12.2 Plan van aanpak MIRT- onderzoek Lelylijn.pdf
Tekst van het document
In het geval van de Lelylijn vraagt de Planhorizon in het bijzonder om aandacht. Op basis van het ontwikkelperspectief wordt per NOVEX-gebied een gezamenlijk plan opgesteld: "wat gaan we wanneer doen en met wie inclusief volgtijdelijke afhankelijkheden. Hiermee wordt de stap richting uitvoering en de bijbehorende ruimtelijke keuzes gezet om de stip op de horizon - in de komende vier tot tien jaar te bereiken." In de NOVEX aanpak wordt naar NOVEX-gebieden ook toegewerkt naar ruimtelijke arrangementen per provincie. NOVEXLelylijn heeft daarmee een directie relatie/raakvlak met de ruimtelijke puzzels van provincies waar de Lelylijn en bredere Deltaplan voor het noorden betrekking op heeft. Realisatie van de Lelylijn wordt op dit moment redelijkerwijs pas in de loop van het decennium 2030-2040 voorzien. Hiermee zal het Ontwikkelperspectief voor de Lelylijn ook een andere planhorizon krijgen dan de andere NOVEX-gebieden en de provinciale arrangementen. Overigens kijken veel nationale programma's ook verder dan 2030 en wordt bij verstedelijkingsstrategieën zoals NOVEX-Verstedelijkingsgebied Groningen-Assen ook doorgekeken naar 2040.
2.2.3 Raakvlakken Uit het Programma NOVEX: "Essentieel in het programma NOVEX is het samenspel tussen de regie per provincie en de gebiedsgerichte regie in de NOVEX-gebieden. Zo vallen sommige NOVEX-gebieden in meerdere provincies, is er soms overlap tussen de verschillende NOVEXgebieden en zijn ruimtelijke keuzes in het ene spoor doorslaggevend voor het versnellen van de uitvoering in het andere spoor. In dit samenspel zien we twee verschillende aspecten: inhoudelijke overlap en de wijze van sturing."
Plan van Aanpak MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn
23
Voor het NOVEX-gebied Lelylijn wordt een samenhang voorzien met in ieder geval de volgende nationale programma's: - Meerjarenprogramma infrastructuur, ruimte en transport - Programma Woningbouw - Verkenning versterken verstedelijkingsopgave zuid, oost en noord NL - Programma Water en Bodem sturend - Nationaal Programma Landelijk Gebied - Programma Energiehoofdstructuur â Nationaal Plan Energiesysteem - Programma Werklocaties: ruimte voor economische activiteit - Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat - Nationaal Programma Infrastructuur Duurzame Industrie - Nationaal Programma Regionale Energiestrategieën - Waterstof: Nationaal Waterstof Programma en Waterstof Backbone Daarnaast is er samenhang met de ruimtelijke puzzels van de betrokken provincies en een aantal andere NOVEX-gebieden. Het meest direct gaat het daarbij om NOVEX-gebieden Groningen-Assen, Groningen en Metropoolregio Amsterdam (MRA). Maar zeker met het oog op de andere onderdelen van het Deltaplan voor Noordelijk Nederland bestaat er ook een relatie met het NOVEX-gebied Zwolle. Keuzes die uit nationale programma's en ruimtelijke puzzels van provincies voortkomen kunnen daarmee kansen bieden voor de Lelylijn, woningbouwopgave en economische structuurversterking, maar kunnen mogelijk ook een uitdaging vormen.
Andersom vormt het ontwikkelperspectief voor NOVEX-gebied Lelylijn een puzzelstuk in de ruimtelijke puzzels van betrokken provincies. In het MIRT-onderzoek is het daarom van belang regelmatig de samenhang en raakvlakken met bovengenoemde trajecten in beeld te brengen/houden.
2.2.4 Samenhang Deltaplan/NOVEX in tijd Mogelijke volgordelijkheid binnen het Deltaplan. Tot 2030: o Verbetering bestaand spoor (no-regret) o 1e fase Nedersaksenlijn (Veendam-Stadskanaal) o 1e deel extra woningbouw/werklocaties (provinciale pakketten NOVEX/prestatieafspraken) na 2030: o Verbetering bestaand spoor (vervolg) o Lelylijn o Vervolgfase Nedersaksenlijn o Vervolg extra woningbouw (NOVEX Lelylijn)
2.3 Financiering/bekostiging Lelylijn In het coalitieakkoord 'Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst' is voor de realisatie van de Lelylijn een bedrag van circa 3 miljard euro gereserveerd. Het is de verwachting dat de kosten voor de realisatie van de Lelylijn hoger liggen dan de gereserveerde 3 miljard. Daarom wordt in hetzelfde coalitieakkoord ook gesproken over
Plan van Aanpak MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn
24
'medefinanciering vanuit de regio en uit Europese fondsen' om de Lelylijn te kunnen aanleggen. Op het Bestuurlijk Overleg Leefomgeving (BOL, 16-6-2022) is vastgelegd dat het MIRTonderzoek Lelylijn "de basis moet vormen voor een nog deze kabinetsperiode te nemen Startbeslissing voor een MIRT-verkenning. Hiervoor moet een voorlopige voorkeursvariant uitgewerkt zijn met een betrouwbare kostenraming en zicht op minstens 75% van de financiering van deze voorlopige voorkeursvariant." Deze eis van 75% financiering is vastgelegd in de MIRT-spelregels waarin staat dat bij de (go-no go) Startbeslissing voor een Verkenning "zicht dient te zijn op 75% financiering van de meest voor de hand liggende optie". In het MIRT-onderzoek Lelylijn wordt 1) uitgewerkt wat de meest voor de hand liggende optie is (voorlopige voorkeursvariant) en 2) hiervoor een betrouwbare kostenraming opgesteld. Parallel hieraan zal binnen het MIRT-onderzoek Lelylijn gewerkt worden aan het "samen zoeken naar aanvullende dekking voor realisatie van de Lelylijn waaronder financiering vanuit de regio en uit Europese fondsen' (BOL, 16-6-20220). In relatie tot de bijdrage van Europese fondsen is bij de BOL besluiten afgesproken "te werken aan opname van de Lelylijn in het TEN-T extended kernnetwerk en daaropvolgend een plan uit te werken voor Europese cofinanciering, waaronder CEF".
Gezien de grote financiële opgave is het van belang om in de onderzoeksfase breed te kijken naar financieringsoptiesAmodellen, waarbij bijvoorbeeld ook de exploitatie betrokken wordt. Voorbeelden in binnen- en buitenland kunnen hiervoor bekeken worden. Rijk en regio zijn het over eens dat ze voor de Lelylijn ook onderzoek willen doen naar andere mogelijkheden om tot financiering van de opgave te komen. Een mogelijkheid is om te kijken naar de integrale kosten, oftewel een businesscase benadering. Dit betekent dat de exploitatie, beheer en onderhoud en investering meegenomen worden. Hierbij kan naast de traditionele aanpak bijvoorbeeld ook gekeken worden naar dekking vanuit een integrale exploitatie (DBFO), het uitschrijven van een nieuwe concessie voor het noorden van Nederland (in samenhang met Nedersaksenlijn) of het opzetten van een noordelijke vervoersautoriteit. Regionale sprinterdiensten toestaan met meerdere stations geeft extra gebruik en zodoende ook aanvullende financiële kansen door financiering uit regionale OVmiddelen. Het financieringsmodel staat los van de wettelijk te nemen stappen om tot tracévaststelling te komen. Daarvoor is de Tracéwet/Omgevingswet van toepassing. Ook zal bekeken moeten worden welke invloed de Spoorwegwet hierop heeft.
Echter als het gaat om mogelijkheden om eerder tot dekking van aanleg en exploitatie van de Lelylijn te komen, biedt een ruimer spectrum dan het traditionele blikveld goede kansen. Voor de (integrale) kosten is het verder van belang om een vooruitblik te doen op komende technische ontwikkelingen in het treinsysteem. Dergelijke ontwikkelingen zullen
Plan van Aanpak MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn
25
ongetwijfeld impact hebben mogelijkheden en de kosten van de exploitatie en/of de investering. Overwogen kan worden om bij aanvang een één of tweedaagse bijeenkomst organiseren over de financieringsstrategie. In die bijeenkomst worden de financieringsmogelijkheden nader onderzocht.
2.4 Duurzaamheid, klimaat en stikstof Water en bodem zijn als sturende principes benoemd voor ruimtelijke planvorming. Ook op het Bestuurlijk Overleg Leefomgeving (16-6-2022) is afgesproken om in het MIRT-onderzoek Lelylijn "water en bodem als sturende principes" te hanteren. Tevens is afgesproken om "vanuit een gezamenlijk commitment binnen de gezamenlijk governance structuur en werkorganisatie - parallel hieraan en in nauwe samenhang met het MIRT-onderzoek Lelylijn verder (te) werken aan (...) de klimaatopgaven." Ook in de 'Analyse Deltaplan Noordelijk Nederland deel B' wordt aandacht besteed aan klimaatadaptatie. Hierbij wordt onder meer aangegeven dat het Deltaplan mogelijk een klimaatadaptieve(re) strategie is, "maar ook hier landt het overgrote deel van de woningen in Flevoland, terwijl ook delen van Groningen en Fryslân niet bijster hoog gelegen zijn. (...) Wat betreft de spoormaatregelen is de conclusie dat met name de Lelylijn en maatregelen aan het bestaand spoor te maken hebben met een overstromingsrisico (uitgaande van overstromingen die eens in de 1000 jaar voorkomen). Dit speelt met name in de laaggelegen gebieden van de provincies Flevoland en Friesland. Tevens zijn de maatregelen deels gelegen in gebieden die sterk te maken hebben met bodemdaling en slappe ondergrond.
Voor de Nedersaksenlijn speelt dit minder." Ook wordt geconcludeerd dat "het Deltaplan in Noordelijk Nederland per saldo (leidt) tot extra voertuigkilometers voor het autoverkeer wat zal leiden tot extra uitstoot van fijnstof en stikstof." In het MIRT-onderzoek Lelylijn moeten de te bestuderen varianten van spoor, woningbouw en economische ontwikkeling, globaal beoordeeld worden op hun duurzaamheid, klimaatbestendigheid en stikstofuitstoot om zo te komen tot een 'toekomstbestendige gebiedsontwikkeling' zoals ook wordt beoogd in de NOVEX. Een M.E.R. maakt hier in deze fase nog geen deel van uit, maar dient wel in de Verkenningsfase plaats te vinden. Om inhoud te geven aan het uitgangspunt dat water en bodem sturende principes moeten zijn bij gebiedsontwikkeling (locatiekeuzes), tracéligging en ook inpassing van ingrepen, wordt de kamerbrief Water en Bodem Sturend (WaBoS) als vertrekpunt gehanteerd. Deze brief aan de Tweede Kamer wordt naar verwachting medio oktober 2022 gepubliceerd. Deze op concretisering gerichte brief zal bij de ontwerpsessies in de varianten fase worden betrokken.
2.5 Stakeholdermanagement en participatie Het aanleggen van de Lelylijn, in samenhang met bijbehorende woningbouw en economische ontwikkeling, is een grootschalige aanpassing in de ruimtelijke omgeving en raakt inwoners, omwonenden, maatschappelijke organisaties, (potentiële) reizigers en vele
Plan van Aanpak MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn
26
anderen direct in hun dagelijks leven. Dit vraagt een zorgvuldige betrokkenheid gedurende de gehele looptijd van het MIRT-proces. Op het Bestuurlijk Overleg Leefomgeving is daarom besloten om als Rijk en regio een gezamenlijk participatieproces als onderdeel van het MIRTonderzoek op te starten en hiervoor een omgevingsmanager aan te stellen en een breed participatieplan op te stellen. Omdat de participatie vanuit het MIRT-onderzoek plaatsvindt namens zowel de centrale overheid als namens de betrokken decentrale overheden, is het van belang dat de Omgevingsmanager binnen alle betrokken overheden draagvlak en commitment verkrijgt voor het participatieplan en het te organiseren participatieproces en daarnaast via regulier stakeholdermanagement een vinger aan de pols houdt bij de verschillende stakeholders en waar nodig extra actie onderneemt om deze stakeholders op de juiste manier bij het project betrokken te houden. Ook zijn voldoende tijd en geld belangrijke voorwaarden voor de participatie.
2.5.1 Doel Met de participatie streeft de initiatiefnemer ernaar om betrokkenen, belanghebbenden en geïnteresseerden te informeren over en te betrekken bij het project Lelylijn. Met de participatie wordt invulling gegeven aan het; - informeren over de aanpak en het te volgen proces - informeren over projectdoelen en mogelijke oplossingen - ruimte bieden voor oplossingen en alternatieven aangedragen in de participatie - ruimte bieden voor inspraak - terugkoppelen wat er met de inbreng in de participatie is/wordt gedaan Communicatie en participatie gaan hand in hand. Voor participatie is het van belang dat betrokkenen, belanghebbenden en geïnteresseerden goed geïnformeerd worden over de aanpak en het te volgen proces. Als ook over projectdoelen en mogelijke oplossingen. Na ieder participatiemoment is terugkoppeling over wat er met de inbreng van participatie is/wordt gedaan noodzakelijk. Het doel van communicatie en participatie is dat de participanten inhoudelijk en procesmatig weten waar het om gaat. Participanten beschikken over voldoende informatie om een waardevolle bijdrage te leveren en gedurende het proces moeten voor hen gemaakte keuzes en de daarbij horende argumentatie te volgen en inzichtelijk zijn.
Idealiter zou het resultaat moeten zijn dat er ideeën uit de samenleving mee worden genomen/gewogen in de uitwerking van het MIRT-onderzoek en de daarin beschouwde varianten/variaties en daarmee in de samenleving begrip en draagvlak ontstaat voor de te maken keuzes en tevredenheid over het proces.
2.5.2 Aanpak Voorgesteld wordt om in een vroegtijdig stadium te starten met een eerste brede participatieronde. Deze is nog niet gericht op specifieke tracés of varianten, maar juist bedoeld om breed onder bewoners en stakeholders hun ideeen over en beelden bij een
Plan van Aanpak MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn
27
Lelylijn op te halen. Overwogen kan worden om hierbij gebruik te maken van de Participatieve Waarde Evaluatie (PWE)1. Parallel hieraan wordt gewerkt aan het in kaart brengen van de stakeholders en hun belangen via een issue- en stakeholderanalyse. Hierbij wordt onder andere gekeken naar de belangen, invloed, issues en wensen. De stakeholderanalyse (inclusief de analyse van belangen, issues en invloed) is input voor het op te stellen participatieplan. Het participatieplan beschrijft helder en duidelijk welke participatieruimte er is, wat Rijk en regio met de participatie willen bereiken en op welke wijze, welke stakeholders, op welk moment worden betrokken bij het MIRT-onderzoek over de Lelylijn. In dit participatieplan staan ook de kaders voor participatie bij dit onderzoek beschreven. Uitgangspunt is de Code Maatschappelijke Participatie bij MIRT projecten. Deze stelt onder andere dat tijdens de Initiatief-, Verkennings- en Planuitwerkingsfase actief en gericht wordt gevraagd naar inbreng en ideeën vanuit de maatschappij, passend bij de fase. Een ander uitgangspunt zijn de waarden voor participatie zoals vastgelegd in de 'Twopager waarde(n)volle participatie' (zie bijlage 6). In de (onderzoeks)fase is het van belang om alle mogelijke oplossingen voor de opgave serieus te onderzoeken.
Dan gaat het om het in beeld krijgen van alle mogelijke varianten die vanuit de het maatschappelijk veld worden aangedragen. Deze dienen te worden beoordeeld met hetzelfde afwegingskader in de trechteringsfase. Immers dit zijn signalen die anders in latere fases alsnog worden ingebracht als er nu niet zorgvuldig naar wordt gekeken en op wordt teruggekoppeld. Daarnaast gaat het om het nader uitwerken van de opties die reeds in de projectscope zitten. Dit met als doel om zicht te krijgen op maakbaarheid, kosten en inpassing. Daarvoor is intensieve interactie met de omgeving noodzakelijk De participatie zal in deze fase derhalve gericht zijn op zowel de tracékeuze, als ook op de Lelylijn als project. In de eventuele Verkenningsfase zal de scope van de participatie zich verder verdiepen.
2.5.3 Regulier Stakeholdermanagement Niet alle geluiden en bewegingen bij stakeholders zijn bijvoorbeeld qua onderwerp of timing te vangen in het participatieproces. Het is dan ook van belang dat de omgevingsmanager te allen tijde feeling houdt met wat er speelt bij de verschillende stakeholders en of dit van (negatieve) invloed is op de voortgang, draagvlak en doelstellingen van het project. Mocht dit zo zijn dan is het de verantwoordelijkheid van de omgevingsmanager hierop actie te ondernemen
1 Participatieve Waarde Evaluatie (PWE) is een nieuwe methode om beleidsopties te evalueren en de participatie van grote groepen burgers te faciliteren. De essentie van een PWE is dat burgers op een laagdrempelige manier een advies kunnen geven over een keuzevraagstuk van een overheid. Zij worden als het ware op de stoel van de bestuurder gezet. (bron: Participatieve Waarde Evaluatie (tudelft.nl).
Plan van Aanpak MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn
28
2.5.4 Relatie met Tracéwet en Omgevingswet De Omgevingswet treedt naar verwachting op 01 januari 2023 in werking. Zowel in de Tracéwet als in de Omgevingswet is de participatie in de (MIRT-)onderzoeksfase nog vormvrij. Wel worden eisen gesteld aan participatie bij de start van de Verkenning. In de vigerende Tracéwet is vastgelegd dat de startbeslissing de wijze bevat waarop burgers, maatschappelijke organisaties, betrokken bestuursorganen en, voor zover van toepassing, de beheerder van de landelijke spoorweg worden betrokken bij de Verkenning. In de Omgevingswet is vastgelegd dat uiterlijk bij de start van de Verkenning voor een projectbesluit een 'kennisgeving voornemen' en een 'kennisgeving participatie' wordt gepubliceerd. In de kennisgeving participatie staat hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de Verkenning worden betrokken. Aan te raden is om voorafgaand aan de verkenning een nieuw participatieplan op te stellen. Dit participatieplan is input voor de kennisgeving participatie.
Het bevoegd gezag gaat in de kennisgeving participatie ieder geval in op: - wie het betrekt bij de projectprocedure - waarover het deze partijen raadpleegt - wanneer het deze partijen erbij betrekt - wat de rol van het bevoegd gezag en de initiatiefnemer is bij het betrekken van de partijen - waar aanvullende informatie beschikbaar is of komt De kennisgeving participatie kan tegelijkertijd plaatsvinden met de kennisgeving voornemen projectbesluit, maar het mag ook later. Als er bijvoorbeeld meer tijd nodig is om het participatietraject in te richten. De eisen aan de kennisgeving over participatie staan in artikel 5.47 lid 4 van de Omgevingswet en artikel 5.3 van het Omgevingsbesluit. In de kennisgeving voornemen is het verplicht om eenieder in de gelegenheid te stellen mogelijke oplossingen voor de opgave voor te dragen.
2.6 Afwegingskader Om varianten te kunnen vergelijken en afwegen, is een kader nodig. Dat kader dient, passend bij deze fase, de vergelijking van varianten mogelijk te kunnen maken. Dat kader dient te worden ge-ent op de doelen voor het project en te passen bij deze fase. Het afwegingskader zal nader uitgewerkt worden in de volgende fase. Aan de volgende afwegingsfactoren moet gedacht worden: - Inhoudelijke omschrijving van de Lelylijn - Kosten en mogelijke dekking - Vervoerswaarde en reistijdswinsten - Leefbaarheid, welzijn, bereikbaarheids- en andere effecten - Exploitatie - Woningbouw en economie (NOVEX) - Milieu effecten (geen MER, maar wel op hoofdlijn toets op effecten natuur en milieu) - Klimaat, bodem en water - Draagvlak - Ecologische impact - Brede Welvaartseffecten Het afwegingskader wordt in het voorjaar 2023 vastgesteld in het BO MIRT/Deltaplan.
Plan van Aanpak MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn
29
3. Organisatie In de notitie 'Organisatie, governance en plankosten Deltaplan' wordt een beschrijving gegeven van de werkorganisatie en de governance voor de volle breedte van het Deltaplan. Onderstaand is de werkorganisatie voor het MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn schematisch weergegeven.
Dit Plan van Aanpak heeft betrekking op het project Lelylijn en dan specifiek het MIRTonderzoek Lelylijn inclusief de NOVEX. De opgave voor het MIRT-onderzoek is geformuleerd in hoofdstuk 2 van dit Plan van Aanpak. De werkorganisatie voor het MIRT-onderzoek Lelylijn en de NOVEX wordt geleid door directeur Lelylijn. Voor een nadere toelichting op de organisatie en de governance wordt verwezen naar de notitie 'Organisatie, governance en plankosten Deltaplan'.
3.1 Projectdirecteur & overige rollen Het Projectteamteam is samengesteld als volgt (met tussen haakjes de herkomst van de betreffende functionaris, voor zover relevant of afgesproken): - Projectdirecteur Lelylijn; MIRT-onderzoek Lelylijn, inclusief NOVEX (voordracht Rijk) - Projectsecretaris (voordracht regio) - Projectondersteuning
Plan van Aanpak MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn
30
-
Onderzoekmanager Lelylijn; scope, afwegingskader â trechtering en kostenraming Omgevingsmanager Lelylijn; communicatie, stakeholdermanagement â participatie Coördinator Ontwikkelperspectief-NOVEX voor Wonen en Economie Coördinator juridische zaken (Omgevingswet, Tracéwet, Stikstof en Klimaat) Manager project-/programmabeheersing
Bij de keuze van de herkomst van de betrokken functionarissen dient een rol te spelen een redelijke verdeling Rijk-regio, de meest geschikte herkomst gelet op de taak en de continuïteit van het programma/project. Bij uitwerking van de tracés speelt die continuïteit voor het vervolg zeker een rol. De werkorganisatie zal worden bemenst door mensen in dienst bij het Rijk of de regio, of daar worden externen voor ingehuurd. In principe geldt daarbij dat de juiste functionaris op de juiste plaats het belangrijkste criterium is. Daarnaast speelt bij de keuze van de herkomst van de betrokken functionaris een rol een redelijke verdeling Rijk-regio, de meest geschikte herkomst gelet op de taak en de continuïteit van het programma/project. De Lelylijn vergt gelet op het grote projectgebied een specifieke benadering voor wat betreft governance. De Lelylijn heeft een Stuurgroep en een opdrachtgeverschap Rijk-regio, beide op basis van vertegenwoordiging. De scope van de Lelylijn omvat uitgaande van bundeling rondom de A6/A7 tussen Lelystad en Groningen en Leeuwarden minimaal 3 provincies, 12 gemeenten en 3 waterschappen. Vertegenwoordiging van alle betrokken overheden in de stuurgroep leidt tot een onwerkbare omvang. Daarom wordt een gelaagdheid in de aansturing en bestuurlijke betrokkenheid voorgesteld, één en ander ter nadere uitwerking.
Tevens wordt voorgesteld om de inhoudelijke uitwerking in regionale blokken te clusteren gelet op de omvang van het plangebied. Het gaat dan om de onderwerpen ontwerp tracés, stationsomgevingen, inpassing, kostenraming, maar participatie. Door de inhoudelijke uitwerking en de bestuurlijke gelaagdheid te combineren in een provinciale clustering ontstaat een werkbare organisatie. Zie voor een nadere uitwerking ook het PvA voor het MIRT-onderzoek /NOVEX Lelylijn. ProRail zal worden betrokken bij het project als adviseur van het Rijk en als adviseur cq leverancier van producten voor de werkorganisatie. ProRail zal door het Rijk worden ingeschakeld als adviseur. ProRail zal door het project in ieder geval worden ingeschakeld voor die onderwerpen (zoals dienstregelingsmodellen) welke niet door andere partijen kunnen worden ingevuld. Werkzaamheden die bij ProRail of anderen kunnen worden belegd zullen in principe worden belegd cq aanbesteed. Er zullen nadere afspraken gemaakt worden met ProRail over haar betrokkenheid bij het project. De lobby is geen opgave voor de werkorganisatie. Voor de lobby op het Deltaplan, inclusief de Lelylijn en de Nedersaksenlijn, ligt het initiatief bij de regio. Voor wat betreft de internationale lobby aangaande spoorinvesteringen hebben Rijk en regio gedeelde belangen.
Voor de lobby richting Den Haag ligt dat anders en daarmee is het initiatief bij de lobby voor de regio passend.
Plan van Aanpak MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn
31
In de werkorganisatie is nadrukkelijk niet voorzien in de bemensing/capaciteit die nodig zal zijn om de informatie vanuit de werkorganisatie te verwerken en analyseren om tot een adequate inbreng en belangenbehartiging vanuit de betrokken overheden en andere organisaties te komen, hier zijn de betrokken partijen zelf verantwoordelijk voor. Op korte termijn zal de bemensing moeten worden aangesteld cq geworven, uitgaande van het geschetste plaatje.
3.2 Huisvesting Voorgesteld wordt om voor de werkorganisatie een projectbureau op een passende locatie te organiseren. Voor de huisvesting van het projectbureau ligt het voor de hand een goed bereikbare locatie in het plangebied te kiezen, met uiteraard adequate faciliteiten.
Plan van Aanpak MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn
32
4.
Projectbeheersing
De projectbeheersing is erop gericht het projectresultaat te behalen (inclusief de daarbij behorende kwaliteitscriteria) binnen de gestelde tijd en binnen het afgesproken budget.
4.1
Begroting
In de notitie 'Organisatie, governance en plankosten Deltaplan' wordt een schets gegeven van de plankosten voor het gehele Deltaplan en de verdeling hiervan tussen Rijk en regio. De scope van deze plankosten wordt beperkt tot de plankosten voor de werkorganisatie die zich richt op de het MIRT-onderzoek voor de Lelylijn, de planvoorbereiding voor de Nedersaksenlijn, de planvoorbereiding verbetering bestaand spoor, inclusief de werkzaamheden aan het Deltaplan programma als geheel inclusief in ieder geval de extra werkzaamheden voor NOVEX opgave in noordelijk Nederland, de betrokkenheid/inzet van ProRail en de kosten voor participatie, lobby en communicatie. Ook inbegrepen zijn kosten voor werkzaamheden die de werkorganisatie uitbesteed aan derden of aan de betrokken lijnorganisaties. Niet in deze plankosten zitten de kosten die gemaakt worden voor de begeleiding van de werkorganisatie aan regionale en rijkszijde buiten de werkorganisatie om (waaronder de kosten voor de ambtelijke begeleidingsgroep(en)) en voor het vervullen van de wettelijke rollen van de overheden. Ook niet inbegrepen zijn de kosten die partijen maken voor de inschakeling van partij-gebonden backoffices en adviseurs. Het gaat om de plankosten die gemaakt worden in de periode van het eerste Bestuurlijk Overleg Deltaplan tot en met de Startbeslissing voor de Lelylijn.
Uitgangspunt is dat die beslissing uiterlijk najaar 2024 genomen wordt, hetgeen betekent dat de looptijd van het MIRT-onderzoek op circa 2 jaar is gesteld. Na de Startbeslissing worden de afspraken eventueel herijkt. Een globale schatting van de te maken kosten van de werkorganisatie voor het onderdeel Lelylijn/NOVEX (onderdeel van dit PvA) is: Onderdeel
Beschrijving
MIRT Lelylijn
Projectmanagement, inclusief huisvesting Dienstregelingsmodellen en netwerken (ook ProRail) Varianten onderzoek Lelylijn (oa tracés, kosten, effecten, trechtering en participatie) NOVEX (verstedelijking â economie) â Ontwikkelperspectief Totaal
NOVEX
Plan van Aanpak MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn
33
Schatting plankosten C x 1.000 Exclusief BTW 1.000 1.500 2.500
1.000 6.000
Het is in deze fase erg lastig om een adequate raming van de plankosten van een dergelijk onderzoek te maken. Enerzijds om de scope van het onderzoek in de loop van het onderzoek kan wijzigen, net als de aantallen varianten en de doorlooptijd. Anderzijds zullen er tijdens de looptijd bestuurlijke keuzes worden gemaakt met kennis die we nu niet hebben. Hoewel dit een fors bedrag lijkt, is dit waar in ieder geval rekening mee moet worden gehouden. Ervaring leert dat de kosten van een MIRT-traject tot met de projectbeslissing (het realisatiebesluit), ongeveer 3% van de totale investering bedragen ofwel C 120 miljoen bij een project van C 4 miljard. Een schatting als hierboven beschreven lijkt in dit stadium derhalve alleszins reëel. Praktisch wordt afgesproken dat de plankosten worden geadministreerd door de werkorganisatie. De uitgaven en uitbestedingen worden bijgehouden. Steeds wordt een vergelijking gemaakt met het beschikbare budget. Onderzocht wordt of een samenwerkingsverband in de vorm van een projectorganisatie tussen deelnemende partijen conform de 'transparantiemethode' voor de BTW kan worden toegepast.
4.2 Planning en mijlpalen In de besluiten van het Bestuurlijk Overleg Leefomgeving op 16 juni 2022 is vastgelegd dat het MIRT-onderzoek Lelylijn de basis moet vormen voor een nog deze kabinetsperiode te nemen Startbeslissing voor een MIRT-verkenning. Het MIRT-onderzoek moet dus binnen deze periode worden afgerond. Uitgangspunt is dat die beslissing uiterlijk najaar 2024 genomen is, hetgeen betekent dat de looptijd van het MIRT onderzoek op circa 2 jaar is gesteld. Daarnaast is in het Bestuurlijk Overleg Leefomgeving voorgesteld om met MIRT-onderzoek gefaseerd aan te pakken. In de eerste fase wordt met gebruikmaking van de beschikbare informatie in een plan van aanpak de exacte scope van de verschillende onderdelen bepaald, inclusief eerste verkenning van verstedelijking en economie. In de tweede fase wordt getrechterd van mogelijke naar relevante varianten op basis van de inhoudelijke omschrijving van de Lelylijn, inclusief kosten en mogelijke dekking, draagvlak en relatie met verstedelijking (woningbouw en economie in het kader van de NOVEX). WERKZAAMHEDEN
MIJLPALEN
2022 November/ December
BO MIRT/BOD: vaststellen PvA â aanbieden BID-book Nedersaksenlijn
najaar -
Bemensen programma /projectorganisatie Werklocatie en ICT organiseren
Plan van Aanpak MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn
34
-
-
-
Uitbesteding schetsontwerpsessies Opzetten eerste participatieronde Verkennen uitbesteden Verstedelijkingsstrategie â Economisch ontwikkelperspectief Opstellen afwegingskader, participatieplan â communicatieplan Verkennen Financiering
2023 jan.-maart -
Schetsontwerpproces Eerste participatieronde Opstellen afwegingskader, participatieplan â communicatieplan
voorjaar
juli najaar -
Vaststellen varianten, afwegingskader â participatieplan in BO Deltaplan/Leefomgeving Uitbesteden Participatietraject Ontwikkelperspectief 1e fase NOVEXFase 1 Inventarisatie â gebied Lelylijn opleveren onderzoek Participatie
Tussenrapportage in BO Deltaplan/MIRT
Fase 2 Analyse en synthese
Tussenrapportage in BO Deltaplan/Leefomgeving
2024 voorjaar najaar
Vaststelling resultaten MIRTonderzoek/NOVEX Lelylijn en (go/no-go) Startbeslissing in BO Deltaplan en BO MIRT
De voortgang en planning worden bewaakt in BO MIRT/Leefomgeving/Deltaplan en de daaraan voorafgaande overleggen
4.3 Kwaliteit Voor een MIRT-onderzoek gelden geen standaard kwaliteitseisen. Om gedurende de looptijd van onderzoek een kritische blik te behouden wordt een 'critical review team' (CRT) ingesteld. Hiervoor kan naast bijvoorbeeld wetenschappers zoals de Plan van Aanpak MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn
35
leden van het Expertpanel dat meelas bij het Deltaplan deel B, ook gedacht worden aan Planbureaus en het College van Rijksadviseurs. Het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) heeft aangeboden om gedurende het proces mee te kijken naar 'de casus' Lelylijn en zou ook een plaats kunnen krijgen in dit CRT.
4.4 Managementinformatie De aspecten scope, planning, budget en risico's worden regelmatig gerapporteerd in de vorm van een voortgangsrapportage. Per kwartaal zal dit rapport worden opgesteld en in het projectteam en in het Opdrachtgeversoverleg (OGO) worden besproken.
4.5 Informatiemanagement Leden van de werkorganisatie moeten in staat gesteld worden digitaal samen te werken. De organisatie draagt ook de verantwoordelijkheid voor de juiste (digitale) archivering van de werkzaamheden.
4.6 Communicatie Het MIRT onderzoek kent diverse opdrachtgevers. Deze hebben eigen belangen en vertegenwoordigen een eigen achterban. Goede afspraken over communicatie en communicatie-uitingen zijn daarom belangrijk in de projectbeheersing. Communicatie over de voortgang van het onderzoek dient eenduidig namens alle opdrachtgevers (en dus bij voorkeur vanuit de projectorganisatie) plaats te vinden. Er wordt een apart communicatieplan opgesteld waarin afspraken worden gemaakt over interne en externe communicatie (communicatiemomenten, communicatiemiddelen en over de organisatie van de communicatie). Hierbij dient ook een eigen herkenbare huisstijl ontwikkeld te worden die de eigenheid van de werkorganisatie en gezamenlijkheid van Rijk en Regio representeert. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de aan te stellen Omgevingsmanager.
4.7 Uitbesteding De werkorganisatie en betrokken overheden zullen niet alle benodigde expertise en capaciteit in huis hebben om alle onderdelen van het MIRT-onderzoek uit te voeren. Afhankelijk van het type werk en de beschikbare expertise, moet door de werkorganisatie een afweging gemaakt worden welke werkzaamheden uitbesteed worden. Via uitbesteding kan een beroep worden gedaan op specifieke externe expertise. Het MIRT-onderzoek kan daarbij in zijn geheel en of in delen wordt uitbesteed aan partijen met specifieke expertise. Besloten is om de schetsontwerpsessies (zie 2.1 Scope Lelylijn) extern te laten begeleiden. Dit zal dus als eerste uitbesteed worden.
Plan van Aanpak MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn
36
Mede op basis van de bezetting van de werkorganisatie zal bezien moeten worden welke van de volgende werkzaamheden nog meer uitbesteed moeten worden. - Ontwerp en kostenraming inclusief gevoeligheidsanalyse - Verstedelijkingsstrategie gekoppeld aan Lelylijn (NOVEX ontwikkelperspectief) - Economisch ontwikkelperspectief inclusief internationale vergelijkend onderzoek (NOVEX ontwikkelperspectief) - Participatieproces en omgevingsmanagement Het in zijn geheel uitbesteden van het MIRT-onderzoek heeft als voordelen dat snel resultaat behaald kan worden en een overzichtelijke afstemming mogelijk is vanuit de werkorganisatie. Nadelen zijn de afhankelijkheid van één partij/consortium, het borgen van betrokkenheid overheden die op grotere afstand komen en complexiteit in het organiseren van adequate begeleiding. Daarnaast is het in het verleden lastig gebleken een partij/consortium te vinden met voldoende expertise op de gehele scope van het onderzoek. Het onderzoek in specifieke delen op de markt zetten heeft als voordelen dat regie en coördinatie gevoerd kan worden vanuit de werkorganisatie, een iteratief proces kan worden ingericht, gericht specifieke expertise uitgevraagd kan worden, bij verschillende onderdelen relevante begeleiding kan worden georganiseerd en tussentijds bestuurlijke betrokkenheid kan worden geborgd.
Nadeel is dat verschillende uitbestedingen vertragend kunnen werken en ongelijke uitkomsten op kunnen leveren. Gezien bovenstaande heeft het de voorkeur specifieke onderdelen afzonderlijk uit te besteden, met relevante begeleiding vanuit de projectAprogrammaorganisatie. Binnen de werkorganisatie wordt de samenhang bewaakt. Uitvragen voor grote en/of strategische uitbestedingen worden door de werkorganisatie opgesteld en ter goedkeuring voorgelegd aan het OGO. Rekening moet gehouden worden met (lange) doorlooptijden van aanbestedingen en geadviseerd wordt deze dan ook zo snel als mogelijk op te starten.
4.8 Risico’s Bij belangrijke mijlpalen zoals beschreven in 4.2 wordt op basis van risico-inventarisaties expliciet aandacht besteed aan de risico's en de beheersing ervan. De volgende risico's worden bij aanvang onderkend:
4.8.1 Krapte arbeidsmarkt Als gevolg van krapte op de arbeidsmarkt kan het moeilijk zijn geschikte invulling voor de programma-/projectorganisatie te vinden, danwel opdrachten weg te zetten in de markt. Maatregel: Kritisch bezien welke werkzaamheden zelf (of met ondersteuning vanuit betrokken overheden) uitgevoerd kan worden. Voor werkzaamheden die hier niet onder vallen geldt dat door deelopdrachten van het onderzoek in de markt te zetten, meer (markt-
Plan van Aanpak MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn
37
)partijen kunnen inschrijven. De werkorganisatie moet sturen op de samenhang tussen de onderdelen.
4.8.2 Vertraging onderzoek Het is de ambitie om het MIRT-onderzoek/NOVEX eind 2024 af te ronden om zodoende nog deze kabinetsperiode een go/no-go Startbeslissing te kunnen nemen. Het behouden van voortgang is hiervoor van belang. Maatregel: Per kwartaal rapporteert het projectteam aan het Opdrachtgeversoverleg op de voortgang op de aspecten scope, planning en budget. Zodoende kan tussentijds bijgestuurd worden indien dit vereist is. De juiste balans moet gevonden worden tussen de diepgang in deze MIRT-onderzoeksfase, waarbij sommige (diepergaande) uitwerkingen volgen in een Verkenningsfase.
4.8.3 Hogere kosten Het is in deze fase erg lastig om een adequate raming van de plankosten van een dergelijk onderzoek te maken. Enerzijds om de scope van het onderzoek in de loop van het onderzoek kan wijzigen, net als de aantallen varianten en de doorlooptijd. Anderzijds zullen er tijdens de looptijd bestuurlijke keuzes worden gemaakt met kennis die we nu niet hebben. Ook de huidige krapte op de arbeidsmarkt en de mogelijk langere doorlooptijd (zie voorgaande risico's) kunnen tot hogere kosten leiden. Maatregel: Per kwartaal rapporteert het projectteam aan het Opdrachtgeversoverleg op de voortgang op de aspecten scope, planning, budget en risico's. Zodoende kan tussentijds bijgestuurd worden indien dit vereist is. De juiste balans moet gevonden worden tussen de diepgang in deze MIRT-onderzoeksfase, waarbij sommige (diepergaande) uitwerkingen volgen in een Verkenningsfase.
4.8.4 Complexiteit relatie MIRT/NOVEX Dit onderzoek volgt zowel de MIRT-procedure als de NOVEX aanpak. De dynamiek die hiertussen kan ontstaan, kan een risico vormen zowel op inhoud als op doorlooptijden. Maatregel: Daar waar spanning ontstaat tussen uitgangspunten en/of doorlooptijden van MIRT versus NOVEX dienen deze door de werkorganisatie te worden onderkend en hierop aan de opdrachtgevers te worden gerapporteerd.
4.8.5 Complexiteit governance Er zijn veel verschillende partijen betrokken bij het Deltaplan, zowel aan rijkszijde, maar vooral ook aan regionale zijde. In de notitie 'Organisatie, governance en plankosten Deltaplan' is beschreven hoe partijen in deze onderzoeksfase samenwerken. Evengoed kan de veelheid aan partijen leiden tot vertraging in de samenwerking en de besluitvorming.
Plan van Aanpak MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn
38
Maatregel: Omdat het niet haalbaar is om alle betrokken partijen op alle momenten aan tafel te hebben, moet op verschillende plekken gewerkt worden met gemandateerde delegaties. Het Opdrachtgeversoverleg als gedelegeerd opdrachtgevers vanuit het Directeurenoverleg en de ambtelijke begeleidingsgroep als delegatie vanuit de betrokken rijks en regiopartijen. Om goed te functioneren is het van belang dat deze delegaties het vertrouwen van hun achterbannen genieten. Om deze te behouden is goede en tijdige terugkoppeling en afstemming vanuit deze twee gedelegeerde overleggen naar hun achterban essentieel. Deze dient vanuit de programma-en projectorganisatie ondersteund te worden met voortgangsrapportages en goede besluitstukken.
4.8.6 Complexiteit met raakvlakken De Lelylijn kent vele raakvlakken met andere (spoorse) dossiers (o.a. Zuidasdok â IJmeerlijn) (nationale) programma's, NOVEX-gebieden en ruimtelijke puzzels van provincies, waarbij de vraag is waar prioriteit aan gegeven wordt. Maatregel: Afstemming en coördinatie binnen het Deltaplan en van het Deltaplan met overige raakvlakken is belegd bij de programma organisatie Deltaplan. In de periodieke voortgangsrapportages worden deze relaties beschreven en zo nodig wordt hier afstemming over georganiseerd binnen DO/BO-Deltaplan en BO-MIRT.
4.8.7 Bewaken scope Gedurende het proces zal er de wens zijn om vele varianten en alternatieven te onderzoeken. Anderzijds is er een beperking in tijd en geld. Gedurende het proces zullen afwegingen gemaakt moeten worden over zaken die wel en niet meegenomen worden in deze onderzoeksfase. Maatregel: In de rapportages aan de opdrachtgevers/bestuurders moet beargumenteerd aangegeven worden waarom onderdelen wel of niet mee zijn genomen in de scope van dit onderzoek, zodat hiervoor bij alle betrokkenen begrip en draagvlak ontstaat.
4.8.8 Vooringenomen posities De Lelylijn is een langlopend dossier, waarop velen hun mening en positie reeds hebben bepaald. Dit kan het onderzoek, danwel de wijze waarop de onderzoeksresultaten worden ontvangen beïnvloeden. Maatregel: Duidelijke scheiding aanbrengen tussen het inhoudelijke onderzoek (waardevrij) en de bestuurlijke besluitvorming over de uitkomsten van het onderzoek.
4.8.9 Verschuiving bestuurlijk draagvlak Als gevolg van verkiezingen gedurende de looptijd van het onderzoek kan er een verschuivingen optreden in het bestuurlijk draagvlak voor het onderzoek. Daarna kunnen langlopende coalitievorming leiden tot demissionaire bestuurders die geen onomkeerbare besluiten mogen nemen.
Plan van Aanpak MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn
39
Maatregel: Tweejaarlijkse bestuurlijke afstemming in het Bestuurlijk Overleg Deltaplan. Alle betrokken overheden dragen hierbij de verantwoordelijkheid voor adequate borging van het proces bij de eigen raden/staten/tweede kamer. Er zal daarbij een gezamenlijk communicatietraject worden ingericht.
4.8.10 Niet tot besluitvorming komen Het proces van 'trechtering' van varianten, vraagt om lastige keuzes. Niet alle afzonderlijke ambities zullen tot het einde van het proces en richting Verkenningsfase meegenomen kunnen worden. Dit, in combinatie met het grote aantal verschillende overheden die gezamenlijk het proces dragen, roept de vraag op, 'hoe kiezen we'? Maatregel: Het is wenselijk om aan de voorkant met elkaar afspraken te maken over de wijze waarop besluitvorming binnen het programmaVproject. Hiervoor wordt een kort verdiepend onderzoek uitgevoerd.
4.8.11 Ecologische impact Lelylijn Aandacht voor de ecologische impact van de Lelylijn is van belang. Geen of te weinig aandacht voor dit aspect kan terugslaan op het project door aanvullende onderzoek en gerechtelijke procedures, waarbij ook de beperkte capaciteit van de rechterlijke macht van invloed is op de voortgang. Maatregel: Ecologische impact van varianten moet beschreven worden, inclusief de bijbehorende risico's.
Plan van Aanpak MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn
40
5.
Bijlagen 5.1
Bestuurlijke afspraak Lelylijn (16-6-2022)
Bijlage Bestuurlijke afspraak Lelylijn Start MIRT-onderzoek Lelylijn
^
^ ^
^
^
^
^ ^
^
^
Ter uitvoering van het Coalitieakkoord van kabinet Rutte IV starten Rijk en regio voortvarend en op basis van reeds beschikbare informatie met een integraal en breed MIRT-onderzoek gericht op de realisatie van de Lelylijn, passend binnen het totale Deltaplan voor het Noorden. Het onderzoek richt zich op de Lelylijn als backbone van de ontwikkeling van het noordelijk deel van Nederland om te komen tot economische structuurversterking, de verstedelijkingsopgave en de verbetering van de bereikbaarheid en waarbij de effecten in combinatie met de aanleg van de Nedersaksenlijn, verbetering van onderdelen van het bestaande spoor en internationale aantakking richting Duitsland worden onderzocht. Rijk en Regio onderkennen dat de wisselwerking tussen het MIRT-onderzoek Lelylijn en het programma Deltaplan voor het Noorden goed bewaakt moet worden. Het MIRT-onderzoek gefaseerd aan te pakken. In de eerste fase wordt met gebruikmaking van de beschikbare informatie in een plan van aanpak de exacte scope van de verschillende onderdelen bepaald, inclusief eerste verkenning van verstedelijking en economie. In de tweede fase te trechteren van mogelijke naar relevante varianten op basis van de inhoudelijke omschrijving van de Lelylijn, inclusief kosten en mogelijke dekking, draagvlak en relatie met verstedelijking (woningbouw en economie in het kader van de NOVEX).
Hierbij worden de volgende dossiers met raakvlakken betrokken: Een studie naar de Nedersaksenlijn. o De relatie met verbeteringen aan bestaand spoor. o De samenhang met de internationale verbinding Nederland - Noord Duitsland/Scandinavië/Baltische staten. o Uitwerking van water en bodem als sturende principes. o Een nog gezamenlijk uit te voeren evaluatie van het Regio Specifiek Pakket (RSP) die kan bijdragen aan inzichten voor een volgende economische en sociale impuls. In lijn met het Coalitieakkoord 'Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst' samen te zoeken naar aanvullende dekking voor realisatie van de Lelylijn waaronder financiering vanuit de regio en uit Europese fondsen. Te werken aan opname van de Lelylijn in het TEN-T extended kernnetwerk en daaropvolgend een plan uit te werken voor Europese cofinanciering, waaronder CEF. Het MIRT-onderzoek Lelylijn moet de basis vormen voor een nog deze kabinetsperiode te nemen Startbeslissing voor een MIRT-verkenning. Hiervoor moet een voorlopige voorkeursvariant uitgewerkt zijn met een betrouwbare kostenraming en zicht op minstens 750Zo van de financiering van deze voorlopige voorkeursvariant Een gezamenlijke governance structuur en werkorganisatie op te zetten voor de verdere uitwerking van het MIRT onderzoek, inclusief planning en begroting.
Kernelementen daarvan zijn een Bestuurlijk Overleg Deltaplan (BO-Deltaplan) voor de bestuurlijke aansturing en een ambtelijk Programmateam. De governance en werkorganisatie worden nader uitgewerkt en (voor het BO-MIRT in het najaar) ter vaststelling aan het eerste BO-Deltaplan voorgelegd. Gezamenlijk een participatieproces als onderdeel van het MIRT-onderzoek op te starten en hiervoor een omgevingsmanager aan te stellen en een breed participatieplan op te stellen.
Plan van Aanpak MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn
41
5.2
Bouwstenen voor het Deltaplan (deel A)
Bouwstenen voor het Deltaplan, noordelijk Nederland en het stedelijk netwerk Nederland beter verbonden (deel A)
Plan van Aanpak MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn
42
5.3
Gezamenlijke analyse Deltaplan (deel B)
Gezamenlijke analyse Deltaplan voor Noordelijk Nederland (deel B)
Plan van Aanpak MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn
43
5.4
Informatieprofiel Startbeslissing
2.6 Spelregels over de voorbereiding van de startbeslissing * De startbeslissing wordt, binnen het mandaat van de besluitvorming in het BO-MIRT ambtelijk voorbereid door vertegenwoordigers van de betrokken overheidsorganisaties. » De voorbereiding van de startbeslissing bestaat uit het opstellen van het startdocument dat op hoofdlijnen de in het onderstaande informatieprofiel opgesomde informatie dient te bevatten.
Informatieprofiel startdocument I Opgave(n) Over de opgave(n) wordt in het startdocument tenminste het volgende omschreven: » de opgave(n), bestaande uit de aanleiding, urgentie, aard en omvang, onderbouwing en globale afbakening inclusief samenhang met de NOVI en de uitwerkingen daarvan, rijksdoelen en regionale doelen, prioriteiten en belangen. * de reikwijdte van de integrale opgave en het gebied waar de opgave over gaat. Naast de opgaven voor verkeersveiligheid, bereikbaarheid, water en ruimte (wonen en werken) worden (indien deze aspecten daarbij een rol spelen) ook de raakvlakken benoemd met zaken als duurzaamheid en energieneutraliteit, woningbouw, landschap, cultureel erfgoed, kennis van de bodem en onder grond en klimaatadaptatie en - verandering, en eventuele internationale aspecten. » de ontwikkeling van de situatie in de toekomst zonder ingreep; hoe ontwikkelt deze zich in de toekomst? » hoe er rekening gehouden wordt met, (nieuwe) ontwikkelingen en meekoppelkansen die zich aandienen tijdens het project en wie daarbij regie pakt * een aanpak van de opgave(n) op hoofdlijnen. » de verschillende belangen van betrokken partijen bij de opgave(n): legitimatie van de rol van het Rijk, betrokken decentrale overheden en andere partijen.
II Oplossingsrichtingen Over de oplossingsrichtingen bevat het startdocument tenminste het volgende: » een beschrijving van de reikwijdte van oplossingsrichtingen of alternatieven die in ogenschouw worden genomen. Dit bepaalt de breedte van de verkenning. In sommige gevallen is bij de start van een verkenning al duidelijk welke oplossingsrichting door de deelnemers van het BO-MIRT in ieder geval onderzocht zal worden (bijvoorbeeld aanpassing infrastructuur, dijkversterking). In dat geval wordt deze oplossingsrichting beschreven en onderbouwd in de startbeslissing. Bij het nemen van de startbeslissing moet ervoor deelnemers van het BO-MIRT zicht zijn op een meest voor de hand liggende oplossing.
Plan van Aanpak MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn
44
III Betrokken partijen In het startdocument staat tenminste het volgende over het betrekken van partijen: * een globale beschrijving welke partijen (maatschappelijke en private organisaties, burgers, decentrale overheden) worden betrokken en welke informatie aan hen ter beschikking wordt gesteld. * op welke manier rekening wordt gehouden met de toepasselijke wettelijke verplichtingen over participatie en inspraak van derden.
IV Besluitvorming In het startdocument worden tenminste de volgende bestuurlijke afspraken voorbereid: » het bepalen wie de initiatiefnemer(s) en trekker(s) van de verkenning worden. » de verdeling van rollen en bevoegdheden tijdens de verkenning.
V Financiën In het startdocument wordt tenminste op de volgende manieren aandacht geschonken aan de financiën: * de startbeslissing markeert de start van de MIRT-verkenning. Bij deze start moet inzichtelijk zijn welke bronnen bij de deelnemende partijen beschikbaar zijn om de verschillende doelen te dekken. Bekostiging vanuit het Mobiliteitsfonds of Deltafonds kan aan de orde zijn als de doelen passen binnen de wettelijke scope van deze fondsen. * bij de start van de MIRT-verkenning dient er zicht te zijn op tenminste 7596 financiering van de meest voor de hand liggende oplossing van de opgave.7 Hierbij worden naast de initiële investeringskosten ook de verandering in de beheer- en onderhoudskosten meegenomen. » daarnaast spannen de betrokken overheden zich in om te onderzoeken of er referentieprojecten zijn die qua type oplossing vergelijkbaar zijn met de onderhavige meest voor de hand liggende oplossing van de opgave. Als er referentieprojecten zijn, worden zowel de kosteninschatting/raming van die projecten als de lessen die volgen uit het financiële verloop van het project onderbouwd meegenomen in het opstellen van de kosteninschatting/raming voor de meest voor de hand liggende oplossing van de opgave. Ook beoordeelt een onafhankelijke kostenexpert de kwaliteit van de kosteninschatting/raming.
Deze eisen gelden voor alle te starten MIRT-verkenningen, MIRT-verkenningen die onderdeel zijn van een breder programma zijn hier niet van uitgezonderd. De separate onderdelen van een programma moeten ieder 7596 zicht op financiering hebben bij de start van de verkenning. Uitzondering hierop is als voor een programma programmafinanciering is vastgelegd en de programmaonderdelen daaruit gefinancierd kunnen worden. » partijen spreken af om de belangrijkste risico’s die zich kunnen voordoen bij de meest voor de hand liggende oplossing te inventariseren en deze expliciet onderdeel te maken van verdere besluitvorming. * om te kunnen komen tot de benodigde bekostiging wordt breed gekeken welke baathebbers er zijn bij de, volgens de deelnemers aan het BO-MIRT, meest voor de hand liggende oplossing van de opgave en hoe deze (financieel) betrokken kunnen worden bij de realisatie van de oplossing. Baathebbers kunnen zowel publieke als private partijen zijn.
VI Juridische aandachtspunten In het startdocument wordt rekening gehouden met de volgende juridische aandachtspunten: * het startdocument is gericht op bestuurlijke besluitvorming. Het is mogelijk dat voor het juridische spoor van de besluitvorming, aanvullende informatie noodzakelijk is. Zo verplicht bijvoorbeeld de m.e.r-regelgeving om niet alleen het alternatief dat de bestuurlijke voorkeur geniet mee te nemen, maar ook redelijke alternatieven. Als hiervan sprake is, wordt dit expliciet benoemd in het startdocument. * om dubbel werk te voorkomen, wordt ernaar gestreefd dat het startdocument ook de informatie bevat die noodzakelijk is voor de besluitvorming door het bevoegd gezag (besluitvorming in juridische zin).
Plan van Aanpak MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn
45
» na inwerkingtreding van de Omgevingswet kan samenloop ontstaan tussen deze startbeslissing en kennisgeving voornemen. In het startdocument worden mogelijke aandachtspunten expliciet benoemd. * er zijn situaties waarin het nemen van een voorkeursbeslissing in de zin van de Omgevingswet niet verplicht is, maar dat het bevoegd gezag zelf kan bepalen of ze een dergelijke beslissing neemt. In het startdocument wordt aangegeven of een voorkeursbeslissing in de zin van de Omgevingswet verplicht en zo niet, of het bevoegd gezag wel of geen voorkeursbeslissing (in de zin van de Omgevingswet) neemt. * het startdocument bevat een beschrijving van de bestuurlijk-juridische procedure(s) die (mogelijk) gevolgd moet(en) worden.
VII Aanpak vervolg Over de aanpak voor het vervolg bevat het startdocument tenminste het volgende: » een toelichting welke stappen globaal worden doorlopen om te komen tot het volgende beslis moment (go/ no go) en met welk tijdspad (waarbij ook, indien van toepassing, rekening wordt gehouden met wettelijke termijnen).
Plan van Aanpak MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn
46
5.5 Aanbevelingen voor vervolgonderzoek uit Gezamenlijke analyse Deltaplan (deel B) Op basis van de conclusies en bevindingen uit dit onderzoek doen we de volgende aanbevelingen: “ In de basisanalyse is het volledige woningbouwprogramma doorgerekend. Dit wil zeggen tot 2040 de 100 duizend autonome groei plus de 220 duizend woningen als gevolg van het Deltaplan. Om de doorrekening te maken, zijn er gedurende het proces onderbouwde aannames gedaan rondom de locaties van de woningbouw, type woonmilieus, woningopbrengsten, etc. Uit een eerste realiteitstoets is echter gebleken dat een extra vraag in Noordelijk Nederland van deze omvang niet realistisch is. Dit vanwege de relatief beperkte vraag naar woningen in Noordelijk Nederland vanuit andere landsdelen, ontoereikende woningbouwproductie en de lastige timing met de aanleg van de spoorlijnen. Hoe het woningbouwprogramma eruit moet komen te zien vraagt om extra verdiepend onderzoek waar ook de ontbrekende elementen (ook met betrekking tot de economische ontwikkeling; zie hieronder) ingevuld moeten worden. Het ligt voor de hand om vanuit bestaande succesvolle regio’s te onderzoeken in welke mate er extra woningen en arbeidsplaatsen kunnen worden gerealiseerd aansluitend bij kansrijke sectoren en ontwikkelingen en bij de potentieel aan te spreken woonvraag.
Gezien de ook al forse autonome opgaven en onzekere ontwikkelingen op lange termijn is het niet onverstandig om over strategische woningbouwlocaties te beschikken. “ Werk voor potentiële woningbouwlocaties een locatiespecifieke grondexploitatie uit en hou daarbij ook rekening met bovenplanse infrastructuur en voorzieningen. In voorliggende analyse is een zeer globale grondexploitatie berekend; deze liet op het totaal een positieve uitkomst zien, maar juist bij stedelijke (her)ontwikkeling) zal dit vaak niet het geval zijn, en is voor realisatie overheidsfinanciering benodigd, zeker als ook bovenplanse voorzieningen worden meegenomen). Voor de bovenplanse infrastructuur is het zaak te kijken naar de belasting van bestaande infrastructuur en de invloed op bestaande knelpunten. Het woningbouwprogramma is afhankelijk van trends in woonwensen en -voorkeuren, maar ook of Noordelijk Nederland in staat om de economische ontwikkelpotenties aan te spreken (waterstof en energietransitie, medische en lifescience technologie, watertechnologie, agrofood en groene chemie). Het Deltaplan deel A bevat behalve het streven om de sociaaleconomische dynamiek te verbeteren geen informatie over de manier waarop hier invulling aan kan worden gegeven. Het vervolg vraagt om nader onderzoek naar mogelijke contouren van een economische programma en de interactie hiervan met het spoorpakket.
Zonder zo’n programma is het onwaarschijnlijk dat er voldoende gevarieerde werkgelegenheid ontstaat. Voor investeringen in het spoor bevelen we een stapsgewijze opbouw van eventuele vervolgonderzoeken aan: o Maak eerst duidelijk welke alternatieven en varianten kansrijk of wenselijk zijn. o Werk deze vervolgens uit in concrete tracés (nodig voor kostenanalyses, maar ook geluids- en
trilingsanalyses) en dienstregelingen (nodig voor vervoerwaarden en exploitatie). Stem hierover af tussen rijk en regio toets dit bij spoorse partijen. We bevelen aan meerdere dienstregelingsmodellen te onderzoeken. o Onderzoek vervolgens modelmatig aan de hand van een laag en hoog scenario wat deze infrastructuur voor effecten heeft zonder extra ruimtelijke ingrepen/ruimtelijk programma. o Onderzoek vervolgens hoe de spoorlijn kan bijdragen aan knooppuntontwikkeling agglomeratievorming en vice versa. Neem daarbij ook opties mee om de knopen vanuit een ruimere regio beter te ontsluiten (lokaal/regiomaal OV, P+R voorzieningen).
Plan van Aanpak MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn
47
o Neem ook het internationaal perspectief mee: de Lelylijn kan mogelijk een rol gaan spelen in de toekomstige verbinding naar Hamburg en Bremen, de Nedersaksenlijn op de verbinding Emmen-Rheine. o Ook het perspectief van het goederenvervoer verdient aandacht (Nedersaksenlijn). o Zorg voor een iteratiemogelijkheid waarin op basis van eerste resultaten kan worden gezocht naar optimalisaties.
Plan van Aanpak MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn
48
5.6
Twopager waardevoNe(n) participatie
Twopager "Waarde(n)volle participatie Zo doen we dat bij IenW" De bestuursraad van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft in 2021 met het Kompas de volgende ambitie uitgesproken op het gebied van participatie: "We werken en denken vanuit de (maatschappelijke) opgave in het licht van de transities slimme en groene mobiliteit, klimaatadaptatie en circulaire economie. Daarbij werken we van buiten naar binnen, transparant en zetten de burger/het bedrijf centraal. Vanaf het begin van de opgave wordt ook structureel over participatie nagedacht." "We willen een overheid zijn die transparant is en in interactie met stakeholders (burgers en bedrijven) opereert."
Om die ambitie te realiseren heeft de bestuursraad de kernwaarden van de International Association for Public Participation (IAP2) omarmd en, door de directie Participatie, in de 8 onderstaande succesfactoren voor participatie laten vertalen: 1.
4.
Alle relevante stakeholders (iedereen die door het beleid/besluitvorming geraakt wordt of er in geïnteresseerd is) worden tijdig betrokken. Stakeholders beschikken over voldoende informatie om een betekenisvolle bijdrage te kunnen leveren en worden adequaat geïnformeerd en waar nodig voldoende gefaciliteerd, zodat er een gelijk speelveld ontstaat. Er is een aanpak voor de participatie, bijvoorbeeld omschreven in een projectplan of apart participatieplan. Het participatieplan is samen met de stakeholders opgesteld of met hen afgestemd.
5.
Er is een bestuurlijk (politiek en ambtelijk) besluit t.a.v. hetparticipatieproces.
6.
De wensen en belangen van alle stakeholders (inclusief beslissers) worden inzichtelijk gemaakt en erkend.
7.
De inbreng van participanten wordt serieus meegewogen.
8.
Stakeholders krijgen te horen op welke manier hun inbreng wordt gewogen en heeft doorgewerkt.
2.
3.
De Tweede Kamer heeft in 2014 reeds in debat met de minister van Infrastructuur en Milieu en door het indienen van moties het belang onderstreept van maatschappelijke participatie. Dit belang is verwoord in de Code Maatschappelijke Participatie die gebruikt moet worden bij MIRTprojecten. De code kent drie uitgangspunten voor participatie: 1. 2. 3.
Inbreng vanuit de maatschappij wordt gedurende het gehele planproces meegenomen Maatschappelijke initiatieven worden met dezelfde zorg als overheidsinitiatieven behandeld Participatie is transparant
Bij het ontwerp en de uitvoering van een participatieproces hanteert het ministerie vervolgens de in 2019 door de Nationale Ombudsman meegegeven randvoorwaarden voor goede participatie: 1. 2. 3. 4.
Geef als bestuur duidelijkheid over de kaders Zorg voor een open houding en gedrag van ambtenaren Stel voldoende tijd en geld beschikbaar Evalueer en pas geleerde lessen toe
Op verzoek van de minister heeft het Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving in 2019 de lessen in Participatie opgehaald. In het rapport zijn enkele duidelijke aanbevelingen opgenomen over participatie in relatie tot IenW. De belangrijkste zijn: 1. 2.
Participatie is alleen zin vol als er politiek ruimte is om met stakeholders in gesprek te gaan. De kaders voor participatie moeten vooraf expliciet besproken worden. Bij drukte gaat de aandacht niet uit naar participatietrajecten. Medewerkers moeten meer het gevoel krijgen dat er ruimte en tijd is voor participatie.
Plan van Aanpak MIRT-onderzoek/NOVEX Lelylijn
49
3.
4.
Participatie is vaak iets dat een medewerker erbij doet, terwijl het onderdeel zou moeten zijn van het primaire proces en integraal onderdeel van de functie, zodat medewerkers participatiecompetenties kunnen ontwikkelen. Participatie moet (nog meer) onderdeel worden van het HR-beleid. Een continu leerproces is nodig om zowel de formele kennis over participatie als de vaardigheden die nodig zijn om een participatieproces te regisseren te vergroten.