CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

10.1 Ruimtelijke onderbouwing Oosterringweg 39 te Luttelgeest.pdf

Commissie Woonomgeving 28 september 2021, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 10: Verklaring van geen bedenkingen Oosterringweg 39 te Luttelgeest24.215 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Geluid Vanuit de omgeving naar het plangebied. Er wordt geen nieuw geluidsgevoelig object mogelijk gemaakt met deze aanvraag, zodat nader onderzoek vanuit de omgeving naar het plangebied niet nodig is. Vanuit de inrichting naar de omgeving toe Voor de gewenste uitbreiding is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, deze is als bijlage bij deze aanvraag opgenomen (rapport Akoestisch onderzoek Oosterringweg 39 te Luttelgeest, 5742ao0120 v1. Van 23 september 2020). De conclusie van dit onderzoek is als volgt:

Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest

42

Bespreking resultaten In opdracht van de opdrachtgever is door G&O Consult een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de biogasinstallatie en het akkerbouwbedrijf aan Oosterringweg 39 te Luttelgeest. Hiervoor wordt een vergunning aangevraagd volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het akoestisch onderzoek maakt deel uit van deze aanvraag. De streefwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 50 dB(A) etmaalwaarde wordt in de representatieve bedrijfssituatie niet overschreden. De grenswaarde voor het maximaal geluidsniveau van 70 dB(A) wordt met de representatieve bedrijfssituatie niet overschreden. Uitgezonderd hierop betreft de woning Oosterringweg 38 alwaar in de nachtperiode een overschrijding van 5 dB(A) resteert. De overschrijding is het gevolg van het rijden/optrekken of afremmen van voertuigen ter hoogte van de in-/uitrit. De indirecte hinder voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Maatregelen en best beschikbare technieken Binnen de milieuwetgeving en akoestiek worden er afwegingen verlangd voor wat betreft het toepassen van doeltreffende maatregelen en de best beschikbare technieken (BBT). Beste beschikbare technieken.

Alhoewel in de Best available techniques reference document (BREF) voor de voor de verschillende sectoren weinig tot geen voor geluid specifieke beste beschikbare technieken zijn voorgeschreven in de hoofdstukken 5 wordt hieronder toch kort ingegaan op de maatregelen en voorzieningen welke reeds zijn doorgevoerd en als zodanig beschouwd kunnen worden. Het eigen materieel wordt in goede staat onderhouden in verband met de continuïteit van de bedrijfsvoering. Er worden geluidarme ventilatoren ingezet ten behoeve van de opslagen van landbouwproducten. De meeste bedrijfsactiviteiten vinden op het erf plaats welke grotendeels omsloten is door bebouwing welke een voor geluid afschermende werking hebben. Maatregelen maximaal geluidniveau Indien er gebruikt wordt gemaakt van tractoren om bijvoorbeeld in de vroege ochtend (nachtperiode) gewasverzorging ter hoogte van de elders gelegen landerijen uit te voeren, of om een eerste vracht met landbouwproducten in de vroege ochtend aan te voeren dan kunnen overschrijdingen van

Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest

43

het maximale geluidniveau optreden bij de tegenover de inrit gelegen woning Oosterringweg 38. De plantmanager van de biogas installatie woont in deze bedrijfswoning en heeft 24/7 toezicht. De eigen tractoren verkeren in goede staat van onderhoud. Derhalve kan verondersteld worden dat deze voldoen aan de huidige stand der techniek. Wel zou met een beheerst rijgedrag conform de geldende jurisprudentie een reductie van 3 dB(A) kunnen worden bereikt. Het betreft veelal eigen tractoren waardoor deze gedragsmaatregel zou kunnen worden verlangd. Daarnaast kan ter hoogte van de in-/uitrit middels bebording verzocht worden om een beheerst en rustig rijgedrag. Deze gedragsmaatregel lijkt echter niet afdoende om pieken van bijvoorbeeld een losser dan gebruikelijk zittende lading, weg te nemen. Deze maatregel kan het aantal pieken en wellicht de hoogte beperken doch niet volledig wegnemen. Met het verplaatsen van de in-/uitrit naar het noordwesten dient het gehele plan herzien te worden en dient een nieuwe in-/uitrit te worden gerealiseerd. Voor de inrichtinghouder is dit een ongewenst alternatief omdat er dan geen toezicht meer kan worden uitgeoefend vanuit de woning op (on)geoorloofd bezoek. Dit zou ondervangen kunnen worden door het verkeer voor de loods door te laten rijden naar de woning.

Doch dan kunnen nog steeds piekgeluiden ontstaan op nagenoeg dezelfde positie en afstand van de betrokken woning waardoor dit geen reëel alternatief is. Deze activiteiten vinden ook reeds in de vigerende situatie plaats en zijn gebruikelijk voor een agrarische inrichting zoals hier aan de orde en derhalve noodzakelijke voor een goede bedrijfsvoering. Tot slot biedt de handleiding industrielawaai en vergunningverlening de mogelijkheid om een 5 dB(A) hoger piekgeluidniveau toe te staan, waarbij nog kan worden opgemerkt dat gelet op de hoogte van het maximale geluidniveau het geluidniveau in de woning niet zal worden overschreden. Het College van de gemeente Noordoostpolder wordt derhalve verzocht om op basis van de Algemene Wet bestuursrecht gemotiveerd af te wijken van de Nota Geluid, onderdeel industrielawaai. Verzocht wordt derhalve om voor het maximaal geluidniveau aan te sluiten bij een normstelling van 65 dB(A) ter hoogte van de woning Oosterringweg 38 in de nachtperiode. Een hoger waarde op basis van de Wet geluidhinder door gedeputeerde staten van de Provincie Flevoland is niet aan de orde omdat de inrichting geen grote lawaaimaker betreft en hetgeen gezoneerd industrieterrein betreft. Conclusie De aangevraagde situatie wordt met in acht name van het gestelde onder voorgaande op het aspect akoestiek vergunbaar geacht.

Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest

44

4.1.6

Externe veiligheid Vanuit Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 1999 (Brzo 1999); het Vuurwerkbesluit. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

Voor de gewenste situatie is een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) voor de inrichting gemaakt. Deze rapportage is als bijlage opgenomen bij de aanvraag en heeft als titel Kwantitatieve risicoanalyse - aanvraag omgevingsvergunning, projectnummer 2020025, van 23 juli 2021. De conclusie van dit onderzoek is als volgt: Initiatiefnemer is voornemens om de Biovergistingsinstallatie in Luttelgeest uit te breiden met onder andere een LNG-installatie. Vooruitlopend op een nieuwe omgevingsvergunning heeft het bevoegd gezag verzocht om de risico’s op het gebied van externe veiligheid in beeld te brengen door het laten uitvoeren van een kwantitatieve risicoberekening (QRA). Het doel van de QRA is het vaststellen van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van de risicodragende activiteiten. Risicoanalysemethodiek. In onderhavige QRA worden de gevolgen voor de externe veiligheid ten gevolge van de voorgenomen activiteit beschreven. De berekeningen zijn uitgevoerd conform de Handleiding Risicoberekeningen Bevi, versie 4.2 (hierna HARI) en met het risicoberekeningsprogramma Safeti-NL versie 8.21.

Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest

45

Plaatsgebonden Risico Uit de berekeningen blijkt dat de PR 10-6 contour ontstaat en voor een deel buiten de inrichtingsgrens ligt. Binnen het deel wat buiten de inrichtingsgrens ligt, zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten gelegen. Er wordt daarmee voldaan aan de grens- en richtwaarden uit het Bevi voor het PR. Groepsrisico Uit de curve kan opgemaakt worden dat het groepsrisico onder 1% van de oriëntatiewaarde blijft. Wel is er sprake van een toename van het groepsrisico. Omdat er beperkt kwetsbare objecten binnen het invloedsgebied zijn gelegen, dient het bevoegd gezag bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor een inrichting die onder het Bevi valt, (de toename van) het groepsrisico te verantwoorden, zoals voorgeschreven in artikel 12 van het Bevi. Invloedsgebied Het invloedsgebied is het volledige gebied waarbinnen 1% van de aanwezige kan komen te overlijden als gevolg van het scenario met het grootste effect. De grootste effectafstand van 251 meter wordt gevonden bij het scenario Instantaan falen van de LNG-opslagtank, bij weerstype E5. Verder is nog beoordeeld of zich in of nabij het plangebied nog bevi-inrichtingen bevinden die van (bouw)belemmerende invloed kunnen zijn zoals (ondergrondse) buisleidingen en hoogspanningsverbindingen. Daartoe is aan de hand van de risicokaart van Nederland beoordeeld of deze aanwezig zijn.

Hierna volgt de weergave van de risicokaart ter plaatse van het plangebied en directe omgeving. Er blijkt dat er geen risicovolle bedrijven in de directe omgeving aanwezig zijn. Wel zijn bij diverse omliggende agrarische bedrijven en het OC Luttelgeest propaantanks aanwezig. Er bevinden zich geen ondergrondse buisleidingen of hoogspanningsverbindingen in of nabij het plangebied, zodat er ook vanuit bouwkundige aspect geen belemmering is vanuit eventuele beschermingszones van dergelijke leidingen. Ten aanzien van het aspect groepsrisico geldt dat, vanuit het vooroverleg een aanvullend onderzoek wordt uitgevoerd naar het aspect groepsrisico. Het bevoegd gezag, in dit geval de provincie, zal op basis van de uitkomst van dit onderzoek een verantwoording van het groepsrisico geven. Het onderzoek en de verantwoording van het groepsrisico maakt onderdeel uit van de ontwerpvergunning.

Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest

46

4.2

WATER Op 19 juli 2021 is via de website www.dewatertoets.nl de zogeheten watertoets uitgevoerd voor het project. De uitkomsten van de watertoets zijn in bijlage bij deze aanvraag integraal opgenomen (dossiercode 20210719-3727177, datum 19 juli 2021). Het projectgebied bevindt zich in het beheersgebied van het Waterschap Zuiderzeeland. Op basis van de ingevulde vragenlijst is voor het plan de zogeheten ‘Normale procedure’. Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. De watertoetsprocedure kan op drie manieren gevolgd worden: de procedure geen waterschapsbelang, de korte procedure en de normale procedure. Welke procedure gevolgd moet worden hangt af van de implicaties van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding.

De procedure geen waterschapsbelang en de korte procedure zijn bedoeld voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. Bij deze twee procedures kan de watertoets volledig digitaal doorlopen worden. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. In dit geval is actieve betrokkenheid van Waterschap Zuiderzeeland nodig. De relevante randvoorwaarden voor het plan zijn gerangschikt onder zeven streefbeelden ingedeeld op basis van de drie waterthema's Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water. Van streefbeeld naar randvoorwaarde vindt u het uitgangspunt, dat het vertrekpunt vormt bij de verwezenlijking van het streefbeeld. U krijgt op deze manier een goed overzicht van de randvoorwaarden en kan eveneens herleiden waarop deze gebaseerd zijn. Thema Veiligheid Het plan ligt niet buitendijks of in de beschermingszone van een waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing.

Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest

47

Thema Voldoende water Wateroverlast Streefbeeld Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden. Randvoorwaarde(n) wateroverlast Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied. Het verhard oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling netto met 3500 m2 toe. De toename groter dan 2.500 m2 dan is compensatie noodzakelijk. Ontwerprichtlijnen compensatie toename verharding De oppervlakte te realiseren waterberging is gerelateerd aan de maximaal toelaatbare peilstijging in het peilvak en de netto oppervlakte nieuw te realiseren verharding. Uw plangebied is gelegen in een peilgebied waarbij 5,5% van de netto toename aan verharding als open water moet worden gecompenseerd. Dit betekent dat er 175 m2 aan open water bij moet komen. De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoer' is begin 2013 door het waterschap vastgesteld.

Vanaf het moment van vaststelling van de beleidsregel is de situatie van het beheergebied op dat moment het referentiekader geworden, oftewel de nulsituatie. De compensatieplicht geldt zodanig voor de netto toename van het verhard oppervlak voor een bouwvlak sinds begin 2013. Bij de hantering van de bergingsnorm (onderdeel van beleidsregel compensatie toename verharding en versnelde afvoer) gaat het om het benodigde oppervlak open water op de hoogte van het streefpeil. Oplossingen voor eventuele waterhuishoudkundige problemen worden bij voorkeur in het eigen projectgebied gevonden. Als dit niet mogelijk is, wordt dichtbij het projectgebied compensatie gezocht. Dit moet binnen hetzelfde peilgebied zijn of eventueel benedenstrooms. De compensatie wordt niet later gerealiseerd dan de uitvoering van de rest van het plan. De reeds aanwezige ruimte voor berging mag niet afnemen.

Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest

48

Bij de aanleg van oppervlakkige berging in de vorm van infiltratiebermen of wadi's is de bergingsnorm niet toepasbaar. Met behulp van een maatwerkberekening moet worden aangetoond dat de alternatieve berging bij maatgevende gebeurtenissen voldoende compensatie biedt. De huidige afvoersituatie mag niet verslechteren. Er is gekozen voor het aanleggen van een aantal Wadi’s. Voor de aanleg van de wadi’s en de toename van de verharding is een watervergunning aangevraagd. Goed functionerend watersysteem Het plangebied bevindt zich binnen tien meter afstand van een bestaande watergang. De watergang wordt ten minste aan één zijde voorzien van een obstakelvrije werkstrook van minimaal 5 meter breed. Bij een waterbreedte vanaf 12 meter geldt dit aan weerszijden. Bij een talud van 1:4 of flauwer is geen onderhoudsstrook nodig. Er worden geen obstakels in de watergangen aangebracht. aa Schoon water De volgende voorkeursvolgorde in het omgaan met afvalwater wordt gehanteerd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Lozingen / emissies worden voorkomen; Afvalwater wordt vergaand hergebruikt; Aansluiting afvalwaterstroom op riolering; Afvoer per as (transport); Opslag en gelijkmatige verspreiding; Lokale zuivering.

Bij de bouw en aanleg zijn geen uitlogende materialen gebruikt. Er vindt geen lozing van afvalwater uit de vergister plaats. Het schone hemelwater wordt geloosd op een van de drie wadi’s. Er is geen sprake van vervuild hemelwater.

4.3

NATUUR Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele ecologische waarden in of nabij het projectgebied. De voorgenomen ontwikkelingen mogen geen negatieve effecten hebben op de aanwezige beschermde soorten zoals aangewezen in de Wet natuurbescherming. Indien hiervan sprake is moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Tevens mogen de ontwikkelingen geen negatieve effecten hebben op aangewezen gebieden zoals Natura2000-gebieden. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds-en soortenbescherming. Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest

49

4.3.1

Gebiedsbescherming In Nederland is gebiedsbescherming geregeld middels de Wet natuurbescherming, waarin alle gebiedsbeschermende internationale afspraken en richtlijnen zijn geïmplementeerd. Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van Natura2000-gebieden van belang. Bij negatieve effecten kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling, en dergelijke. Wel bevindt zich nog op circa 5,3 kilometer afstand het Natura 2000-gebied De Weerribben. Dergelijke natuurgebieden zijn gevoelig voor de uitstoot van stikstof. Ten opzichte van de vigerende vergunning is er geen sprake van een toename van stikstofdepositie. Er is geen nieuwe vergunning nodig in het kader van de Wet Natuurbescherming. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen: ecologische hoofdstructuur (EHS) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter)nationaal belang. Het doel van het NNN-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit.

Voor het Natuurnetwerk Nederland geldt op basis van het Rijksbeleid (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. De locatie Oosterringweg 39 is op een afstand van ca. 670 meter gelegen van het Natuurnetwerk Brabant. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot versnippering of oppervlakteverlies van het groen. Het aspect natuur is geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.

Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest

50

Figuur 21 Ligging planlocatie t.o.v. Natuurnetwerk Nederland

4.3.2

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Door onderzoeksbureau EcoMilieu is onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten van het plan op omringende natuurgebieden en op de soortenbescherming. De rapportage is als bijlage bij de aanvraag opgenomen (rapport EM210223, van 24-02-2021). Hiernavolgend de belangrijkste de resultaten uit deze rapportage. EcoMilieu Advies heeft een ecologische oriëntatie natuurwetgeving uitgevoerd inzake de onderbouwing voor ruimtelijke planvorming op locatie Oosterringweg 39 te Luttelgeest, gemeente Noordoostpolder, provincie Flevoland. Het plangebied ligt ten noordwesten van de bebouwde kom van Luttelgeest. Het plangebied is in gebruik als Biovergistingsbedrijf. Het onderzoeksgebied betreft loodsen en biobed silo’s met rondomliggend grijs en groen. Gepland staat o.a. de realisatie van een nieuw biobed silo op be-

Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest

51

staande verharding, een vacuüm verdampingsinstallatie, een opwaardeer installatie tbv Bio-LNG met opslagtank en laad punt voor vrachtwagens, een opwaardeer installatie tbv groengas en een CO2 vervloeiing installatie. De daaruit voortvloeiende ingrepen zijn het verwijderen van een deel gazon, bouwrijp maken van de gronden en het nieuwbouwen van installaties tbv de biovergisting. Het plangebied ligt niet in het Overijsselse deel van het NNN en ligt op een afstand vanaf ca. 5,3 kilometer ten opzichte van omliggende Natura2000 gebieden. In onderhavig rapport is een oriëntatie uitgevoerd aan gebieds- en soortbescherming in het kader van de Wnb en het NNNbeleid. Uit de effectentoetsing Soortbescherming Wet natuurbescherming wordt geconcludeerd dat bij uitvoering van de geplande ingrepen negatieve effecten mogelijk zijn op: (Broed)vogels. Er worden door de geplande ingrepen geen negatieve effecten verwacht op de overige beschermde ontheffingsplichtige soorten of aanwezige functies. (Broed)vogels Gedurende de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Verstoring van broedgevallen van vogels dient ten alle tijde te worden voorkomen. Voor de in het plangebied te verwachten vogelsoorten kan hiermee rekening gehouden worden door werkzaamheden buiten de broedperiode uit te voeren.

Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd, globaal wordt de periode half maart tot medio juli aangehouden. Hierbij dient rekening gehouden te worden met het feit dat veel vogels meerdere legsels per jaar kunnen hebben. Om te voorkomen dat vogels tot broeden komen binnen het plangebied kunnen, in overleg met een ecoloog, voorbereidende maatregelen worden getroffen om het plangebied ongeschikt te maken. Zorgplicht en vrijgestelde grondgebonden zoogdieren en amfibieën Indien de planning het toelaat, kan schade aan de algemene vrijgestelde grondgebonden zoogdieren en amfibieën worden geminimaliseerd door werkzaamheden zoveel als mogelijk uit te voeren buiten de voortplantingsperiode februari t/m augustus. De minst schadelijke periode is de vorstvrije periode in september t/m november. Gebiedsbescherming Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde N2000 gebied Weerribben ligt op een afstand van ca. 5,3 kilometer van het plangebied. Gezien de lokale aard van de geplande werkzaamheden, ligging van het plangebied en ruime afstand ten opzichte

Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest

52

van het N2000 gebied wordt het onwaarschijnlijk geacht dat de geplande ingrepen leiden tot negatieve effecten op kwalificerende Habitattypen. Vervolgstappen in het kader van de Gebiedsbescherming Wet natuurbescherming zijn dan ook niet aan de orde. Beschermde houtopstanden Wnb Door de geplande ingrepen worden geen negatieve effecten op beschermde houtopstanden of een overtreding van de Wnb verwacht voor wat betreft het kappen of verwijderen van beschermde houtopstanden. Een overtreding van de Wnb met betrekking tot beschermde houtopstanden is uitgesloten. Natuurnetwerk Nederland beleid Het plangebied ligt niet binnen de NNN begrenzing. Er is geen afname of versnippering van NNN areaal en er wordt niet binnen de NNN begrenzing gewerkt. Gezien de afstand van het plangebied ten opzichte van omliggende NNN gebieden en de beperkte lokale activiteiten die gepaard gaan met de geplande werkzaamheden worden negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN uitgesloten. Vervolgstappen in het kader van het NNN-beleid is dan ook niet aan de orde. Aanbevelingen bovenwettelijke maatregelen Bovenwettelijke maatregelen zijn natuurinclusieve inpassingsmaatregelen die wettelijk gezien niet verplicht zijn om een project te realiseren. Duurzaam behoud en ontwikkeling van de biodiversiteit in de ruimtelijke omgeving blijkt echter steeds belangrijker te zijn voor de mens.

Vogels en vleermuizen zijn bijv. belangrijke biocontrollers (natuurlijke bestrijders) die plaagsoorten als eikenprocessierupsen, muggen, slakken, wespen, muizen, ratten, etc. effectief en gratis bestrijden. Door tijdens ruimtelijke ontwikkelingen zoals renovatie en nieuwbouw met bijvoorbeeld eenvoudige duurzame houtbetonnen voorzieningen (van bijv. waveka.nl of vivara.nl) in of aan gebouwen natuurinclusief te bouwen, helpt u de natuur te verduurzamen, maar ook zeker de eigen omgeving plaagvrij en leefbaar te houden. De volgende natuurinclusieve aanbevelingen worden gedaan: Voor mezen (natuurlijke bestrijding eikenprocessierupsen) kunnen houtbetonnen nestkasten aan opgehangen worden. Voor vleermuizen (natuurlijke bestrijding eikenprocessie(rups)vlinders, muggen, etc.) kunnen houtbetonnen vleermuiskasten opgehangen worden. Vleermuizen kunnen 10-tallen vlinders van de eikenprocessierups eten per nacht, die vervolgens geen eieren meer kunnen afzetten op de bomen. Door bij een eventuele beplantingsplan, rekening te houden met de aanplant van rijkelijk bloeiende nectarhoudende bomen en struiken,

Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest

53

kunnen de bovenstaande en andere biocontrollers naar het plangebied gelokt worden, om daar hun werk te doen en duurzaam verblijf te nemen. Er zijn veel soorten natuurinclusieve maatregelen mogelijk. Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling van de locatie geen onevenredige nadelige gevolgen zal hebben voor natuurwaarden.

4.4

CULTUURHISTORIE Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Cultuurhistorisch erfgoed moet worden beschermd. Het gaat dan om erfgoed in brede zin; in cultuurlandschappelijke, stedenbouwkundige en bouwhistorische betekenis. Voorgaande is sinds 1 juli 2016 vastgelegd in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. Uit de cultuurhistorische kaart van de provincie Flevoland blijkt de beplanting lang de Oosterringweg is aangemerkt als waardevol. Verder is het gebied ten westen van het projectgebied aangemerkt als een waardevol open gebied. De beplanting wordt niet aangetast en het erf blijft van gelijke omvang. Binnen het projectgebied zelf zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden.

Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest

54

Figuur 22 Ligging binnen cultuurhistorische waardenkaart Flevoland

Concluderend kan gesteld worden dat de cultuurhistorische waarden niet in het geding zijn met onderhavig plan.

4.5

ARCHEOLOGIE Op grond van het Verdrag van Malta en de daaruit vloeiende Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), dient bij de opstelling en de uitvoering van ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met bekende archeologische waarden en de te verwachten archeologische waarden. Het uitgangspunt hierbij is dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. In deze ruimtelijke onderbouwing moet worden aangegeven hoe het cultureel erfgoed wordt beschermd in relatie tot de wettelijke bepalingen (Wet op de archeologische monumentenzorg) en hoe met het oog op het noodzakelijk onderzoek met het aspect archeologie is omgegaan. De gemeente Noordoostpolder heeft haar archeologisch beleid vastgelegd in de rapportage ‘Erfgoed in de polder Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Noordoostpolder’. Volgens de archeologische beleidsadvieskaart behorende bij dit beleid, zie hiervoor navolgende figuur, heeft het plangebied aan de Oosterringweg 39 te Luttelgeest geen archeologische verwachtingswaarde en is geen archeologisch onderzoek nodig.

Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest

55

Verder geldt dat indien bij de (grond)werkzaamheden ten behoeve van de realisering van het plan archeologische relicten of grondsporen worden gevonden op de locatie, dit – overeenkomstig de wettelijke meldingsplicht ex paragraaf 5.4 van de Erfgoedwet – per direct wordt gemeld aan de Minister. Figuur 23 Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart Noordoostpolder

4.6

FEITELIJKE BELEMMERINGEN Indien sprake zal zijn van grondverzet zal een zogenaamde Klic-melding plaatsvinden om duidelijkheid te verkrijgen over de eventueel aanwezige kabels en leidingen. Vooralsnog zijn geen problemen voorzien aangezien er geen uitbreiding dan wel sloop van bebouwing plaats vindt.

4.7

M.E.R.-PLICHT De milieueffectrapportage is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de 'moederprocedure'. Dit is de procedure op grond waarvan de besluitvorming plaatsvindt, bijvoorbeeld de bestemmingsplanprocedure, of een milieuvergunningsprocedure. Ingevolge artikel 7.2 eerste lid onder b Wet milieubeheer (Wm) worden in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 of 7.19 Wm moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Daarnaast worden ingevolge het vierde lid van dit artikel de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan moet worden beoordeeld of die activiteiten de hiervoor genoemde gevolgen kan hebben.

Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest

56

Gelet op de genoemde aanpassing en uitbreiding van de inrichting is deze voorgenomen verandering te rangschikken onder categorie 18.1 van onderdeel D van de bijlage behorende bij het Besluit m.e.r. Deze categorie heeft betrekking op “De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval, anders dan bedoeld onder categorie D 18.3, D 18.6 of D 18.7”. In onderdeel D van deze bijlage staan drempelwaarden waarbij een m.e.r.beoordelingsplicht geldt. De installatie heeft een grotere capaciteit dan 50 ton per dag. Dit betekent dat er een m.e.r.-beoordelingsplicht bestaat en moet worden beoordeeld of er sprake is van belangrijk negatieve gevolgen voor het milieu. De aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordelingsplicht conform artikel 7.16, eerste lid Wm dient als basis voor het bevoegd gezag om zich ervan te gewissen dat als gevolg van het plan nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Bij deze toetsing dient gebruik gemaakt te worden van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Op 9 oktober 2020is er een aanmeldingsnotitie ingediend. Op 13 januari 2021heeft het bevoegd gezag (provincie Flevoland) besloten dat er, gezien de overwegingen, geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld.

Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest

57

5

UITVOERBAARHEID

De kosten die gepaard gaan met de uitvoering van de plannen zullen door de initiatiefnemer worden gedragen en zijn daarmee economische uitvoerbaar. Op grond van artikel 6.25 Wro treedt de provincie, wat betreft grondexploitatie, in de plaats van de gemeente wanneer er sprake is van een provinciaal belang (lid 1) dan wel in overige gevallen waarvoor de provincie het bevoegd gezag is (lid 4). Grondexploitatie is voor deze aanvraag niet verplicht omdat het om een bouwplan conform artikel 6.2.1 Bro moet gaan. Het advies van de gemeente aan de provincie is een anterieure overeenkomst op te stellen. In deze overeenkomst zal het onderdeel planschade worden opgenomen. Vooroverleg Er is vooroverleg geweest met de provincie, afdeling ruimtelijke ordening. Gedeputeerde Staten van Flevoland hebben. De opmerkingen van de provincie op het plan zijn verwerkt. Ook de vooroverlegreactie van het waterschap is verwerk in de voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Omgevingsdialoog In het kader van de vergunningsaanvraag heeft initiatiefnemer een omgevingsdialoog gevoerd. Ten behoeve van de dialoog zijn alle omwonenden binnen een staat van 500 meter rondom persoonlijk uitgenodigd voor een gesprek op het bedrijf. De gesprekken hebben per adres plaatsvonden. In totaal gaat het om negen adressen.

Tijdens het gesprek is de bedrijfsvoering toegelicht en uitgelegd wat de wijzigingen in de bedrijfsvoering zijn. De omwonenden hebben de gelegenheid gekregen om hun vragen te stellen en opmerkingen te maken. Deze vragen Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest

58

en opmerkingen zijn vastgelegd en zo goed als mogelijk beantwoord. Het verslag van de dialoog met de omwonenden is als bijlage bij deze aanvraag gevoegd.

Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest

59

3 92 19

53

17

73

3

19 85 2

8

19 85 2

8

1

65

19

65

7

29

92

29

66

04

1

3

0

70 0

04

7

70

29

14

20

66

20

29

14

53

17

73

3

75

75

95 7

7

45

45

95 7

7

41

41

77

77

99 3

1

45

45

99 3

1

Processchema Peters Biogas BV

Vers. 2.2 | d.d. 06-10-2020

22

813

24

100 db

Co-product Vast

Mest aanvoer

Loods K

23 1.111 vr 103 dB

537 vr 96 db

Co-product Vloeibaar

22

24

Beton bunkers

Polem silo's

28

Mengkeuken vaste stofinvoer

36

V0

66

51

10 VR

Biobedcontainer Greenstep 45

Afdak

53

- 2x Groengas installatie 0 dB - 3x Feedblowers 74 dB - 1x Warmtepomp 85 dB

62

44

Nieuw

hydrolyse 2000m³

38

V5

V4

V3

vergister 6000m³

vergister 6000m³

vergister 4000m³

Groen Gas installatie

24

Tekening nummer

99 vr

Aantal vrachten / jaar

99 db

Geluid

Hal 37

Loods G

WKK / ketel installatie 41 65

- 1x Resonantie gebouw 70 dB - 1x Uitlaat WKK 80 dB - 1x Noodkoeler WKK 85 dB - 1x Biogas ketel. 0 dB

35

46

V2

V1

V6

vloeibaar digestaat 2000m³

navergister pasteurisatie 2000m³

vergister 6000m³

Nieuw

Eind producten

Energie producten

Hernieuwbaar aardgas

CO2 gasvormig

33 53 54

55

62

Vloeibaar aardgas / LNG

30

34 vr

CO2 vloeibaar

39

250 vr

Biomassa mengsel

22 1.700 vr

DAF -----------------------------------vloeibaar vast

Vloeibaar digestaat

67 168 vr

49

85 db

66 VR - 4x Chillers Bio-LNG.PTSA 70 dB (53) - 1x Liquifier 40 dB (31) - 1x Liquifier 45 dB (55) - 1x Offload box. 0 dB (54) - 1x LNG opslag. 0 dB (33)

Gedroogde digestaat 43 35 db

70 192 vr

Digestaat dikke fractie

68

UF / papierfilter ---------------------------------vloeibaar vast

61

Vacuümverdamper ---------------------------------water residu

71 161 vr

kunstmest vervanger / mineralen concentraat

73 653 vr

water condensaat

Nieuw

31

34

Droger

Biobed met schoorsteen Chemische luchtwasser

Stroom

Decanter 35 db -----------------------------------vloeibaar vast

69

Nieuw

Warmte

Loods G

40

Nieuw

Process Description BIOLNG + CO2 Luttelgeest

Version 1.0

Procesbeschrijving Carborex LNG + CO2 Luttelgeest

Print date 07/08/2020Page 1 of 22

Process Description BIOLNG + CO2 Luttelgeest

IDENTIFICATION Description

: Version 1.0

DMT document Number

: 1602_Procesbeschrijving

Version

: 1.0

Status

: Released

Project

: 1016

Draw. Nr. P&ID

: [Reference of drawing(s)]

Location

: Luttelgeest

Document owner

: Benny Bakker, 18/05/2020

Writers

: Benny Bakker, Gerrit Wigger

Checked by

: Gerrit Wigger, 18/05/2020

Approved by

: Benny Bakker, 18/05/2020

Print date 07/08/2020Page 2 of 22

Process Description BIOLNG + CO2 Luttelgeest

INHOUDSOPGAVE ALGEMENE INTRODUCTIE

5

BIOGAS UPGRADING

5

INLEIDING TOT BIOGASVERBETERING MET MEMBRANEN

6

VOORBEHANDELINGSINSTALLATIE

6

RBT100 - Ruwe biogasbehandeling

6

VERBETERING VAN DE INSTALLATIE

7

GC200 - Gascompressie

7

CGT300 - Behandeling van gecomprimeerd gas (geïntegreerd in GC200)

7

MS400 - Multistage membraanscheiding

7

GO500 - Gasuitvoer

8

RS600 - Recyclingstromen

8

NABEHANDELING Product gasbehandeling ALGEMEEN CH700 - Koelen en Verwarmen

8 8 9 9

CH700-700 - Verbetering van de koeling van de installatie

9

CH700-720 - Verbetering van de installatieverwarming

9

CH700-780 – Verbetering van de warmteterugwinning van installaties

9

A800 - Systeemvoorzieningen

9

GQA900 - Analyse van de Gaskwaliteit

9

ANDERE INFORMATIE Actieve koolstoffilters

9 9

Voorbehandelingsinstallatie

9

Opwaarderingsinstallatie

10

Chemicaliëngebruik

10

Afvalstromen

10

EXTRA MEMBRANEN

10

POLIJSTEN

11

PROCESBESCHRIJVING

12

PTSA-UNIT

13

OPERATIONELE MODI

14

Positionering van de gasklep

14

Positionering van de verwarmings- en koelende zijkleppen

14

Operationele modi van de adsorptiekolommen

15

REGENERATIE EN DRUKONTLASTING

15

KOELING EN DRUKREGELING

15

GASBEMONSTERING EN GASANALYSATOREN

16

LEIDINGEN

16

Print date 07/08/2020Page 3 of 22

Process Description BIOLNG + CO2 Luttelgeest

SNELHEDEN

16

MATERIALEN

17

LIQUEFACTIE VAN BIOMETHAAN

17

CO2-LIQUEFACTIE

19

OPSLAG- EN LOSPLAATS LNG EN VLOEIBAAR CO2

20

BIBLIOGRAFIE

21

Print date 07/08/2020Page 4 of 22

Process Description BIOLNG + CO2 Luttelgeest

1.

ALGEMENE INTRODUCTIE

In Luttelgeest is een biogasinstallatie, bestaande uit een Carborex MS die geleverd wordt door DMT Environmental Technology, in gebruik voor de productie van groen gas dat in het aardgasnet van Nederland wordt ingevoerd. Om de activiteiten uit te breiden en nieuwe mogelijkheden te creëren, kan de installatie worden uitgebreid met verschillende opties. In de nabije toekomst kan de fabriek worden uitgebreid met een BIO LNG- productie faciliteit en een CO2-liquefactie faciliteit. BIO LNG is een vloeibaar biomethaan en wordt vaak gebruikt als benzine voor zware vrachtwagens en scheepvaart. Het zal een belangrijke bijdrage leveren aan het decarboniseren van de transportsector in Nederland. Vloeibare CO 2 afkomstig van een biogasverwerkingsinstallatie kan worden beschouwd als biogene CO2, aangezien de grondstof van biogasinstallaties als duurzaam wordt beschouwd. CO2 kan worden gebruikt als grondstof voor verschillende industrieën (zie figuur 1).

Figuur 1: CO2 reconversie schema [1]

Dit document geeft de procesbeschrijving van een aantal technologie eenheden die nodig zijn om BIO LNG en LCO2 ter plaatse te produceren. Ten eerste moet het biomethaan, dat de huidige Carborex MS verlaat, verder worden geüpgraded met een vierde fase membraan om een CO2-gehalte van het biomethaan te bereiken, dat lager is dan 1,5% om warmteontwikkeling in de polijstunit te voorkomen. De polijstunit die de CO 2-concentratie verder reduceert tot <50 ppm bestaat uit een Pressure Temperature Swing Adsorption systeem (PTSA). Het biomethaan is nu klaar om vloeibaar gemaakt te worden in een MLU-250 liquefactie-eenheid. Tenslotte moet het vloeibare biomethaan (BIO LNG) worden opgeslagen. De opslag in aangesloten op een ontlading installatie om de geproduceerde BIO LNG te kunnen verplaatsen naar vrachtwagen vaten. De CO2 die van de Carborex MS wordt gescheiden, kan door een apart vloeibaarmakingssysteen worden geliquideerd.

Print date 07/08/2020Page 5 of 22

Process Description BIOLNG + CO2 Luttelgeest

2.

BIOGAS UPGRADING

2.1. INLEIDING TOT BIOGASVERBETERING MET MEMBRANEN Biogas bevat voornamelijk methaan (CH₄) en kooldioxide (CO₂) met kleinere hoeveelheden waterstofsulfide (H₂S), stikstof (N₂) en zuurstof (O₂). Om het biogas te kunnen gebruiken als voertuigbrandstof of om het te distribueren in het aardgasnet, moet het gas worden opgewaardeerd. Het biogas wordt opgewaardeerd door het verwijderen van koolstofdioxide om de verbrandingswaarde te verhogen en een constante kwaliteit te behouden. Water wordt verwijderd om elk risico op bevriezing, corrosie of beschadiging van de membranen te voorkomen. Om soortgelijke redenen worden waterstofsulfide en andere sporenelementen (indien gespecificeerd in het contract) verwijderd door middel van voorbewerking. Voor het opwaarderen van het biogas maakt deze installatie gebruik van hoogselectieve membranen voor de gasscheiding van CO₂ en CH₄. Het principe van membraanscheiding is dat de componenten van een gasmengsel worden gescheiden door het verschil in oplossingsdiffusie via een polymeer. Het scheidingsniveau wordt bepaald door de flux van CO₂ door het membraan. Het verschil in doorlaatbaarheid van verschillende componenten zoals CO₂, N₂ en O₂ ten opzichte van CH₄ geeft de selectiviteit (α) van het membraan aan. Dit geeft aan hoeveel sneller CO₂ zal bewegen door het polymeer in vergelijking met CH₄.

De selectiviteit is afhankelijk van de eigenschappen van het polymeer dat voor het membraan wordt gebruikt. In figuur 1 wordt een relatieve indicatie gegeven voor de diffusiesnelheid van de verschillende componenten die in biogas worden aangetroffen.

Figuur 2: Relatieve permeatiesnelheid van verschillende gascomponenten.

Het is essentieel om het gas voorafgaand aan de membraanscheiding te bewerken. Het gas dat de membranen binnenkomt moet vrij zijn van H₂S, vocht, olie en andere sporenelementen, en de juiste druk en temperatuur hebben.

2.2. VOORBEHANDELINGSINSTALLATIE 2.2.1. RBT100 - Ruwe biogasbehandeling Ruw biogas uit de anaërobe vergister moet eerst worden behandeld voordat het de Carborex® MSverwerkingsinstallatie binnenkomt. Ruw biogas uit de anaërobe vergister moet eerst worden behandeld voordat het de Carborex® MS-verwerkingsinstallatie binnenkomt. Overtollig water wordt verwijderd door het inkomende biogas te koelen in een warmtewisselaar en wordt opgevangen in een condensaatverzamelvat. Daarna wordt het ontwaterde biogas gemengd met de gerecyclede stof uit de tweede membraantrap en wordt de druk ervan opgevoerd voordat het door de twee actieve koolfilters voor de verwijdering van VOC's en NH₃ en twee andere actieve koolfilters voor de verwijdering van H₂S gaat. Het voorbehandelde biogas is dan klaar om naar de Customer’s CHP te worden gestuurd en/of naar de compressor te gaan.

Print date 07/08/2020Page 6 of 22

Process Description BIOLNG + CO2 Luttelgeest

2.3. VERBETERING VAN DE INSTALLATIE 2.3.1. GC200 - Gascompressie Het voorbehandelde gas wordt door de gascompressor samengeperst. In de compressor worden water- en oliedampen gecondenseerd en na afkoeling met omgevingslucht verwijderd. De olie wordt gebruikt als koelmiddel/smeermiddel binnenin de compressor. Na de compressie wordt het gescheiden van het gas om de vloeibare olie die in het proces wordt gebracht tot een minimum te beperken. De werkelijke stroom van het gecomprimeerde gas wordt gecontroleerd door het niveau van de gasbuffer van de anaërobe vergistingsinstallatie. De snelheid van de compressormotor wordt zorgvuldig gecontroleerd om de AD op een constant niveau te houden en het proces stabiel te houden. Note: vanwege de recyclingstromen is de stroom over de compressor altijd hoger dan de inlaatbiogasstroom van de installatie. In een normaal proces is het gerecyclede gas uit het membraanproces ongeveer 30-40% van de inlaatbiogasstroom. Deze recyclingstromen worden ook opnieuw onder druk gezet in de compressor. Als het ruwe biogas hoge CH₄ concentraties bevat dan zal de recyclage lager zijn.

2.3.2. CGT300 - Behandeling van gecomprimeerd gas (geïntegreerd in GC200) Na compressie moet het gas worden ontwaterd en van oliesporen worden ontdaan. De compressor filtert de olie eruit, maar alle sporen moeten worden verwijderd om de membranen te beschermen. Dit gebeurt door middel van een serie filters. Bovendien vereist het membraanproces dat het gas een dauwpunt van minstens 20°C onder de temperatuur van het gas in de membranen heeft, om water/condensatiedruppels te vermijden. Daarom moet voor een optimale procestemperatuur boven 25°C water worden verwijderd bij temperaturen rond of onder 5°C. Dit wordt bereikt door een koel- en heropwarmingsproces. Een regelklep regelt de interne recycling zoals vereist door het productieproces (bijv. bescherming tegen overdruk in de membranen, bescherming tegen onderdruk in de biogasvoorbehandeling of voor de werking van de installatie wanneer het niveau in de gasbuffer zeer laag is).

2.3.3. MS400 - Multistage membraanscheiding Eenmaal gereinigd van olie, stof en water is het droge gas (bij gecontroleerde temperatuur en dauwpunt) klaar om te worden afgescheiden in de gasdoorlatende membranen. In de eerste fase vindt de bulkverwijdering van CO₂ plaats, zodat de concentratie op CH₄ wordt verhoogd. In de tweede fase wordt het gas op specificatie gebracht (door hetzelfde proces: CO₂ dringt sneller door dan CH₄ via de membranen). In de derde fase vindt CH₄ terugwinning plaats uit de afvalstroom van de bulkverwijdering van fase 1, door CH₄ terug te sturen naar de ingang van de gascompressor terwijl de CO₂ naar de schoorsteen 3: Overview of the 3 membrane stages wordtFigure gestuurd. Het zo stabiel mogelijk houden van de operationele druk en temperatuur in deze sectie zorgt voor de meest stabiele productkwaliteit. De kwaliteit van het opgewaardeerde gas hangt vooral af van de werkdruk van het retentie van fase 1 en 2, evenals van de druk van de doorlaatbaarheid in fase 2. Print date 07/08/2020Page 7 of 22

Process Description BIOLNG + CO2 Luttelgeest

Voor de controle van de productgaskwaliteit: zie sectie GO500 en de behandeling van het productgas. Voor methaan slip controle: zie sectie GO500 en sectie RS600.

2.3.4. GO500 - Gasuitvoer Het debiet, de samenstelling (zie paragraaf GQA900) en het dauwpunt van het behandelde gas worden gemeten. De regelklep stroomafwaarts fase 2 ( de retentatiezijde) wordt gebruikt om een stabiele operationele druk op de membranen te behouden. Het instelpunt van de druk van de gasuitvoer en recyclingstromen veranderen afhankelijk van de vereiste productgaskwaliteit. Door bijvoorbeeld het verhogen van de druk aan de voedings-/retentiefzijde van de membranen zal er meer CO₂ door de membranen heen dringen door het hogere drukverschil en daardoor zal een hogere concentratie CH₄ in het productgas worden behaald. Voor het verlaten van de opwaarderingsinstallatie wordt het productgas aangepast aan de Customer’s requirements: ●

Aanpassing van de druk door middel van een drukregelaar.

Het gas is dan klaar om de opwaarderingsinstallatie te verlaten. Het gas moet altijd vrij uit de MS-installatie kunnen stromen om het systeem niet te laten vastlopen. Er wordt een signaal naar de Customer gestuurd om aan te geven of de gaskwaliteit al dan niet voldoet aan de vereiste specificaties. Het afvalgas van het proces (dat voornamelijk CO₂ bevat) verlaat de installatie via de schoorsteen. Het kan ook naar het eigen productieproces van de klant worden gestuurd (zie paragraaf Afvalgasbehandeling). Twee opensluitkleppen regelen de richting van de stroom en zorgen ervoor dat de druk niet te hoog oploopt op het permeaat van fase 3 of dat de gaskwaliteit voldoende is voor het productieproces van de klant. De methaanslip wordt gemonitord met behulp van een regelventiel op de retentate van fase 3 (zie paragraaf RS600).

2.3.5. RS600 - Recyclingstromen Het regelventiel stroomafwaarts fase 3 (retentate zijde) houdt een constante operationele druk op fase 3 (en permeaat zijde van fase 1). Het instelpunt wordt aangepast afhankelijk van de gemeten hoeveelheid methaanslip door de schoorsteen. De retentate stroom van fase 3 wordt via het regelventiel gerecycled naar de ingang van de gascompressor. De tweede recyclingstroom (fase 2 permeaat) wordt teruggevoerd naar sectie RBT100. De drukgradiënt wordt verzekerd door de lage druk in bovengenoemde sectie.

2.4. NABEHANDELING 2.4.1. Product gasbehandeling Onderaan de opwaarderingsinstallatie worden de producteigenschappen van het gas (bijv. druk, kwaliteit, Wobbe-index, dauwpunt) gecontroleerd door een bewakingsapparaat. Wanneer het gas voldoet aan de netspecificaties, wordt het gas naar het net gestuurd na ŚĞƚƚŽĞǀŽĞŐĞŶǀĂŶd,d;сƐƉĞĐŝĨŝĞŬĞŐĂƐŐĞƵƌͿ͘ tanneer het gas niet voldoet aan de netspecificaties, wordt de druk ervan verlaagd en wordt het direct teruggestuurd naar de vergistingsinstallatie van de klant.

Print date 07/08/2020Page 8 of 22

Process Description BIOLNG + CO2 Luttelgeest

Daarnaast worden er voortdurend signalen uitgewisseld tussen het bewakingsapparaat en de opwaarderingsinstallatie (bijv. naleving van de gas-naar-net-behoeften, gemeten Wobbe-index van het gas) om een optimale controle van het totale systeem mogelijk te maken.

2.5. ALGEMEEN 2.5.1. CH700 - Koelen en Verwarmen 2.5.1.1. CH700-700 - Verbetering van de koeling van de installatie De koelmachine (of warmtepomp, koude zijde) zorgt voor de koelcapaciteit die nodig is voor de opwaarderingsinstallatie en de voorbehandelingsinstallatie. Een mengsel van mono-ethyleenglycol en water wordt gebruikt om bevriezing in de winter te voorkomen.

2.5.1.2. CH700-720 - Verbetering van de installatieverwarming De warmtepomp (warme zijde) zorgt voor extra warmte voor het eigen productieproces van de klant. Een mengsel van mono-ethyleenglycol en water wordt gebruikt om risico's op bevriezing in de winter te voorkomen.

2.5.1.3. CH700-780 – Verbetering van de warmteterugwinning van installaties Een mengsel van ethyleen-glycol wordt gecirculeerd om de warmte van de warmtepomp (warme zijde) en de oliekoeler (gascompressor) terug te winnen. De warmte wordt door de klant hergebruikt en het afgekoelde water wordt teruggestuurd om opnieuw te worden opgewarmd.

2.5.2. A800 - Systeemvoorzieningen De systeemvoorzieningen bestaan uit (maar zijn niet beperkt tot): ● ●

●

Perslucht: aangeleverd voor de (pneumatische) regelkleppen in het proces. De perslucht zelf wordt aangeleverd door [bedrijf], zoals overeengekomen in het contract. Klimaatregeling: temperatuurregeling in de proces- en controlekamer met behulp van respectievelijk ruimteverwarmers (proceskamer, vorstbeveiliging tijdens langdurige standby van de installatie om de ruimtetemperatuur boven 0°C te houden), airconditioning (controlekamer, verwarming en koeling) en ventilatoren (proceskamer, warmteafvoer tijdens de productie). Veiligheidsmaatregelen: LEL-detectie en ruimteventilatie om te voldoen aan de voorschriften en om de veiligheid van het aanwezige personeel te garanderen.

2.5.3. GQA900 - Analyse van de Gaskwaliteit Controle van de vervuilingsniveaus/samenstelling van het voorbehandelde biogas, productgas en afvalgas voor proces- en prestatiecontrole, maar ook van de proces- en algemene veiligheid.

2.6. ANDERE INFORMATIE 2.6.1. Actieve koolstoffilters 2.6.1.1. Voorbehandelingsinstallatie Het belangrijkste materiaal dat in de Carborex® MS wordt gebruikt, is de actieve koolstof in de subsectie RBT100-150-170, voorafgaand aan de opwerking van het biogas. De actieve koolstoffilters verwijderen H₂S, VOC's en NH₃ uit het biogas.

Print date 07/08/2020Page 9 of 22

Process Description BIOLNG + CO2 Luttelgeest

H₂S-verwijdering: de onderling verbonden leidingen van de koolstoffilters maken het mogelijk om de filters ofwel in parallelle aansluiting ofwel in serie te gebruiken. In het laatste geval (lood- en vertragingsconfiguratie) wordt de H₂S verwijderd in het eerste koolstoffilter, terwijl het tweede fungeert als beveiliging en reserve. VOC's/NH₃-verwijdering: dezelfde principes als voor H₂S-verwijdering zijn van toepassing, maar de koolstoffilters zijn gevuld met twee verschillende soorten geactiveerde koolstof, één geschikt voor NH₃verwijdering en de andere voor VOC-verwijdering.

2.6.1.2. Opwaarderingsinstallatie Het geactiveerde koolstoffilter dat gebruikt wordt in sectie CGT300 binnen het compressorgebied is gevuld met nieuwe koolstof, om sporen van compressorolie te verwijderen. De efficiëntie van het filtersysteem om oliesporen te verwijderen moet regelmatig worden gecontroleerd zodat kan worden vastgesteld wanneer de koolstof moet worden vervangen. Het is echter aan te raden om het filter gelijktijdig met de andere filters te vervangen.

2.6.2. Chemicaliëngebruik De volgende chemicaliën worden in de gehele installatie gebruikt: ● ● ● ●

Mono-ethyleenglycol in het koud- en warmwatercircuit; Koelmiddel R410A (warmtepomp); Polyol esterolie (koelmachine(s)); Compressorolie.

2.6.3. Afvalstromen In de Carborex® MS-fabriek kunnen verschillende afvalstromen worden gedefinieerd. 1) Afval van geactiveerd koolstof na gebruik (raadpleeg de onderhoudshandleiding voor een correcte verwijdering en voor opslag). 2) Afvalgas. De CO₂-afvalstroom (off-gas) zal in de atmosfeer vrijkomen (indien van toepassing). 3) Afvalwater. Op verschillende plaatsen wordt het condensaat opgevangen en geloosd. Het water kan vervuild zijn met 80 - 100 mg/L olie. 4) Afvalolie van de compressor.

Print date 07/08/2020Page 10 of 22

Process Description BIOLNG + CO2 Luttelgeest

3.

EXTRA MEMBRANEN

Het biomethaan dat het Carborex MS systeem in Luttelgeest verlaat is ontworpen voor laagcalorische gaskwaliteit (Groningen-gas). Om BIO LNG te produceren moet de gaskwaliteit verder worden teruggebracht tot <50 ppm. In het volgende hoofdstuk wordt de polijst installatie, bestaande uit een PTSA-technologie, beschreven. De technologie is gebaseerd op een chemische binding van CO 2 door amines. Aangezien dit een exotherme reactie is en de adsorptie bij hogere temperaturen beperkt is, is het belangrijk dat de inlaat concentratie van de PTSA niet hoger is dan 1,5% CO2. Daarom wordt in de fabriek een extra set membranen geïnstalleerd tussen de Carborex MS en de PTSApolijstunit. Dit kan worden beschouwd als een 4-traps membraansysteem zoals weergeven in figuur x.

Figure 4: Overview of the 4 membrane stages

Print date 07/08/2020Page 11 of 22

Process Description BIOLNG + CO2 Luttelgeest

4.

POLIJSTEN

4.1. PROCESBESCHRIJVING Na gebruik van de Carborex© MS unit is het behandelde biogas klaar voor diepe CO2-afscheiding van methaan in de PTSA unit. Het PTSA-principe is in de volgende figuur weergeven. Het principe van chemisorptie zoals uitgelegd in de volgende chemische reacties ligt echter overwegend boven het kinetische principe van PTSA, waarbij het TSA-principe overwegend boven PSA ligt. Het temperatuurverschil zorgt voor meer efficiëntie dan het drukverschil. Schommelingen van de inlaatdruk (10-15 barg) hebben dus lichte invloed op het rendement.

Figuur 5: PTSA principe Het gebruikte adsorptiemiddel is Lewatit®. De zogenaamde chemisorptie van de Lewatit® wordt in de volgende chemische reacties weergeven.

Figuur 6: chemisorsiereacties Als gevolg van de reacties de De P&ID van het systeem is te vinden in bijlage A. De P&ID toont de kleppen die gebruikt worden in de besturingsfilosofie van de PTSA-unit. Dit wordt in een apart hoofdstuk van dit document behandeld. Er zijn drie verschillende bedrijfsmodi geïdentificeerd: ● ● ●

Adsorptie Regeneratie Koeling

In de adsorptie modus stroomt het gas met een stroomsnelheid van 322 nm3/u en met een druk van -15 barg door de adsorptiekolom. Na de adsorptie modus wordt de kolom overgeschakeld naar de regeneratiemodus, waarbij ongeveer 8% van de product gasstroom onder druk wordt gezet tot -2 barg en door de kolom stroomt bij een temperatuur van ongeveer 100 °C. Na de regeneratiemodus wordt de kolom in de koelmodus en de druk modus gezet, waarbij de kolom wordt afgekoeld tot de vereiste temperatuur van ongeveer 5 °C. Vlak voor het omschakelen naar de adsorptie modus wordt de kolom op druk gebracht van 2 barg tot 15 barg met behulp van het toevoerleiding ventiel van de kolom. Dit drukproces wordt mede gerealiseerd door het openen van de Print date 07/08/2020Page 12 of 22

Process Description BIOLNG + CO2 Luttelgeest

toevoerleiding klep en het buffervat (BV-400). De BV-400 wordt gebruikt om drukpieken tijdens het proces te voorkomen. De drukverlaging als onderdeel van het regeneratieproces vindt plaats via de uitlaatklep van de kolom terug in de aanzuiging van het Carborex MS systeem stroomopwaarts de Actieve Koolstoffilters, om drukpieken in de Carborex MS unit te voorkomen. De verschillende modi worden in de volgende hoofdstukken beschreven en in deze hoofdstukken ligt de nadruk ook op de instelling van de kleppen tijdens de verschillende bedrijfsmodi. Elke cyclus is gebaseerd op een tijd ronde van 1 uur. De tijdronde kan worden aangepast om het optimale proces uit te voeren. Elke kolom werkt altijd in de adsorptie-, regeneratie- of koelmodus. De volgorde van de modi is altijd dat de adsorptie wordt gevolgd door regeneratie (en drukontlasting) en daarna door koeling (en drukontlasting). Regeneratie en koeling worden gerealiseerd met behulp van een klein deel (~8%) van het product gas. Het regeneratie gas wordt opgewarmd tot 100 °C, om de warmte van de schoorsteenmantel over te brengen naar het adsorptiemiddel en de CO2 over te brengen naar de uitgang van de regeneratie kolom. De koel gasstroom wordt alleen gebruikt voor de warmteoverdracht van de schoorsteenmantel naar het adsorbens van de koeling kolom.

4.2. PTSA-UNIT De PTSA-unit bestaat uit drie kolommen, die zowel in de adsorptie-, regeneratie- of koelmodus werken. Drukverlaging wordt geïntegreerd in de regeneratiemodus, terwijl de drukverlaging plaatsvindt tijdens de koelmodus. Aangezien elke kolom in dezelfde tijdspanne in een andere modus werkt, kan de vereiste energie niet worden geleverd door verwarming of koeling door middel van gasstroom, moet elke kolom worden ontworpen om het absorberende gedeelte op te warmen of af te koelen. Dit wordt gerealiseerd door het ontwerp van de kolom door het absorberende gedeelte te verwarmen of te koelen door middel van een verwarmings- of koelmantel rond de kolom. Voor de kolommen zijn twee opties ontworpen die in bijlage B zijn weergegeven.

Figure 7: PFD PTSA system Het koel- en verwarmingsmedium is een MEG-watermengsel (30%), dus het mengsel is onafhankelijk bij het mengen van het medium tijdens het omschakelings proces. De overbelasting van het MEG-watermengsel in de kolom en het aangrenzende leidingwerk kan zowel in het koel- als in het verwarmingscircuit worden verwerkt. De toevoer gasstroom voor de adsorptiekolom wordt door middel van HE-400 afgekoeld om te voldoen aan de aanvoertemperatuur (5 °C) voor het adsorptie gedeelte. Aangezien het absorptieproces een exotherme reactie is, kan de temperatuur oplopen tot 40 °C. Om het adsorptie gedeelte te koelen kan de koelmantel van de adsorptiekolom worden geactiveerd. Op deze manier kan het adsorptieproces worden verbeterd. Print date 07/08/2020Page 13 of 22

Process Description BIOLNG + CO2 Luttelgeest

De regeneratie gasstroom, die tegen de stroom in stroomt ten opzichte van de adsorptie gasstroom, zal worden verwarmd door middel van HE-600 om afkoeling van het adsorptie gedeelte te voorkomen. De warme regeneratie gasstroom, ongeveer 8% van de totale capaciteit van de PTSA-unit, zal het geregenereerde CO2 naar de uitlaat van de kolom overbrengen, gevolgd door een terugkeer naar de stroomopwaarts gelegen actieve koolfilters (ACF) van de Carborex MS. Deze gasstroom wordt afgekoeld om te voldoen aan de vereiste temperatuur (25 °C) van de ACF’s in het Carborex MS systeem, door middel van HE-610. De koelende gasstroom wordt afgekoeld tot ongeveer 20 °C door middel van HE-710 door dit in de productie gasstroom te versnellen tot liquefactie. Om dit te laten gebeuren moet de product gasstroom tot < 2 barg drukloos worden gemaakt. Dit wordt gerealiseerd met behulp van PCV-500.

4.3. OPERATIONELE MODI Adsorptie is de stap waarbij de adsorptie van CO2 gedurende één uur plaatsvindt, bij een constante druk van 16 bar(a) en een begintemperatuur van 5 °C. De voedingsstroom is ongeveer 322 Nm 3/uur en bevat 99 % of CH4 en 1 % CO2. Terwijl CO2 op het adsorptiemiddel wordt opgevangen, gaat CH 4 continu door de kolom heen en verlaat zo de top, richting de productielijn. Aangezien adsorptie een inherent exothermisch proces is, wordt verwacht dat de temperatuur in sommige delen van de kolom kan stijgen (tot 40 °C als slechts één grote buis wordt gebruikt). Er is een mogelijkheid om de juiste adsorptiekolom te koelen waardoor de efficiëntie van het adsorptieproces wordt verbeterd, dit wordt gerealiseerd door de mantel van de ‘’adsorptie’’-kolom te openen.

4.3.1. Positionering van de gasklep In de volgende tabel worden alle kleppen vermeld in de statuspositie (open/dicht) die hoort bij de bedrijfsmodus (adsorptie, regeneratie, koeling). Open en dicht Gaszijde ADF-401 Adsorption Adsorption Inlet AV-401 Adsorption Outlet AV-411 Regeneration Inlet AV-601 Regeneration Outlet AV-611 Cooling Inlet AV-701 Cooling Outlet AV-711 Tabel 1: stand van de gasklep aan de zijkant

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/1846/documents/27923