10.1 Ruimtelijke onderbouwing Oosterringweg 39 te Luttelgeest.pdf
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Oosterringweg 39, Luttelgeest
26-07-2021
Colofon Rapport: Oosterringweg 39, Luttelgeest Rapportnummer: 5689BS02 Status: Definitief Datum: Juli 2021 Opdrachtnemer Stalbouw.nl Kosterijland 7 3981 AJ BUNNIK www.gsadviesgroep.nl
© JULI 2021
STALBOUW.NL
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
2
INHOUDSOPGAVE
1 INLEIDING 1.1 Achtergrond 1.2 Doel 1.3 Plangebied 1.4 Vigerend plan 1.5 Leeswijzer
5 5 7 7 8 9
2 PLANOMSCHRIJVING 2.1 Ligging en historie 2.2 Huidige situatie 2.3 Toekomstige situatie 2.4 Landschappelijke inpassing 2.5 Verkeersbewegingen
10 10 15 16 21 24
3 BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Nationaal Waterbeleid 3.1.4 Het Nationaal Milieubeleidsplan 4 (NMP4) 3.1.5 Ladder duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsprogramma Flevoland 3.2.2 Omgevingsverordening Flevoland 3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Noordoostpolder
26 26 26 27 28 29 29 30 30 32 32 32
4 OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Milieu 4.1.1 Bedrijven- en milieuzonering 4.1.2 Bodem 4.1.3 Lucht 4.1.4 Geur 4.1.5 Geluid 4.1.6 Externe veiligheid 4.2 Water 4.3 Natuur 4.3.1 Gebiedsbescherming 4.3.2 Soortenbescherming 4.4 Cultuurhistorie 4.5 Archeologie
36 36 36 37 38 41 42 45 47 49 50 51 54 55
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
3
4.6 4.7
Feitelijke belemmeringen M.e.r.-plicht
5 UITVOERBAARHEID
56 56 58
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2.1 Bijlage 2.2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10
Situatietekening Processchema Procesbeschrijving Peters Biogas Beplantingsplan Inrichtingsplan Huidige Wnb 2018 Geuronderzoek Akoestisch onderzoek Kwantitatieve risicoanalyse Watertoets Quickscan Natuurtoets
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
4
1 1.1
INLEIDING
ACHTERGROND Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is bedoeld om het kader te bieden voor het kunnen uitvoeren van een ruimtelijk initiatief. Tevens biedt voorliggende onderbouwing de motivering van waarom het gewenste ruimtelijk initiatief inpasbaar is op de door initiatiefnemer gewenste locatie en als zodanig niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In dit geval heeft de onderbouwing betrekking op het planvoornemen om ter plaatse van het biovergistingsbedrijf met akkerbouwtak aan de Oosterringweg 39 te Luttelgeest de bedrijfsvoering ten behoeve van de bio-vergisting verder uit te breiden met daarbij de mogelijkheid om het LNG te produceren. Navolgend een weergave van de ligging van het bedrijf. Figuur 1 Luchtfoto huidige situatie in projectgebied.
Met de ontwikkeling zal de installatie als zodanig niet wijzigen ten opzichte van de vergunde situatie. Binnen de bestaande installatie wordt de capaciteit
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
5
verhoogd. Hiervoor zijn geen technische ingrepen noodzakelijk. Uitsluitend de doorzet wordt vergroot van 50.000 ton naar 80.000 ton per jaar. Verder wordt de biogas-opwaardeerinstallatie uitgebreid met een mogelijkheid om een gedeelte van het geproduceerde gas te vervloeien als Bio-LNG. Hiermee wordt op een hoogwaardige technologische wijze biogas van aardgaskwaliteit geproduceerd waarbij nu de mogelijkheid komt van bio-LNG als vervanger van fossiele brandstof voor de transportsector. Tevens zal de CO 2 die vrijkomt tijdens het productieproces worden afgevangen en vervloeid waardoor het niet in de atmosfeer terecht komt. Bovenstaande technieken vinden plaats in dezelfde verwerkingsinstallatie en opslagruimten. De groengas installatie is in tegenstelling tot de vergunde situatie geplaatst aan de noordwestzijde van opslagloods K in plaats van de westzijde. Hier wordt het biogas opgewerkt naar groen-gas of Bio-LNG. Omdat er inmiddels ook mengsels van co-producten naar derden worden afgevoerd, wordt één van de silo’s die bestemd is voor de opslag van coproducten in gebruik genomen als opslag voor biogasmengsels en wordt vanuit hier naar derden afgevoerd. Dit biomassamengsel wordt niet ter plaatse verder verwerkt of opgewaardeerd.
In verband met het voldoen aan de Best Beschikbare Techniek zal aansluitend na de chemische luchtwasser die achter de verwerkingsloods G zit een biofilterinstallatie worden geplaatst om de geur te reduceren. Het opgevangen water vanuit de indampinstallatie wordt of weer teruggebracht in het proces of opgevangen in een aparte silo. Tenslotte zijn 2 WKK’s buiten werking gesteld en is hiervoor in de plaats een op (eigen) biogas gestookte verwarmingsketel geplaatst. Reeds aanwezig maar nog niet vergund zijn 2 cilinders van 25 liter per stuk voor kalibratiegas en 4 cilinders van 50 liter per stuk voor Heliumgas. Verder wordt er in de vergunning optimalisaties doorgevoerd in de bedrijfsvoering. De akkerbouwtak van het bedrijf blijft ongewijzigd aanwezig.
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
6
Figuur 2 Toekomstige situatie
1.2
DOEL Voorliggende toelichting is opgesteld om aan te tonen dat de ontwikkeling van het plan op de benodigde punten passend is in de omgeving en voldoet aan alle Wet- en regelgeving. Aangetoond dient te worden dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
1.3
PLANGEBIED Het plangebied omvat de percelen aan de Oosterringweg 39 te Luttelgeest. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Noordoostpolder, sectie G, nummers 1762, 2708, 2730, 2731, 2744 en 2745 (gedeeltelijk). Onderstaand is het plangebied weergegeven. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Noordoostpolder, ten noordwesten van de kern Luttelgeest.
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
7
Figuur 3 Ligging plangebied (bron: www.topotijdreis.nl)
1.4
VIGEREND PLAN Het perceel is opgenomen in de beheersverordening 'Landelijk gebied'. In deze beheersverordening is het bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2004' van kracht verklaard. Hieronder is een uitsnede van de verbeelding uit het bestemmingsplan opgenomen. In deze beheersverordening heeft het perceel de bestemming “agrarisch gebied – openheid van het landschap” met bebouwingsvlak. De bedrijfsgebouwen en de silo’s zijn opgetrokken binnen het bebouwingsvlak.
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
8
Figuur 4 Uitsnede plankaart
Binnen deze bestemming was het niet mogelijk om de nu aanwezige biovergistingsinstallatie als zelfstandige bedrijfstak te voeren. Met de in 2017 verleende omgevingsvergunning is dit, in afwijking van de beheersverordening, mogelijk gemaakt. De nu gewenste ontwikkeling is niet passend binnen de kaders van de beheersverordening of de verleende omgevingsvergunning. Om de nu gewenste ontwikkeling mogelijk te maken is een afwijkingsprocedure benodigd, in dit geval de uitgebreide Wabo-procedure ex 2.12 lid 1 onder a.3 van de Wabo.
1.5
LEESWIJZER In het vervolg van deze toelichting wordt eerst ingegaan op de huidige situatie in het plangebied en de voorgenomen ontwikkeling (hoofdstuk 2). Vervolgens komt in hoofdstuk 3 de relatie van het plan met het algemene en specifieke rijks-, provinciale en gemeentelijk beleid voor de fysieke omgeving van het plangebied aan bod. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in alle relevante aspecten van dit project. Het te realiseren plan dient te passen binnen het betrokken gebied, waarbij gemotiveerd moet worden aangegeven hoe het plan zich verhoudt tot de aanwezige functies en waarden in dat gebied. Aan de hand van een beschrijving van alle relevante aspecten (onder andere water en milieu komen aan de orde), wordt de planologische aanvaardbaarheid van het project onderbouwd. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het project.
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
9
2 2.1
PLANOMSCHRIJVING
LIGGING EN HISTORIE Het plangebied bevindt zich aan de Oosterringweg 39 te Luttelgeest. Luttelgeest is gelegen in de gemeente Noordoostpolder in de provincie Flevoland. Hieronder is de ligging van Luttelgeest binnen de gemeente Noordoostpolder zichtbaar gemaakt. Figuur 5 Ligging Luttelgeest in de gemeente Noordoostpolder.
Hieronder een historisch overzicht van de ontwikkeling van het plangebied en omgeving op basis van beschikbaar historisch kaart- en luchtfotomateriaal.
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
10
Figuur 7 Locatie in 1952
Figuur 6 Locatie in 1975
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
11
Figuur 9 Locatie in 1987
Figuur 8 Locatie in 2000
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
12
Figuur 10 Locatie in 2020
Zichtbaar is de groei van het gebied zowel qua landschappelijke ontwikkeling als ook ten aanzien van de enorme vergroting van het areaal aan bebouwing in het gebied sinds begin jaren ’50 nadat de Noordoostpolder is aangelegd. Met name vanaf begin jaren ’80 is de toename aan glastuinbouw in het gebied opmerkelijk te noemen. Andere ontwikkelingen die zichtbaar zijn, zijn de recreatieve ontwikkelingen, de komst van een AZC en huisvesting arbeidsmigranten aan de Kuinderweg. Ook het plangebied zelf heeft zichtbaar een ontwikkeling doorgemaakt, zo laten onderstaande luchtfoto’s zien. De bovenste foto is van 2006 en de foto daaronder is van 2020. Duidelijk zichtbaar is de groei binnen het bedrijf richting de biovergisting.
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
13
Figuur 12 Luchtfoto locatie 2006
Figuur 11 Luchtfoto locatie 2020
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
14
2.2
HUIDIGE SITUATIE Bij ingebruikname van de biovergistingsinstallatie in 2007 was initiatiefnemer Peters één van de pioniers in Nederland op het gebied van biovergisting. Dit betekent dat dit ook één van de eerste installaties is waarbij de tienjarige exploitatiesubsidie reeds langere tijd gelegen afgelopen is. De vervolgregelingen bieden onvoldoend rendement, waarmee ontwikkelingen nodig blijven voor een rendabele exploitatie van de installatie. Aanvankelijk was het de bedoeling de installatie uit te breiden met een vierde WKK-installatie, echter ook dit lijkt vanwege gewijzigde marktomstandigheden onvoldoende rendement op te leveren. Wanneer er geen uitbreiding plaatsvindt gaat de productie-installatie verloren. Om dit te voorkomen wordt ingezet op een nog duurzamere manier van energie uit biomassa, namelijk het omzetten van biogas naar (groen) aardgas. Waar de huidige WKK-installaties een gecombineerd rendement van circa 76% hebben, is het met de biogasopwaardering mogelijk om een rendement tot 95% te halen. Deze activiteit is reeds vergund (HZ_WABO25177). Op dit moment is de jaarlijkse input van de vergistingsinstallatie 50.000 ton/jaar. In de deze situatie levert het bedrijf elektriciteit voor 1.500 huishoudens en groen gas voor 2.500 huishoudens.
Aanwezige bebouwing Op de locatie zijn aanwezig een bedrijfswoning, een werktuigenberging, een tweetal loodsen, 7 silo’s ten behoeve van de mestvergisting. Het bedrijf bestaat uit twee zelfstandige takken: zowel een grondgebonden agrarisch bedrijf (akkerbouw) als een biovergistingsinstallatie voor het verwerken van mest en het produceren van groen gas.
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
15
Figuur 13 Huidige bebouwing op de locatie
2.3
TOEKOMSTIGE SITUATIE Van belang voor het project is dat de installatie als zodanig niet wijzigt ten opzichte van de vergunde situatie. Binnen de bestaande installatie wordt de capaciteit verhoogd zonder verdere technische ingrepen. De drie belangrijkste wijzigingen betreffen 1. Verhogen van de jaarlijkse doorzet grondstoffen van 50.000 naar 80.000 ton 2. Nageschakelde stap van de gasopwaardering, namelijk vervloeiing (bio LNG) 3. Nageschakelde stap van de CO2 productie, namelijk vervloeiing. Daarnaast vinden onderstaande wijzigingen plaats op de locatie als gevolg van voorliggende vergunningsaanvraag: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Verplaatsen groengas installatie Indampinstallatie voor digestaat Greenstep installatie voor enzymen Verwijderen twee WKK’s en plaatsing ketel Biologische luchtwasser vervangen door een biobedfilter Een extra (nieuw) biobedfilter voor extra zuivering na de chemische luchtwasser
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
16
Verhogen doorzet De (in ieder geval voor het oog) grootste wijziging, is de jaarlijkse doorzet van de hoeveelheid mest en biomassa. In beide gevallen is het minimaal 50% dierlijke mest en maximaal 50% co-producten. De productiecapaciteit verandert verder niet, het is puur wegens marktomstandigheden dat het bedrijf moet uitwijken naar grondstoffen met een lagere energetische inhoud dan voorheen. Daarnaast verandert de opslagcapaciteit en het bewerkingsproces niet. Ondanks dat deze hoeveelheid aanpassing kan worden opgevat als bijna een verdubbeling van de installatie, ligt dat in de praktijk totaal anders. Deze uitbreiding brengt een aantal effecten met zich mee: Meer bruto geurbelasting door laden / lossen van de extra tonnages Meer bewegingen voor het afvoeren van het eindproduct. Meer transportbewegingen voor aanvoer van de extra tonnages Uiteraard probeert het bedrijf alle effecten zo goed mogelijk te mitigeren. Zo plaatsen ze een extra groot biobedfilter, om niet alleen de extra verdringingslucht te filteren, maar ook de huidige geurreductie nog beter te maken. Het afgelopen jaar heeft het bedrijf gemerkt dat het huidige filter aan de maximale capaciteit zit, dit kan aanzienlijk beter. Per saldo zal de geurbelasting niet toenemen. In het navolgende van het rapport wordt hier nader op ingegaan.
De extra transportbewegingen vanwege de afvoer van het product proberen probeert het bedrijf terug te dringen. De indampinstallatie (wijziging 5) is namelijk in staat om het digestaat te scheiden in twee stromen, een concentraat (inzetbaar voor lokale akkerbouw en in kassen als kunstmestvervanger) en een effluent, dat waarschijnlijk niet via transport hoeft te worden afgevoerd. Veiligheidshalve zijn de afvoerbewegingen van het effluent wél meegenomen in de berekeningen, maar gezien de afzetmogelijkheden niet nodig. Dan blijven de transportbewegingen voor het aanvoeren van de extra stromen dus over, deze kan het bedrijf niet weg nemen. Nageschakelde stap van de gasopwaardering, namelijk vervloeiing (bioLNG) Op dit moment beschikt het bedrijf een biogas-opwaardeerinstallatie welke het geproduceerde biogas omzet naar aardgaskwaliteit. Dit gas wordt gasvormig op het openbare net geïnjecteerd. Er is echter momenteel veel vraag naar vloeibaar groen gas. Het bedrijf verwacht dat vrijwel de volledige biogasmarkt de komende jaren de omslag zal maken naar bio-LNG. Voornaamste reden is dat de opbrengsten hoger zijn. Dit zal zich op zeer korte termijn vertalen in stijgende grondstofprijzen. Hierdoor is het essentieel is dat het bedrijf met deze ontwikkeling meegaan. Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
17
De nageschakelde bio-LNG stap heeft een aantal effecten op de omgeving: Geluidproductie door extra koelers Afvoerbewegingen voor het vloeibare gas Externe veiligheid vanwege de opslag van LNG. Ook hier heeft het bedrijf de effecten zo goed mogelijk geprobeerd te mitigeren. De koelers vallen weg tegen de vrijkomende koelers van de WKKinstallaties (wijzing 7). Het aantal afvoerbewegingen betreft circa 230 stuks per jaar, ofwel 4,5 per week. Zowel de huidige als de nieuwe vergunning hadden hier al ruimte voor, namelijk twee stuks diverse aan/afvoerbewegingen per etmaal. Het effect dat niet weggenomen kan worden, is de externe veiligheid. De LNG-opslagtank en bijbehorend afleverpunt voor vrachtwagens valt onder milieucategorie 4.2. Dit is uitsluitend vanwege de risicocontour. Het bedrijf heeft de LNG-opslagtank op voldoende afstand van de openbare weg geplaatst. De risicoanalyse geeft derhalve aan dat er wordt voldaan de externe veiligheid. Nageschakelde trap van de CO2 productie, te weten vervloeiing. Op dit moment produceert het bedrijf gasvormige hernieuwbare CO2. Dit kan in de lokale kassen worden ingezet. Het voornemen was om een rechtstreekse leiding te leggen richting naastliggende tuinders maar dit blijkt nog niet zo eenvoudig.
Om verschillende redenen willen deze bedrijven de CO2 liever vloeibaar ontvangen, zodat deze bedrijven het gerichter kunnen inzetten en zodat ze veiligheidsrisico’s in hun kassen voorkomen. Dit is voor het bedrijf aanleiding om ook hiervoor een extra nageschakelde trap te plaatsen, zodat het bedrijf aan deze vraag kan voldoen. De effecten die deze uitbreiding met zich mee brengt is beperkt tot het transport van de CO2. Hier geldt hetzelfde als het transport van het bio-LNG, de transportbewegingen van het CO2 passen in de reeds in de vergunning opgenomen twee transportbewegingen per dag voor aan- en afvoer van diversen. Wijzigingen 4 t/m 9 Deze wijzigingen hebben geen (groter) effect op de omgeving. In de huidige vergunning was een onjuiste locatie van de groengas-opwaardeerinstallatie vermeld. De locatie maakt voor het milieu en de omgeving niet uit. Verder wil het bedrijf een container plaatsen voor het produceren van enzymen die het vergistingsproces kunnen optimaliseren, dit is een gesloten systeem.
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
18
Het verwijderen van twee WKK-installaties en het terugplaatsen van een gasketel spreekt voor zich. In de huidige vergunning waren behoorlijke koelers vergund voor deze WKK-installaties, deze capaciteit verplaatsen we nu naar de bio-LNG-trap. De stikstofuitstoot wordt wel lager. Bijzonder is vooral even de indampinstallatie. Dit is een volledig gesloten proces dat door middel van vacuümdestillatie vloeibaar digestaat kan scheiden in een concentraat en een effluent. Het concentraat mag conform nieuwe wetgeving in 2022 worden ingezet als kunstmestvervanger. Het effluent is zeer waterig, en kan worden ingezet voor irrigatie en/of lozing. Het bedrijf gaat voorlopig in de aanvraag uit van afvoer per vrachtwagen, maar het bedrijf streeft ernaar om hier een beter alternatief voor te zoeken. Ten slotte de luchtwassers. In de huidige vergunning staat een biologische luchtwasser voor de opslagloods en een chemische luchtwasser voor de lucht uit de digestaatloods en de decanter. Er is de laatste jaren een betere techniek beschikbaar voor het verwijderen van geur, dat is een zogenaamd biobedfilter. Het bedrijf heeft reeds de biologische luchtwasser vervangen door een biobedfilter, deze aanpassing was nog niet in de vergunning vermeld.
Daarnaast wil het bedrijf achter de chemische luchtwasser (waar nu nog niks achter zit) een groot biobedfilter plaatsen om nog beter alle geuremissie te kunnen verwijderen. Voor zover het bedrijf kan overzien, is de impact op de omgeving beperkt tot een uitbreiding van het aantal transportbewegingen en een stukje externe veiligheid. Van laatstgenoemde is met de QRA-rapportage aangetoond dat situatie voldoet. De maximale etmaalwaarden qua verkeer van de bestaande vergunning worden niet overschreden, deze blijven gehandhaafd. Ruimtelijke impact Voor de bepaling van de ruimtelijke impact is het vooral van belang om te kunnen vaststellen dat de inrichting in gebruik blijft als een co-vergistingsinstallatie. Dit is onomstootbaar vast te stellen. De wijzigingen leiden niet tot een ander gebruik. Er wordt nog steeds minimaal 50% dierlijke mest met de toevoeging van co-producten vergist tot hernieuwbaar aardgas. De uitbreiding in tonnages heeft hier geen effect op. De indampinstallatie zorgt voor een geconcentreerdere hoeveelheid output en betere afzetmogelijkheden voor het digestaat. Echter maakt dit niet dat de inrichting daarmee als een ‘mestverwerkingsinstallatie’ of iets van gelijke aard is aan te merken. Het overgrote deel van de output blijft dierlijke mest, en krijgt daarmee niet de status ‘verwerkt’. Daarnaast is het hoofddoel van
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
19
de installatie het produceren van hernieuwbare energie uit mest en biomassa, en niet het verwerken van mest. Daarnaast zou nog kunnen worden gekeken of de inrichting mogelijk ook in gebruik is als ‘biogasfabriek’, ‘industriële vergister’ of iets van gelijke aard. Hiervan is geen sprake zolang er minimaal 50% van de input bestaat uit dierlijke mest en zeker niet zolang ook de output hoofdzakelijke dierlijke mest blijft. Het toevoegen van de bio-LNG-stap zorgt ervoor dat het eindproduct (=hernieuwbaar aardgas) niet alleen gasvormig kan worden afgezet, maar ook vloeibaar. Dit maakt de installatie nog geen gasfabriek, met name omdat de hoofdactiviteit, namelijk het co-vergisten van dierlijke mest niet wijzigt, alleen de fysieke toestand van het eindproduct gaan hiermee van gasvormig naar vloeibaar. Gelet op het bovenstaande, kan worden gesteld dat de aard van de inrichting niet wijzigt. Daarmee blijven er qua ruimtelijke aspecten nog twee kleine punten over. Ten eerste de externe veiligheid met betrekking tot de bio-LNG-installatie en ten tweede de normstelling omtrent het geluid ter hoogte van de woning aan de Oosterringweg 38. Deze woning hoeft uiteraard niet officieel als bedrijfswoning te worden aangemerkt, maar het college kan wel gemotiveerd afwijken van de nota geluid, onderdeel industrieterrein.
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
20
Figuur 14 Toekomstige indeling perceel Oosterringweg 39 Luttelgeest
2.4
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING Voor een goede ruimtelijke kwaliteit is het van belang dat aandacht wordt besteed aan de inpassing in het omliggende landschap. Daartoe is mede van belang de Landschapsvisie Noordoostpolder. De Landschapsvisie is één van de bouwstenen voor de Structuurvisie. De Landschapsvisie is echter niet vastgesteld, vandaar dat de Landschapsvisie niet onder het gemeentelijk beleid is geplaatst, maar in deze paragraaf is opgenomen om de locatie in relatie te stellen met het kenmerkende landschap en zodoende te beoordelen of het ‘nieuwe erf’ hiermee in overeenstemming is. Vanwege de status van de polder als door het Rijk aangewezen ‘Wederopbouwgebied uit de periode 1940-1965’ en vanwege het belang dat de gemeente hecht aan de cultuurhistorische waarde van de polder is een zorgvuldige inpassing van nieuwe ontwikkelingen van groot belang. De opgave voor de Landschapsvisie is om een koers uit te zetten voor de gemeente Noordoostpolder als ‘levend landschap’, waarbij zowel het oorspronkelijke plan als ontwikkelingen uit de afgelopen 60 jaar in beschouwing worden genomen. Ook de waardering van de toegevoegde, huidige kwaliteiten van het landschap speelt een rol en de inschatting van de mate waarin de landschappelijke kwaliteiten toekomstbestendig zijn.
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
21
Het plangebied is gelegen in het open middengebied van de Noordoostpolder. Het perceel is van origine een agrarisch erf. Tezamen met nog 3 andere erven is tezamen sprake van een 4-erf-stelsel. Op de volgende figuur is het stelsel weergegeven. Figuur 15 Verspreiding ervencluster in Noordoostpolder.
Onderstaande topografische kaart (medio 1975) verduidelijkt dit ook nog eens, 4 erven in één cluster en allen duidelijk groen ingepast in het landschap.
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
22
Figuur 16 Vier erven in één cluster in 1975
De agrarische erven Op het laagste schaalniveau is het thema van de concentrische opbouw herkenbaar in de opbouw van de agrarische erven, die altijd aan drie zijden worden omzoomd door een erfsingel. Aan de kant van de openbare weg is het erf transparant begrensd. Deze opbouw heeft als effect dat de erven van buitenaf gezien als landschapselement worden ervaren, en vanaf de weg een kijkje in het interieur van het bedrijf ontstaat. De soortenkeuze van de erfbeplanting is afgestemd op de soortenkeuze van de wegbeplantingen ter plaatse. Omdat de agrarische erven een essentieel onderdeel van het landschap zijn heeft het verdwijnen van de erfbeplanting zowel op het kleine schaalniveau van het erf zelf als op het niveau van de beleving van het landschap een groot effect. In 2017 is het erf vergroot naar de huidige erfomvang van 3,14 hectare, inclusief de erfsingel. Met voorliggende ontwikkeling wordt binnen de bestaande erfsingel gebleven. Deze erfsingel zorgt voor de landschappelijke inpassing alle op het perceel aanwezige bebouwing. De erfsingel en de erfsloot zijn haaks op de kavelstructuur aangelegd. In de omgevingsvergunning wordt als voorwaarde opgenomen dat de kavelsloot en de erfsingel conform de daartoe opgestelde inrichtingstekening met bijbehorend beplantingsplan in stand worden gehouden.
Het inrichtingsplan en het beplantingsplan zijn als bijlagen in deze onderbouwing opgenomen. De bijlage van het inpassingsplan is het gemeentelijk stuk “toelichting beplantingsplan erfsingels Noordoostpolder” toegevoegd. Aan de voorwaarden die hierin genoemd voldoet de erfsingel.
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
23
Figuur 17 Landschappelijke inpassing
2.5
VERKEERSBEWEGINGEN Om te zorgen dat de extra transporten niet tot nadelige effecten voor de omgeving leiden zullen er maximale aantallen zwaar verkeer per etmaal worden aangevraagd. Hiervan wordt ook de akoestische ruimte berekend. Onder zwaar verkeer wordt verstaan: zowel tractoren als vracht- en tankwagens. De aantallen zullen gemiddeld veel lager uitvallen dan de maximale aantallen, echter is er veelal sprake van pieken. Zo worden bij de akkerbouw vaak in één keer de verkochte producten vanuit de opslag afgevoerd en is er bij de biogasinstallatie met betrekking tot de afvoer van mest sprake van een piek in de uitrijdperiode. Tabel 1 Verkeersbewegingen toekomstige situatie
Transportbewegingen (aantal per dag)
Na ontwikkeling
Aan-en afvoer mest
24
Aanvoer co-producten
8
Personenauto
34
Bestelbus
6
Tractor
16
Afvoer landbouwproducten
6
Aan-en afvoer diversen
2
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
24
Afvoer CO2 en LNG
2
Piek afvoer mest
44
Totaal
142
Gezien de ligging aan de Oosterringweg wordt ervan uitgegaan dat alle verkeersbewegingen wordt afgewikkeld via de Oosterringweg. Deze provinciale weg kan de hoeveelheid transporten prima aan en bied voldoende veiligheid voor overige weggebruikers vanwege het parallelgelegen fietspad. In het akoestisch onderzoek zijn de verkeersbewegingen verantwoord.
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
25
3
BELEIDSKADER
3.1
RIJKSBELEID
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 23 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze structuurvisie wordt een samenhangende visie gegeven op het Nederlands Rijk tot 2040. Kernwoorden in het SVIR zijn concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De belangrijkste verandering is het terugtreden van de rijksoverheid op het gebied van ruimtelijke ordening. Lagere overheden, waaronder provincies en gemeenten krijgen een grotere rol volgens het principe ‘decentraal, tenzij…’. De gebruiker moet weer centraal komen te staan. Het Rijksbeleid richt zich daarom op het vereenvoudigen van de regelgeving en heeft dertien rijksbelangen benoemd waar het Rijk de verantwoordelijkheid houdt. Het Rijk verwacht dat medeoverheden zich eveneens inzetten voor meer eenvoud en integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving. Hierdoor zal de bestuurlijke druk afnemen en ontstaat ruimte voor regionaal maatwerk. De verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal laat het Rijk over aan de provincies. Het Rijk versterkt de samenhang tussen de verschillende modaliteiten en tussen ruimtelijke ontwikkelingen en mobiliteit. Het Rijk heeft drie doelen geformuleerd en per doel een aantal nationale belangen.
Voor deze nationale belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil zij resultaten boeken op de middellange termijn (2028). De doelen en nationale belangen zijn: 1) Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland. De bijbehorende nationale belangen zijn: a) een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
26
bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren; b) ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame)energievoorziening en de energietransitie; c) ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen; d) efficiënt gebruik van de ondergrond. 2) Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. De bijbehorende nationale belangen zijn: a) een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen; b) betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem; c) het in stand houden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen. 3) Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.
De bijbehorende nationale belangen zijn: a) verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s; b) ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling c) ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten; d) ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; e) ruimte voor militaire terreinen en activiteiten; f) zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vormt het sluitstuk van rijkszijde van het nieuwe stelsel van ruimtelijke ordening, zoals dat in 2008 met de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking is getreden. Kern van de nieuwe Wro is dat overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven langs welke weg zij de belangen denken te realiseren. Rijk en provincies bemoeien zich voortaan uitsluitend met wat daadwerkelijk van nationaal respectievelijk provinciaal belang is. Ook moeten rijk en provincies duidelijk maken of de borging van een belang gevolgen heeft voor ruimtelijke besluitvorming door de gemeenten. Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
27
De eerste tranche, dat in januari 2010 voor advies naar de Raad van State gezonden is, bevat een beleidsneutrale omzetting van bestaand beleid. De kaders zijn afkomstig uit PKB’s Nota Ruimte, Derde Nota Waddenzee, Structuurschema Militaire Terreinen en Project Mainportontwikkeling Rotterdam. De tweede tranche bevat beleid dat doorwerkt tot in de ruimtelijke plannen van andere overheden. Op 30 juni 2011 zijn alle ontwerpstukken van het Barro als bijlage bij de nieuwe Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) gepubliceerd. In het Barro zijn opgenomen: het Project Mainportontwikkeling Rotterdam; Militaire terreinen en –objecten; de Wadden; de kust (inclusief primaire kering); de grote rivieren; Rijksvaarwegen Hoofdwegen en landelijke spoorwegen Elektriciteitsvoorziening; Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; Natuurnetwerk Nederland; Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden. Het Barro is ook wel bekend als de AMvB Ruimte. Inmiddels zijn meerdere wijzigingen in Barro doorgevoerd, waarvan de laatste op 27 mei 2020. 3.1.3
Nationaal Waterbeleid In het kader van dit bestemmingsplan geldt onder andere onderstaand beleid op het gebied van water. In het jaar 2000 is de Europese ‘Kaderrichtlijn water’ (KRW) in werking getreden. De KRW heeft tot doel de oppervlaktewateren – waaronder ook overgangswater en kustwater – en het grondwater in de Europese Unie te beschermen en te verbeteren en het duurzaam gebruik van water te bevorderen. Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vast gesteld. Dit project geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 20162021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. De klimaatverandering en de daarmee samenhangende stijging van de zeespiegel, nattere winters en hogere neerslagentiteiten in de zomerperioden vragen een ander waterbeheer in de 21e eeuw en meer ruimte voor water. Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten spraken in het Nationaal Bestuursakkoord Water-Actueel (2008) (NBW) af dat de regionale watersystemen in 2015 op orde moeten zijn. Samenwerking en afstemming tussen de Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
28
overheden is hierbij erg belangrijk. In het NBW is afgesproken dat water een medesturend aspect is binnen de ruimtelijke ordening en dat het watersysteem ‘op orde’ moet worden gebracht. Dit betekent dat het watersysteem robuust en veerkrachtig moet zijn en moet voldoen aan de normen voor wateroverlast, nu en in de toekomst. De watertoets vormt hierbij een waarborg voor de inbreng van water in de ruimtelijke ordening. Een bijlage bij het NWP is het stroomgebiedbeheerplan (SGBP) voor de Maas. Dit beheerplan geeft onder meer een beschrijving van het stroomgebied Maas, de doelen voor de oppervlakte- en grondwaterlichamen en een samenvatting van de maatregelen die genomen gaan worden. 3.1.4
Het Nationaal Milieubeleidsplan 4 (NMP4) In 2001 verscheen de kabinetsnota ‘Een wereld en een wil: werken aan duurzaamheid’, beter bekend als het vierde Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4). In dit beleidsplan licht het kabinet het te voeren milieubeleid toe. Het NMP4 wil een einde maken aan het afwentelen van milieulasten op de generaties na ons en op mensen in arme landen. Want met de huidige manier van produceren en consumeren schuiven we nog steeds onze milieulasten door naar anderen. Volgens het NMP4 moet het lukken binnen 30 jaar te zijn overgestapt naar een duurzaam functionerende samenleving.
3.1.5
Ladder duurzame verstedelijking Per 1 juli 2017 is de “ladder voor duurzame verstedelijking” een procesvereiste voor ruimtelijke plannen, die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken (Bro, artikel 3.1.d). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van ruimte in stedelijke gebieden. In de motivering voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten de treden van de ladder worden doorlopen vanuit de volgende voorwaarden: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. In het Bro is geen ondergrens voor minimale omvang vastgelegd. Of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling. In beginsel kunnen mestverwerkingsinstallaties waar mest verwerkt wordt afkomstig van bedrijven in de omgeving aangemerkt worden als stedelijke ontwikkeling (uitspraak van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:734). Dat sprake is van een ontwikkeling dit naar aard aangemerkt kan worden als stedelijke ontwikkeling betekent niet meteen dat de ladder doorlopen moet worden.
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
29
In dit geval is op de locatie sprake van een biomassavergistingsinstallatie waarvan het gebruik zal wijzigen. Het plan maakt geen uitbreiding in de oppervlakte aan bebouwing mogelijk. Bij een ontwikkeling met een bruto vloeroppervlakte van minder dan 500 m2 is volgens jurisprudentie geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724). Dus ondanks de activiteit, is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Dit omdat er geen sprake is van uitbreiding van bebouwing. Een nadere onderbouwing is niet noodzakelijk.
3.2
PROVINCIAAL BELEID
3.2.1
Omgevingsprogramma Flevoland In het kader van de inwerkingtreding van de omgevingswet dienen alle provincies te beschikken over een Omgevingsvisie, één of meer programma's en een Omgevingsverordening. De grondslag van het voorliggende Omgevingsprogramma Flevoland is dan ook artikel 3.4 van de Omgevingswet. Daarnaast is de grondslag te vinden in diverse vigerende wetten, zoals de Waterwet, de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet natuurbescherming. Het Omgevingsprogramma omvat daarmee de op dit moment verplichte plannen: het milieubeleidsplan, het regionale waterplan en het verkeer- en vervoersplan. In 2017 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie FlevolandStraks vastgesteld. Hierin is in hoofdlijnen de strategische visie op de toekomst van Flevoland weergegeven. In dit (eerste) Omgevingsprogramma Flevoland is ervoor gekozen al het bestaande beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud van de fysieke leefomgeving te bundelen in één programma dat digitaal beschikbaar is. Op deze wijze zijn de provinciale beleidskeuzes compact beschreven en is de samenhang tussen de verschillende beleidsterreinen het beste gewaarborgd. De provincie streeft ernaar om dit programma jaarlijks te actualiseren en waar nodig aan te vullen met overig provinciaal beleid.
Zo kunnen in volgende versies onderwerpen worden toegevoegd die betrekking hebben op bijvoorbeeld economisch of sociaal beleid. Ook kunnen programma's worden toegevoegd met een meer gebiedsgebonden of thematische aanpak. Het Omgevingsprogramma is in principe zelfbindend voor de provincie. Wel moet het waterschap bij vaststelling van een waterbeheerplan rekening houden met de door de provincie uitgewerkte kaderstelling in het regionale waterprogramma. Voor de doorwerking van andere thema’s uit het Omgevingsprogramma maakt de provincie waar nodig gebruik van gezamenlijke programma’s, bestuurlijke afspraken, convenanten, stimuleringsregelingen en de Omgevingsverordening Flevoland.
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
30
Provinciale regelgeving voor de fysieke leefomgeving is opgenomen in de Omgevingsverordening. Het Omgevingsprogramma heeft ter inzage gelegen conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. De reacties zijn verwerkt en beantwoord met een antwoordnota. Deze eerste versie van het Omgevingsprogramma is vastgesteld door Provinciale Staten van Flevoland op 27 februari 2019. Tegen de vaststelling van het Omgevingsprogramma is geen bezwaar en beroep mogelijk. Agrarische activiteiten Het landelijk gebied moet vitaal blijven. Ook in Flevoland is sprake van verdergaande schaalvergroting en herstructurering van de landbouw. De provincie wil agrarische bedrijvigheid die zich in de eerste plaats richt op duurzame productie en verwerking van landbouwproducten optimale ontwikkelingskansen geven. Bovendien wil de provincie ruimte bieden aan nieuwe functies in het landelijk gebied om het economisch draagvlak te verbreden en deze te verweven met de bestaande landbouwfunctie. In de beleidsregel kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied zijn de voorwaarden en maatvoering concreter uitgewerkt. Verder moet er voldaan worden aan een goede ruimtelijke ordening, waaronder een landschappelijke inpassing en een goede verkeersafwikkeling. De landbouw verandert in hoog tempo van een beschermde en ondersteunde sector naar een sector die moet concurreren op de wereldmarkt.
Bedrijven reageren hierop met schaalvergroting, specialisatie, intensivering en een verschuiving van akkerbouw naar veehouderij. Ook zijn er bedrijven die oplossingen zoeken in verbreding van de bedrijfsvoering, zoals verwerking van agrarische producten, het telen van energie- of andere gewassen, mestvergisting, recreatie en toerisme. De provincie wil de agrarische sector in de verdere ontwikkeling faciliteren en ondersteunen. In een duurzame, vitale landbouwsector ontstaan er meer mogelijkheden voor de ontwikkeling van andere economische functies in het landelijk gebied. Ten aanzien van het gebruiken van biomassa voor het produceren van energie heeft de provincie heeft een voorkeur voor de inzet van materiaal dat minder geschikt is voor hoogwaardige toepassingen of dat al een cascade heeft doorlopen. Van afvalstromen die niet als product of materiaal hergebruikt kunnen worden hergebruikt, kan de energie-inhoud worden benut. De inzet van afval als brandstof wordt gezien als nuttige toepassing. De hier voorgestane ontwikkeling, het vergisten van mest voor de productie van gas en Bio-LNG is passend in het beleid van de provincie Flevoland, waarin verbreding van de agrarische activiteiten mogelijk wordt gemaakt.
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
31
3.2.2
Omgevingsverordening Flevoland De Omgevingsverordening Flevoland is op 15 maart 2019 in werking getreden en voor het laatst op 10 juli 2019 gewijzigd. In de Omgevingsverordening is geen bepaling opgenomen die de voorgenomen ontwikkeling in de weg staat.
3.3
GEMEENTELIJK BELEID
3.3.1
Structuurvisie Noordoostpolder Algemeen De Structuurvisie Noordoostpolder 2025 is in december 2013 vastgesteld door de gemeenteraad. De Structuurvisie is een integrale ruimtelijke visie, die de huidige en gewenste waarden en kwaliteiten beschrijft. De Structuurvisie is een document voor de langere termijn. Daarom ken zij een zekere mate van globaliteit en abstractie. De visie vormt de basis voor ons toekomstig beleid, ter uitwerking van de structuurvisie zijn gebiedsvisies, masterplannen, uitwerkingsplannen, bestemmingsplannen en beleidsplannen nodig om concrete (plan)ontwikkelingen in gang te zetten. Doel De visie heeft als doel de verschillende belangen, zoals voor het landschap, de kernen en de gemeenschap, zorgvuldig af te wegen. En hieruit een integrale ontwikkelingsrichting te bepalen voor de periode tot 2025. De Structuurvisie Noordoostpolder 2025 is vooral gericht op behoud en verbetering van de bestaande ruimtelijke, economische en sociale kwaliteiten en daarmee op het versterken van het landschap en leefbaarheid in de gemeente Noordoostpolder. Duurzame energie, duurzame landbouw De gemeentelijke ambitie is om in 2030 voldoende duurzame energie op te wekken om daarmee energieneutraal te zijn.
De gemeente staat positief tegenover kansrijke initiatieven voor het opwekken van duurzame energie, zoals grootschalige opwekking van windenergie langs de dijken, geothermie, biomassastromen, grootschalige inzet van zonne-energie en de productie van biogas. Daarom wordt aan deze ontwikkelingen, onder voorwaarden, ruimte geboden. Dit initiatief omvat het toepassen van duurzame energie: zonnepanelen, biovergisting met daarbij het leveren van groene stroom en biogas. Mogelijkheden voor biovergistingsinstallatie 1. Ruimte bieden aan de plaatsing van biovergisters op erven, onder voorwaarde dat: Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
32
a.
toename aan stikstofdepositie wordt voorkomen of beperkt;
b. aangesloten wordt bij de karakteristiek van de polder middels een goede landschappelijke inpassing, binnen de erfsingel van het bestaande erf. 2. Voor biovergistingsinstallaties als nevenactiviteit van een bestaand agrarisch bedrijf geldt verder de voorwaarde dat de installaties kleinschalig zijn; 3. Biovergisting als zelfstandige hoofdactiviteit op een agrarisch erf is toegestaan mits dit perceel direct ontsloten is door (doorgaande) wegen met voldoende capaciteit voor het benodigde transport. Overigens zijn biovergistingsinstallaties ook toegestaan op de grootschalige, gezoneerde bedrijventerreinen bij Emmeloord. Argumenten voor een biovergistingsinstallatie Een biovergistingsinstallatie, zoals beoogd door initiatiefnemers, past deels binnen de gemeentelijke duurzaamheidsambitie. Hierna wordt benoemd waarom. 1. 1.a Toename aan stikstofdepositie wordt beperkt. Er wordt beschikt over een verleende vergunning Wet Natuurbescherming, deze is als bijlage toegevoegd aan de aanvraag. Ten opzichte van deze verleende vergunning neemt de depositie op de gevoelige gebieden niet toe. Op 20 januari 2021 is er door de Raad van State een uitspraak gedaan waarin is uitgesproken dat bij intern salderen geen nieuwe vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming noodzakelijk is. Uit de voor het project uitgevoerde AERIUS-berekening blijkt dat er geen van sprake is van een toename.
Hiermee is sprake van intern salderen. Een nieuwe vergunning is niet noodzakelijk. Significant negatieve effecten zijn op voorhand uitgesloten. Met de vergunning treedt geen verslechtering op van de Natura-2000 gebieden. 1.b Aangesloten wordt bij de karakteristiek van de polders middels een goede landschappelijke inpassing, binnen de erfsingel van het bestaande erf. Er kan voldaan worden aan een goede landschappelijke inpassing, zie daartoe paragraaf 2.4 waarin de inpassing van het erf nader is beschreven, mede in relatie tot de cultuurhistorische vorming van het landschap. 2. De activiteiten zijn vanwege de omvang niet als kleinschalig aan te merken.
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
33
3. Het perceel dient direct ontsloten te zijn door (doorgaande) wegen met voldoende capaciteit voor het benodigde transport. De locatie is goed en passend ontsloten. De transportbewegingen zijn verder toegelicht in paragraaf 4.6 van deze ruimtelijke onderbouwing. Mogelijke bezwaren voor een biovergistingsinstallatie Op onderstaande aspecten is er een (geringe) afwijking met de kaders zoals in de structuurvisie omschreven. Deze zijn de volgende: De maximale breedte bij het verruimen van erven bedraagt 150 meter en de maximale oppervlakte 3,0 hectare. In de huidige situatie is de omvang van het perceel reeds groter dan 3 hectare, te weten 3,14 hectare. Ook de maximale breedte van 150 meter wordt reeds overschreden. Met het voorliggend plan neemt de omvang van het erf niet toe. Ook de breedte van het perceel wordt niet gewijzigd ten opzichte van de situatie zoals deze vergund is. Het perceel is op zijn breedst aan de zijde van de Oosterringweg, namelijk 183 meter (inclusief erfsingel), aan de overzijde is het perceel 179 meter breed. Deze maten betreffen de feitelijke en reeds bestaande situatie. De betreffende situatie is ontstaan doordat er een erfsingel is aangelegd rond de uitbreidingen die in het verleden al met vergunning (of vergunningsvrij) tot stand zijn gekomen. Op deze wijze is destijds voorzien in een goede landschappelijke inpassing van het perceel.
Hierbij wordt opgemerkt dat ook het bestaande bebouwingsvlak reeds breder is dan 150 meter, dit komt voort uit de uitzonderlijke vorm van het oorspronkelijke perceel vanwege een ligging die niet haaks op de weg georiënteerd is. Het oorspronkelijke bebouwingsvlak is al eerder uitgebreid. De landschappelijke inpassing is weergegeven in onderstaande figuur. Zie ook de bijlagen.
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
34
Figuur 18 Landschappelijke inpassing
Bij ketenverlenging is maximaal toegestaan een milieucategorie 3.1 inrichting. In de huidige situatie is reeds een biovergistingsinstallatie (milieucategorie 3.2) toegestaan. Met de nu voorgestane wijzigingen in de bedrijfsvoering wijzigt de milieucategorie niet. Hiermee ontstaan er voor de omgeving geen grotere richtafstanden dan die op grond van de bestaande situatie reeds in acht genomen moeten worden. Op grond van de hierboven genoemde argumenten en motivering, kan afgeweken worden van hetgeen is gesteld in de gemeentelijke structuurvisie.
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
35
4 4.1
OMGEVINGSASPECTEN
MILIEU In deze paragraaf wordt ingegaan op de relevante milieuaspecten en bekeken in hoeverre er sprake is van belemmeringen voor de voortgang van het plan.
4.1.1
Bedrijven- en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uit te voeren. De handreiking “Bedrijven en milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. In de omgeving van het bedrijf zijn verschillende bedrijven gelegen. Deze bedrijven mogen door de ontwikkeling niet in hun bedrijfsvoering belemmerd worden. Voor dit project geldt dat er geen nieuwe gevoelige objecten worden opgericht. Dit maakt dat de ontwikkeling geen beperking geeft voor de omliggende bedrijven. Zij moeten rekening houden met de bestaande gevoelige objecten. Verder geldt dat de locatie reeds bestemd is als een mestbewerkingsinstallatie in de vorm van co-vergisting met hierbij de akkerbouwtak. Volgens ‘Bedrijven en milieuzonering” valt een mestvergistingsbedrijf in de milieucategorie 3.2. En akkerbouwbedrijf valt onder categorie 2.
Het project ziet toe op een ondergeschikte wijziging van de bestaande mestbewerkingsinstallatie en het vergroten van de verwerkingscapaciteit tot 80.000 ton. Hiermee wijzigt de milieucategorie niet. De akkerbouwtak blijft ongewijzigd. Omdat de milieucategorieën niet wijzigen, wijzigen de te hanteren richtafstanden in het kader van “Bedrijven en milieuzonering” niet. Aangezien ook het projectgebied niet wijzigt blijven de afstanden gelijk ten opzichte van de bestaande situatie en is ten aanzien van de richtafstanden geen verschil met de
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
36
bestaande situatie. Dit zowel voor de biovergistings- als de akkerbouwtak van het bedrijf. Echter, omdat niet geheel uit te sluiten is dat er met het gewijzigde verwerkingsprocedé en vergroting van de capaciteit nadelige gevolgen zijn voor omliggende gevoelige objecten, zijn voor de aspecten, geur, geluid, externe veiligheid en stof, nadere onderzoeken uitgevoerd om te bepalen of conform de wettelijke normen sprake blijft van een acceptabel woon- en leefklimaat. In het vervolg van dit hoofdstuk komen deze aspecten aan de orde. 4.1.2
Bodem In de ruimtelijke onderbouwing dient aangegeven te worden wat de kwaliteit van de bodem ter plaatse van het plangebied is. Tevens dient, op basis van de Mor (Ministeriële regeling omgevingsrecht), bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen een rapportage van een recent uitgevoerd verkennend bodemonderzoek toegevoegd te worden. Voor verkennend bodemonderzoek op een locatie wordt de norm NEN 5740 gehanteerd (onderzoeksstrategie voor verkennend bodemonderzoek). De bodemonderzoeksplicht (naar reinheid) geldt alleen voor bouwwerken waarvoor: een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is vereist; waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend (twee of meer uren per dag) mensen zullen verblijven; die de grond raken; waarvan het bestaande gebruik wijzigt (interne verbouwing); die niet naar aard en omvang gelijk zijn aan een bouwwerk genoemd in het Besluit bouwwerken; waarvan geen reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten aanwezig zijn; die geen tijdelijk bouwwerk betreffen waarbij uit het vooronderzoek blijkt dat de locatie onverdacht is. Met de voornomen ontwikkeling worden geen bouwwerken mogelijk gemaakt waarvoor een omgevingsvergunning bouwen verreisd is en/of waar nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven. Het betreft een vergunningsvrije overkapping en een biobedfilter. Een onderzoek is niet noodzakelijk.
Daarbij is door onderzoeksbureau K.N. Milieutechniek uit Raalte in 2017 een bodemonderzoek uitgevoerd. Onderstaand een weergave van de resultaten: Uit het verkennend asbest- en bodemonderzoek komt naar voren dat de hypothese van asbestverdachte locatie moet worden gehandhaafd. In de bovengrond bij boring 5 is zintuiglijk asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen. Het plaatmateriaal bestaat uit 10-15 % chrysotiel (hechtgebonden). In
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
37
de grond is analytisch geen asbest gemeten. Het gehalte aan asbest in het asbestgat 05 betreft 97 mg/kg ds. De interventiewaarde wordt hierbij niet overschreden. In de overige asbestgaten rondom de bebouwing is zowel zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetoond. Op het maaiveld is direct naast de bebouwing stukken asbesthoudend materiaal waargenomen. De asbesthoudende materialen zijn afkomstig van de bebouwing en dienen tijdens de asbestsloop van de loods verwijderd (gesaneerd) te worden. Ter plaatse van de onderhoudswerkplaats zijn in de grond geen verhoogde gehalten aan minerale olie en/of aromaten aangetoond. In zowel de bovenals ondergrond zijn geen verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetoond. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie aan barium aangetroffen. De aangetoonde concentratie aan barium geeft geen aanleiding tot nader onderzoek. Conform de CROW publicatie 132 “Werken in of met verontreinigde grond” zijn voor handelingen op/in de grond geen bijzondere veiligheidseisen vereist. Wel is op de locatie asbesthoudend materiaal aanwezig. Aanbevolen wordt om tijdens graafwerkzaamheden de grond aardvochtig (vocht percentage boven 10%) te houden en bovenwinds te (ver)blijven. Het uitgevoerde onderzoek voldoet niet als partijkeuring (AP-04 keuring) conform het Besluit Bodemkwaliteit en SIKB-protocol 1001.
Het onderzoek volstaat dus niet voor het afvoeren van (schone) grond van deze locatie. Dit heeft voor dit initiatief geen gevolgen, er wordt geen grond afgevoerd. Het aspect bodem is geen belemmering voor de voortgang van het project. 4.1.3
Lucht Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regeling rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
38
d. een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht (NIBM), hoeft een project niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen. Na inwerkingtreding van het NSL op 1 augustus 2009, is de definitie van NIBM 3% van de grenswaarde, dat is 1,2 μg/m3 (artikel 2, lid 1, Besluit NIBM in samenhang met Bijlage 1A van de Regeling NIBM). Dit geldt overigens niet voor bedrijven die zijn uitgezonderd van de regeling NIBM; dit zijn bepaalde gebieden in Nederland waar met name een concentratie aan pluimveehouderijen is gevestigd. Het project mag geen nadelige gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit in de projectomgeving, er moet sprake blijven van een goed woon- en leefklimaat. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat volgens de wettelijke normen als de achtergrondconcentratie fijn stof de norm van 40 μg/m3 niet overschrijdt, waarbij het aantal overschrijdingsdagen niet meer mag bedragen dan 35 per jaar.
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft een kaart opgesteld waarop de achtergrondconcentratie van fijn stof in kaart is gebracht. Een uitsnede van deze kaart met daarop weergegeven de actuele concentratie fijn stof is hieronder weergegeven. Figuur 19 Achtergrondconcentratie Fijn stof
Aangezien de achtergrondconcentratie ruim beneden de grenswaarde ligt, zal het woon- en leefklimaat ook na de ontwikkeling acceptabel blijven. Hieruit kunnen we concluderen dat de Wet luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Ondanks dat het bedrijf aan de kaders lijkt te voldoen is er, om de specifieke situatie (de cumulatie van effecten) van dit bedrijf in kaart te brengen, gekeken of er sprake is van een project
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
39
dat niet in betekende mate is. Hiertoe is de NIBM-tool ingevuld. Het uitgangspunt hierbij is het aantal extra voertuigbewegingen ten behoeve van de nieuwe functie. Deze is als volgt opgebouwd:
Tabel 2 Verkeersbewegingen vergunde en toekomstige situatie
Transportbewegingen (aantal per dag)
Vergund
Na ontwikkeling
Aan-en afvoer mest
20
24
Aanvoer co-producten
7
8
Personenauto
29
34
Bestelbus
5
6
Tractor
14
16
Afvoer landbouwproducten
5
6
Aan-en afvoer diversen
2
2
Afvoer CO2 en LNG
2
2
Piek afvoer mest
37
44
Totaal
121
142
De toename van het aantal vervoerbewegingen bedraagt 21 per dag. Ingevuld in de NIBM-tool van 1 oktober 2020 geeft dit het onderstaande resultaat. Figuur 20 Uitkomst NIBM-berekening
De uitkomst van de NIBM-tool is dat het extra verkeer niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering geeft voor de voortgang van het project. Met betrekking tot de emissies van fijn stof wordt opgemerkt dat er in plaats van 3 WKK’s nog één WKK in werking is en in verband met de warmtevraag een biogasketel is geplaatst die voldoet aan de stand der techniek, waarmee de emissie van fijn stof per saldo daalt.
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
40
4.1.4
Geur Geur wordt een steeds belangrijkere component bij biogasinstallaties. Waar tot enkele jaren terug vrijwel nooit rekening gehouden was met de factor geur, zijn het nemen van geurbeperkende maatregelen tegenwoordig standaard. De initiatiefnemers willen zich inspannen om mogelijke geurhinder in de toekomst te voorkomen. Algemeen Er worden maatregelen genomen om geuremissie door op- en overslag van biomassa en mest te voorkomen. Deze activiteiten vinden in de huidige situatie voornamelijk in de buitenlucht plaats. In de nieuwe situatie zullen deze in een afgesloten loods plaatsvinden. De loods is afgezogen en de lucht wordt middels een luchtwasser gereinigd. Geur beperkende maatregelen In de voorgenomen situatie zullen de volgende geur beperkende maatregelen worden uitgevoerd: Realiseren loods als huisvesting voor technische installaties, luchtwassers en onderdelen. Realiseren loods als huisvesting voor opslag van vaste en vloeibare mest en biomassa; Bouwen van stortbunker voor luchtdichte (afgezogen) opslag en invoer van vaste biomassa. Het komt er in het kort op neer, dat alle huidig bekende geurbronnen zullen worden afgesloten en/of binnen een afgesloten ruimte worden geplaatst, waarbij de lucht wordt afgezogen richting een uitgebreide luchtwasser en/of biobedfilter. Geuronderzoek Bij de aanvraag is een geuronderzoek gevoegd.
Het gehele onderzoek, met als titel “Geuronderzoek voor de inrichting gelegen aan de Oosterringweg 39 te Luttelgeest, 5742go0120 v4” van 6 mei 2021. De onderzoek is als bijlage bij de aanvraag gevoegd. Uit het onderzoek volgen de onderstaande conclusies: In opdracht van Peters Biogas BV is een geuronderzoek uitgevoerd voor de uitbreiding van de bestaande biogasinstallatie aan de Oosterringweg 39 te Luttelgeest.
Ruimtelijke onderbouwing, Oosterringweg 39, Luttelgeest
41
Het onderzoek is uitgevoerd ten behoeve van de aanvraag van een omgevingsvergunning. Uit de op omliggende woningen berekende waarden in tabel 3 blijkt dat op omliggende geurgevoelige objecten in de aangevraagde situatie voldaan wordt aan de richtwaarden uit het gestelde toetsingskader. Tabel 3 Geurbelasting op omliggende geurgevoelige objecten
Gelet op bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de geurbelasting op de directe omgeving geen belemmering hoeft te vormen voor de vergunbaarheid van de aangevraagde situatie. Geur Akkerbouwbedrijf Voor het akkerbouwbedrijf geldt binnen het activiteitenbesluit een minimale afstand. Conform artikel 3.46 van het Activiteitenbesluit, moet de opslag van agrarische bedrijfsstoffen ten opzichte van een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, minimaal 50 meter zijn. Binnen deze straal zijn geen dergelijke objecten gevestigd. Het aspect geur is geen belemmering voor de gewenste planvorming. 4.1.5