CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

12.1 Ruimtelijke Onderbouwing Entreegebouw Waterloopbos.pdf

Gemeenteraad 16 mei 2022, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 11: (Ontwerp) verklaring van geen bedenkingen entreegebouw Waterloopbos18.168 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Projectspecifiek In het plan zijn de functies dagrecreatie en horeca voorzien. Deze functies worden volgens de Wet geluidhinder niet als geluidgevoelig bestemd. Het entreegebouw is wel een geluidsbelastende functie, hierop is in de voorgaande paragraaf reeds ingegaan. Vanuit de Wet geluidhinder en vanuit een goede ruimtelijke ordening is geen nader onderzoek naar geluid vereist. 4.4

Flora en Fauna

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bepaald worden of een plan geen nadelige effecten heeft voor beschermde plant- en diersoorten en natuurgebieden in en nabij het plangebied. De Wet natuurbescherming (Wnb), sinds 1 januari 2017 de opvolger van de Flora en Faunawet, geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor de bescherming van soorten. De provincie is bevoegd gezag en toetst of ruimtelijke ingrepen of activiteiten voldoen aan de bepalingen voor de bescherming van natuurgebieden en voor soorten. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid is het Rijk bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Er worden 2 typen natuurgebieden onderscheiden, die elk een eigen beschermingsregime kennen: Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura 2000-gebieden De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Wnb stelt dat voor elke ruimtelijke ingreep onderzocht moet worden of er sprake is van mogelijke significante effecten op Natura 2000-gebieden. Voor Natura 2000gebieden geldt dat daarbij ook gekeken moet worden naar ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken. Dit wordt ‘externe werking’ genoemd.

Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000- gebied is vergunningsplichtig en kan alleen worden vastgesteld als uit onderzoek met zekerheid blijkt dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Dit onderzoek wordt een “passende beoordeling” genoemd. Als de passende beoordeling uitwijst dat deze zekerheid er niet is, dan is de Pagina 26

A

11 U

K w

Ruimtelijke onderbouwing Entreegebouw Waterloopbos, Noordoostpolder

■M S'4 fii'

1

J

■ ■UK lil

volgende stap een ADC-toets. Het plan kan alleen worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. 2. 3.

Er zijn geen alternatieve oplossingen om het doel te bereiken ^ alternatief); Er zijn dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, die de ingreep noodzakelijk maken ^ dwingende reden) Er worden maatregelen getroffen om de negatieve effecten van de ingreep op het Natura 2000netwerk te compenseren ^ compensatie).

Provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het NNN was voorheen bekend als de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De provincies zijn volgens artikel 1.12 Wnb verantwoordelijk voor de totstandkoming en instandhouding van het NNN. Zij wijzen daartoe in provinciale omgevingsvisies en verordeningen gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Alleen als kan worden aangetoond dat ruimtelijke ingrepen of activiteiten geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden van de NNN of als deze negatieve effecten kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming Naast de bescherming van gebieden, zorgt de Wnb ook voor de bescherming van soorten. Er zijn verschillende niveaus van bescherming. Deze beschermingsregimes komen voort uit internationale verdragen en zijn aangevuld met nationaal beschermde soorten. De beschermingsregimes leiden tot verschillende verbodsartikelen per categorie soorten: ^ soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); ^ soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); ^ andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.

Projectspecifiek Om te bepalen of het plan negatieve effecten heeft op beschermde gebieden en/of soorten is een ecologisch onderzoek uitgevoerd door Blom Ecologie B.V., zie bijlage 2. Het veldonderzoek heeft plaatsgevonden op 13 september 2021. De weersomstandigheden tijdens het veldonderzoek waren; droog, 6/8 graden Celsius en windkracht 2-3 (Bft). Uit de quickscan van Blom Ecologie B.V. komen de volgende conclusies naar voren die navolgend besproken worden. Soortenbescherming In de quickscan wordt vermeld dat: ‘De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart - 15 juli).’ Uit het veldonderzoek is geconcludeerd dat de planlocatie (mede gelet op de opbouw van het plangebied) geen essentiële betekenis heeft voor beschermde soorten. Verder wordt in de quickscan benoemd dat op de planlocatie zelf, vanwege het onderhoudsbeeld, geen elementen aanwezig zijn Pagina 27

A

11 U

K w

Ruimtelijke onderbouwing Entreegebouw Waterloopbos, Noordoostpolder

■M S'4 fii'

1

J

■ ■UK lil

welke de wezel dekking kan bieden wordt. Echter is door de provincie wel aangegeven dat bekend is dat de wezel gebruik maakt van mollengangen. De wezel kan dus niet zonder meer binnen het plangebied worden uitgesloten als er mollengangen worden aangetroffen. Hier zal bij aanvang van de werkzaamheden nadrukkelijk op worden geïnspecteerd. Ook wordt in de quickscan benoemd dat voor broedvogels de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen. Dit betekent dat indien de beoogde werkzaamheden opgestart worden tijdens het broedseizoen er voorafgaand aan de werkzaamheden een inspectie dient plaats te vinden door een ter zake deskundige. Gebiedsbescherming In de quickscan wordt ten aanzien van gebiedsbescherming het volgende geconcludeerd: ‘De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. De planlocatie maakt wel onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Aangezien de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden binnen het vigerende bestemmingsplan is ‘nee, tenzij’-toets niet noodzakelijk. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie op Natura 2000-gebieden wel inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS Calculator.’ Er is in de quickscan ten onrechte geconcludeerd dat de ontwikkeling binnen de vigerende beheersverordening past.

Dit is niet het geval omdat de oppervlakte van het nieuwe entreegebouw meer dan de planologisch toegestane oppervlakte van 250 m2 bedraagt. In paragraaf 3.2.3 wordt echter onderbouwd dat ondanks het plan niet in de vigerende beheersverordening past, het plan niet zorgt voor een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN gebied. Binnen het Voorsterbos wordt het Waterloopbos aangewezen als een industrieel erfgoed monument. In het Waterloopbos komt er plaatselijk krabbenscheervegetaties voor en het bos kent een sterke kwel. De kwel wordt veroorzaakt door de druk van het nabij gelegen Vollenhover- en Kadoelermeer. Dit leidt in de winter tot hoge grondwaterstanden die in het voorjaar en de zomer echter diep wegzakken. De waterkwaliteit is dusdanig dat hier bijzondere flora en fauna te vinden zijn. De realisatie van het nieuwe entreegebouw draagt bij aan de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Het entreegebouw draagt bij aan de uitvoering en langdurige duurzame instandhouding van het versterken van het Natuurnetwerk Nederland en houdt, mede gelet op het hoofddoel van Natuurmonumenten, geen aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden in. Ten aanzien van de stikstofemissie op Natura 2000-gebieden zal een Aeriusberekening worden uitgevoerd. Deze is opgenomen in paragraaf 4.4.2.

Houtopstanden In de quickscan wordt het volgende geconcludeerd: ‘Op de planlocatie zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. ’ Op de planlocatie zijn geen bomen gesitueerd. De planlocatie is echter wel gelegen in een bosrijk gebied. Er worden ten behoeve van de ontwikkeling geen bomen gekapt. Er is dan ook geen kapmelding nodig.

Pagina 28

A

11 U

K w

Ruimtelijke onderbouwing Entreegebouw Waterloopbos, Noordoostpolder

■M S'4 fii'

1

J

■ ■UK lil

Uitvoerbaarheid In de quickscan wordt het volgende vermeld over de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling: ‘De realisatie van een nieuw bezoekerscentrum leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van Algemene Zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.’ De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Sloop tijdelijke bezoekerscentrum Het tijdelijke bezoekerscentrum met kleinschalige horeca zal uiteindelijk na de oplevering van het nieuwe entreegebouw worden gesloopt. Het voormalige bezoekerscentrum zal wel blijven bestaan. Dit gebouw fungeert als een opslagplaats en werkplaats van Natuurmonumenten en zal in de toekomst kunnen worden gebruikt als startpunt van excursies. Er is 12 oktober 2017 een ontheffing verleend voor het vernietigingen van verblijfsplaatsen van vleermuizen door de voorgenomen sloop van de Deltahal in het Waterloopbos (zie bijlage 3).

Deze ontheffing is aangevraagd voor wat betref exemplaren van de gewone grootoorvleermuis, gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. In deze ontheffing is opgenomen dat de kraamkolonie grootoorvleermuizen gedurende 5 jaar gemonitord moet worden en er vast dient te worden gesteld of aangeboden alternatieven in gebruik worden genomen. Als alternatief zijn een aantal kasten in omliggende bomen gehangen en aan het oude bezoekerscentrum. Aan het tijdelijke bezoekerscentrum zijn geen kasten opgehangen. Het Landschapsbeheer Flevoland voert de monitoring uit. Het tijdelijke bezoekerscentrum wordt meegenomen in de onderzoeksrondes in verband met de uiteindelijke sloop hiervan. Eind zomer 2022 wordt inzichtelijk of er vleermuizen in het tijdelijke bezoekerscentrum zitten. Op dat moment wordt nader bepaald of het tijdelijke bezoekerscentrum gesloopt kan worden na oplevering van het nieuwe entreegebouw of dat er aanvullend onderzoek benodigd is. Verlichting Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. In de quickscan is hierover het volgende aangegeven: ‘Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang.

Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. ’ Bij bovenstaande conclusie uit de quickscan wordt aangesloten. Buitenverlichting wordt als vleermuisvriendelijke verlichting uitgevoerd. De buitenverlichting is bedoeld als oriëntatie om de bezoekers van het entreegebouw te begeleiden naar de parkeerplaatsen en zal enkel worden toegepast daar waar noodzakelijk. Geconcludeerd kan worden dat het nieuwe entreegebouw uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming. 4.4.2 Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden Op 15 juni 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vastgesteld. Het PAS bevat maatregelen die leiden tot een afname van stikstofdepositie en maatregelen die leiden tot een versterking van de

Pagina 29

A

11 U

K w

Ruimtelijke onderbouwing Entreegebouw Waterloopbos, Noordoostpolder

■M S'4 fii'

1

J

■ ■UK lil

natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden. Een gedeelte van de toekomstige afname van stikstofdepositie kan vervolgens worden opgevuld door economische activiteiten die leiden tot een toename van stikstofdepositie. In de praktijk blijkt echter dat de afname van stikstofdepositie als gevolg van de maatregelen niet gegarandeerd kan worden. Daarom heeft op 29 mei 2019 de Raad van State een uitspraak gedaan waarin de Raad oordeelt dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Het uitgangspunt is sindsdien nog steeds dat voor nieuwe initiatieven aangetoond moet worden dat er geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofemissies en -deposities ontstaan als gevolg van het initiatief. Het instrument waarmee de stikstof berekend kan worden is de AERIUS Calculator (update januari 2022). Op 10 maart 2021 is een nieuwe Stikstofwet vastgesteld en op 18 juni 2021 het besluit gepubliceerd die de wet nader uitwerkt. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering regelt onder meer drie resultaatsverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 400Zo van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 7407o. Als gevolg van deze maatregelen gelden er nieuwe uitgangspunten voor een stikstofberekening.

Zo hoeft de bouwfase niet meer meegenomen te worden in de berekening, enkel nog de gebruiksfase. Het besluit over deze wet is per 1 juli 2021 inwerking getreden.

Projectspecifiek In onderstaande afbeelding is een overzicht van nabijgelegen Natura 2000-gebieden weergegeven.

Pagina 30

A

11 U

K w

Ruimtelijke onderbouwing Entreegebouw Waterloopbos, Noordoostpolder

■M S'4 fii'

1

J

■ ■UK lil

Figuur 12. Overzicht Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied (bron: Aeriuscalculator).

Het plangebied maakt zelf geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Binnen de 10km-zone van het plangebied bevinden zich vijf Natura 2000-gebieden. Met de Aeriusberekening moet worden vastgesteld of de gebruiksfase een toename van de emissie van stikstofoxiden tot gevolg heeft. Voor de gebruiksfase wordt gekeken naar de toename van stikstof als gevolg van extra vervoersbewegingen en als gevolg van het gebruik van het entreegebouw. Zoals reeds vermeld is de aanlegfase van een ontwikkeling vrijgesteld bij een Aeriusberekening sinds 1 juli 2021 en behoeft dus niet mee meegenomen te worden. Voorliggend plan betreft de realisatie van een entreegebouw. Per 1 juli 2018 is de wet Voortgang Energietransitie (wet VET) van kracht geworden, die zegt dat het niet meer is toegestaan om nieuwbouw met aardgas te realiseren, tenzij de gemeente beslist dat er zwaarwegende belangen zijn om hier van af te wijken. Het plan wordt derhalve aardgasvrij opgeleverd. Voor voorliggend plan behoeft dus enkel de stikstofuitstoot als gevolg van het aantal vervoersbewegingen in de gebruiksfase bepaald te worden. Voor het aantal vervoersbewegingen wordt uitgegaan van een worst-case scenario. Het Waterloopbos is de afgelopen jaren bezocht door circa 75.000 mensen per jaar.

In 2019 heeft een ijkmoment plaatsgevonden en is door van de provincie Flevoland inzichtelijk gemaakt dat het Waterloopbos dat jaar door circa 146.000 mensen is bezocht. Een kanttekening bij dit onderzoek is dat de bezoekersaantallen op basis van een online enquête en vanuit respondenten zijn doorgerekend. In het Gebiedsmarketingplan Waterloopbos is opgenomen dat het aantal bezoekers zal toenemen tot 200.000 Pagina 31

A 11 U

K w

Ruimtelijke onderbouwing Entreegebouw Waterloopbos, Noordoostpolder

■M S'4 1 fii' J ■ ■UK MPa

bezoekers per jaar. Bij de Aeriusberekening wordt uitgegaan van een worst-case scenario. Er wordt derhalve gerekend met het verschil tussen de 75.000 bezoekers en toename tot 200.000 bezoekers. Voor de toename in bezoekersaantallen is uitgegaan van enkel gemotoriseerde vervoersbewegingen. Er is uitgegaan dat er per auto 2 bezoekers vervoerd worden. De toename in verkeersgeneratie bedraagt dus 125.000 bezoekers per jaar verdeeld over 2 bezoekers per auto: 125.000 Z 2 = 67.500 autoritten. Het aantal 67.500 betreft echter een enkele rit. Om heen en terug naar het plangebied te gaan komt de totale verkeersgeneratie uit op 67.500 x 2 = 125.000 vervoersbewegingen op jaarbasis. Ten behoeve van de horecafunctie dient bevoorrading plaats te vinden. Er is hierbij uitgegaan van twee bevoorradingsmomenten per week. Op jaarbasis komt dit uit op 192 vervoersbewegingen. In de Aeriusberekening is uitgegaan van licht wegverkeer over buiten de bebouwde kom wegen voor bezoekers van het plangebied. Voor bevoorrading ten behoeve van de horecafunctie is uitgegaan van middelzwaar wegverkeer over buiten de bebouwde kom wegen. Het bezoekersparkeren vindt grotendeels plaats op P1, ten noorden van het plangebied. De gemotoriseerde vervoersbewegingen zijn verdeeld over de twee ingevoerde lijnbronnen. De feitelijke berekening is uitgevoerd op 3 februari 2022 (versie Aeriuscalculator januari 2022).

In de navolgende afbeelding zijn de resultaten zoals die ingevoerd zijn in de calculator getoond.

Pagina 32

A

11 U

K w

Ruimtelijke onderbouwing Entreegebouw Waterloopbos, Noordoostpolder

■M S'4 fii'

1

J

■ ■UK lil

Resultaten stikstofgevoeiige Natura 2WQ gebieden situatie "Situatie ľ' (Beoogd) incL saldenng e/o referentie

B?r?k?nd (ha

HöogSit-5-tota l-e ff-rttoanam?

Ē? ka rt??rd)

depositi? Imol/ha/j':

Totaal

0,00

0,00

Grootst?

I h a g?ka rt??fd| toena m?

ffet afnam? (ha Grootste [“karteerd!

afnam?

0,00

0,00

(mol/ha/jr)

I nno ha/jrļ

0,00

0,00

Figuur 13. Gegevens Aeriusberekening met resultaat 0,00 mol/ha/j (bron: Aeriuscalculator.nl)

De conclusie is dat de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een toename van stikstof op de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Er is voor het plan dan ook geen vergunning

Pagina 33

A II ül

K w

Ruimtelijke onderbouwing Entreegebouw Waterloopbos, Noordoostpolder

■M S'4 1 Fit» J ■1^ lil

in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk en de Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor de uitvoering en exploitatie van het plan. Het pdf bestand van de berekening is toegevoegd in bijlage 4. Het GML-bestand wordt separaat meegeleverd en kan het bevoegd gezag importeren in de Aeriuscalculator om de berekening te controleren.

4.5

Bodem

Het aspect Bodem is relevant voor de uitvoerbaarheid van een plan. Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied bij de planvorming. Daarnaast zijn de Wet bodembescherming (Wbb) en de bouwverordening relevant. De realisatie van projecten kan pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Indien sprake is van een verdachte locatie dient onderzocht te worden in welke mate de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Projectspecifiek Voorliggend plan betreft het realiseren van een nieuw entreegebouw. Het entreegebouw zal gesitueerd worden op een andere locatie dan het voormalige en tijdelijke bezoekerscentrum. Om aan te tonen dat er op de beoogde locatie geen sprake is van bodemverontreiniging is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 5. De resultaten van het onderzoek luiden: ‘Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: ^ De zintuiglijk onverdachte zandige bovengrond op de locatie (0 - 0,5 m-mv, MM01) is niet verontreinigd met de onderzochte stoffen; ^ De zintuiglijk onverdachte zandige ondergrond op de locatie (1,0 - 1,5 m-mv) is licht verontreinigd met PCB; ^ Het grondwater op de onderzoekslocatie (peilbuis 06) is licht verontreinigd met barium. De licht verhoogde concentratie barium wordt als een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde beschouwd. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek dient de hypothese ‘onverdacht voor verontreiniging’ (strikt genomen) verworpen te worden, vanwege de aangetoonde licht verhoogde gehalte met PCB in de ondergrond. De aangetoonde verhoogde gehalte is echter zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen ons inziens niet noodzakelijk worden geacht.

Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming. Dit onderzoek is onder Kwalibo (een onderdeel van het Besluit bodemkwaliteit) uitgevoerd. Het betreft echter géén partijkeuring. Bij afvoer van grond of verhardingsmaterialen van de locatie kan er sprake zijn van beperkingen in de hergebruiksmogelijkheden en/of van verwerkingskosten. Ook kan door derden, ongeacht de resultaten van dit bodemonderzoek, een keuring van de af te voeren partij verlangd worden en/of een onderzoek naar PFAS. Bij graafwerkzaamheden in de grond dient rekening gehouden te worden met eventueel te treffen veiligheidsmaatregelen conform de CROW-publicatie 400. Voor verdere informatie hierover kunt u zich tot Inventerra wenden. ’

Pagina 34

A

11 U

K w

Ruimtelijke onderbouwing Entreegebouw Waterloopbos, Noordoostpolder

■M S'4 fii'

1

J

■ ■UK lil

Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem voorgenomen ontwikkeling niet in de weg staat. Vanuit het verkennen bodemonderzoek komen geen aanvullende randvoorwaarden naar voren. 4.6

Luchtkwaliteit

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Toetsing van

Grenswaarde

(WHO)

Stof Stikstofdioxide

Advieswaarde

jaargemiddelde concentratie

40 pg 1 m3

Uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar

200 pg 1 m3

10 pg 1 m3

(NO2) worden overschreden) Fijn stof (PM10)

jaargemiddelde concentratie

40 pg 1 m3

24-gemiddelde concentratie (mag max. 35 keer

50 pg 1 m3

15 pg 1 m3

per jaar worden overschreden) Fijn stof (PM2,5)

jaargemiddelde concentratie

25 pg 7 m3

5 pg 7 m3

Figuur: tabel grenswaarden maatgevende stoffen Wet luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen, uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens, rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM (Niet in Betekenende Mate) en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit kan het geval zijn wanneer een project een effect heeft van minder dan 30Zo van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10. Een plan voldoet in de regel aan het NIBM criterium als het minder dan 1500 woningen betreft dan wel als er sprake is van een bruto vloeroppervlak (BVO) van maximaal 100.000 m2 Naast het rekening houden met de eventuele toename van emissies van schadelijke stoffen als gevolg van een project, wordt er ook rekening gehouden met de locatie van projecten. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van ‘gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen worden beschouwd als ‘gevoelige bestemmingen'.

Op deze wijze wordt voorkomen dat functies waarin groepen mensen die gevoelig zijn voor een slechte luchtkwaliteit zullen verblijven, in de buurt van wegen worden gerealiseerd. In de nabijheid van wegen is de luchtkwaliteit in het algemeen immers slechter dan in de omgeving.

Projectspecifiek De ontwikkeling voorziet in het realiseren van een nieuw entreegebouw. In het plan zijn de functies dagrecreatie en horeca voorzien die reeds mogelijk zijn gemaakt. De ontwikkeling is aan te merken als Pagina 35

Ruimtelijke onderbouwing Entreegebouw Waterloopbos, Noordoostpolder

A 11 U K w

■M î’4 1 fii' J ■ ■UK lil

‘Niet in betekenende mate’ om het kleinschaliger is dan de in de regeling genoemde drempel (500 woningen bij één ontsluitingsweg). Derhalve hoeft er geen onderzoek naar luchtkwaliteit plaats te vinden. Daarnaast is de huidige situatie (2020) ten aanzien van de luchtkwaliteit in beeld gebracht. Hiervoor is de site https://www.nsl-monitoring.nl geraadpleegd.

Rekenpunt kenmerk

m Voorst

|NQ2-concentratie yòllenhove Sintjanskloţ

īlerloopbos

Alleen toetspunten O

35 pgZm3

0

35 - 38.5 pgZm3

9

38.5 - 40.5 pgZm3

9

40.5 - 42.5 pgZm3

Rekenpunt kenmerk | PMlO-concentratiē"

De Voorsr

yòllenhove Sintjanskloç

Alleen toetspunten O

tteiloopbos

< 35 pgZm3

0

35 - 38.5 pgZm3

#

38.5 - 40.5 pgZm3

#

40.5 - 42.5 pgZm3

tįğ

> 42.5 pgZm3

N352

Rekenpunt kenmerk

De Voorst

PM2.5-concentratie yòllenhove Sintjanskloţ

faterloopbos

i

Alleen toetspunten O

20 pgZm3

#

20 - 23.5 pgZm3

#

23.5 - 25.5 pgZm3

#

25.5 - 27.5 pgZm3

N352

Figuur 14. Concentraties stikstof, PM10 fijnstof en PM2,5 fijnstof in 2020. Plangebied in rode cirkel (bron: NSL Monitoringstooí).

Pagina 36

Ruimtelijke onderbouwing Entreegebouw Waterloopbos, Noordoostpolder

A 11 U K w

■m î’4 1 fii' J ■1^ lil

Rekenpunt kenmerk

v Vaat ï

N02-concentratiĉ yòllenhove Sintjanskloţ

Alleen toetspunten O

Water loopbos

« 35 pgZm3

0

35 - 38.5 pgZm3

#

38.5 - 40.5 pgZm3

0

40.5 - 42.5 pgZm3

(ęė

> 42.5 pgZm3

N 152

Rekenpunt kenmerk

De v iōrst

PMlO-concentratie yòllenhove Sīntjanskloc

Alleen toetspunten < 35 pgZm3 35 - 38.5 ugzm3

Taterloopboi

38.5 - 40.5 ugzm3 40.5 - 42.5 pg7m3 » 42.5 09/113

Rekenpunt kenmerk

De Voorn

| ĽM2.5-conrerĩrãi e .Vollenhove Sintjanskli

Alleen toetspunten

O « 20 ugATi3 ïerloopbos

9

20 - 23.5 pgZm3

9

23.5 - 25.5 ugZm3

#

25.5 - 27.5 pgAn3

6t

> 27.5 pg/mS

'UZ.:

Figuur 15. Concentraties stikstof, PM10 fijnstof en PM2,5 fijnstof in 2030. Plangebied in rode cirkel (bron: NSL Monitoringstool).

De concentraties blijven op basis van de NSL monitoringstool onder de wettelijk vereiste gemiddelde concentraties. Tevens is gekeken naar de toekomstige situatie (2030, zie afbeelding 15). De afbeeldingen van 2030 tonen geen wijzigingen ten opzichte van die van 2020. De WHO en GGD hanteren advieswaarden voor stikstofdioxide (NO2) van 10 microgram per kuub, fijn stof (PM10) van 15 microgram per kuub, en 5 microgram per kuub voor zeer fijn stof (PM2,5 ) wat lager ligt dan de wettelijke grenswaarden. Voorliggend plan is getoetst aan het wettelijk vereiste. Tot slot is in dit initiatief geen sprake van het realiseren van een ‘gevoelige bestemming’ in het kader van luchtkwaliteit. Het aspect Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit initiatief. 4.7

Externe Veiligheid

Sommige activiteiten brengen risico’s op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico’s. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid

Pagina 37

A 11 ill

K w

Ruimtelijke onderbouwing Entreegebouw Waterloopbos, Noordoostpolder

î’4 fii'

■M 1 J

■ ■UK lil

en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: ^ risicovolle (Bevi-)inrichtingen; ^ vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; ^ vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (H500 m2). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.

Bij groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect. Het Bevi stelt dat bij elk bestemmingsplan, waar een relevant groepsrisico aanwezig is dit moet worden verantwoord, ook wanneer dit onder de oriëntatiewaarde ligt. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico hoe zwaarder de verantwoording is. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico’s, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven.

Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor Voor de routering van gevaarlijke stoffen is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen van belang. Voor het transport van gevaarlijke stoffen via weg, water en spoor heeft het Rijk normen vastgesteld. Deze staan in het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Deze gelden vanaf 1 april 2015.

Pagina 38

A

11 U

K w

Ruimtelijke onderbouwing Entreegebouw Waterloopbos, Noordoostpolder

■M S'4 fii'

1

J

■ ■UK lil

Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). In de Regeling Basisnet staat een tabel met afstanden voor plaatsgebonden risico die gelden voor transportroutes van het Basisnet. Deze afstanden gelden per trajectdeel. Ook is per trajectdeel aangegeven of er sprake is van een plasbrandaandachtsgebied. Nieuwbouw van (beperkt) kwetsbare objecten is niet toegestaan binnen de afstanden van het plaatsgebonden risico. Binnen de plasbrandaandachtsgebieden kunnen soms (beperkt) kwetsbare objecten worden gerealiseerd. Deze moeten voldoen aan de extra eisen uit het Bouwbesluit 2012. Als nieuwbouw binnen het invloedsgebied van een transportroute komt, is een verantwoording van het groepsrisico nodig.

Deze moet worden opgenomen in de toelichting bij een bestemmingsplan of in de ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning tot afwijken. Deze verantwoording heeft in elk geval betrekking op de mogelijkheden voor rampbestrijding en hulpverlening en de zelfredzaamheid van de bevolking. Als binnen de 200 meter van een transportroute wordt gebouwd, moeten ook andere elementen meegenomen worden. Het gaat daarbij om een berekening van de hoogte van het groepsrisico en het betrekken van mogelijke ruimtelijke maatregelen in het besluit. Dit kan buiten beschouwing worden gelaten als het groepsrisico niet meer dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde bedraagt óf met niet meer dan 100Zo toeneemt én de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. De bouwbeperkingen voor ontwikkelingen langs de transportroutes uit het Basisnet Water staan in het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes (BEVT), de Regeling Basisnet en het Bouwbesluit. Deze wijken af van die voor de Basisnetten Weg en Spoor. Meer informatie hierover staat in de ‘Handreiking Bouwbeperkingen in en langs vaarwegen voortvloeiend uit het Basisnet Water’. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden.

Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het PR in acht te nemen en het GR te verantwoorden. Het Bevb vervangt hiermee de circulaires Zonering langs hogedruk aardgasleidingen (1984) en Zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen (1991).

Projectspecifiek In het plan zijn de functies dagrecreatie en horeca voorzien. Om te bepalen wat de risico’s zijn ten aanzien van voorliggend plangebied is de Risicokaart Nederland van het Interprovinciaal Overleg geraadpleegd.

Pagina 39

A

11 U

K w

Ruimtelijke onderbouwing Entreegebouw Waterloopbos, Noordoostpolder

■M S'4 fii'

1

J

■ ■UK lil

0.01-10000 9 10000-125000 * 125000-5000000 rrgs:p.ontplofbarestoffen [J Û 01-10000 Id

0000-125000 125000-5000000

rrgs:p.defensie

9 10000-125000 125000-5000000 rrgs:p.overig

Basisnet-spoortraject met PAG-inc

Z Basisnet-spoortraject zonder PAGVollenhove

Basisnet spoor

Z Basisnet-zeevaartroutes Z Basisnet-binnenvaartroutes Basisnet water

Basisnet-wegtraject zonder PAG-

Z Basisnet-wegtraject met PAG-ind Basisnet weg BuisJeidingen

Figuur 16. Uitsnede Risicokaart, plangebied nabij pijl (bron: nsicokaart.nl).

Uit raadpleging van de risicokaart blijkt dat in de nabijheid van de planlocatie geen Bevi-inrichtingen aanwezig zijn waar in het kader van de externe veiligheid rekening mee gehouden dient te worden. Uit het Basisnet Weg blijkt dat geen van de in de directe omgeving aanwezige wegen een plaatsgebonden risicocontour 10-6/jaar heeft. Het plangebied vormt dan ook geen (mogelijk) aandachtspunt voor het groepsrisico. Uit het Basisnet Water blijkt eveneens dat er geen wateren in de directe omgeving van het plangebied zijn die een plaatsgebonden risicocontour hebben van 10-6 of een (mogelijk) aandachtspunt vormt voor het groepsrisico. Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van een spoorlijn. Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor vormt in dit kader dan ook geen risico. Wel is er een buisleiding aanwezig op circa 1,5 meter afstand ten noorden van het plangebied. Door de buisleiding vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats, dit betreft een gasleiding. De gasleiding ligt echter op een dusdanige afstand, dat dit geen probleem oplevert voor de voorgenomen ontwikkeling. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.8

Archeologie en Cultuurhistorie

Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de ruimtelijke onderbouwing van een ruimtelijk plan worden beschreven op welke manier rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden in het projectgebied. Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is om het binnen een plangebied aanwezige cultuurhistorische erfgoed te behouden. Dit houdt in dat bescherming moet worden geboden aan de aanwezige Rijksmonumenten, provinciale en gemeentelijke monumenten. Archeologie ln 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. De uitgangspunten van het Verdrag van Malta zijn: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; en de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Pagina 40

A Jl Al

K w

Ruimtelijke onderbouwing Entreegebouw Waterloopbos, Noordoostpolder

■M 1 fii' J î’4

■ ■UK MPa

Het Nederlandse wettelijk kader voor deze bescherming wordt sinds 20í 6 gevormd door de Erfgoedwet. Deze wet is opvolger van de Monumentenwet 1988 waarin de bescherming van archeologische waarden was geregeld. De Erfgoedwet legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed grotendeels bij de gemeente. De gemeenten zijn, op basis van het wettelijk kader, verplicht rekening te houden met archeologische waarden in de bestemmingsplannen. Archeologiebeleid gemeente Noordoostpolder De archeologische basis- en beleidsadvieskaart van de gemeente Noordoostpolder uit 2018 is de ruimtelijke vertaling van het archeologie beleid en maakt inzichtelijk welk beleid geldt voor welk gebied binnen de gemeente. De gemeente Noordoostpolder hanteert acht beleidscategorieën, die elk een eigen beschermingsregime kennen. Voor elke categorie zijn horizontale en verticale vrijstellingsgrenzen opgenomen. Op de beleidsadvieskaart ligt het plangebied in een zone met geen waarde (wit), zie navolgende afbeelding. Dit betekent dat het gebied grotendeels geërodeerd is, en dat archeologische waarden niet meer intact verwacht worden.

Figuur 17. Uitsnede Archeologische beleidsadvieskaart, plangebied aangegeven met rode sterl (bron: gemeente Noordoostpolder).

Projectspecifiek Cultuurhistorie Het Waterloopbos is aangewezen als Rijksmonument. De waterbouwkundige bouwwerken kennen een beschermde status. De locatie van het nieuwe entreegebouw dient ter ondersteuning van het Deltawerk en draagt daarmee bij aan de instandhouding van het Rijksmonument als geheel en dus ook aan de cultuurhistorie van het plangebied en de omgeving. Archeologie Op de archeologische beleidsadvieskaart heeft het plangebied geen beleidscategorie toegewezen gekregen. Er geldt op de locatie dus geen onderzoeksverplichting. Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat er echter de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op basis van de Erfgoedwet geldt een meldingsplicht voor deze toevalsvondsten waar te allen tijde rekening mee moet worden gehouden. Als er tijdens de

Pagina 41

A

11 U

K w

Ruimtelijke onderbouwing Entreegebouw Waterloopbos, Noordoostpolder

■M S'4 fii'

1

J

■ ■UK lil

werkzaamheden vermoedens zijn van een archeologische vondst dan zal er zo spoedig mogelijk melding worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Geconcludeerd kan worden dat het aspect Cultuurhistorie en archeologie geen belemmering vormt voor dit initiatief. 4.9

Waterhuishouding

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: ^ vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. ^ schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.

Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod. Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan 2016 - 2021 Het NWP (dec. 2015) bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daarbij behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik richting 2050.

Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

Pagina 42

A

11 U

K w

Ruimtelijke onderbouwing Entreegebouw Waterloopbos, Noordoostpolder

■M S'4 fii'

1

J

■ ■UK lil

Beleid Waterschap Zuiderzeeland In 2015 is het Waterbeheerplan 2016-2021 van het Waterschap Zuiderzeeland vastgesteld. Het plan bevat een koers voor de lange termijn en stelt het Waterschap in staat om in te spelen op actuele ontwikkelingen. Op deze manier draagt het Waterschap bij om in Flevoland veilig en onbezorgd te wonen, te werken en te recreëren. De gemeente Noordoostpolder en het Waterschap Zuiderzeeland beschikken gezamenlijk over het Stedelijk Waterplan Noordoostpolder. De uitgangspunten uit het waterplan zijn vastgelegd op waterplankaarten. Aan de hand van opgestelde waterplankaarten (watersysteem, waterkwaliteit, riolering, drooglegging) worden de huidige situatie en toekomstige streefbeelden toegelicht. Ruimtelijke ontwikkelingen: de Watertoets Elke ruimtelijke ontwikkeling kan invloed hebben op water. Niet alleen bouwen nabij of op een waterkering, maar ook een toename van verhard oppervlak. Een ruimtelijke ontwikkeling moet minimaal voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: “het standstill beginsel”. Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. In het kader van een watertoetsproces moeten de gemeente en het waterschap zoeken naar kansen om het watersysteem te verbeteren en duurzaam in te richten.

Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. De watertoets is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Het doel van de watertoets is het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging.

In een Watertoets komen de volgende aspecten aan bod: ^ Verdeling verhard oppervlak, • Bodem • Grondwater • Oppervlaktewater • Afvalwater • Hemelwater ^ Gebiedspecifieke waterbelangen De Watertoetsprocedure kan op drie manieren gevolgd worden: de procedure geen waterbelang, de korte procedure en de normale procedure. Welke procedure gevolgd moet worden hangt af van de implicaties van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De procedure geen waterbelang en de korte procedure zijn bedoeld voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. Bij deze twee procedures kan de Watertoets volledig digitaal doorlopen worden. De normale procedure is gericht op plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. In dit geval is actieve betrokkenheid van het Waterschap Zuiderzeeland nodig. Pagina 43

A 11 U

K w

Ruimtelijke onderbouwing Entreegebouw Waterloopbos, Noordoostpolder

■M S'4 1 fii' J ■ ■UK MPa

Projectspecifiek De ontwikkeling is via de digitale watertoets (zie bijlage 6) kenbaar gemaakt bij het waterschap. Op basis van de Watertoets is bepaald dat het plan niet leidt tot effecten met betrekking tot de waterhuishouding of de afvalwaterketen. In het advies wordt aangegeven dat de korte procedure in het kader van de Watertoets van toepassing is. De relevante randvoorwaarden voor het plan zijn gerangschikt onder zeven streefbeelden, ingedeeld op basis van de drie waterthema’s: Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water. Thema Voldoende water Het streefbeeld van het Waterschap Zuiderzeeland voor het Thema Voldoende water is dat het watersysteem, zowel in landelijk als stedelijk gebied, op orde is. Hierbij is het uitgangspunt dat het hele beheergebied van het Waterschap Zuiderzeeland voldoet aan de vastgestelde normen. Met de planontwikkeling wordt er verhard oppervlak in landelijk gebied toegevoegd. Het nieuwe entreegebouw vervangt de functies van het voormalige bezoekerscentrum en het tijdelijke bezoekerscentrum. Het tijdelijke bezoekerscentrum wordt gesloopt en het voormalige bezoekerscentrum blijft bestaan. Voor voorliggend plan dient het verhard oppervlak van in de toekomstige situatie inzichtelijk te worden gemaakt. In de huidige situatie is het plangebied volledig onverhard, zie navolgende afbeelding.

Figuur 18. Huidige situatie plangebied

Het verhard oppervlak zal in de toekomstige situatie beperkt toenemen. Er wordt 429 m2 aan bebouwing toegevoegd. Verder wordt er circa 360 m2 aan halfverharding rondom het entreegebouw aangelegd. Halfverharding mag voor 50 /o verhard oppervlak worden meegenomen en bedraagt in dit geval dus 180 m2. De toegangsweg (ook zichtbaar op bovenstaande afbeelding) zal worden versmald tot een 1,5 meter breed betonpad. In totaal neemt het verhard oppervlak toe met circa 609 m2.

Pagina 44

Ruimtelijke onderbouwing Entreegebouw Waterloopbos, Noordoostpolder

Bij een toename in verharding is op basis van de regels van het Waterschap Zuiderzeeland watercompensatie verplicht. Voor landelijk gebied geldt vanaf 2.500 m2 toename van verharding een compensatieplicht. Voorliggend plan blijft ruim onder deze grens en derhalve zijn compenserende maatregelen niet nodig. Thema Veiligheid Het plangebied ligt niet in een beschermingszone van een overige waterkering. Het plan heeft geen gevolgen voor het onderhoud van watergangen en/of waterkeringen. Daarnaast is het plangebied niet buitendijks gelegen. Voor het onderdeel regionale waterkering zijn geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. Thema Schoon Water Het streefbeeld van het Waterschap Zuiderzeeland voor het Thema Schoon Water zijn goede leef,verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. Hierbij is het uitgangspunt dat bij de inrichting van het watersysteem wordt gestreefd naar het realiseren van een ecologisch gezond watersysteem. Oevers worden bij voorkeur duurzaam en indien passend bij de functie natuurvriendelijk ingericht. Bij de dimensionering van het watersysteem wordt rekening gehouden met de te verwachten waterkwaliteit. Het plangebied is (gedeeltelijk) gelegen in een gebied met kwetsbaar oppervlakte water en met kwel van matige tot slechte kwaliteit.

Bij het ontwerp van een nieuw watersysteem moet rekening gehouden worden met de hoeveelheid kwel en de kwelwaterkwaliteit. In dit geval wordt er geen nieuw watersysteem aangelegd of uitloogbare of schadelijke stoffen geloosd op het bestaande oppervlaktewatersysteem. Het kwetsbare oppervlakte water wordt door voorgenomen ontwikkeling niet nadelig belast. Riolering Het streefbeeld van het Waterschap Zuiderzeeland is dat met regulering of behandeling van afvalwater zo veel mogelijk van de menselijke activiteiten met een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater teniet worden gedaan. Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. De uitgangspunten voor nieuw te ontwikkeling terreinen zijn dat het hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het plangebied wordt verwerkt. Voor bestaande gebieden wordt gestreefd naar het afkoppelen van verhard oppervlak. Het ombouwen van bestaande stelsels naar gescheiden stelsels heeft een sterke voorkeur. Afstromend regenwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. Verontreinigingen door afvalwater (huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater) worden voorkomen. Het nieuwe entreegebouw zal worden aangesloten op het (druk)riool.

Het riool zal worden uitgebreid om de verhoogde capaciteit als gevolg van de ontwikkeling aan te kunnen. De gemeente zal eigenaar worden van het gemaal dat geplaatst wordt. Dit om sturing te kunnen houden op de afvalstromen. De kosten voor de uitbreiding van het riool zijn voor rekening van initiatiefnemer. In navolgende paragraaf wordt nader ingegaan op het aspect hemelwater. Afwatering Het streefbeeld van het Waterschap Zuiderzeeland is dat het grond -en oppervlaktewater leef-, verblijfen voortplantingsmogelijkheden biedt voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. Hierbij is het uitgangspunt

Pagina 45

A

11 U

K w

Ruimtelijke onderbouwing Entreegebouw Waterloopbos, Noordoostpolder

■M S'4 fii'

1

J

■ ■UK lil

dat In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Verontreinigingen worden voorkomen of aangepakt bij de bron. Bij voorliggend plan is sprake van een gescheiden rioolstelsel. Het hemelwater zal afgekoppeld worden naar de omliggende sloten. Verder zullen er in voorliggend plan geen uitloogbare materialen worden toegepast die door regenwater kunnen worden uitgespoeld. Gezien bovenstaande vormt het aspect water geen belemmering voor onderhavig plan. 4.10

Verkeer en Parkeren

Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. De gemeentelijke Nota Parkeernormen Noordoostpolder 2016 vormt het toetsingskader voor het berekenen van de parkeerbehoefte. Daarnaast wordt er getoetst of er voldoende parkeercapaciteit wordt gerealiseerd om in de parkeerbehoefte te voorzien. De Nota parkeernormen is gebaseerd op de publicatie Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie (publicatie 317) van het CROW. Bij de toepassing van parkeernormen voor functies die niet in de tabellen in de Nota Parkeernormen Noordoostpolder 2016 zijn opgenomen, dient gebruik te worden gemaakt van de gemiddelde kencijfers zoals beschreven in publicatie 317 van het CROW. Parkeerkencijfers en verkeersintensiteiten ten behoeve van bosrecreatie worden echter niet in de CROW richtlijnen en de Nota Parkeernormen Noordoostpolder benoemd. Er is in dit geval gebruik gemaakt van een alternatief scenario waarmee is aangetoond wat de parkeerbehoefte en toename in verkeersgeneratie zal zijn.

Projectspecifiek Verkeersstructuur De Voorsterweg is ingericht als erftoegangsweg buiten de bebouwde kom en heeft een maximum toegestane snelheid van 80 km/u. Via de Voorsterweg wordt richting het zuidoosten naar de N352 (Repelweg) ontsloten en richting het noordwesten naar het dorp Marknesse en uiteindelijk de N331. Het plangebied wordt via de N331 ontsloten op de N351, die aansluit op de A6. Via de A6 zijn onder andere Almere en Heerenveen te bereiken. De N352 (Repelweg) sluit richting het noordoosten ook aan op de N331. Het plangebied wordt via de N331 (en via de N377), richting het oosten ontsloten op de A28. Via de A28 zijn onder andere Utrecht en Groningen te bereiken. Op de Voorsterweg deelt het fiets- en voetgangersverkeer de rijbaan met het gemotoriseerd verkeer. De omliggende gebiedsontsluitingswegen N352 en N331 zijn voorzien van een fietspad waar tevens voetgangers gebruik van kunnen maken. Op de Voorsterweg is voornamelijk sprake van bestemmingsverkeer vanwege de hieraan gelegen woningen en het recreatieve Waterloopbos. Verkeersgeneratie In het Gebiedsmarketingplan Rijksmonument Waterloopbos (bijlage 1) is opgenomen dat het streven voor het Waterloopbos is om te groeien naar 200.000 bezoekers per jaar. Het entreegebouw is onlosmakelijk verbonden met het Waterloopbos en is de hoofdentree voor bezoekers van buiten en omwonenden.

Het is de verwachting dat de toename in bezoekersstromen echter geleidelijk gebeurt. Dit wordt ook zichtbaar door de schatting uit het Bezoekersonderzoek Natuurgebieden Flevoland van de provincie Flevoland. Hier is op basis van een enquête geschat dat het aantal bezoekers van het Waterloopbos in 2019 146.000 bedroeg. Er dient nogmaals te worden vermeld dat dit een inschatting is op basis van online gegevens. Er hebben geen daadwerkelijke metingen plaatsgevonden. Voor het

Pagina 46

A

11 U

K w

Ruimtelijke onderbouwing Entreegebouw Waterloopbos, Noordoostpolder

î’4 fii'

■M 1 J

■ ■UK lil

bepalen van de verkeersgeneratie wordt in dit geval uitgegaan van de algehele verwachtte toename in bezoekers, er wordt daarom gerekend met het verwachte bezoekersaantal van 200.000 per jaar. Er wordt navolgend ingegaan op de algehele ontwikkeling van het Waterloopbos. Het Waterloopbos was vooral bekend bij bewoners in de nabije omgeving van het gebied. De ontwikkeling van het Waterloopbos en uitbreiding van het aanbod gaat hand in hand met een toename van bezoekers van verder weg. Voor de toename in verkeersgeneratie wordt daarom uitgegaan van het volgende scenario: ^ ^ ^

80 /o komt met auto; In een auto zitten gemiddeld 2 bezoekers; Piekbelasting in weekenden en lente/ zomerperiode: 70/ op zaterdag en zondag, 60/ in april t/m september.

Van alle bezoeken is uitgegaan dat 80/ van de bezoekers met de auto komt. Daarnaast is uitgegaan dat er in één auto gemiddeld 2 bezoekers zitten. In totaal komt dit uit op 80.000 autobezoeken per jaar. De verkeersgeneratie komt hiermee op 160.000(heen en terug) verkeersbewegingen per jaar. Er wordt uitgegaan van een piekbelasting in de weekenden, waarbij 70/ van het bezoek plaatsvindt op zaterdag en zondag. Daarnaast is uitgegaan van meer bezoeken in de lente/zomerperiode, namelijk 60/ in de periode april tot en met september.

Periode

Aantal auto's

Periode

Aantal auto's

Periode

Aantal auto's

Verkeersgeneratie (aantal auto's x 2)

Lente/zomerperiode (60/)

48.000

Weekend (70/)

33.600

Per dag*

646

1.292

Herfst/winterperiode (40/)

32.000

Weekend (70/)

22.400

Per dag*

431

862

Totaal

80.000

56.000

* 26 weekenden per 6 maanden = 52 weekenddagen, dus betreffend aantal auto’s /52. De hoogste verkeersgeneratie vindt plaats in de weekenden in de lente/zomerperiode. De verkeersgeneratie betreft dan 1.292 vervoersbewegingen per dag. Voor een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom geldt een maximale etmaalintensiteit van 6.000 motorvoertuigen. Gezien het karakter van de Voorsterweg als erftoegangsweg voor voornamelijk bestemmingsverkeer, wordt deze in staat geacht de toename in vervoersbewegingen te kunnen verwerken. Tevens wordt de omliggende verkeersstructuur als voldoende in staat geacht de toename in vervoersbewegingen te kunnen verwerken. In het gebied spelen echter meerdere ontwikkelingen die ook leiden tot een toename in verkeersgeneratie, zo is er aan de Voorsterweg een hotel beoogd en wordt er een Multimodaal Infrastructuur Testcentrum (MITC) beoogd. In de Gebiedsvisie Waterloopbos worden deze ontwikkelingen integraal behandeld. De gebiedsvisie moet nog worden vastgesteld maar in de conceptvisie worden punten aangedragen die de verkeersveiligheid van de Voorsterweg en Repelweg zullen vergroten. Hier wordt later op ingegaan.

Pagina 47

A II U

K w

Ruimtelijke onderbouwing Entreegebouw Waterloopbos, Noordoostpolder

î’4 fii'

■M 1 J

■ ■UK MPa

Parkeren Er zijn twee parkeerlocaties waar momenteel geparkeerd kan worden. Bij het voormalige bezoekerscentrum ‘De Werkplaats’ zijn circa 50 parkeerplaatsen aanwezig. Dit parkeerterrein wordt aangeduid als P2. Om de uitbreiding verder op te vangen is recentelijk een nieuw parkeerterrein aangelegd, aangeduid als P1. Bij P1 is tevens een bus-uitstaplocatie gelegen. Parkeerterrein P1 heeft een parkeercapaciteit van 180 parkeerplaatsen. De totale parkeercapaciteit komt daarmee op 230 parkeerplaatsen.

Figuur 19. Ligging parkeerterreinen P1 en P2, plangebied aangegeven met rode cirkel (bron: Google Earth).

In de tabel bij verkeersgeneratie is reeds inzichtelijk gemaakt hoeveel auto’s op het drukste moment het Waterloopbos zullen bezoeken. Dit aantal bedraagt 646 auto’s per dag. De 646 auto’s zullen niet allemaal gelijktijdig het plangebied bezoeken, maar verspreid over de dag. De circa 646 auto’s zullen naar verwachting maximaal 2 uur verblijven in het gebied. De verwachting is daarom dat maximaal 1/3 van de 646 auto’s gelijktijdig aanwezig is. Er wordt daarom verwacht dat de twee parkeerterreinen de toename in bezoekers voldoende aankunnen (piekbelasting bedraagt dan circa 215 auto’s). Bij het parkeerterrein P2 bestaat een alternatieve uitbreidingsmogelijkheid waardoor er circa 50 extra parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden op het terrein van Natuurmonumenten mocht dit in de toekomst nodig blijken. In de gebiedsvisie Waterloopbos wordt tevens benoemd dat er (een) locatie(s) aangewezen worden waar extra parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden. Een extra parkeerterrein lijkt op dit moment niet nodig. Hierboven is aangetoond dat een toename naar 200.000 bezoekers per jaar door de huidige parkeerterreinen kan worden opgevangen. Gezien de overige ontwikkelingen in het gebied en/of nog een extra toename in bezoekersstromen kan een extra parkeerterrein echter nodig blijken in de toekomst.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/1900/documents/30277