3.1 Vaststelling bestemmingsplan Landelijk gebied Repelweg te Marknesse (MITC).pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)
Verder zet de provincie Flevoland zich in voor duurzame ontwikkelingen waarbij circulariteit, natuurinclusief bouwen en duurzame energie belangrijke thema's zijn in het provinciale beleid. Duurzame ontwikkelingen kunnen niet worden afgedwongen in het bestemmingsplan, maar de ontwikkeling in het plangebied biedt kansen voor de nadere uitwerking van duurzaamheidsambities, mede gelet op de innovatieve aard van de bedrijvigheid die in het MITC mogelijk wordt gemaakt.
3.2.2 Omgevingsprogramma Provincie Flevoland Op 27 februari 2019 is het Omgevingsprogramma Flevoland vastgesteld. Dit is een verdere uitwerking van wat de provincie belangrijk vindt en wil doen om te zorgen voor een goede leefomgeving. Hierin staat beschreven wat het te voeren beleid is en welke maatregelen of acties worden ondernomen om de doelstellingen te kunnen bereiken. Dit kan bijvoorbeeld gaan over de ontwikkeling, het gebruik en het beheer van onder andere wegen, natuur en bodem: de 'fysieke leefomgeving'. Het Omgevingsprogramma bundelt al het bestaande beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud van de fysieke leefomgeving. Een van de onderwerpen van het Omgevingsprogramma is ruimte. Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen landelijk gebied en stedelijk gebied. Nieuwe functies in het landelijk gebied die niet-agrarisch zijn of een stedelijke ontwikkeling betreffen, moeten in principe kleinschalig van karakter zijn. Hiervoor geldt de beleidsregel 'Kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied'. Omdat de ontwikkeling die middels dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt niet als kleinschalig kan worden gezien, past deze niet binnen deze beleidsregel. In het omgevingsprogramma stelt de provincie dat de vraag naar bedrijventerreinen in Flevoland afneemt en verandert.
Er zijn verschillen tussen de zes gemeenten, maar het algehele beeld is dat er nu en in de toekomst minder vraag is dan voorheen. Dit heeft geleid tot een herstructureringsopgave voor zowel de publieke als de private partners. Afspraken voor afstemming tussen gemeenten bij de ontwikkeling en herstructurering van werklocaties zijn vastgelegd in het 'Convenant voorraadbeheersing en afstemming werklocaties' en het 'Convenant bedrijventerreinen'. De provincie zet actief in op de realisatie van drie (boven-)regionale bedrijventerreinen: Lelystad Airport (zie 11.2 Luchthaven Lelystad). Maritieme servicehaven Noordelijk Flevoland bij Urk. Flevokust (Lelystad). Omdat dit bestemmingsplan de ontwikkeling van een bedrijventerrein met bovenregionale functie mogelijk maakt, is het provinciale beleid op dit punt bijgesteld. Aan het Omgevingsprogramma Flevoland is in hoofdstuk 1 Ruimte, paragraaf 1.1.2.2 een vierde (boven-)regionaal bedrijventerreinen toegevoegd.
Hiermee verwoordt de provincie dat ze zich actief inzet op de realisatie van vier (boven-)regionale bedrijventerreinen: Lelystad Airport (zie 11.2 Luchthaven Lelystad) Maritieme servicehaven Noordelijk Flevoland bij Urk Flevokust (Lelystad) Mobiliteit en Infrastructuur Test Centrum (MITC) bij Marknesse (zie 1.2.2) Verder wordt hoofdstuk 1 van het Omgevingsprogramma Flevoland uitgebreid met een paragraaf waarin de ontwikkeling van het MITC wordt toegelicht. De paragraaf luidt als volgt: 'De aanleiding voor het ontwikkelen van het MITC is de verplaatsing van het testcentrum van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) van Lelystad naar Marknesse. Deze verplaatsing biedt kansen in Noordelijk Flevoland om rondom de snelle ontwikkeling van “steeds slimmer wordende” mobiliteit de functionaliteit van het testcentrum te vergroten en, samen met de reeds aanwezige test- en onderzoeksfaciliteiten van het Koninklijk
bestemmingsplan (vastgesteld)
25
bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC) Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR) en Duits-Nederlandse Windtunnels (DNW), uit te bouwen tot het (Smart) Mobiliteit en Infrastructuur Test Centrum (MITC). Het MITC zal naar verwachting uitgroeien tot een cluster van onderling samenhangende bedrijven, kennis- en onderwijsinstellingen en andere activiteiten. Op deze wijze ontstaat er een kans voor Noordelijk Flevoland om dit cluster te laten ontwikkelen als vliegwiel zodat het kan dienen om de economie in de regio te versterken. Het MITC bundelt de krachten voor een groei van de werkgelegenheid (met smart mobility als stip op de horizon) en voor het gebruikmaken van de contextrijke omgeving voor attractief onderwijs tot het opleiden voor de vraag van de arbeidsmarkt in deze sector. Het MITC is met circa 140 ha grondgebied een ontwikkeling van regionale betekenis. Deze ontwikkeling geeft een bedrijfssituatie weer die qua schaal en economische importantie passend is in de opsomming in paragraaf 1.1.2.2.'
3.2.3 Visie op werklocaties Noordelijk Flevoland De gemeente Noordoostpolder heeft samen met de gemeente Urk de Visie werklocaties vastgesteld. De visie maakt duidelijk hoe de gemeenten willen omgaan met bedrijvenlocaties om ondernemers en hun bedrijven gezond te houden én om Noordelijk Flevoland aantrekkelijk te houden als vestigingslocatie en locatie om te werken en te wonen. Over het plangebied zegt de visie: "In de gemeente Noordoostpolder bevindt zich aan de Voorsterweg bij Marknesse een bijzonder cluster, bestaande uit bedrijven en kennisinstellingen." Hiermee wordt gedoeld op het bestaande bedrijventerrein aan de Repelweg, grenzend aan voorliggend bestemmingsplan. Het gaat om een 'niche-locatie' waar bedrijven met een zeer eigen profiel zitten die niet of lastig kunnen opereren in nabijheid van niet-soortgenoten, bijvoorbeeld vanwege de aard van hun activiteiten (denk aan enerzijds hinder voor de omgeving maar anderzijds ook een specifieke behoefte aan afstand tot openbaar gebied). In de visie op werklocaties wordt aangegeven dat uitbreiding van bedrijfsactiviteiten hier mogelijk is, mits vastgehouden wordt aan het bestaande profiel en de locatie daarmee ook daadwerkelijk zijn meerwaarde blijft behouden ten opzichte van andere bedrijventerreinen.
In dit bestemmingsplan wordt specifiek de vestiging van bedrijven op het gebied van mobiliteit en innovatie vastgelegd, een bedrijfsvorm die aansluit bij de niche-bedrijven die in de visie worden genoemd. In de buurt van het NLR bevindt zich al een kenniscluster dat gebruik maakt van de faciliteiten van de NLR. Een van de doelen uit is om ruimte te bieden voor bedrijven die het cluster versterken en verstevigen. Hier valt het RDW onder. Dit sluit aan bij de gemeentelijke Visie op werklocaties.
3.2.4 Beleidsregel locatiebeleid stedelijk gebied Op 23 augustus 2011 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Flevoland de beleidsregel 'locatiebeleid stedelijk gebied 2011' vastgesteld. In het Omgevingsplan Flevoland 2006 wordt met betrekking tot het provinciale locatiebeleid voor het stedelijk gebied gestreefd naar een voldoende gedifferentieerd aanbod van werklocaties in Flevoland, zodat er voor ieder bedrijf en instelling een geschikte locatie gevonden kan worden. Met dit locatiebeleid streeft de provincie naar een zodanige vestiging van bedrijven, kantoren en voorzieningen, dat een optimale bijdrage wordt geleverd aan de vitaliteit van steden en dorpen. De provincie maakt onderscheidt tussen reguliere bedrijventerreinen en industrieterreinen. Daar een regulier bedrijventerrein is bedoeld voor milieucategorie 1 tot en met 3, meer ruimte biedt voor kantoorhoudendheid (50 - 70%) en bovendien hogere ambities kent ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, is een industrieterrein gericht op zware bedrijvigheid tot milieucategorie 5 (minimaal 3) en weinig kantoorhoudendheid (30%). Ten aanzien van het aspect ruimtelijke kwaliteit geldt in beide gevallen dat een
26
bestemmingsplan (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC) beeldkwaliteitsplan wordt toegevoegd aan een ruimtelijk plan voor een werklocatie grenzend aan de snelweg of provinciale weg. Het bedrijventerrein Waterloopbos is specifiek bestemd voor onderzoeksbedrijven. Het gaat hoofdzakelijk om lichte bedrijfsvormen. Vanuit het verleden zijn er wel 'grote lawaaimakers' mogelijk, maar er zijn geen bedrijven aanwezig die in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken. De geluidszone rondom het terrein ligt dan ook vlak langs de grens van het terrein. Het terrein manifesteert zich in die zin meer als een regulier bedrijventerrein dan als industrieterrein. De ontwikkeling van het MITC laat zich door de specifieke aard van de bedrijven, de regeling die in dit bestemmingsplan is opgenomen, niet goed inpassen in één van de categorieën van het locatiebeleid. Er wordt uitgegaan van een bedrijventerrein, bedoeld voor specifieke bedrijven en een relatief zeer lage bebouwingsdichtheid en verhardingspercentage. Daarmee wordt aangesloten op de behoefte en ontstaat geen concurrentie met de andere bedrijventerreinen in de provincie. Er wordt verder aangesloten bij de uitgangspunten van een regulier bedrijventerrein.
3.2.5 Omgevingsverordening Provincie Flevoland Het beleid uit de omgevingsvisie FlevolandStraks is omgezet in regels in de provinciale Omgevingsverordening. Deze regels bieden een provinciaal kader waar in ruimtelijke plannen rekening mee moet worden gehouden. Op de kaarten van de verordening zijn voor het plangebied geen specifieke aanduidingen opgenomen. Er is geen sprake van een specifieke beschermingszone ten aanzien van stilte, luchtvaart of ontgrondingen. Wel is er sprake van een aanwijzing als Natuurnetwerk Nederland binnen en rondom het plangebied. Deze begrenzing is in donkergroen aangegeven in figuur 3.1. In dit kader vindt in overleg met provincie Flevoland compensatie plaats. Hierop wordt in paragraaf 4.8 ingegaan.
Figuur 3.1
Kaart Natuurnetwerk Nederland
bestemmingsplan (vastgesteld)
27
bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)
Wel gelden algemene regels ten aanzien van de bescherming van het landschap en het watersysteem. Voor het plangebied zijn deze aspecten relevant en deze hebben dan ook een doorwerking in het bestemmingsplan gekregen.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie Noordoostpolder 2025 De structuurvisie 2025, die is vastgesteld op 9 december 2013, bevat de visie van de gemeente Noordoostpolder op de toekomstige ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden van de Noordoostpolder. De structuurvisie is vooral bedoeld om te enthousiasmeren, te verleiden en te inspireren en andere partijen als het ware uit te nodigen om te komen met initiatieven en investeringen. Het is een integrale ruimtelijke visie die de huidige en gewenste waarden en kwaliteiten beschrijft en daarbij vooruitkijkt naar 2025. Een van de thema's in de Structuurvisie is werken. Hier wordt ook de ruimte op bestaande bedrijventerreinen besproken. Het terrein van NLR wordt genoemd als een locatie waar ruimte is voor de vestiging van nieuwe hoogwaardige technologische en onderzoeksbedrijven. De ontwikkeling die in dit bestemmingsplan is geregeld, bevat de ontwikkeling van het terrein grenzend aan het terrein van de NLR. Er is echter op bovenregionaal niveau aangegeven dat voor dit gebied de ambitie geldt om een clustering van innovatieve bedrijven op het gebied van mobiliteit mogelijk te maken. De ontwikkeling in het plangebied sluit aan bij de structuurvisie. Vanuit landschappelijk oogpunt, gaat de structuurvisie in op de ontwikkelingsrichting van het landschap. De Noordoostpolder is ontworpen van buiten naar binnen.
Mede door het ontbreken van een randmeer, is de overgang van het oude naar het nieuwe land aan de oostzijde niet duidelijk vormgegeven. Door het toevoegen van beplanting in de rand langs het oude land kan de herkenbaarheid van de polderrand hier worden vergroot en de concentrische opbouw worden versterkt. Naast landschappelijke verdichting kan ook de relatie met het oude land gebruikt worden om de identiteit te vergroten. Toevoeging van de juiste beplanting kan deze elementen mogelijk versterken. Vanuit de landschapsvisie Noordoostpolder (een van de bouwstenen voor de Structuurvisie) wordt er in het plangebied ingezet op het toevoegen van meer beplanting voor het versterken van de biodiversiteit, de recreatieve waarde van het landschap en het versterken van de entree van de polder. De ontwikkeling in het plangebied was bij het opstellen van de Structuurvisie niet voorzien. Toch biedt de ontwikkeling veel kansen voor de regio wat er toe heeft geleid dat de ontwikkeling op bestuurlijk niveau als gewenst wordt gezien. Bij de realisatie van het Testcentrum is een goede landschappelijke inpassing echter wel een belangrijke voorwaarde. In paragraaf 2.4 is nader ingegaan op de landschappelijke inpassing (Bijlage 1).
Gebiedsvisie Waterloopbos Er zijn allerlei private initiatieven en voornemens in het gebied 'Waterloopbos en omgeving', uiteenlopend van grote ingrijpende ontwikkelingsplannen, en kleinere uitbreidingen en herbestemmingen en verschillende beleidsvoornemens bij provincie en gemeente die mede betrekking hebben op het gebied. Al de verschillende plannen, ambities en kansen en bedreigingen moeten in samenhang worden bekeken en tegen elkaar worden afgewogen om uiteindelijk beslissingen te kunnen nemen. Voorkomen moet worden dat de diverse ruimtelijke ontwikkelingen onderling of met andere belangen in het gebied conflicteren. Tegelijkertijd moeten zo veel mogelijk kansen die alle beweging in het gebied met zich meebrengt, worden benut.
Om deze ontwikkelingen in goede banen te leiden heeft de gemeente Noordoostpolder een
28
bestemmingsplan (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC) integrale gebiedsvisie opgesteld die op 6 maart 2023 door de gemeenteraad is vastgesteld. Dit is een overkoepelend beeld dat samenhang creeert in de verschillende ontwikkelingen. De gebiedsvisie is een kader is voor huidige en toekomstige ontwikkelingen. Voor het MITC vermeldt de gebiedsvisie dat de ontwikkeling een kans is voor Noordelijk Flevoland om een nieuw innovatief cluster te ontwikkelen, dat als vliegwiel dient om de economie in de regio te versterken. De ontwikkelingen rond het MITC vragen om een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Het landschapsplan sluit aan bij de inrichtingsprincipes van de Noordoostpolder. Het MITC wordt volledig geïntegreerd in de bosrijke omgeving. Hiermee worden ook de ecologische verbindingen van het Natuurnetwerk Nederland geborgd. Op het MITC komen de hoogwaardige functies in boskamers te liggen waarmee het plan goed aansluit bij de kenmerken van het gebied. De opzet van het MITC creëert nog een viertal restkavels. Door deze kavels te bebossen kan het MITC zowel robuuster ingebed worden in het bos als in het polderstramien. Over de bebossing van de restkavels is nog geen besluit genomen. In het kader van de (provinciale) bossenstrategie zou er in de toekomst bos geplant kunnen worden. In de ontwikkeling van het MITC is dat niet voorzien.
Verder noemt de visie kansen voor een natuurinclusieve inrichting van het MITC en de daar te ontwikkelen campus. Dit draagt zowel bij aan de kwaliteit en beleving van het terrein zelf als aan de inbedding in de natuurlijk omgeving.
3.3.2 Nota parkeernormen Noordoostpolder 2016 Voor de verkeersaspecten bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden berekend hoeveel parkeerplaatsen een initiatiefnemer moet aanleggen bij een voorgenomen ruimtelijke functie. De parkeerplaatsverplichting wordt berekend aan de hand van vastgestelde parkeernormen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling wordt de parkeernorm bepaald naar aanleiding van de parkeerbehoefte en moet de parkeerbehoefte op eigen terrein worden gerealiseerd. Voor de hoofdfunctie 'werken' gelden de normen uit onderstaande tabel.
Figuur 3.2. Parkeernormen voor hoofdfunctie werken
In dit bestemmingsplan is voldoende ruimte voor het realiseren van de benodigde parkeerruimte voor de verschillende functies die mogelijk worden gemaakt. In paragraaf 2.5 is de verkeerssituatie nader uitgewerkt.
3.3.3 Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan In het Gemeentelijke Verkeer- en Vervoerplan (GVVP) worden beleidskaders voor wat betreft het verkeer en vervoer voor de gehele gemeente in de brede zin behandeld. Het bestemmingsplan regelt het gebruik van de gronden. Het parkeren zal plaatsvinden op eigen terrein. Ook dit is nader uitgewerkt in paragraaf 2.5.
bestemmingsplan (vastgesteld)
29
bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)
3.3.4 Nota geluid In de gemeentelijke Nota Geluid, die in oktober 2011 is vastgesteld, is het gemeentelijk geluidbeleid beschreven. Dit beleid is onder andere van toepassing voor nieuw te realiseren bedrijven. Het doel van de nota is om mensen te beschermen tegen geluidsoverlast, het geluidskarakter van het gebied te behouden en bedrijven kaders te geven waarbinnen ze kunnen werken. De nota maakt een koppeling tussen de aanwezige geluidwaarden en een bepaald gebiedstype. Enerzijds wordt door differentiatie in gebiedstypes afgestemd welke geluidwaarden in een gebied gelden en is er sprake van maatwerk voor de aanwezige geluidwaarden in de Noordoostpolder. Anderzijds kan de aanwezige geluidkwaliteit in het gebiedstype worden behouden door de genoemde geluidwaarden en richtwaarden voor bedrijfsactiviteiten te hanteren. Dat kan ervoor zorgen dat de geluidbeleving in het gebied niet verandert. Bij de aanwijzing van gebiedstypen is het huidige gezoneerde bedrijventerrein, waarop de ontwikkeling van het MITC aansluit, aangeduid als agrarisch gebied. Het plangebied ligt op tamelijk korte afstand van het gebiedstype 'stille gebieden'. Dit zijn de grotere bos- en natuurgebieden en stiltegebieden, waarbij stiltegebieden een provinciale bescherming als 'milieubeschermingsgebieden' genieten. Daarvan is voor het stille gebied nabij het MITC geen sprake.
Wel geldt hier op basis van de nota een richtwaarde van 35 dB(A), voor de individuele bedrijven. In het akoestisch onderzoek is per bedrijf getoetst of aan deze eis wordt voldaan. Hieruit blijkt dat geen van de bedrijven uit het MITC kan voldoen aan de richtwaarde van 35 dB(A) overeenkomstig de nota Geluid van de gemeente Noordoostpolder. Voor bedrijventerrein/industrieterreinen geldt dat via een overgangszone (voor industrie) rekening wordt gehouden met huidige en geplande activiteiten. Als er wordt afgeweken van de richtwaarde is een goede motivering van belang, waarvoor de nota criteria bevat. In de Nota geluid is een bestaand gezoneerd terrein aangewezen (waarvoor op grond van de Wet geluidhinder een etmaalwaarde ten hoogste 50 dB(A) mag bedragen) nabij het gebiedstype 'stille gebieden' zonder het opnemen van een overgangszone industrie terwijl regelgeving uit provinciaal beleid niet in strijd mag zijn met nationale wetgeving. Verder zijn de ecologische effecten van het geluid onderzocht en worden deze gecompenseerd voor zover het NNN-gebieden betreft. Ook het akoestisch klimaat ter plaatse van de woningen in de omgeving cumulatief is beoordeeld en niet significant verslechterd, doordat verkeersbewegingen in de omgeving maatgevend zijn voor de geluidsklasse.
De vestiging van het MITC op deze locatie is een gemeentelijke en provinciale ambitie voor de economische positie van de regio. Daarom wordt voor de ontwikkeling van het MITC afgeweken van de richtwaarde van 35 dB(A) in het stille gebied, waardoor het mogelijk wordt om de vestiging van het MITC op deze locatie mogelijk te maken. Het bestaande industrieterrein, waar NLR en DNW gevestigd zijn, is niet in de Nota Geluid opgenomen. Hierdoor ontbreekt ook de overgangszone naar het stille gebied, zoals deze voor andere terreinen is opgenomen. Ook voor deze bestaande bedrijven wordt niet overal voldaan aan de richtwaarde in het stille gebied. Een richtwaarde van 35 dB(A) in een gebied waarin diverse bedrijvigheid aanwezig is, blijkt een niet overal haalbare ambitie. Deze ambitie is zeker niet verenigbaar met de bestaande en de voorgestelde bedrijvigheid. Gelet op de hiervoor beschreven belangenafweging wordt daarom voorgesteld om af te wijken van de Nota Geluid. Omdat het beleid geen rechtstreeks bindend toetsingskader is voor bedrijven die onder het Activiteitenbesluit vallen, zoals de bedrijven op het MITC, is een verdere Bestuurlijke afweging in het kader van de vergunningverlening niet noodzakelijk. De richtwaarden voor het plangebied komen overeen met het standaard toetsingskader uit het Activiteitenbesluit.
De afwijkingsmogelijkheden en eisen aan de bestuurlijke afweging zijn daarbij ook vergeleken aan de werkwijze uit het Activiteitenbesluit. Bij het
30
bestemmingsplan (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC) voldoen aan de normen uit het Activiteitenbesluit wordt daarmee voor de onderzochte bedrijven voldaan aan zowel het wettelijke kader als aan het geluidbeleid. Voor dit aspect beschouwen we het geluidbeleid daarom niet verder. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich op circa 250 meter de uitloper van een stil gebied. Als aanvullend kader geldt voor de bedrijven daarom wel de richtwaarde van 35 dB(A) etmaalwaarde op een grens van 50 meter vanaf dit stille gebied. In het akoestisch onderzoek (Bijlage 5) is daarom per bedrijf inzichtelijk gemaakt of wordt voldaan aan deze eis.
bestemmingsplan (vastgesteld)
31
bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1
Milieueffectrapportage
4.1.1 PlanMER plicht Parallel aan de bestemmingsplanprocedure is een planMER-procedure doorlopen. Hierbij is het scenario met meer oppervlakte voor alle partijen als uitgangspunt genomen. De situatie waarbij het aantal m2 naar beneden is bijgesteld heeft vanzelfsprekend minder effect op de omgeving waardoor de conclusies uit het m.e.r. overeind blijven. De m.e.r. heeft als doel het milieu een volwaardige plaats te geven in de bestuurlijke besluitvorming, zodat met de uitkomst van de m.e.r. een solide en toegespitste onderbouwing kan worden gegeven voor enerzijds het bestemmingsplan MITC Marknesse van de gemeente en anderzijds de aanpassingen in het Omgevingsprogramma van de provincie. In hoofdstuk 7 van de Wet Milieubeheer (Wm) is geregeld dat het bij bepaalde plannen en/of besluiten verplicht is informatie te verzamelen over de als gevolg van de activiteit optredende milieueffecten. In de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald voor welke activiteiten een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden. Dit is mede afhankelijk van de aard en omvang van de activiteit en het soort besluit. In bijlage D van het Besluit m.e.r. (D11) is bepaald dat: De aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject (i.c. het bedrijventerrein voor MITC) planMER-plichtig is als het groter is dan 100 hectare (D11.2).
Aangezien het totale plangebied ongeveer 135 hectare bedraagt geldt vanuit D11.2 een planMER-plicht. De wijziging van een industrieterrein planMER-plichtig kan zijn in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 ha of meer (D11.3); de voorgenomen activiteit heeft betrekking op het wijzigen van het bestaande industrieterrein. Het deel van het industrieterrein dat gewijzigd wordt is weliswaar kleiner dan 75 ha, maar het bestemmingsplan waarin dit geregeld wordt is duidelijk groter dan 75 ha. Ter voorbereiding van het voor het MITC vast te stellen bestemmingsplan en ter voorbereiding van de wijziging van het Omgevingsprogramma van de provincie Flevoland is het voorliggend MER opgesteld. In bijlage D van het Besluit m.e.r. (D43) is ook opgenomen dat voor een kaderstellend bestemmingsplan voor dit type testbanen een planMER-plicht geldt, onder voorwaarde dat de baan meer dan 8 uur per week is open gesteld of als deze een oppervlak heeft van meer dan 5 ha. Het criterium van 8 uur per week wordt niet gehaald, maar de baan is duidelijk groter dan 5 ha. Ook categorie D43 resulteert dus in een planMER-plicht. Daarnaast geldt dat als blijkt dat er voor het bouwrijp maken van het plangebied een ontgrondingen vergunning nodig is, er op grond van m.e.r.-categorie C/D16.1 ook sprake kan zijn van een project-m.e.r.-plichtig besluit.
Als het te ontgronden gebied groter is dan de drempelwaarde genoemd in D16.1 van 12,5 ha, dan zijn het Omgevingsprogramma en bestemmingsplan kaderstellend voor de ontgrondingenvergunning. Er geldt dan een planMER-plicht op basis van categorie C/D16.1. In dit MER zijn 2 scenario's berekend voor ontgrondingen. In beide scenario's wordt de drempel van 12,5 ha overschreden. Tot slot wordt opgemerkt dat er in de NRD nog sprake was van een mogelijke Passende Beoordeling op basis waarvan op basis van Wm art 7.2a er ook sprake is van een planMER plicht. Ondertussen is duidelijk dat voor dit project er geen Passende Beoordeling nodig is en dat de planMER plicht vanuit Wm art 7.2a dus komt te vervallen.
4.1.2 Mer-procedure De procedure van de milieueffectrapportage is grotendeels parallel met het bestemmingsplan doorlopen. De procedure voor de milieueffectrapportage is wettelijk vastgelegd en bevat een aantal vaste stappen: Kennisgeving van het opstellen van het MER, inclusief het raadplegen van betrokken
32
bestemmingsplan (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC) overleg- en adviesorganen. Opstellen van het MER. Publicatie van het MER, tezamen met een ontwerpbestemmingsplan; Toetsing van het MER door de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie m.e.r.) en zienswijzen door een ieder; Vaststelling van het plan, waarbij wordt gemotiveerd op welke wijze de resultaten van het MER zijn verankerd; Evaluatie van milieueffecten. De mer-procedure loopt voor een groot deel gelijk op met de bestemmingsplanprocedure. Tegelijk met het bestemmingsplan wordt het MER vastgesteld. Het MER is als Bijlage 4 bij dit bestemmingsplan opgenomen. Conform artikel 7.12 Wet milieubeheer is de commissie m.e.r. gevraagd haar advies te geven over het MER. Op 14 juli 2022 heeft de commissie haar advies gegeven. De Commissie is van oordeel dat het MER de essentiële informatie bevat om een besluit te kunnen nemen over de komst van het MITC, waarin het milieubelang volwaardig wordt meegewogen. Het MER wordt tegelijkertijd met het bestemmingsplan vastgesteld. De in het MER gebruikte onderzoeken zijn naar aanleiding van de zienswijzen aangevuld en aangepast, maar omdat het gaat om een beperking van de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, veranderen de conclusies in het MER niet. In het vastgestelde bestemmingsplan zijn de rapporten van de meest recente onderzoeken opgenomen.
4.1.3 Opzet van het MER en inspraak De gemeente Noordoostpolder heeft de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD), die is opgesteld ten behoeve van zowel het bestemmingsplan als de partiële herziening van het Omgevingsprogramma, van 13 februari 2020 tot en met 11 maart 2020 ter inzage gelegd en wettelijk adviseurs over dit voornemen geraadpleegd. De provincie Flevoland heeft een vergelijkbare kennisgeving gedaan en heeft daarin een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen van 4 februari 2021 tot en met 17 februari 2021.
4.1.4 Resultaten uit het MER Over het MER De ontwikkelingen zijn op basis van de geldende beheersverordening Landelijk gebied niet mogelijk. Daarom is er een nieuw bestemmingsplan opgesteld. De ontwikkeling van het MITC wordt ook nog niet specifiek genoemd in provinciaal beleid. Dit zal worden aangepast. Om de milieubelangen bij de besluitvorming over het nieuwe bestemmingsplan (en het provinciaal beleid) volwaardig mee te kunnen laten wegen, is de Milieu Effect Rapportage (MER) opgesteld. Voor dit bestemmingsplan wordt slechts het planalternatief beschouwd, gebruik makend van 8 kavels aan de N331. Het planalternatief zal worden vergeleken met de autonome ontwikkeling. Als uit sectorale onderzoeken blijkt dat er sprake is van ongewenste effecten zullen maatregelen worden onderzocht die erop gericht zijn om dergelijke effecten te voorkomen dan wel zo veel mogelijk te verminderen. Daarbij kan worden gedacht aan verkeersmaatregelen, maatregelen die de overdracht van geluid beperken en (salderings)maatregelen gericht op ongewenste toename van emissies/depositie van stikstof op de gevoelige natuur in de omgeving. Binnen het voornemen bestaan meerdere mogelijkheden tot het aanleggen van een ontsluiting. Het onderzoek naar de verschillen tussen deze vijf ontsluitingsvarianten zal zich met name richten op de verkeerskundige en verkeersveiligheidsaspecten. Voor de
bestemmingsplan (vastgesteld)
33
bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC) overige criteria worden op voorhand geen onderscheidende effecten verwacht tussen de ontsluitingsvarianten.
Landschappelijk ingepast In de huidige situatie heeft het plangebied een agrarische bestemming en is er sprake van een open gebied met ruime zichtlijnen. Door de aanleg van het testcircuit wordt een groot oppervlak ingevuld, maar de aard en verschijningsvorm van het testcircuit zijn zodanig, dat er geen grote concentratie van bebouwing of bedrijven wordt gerealiseerd. In eerste instantie was het testcircuit voorzien op de percelen direct grenzend aan het bedrijventerrein uit bestemmingsplan Waterloopbos e.o., maar vanwege de bodemgesteldheid van deze percelen is het testcircuit van het RDW verder naar het westen gesitueerd. Om de ontwikkeling ruimtelijk te kunnen inpassen wordt de Blokzijlertocht omgelegd en verderop weer aangesloten op de Voorstertocht. De voorziene kantoorgelegenheid sluit qua hoogte en ligging aan op de bestaande bedrijvigheid en wordt qua oppervlakte in het bestemmingsplan beperkt.
De effecten samengevat In het MER zijn de effecten bepaald van het plan door te vergelijken met de autonome ontwikkeling. In een aantal gevallen zijn, mede op basis van deze bevindingen, aanvullende maatregelen ontwikkeld om de primaire effecten weg te nemen, of in ieder geval zoveel mogelijk te beperken. Deze effect-beperkende maatregelen hebben betrekking op de thema's geluid, compensatie oppervlaktewater en NNN-compensatie. Het MER laat zien dat er voor de criteria bodemkwaliteit, grondwaterkwaliteit, grondwater kwantiteit, oppervlaktewater kwaliteit, water veiligheid, plaatsgebonden risico, groepsrisico, blootstelling aan EM-velden, duurzaamheid en parkeren geen effecten worden verwacht. Licht negatieve effecten waartegen geen proportionele maatregelen voor de hand liggen, zijn toegekend aan de criteria geluid, archeologie, aan- en afvoer van grond, beschermde soorten, luchtverontreiniging en de verkeersafwikkeling. Ook aan landschappelijke kwaliteit is een licht negatief effect toegekend. Onderzocht is of dat licht negatieve effect (verder) teruggebracht zou kunnen worden. Vastgesteld is dat dit niet goed mogelijk is binnen de beoogde plangrenzen.
Zonder maatregelen zou er een sterk negatief effect kunnen ontstaan op het oppervlaktewatersysteem: ten minste 5% van de in het plangebied aan te brengen verharding moet als nieuw oppervlaktewater worden gecompenseerd met daarbij ook nog de compensatie van de te dempen watergangen. Door de oorspronkelijk beoogde maximaal toe te laten verhardingsgraad sterk terug te brengen (tot 30% in het hele plangebied) kan de compensatie opgaaf worden teruggebracht tot minder dan 1 hectare. Daar is in principe voldoende ruimte voor binnen het plangebied. In een volgende ontwerpstap zal de exacte plaats worden geoormerkt waar deze compensatie gerealiseerd zal worden in de verschillende delen van het plangebied. In het bestemmingsplan wordt het realiseren van deze compensatie opgenomen als voorwaardelijke verplichting. Tot slot ligt er vanuit de NNN-doelstelling voor een goede ecologische verbinding de een compensatieopgaaf. Door deze compensatie te realiseren zal de ecologische verbinding verbeteren zodat er voor dit criterium uiteindelijk een positief effect kan worden vastgesteld.
Borging van de resultaten Waar mogelijk en noodzakelijk zijn de mitigerende maatregelen uit het MER juridisch gewaarborgd. Concreet gaat het daarbij om watercompensatie en vleermuisvriendelijke
34
bestemmingsplan (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC) verlichting.
4.2
Milieuzonering
4.2.1 Toetsingskader Om een belangenafweging tussen een goed woon- en leefklimaat in de omgeving en bedrijvigheid te kunnen maken, wordt in het algemeen gebruik gemaakt van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” (editie 2009). In deze uitgave is een lijst opgenomen met allerhande activiteiten en bijbehorende richtafstanden en milieunormen die gehanteerd worden voor gevoelige functies. Deze systematiek is toepasbaar op de afstemming tussen bedrijven en gevoelige functies in een rustige woonomgeving of in een gemengd gebied. In een gemengd gebied is de richtwaarde voor geluid 50 dB(A), wat overeenkomt met de toetswaarden in de milieuwetgeving. Voor een rustig woongebied wordt een richtwaarde van 45 dB(A) nagestreefd. Overeenkomstig de brochure vallen woningen in een overwegend agrarisch lint en langs de hoofdinfrastructuur in een gemengd gebied. Voor de bedrijven op het MITC is geluid de bepalende factor. Andere factoren, zoals geur, stof en gevaar, zijn relevant wanneer met bepaalde vluchtige, gevaarlijke of stuifgevoelige stoffen en materialen wordt gewerkt. Voor het MITC zijn deze niet relevant. Het RDW-testcentrum en het oefenterrein van de politie zijn specifieke bedrijfsactiviteiten. Deze zijn niet direct te koppelen aan categorieën uit de publicatie.
Ook de functies op de campus en DigiCity zijn in de regels van dit bestemmingsplan niet gebonden aan bepaalde milieucategorieën, maar gelet op de mogelijkheden die de regels van dit bestemmingsplan bieden, gaat het ten hoogste om werkplaatsen met een kleine productieomvang. Deze vallen hoogstens in milieucategorie 3, waarbij een richtafstand van 100 meter geldt tot woningen in een rustig woongebied/buitengebied en 50 meter tot woningen in een gemengd gebied.
4.2.2 Te beoordelen gevoelige functies De richtafstanden tussen bedrijven en woningen zijn gebaseerd op hinder (of risico) door geluid, geur, stof en gevaar. De grootste afstand is bepalend. Voor de programmaonderdelen van het MITC is dat geluid. Voor de onderbouwing in dit plan wordt ervan uitgegaan dat de woningen langs de hoofdinfrastructuur (de provinciale wegen) onder het gebiedstype 'gemengd gebied' vallen. Overige woningen (in dit geval aan de Voorsterweg) worden beoordeeld als rustige woonomgeving. Voor het plan zijn de woningen aan de overzijde van de Vollenhoverweg maatgevend. In mindere mate heeft het plan effect op woningen aan de Voorsterweg. Deze woningen liggen minimaal op ruim 100 meter afstand van de bedrijfsactiviteiten in het plan. Er worden met dit bestemmingsplan geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Het is daarom niet nodig om te beoordelen.
4.2.3 Akoestisch onderzoek In het kader van de ontwikkeling van het MITC is door DGMR een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De bijbehorende rapportage is opgenomen in Bijlage 5. Het doel van dat onderzoek is het vaststellen van de geluidsemissies van de individuele bedrijven op het MITC en de gezamenlijke belasting van de bedrijven naar de omgeving. In het onderzoek is per onderdeel (RDW/politie/DigiCity-Campus), op basis van een volledige invulling en maximaal realistische intensiteit van activiteiten, de geluidsbelasting bepaald. Deze geluidsbelastingen zijn getoetst aan de geldende wettelijke kaders,
bestemmingsplan (vastgesteld)
35
bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC) waarmee de uitvoerbaarheid van het nieuwe bestemmingsplan voor het aspect geluid kwantitatief inzichtelijk is gemaakt. De gezamenlijke (gecumuleerde) belasting, waarbij ook bestaande geluidsbronnen zijn meegenomen, geeft inzicht in de effecten op het woon- en leefklimaat van omwonenden. Hiervoor is een kwalitatieve beschouwing van de verandering van de geluidssituatie in de omgeving gemaakt. Voor de beoordeling van de ruimtelijke inpasbaarheid van het totale terrein in de omgeving is de kwalitatieve beoordeling van het woon- en leefklimaat het meest relevant. Deze is gebaseerd op de kwantitatieve beoordeling van de individuele bedrijven.
4.2.4 Kwalitatieve beoordeling De geluidsbelasting vanwege de verschillende bedrijven en andere bronnen (verkeer en luchtvaart) is bepaald met behulp van de akoestische rekenmodellen. Hierbij zijn de verschillende geluidsgevoelige objecten gegroepeerd op basis van de locatie. De beoordeelde clusters zijn weergeven in figuur 4.1. Voor de woningen die verschillende bronnen aan verschillende zijden hebben (bijvoorbeeld de woningen die tussen de Vollenhoverweg en het terrein van RDW liggen) is onderscheid gemaakt tussen een vooren achterzijde. De beoordeling in deze paragraaf beperkt zich tot het verschil tussen gecumuleerde geluidsbelasting in de huidige 'referentiesituatie' en de nieuwe 'plansituatie'.
Figuur 4.1
Visualisatie clusters
Uit de kwalitatieve beschouwing volgt dat de uitvoering van het plan niet zorgt voor een verschil in de geluidkwaliteitsklassen voor de bronsoort luchtvaart. Voor de bronsoort wegverkeer zorgt de planvariant voor een toename van 2 dB op de achtergevel van de woningen aan de Repelweg, wat een toename van één geluidsklasse tot gevolg heeft. De voor wegverkeer maatgevende voorgevel ondervindt hierbij geen andere geluidsklasse. Voor de andere woningen en clusters is er voor de bronsoort wegverkeer geen verschil in geluidsklasse. De geluidsbelasting voor de bronsoort industrie neemt in de planvariant bij de meeste woningen toe. Voor negen woningen treedt geen toename in geluidsklasse op. Voor vijftien woningen treedt er een toename van één geluidsklasse op. Voor veertien woningen treedt er een toename van twee geluidsklassen op. Het wegverkeer is zowel in de huidige als in de nieuwe situatie de maatgevende bronsoort in de omgeving van het plan. Uit de beschouwing van het cumulatieve geluidsniveau volgt
36
bestemmingsplan (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC) dat de toename in industriegeluid minder relevant is dan het geluid vanwege het wegverkeerslawaai. Met andere woorden, de geluidsbelasting van het MITC is verwaarloosbaar op de totale geluidsbelasting van alle bronnen samen, waarmee de uitvoering van het plan nergens leidt tot een verandering in geluidsklasse.
4.2.5 Kwantitatieve beoordeling Geluidsbelasting individuele bedrijven De geluidsbelasting vanwege de verschillende bedrijven is bepaald met behulp van de akoestische rekenmodellen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen directe hinder, vanuit de inrichtingen en indirecte hinder door verkeer van en naar de inrichtingen. Voor de bedrijven zijn de woningen aan de Vollenhoverweg maatgevend. Voor RDW en DigiCity-Campus is bepaald dat wordt voldaan aan de richtwaarde van 50 dB(A). Voor het oefenterrein van de politie geldt dat de geluidsbelasting op de woningen aan de Vollenhoverweg 23, 25, 25A en 25B ten hoogste 52 dB(A) bedraagt. Dit voldoet niet aan de standaard voorschriften uit het Activiteitenbesluit en de eisen van een goede ruimtelijke ordening. De geluidsbelasting kan daarbij wel vastgelegd worden in maatwerk. Hierbij wordt opgemerkt dat in de berekeningen voor dit onderzoek geen rekening is gehouden met eventuele afschermende maatregelen of andere geluidsreducerende voorzieningen. Voor het stellen van maatwerk zal moeten worden aangetoond dat er sprake is van de best beschikbare techniek en dat de geluidsbelasting niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Deze afweging vindt plaats in het kader van de vergunningverlening. Het verkeer van en naar de ontwikkeling vindt plaats aan de zuidoostzijde, via de Repelweg.
Vanwege de ruime afstand tot de woningen ter plaatse wordt ruimschoots voldaan aan de normen hiervoor. De geluidsbelasting hiervan op woningen aan de Repelweg bedraagt ten hoogste 38 dB(A). De norm ligt op 50 dB(A).
Geluidsbelasting MITC totaal Voor de bepaling van de totale geluidsbelasting vanwege de industrie zijn de verschillende bronnen bij elkaar opgeteld. Voor deze cumulatieve geluidsbelasting geldt geen toetsingskader. Op basis van deze resultaten is een afweging gemaakt of er na uitvoering van het plan vanuit het aspect geluid sprake gaat zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het is daarbij een som van de directe hinder vanwege de RDW, de Politie, DigiCity en de campus en vanwege de bestaande bedrijven na maximale uitbreiding binnen de geluidszone. Hierbij moet worden opgemerkt dat de geluidsbelasting wordt bepaald op basis van de gelijktijdige, volle inzet van de maximale uitbreidingsmogelijkheden van alle bedrijven. Dit is een situatie die zich in de praktijk vrijwel nooit zal voordoen, maar die zich theoretisch wel kán voordoen. De geluidsbelasting op de maatgevende woningen aan de Vollenhoverweg bedraagt in die situatie ten hoogste 55 dB(A).
4.2.6 Beoordeling woon- en leefklimaat Om te beoordelen of de plannen het woon- en leefklimaat in aanvaardbare mate beïnvloeden, is een aantal ruimtelijk relevante factoren van belang. Allereerst is het van belang hoe de geluidsbelasting zich verhoudt tot de huidige geluidssituatie. De maatgevende woningen bevinden zich langs de Vollenhoverweg en ondervinden daardoor een geluidsbelasting vanwege wegverkeer van 59-63 dB. Het wegverkeerslawaai is daardoor maatgevend ten opzichte van het industrielawaai en zal zorgen voor een maskerend effect. De akoestisch relevante werkzaamheden van de maatgevende bedrijven, de RDW en de
bestemmingsplan (vastgesteld)
37
bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC) Politie vinden alleen in de dagperiode plaats. Hierdoor is de geluidsbelasting vanwege industrielawaai in de avond- en nachtperiode lager en is de nachtrust van de omwonenden gewaarborgd. Bovendien is de geluidsbelasting op de meest geluidsbelaste woningen (Vollenhoverweg 23, 25, 25A en 25B) eenzijdig en is er sprake van een geluidsluwe zijde aan de achterkant. Het akoestische onderzoek beschouwt de representatieve bedrijfssituatie van de toekomstsituatie waar de bedrijven naartoe kunnen groeien. In de praktijk zal deze representatieve bedrijfssituatie niet dagelijks voorkomen, waardoor de omwonenden gemiddeld een lager geluidsniveau zullen ondervinden.
4.2.7 Conclusie Op basis van het akoestisch onderzoek is in voldoende mate aangetoond dat de ontwikkeling van het MITC geen onaanvaardbare effecten heeft op het woon- en leefklimaat ter plaatse van woningen in de omgeving. De toevoeging van de bedrijven veroorzaakt op zichzelf een toename van geluid op verschillende woningen, maar dit effect wordt gemaskeerd door het geluid vanwege wegverkeer. Dit wil niet zeggen dat de bedrijven nooit hoorbaar zijn, maar dat er geen sprake is van een onevenredige verslechtering van de woonsituatie. Verder wordt op basis van het onderzoek geconcludeerd dat de bedrijven individueel voldoen aan de standaard milieuregels, of via maatwerk te vergunnen zijn. Bij de beoordeling van de effecten is rekening gehouden met een maatwerksituatie, maar of dit ook wordt toegepast, wordt in het kader van de vergunningverlening afgewogen, waarbij in ieder geval wordt gekeken naar mogelijkheden om de geluidsbelasting te reduceren. Naar aanleiding van de zienswijzen is het akoestisch onderzoek aangevuld met een afweging van eventuele maatregelen ter reductie van het geluid. Hieruit is gebleken dat de komst van de nieuwe bedrijven voor de bronsoort industrielawaai zorgt voor een verslechtering van één of twee geluidsklassen bij 29 van de onderzochte woningen.
Deze toename van de bronsoort industrie zorgt vanwege het maatgevende wegverkeerslawaai voor de cumulatieve geluidsbelasting niet voor een verandering in geluidsklasse. De geluidsbelasting vanwege de bedrijven is, door het stellen van maatwerk, inpasbaar binnen het wettelijke kader en het lokale geluidbeleid van de gemeente Noordoostpolder. Naast de directe hinder is de indirecte hinder vanwege de verkeersaantrekkende werking van de bedrijven bepaald en getoetst. Hieruit bleek dat de geluidsbelasting vanwege de indirecte hinder voldoet aan het kader. Verder is het effect vanwege de nieuwe ontsluitingsweg op het aspect geluid onderzocht. De geluidsbelasting vanwege nieuwe ontsluitingsweg voldoet ruim aan de voorkeursgrenswaarde (48 dB Lden). De aanpassing van de Repelweg met de nieuwe afrit leidt niet tot een reconstructiesituatie in de zin van de Wgh. Tot slot is de cumulatieve geluidsbelasting van alle industrielawaai-bronnen samen ter beoordeling van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bekeken. Hieruit is gebleken dat de onderzochte maatregelen stuiten op praktische, ruimtelijke, uitvoeringstechnische en financiële bezwaren. De geluidsbelasting op basis van de te verwachten gevelwering kan als aanvaardbaar geacht worden.
Op basis van het voorgaande is aangetoond dat de ontwikkeling van de bedrijven op het MITC inpasbaar is binnen de wettelijke kaders en dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is.
38
bestemmingsplan (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)
4.2.8 Beperkingen werkzaamheden NLR Aan de Voorsterweg 31 te Marknesse is een luchthaven van NLR gevestigd. Hiervoor heeft de provincie (Gedeputeerde Staten) een luchthavenregeling vastgesteld. De luchthavenregeling geeft het luchthavengebied aan en er zijn regels voor het gebruik als luchthaven gegeven. De beperkingengebieden voor geluid en externe veiligheid zijn binnen het luchthavengebied gelegen. In figuur 4.2 is met rood het luchthavengebied weergegeven en met blauw de hiervoor geldende geluidzone. Een deel daarvan ligt binnen de begrenzing van het plangebied.
Figuur 4.2 Huidig luchthavengebied met veiligheidscontour en geluidscontour Vanwege verkoop van gronden is het de bedoeling dat het luchthavengebied wordt verkleind. Als de beperkingengebieden voor geluid of externe veiligheid daarmee buiten het (aangepaste) luchthavengebied komen te liggen, is er geen luchthavenregeling (vast te stellen door GS) nodig, maar een luchthavenbesluit (vast te stellen door Provinciale Staten). In een luchthavenbesluit van PS moet worden aangegeven welke regels in een bestemmingsplan opgenomen moeten worden. Dit hoeft niet bij een luchthavenregeling van GS. Dat laat onverlet dat het in het kader van een goede ruimtelijke ordening en helderheid over de functies die op een locatie zijn toegestaan, van belang is om de
bestemmingsplan (vastgesteld)
39
bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC) luchthaven in het bestemmingsplan op te nemen met eventuele ruimtelijke bepalingen. Gelet op het voorgaande is het gewenst om het luchthavengebied en/of bijbehorende beperkingengebieden voor geluid en externe veiligheid aan te kunnen passen. Om te voorkomen dat er uit de luchthavenregeling en het bestemmingsplan een verschillend beeld kan volgen, is in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid voor de gebiedsaanduidingen opgenomen. Met de wijzigingsbevoegdheid kunnen de verschillende betrokken grondeigenaren – de huidige en voor zover bekend de toekomstige grondeigenaren - worden geconsulteerd.
4.3
Geluidzonering Wet geluidhinder
4.3.1 Toetsingskader Het aspect "geluid" gaat over geluidhinder op geluidgevoelige objecten waarvoor de Wet geluidhinder (Wgh) het toetsingskader is. Rondom wegen met een maximumsnelheid van meer dan 30 km/uur, spoorwegen en aangewezen bedrijven(terreinen) zijn geluidzones van toepassing. Als er geluidgevoelige objecten, zoals woningen, binnen deze zones worden toegevoegd, dan moet de geluidbelasting op de gevels hiervan worden bepaald en getoetst worden aan de normen.
4.3.2 Toetsing algemeen Het bedrijventerrein Waterloopbos is een gezoneerd industrieterrein met een geluidzone. In deze paragraaf wordt gesproken over een 'gezoneerd terrein' en de 'geluidszone'. Het gezoneerde terrein is het bedrijventerrein waar bedrijven kunnen vestigen die in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken en de geluidszone is de zone rondom het bedrijventerrein, waar op de grens de geluidsbelasting van alle bedrijven op het gezoneerde terrein, niet hoger mag zijn dan 50 dB(A) en binnen de zone hogere waarden tot 55 dB(A) vastgesteld kunnen worden. In het plangebied worden geen nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk gemaakt, waarmee het niet nodig is om de geluidsbelasting als gevolg van wegen en het gezoneerde industrieterrein binnen het plangebied te beoordelen. Ook liggen er geen woningen in de geluidszone en zijn er dus ook geen hogere waarden verleend. Ten tijde van het ter inzage leggen van de Nota van Uitgangspunten werd ervan uitgegaan dat de ontwikkeling van het MITC plaats zou vinden binnen een uitbreiding van het gezoneerde industrieterrein. Doordat het programma nu concreter is uitgewerkt (voortschrijdend inzicht) en de geluidsbelasting van de programmaonderdelen scherp in beeld is gebracht, is gebleken dat er geen noodzaak is om het gezoneerde industrieterrein uit te breiden. De bedrijven zijn namelijk geen 'grote lawaaimakers'.
Binnen het plangebied ligt één kavel (de eerste kavel aansluitend op de DNW), die op grond van het bestemmingsplan en de Wet geluidhinder is aangemerkt als gezoneerd industrieterrein. Daarom zijn er twee opties: 1. Het totale terrein, inclusies MITC, aanmerken als gezoneerd industrieterrein (uitbreiding gezoneerd terrein en geluidszone); 2. Het terrein van het MITC niet aanmerken als gezoneerd terrein (verkleinen gezoneerd terrein, eerste kavel komt daarmee binnen de geluidszone, buitengrens geluidzone wijzigt niet). De bestaande bedrijven op het gezoneerde terrein (NLR en DNW) hebben de voorkeur uitgesproken om niet voor hun geluidsmogelijkheden afhankelijk te worden van de bedrijven op het MITC. Ook RDW en politie hebben geen voorkeur voor een zone. Daarom is ervoor gekozen om niet te kiezen voor optie 1 en van het MITC niet een gezoneerd industrieterrein te maken. Een belangrijk aandachtspunt hierbij is dat een geluidszone een gecumuleerde geluidsbelasting van alle bedrijven gezamenlijk duidelijk vastlegt. Er zijn geen juridische belemmeringen voor het hebben van een gezoneerd terrein naast een
40
bestemmingsplan (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC) niet-gezoneerd terrein, maar het is wel van belang om te beargumenteren wat het effect voor omwonenden is van het 'buiten het gezoneerde terrein houden' van het MITC. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in rechtszekerheid en woon- en leefklimaat.
4.3.3 Effecten rechtszekerheid Het vastleggen van een geluidszone rondom het terrein leidt theoretisch tot een hogere rechtszekerheid voor omwonenden. Voor alle bedrijven binnen een gezoneerd terrein geldt conform het Activiteitenbesluit de aanvullende eis van 50 dB(A) op 50 meter. Geen van de drie nieuwe onderdelen (RDW, politie, DigiCity) kan hieraan voldoen, waardoor voor alle drie bedrijven maatwerk nodig is. Voor het stellen van maatwerk is een openbare voorbereidingsprocedure nodig, voorafgegaan door een bestuurlijke afweging. Tegenover deze rechtszekerheid voor de omgeving staat wel dat de bedrijven onderling afhankelijk worden en er langere, complexere procedures voor de bedrijven gelden om de maatwerkvoorschriften aan te passen en aan te tonen dat het geheel nog steeds voldoet aan de cumulatieve geluidsbelasting. De bedrijven hebben in geval van zonering maatwerk nodig om te kunnen functioneren. In dat geval is maatwerk noodzakelijk voor het uitvoeren van het plan. Bij zonering komt het risico bij de bedrijven te liggen: zij kunnen met deze methode beperkt worden in hun bedrijfsvoering. Daarnaast worden door het uitbreiden van het gezoneerde terrein en de vestiging van RDW, politie en DigiCity binnen dit terrein, de mogelijkheden voor het produceren van geluid van NLR en DNW mogelijk beperkt.
Bij het dezoneren van één kavel en het gelijk laten van de zonegrens (50 dB(A)-contour) is er geen kans op het beperken van de mogelijkheden van de bestaande bedrijven.
4.3.4 Effecten woon- en leefklimaat In het akoestisch onderzoek (Bijlage 5) is de gecumuleerde geluidsbelasting van de bedrijven van het MITC én de bestaande bedrijven binnen het gezoneerde terrein in beeld gebracht, als ware het een totaal gezoneerd terrein. Hieruit is gebleken dat het woon- en leefklimaat in geval van een geluidszone vergelijkbaar is met de situatie zonder geluidszone. De hoeveelheid geluid die de bedrijven produceren, zal niet veranderen door al dan niet te zoneren. De maximale geluidsbelasting waarmee rekening wordt gehouden is daarbij 55 dB(A). Dit geldt ook voor een situatie mét geluidszone. Het resulterende theoretische geluidsniveau zal daardoor vergelijkbaar zijn. Het enige verschil in woonklimaat is de rekenhoogte in de dagperiode. De geluidsbelasting in geval van een geluidszone laat zich niet één op één vergelijken met een situatie zonder geluidszone, omdat er van een andere beoordelingshoogte wordt uitgegaan. De beoordelingshoogte op basis van het Activiteitenbesluit is 1,5 meter (midden begane grond) en die voor een geluidszone is 5 meter (slaapkamerhoogte). Aangezien de activiteiten van de programmaonderdelen in de representatieve situatie overdag plaatsvinden, is een beoordelingshoogte van 1,5 meter passend. Het verschil in de geluidsbelasting in beide opties is in onderstaande tabel inzichtelijk gemaakt voor één van de maatgevende woningen.
Deze resultaten zijn gebaseerd op het akoestisch onderzoek. Op de begane grond wordt in de dagperiode een lagere geluidsbelasting verwacht dan op de verdiepingen. In het geval van maatwerk maakt dit geen verschil, bijvoorbeeld omdat voor de politie als maatwerk dan 52 dB(A) zou worden gesteld in plaats van 53 dB(A). Bedrijven die geen maatwerk nodig hebben, krijgen hiermee theoretisch wel in de dagperiode circa één dB(A) extra geluidsruimte. Dit is echter alleen relevant rond het kantelpunt (50 dB(A) op de begane grond en 51 dB(A) op de verdieping mag niet bij zonering en wel zonder zonering). Verder ligt het theoretische maximum bij niet-zoneren wel hoger dan bij zonering. Deze theoretische maxima gaan echter in de praktijk niet opgevuld worden omdat de bedrijven niet op dezelfde woning de 50 dB(A) ruimte maximaal kunnen opvullen zonder bij andere
bestemmingsplan (vastgesteld)
41
bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC) woningen tegen beperkingen aan te lopen.
Tabel: vergelijking geluidsbelasting zoneren/niet-zoneren Onderdeel
Berekende geluidsbelasting in dB(A)
Theoretisch maximale geluidsbelasting in dB(A)
Zoneren (5m hoogte)
Niet zoneren (1,5m hoogte)
Zoneren
Niet zoneren Niet zoneren (geen maatw.) (met maatw.)
RDW
43
42
55
50
50
Politie
53
52
55
50
53
DigiCity
49
48
55
50
50
NLR+DNW
33
31
55
48
48
Totaal
55
53
55
56
57
4.3.5 Conclusie Gelet op het voorgaande kan vanuit een goede ruimtelijke ordening worden besloten het MITC buiten het gezoneerde terrein te houden. Daarmee wordt de meest oostelijk gelegen kavel, die nu deel is van het gezoneerde terrein, gedezoneerd. De totale mogelijke geluidsbelasting (bij maximale invulling) blijft namelijk nagenoeg gelijk. Een klein verschil in rechtszekerheid kan daardoor in de praktijk niet leiden tot ongewenste situaties. In dit bestemmingsplan wordt de bestaande geluidszone van het industrieterrein overeenkomstig artikel 40 Wgh vastgelegd. Deze zone wordt overeenkomstig artikel 41 Wgh gewijzigd met de vaststelling van dit bestemmingsplan, in die zin dat de meest oostelijk gelegen kavel binnen de geluidszone wordt gebracht door het dezoneren van deze kavel. Doordat de buitengrens van de zone ongewijzigd blijft, blijven de geluidsrechten op het terrein ook ongewijzigd. Voor wat betreft de geluidstoename als gevolg van de toename van verkeer op de ontsluitende wegen is in het akoestische onderzoek, dat is gebaseerd op de onderzochte waarden in het verkeersonderzoek, geconcludeerd dat de geluidsniveaus vanwege de nieuwe ontsluitingsweg en de fysieke wijziging van de Repelweg niet significant is. De ontwikkeling leidt, mede door de beperking van de maximumsnelheid, niet tot een significante toename van wegverkeerslawaai (>1 dB).
4.4
Water
4.4.1 Toetsingskader Het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerder en het meewegen van het waterbelang is, door middel van de Watertoets, sinds 1 november 2003 verankerd in het ‘Besluit op de ruimtelijke ordening 1985’. Het streven naar een veilig, gezond en duurzaam waterbeheer staat landelijk in de belangstelling. Thema’s zoals ‘water in de stad’ en ‘water als ordenend principe’ zijn als speerpunten aangegeven in het vigerende beleid zoals vastgelegd in de Vierde Nota Waterhuishouding (ministerie van V&W), de Nota Ruimte (ministerie van VROM), de Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw (WB21), de Handreiking Watertoets (VROM), het Omgevingsplan Flevoland (Provincie Flevoland), het Waterbeheerplan (Waterschap Zuiderzeeland) en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Op Europees, nationaal en stroomgebiedsniveau wordt gewerkt aan de Kaderrichtlijn Water (KRW). De KRW streeft naar duurzame en robuuste watersystemen. Basisprincipes
42
bestemmingsplan (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC) van het nationaal en Europees beleid zijn: meer ruimte voor water, voorkomen van afwenteling van de waterproblematiek in ruimte of tijd en stand-still (géén verdere achteruitgang in de huidige (2000) chemische en ecologische waterkwaliteit). Het bovenstaande resulteert in twee drietrapsstrategieën: Waterkwantiteit (vasthouden, bergen, afvoeren) Waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren) Beide strategieën zijn vastgelegd in de Nota Ruimte (2006). Aan de hand van deze waterparagraaf wordt duidelijk gemaakt hoe het vigerend waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichtingsmaatregelen in het plan voor de testbaan van het RDW in Marknesse, hoe met water in dit plan wordt omgegaan en op welke wijze de inrichtingsmaatregelen bijdragen aan ‘Veiligheid, Voldoende en Schoon Water’.
4.4.2 Proces van de watertoets Bij de totstandkoming van de plannen voor het MITC en dit bestemmingsplan is nauw contact geweest met Waterschap Zuiderzeeland. Hierna worden per aspect de effecten van het plan op de waterhuishouding behandeld. In het kader van het opstellen van het MER is het thema water onderzocht en is een watertoets opgesteld. Hieruit is gebleken dat de normale procedure van toepassing is. De resultaten van de watertoets zijn in deze paragraaf verwerkt. Bij het doorlopen van het watertoetsproces is de digitale watertoets ingediend en is afstemming geweest met Waterschap Zuiderzeeland en met gemeente Noordoostpolder. Ook in het kader van de landschappelijke inpassing is overleg en afstemming geweest met het waterschap. Het aspect waterveiligheid is buiten beschouwing gelaten, omdat het plangebied niet nabij primaire of regionale waterkeringen ligt.
Uitgangspunten waterschap Zuiderzeeland Waterschap Zuiderzeeland heeft de volgende uitgangspunten en aandachtspunten meegegeven: De inpassing van het MITC heeft gevolgen voor de waterhuishouding. Het waterschap heeft de voorkeur voor het deels omleggen van de Voorstertocht, in plaats van overkluizen. Hiervoor zal een stuw moeten worden verplaatst zonder dat de grondwaterstand van de akkers wordt beïnvloed. Verder zullen de restkavels noordelijk van het MITC nog steeds schoon water blijven ontvangen. Waterschap Zuiderzeeland geeft aan dat de huidige tochtprofielen het uitgangspunt zijn bij de omlegging van de Voorstertocht en wateraanvoersloot. Er zullen minimaal gelijke profielen worden aangelegd zoals in de huidige tracés. De huidige Voorstertocht heeft een duurzaam profiel. Langs het Voorsterbos is het profiel breder met aan de boszijde een natuurlijke oever. Op basis van verhard oppervlak wordt bepaald hoeveel waterberging er komt. Dit wordt in deze fase niet verwerkt op kaart en ook niet beoordeeld op functioneren. Het is in deze fase alleen mogelijk om de toename verharding te bepalen en de daaruit voortkomende wateropgave. Beoordeling op functioneren vindt plaats in de procedure voor een watervergunning; Ter compensatie van de toename verharding is het noodzakelijk om waterberging aan te leggen.
De benodigde waterberging bedraagt een wateroppervlak van 5 % van de netto toename verharding. Dit geldt voor berging als deze in de vorm van open water op streefpeil wordt aangelegd. Daarnaast is in een latere fase een maatwerkberekening nodig vanwege de grootte van de ontwikkeling; Dempingen van watergangen dienen 100 % gecompenseerd te worden; Hemelwater stroomt van de verhardingen af naar de berm, kan infiltreren, wordt opgevangen in een waterberging, of stroomt af naar een watergang. Het afstromende