27.2 Bestemmingsplan ‘Emmeloord, Rietstraat (noord)’.pdf
Tekst van het document
4.3.3
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat voorgenomen ontwikkeling past binnen de gemeentelijke beleidskaders.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (noord)” Vastgesteld
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage. Opgemerkt wordt dat een aantal van de uitgevoerde onderzoeken is uitgevoerd in samenhang met de beoogde soortgelijke ontwikkeling aan de Rietstraat en Zeebiesstraat, gelegen ten zuiden van de Moerasandijviestraat. Hiervoor wordt echter wel een separate bestemmingsplanprocedure doorlopen.
5.1
Geluid (Wet geluidhinder)
5.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidsgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. De beoogde woningen en schoollocatie zijn aan te merken als een geluidsgevoelige functies.
5.1.2
Situatie plangebied
5.1.2.1 Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op het plangebied wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering).
5.1.2.2 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op zeer ruime afstand van het plangebied ligt.
5.1.2.3 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken
Stedelijk gebied
Buitenstedelijk gebied
1 of 2 rijstroken
200 m
250 m
3 of 4 rijstroken
350 m
400 m
5 of meer rijstroken
350 m
600 m BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (noord)” Vastgesteld De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • •
wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).
Situatie plangebied Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Moerasandijviestraat, Europalaan, Espelerlaan, Urkerweg en Korte Dreef. In het kader van voorliggend bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hieronder wordt nader op de conclusie ingegaan. Voor de gehele rapportage wordt verwezen naar bijlage 3 behorend bij de plantoelichting. Conclusie akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai De geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer van de Espelerlaan, Europalaan, Rietstraat, Korte Dreef en Urkerweg bedraagt, inclusief 5 dB reductie, respectievelijk hoogstens 32 dB, 41 dB, 45 dB, 23 dB en 35 dB. Met deze waarden wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer van de Zeebiesstraat en de Moerasandijviestraat bedraagt, inclusief 5 dB reductie, respectievelijk hoogstens 49 dB en 51 dB. Met deze waarden wordt niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, maar wel aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Bron- en overdrachtsmaatregelen kunnen rekenen op bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard of zijn niet mogelijk. Gevelmaatregelen zijn het meest doelmatig. De cumulatieve geluidbelasting, exclusief reductie, bedraagt hoogstens 57 dB. De vereiste geluidwering GA;K bedraagt 57– 33 = 24 dB.
Ten tijde van de vergunningverlening dient aangetoond te worden dat voldaan wordt aan de vereiste geluidswering van 24 dB voor de gevels. Er kan dan ook een hogere waarde verleend worden voor de woningen die een geluidbelasting hoger dan 48 dB hebben vanwege het wegverkeerslawaai afkomstig van de Moerasandijviestraat. Deze woningen zijn weergegeven in bijlage 4 ‘Uitsnede resultaten Moerasandijviestraat’ van het in bijlage 3 opgenomen akoestisch onderzoek. Gelet op vorenstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen met betrekking tot het aspect wegverkeerslawaai.
Aanvullend akoestisch onderzoek in- en uitritten Binnen het plangebied worden een aantal nieuwe in- en uitritten gerealiseerd ten behoeve van de ontsluiting van de geplande parkeerplaatsen achter de woningen. Hoewel ingevolge de Wgh voor deze in- en uitritten geen wettelijke geluidzones van toepassing zijn, is in het kader van een goede ruimtelijke ordening een (aanvullend) akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidseffecten van de nieuwe ontsluitingspaden binnen het plangebied. Hieronder wordt nader op de conclusie ingegaan. Voor de gehele rapportage wordt verwezen naar bijlage 4 behorend bij de plantoelichting. Waar voorheen de auto’s van bewoners in de straat zelf werden geparkeerd, worden de parkeervoorzieningen nu aan de achterzijde van de woningen geparkeerd. Dit heeft tot gevolg dat door deze nieuwe ontsluiting extra rijbewegingen ontstaan langs woningen. Samengevat zal de geluidbelasting op woningen toenemen als gevolg van de realisatie van de wegen naar de nieuwe parkeervoorzieningen. Deze toegangswegen bevinden zich in het plan op posities waar relatief weinig verkeerslawaai aanwezig is. Hierdoor is de geluidbelasting van het wegverkeerslawaai inclusief de nieuwe wegen overal gelijk of lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde.
Daar waar de geluidbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, is de invloed van de nieuwe ontsluiting relatief beperkt waardoor de geluidbelasting met niet meer dan 0.13 dB toeneemt. Omdat een toename tot 1.5 dB niet wordt beschouwd als een relevante toename is in voorliggend gevel geen sprake van een relevante toename van de geluidbelasting. De realisatie van de nieuwe in- en uitritten ten behoeve van de beoogde parkeervoorzieningen leidt niet tot een relevante toename van de geluidbelasting op de woningen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (noord)” Vastgesteld 5.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. Opgemerkt wordt dat in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt getoetst of de bodemkwaliteit geschikt is om te bouwen. Sigma Bouw & Milieu heeft ter plaatse van het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Een samenvatting van de resultaten en de conclusies uit dit onderzoek zijn in de volgende subparagrafen opgenomen. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar het complete bodemonderzoek welke is opgenomen in bijlage 5 van deze toelichting.
5.2.2
Situatie plangebied
In de bovengrond, ondergrond en het grondwater zijn enkele stoffen verhoogd gemeten t.o.v. de achtergrondwaarde resp. streefwaarde gemeten. In geen van de gevallen wordt de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0.5) overschreden zodat er uit milieuhygiënische overweging, t.a.v. de licht verhoogd gemeten gehalten geen directe aanleiding is tot het instellen van aanvullend onderzoek.
5.2.3
Conclusie
Uit milieukundig oogpunt is geen bezwaar tegen de voorgenomen ontwikkeling. De bodem wordt geschikt geacht voor het toekomstige gebruik.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (noord)” Vastgesteld In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
5.3.2
Situatie plangebied
In subparagraaf 5.3.1.1 worden voorbeelden aangegeven die aangemerkt worden als een project dat “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. In vergelijking hiermee is onderhavig plan zeker aan te merken als een project dat “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat woningen niet worden aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader het Besluit gevoelige bestemmingen. Ten aanzien van de beoogde situatie wordt opgemerkt dat deze functie niet wordt aangemerkt als gevoelige bestemming zoals opgenomen in het Besluit gevoelige bestemmingen.
5.3.3
Conclusie
Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (noord)” Vastgesteld Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
5.4.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (aangegeven met een blauwe contour) en omgeving weergegeven.
Afbeelding 5.1:
Uitsnede Risicokaart (Bron: atlasleefomgeving.nl)
Zoals is te zien in afbeelding 5.1 zijn in de nabije omgeving van het plangebied enkel schoolinstellingen en woonverblijven aanwezig. Nadere uitwerking is wegens het ontbreken van risico’s dan ook niet aan de orde. Uit de inventarisatie blijkt verder dat de locatie: • • •
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (noord)” Vastgesteld •
5.4.3
niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.
5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied ligt in de kern van Emmeloord. Rondom het plangebied zijn naast woningen tevens diverse maatschappelijke functies, detailhandel en horeca aanwezig. Het gebied kan daarom worden aangemerkt met het omgevingstype ‘Gemengd gebied’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (noord)” Vastgesteld Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake.
5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. De functie wonen is aan te merken als milieugevoelige functie. In de nabijheid van het plangebied zijn diverse functies aanwezig/toegestaan. In de onderstaande tabel worden hinderveroorzakende activiteiten/functies benoemd welke liggen in de nabijheid van het plangebied. Tevens is aangegeven tot welke milieucategorie deze activiteit of functie wordt gerekend, welke richtafstand aangehouden moet worden tussen het plangebied en het bestemmingsvlak van de betreffende milieubelastende functie en wat de daadwerkelijke afstand hiertussen bedraagt. Functie
Categorie 2
Richtafstand gemengd gebied 10 meter
Daadwerkelijke afstand (circa) 0 meter
Basisschool Hoefbladstraat 1A Diverse maatschappelijk voorzieningen Meldestraat Cafetaria Moerasandijviestraat 28 Bloemist Moerasandijviestraat 24
2
10 meter
48 meter
1
0 meter
0 meter
1
0 meter
0 meter
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (noord)” Vastgesteld Detailhandel Moerasandijviestraat 18
1
0 meter
0 meter
Ten aanzien van de cafetaria en detailhandel wordt opgemerkt dat voor het aspect ‘gevaar’ een richtafstand geldt van 10 meter. Deze afstand mag in de regel niet worden verkleind. Zoals ook blijkt uit paragraaf 5.4 vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Bovendien gaat het in voorliggend geval om kleinschalige functies die normaliter goed passen in een woonomgeving. Tot slot gaat het in voorliggend geval om een bestaande situatie. Aangenomen kan worden dat ter plaatse van de bestaande en toekomstige woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Overige functies in de omgeving betreffen milieucategorie 1 of 2 functies. Hiervoor geldt een grootste richtafstand van 10 meter. Omdat binnen een straal van 10 meter rondom de beoogde woningen dergelijke functies niet aanwezig zijn, vormen deze functies geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Tot slot wordt ten aanzien van de basisschool aan de Hoefbladstraat 1A niet voldaan aan de richtafstanden. Omdat direct aangrenzend aan de school en bijhorend buitenspeelterrein woningen worden herbouwd is hiervoor een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 6 van deze plantoelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste bevindingen en resultaten.
Uit de berekeningsresultaten blijkt dat ter plaatse van de omliggende woningen het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau maximaal 41 dB(A) in de dagperiode bedraagt. Er is hiermee voldaan aan de voorschriften behorende bij stap 2 uit de VNG-handreiking. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat ter plaatse van de omliggende woningen het maximale geluidniveau maximaal 64 dB(A) in de dagperiode bedraagt. Er is hiermee voldaan aan de voorschriften behorende bij stap 2 uit de VNG-handreiking. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.6
Geur
5.6.1
Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor inrichtingen, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorie is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën, waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan kom 2 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odour units per kubieke meter lucht.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (noord)” Vastgesteld 5.6.2
Situatie plangebied
Met voorliggend plan worden nieuwe geurgevoelige objecten gerealiseerd. In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen veehouderijen aanwezig. Geconcludeerd wordt dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verder worden veehouderijen niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.
5.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
5.7
Ecologie
5.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.
5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.1 Natura 2000 gebieden In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 10,2 kilometer afstand van het plangebied. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk.
Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitatypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd. Hierna wordt de belangrijkste conclusie van het onderzoek weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 7 bij deze toelichting. Uit de berekeningen wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000- gebieden, niet vergunningsplichtig.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (noord)” Vastgesteld 5.7.2.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN is gelegen op minimaal 540 meter afstand ten oosten van het plangebied. Vanwege de lokale invloedsfeer hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de kernkwaliteiten en de omgevingscondities van het Natuurnetwerk Nederland. Mogelijk is tijdens de aanlegfase incidenteel geluid waarneembaar buiten het plangebied, maar dit effect is incidenteel en kortstondig en heeft geen negatief effect op het beschermd (natuur)gebied.
5.7.3
Soortenbescherming
5.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. In voorliggend geval is ter plaatse van het plangebied een ecologische quickscan uitgevoerd voor de te slopen woningen aan de Rietstraat. Aanvullend is een natuurtoets uitgevoerd voor de in het plangebied aanwezige tuinen, gemeentelijk en openbaar groen. Hierna zijn de resultaten van de onderzoeken opgenomen. Voor de volledige onderzoeken wordt verwezen naar bijlage 8 en bijlage 9 van deze toelichting.
5.7.3.2 Resultaten quickscan natuurwaardenonderzoek Te slopen woningen Er komen mogelijk beschermde soorten voor in de huizen aan de Rietstraat en Zeebiesstraat. Geen van deze soorten zal een wijziging in het bestemmingsplan blokkeren. Wel vragen sommige soorten mogelijk aandacht bij de inrichting en/of uitvoering van de plannen. Er is nader onderzoek nodig naar beschermde soorten in de Rietstraat, Zeebiesstraat en omgeving. Het nader onderzoek geeft uitsluitsel over welke beschermde soorten daadwerkelijk aanwezig zijn in het gebied.
Groenstructuren Op basis van uitgevoerde natuurtoets is duidelijk dat de werkzaamheden op de korte termijn zeker effecten zullen hebben op de aanwezige flora en fauna. De effecten voor de lange termijn zijn echter onduidelijk en afhankelijk van de nieuwe inrichting (en beheer) van het plangebied. Er moet daarom een activiteitenplan worden opgesteld en een omgevingsvergunning flora en faunaactiviteiten worden aangevraagd. Daarin moet ten minste worden opgenomen:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (noord)” Vastgesteld •
•
•
•
Voor de huismus moet worden gewaarborgd dat de functionele leefomgeving niet wordt verslechterd. Door het verbeteren van de kwaliteit van bestaand of het realiseren van nieuw geschikt habitat voor huismussen. Dit moet tijdig gerealiseerd zijn en moet buiten de invloedsfeer van de activiteiten plaatsvinden. De huismussen zouden kunnen meeliften op de mitigerende maatregelen voor kleine marterachtigen. De activiteiten hebben invloed op het leefgebied van in elke geval gewone dwergvleermuis en laatvlieger (en vermoedelijk ook andere soorten vleermuizen) die een verblijfplaats hebben in het studiegebied of in de nabije de omgeving. Het is afhankelijk van de nieuwe situatie wat de gevolgen van de activiteiten zijn op het leefgebied van de vleermuizen. In het activiteitenplan moet worden opgenomen hoe het leefgebied van vleermuizen kan worden behouden of gemitigeerd. Het is onbekend hoeveel verblijfplaatsen van de steenmarter zich bevinden in het studiegebied en het in kaart brengen hiervan is een flinke uitdaging. Daarom is het advies om contact op te nemen met bevoegd gezag om te overleggen hoe het beste met de steenmarter en diens verblijfplaatsen kan worden omgegaan. Voorgesteld wordt om, zonder nader onderzoek naar de aanwezigheid van de kleine marterachtigen, ervan uit te gaan dat de soorten aanwezig zijn.
Dan zal een omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteiten aangevraagd moeten worden voor deze soorten. Hierin wordt in elk geval opgenomen dat het nodig is om buiten de meest kwetsbare periode voor kleine marterachtigen te werken (maart tot en met augustus) en om leefgebied weer terug te brengen in het studiegebied.
Voor broedende vogels in zijn algemeenheid geldt dat er geen omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteiten mogelijk is. Broedende vogels mogen nooit zodanig verstoord worden met de activiteiten dat hun broedsucces in gevaar komt. Een korte inspectie op nesten voorafgaand aan de werkzaamheden is dus nodig. 5.7.4
Conclusie
Omdat de functie van het plangebied voor de in paragraaf 5.7.3.2 opgenomen soorten niet uitgesloten worden op basis van de uitgevoerde ecologische quickscan en natuurtoets is aanvullend onderzoek conform de daarvoor geldende protocollen verplicht. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Alvorens bouwwerken geheel of gedeeltelijk worden gesloopt of groenstructuren gerooid of gekapt worden dient aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde diersoorten conform de daarvoor geldende protocollen te zijn uitgevoerd, mogelijke mitigerende maatregelen zijn getroffen en mogelijke ontheffingen zijn verkregen. Vorenstaande is vastgelegd in de regels van dit bestemmingsplan.
5.8
Archeologie & Cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
5.8.1.2 Situatie plangebied Op basis van de archeologische beleidskaart van de gemeente Noordoostpolder is het plangebied aangeduid als beleidscategorie WA-8 (zie afbeelding 5.2). Voor gebieden met beleidscategorie WA-8 geldt een archeologische onderzoeksplicht indien er sprake is van een project met bodemingrepen tot een oppervlakte van 10.000 m2 en een diepte van 100 centimeter.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (noord)” Vastgesteld
Afbeelding 5.2:
Archeologische beleidskaart gemeente Noordoospolder (Bron: gemeente Noordoostpolder)
De oppervlakte van het plangebied is groter dan 10.000 m2. Echter gaat het in voorliggend geval voor het grootste gedeelte op sloop en nieuwbouw van woningen waarbij er vanuit kan/mag worden gegaan dat de bodem reeds is geroerd. Daar waar nieuwe bodemroerende activiteiten zullen plaatsvinden, bedraagt de oppervlakte grofweg 1.500 m2 (ruim gemeten). De oppervlaktegrens van 10.000 m2 wordt hiermee niet benaderd. Hierdoor is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Voor de bescherming van de eventueel aanwezige archeologische waarden is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachtingswaarde WA8’ opgenomen. In de regels van deze dubbelbestemming is een archeologische onderzoeksplicht opgenomen conform het gemeentelijke archeologiebeleid.
5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving opgenomen moet worden van de manier waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. De cultuurhistorisch-landschappelijke waarde van de Noordoostpolder is groot. Tegelijkertijd is er heel duidelijk de behoefte om te blijven verbeteren. Bovendien wil de gemeente ruimte bieden aan nieuwe ontwikkelingen, die zorgvuldig een plek moeten krijgen in het landschap. Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (noord)” Vastgesteld 5.8.2.2 Situatie plangebied Op basis van cultuurhistorische waardenkaart Flevoland en het gemeentelijke beleidsstuk ‘Erfgoed in de gemeente Noordoostpolder’, blijkt dat zich binnen het plangebied geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten bevinden. Het Oversticht heeft een cultuurhistorische analyse uitgevoerd van de Rietstraat en omgeving (zie bijlage 10). Hierin wordt onderbouwd over welke cultuurhistorische waarden ter plaatse aanwezig zijn en waar deze kwaliteiten zich manifesteren. Met dit inzicht kan, zover als mogelijk, rekening worden gehouden met de cultuurhistorische waarden bij de ontwikkeling van de buurt. Uit de analyse volgt de volgende aanbeveling: Het gebied van Rietstraat en omgeving bezit hoge cultuurhistorische waarden. De belangrijkste daarvan zijn: • •
• • • • •
Wijkje van Emmeloord met de eerste permanente woningen; Hiërarchische en planmatige stedenbouwkundige opzet met heldere principes, zoals: Brede straten (woonstraten noord-zuid en ontsluiting west-oost); Groene straatprofielen ; Doorgaans strakke verkaveling, soms verspringende rooilijnen; Voortuinen; Diepe achtertuinen; Kleinschalige woonblokken; Ruimte tussen woonblokken; Laagbouw in baksteen met kap; Planmatig ontwerp van verschillende woningtypes; Sobere, zorgvuldige materiaalgebruik en detaillering architectuur; Herkenbare tijdslagen in bebouwing; Dorpse sfeer.
Op basis van de vastgestelde waarden, wordt geadviseerd genuanceerd te kijken naar de herontwikkeling van de wijk en de cultuurhistorische waarden te laten meewegen in de te maken keuzes voor sloop-behoud. Hieronder volgen enkele aanbevelingen vanuit cultuurhistorisch oogpunt: • • • • • • • •
Behoud de waardevolle kenmerken van de wijk en versterk deze waar mogelijk; Herstel en versterk groene inrichting; Herstel bij renovatie de architectonische kwaliteit; Houd licht, lucht en ruimte in het wijkje; Behoud de dorpse sfeer; Behoud verschillende tijdslagen; Voeg met een eventuele nieuwe tijdlaag nieuwe kwaliteit toe; Houd rekening met de stedenbouwkundige opzet.
Met de ontwikkeling is zoveel als mogelijk rekening gehouden met de voorgenoemde aanbevelingen. Zo wordt de stedenbouwkundig opzet in grote lijn behouden, met een toevoeging van een hofje bestaande uit twee rijen van vier woningen achter de huidige woningen aan de Rietstraat (zie paragraaf 3.1). Verder wordt de Rietstraat heringericht met oog voor meer groen in de straat. Dit wordt behaald door het verplaatsen van een fors deel van de parkeerplaatsen achter de woningen. Hierdoor wordt tevens het dorpse karakter teruggebracht. De beoogde woningen worden zodanig ontwikkeld zodat deze voldoen aan de hedendaagse duurzaamheidseisen en -wensen en zich doen herinneren aan de huidige woningen. Dit laatste komt terug in bijvoorbeeld de bouwstijl, woningtypen, nokrichting, goot- en bouwhoogte en kleurstelling. Bovendien is voor de voorgenomen ontwikkeling een beeldkwaliteitsplan opgesteld (zie bijlage 1). Hierin zijn de welstandseisen voor het plangebied opgenomen. Dit beeldkwaliteitsplan is tot stand gekomen met oog op de uitgevoerde cultuurhistorische analyse.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (noord)” Vastgesteld 5.8.3
Conclusie
Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is in het kader van het voorliggende plan niet noodzakelijk. Daarnaast vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.9
Besluit milieueffectrapportage
5.9.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
•
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
•
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.
5.9.2
Situatie plangebied
5.9.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is op ten minste 10 kilometer van het plangebied gelegen. Zoals in paragraaf 5.7.2.2 en bijlage 7 (stikstofberekening) van deze toelichting is beschreven is voor de gebruiksfase geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het voornemen is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.
5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (noord)” Vastgesteld In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat de in voorliggend wijzigingsplan besloten ontwikkeling van een significant kleiner schaalniveau is. Van een directe m.e.r.-plicht is in dit geval geen sprake. Echter dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Hiertoe is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld, deze is opgenomen in bijlage 11 bij deze plantoelichting. Opgemerkt wordt dat in de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling in wordt gegaan op de voorgenomen ontwikkeling, alsook de beoogde soortgelijke ontwikkeling aan de Rietstraat en Zeebiesstraat ten zuiden van de Moerasandijviestraat. Uit de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat voorgenomen ontwikkeling geen belangrijke nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maakt.
5.9.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit plan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (noord)” Vastgesteld
HOOFDSTUK 6 6.1
WATERASPECTEN
Algemeen
Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. Opgemerkt wordt dat de ‘korte procedure’ is gewijzigd in de ‘normale procedure’.
6.2
Proces van de watertoets
Het proces van de watertoets is via een digitale watertoets kenbaar gemaakt bij Waterschap Zuiderzeeland. In het kader van de watertoets is de normale procedure van toepassing. Daarvoor is in een vroegtijdig stadium contact gezocht met het Waterschap Zuiderzeeland. De definitieve reactie op de voorgenomen ontwikkeling wordt nadat het vooroverleg heeft plaatsgevonden nader ingevuld. Het Waterschap geeft een wateradvies, waarin het Waterschap beoordeelt in hoeverre bij de ontwikkeling de effecten op de waterhuishouding en de waterschapsbelangen raken.
6.3
Wet- en regelgeving en beleid water
6.3.1
KRW
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. De gemiddelde jaarlijkse grondwateronttrekking mag de beschikbare grondwatervoorraad op lange termijn niet overschrijden.
6.3.2
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: 1. 2.
vasthouden, bergen en afvoeren; schoonhouden, scheiden en zuiveren.
6.3.3
Stedelijk waterplan Noordoostpolder
De watervisie van de gemeente Noordoostpolder is opgenomen in het Stedelijk Waterplan Noordoostpolder (april 2006). Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze Waterwet bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de “watersysteembenadering” centraal. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (noord)” Vastgesteld grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein. Als aanvulling op het Stedelijk waterplan is in 2011 door het waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder een bestuurlijke “Maatwerkovereenkomst stedelijk water” ondertekend. Door ondertekening van deze bestuursovereenkomst zijn tussen de waterbeheerder en de gemeente afspraken gemaakt over de invulling van de gezamenlijke taakuitoefening voor het beheer en onderhoud van het stedelijk water. De beoogde doelen op strategisch, tactisch en operationeel niveau ten aanzien van het stedelijk water zijn daardoor beter verankerd. Verdere actualisatie met het oog op onder andere de klimaatadaptatie is verwerkt in het gezamenlijk door het Waterschap Zuiderzeeland en gemeente Noordoostpolder opgesteld Watertakenplan Noordoostpolder 20192024. Op grond van o.m. de Waterwet is voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater.
In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats. Het “gebiedseigen water” wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken. Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot (water)overlast voor de woonomgeving. Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de Keur van het Waterschap Zuiderzeeland, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken). De waterschapsverordening vervangt de Keur bij inwerkingtreding van de Omgevingswet.
6.3.4
Waterwet
De Waterwet (2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’ centraal. Één van de voornaamste veranderingen, naast invoering van de watervergunning, is de verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domain. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd.
6.3.5
Nationaal Waterprogramma
Het Nationaal Waterprogramma bestaat uit het landelijke en regionale waterbeleid, vastgesteld op basis van de Waterwet en de Wet Ruimtelijke Ordening. In het plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en - beheer beschreven voor de periode 2022-2027. Het programma richt zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Het programma geeft invulling aan de Europese richtlijnen waaronder de KRW, Richtlijn overstromingsrisico’s, de Kaderrichtlijn Mariene Strategie en de EU-richtlijn Marine Spatial Planning. Het programma geldt als structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten.
6.3.6
Watervisie en waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Zuiderzeeland
De Watervisie verbindt waterthema’s en maatschappelijke opgaven. Voor een gezonde en duurzame ontwikkeling van het gebied is het nodig om het natuurlijke systeem (bodem en water) en de ruimtelijke en economische ontwikkelingen met elkaar te verbinden in een gezamenlijke aanpak. Niet met maakbaarheid als vertrekpunt, maar toekomstbestendigheid. Het Waterbeheerprogramma bevat de strategische en tactische doelen voor de komende planperiode en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen het waterschap neemt om deze doelen te behalen. Het beheergebied wordt waterrobuust en klimaatbestendig ingericht. Investeringen in het watersysteem zorgt dat er ook in de toekomst voldoende water is bij langdurige droogte én voldoende bescherming bij hoogwater.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (noord)” Vastgesteld
6.4
Beschrijving van het watersysteem
6.4.1
Veiligheid/Waterkeringen
Het plangebied ligt niet buitendijks of in de beschermingszone van een waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing.
6.4.2
Voldoende Water
Wateroverlast Streefbeeld: Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Uitgangspunt: Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden. De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoer' is begin 2013 door het waterschap vastgesteld. Vanaf het moment van vaststelling van de beleidsregel is de situatie van het beheergebied op dat moment het referentiekader geworden, oftewel de nulsituatie. De compensatieplicht geldt zodanig voor de netto toename van het verhard oppervlak voor een bouwvlak sinds begin 2013.
Het plangebied ligt in stedelijk gebied. Het verhard oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling naar verwachting toe met meer dan 750 m2 ten opzichte van de huidige feitelijke situatie, waardoor watercompensatie noodzakelijk is. Hierbij is de relatie gelegd met het naastgelegen bestemmingsplan Emmeloord, Rietstraat (zuid) en Zeebiesstraat. Het waterschap beschouwt beide bestemmingsplannen in samenhang. Het hemelwater wordt binnen het plangebied opgevangen, vastgehouden en gefiltreerd in de bodem. Hierbij kan gedacht worden aan het aanleggen van wadi’s, infiltratiekratten onder de parkeerplaatsen en infiltratieriool. Hierover zal afstemming met het waterschap plaatsvinden vóór het indienen van de aanvraag om een watervergunning. Gelet op de ruimte binnen het plangebied wordt geconcludeerd dat er voldoende ruimte is voor hemelwaterbergingsvoorzieningen.
6.4.3
Schoon water
Goede oppervlaktewaterkwaliteit Streefbeeld: Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. Randvoorwaarden: Conform de Waterwet (Ww) is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm dan ook te brengen in oppervlaktewateren. Schoon regenwater mag zonder waterstaatswerk direct geloosd worden op oppervlaktewater. Indien hiervoor een voorziening zoals een drain of buis wordt aangebracht is hiervoor een vergunning nodig. Het voornemen ziet niet toe op het aanleggen van nieuw oppervlaktewater of dempen van bestaand oppervlaktewater.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (noord)” Vastgesteld Er worden geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt, waardoor alle verhardde en te bouwen oppervlakken als relatief schoon kunnen worden aangemerkt. Het hemelwater wordt binnen het plangebied opgevangen, vastgehouden en gefiltreerd in de bodem. Hierbij kan gedacht worden aan het aanleggen van wadi’s, infiltratiekratten onder de parkeerplaatsen en infiltratieriool. Hierover zal afstemming met het waterschap plaatsvinden vóór het indienen van de aanvraag om een watervergunning. Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld: Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het water. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Uitgangspunten: Verontreiniging van het oppervlaktewater door vervuild hemelwater wordt voorkomen. Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat het hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het plangebied wordt geloosd, zonodig voorafgegaan door een lokale zuivering. Bij nieuwbouwgebieden (bijvoorbeeld woonwijk, industrieterrein) is de aanleg van een gescheiden rioolstelsel een voorwaarde.
Afstromend hemelwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. Het Waterschap zuivert in dit plangebied, door de gemeente ingezameld en afgevoerd, huishoudelijk afvalwater op de afvalwaterzuiveringsinstallatie te Tollebeek. Door deze behandeling in de afvalwaterketen vindt in het plangebied zelf geen onoverkomelijke vuillast op het aanwezige oppervlaktewater plaats. Alle vrijkomende stedelijk huishoudelijk afvalwater afkomstig van het plangebied wordt reeds afgevoerd via de gemeentelijke riolering. Door de ontwikkeling wijzigt de hoeveelheid afvalwater niet of marginaal. Het bestaande rioleringsstelsel is voldoende gedimensioneerd om het vrijkomend afvalwater via het bestaande stelsel te kunnen afvoeren. Het bestaande rioleringsstelsel betreft een gescheiden stelsel. Het waterschap beschouwt afstromend hemelwater van 50 of meer parkeerplaatsen als vervuild. Dit hemelwater dient daarom gezuiverd te worden voorafgaande aan lozing in oppervlaktewater (al dan niet via gemeentelijke hemelwaterriolering).
6.5
Conclusie
Gelet op het vorenstaande vormt het milieuaspect ‘water’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (noord)” Vastgesteld
HOOFDSTUK 7 7.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2
Opzet van de regels
7.2.1.
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.