verlichting waarbij het blauw licht spectrum volledig is uitgeschakeld en naar de grond gericht met maximaal 45 graden uitstraling is wel toegestaan, dit is vleermuisvriendelijke verlichting.

Verkeer De gronden waar de ontsluiting van het bedrijventerrein naar de Repelweg is voorzien heeft de bestemming 'Verkeer'. Binnen deze bestemming zijn onder andere wegen en straten, voet- en rijwielpaden en parkeervoorzieningen toegestaan. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

Water De omlegging van de Voorstertocht, die in het kader van watercompensatie moet worden aangelegd, is middels de bestemming Water in het bestemmingsplan opgenomen. Hiermee wordt geborgd dat er in het plangebied voldoende water wordt gecompenseerd. De gronden zijn onder andere bestemd voor waterhuishouding, waterlopen met bijbehorende taluds, bermen en groenvoorzieningen. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

Leiding - Gas Aan de noordkant van het plangebied loopt een gasleiding, die middels een aanduiding op de verbeelding is vastgelegd. Het bouwvlak binnen de bedrijfsbestemming is buiten dit gebied gelegd, zodat er geen gebouwen mogen worden gerealiseerd nabij de gasleiding. Hiervoor geldt een bebouwingsvrije zone van 4 meter.

bestemmingsplan (vastgesteld)

69

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)

Op de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de leiding(en) worden gebouwd. Overige gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn niet toegestaan uit oogpunt van externe veiligheid en energieleveringszekerheid. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) indien de veiligheid van de betrokken leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingexploitant. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen kwetsbare objecten worden toegelaten. Om het onderhoud van de gasleiding te waarborgen is een verbod op beplanting opgenomen ter hoogte van de gasleiding.

Leiding - Hoogspanningsverbinding Over de noordoosthoek van het plangebied loopt een hoogspanningsverbinding die middels deze bestemming is aangegeven. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd en de hoogte van andere bouwwerken mag niet meer dan 3 meter bedragen. Hoog opgaande beplanting en bomen zijn binnen dit gebied ook niet toegestaan.

Waarde- Archeologische Verwachtingswaarde 5 en 6 Voor het plangebied geldt een middelhoge tot hoge archeologische verwachtingswaarde. Daarom ligt deze dubbelbestemming over het hele plangebied. In de regels is opgenomen onder welke voorwaarden nader archeologisch onderzoek nodig is.

Gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie' Het wettelijk kader voor geluid is grotendeels geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Hierin is een normering opgenomen voor wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Tot laatstgenoemde behoort de geluidsbelasting als gevolg van industrieterreinen waarop inrichtingen zijn gevestigd, die bij Algemene Maatregel van Bestuur zijn aangemerkt als een inrichting die 'in belangrijke mate geluidhinder kan veroorzaken'. Het bestemmingsplan valt ten dele in de 'geluidzone - industrie' van de naastgelegen bedrijfsbestemming. Derhalve is de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie' in dit bestemmingsplan opgenomen. De gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede aangewezen voor het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting op geluidsgevoelige objecten vanwege het industrieterrein. Op de grens van de 'geluidzone - industrie' mag de geluidsbelasting vanwege de inrichting de waarde van 50 dB(A) niet te boven gaan.

Gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - luchtvaart' Een deel van het plangebied ligt binnen de PR-contour 10-6 van een nabijgelegen vliegveld. Het is niet toegestaan om binnen het gebied van de PR-contour 10-6 kwetsbare objecten te bouwen.

Gebiedsaanduiding 'luchtvaartverkeerszone' Aan de Voorsterweg 31 te Marknesse is een luchthaven van NLR gevestigd. Hiervoor heeft de provincie (Gedeputeerde Staten) een luchthavenregeling vastgesteld. De luchthavenregeling geeft het luchthavengebied aan en er zijn regels voor het gebruik als luchthaven gegeven. De beperkingengebieden voor geluid en externe veiligheid liggen binnen het luchthavengebied. Middels de gebiedsaanduiding 'luchtvaartverkeerszone is de ligging van het beperkingengebied op de verbeelding weergegeven en is een regeling in het bestemmingsplan opgenomen.

70

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)

bestemmingsplan (vastgesteld)

71

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. In dat verband wordt een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Reeds in februari 2020 is het voornemen tot realisatie van het MITC in de omgeving kenbaar gemaakt, door het ter inzage leggen van de Nota van Uitgangspunten. Via een participatietraject wordt over de voortgang van dit bestemmingsplan gecommuniceerd. Met de direct belanghebbenden, waaronder de grondeigenaren, vindt intensief overleg plaats. Daarnaast zijn er meerdere momenten georganiseerd waarbij de belanghebbenden en vertegenwoordigers van omliggende dorpen uitgebreid over de plannen zijn geïnformeerd. Het voorontwerpbestemmingsplan is in samenwerkingsverband tussen gemeente Noordoostpolder, provincie Flevoland en RDW tot stand gekomen en is in het kader van het wettelijk vooroverleg naar verschillende instanties gestuurd, waaronder naburige provincies en gemeenten, waterschap en leidingbeheerders. Ook is met belanghebbenden en omwonenden gecommuniceerd. Naar aanleiding van de inspraakprocedure zijn inspraak- en overlegreacties binnengekomen van Gasunie, Tennet, NLR, provincie Flevoland en gemeente Steenwijkerland. In de reactienota (Bijlage 17) is gereageerd op de inspraak- en overlegreacties en indien van toepassing aangegeven hoe de binnengekomen reacties in het ontwerp bestemmingsplan zijn verwerkt. Het bestemmingsplan doorloopt de wettelijk vastgelegde bestemmingsplanprocedure. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 28 april 2022 tot en met 8 juni 2022 ter inzage gelegen.

Tijdens deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). Er zijn bij de gemeente 12 zienswijzen ontvangen en bij de provincie zijn 9 zienswijzen ontvangen. Naar aanleiding van de zienswijzen is een reactienota opgesteld waarin is verwoord of en hoe de zienswijze aanleiding geeft tot wijziging van het bestemmingsplan. De reactienota is als Bijlage 18 toegevoegd. Het bestemmingsplan is op een aantal punten aangepast en gewijzigd vastgesteld. Na publicatie van het besluit tot vaststelling ligt het bestemmingsplan zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan vloeit voort uit de financiële afspraken en begrotingen van de samenwerkingspartners (RDW/ Politie en NLR). De grondexploitatieregeling uit de Wro is van toepassing op dit bestemmingsplan, omdat het bouwplannen zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro mogelijk maakt. De grondexploitatieregeling bepaalt dat de gemeente in beginsel samen met dit bestemmingsplan een exploitatieplan moet vaststellen. Hiervan kan worden afgezien als de kosten 'anderszins verzekerd' zijn, bijvoorbeeld door overeenkomsten. Daarbij moet het stellen van eisen en een fasering niet noodzakelijk zijn. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van één of meer gebouwen. Dit valt onder de bouwplannen zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. In de Wro is opgenomen dat voor dergelijke bouwplannen, in verband met het kostenverhaal van de gemeente, in beginsel een exploitatieplan vastgesteld moet worden.

72

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)

De verantwoordelijkheden voor de voorzieningen die nodig zijn voor de realisatie van bedrijfsterreinen, waaronder de landschappelijke inpassing, de ontsluiting en de nutsvoorzieningen, worden vastgelegd in anterieure overeenkomsten tussen gemeente en de drie partijen (RDW/Politie/NLR) die belang hebben. Met deze overeenkomsten is het kostenverhaal anderszins verzekerd. Het stellen van nadere eisen en regels met betrekking tot grondexploitatie is daarnaast niet noodzakelijk. De gemeenteraad besluit bij de vaststelling van het plan dat de vaststelling van een exploitatieplan niet nodig is.

bestemmingsplan (vastgesteld)

73

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)

74

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)

Bijlagen toelichting

bestemmingsplan (vastgesteld)

75

bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)

Bijlage 1

76

Landschappelijk inpassingsplan

bestemmingsplan (vastgesteld)

Landschappelijke inpassing

MITC Marknesse

colofon 18 januari 2022 In opdracht van:

Tot stand gekomen in overleg met:

Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW)

Provincie Flevoland Visarenddreef 1 8232 PH Lelystad

Uitgevoerd door:

Vista Landschapsarchitecten BV Nieuwendammerkade 28C-10 1022 AB Amsterdam

Waterschap Zuiderzeeland Lindelaan 20 8224 KT Lelystad

Tenzij anders vermeld: foto’s, kaarten en visualisaties © Vista landschapsarchitecten. Gebruik of vermenigvuldiging zonder voorafgaande toestemming niet toegestaan.

Gemeente Noordoostpolder Harmen Visserplein 1 8302 BW Emmeloord

Landschappelijke inpassing

MITC Marknesse

0

Index 1. INLEIDING

7

Aanleiding Scope Begrenzing plangebied

7 7 8

2. INVENTARISATIE EN ANALYSE

15

Landschap Historische kaartenreeks Functies geïntegreerd in het groen Landschapsvisie Noordoostpolder (2012) Natuurkaart Structuurvisie Noordoostpolder (2013) Bodem, hoogtes en grondwater Randvoorwaarden kabels en leidingen Archeologie

15 15 16 16

Natuurnetwerk Nederland Compensatieopgave Watersysteem Voorstertocht

22 24 26 28

3. LANDSCHAPPELIJKE INPASSING

35

Het plangebied Versterking ruimtelijke eenheid Voorsterbos

35 35 35

16 16 16 16

Visuele en fysieke afscherming Geluid Gasleiding en Hoogspanningskabel Landschappelijke inpassing MITC Entree aan de Repelweg Landschappelijke kwaliteit Compensatie NNN en bos Watercompensatie

35 36 36 36 37 37 48 50

4. GEDETAILLEERDE UITWERKING

53

Beplantingsplan Watersysteem Beplantingsschema's Bloemrijk grasland

53 54 54 54

REFERENTIES73 BIJLAGE75

INLEIDING

6

AANLEIDING Als gevolg van de uitbreiding van Lelystad Airport, wordt het Multimodaal Infrastructuur Test en Certificatie Centrum MITC van de Rijksdienst voor Wegverkeer (RDW) verplaatst. De nieuwe locatie bij Marknesse, noordelijk van het Voorsterbos, gelegen tussen de Voorstertocht en de Vollenhoverweg, biedt kansen vanwege de sterke en verwante bedrijven die al op deze locatie zijn gevestigd: Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR), Duits-Nederlandse Windtunnel (DNW), Nederlandse RPAS (remotely piloted aircraft system) Test Centrum (NRTC) en het NLR Drone Center. Rondom de snelle ontwikkeling van “steeds slimmer wordende” mobiliteit ontstaat zo een steeds sterker wordend cluster van bedrijven, kennis- en onderwijsinstellingen, overheden en andere stakeholders. Samen geven die invulling “Smart Mobility Dutch reality” doelstellingen. MITC Marknesse gaat zo een bijdrage leveren aan het versterken van de economie in de regio. De locatie bij Marknesse is een geschikte ‘stille’ plek, omdat er weinig achtergrondgeluiden zijn. Een beperkt omgevingsgeluid is van belang bij testen waarin geluid een rol speelt. Anderzijds

moet de geluidsbelasting van de testactiviteiten op de omgeving worden beperkt. Tot slot zijn er op locatie Marknesse ook mogelijkheden om in de toekomst uit te breiden. SCOPE Dit rapport beschrijft een praktisch uitvoerbaar integraal plan, dat recht doet aan de principes voor landschappelijke inpassing en daarnaast rekening houdt met bos- en natuur- en NNNcompensatie, de waterhuishouding, maatregelen i.v.m. geluid, fysieke en visuele afscherming van de RDW-testbaan en de aanwezige gasleiding. De voorstellen beperken zich tot de landschappelijke inpassing van het MITC in de omgeving. De kombaan en de inrichting daarbinnen zijn randvoorwaarden. Dit rapport bevat wel aanbevelingen die relevant zijn voor de inrichting van de kombaan in relatie tot de landschappelijke inpassing en het landschap van de polder. We noemen dit landschappelijke richtlijnen voor beeldkwaliteit van het geheel.

7 INLEIDING

1

Inleiding

De landschappelijke inpassing van het MITC zal moeten aansluiten op het gemeentelijk en provinciaal beleid. De RDW stelt als eis dat het zicht op de baan vanaf de openbare weg beperkt is, met het oog op het ongehinderd uitvoeren van tests. Daarnaast moet voorkomen worden dat onbevoegden het terrein betreden. BEGRENZING PLANGEBIED Het plangebied van het MITC omvat 4 hele kavels en 4 gedeeltelijke kavels noordelijk van het Voorsterbos (zie afb. 2). De nieuwe inrichting vraagt om een zorgvuldige landschappelijke inpassing, aanpassing van het watersysteem en de compensatie van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). In hoofdstuk 3 behandelen we deze onderdelen.

INLEIDING

8

Afb. 1: Topografische kaart (Topotijdreis).

INLEIDING

9

Afb. 2: Het plangebied.

INTRODUCTIE OP DE OPGAVE

10

Afb. 3: Landschapskamer met zicht op German-Dutch-Wind-Tunnels.

INTRODUCTIE OP DE OPGAVE

11

INTRODUCTIE OP DE OPGAVE

12

Afb. 4: Vollenhoverweg, noorderlijke begrenzing van het plangebied.

INTRODUCTIE OP DE OPGAVE

13

INVENTARISATIE EN ANALYSE

14

LANDSCHAP De Noordoostpolder is cultuurhistorisch bijzonder omdat het landschap niet geleidelijk is gegroeid, maar volledig op de tekentafel is ontworpen. Dat is uniek in de wereld. Van de IJsselmeerpolders is de Noordoostpolder ook nog eens het meest onderscheidend. In de Noordoostpolder is letterlijk alles onder regie van de toenmalige Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders gecreëerd. Dat gold niet alleen voor het landschap, maar ook voor de kernen en boerenerven. Enkele feiten. De dijk rond de Noordoostpolder werd aangelegd in 1940. In het najaar 1942 viel de polder droog. Na de Tweede Wereldoorlog werd de polder ingericht. Dat proces duurde tot in 1962. Bij de inrichting van de polder ging men uit van 4 inrichtingsprincipes (zie ook afb. 5): • Het landschap werd gebaseerd modulair verkavelingssysteem op basis van de meest rationele agrarische kavelmaat (300 langs de weg en 800 meter in de diepte); • Functies werden afgestemd op de bodem. De beste landbouwgronden werden bestemd voor akkerbouwbedrijven en groente- en fruitteeltbedrijven. Daar waar de klei minder geschikt was ontstonden veeteeltbedrijven. Op de zandige grond langs de rand met het ‘oude land’ (het Kuinderbos en het Voorsterbos) en op het keileem (Urkerbos en Schokkerbos) werd bos aangeplant.

•

•

De toen geldende maatschappelijke opvattingen over het belang van het smeden van sterke sociale verbanden werden vertaald in een concentrische opbouw. Emmeloord werd centraal in de polder gesitueerd met een ring van dorpen eromheen. De agrarische erven werden geclusterd in groepen en ook de bijbehorende arbeiderswoningen werden aan deze erven gekoppeld. De hoofdwegenstructuur werd hiërarchisch opgebouwd in de vorm van een assenkruis met Emmeloord in het hart. Dit principe maakte een goede oriëntatie binnen de polder mogelijk.

HISTORISCHE KAARTENREEKS De historische kaartenreeks laat zien dat de directe omgeving van het plangebied zich voortdurend heeft ontwikkeld. Het complex Voorsterbos is uitgebreid en heeft steeds meer functies opgenomen. De belangrijkste veranderingen op een rijtje: • Kaart 1955: Voorsterbos (afb. 6); • Kaart 1964: Waterloopkundig Lab. (afb. 7); • Kaart 1974: Nationaal Lucht- en Ruimtevaart laboratorium en zweefvliegveld (afb. 8); • Kaart 1988: German-Dutch Windtunnels. Langs de Vollenhoverweg is een brede bosstrook aangelegd als landschappelijke inpassing (afb. 9); • Kaart 2009: Wendelbos (afb. 10).

15 INVENTARISATIE EN ANALYSE

2

Inventarisatie en analyse

FUNCTIES GEÏNTEGREERD IN HET GROEN

BODEM, HOOGTES EN GRONDWATER

De ontwikkelingen in en nabij het Voorsterbos zijn ruimtelijk geïntegreerd in het groen, behoren tot één groot cluster en hebben daardoor het karakter van een campus. De aanleg van het Wendelbos en de groenstroken langs de Vollenhoverweg hebben daaraan bijgedragen. Hiermee verhouden deze ontwikkelingen zich op een goede manier tot de schaal van de polder. Dit sluit goed aan bij het oorspronkelijke ontwerp van de Noordoostpolder, waarbij rekening werd gehouden met het creëren van beslotenheid en beschutting tegen de wind door middel van bossen, wegbeplanting en erfbeplanting.

De bodem bestaat uit type Mn25A. Dit zijn kalkrijke poldervaaggronden met zware zavel (zie afb. 11), profielverloop 5. De poldervaaggronden zijn het resultaat van een lang sedimentatieproces in de voormalige Zuiderzee en vervolgens door rijping na drooglegging van de Noordoorstpolder. Het zijn gronden die zeer geschikt zijn voor akkerbouw, met een goede structuur, voedingswaarde, vochthuishouding, ontwatering en bieden ook een ruime keuze voor bomen en struiken.

LANDSCHAPSVISIE NOORDOOSTPOLDER (2012)

INVENTARISATIE EN ANALYSE

16

Vanuit de landschapsvisie wordt in dit gebied ingezet op het toevoegen van meer beplanting voor het versterken van de biodiversiteit, de recreatieve waarde van het landschap en het versterken van de entrée van de polder (Feddes Olthof, 2012). NATUURKAART STRUCTUURVISIE NOORDOOSTPOLDER (2013) Bovenstaande komt ook terug in de structuurvisie (Gemeente Noordoostpolder, 2013). De Noordoostpolder is ontworpen van buiten naar binnen. Mede door het ontbreken van een randmeer, is de overgang van het oude naar het nieuwe land aan de oostzijde niet duidelijk vormgegeven. Door het toevoegen van beplanting in de rand langs het oude land kan de herkenbaarheid van de polderrand hier worden vergroot en de concentrische opbouw worden versterkt. Naast landschappelijke verdichting kan ook de relatie met het oude land gebruikt worden om de identiteit hier te vergroten. Het toevoegen van de juiste beplanting wordt als mogelijk middel genoemd om deze elementen te versterken.

Het plangebied ligt aan de oostzijde van de Noordoostpolder dicht bij de voormalige kust van het oude land. Het behoort tot de hogere oostrand van de Noordoostpolder. Het terrein kent een verloop in hoogte van oost naar west van circa -1,30m. NAP tot -2,80 m. NAP (zie afb. 12). Het plangebied heeft twee grondwatertrappen. In de oostelijke percelen geldt grondwatertrap IV=GHG >40 cm en GLG 80-120 cm. De percelen westelijk van de Voorstertocht zijn iets droger en geldt grondwatertrap V=GHG <40 cm en GLG >120 cm. Een grondwatertrap geeft een indicatie van de absolute grondwaterstand en de fluctuatie hiervan in de bodem. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) geeft een indicatie van de grondwaterstand in de winter over een langere periode. Andersom geeft de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) een indicatie van de grondwaterstand in de zomer. RANDVOORWAARDEN KABELS EN LEIDINGEN Door het plangebied loopt een gasleiding en hoogspanningsmasten (zie afb. 14). Boven de gasleiding geldt beperkingen, onder meer ten aanzien van beplanting. Er is een lijst beschikbaar met soorten die boven op de leidingstrook geplant mogen worden. Dit is van belang voor de landschappelijke inpassing.

Hoogspanningsleidingen beperken de toegestane hoogte voor het groen onder de leiding. Door het gebied loopt een 110 kV net. Om de veiligheid te garanderen moet minimaal 4 meter marge aangehouden worden aan weerszijde van de hoogspanningsleidingen (Tennet, 2016). ARCHEOLOGIE Het plangebied heeft een hoge tot gemiddelde archeologische verwachtingswaarde. Meer is op dit moment niet bekend. Dit is van belang in relatie tot mogelijke graafwerkzaamheden. Mogelijk zal daarvoor nader onderzoek noodzakelijk zijn.

INVENTARISATIE EN ANALYSE

17

A. Principetekening reageren op de ondergrond

B. Principetekening concentrische opbouw met radialen.

C. Principetekening modulair principe.

Afb. 5 A,B,C: Ruimtelijke opbouw Noordoostpolder (bron: H+N+S landschapsarchitecten & Beek en Kooiman Cultuurhistorie, Toekomstvisie Noordoospolder 2030, augustus 2004)

Afb. 6: 1955

Afb. 7: 1964

Afb. 8: 1974

Afb. 9: 1988

INVENTARISATIE EN ANALYSE

18

INVENTARISATIE EN ANALYSE

19

Afb. 10: 2009

-3,4m -2,7m -3,1m

-2,2m

-2,6m -2,7m -1,7m

-3,3m

-2,1m

-1,3m -0,6m

-1,8m

3,3m

-2,1m 5,6m

INVENTARISATIE EN ANALYSE

20

Afb. 11: Bodem Water Bebouwing Veen Zand Lichte zavel Zware zavel Keileem

Afb. 12: Hoogte

-0,7m

Afb.13: Grondwatertrappen

Afb. 14: Kabels en leidingen

II: H <40 cm, L 50-80 cm

Gasleiding

III: H <40 cm, L 80-120 cm

Hoogspanningskabels (110 kV)

IV: H <40 cm, L 80-120 cm

Hoogspanningsmasten

V: H <40 cm, L >120 cm VI: H 40-80 cm, L >120 cm VII: H 80-140 cm, L >120 cm

INVENTARISATIE EN ANALYSE

21

NATUURNETWERK NEDERLAND De Omgevingsverordening Flevoland geeft in artikel 7.5 lid 1 het volgende aan: “Een ruimtelijk plan of besluit, voor zover het betrekking heeft op een gebied binnen of nabij de aangewezen het Natuurnetwerk Nederland: • Strekt mede tot bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van dat gebied; • Maakt activiteiten alleen mogelijk als die ten opzichte van het ten tijde van de inwerkingtreding van deze titel van de verordening geldende bestemmingsplan, mits die per saldo niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden''.

INVENTARISATIE EN ANALYSE

22

De bossen en beplantingssingels in het plangebied maken deel uit van in het kader van het provinciaal ruimtelijk beleid beschermde natuurgebieden (NNN) (zie afb. 15). Door de ontwikkelingen treedt verlies van NNN-gronden op en worden wezenlijke waarden en kenmerken aangetast. Deze waarden moeten worden gecompenseerd. Ten gevolge van het plan treden geen negatieve effecten op ten aanzien van de samenhang van natuurgebieden in de bestaande situatie. Mogelijk kunnen aanleg en gebruik van het MITC-terrein negatieve effecten hebben op dieren die in de nabije NNN-terreinen leven. BügelHajema (2020) geeft in de Natuurtoets aan dat name geluid en licht in het plangebied een verstorend effect kan hebben. Negatieve effecten van licht zijn te vermijden door het gebruik van lichtbronnen nabij het NNN te beperken, en door afgeschermde armaturen te gebruiken die licht beperken tot daar waar het nodig is, en dus niet uitstralen naar de omgeving. Deze afscherming van armaturen zal gebeuren mits deze geen veiligheidsissue geven voor het MITC. Effecten van geluid moeten nader worden onderzocht. In de Natuurtoets van BügelHajema (2020) zijn de kwaliteiten weergegeven waarmee we reke-

ning moeten houden. De wezenlijke waarden en kenmerken zijn uitgewerkt in de kaart Beheertypen (zie afb. 16) waaruit blijkt dat zich binnen en nabij het plangebied Haagbeukenen essenbos (N14.03) bevindt (zie kader). Dit beheertype geeft de richting aan voor de sortimentskeuze van de landschappelijke inpassing. Voor de landschappelijke inpassing is van belang dat de es (Fraxinus excelsior) een dragende soort is in het type N14.03. Helaas wordt de es momenteel geteisterd door de ziekte essentaksterfte. Essentaksterfte tast jonge en oude bomen aan en wordt veroorzaakt door de schimmel Hymenoscyphus fraxineus (vals essenvlieskelkje), ook bekend als Chalara fraxinea, een uit Azië afkomstige invasieve exoot. BIJ12 (2020) geeft voor het Haagbeuken- en essenbos (N14.03) aan dat de jonge polderbossen vaak al wel een hoge rijkdom aan makkelijk koloniserende sporenplanten en vogels hebben, maar relatief arm zijn aan vaatplanten en fauna die karakteristiek zijn voor oudere bosgroeiplaatsen. Ter plaatse is het bos wel rijk aan structuur met ondergroei van diverse struiken, verschillende boomsoorten en (voornamelijk liggend) dood hout. De kruidachtige vegetatie bestaat vooral uit ruigtesoorten zoals grote brandnetel en braam, aangevuld enkele algemene bosplanten zoals look-zonder-look en geel nagelkruid. Er groeien weinig varens en daarvan zijn geen bijzondere soorten aangetroffen.

Op basis van veldbezoeken zijn hooguit enkele kenmerkende soorten van de vaatplanten te verwachten. Van de kwalificerende vogelsoorten zijn appelvink en boomklever waargenomen, en zijn mogelijk meer soorten te verwachten zoals fluiter, groene specht en kleine bonte specht. Het bosvlak en de zuidelijke bosstrook zijn meer gevarieerd en ecologisch waardevoller, met aanwezigheid van struiken en dode bomen, dan de noordelijke bosstrook. Een gedetailleerd flora- en faunaonderzoek wordt momenteel uitgevoerd, maar is nog niet beschikbaar. Met de uitkomsten zal bij de inrichting van het gebied en de landschappelijke inpassing rekening moeten worden gehouden.

N14.03 Haagbeuken- en essenbos (Bij12, 2020) Haagbeuken- en essenbos wordt gedomineerd door diverse boomsoorten zoals haagbeuk, gewone es, esdoorn en gladde iep. Het betreft rijke bossen op klei- of leemgrond en/of op bodems waar aanrijking plaatsvindt met basen door periodiek hoge grondwaterstanden buiten de invloed van beek of rivier. Vegetatiekundig behoren de bossen tot het Haagbeukenverbond, Iepenrijke Eiken-Essenverbond en Verbond van Els en Es. De bijbehorende struwelen maken ook onderdeel uit van dit type. Het bostype is vaak rijk in structuur en kent een opvallende voorjaarsflora. Haagbeuken- en essenbos komt op verschillende bodemtypen voor met een basisch en vochtig tot vrij nat karakter. Het meeste bos wat tot het beheertype behoort is aangeplant. Ook aangeplante wilgen- en populierenbossen in polders behoren hiertoe. De cultuurlijke oorsprong verraadt zich bijvoorbeeld door sporen van voormalig hakhoutbeheer of aanplant in rijen. Haagbeuken- en essenbos omvat bijvoorbeeld de aangeplante bossen op kleibodems zoals in Flevoland. Een rijke voorjaarsflora is kenmerkend in de eiken-haagbeukenbossen met soorten als daslook, speenkruid en grote muur. Open plekken worden vaak gedomineerd door ruigtekruiden. In struwelen zijn vlier en doornstruiken aanwezig, bij begrazing ontwikkelen zich ook grazige vegetaties.

Het beheertype is bij veel variatie in structuur rijk aan fauna en flora. De jonge polderbossen kennen vaak al wel een hoge rijkdom aan makkelijk koloniserende sporenplanten en vogels, maar zijn nog relatief arm aan vaatplanten en fauna die karakteristiek zijn voor oudere bosgroeiplaatsen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2058/documents/34922