CConstaterende datNoardeast-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22c Woningbouw Mearswei Nijewier

It Beslút 4 december 2025, gemeente Noardeast-FryslânBij agendapunt: Vaststellen wijziging omgevingsplan woningbouwlocatie Mearswei Nijewier25.215 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

32/338

wordt niet uitgesloten. Ook wordt de aanwezigheid van de kerkuil in de kapschuur niet op voorhand uitgesloten. De zojuist genoemde gebouwen worden niet gesloopt of aangepast. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Vleermuizen De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in de woning en loods in het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. Het gaat om mogelijke zomer-, kraam-, paar- en/of winterverblijven. Nader onderzoek is niet noodzakelijk, aangezien deze gebouwen niet worden gesloopt. Kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn) Het voorkomen van (leefgebied van) kleine marterachtigen in het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. Er wordt geadviseerd om op basis van nader onderzoek vast te laten stellen of deze soorten inderdaad van het plangebied gebruik maken of om een mitigatieplan op te stellen. Initiatiefnemer heeft besloten om dit met onderzoek inzichtelijk te maken. Specifieke zorgplicht Er kunnen soorten voorkomen in het plangebied waarvoor een vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Voor deze soorten geldt een specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal). Deze specifieke zorgplicht schrijft voor dat men bijvoorbeeld verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen.

Nader ecologisch onderzoek Naar aanleiding van de resultaten van de quickscan is nader onderzoek gedaan naar beschermde boomnesten en naar kleine marterachtigen. Het nader onderzoek naar kleine marterachtigen is in het najaar van 2024 uitgevoerd. Daarbij zijn een wezel en een bunzing aangetroffen. Er dient een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd. Deze vergunning is op 25 augustus 2025 verleend. Vooruitlopend daarop is met de provincie afgestemd dat er compenserende maatregelen worden getroffen voor kleine marterachtigen. In juni 2025 is het onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde boomnesten afgerond. Hieruit is gebleken dat de aanwezigheid van een jaarrond beschermd boomnest binnen de invloedsfeer van het plangebied kan worden uitgesloten. De rapportage van het nader onderzoek is opgenomen als Bijlage 6. Conclusie Negatieve effecten van de woningbouwontwikkeling op de aanwezigheid van wezel en bunzing kunnen worden uitgesloten vanwege het treffen van compenserende maatregelen. Vanwege de invloed op het leefgebied van de wezel is een omgevingsvergunning verleend. Als verder rekening wordt gehouden met de algemene zorgplicht zijn er vanuit ecologie geen bezwaren voor de uitvoering van het plan.

5.7

Luchtkwaliteit

Toetsingskader Bij ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de luchtkwaliteit. In het Bkl zijn per 1 januari 2024 de normen voor luchtkwaliteit opgenomen. Vooral in en nabij de aandachtsgebieden moeten overheden toetsen aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit.

33/338

Onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Een plan of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijnstof)niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Ook zijn er een aantal standaardactiviteiten genoemd die niet in betekende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering. Er zijn een paar situaties, die de overheid nog wel in het hele land moet beoordelen: een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; bij het toelaten in een omgevingsplan: de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter; Of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij het toelaten in een omgevingsplan: de aanleg van een auto(snel)weg (artikel 5.50 Bkl). Toetsing In totaal betreft het initiatief de realisatie van maximaal 4 woningen en het mogelijk maken van een caravanstalling en 15 camperplaatsen. Er wordt geen activiteit mogelijk gemaakt zoals benoemd in artikel 5.50 Bkl en het plangebied bevindt zich niet binnen een aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof.

Met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit is de beoogde ontwikkeling in overeenstemming met de instructieregels van het Bkl. Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Uit de kaart blijkt dat in 2022 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof in het plangebied ruimschoots onder de omgevingswaarden (genoemd in Artikel 2.4 en Artikel 2.5 van het Bkl) lag. De luchtkwaliteit ter plaatse is aanvaardbaar. Conclusie De kwaliteit van de buitenlucht is aanvaardbaar en de voorgenomen ontwikkeling draagt in niet betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

5.8

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Toetsingskader Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van wegen, spoorwegen en/of industrieterreinen dient de geluidbelasting te worden beoordeeld. De instructieregels in het Bkl bevatten waarden en eisen voor het beoordelen van geluid. Toetsing Woningen zijn geluidgevoelige gebouwen. De camperplaatsen zijn niet geluidgevoelig, gezien de logiesfunctie. De toetsing aan de standaard- en grenswaarden wordt in eerste instantie beperkt/afgebakend door het geluidaandachtsgebied behorend bij een weg. Dit is het gebied waar de standaardwaarde kan worden

34/338

overschreden. Voor gemeentewegen dient het geluidaandachtsgebied te worden berekend op basis van de uiterlijk in 2026 vast te stellen basisgeluidemissie (BGE). Op basis van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling geldt er overgangsrecht en zijn aan gemeentewegen geluidaandachtsgebieden toegekend op basis van vaste afstanden. De beoogde woningen vallen onder het aandachtsgebied van de Mearswei, de Terpstrjitte en de Auck Doniastrjitte. De FUMO heeft akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd, zie Bijlage 7. Er is een akoestisch rekenmodel opgesteld, waarbij rekening is gehouden met alle relevante gebouwde ruimtelijke objecten in de omgeving. Vervolgens is de geluidbelasting op de gevels van de beoogde woningen berekend. Uit het onderzoek blijkt dat wordt voldaan aan de standaardwaarde op geluidsgevoelige gebouwen van 53 dB Lden (gemeentelijke wegen). De woningen zullen op een minimale afstand van 6 meter vanaf de as van de weg gerealiseerd moeten worden. Er is geen sprake van geluid door spoorwegen en industrieterreinen. Conclusie Het aspect geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.9

Geluid door activiteiten

Toetsingskader In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en wordt erin voorzien dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is. De instructieregels in het Bkl bevatten waarden en eisen voor het beoordelen van geluid. Toetsing Woningen zijn geluidgevoelige gebouwen. De camperplaatsen zijn niet geluidgevoelig, aangezien ze worden getypeerd als logiesfunctie. Aan de zuidzijde van het plangebied ligt een relatief kleinschalig sportveld (kaatsveld) zonder tribune. De afstand tussen de gevel van de beoogde woningen en het sportveld bedraagt circa 15 meter. De kantine van het sportveld ligt op ruim 100 meter van het plangebied. Aan de zuidzijde van het sportveld ligt een bestaande woning op een kortere afstand van het sportveld. Het sportveld wordt niet beperkt door de beoogde woningen. Daarnaast wordt het plangebied afgeschermd door een bomenrij. Gezien de kleinschaligheid van het sportveld, de afstand en de afscherming door een bomenrij wordt aangenomen dat ter plaatse van de woningen een aanvaardbare situatie is. Verder geldt tussen een woonactiviteit en een agrarische activiteit (met uitzondering van het houden van vee) op grond van de publicatie Activiteiten en milieuzonering een richtafstand van 30 meter voor geluid.

De maximale afstand tussen de agrarische bestemming en de woonbestemming is 3 meter waarmee niet aan de richtafstand wordt voldaan. Gezien het huidige extensieve agrarische gebruik is het agrarisch gebruik van de

35/338

bestaande schuur en loods uitgesloten. De agrarische opstallen worden voornamelijk gebruikt ten behoeve van caravanstalling. Verder zijn de mogelijkheden voor agrarische bedrijfsvoering ingeperkt. Daarmee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect geluid door activiteiten vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.10 Geur Toetsingskader De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92, eerste lid, van het (Bkl). In de Omgevingswet staat dat de overheid bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (artikel 2.1 en 2.4 Ow). Dit is bijvoorbeeld ook cumulatie van geur van bedrijven. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. De gemeente moet dus overwegen wat de beste locatie is voor een activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw. Geur wordt geregeld in § 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Toetsing Een woning is een geurgevoelig gebouw. De agrarische bedrijfsgebouwen worden enkel nog extensief gebruik voor agrarische doeleinden. Het houden van vee, vergisting, houtteelt, bosbouw en fruitteelt, boomteelt of overige opgaande meerjarige teeltvormen is daarom niet meer toegestaan.

Voor een agrarisch bedrijf waar het houden van vee niet is toegestaan, geldt op basis van de publicatie 'Activiteiten en milieuzonering' tussen agrarische bedrijven en woningen alleen een richtafstand voor geluid en dus niet voor geur. Met deze wijziging van het omgevingsplan worden een caravanstalling en 15 camperplaatsen mogelijk gemaakt. De 'Verordening geurhinder en melkveehouderij Noardeast-Fryslân 2022' schrijft een minimale afstand van 50 meter tussen een veehouderij en geurgevoelig object voor. De dichtstbijzijnde veehouderij ligt op ruim 200 meter van de beoogde planlocatie. Er kan geconcludeerd worden dat in de omgeving van de woningen geen geurveroorzakende activiteiten aanwezig zijn. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.11 Omgevingsveiligheid Toetsingskader Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet rekening worden gehouden met het belang van een veilige leefomgeving.

36/338

Het gaat daarbij om: de bescherming van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van een risicovolle activiteit, en het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving in bredere zin (schade aan gebouwen en het milieu) bij een ongeval bij een risicovolle activiteit. Activiteiten met externe veiligheidsrisico's zijn risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden en hiermee moet rekening worden gehouden. Het gaat om de volgende soorten activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven (dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal; het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal; windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal; Er zijn 3 categorieën gebouwen en locaties die worden beschermd: zeer kwetsbaar (alleen gebouwen), kwetsbaar (gebouwen en locaties) en beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties). Zeer kwetsbare gebouwen Een gebouw is 'zeer kwetsbaar' als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen. Het gaat daarbij onder meer om de volgende gebouwen: woonfunctie voor 24-uurszorg, basisscholen en kinderopvang.

Kwetsbare gebouwen en locaties Kwetsbare gebouwen zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor grote evenementen of voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn. Het gaat bijvoorbeeld om: een woonfunctie, bijeenkomstfunctie, kantoorfunctie en sportfunctie. Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties De overige gebouwen en locaties zijn beperkt kwetsbaar. De nadruk ligt op de bescherming van de kwetsbare gebruiksfunctie van een gebouw. Gebouwen worden alleen beschermd voor de gebruiksfunctie van dat gebouw. Toetsing Met de beoogde ontwikkeling worden kwetsbare gebouwen en locaties mogelijk gemaakt. Om zicht te krijgen op de omgevingsveiligheid is de EV Signaleringskaart geraadpleegd, zie figuur 5.2. In de directe omgeving van het plangebied vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het spoor, het water of door buisleidingen waarvan de aandachtsgebieden en PR 10-6 contouren over het plangebied liggen.

37/338

Figuur 5.2: Omgevingsveiligheid (bron: EV Signaliseringskaart) Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Wel wordt ter hoogte van Mearswei 1 met het oog op de camperplaatsen een extra brandkraan gerealiseerd.

5.12 Trilling Toetsingskader Op grond van artikel 5.83 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet bij het wijzigen van een omgevingsplan rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen; het plan moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, met uitzondering van de activiteit wonen. In artikel 5.86 van het Bkl is aangegeven dat hieraan wordt voldaan als aan het omgevingsplan standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen worden verbonden. In § 5.1.4.4 van het Bkl zijn de instructieregels met betrekking tot trillingen opgenomen. Daarbij gaat het onder andere om het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit. Deze instructieregels gelden niet voor trillingen door doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Gemeenten kunnen in die gevallen zelf bepalen of en zo ja, welke regels zij voor trillingen van activiteiten in het omgevingsplan opnemen in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de beoordeling van trillingen kan bijvoorbeeld de SBR-richtlijn en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen worden gebruikt.

De instructieregels van het Bkl zijn overigens wel van

38/338

toepassing als in het omgevingsplan een trillingaandachtsgebied langs het spoor is vastgelegd. Daarvan is vooralsnog nog geen sprake. Toetsing De te realiseren woningen zijn trillinggevoelige gebouwen. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen functies die trilling veroorzaken. Hierdoor vormt het aspect trillingen ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkellocatie. Conclusie Het aspect trilling staat de ontwikkeling niet in de weg.

5.13 Schaduwhinder en windhinder Toetsingskader Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient te worden aangetoond dat geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor het windklimaat in de directe omgeving en de bezonningssituatie ter plaatse van eventueel aanwezige bestaande woningen. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen. Toetsing Dit milieuaspect speelt vooral bij hoogbouw. Met de bouw van maximaal 4 woningen zoals beoogd is dit omgevingsaspect niet aan de orde. Conclusie Het aspect licht en windhinder vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.14 Cultureel erfgoed Toetsingskader Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden 'landschappen' als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd. Voor het bepalen van cultuurhistorische waarden gebruikt de gemeente de gemeentelijke erfgoedvisie en -nota waarin wordt uitgegaan van de Cultuur Historische kaart van de provincie Fryslân (CHK), waarvan ook de Friese

39/338

Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel uitmaakt. Op deze kaarten is informatie opgenomen over archeologische en cultuurhistorische waarden. Toetsing Archeologie Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden hanteert de provincie Friesland de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE). De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd-bronstijd (300.000 - 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1500 n Chr.). Voor de beoogde ontwikkeling zijn de archeologische kaarten van FAMKE geraadpleegd. Deze kaarten geven de actuele status op het gebied van archeologie weer. Uit de advieskaart blijkt dat voor de periode ijzertijd-middeleeuwen diverse verwachtingswaarden gelden: waarderend onderzoek (terpen), karterend onderzoek 1 (middeleeuwen) en karterend onderzoek 2 (middeleeuwen). Voor de steentijd-bronstijd gelden geen archeologische verwachtingswaarden. Er is archeologisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 8. Tijdens het veldwerk zijn zes boringen uitgevoerd. In het plangebied bestaat de bodem vanaf het maaiveld uit: een bouwvoor; verstoorde klei- en zandlagen tot een diepte tussen 40 en 90 centimeter onder maaiveld; een kwelderwal; kwelderafzettingen en; homogeen wadzand. In de kwelderwalafzettingen zijn geen vegetatiehorizonten waargenomen. In de boringen zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen.

De bodem in het plangebied is op de meeste plekken tot meer dan een halve meter onder maaiveld verstoord. Alleen in de noordwestelijke hoek, die bestaat uit een klein stuk weiland, is de bodem slechts tot 40 centimeter onder het maaiveld verstoord. In de onderliggende kwelderwalafzettingen zijn geen vegetatiehorizonten aangetroffen die duiden op een periode dat de zee rustig was, zodat hier een vegetatielaag kon groeien en de kwelderwal bewoonbaar was. Verder zijn ook geen archeologische indicatoren aangetroffen die erop duiden dat het plangebied in het verleden door de mens bewoond is geweest. De kans dat archeologische waarden zullen worden verstoord door de voorgenomen werkzaamheden is daardoor klein. Verder archeologisch onderzoek is hier niet noodzakelijk. Aangezien geen archeologische indicatoren aanwezig zijn en geen verstoring wordt verwacht voorzover archeologische waarden nog wel aanwezig zijn is het toekennen van een bestemming 'Waarde - Archeologisch waardevol terrein' niet meer nodig. Als bij toekomstig graafwerk onverhoopt toch archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, dan dient daarvan direct melding te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11. Cultuurhistorie Ten behoeve van de boogde ontwikkeling is de cultuurhistorische kaart geraadpleegd. Er zijn cultuurhistorische

40/338

waarden binnen of nabij het plangebied. Landschap Het plangebied kent geen bijzondere landschappelijke waarden waarmee bij de planontwikkeling rekening moet worden gehouden. Wel wordt met de beoogde groenstructuur bij de dorpsentree van Nijewier de overgang van buitengebied naar bebouwde kom verzacht. Het realiseren van die structuur wordt voor zover mogelijk (afhankelijk van de eigendomssituatie) als voorwaarde aan de ontwikkeling gesteld. Conclusie Vanuit de aspecten archeologie, cultuurhistorie en landschap zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

5.15 Bodem Toetsingskader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Een bodemgevoelig gebouw is: a. en gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of b. een woonschip of woonwagen. Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving, waaronder regels over nazorg van de bodem na saneren, regels over graven in de bodem en regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico. Toetsing Met de beoogde ontwikkeling worden bodemgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Ten behoeve van de ontwikkeling is bodemonderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 9.Hieronder worden de resultaten besproken.

Onder de asfaltverharding van het parkeerterrein bevindt zich een sterke verontreiniging met minerale olie en PAK. De sterke verontreiniging is binnen de grenzen van de onderzoekslocatie voldoende afgeperkt. Het totaal bodemvolume sterk verontreinigde grond binnen het onderzoeksgebied wordt geschat op 186 m3. Bij graafwerkzaamheden ter plaatse van de sterke verontreinigingen moet rekening worden gehouden met het melden van deze werkzaamheden bij het Omgevingsloket. De saneringswerkzaamheden moeten door een BRL 7000 erkende aannemer uitgevoerd worden en de milieukundige begeleiding door een BRL 6000 erkende aannemer.

41/338

Verder blijkt uit de resultaten dat zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest is aangetoond. Derhalve is het niet noodzakelijk om een asbestonderzoek conform NEN 5707 uit te voeren. Conclusie Voorafgaand aan de ontwikkeling moet de bodem worden gesaneerd om deze geschikt te maken voor de beoogde woonfunctie.

5.16 Water Toetsingskader Bij nieuwe ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij moet het verantwoordelijke Wetterskip worden betrokken. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Wetterskip Fryslân, verantwoordelijke voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij ontwikkelingen moet 'weging van het waterbelang' plaatsvinden. De 'weging van het waterbelang' heeft met ingang van de Omgevingswet de watertoets vervangen. De digitale watertoets wordt nog wel gebruikt. De 'weging van het waterbelang' zorgt ervoor dat bij alle ruimtelijke projecten in een vroeg stadium aandacht wordt besteed aan veiligheid, kwaliteit en kwantiteit van het water. Gezien het belang van het water wordt het wateraspect ook sturender bij ontwikkelingen. Toetsing Voor de ontwikkeling aan is het Wateradvies (de watertoets) uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn opgenomen in Bijlage 10. Hieruit blijkt dat de normale procedure moet worden gevolgd. Dit houdt in dat het project invloed heeft op de wateraspecten in de omgeving. Voor de normale procedure verstrekt het waterschap standaard een wateradvies. Dit wateradvies geeft handvatten om de uitkomsten en aandachtspunten mee te nemen in het opstellen van het ruimtelijke plan of besluit.

Veilig Uit de check bij het wateradvies blijkt dat er geen laag met primaire waterkeringen, regionale en/of lokale waterkeringen, hoofdwateren, rioolwaterpersleidingen, grondwaterbeschermingsgebieden, vrij voor de boezem gebieden en waterzuiveringsobjecten worden geraakt. Waterkwantiteit Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan (tijdelijke omgevingsplan), maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is. Het is verboden zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 1.500 m2 onverharde grond in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard (10%-compensatieverplichting). De

42/338

meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Hiervoor dient afstemming plaats te vinden met Wetterskip Fryslân. In de huidige situatie is er circa 940 m2 verharding (asfalt bietenopslag) aanwezig. De beoogde woningen zullen een afwaterend oppervlak van 450 m2 hebben. Het perceel is circa 1.924 m2 groot. Er wordt aangenomen dat 50% van deze oppervlakte verhard wordt en dus 962 m2 van de tuinen verhard is. Op dit punt zijn geen compensatiemaatregelen nodig, omdat dit binnen de grens voor landelijk gebied valt (<1.500 m²). Wel worden er watergangen gedempt, wat verder wordt toegelicht in de volgende alinea. Na overleg met het Wetterskip zijn zowel de benodigde compensatie als de aanvullende maatregelen bepaald. In onderstaand figuur 5.3 is aangegeven welke bestaande watergangen worden gedempt. Deze watergangen worden volledig gecompenseerd door het verbreden van de watergang aan de noordzijde van het plangebied. In totaal wordt ter compensatie van de toename aan verharding 370 m2 water toegevoegd. Er wordt hiermee voldaan aan de compensatie-plicht. In bijlage 11 is uitgewerkt hoe deze berekening tot stand is gekomen.

Figuur 5.3: Dempen en graven Nijewier (bron: Wetterskip Fryslân) In het advies van het Wetterskip (d.d. 29-08-2024) wordt het volgende geconcludeerd: "In het kader van de gevoeligheid van de omliggende sloten is het wenselijk om een duiker aan te leggen aan de oostelijke zijde van de 'nieuw te graven' watergang, naar de schouwwatergang die zuidoostelijk ligt van de 'nieuwe' watergang." In het overleg (05-09-2024) is aangegeven dat er voor een duiker aan de oostelijke zijde over het perceel van een naastgelegen eigenaar moet worden gewerkt, dit is onwenselijk voor de gemeente. Na de situatie nogmaals hebben te bekeken is een goede oplossing in dit geval om de duiker onder de openbare weg door te leggen. De

43/338

openbare weg zal worden opengebroken voor de plannen, hierdoor is er ook ruimte om de duiker aan te leggen (zie figuur 5.3 'nieuw aan te leggen duiker'). De duiker zal dan zo'n lengte van +/- 40 meter hebben, hiermee wordt ook de aanleg van een put voorkomen. De duiker is voor de doorstroming van het watersysteem en of de aan-/en afvoer te borgen. Eind april/begin mei 2025 heeft nader overleg plaatsgevonden tussen gemeente en waterschap. Afgesproken is om op verzoek van het waterschap een duiker aan te leggen tussen een nieuwe en een bestaande watergang. Deze levert een belangrijke bijdrage aan de lokale waterhuishouding, aangezien de schouwwatergang naar het noorden te krap is. De aanvankelijk geprojecteerde duiker van 315 mm wordt een duiker van 500 mm. Daarmee is al met al voldoende oppervlaktewater gecompenseerd. De duiker aan de oostzijde (buiten het plangebied, zie figuur 5.3) is van metselwerk en is in slechte staat. De doorstroming is hier behoorlijk gevoelig door verlanding, gedateerde wegduiker en klimaatgevoeligheid. Door de woningbouw zal er meer water doorheen gaan stromen. In de vergunning zal komen te staan dat mocht deze duiker in de toekomst problemen op gaan leveren, het de verantwoordelijkheid is van de wegbeheerder, wegens ligging onder openbare weg.

De onderhoudsplicht bestaat uit het in goede staat houden van de constructie en het te allen tijde gangbaar maken van het doorstroomprofiel (beleidsregels integrale legger). Grondwater Het plangebied bevindt zich buiten de waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden. Ook zijn in het plangebied geen problemen te verwachten met de grondwaterstand. Daarnaast heeft de voorgenomen ontwikkeling geen invloed op het grondwater. Bodem Het Wetterskip adviseert de woningen aan te leggen op minimaal +0,03 m NAP. Hier is de verwachte bodemdaling door gaswinning niet in meegenomen. Voldoende In het kader van klimaatadaptatie adviseert het waterschap om bij de inrichting van het plangebied te anticiperen op hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en mogelijk overstroming door bijvoorbeeld het percentage verhard oppervlak te verminderen en het plangebied groener in te richten. Met dit aspect is rekening gehouden door maximaal 30% van het voorerf te verharden. Daarnaast is een groen beplante inrichting van de tuinen, zowel naar de straatzijde als richting het landschap, essentieel. Schoon Het uitgangspunt is om regenwater en rioolwater zoveel mogelijk gescheiden af te voeren. In dit geval wordt afvalwater afgevoerd op de bestaande rioleringsaansluiting. Hemelwater wordt afgevoerd op het oppervlaktewater.

Waterkwaliteit Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water is het van belang om milieuvriendelijke, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

44/338

Conclusie Uit de waterparagraaf blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Ten behoeve van de aanpassingen in de waterhuishouding is op 22 mei 2025 een vergunning verleend door het Wetterskip.

5.17 Duurzaamheid Toetsingskader De Omgevingswet biedt geen specifiek toetsingskader voor duurzaamheid. Wel is duurzaamheid een belangrijk thema waarmee gemeenten bij het opstellen van hun omgevingsplan rekening moeten houden. Toetsing De woningen worden gasloos gebouwd. De woningen worden binnen de bestaande landschappelijke structuren gerealiseerd. Bij de bouw wordt aangesloten op het principe van natuurinclusief bouwen waarbij de relatie tussen de bebouwing en de natuurlijke omgeving kan worden versterkt. Conclusie Het aspect 'duurzaamheid' vormt voor de uitvoering van het project geen maatgevend aspect voor de evenwichtige toedeling van functies

5.18 Gezondheid Toetsingskader Doel van de Ow is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening wordt gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Toetsing Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meeste gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Meetbaar is onder andere de bodemkwaliteit. Na de bodemsanering zijn er geen belemmeringen voor de woningbouw op de planlocatie (zie ook paragraaf 5.15. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is het gebruik van de aangrenzende agrarische percelen in beeld gebracht. Het aangrenzende agrarische perceel bij de beoogde woningen is in gebruik als agrarisch grasland. Ten noordwesten van het plangebied is een agrarisch perceel gelegen dat in gebruik is als tijdelijk grasland en akkerbouwland. Percelen die agrarisch in gebruik zijn, kunnen worden bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet, bij ontwikkelingen in de omgeving van agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen (kunnen) worden gebruikt, worden aangetoond dat geen sprake is van onaanvaardbare gezondheidsgevolgen.

De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Als vuistregel geldt dat een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, niet onredelijk wordt geacht. Op grond van rechtspraak is het mogelijk om deze afstand te verkleinen indien daaraan een deugdelijke

45/338

motivering ten grondslag ligt. Die motivering moet gebaseerd zijn op zorgvuldig locatiespecifiek onderzoek. Het plan betreft een woningbouwlocatie. Een woning is een gevoelige functie die bescherming tegen de drift van gewasbeschermingsmiddelen behoeft. Op de aangrenzende percelen, die worden beheerd als grasland, is gezien het gebruik een eventuele blootstelling aan schadelijke stoffen zeer beperkt. Op percelen die agrarisch in gebruik en als zodanig zijn bestemd (de bestemming grenzend aan het plangebied is 'Agrarisch') wordt ten behoeve van akkerbouw mogelijk wel gebruik gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen, met deze planologische mogelijkheid moet rekening worden gehouden. De gronden binnen de agrarische bestemmingen mogen echter niet gebruikt mogen worden ten behoeve van sierteelt, fruitteelt, boomteelt of overige opgaande meerjarige teeltvormen. Dit betekent dat de teelt van gewassen waarbij sprake is van hoge drift niet is toegestaan op de aangrenzende percelen. Dit betekent dus niet dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de gronden is uitgesloten. Indien gebruik van gewasbeschermingsmiddelen plaatsvindt, moet voldaan worden aan de daarvoor geldende wetgeving waarbij onder meer de zorgplicht voor mens, dier, plant en water in acht moet worden genomen. Bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen moet altijd driftarme apparatuur worden gebruikt.

Daarnaast worden vanuit het Bal eisen gesteld aan de voorwaarden van toepassing (onder andere windkracht). Bovendien dragen nieuwe driftreducerende spuittechnieken bij aan verbeteringen op het gebied van milieu, waterkwaliteit, voedselzekerheid, menselijke gezondheid en arbeidsomstandigheden. Voor agrariërs gelden teeltvrije zones langs watergangen. De breedte van een dergelijke zone is afhankelijk van het gewas en in deze zone mogen geen meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. In dit geval zijn rond de agrarische percelen watergangen aanwezig, ook aan de zijde van de beoogde woningbouw. Door de teeltvrije zone is de afstand tussen de woonactiviteit en de zone waar eventueel gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, al ingeperkt. Rekening houdend met een overwegend heersende zuidwestelijke windrichting en de aanwezigheid van teeltvrije zones, en met het oog op de wetgeving op het gebied van (gebruik van) gewasbeschermingsmiddelen en de afstand van de woningen tot het akkerbouwperceel is er in het kader van de spuitzonering een beperkt risico. Conclusie Het aspect gezondheid staat de ontwikkeling niet in de weg.

46/338

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische vormgeving

Toepassingsbereik

Met deze wijziging van het omgevingsplan worden de bestaande juridisch planologische mogelijkheden en de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Noardeast Fryslân vervangen door deze wijziging van het omgevingsplan. Deze wijziging voldoet aan de Omgevingswet, de instructies vanuit het Rijk en van de provincie Fryslân. Deze wijziging van het omgevingsplan vervangt niet alle regels die onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals dat op 1 januari 2024 geldt. De bruidsschat (inclusief vangnetregeling) en de gemeentelijke verordeningen die onderdeel uitmaken van de het tijdelijk omgevingsplan worden niet gewijzigd. Wel heeft afstemming plaatsgevonden op de bruidsschat en waar nodig zijn bruidsschatregels opgenomen die niet van toepassing zijn op het nieuwe deel van het omgevingsplan. Deze regels waren alleen van toepassing op het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Om ze ook van toepassing te laten zijn op deze wijziging moeten ze worden opgenomen, de bruidsschat (dus het tijdelijke deel van het omgevingsplan voor dit deel) zelf wordt hiermee dus niet gewijzigd. Het is geen verplichting om deze regels uit de bruidsschat ook voor deze locatie te laten gelden, maar om uniformiteit in de regeling te behouden voor de gemeente is de keuze gemaakt om ze ook in dit wijzigingsbesluit op te nemen.

Dit geldt voor: de vrijstelling van archeologisch onderzoek voor activiteiten met een oppervlakte van minder dan 100 m² (artikel 22.22 van de bruidsschat); aanvraagvereisten voor de omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid (artikel 22.284 van de bruidsschat). In het toepassingsbereik is opgenomen welke regels worden gewijzigd met dit wijzigingsbesluit.

6.2

Begrippen

De begripsbepalingen uit de bijlage van de Omgevingswet zijn van rechtswege van toepassing op het wijzigingsbesluit en hoeven dus niet bij de begrippen te worden opgenomen. Dit geldt onder meer voor de begrippen gebouw, bouwwerken en bouwen deze zijn opgenomen in de begripsbepalingen bij de Ow. De begripsbepalingen uit het Bbl, Bkl en Bal en de Omgevingsregeling zijn niet van van rechtswege van toepassing op het TAM-omgevingsplan. Daarom is in de begrippen hierop aangesloten door deze van toepassing te verklaren. In de begripsbepalingen hoeven daarom bijvoorbeeld geen begrippen meer opgenomen voor bijbehorend bouwwerk, hoofdgebouw, achtererfgebied en gebouwerf te worden opgenomen. Deze begrippen komen terug in het Bbl. Tevens zijn de aanvullende begrippen opgenomen die nodig zijn voor het wijzigingbesluit.

47/338

6.3

Algemeen verbod

In het algemene verbod is opgenomen dat alle niet genoemde functies en activiteiten die in strijd zijn met dit TAM-omgevingsplan niet zijn toegestaan. Het algemene verbod zorgt ervoor dat alleen de genoemde functies en activiteiten zijn toegestaan. Wanneer sprake is van bestaande functies en activiteiten die niet zijn genoemd in de bestemmingen, dan zijn deze wel toegestaan. Het begrip bestaand is opgenomen in de begripsbepalingen, waarbij het gaat om legale situaties ten tijde van het inwerking treden van dit TAM-omgevingsplan.

6.4

Functies en activiteiten

Een omgevingsplan moet technisch voldoen aan de Omgevingswet standaarden STOP/TPOD. De wetgever heeft tot 1 januari 2026 gemeenten de mogelijkheid geboden om een omgevingsplan onder de Omgevingswet op te stellen op basis van de RO standaarden 2012 en te publiceren via www.ruimtelijkeplannen.nl en de overbruggingsfunctie van het Informatiehuis Ruimte naar het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Het omgevingsplan conform TAM maakt juridisch onderdeel uit van het omgevingsplan, maar wordt technisch in de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl geplaatst. Bij het opstellen van een TAM-omgevingsplan, waarbij gebruik wordt gemaakt van de RO standaarden 2012 kan nog gebruik worden gemaakt van bestemmingen. Dit voorliggend TAM-omgevingsplan bevat bestemmingen. Voor de inhoud van de juridische regeling wordt aangesloten op de regels uit bestemmingsplan Doarpen en bestemmingsplan Bûtengebied Dongeradeel. De bestemmingen bevatten gebruiksregels, bouwregels en aanlegregels (vergunningsplichten voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden). Agrarisch Binnen de agrarische bestemming is een beperkt agrarisch gebruik toegestaan.

De uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf is toegestaan met dien verstande dat het houden van vee, vergisting, houtteelt, bosbouw en fruitteelt, boomteelt of overige opgaande meerjarige teeltvormen niet is toegestaan. Dit komt overeen met het bestaande, extensieve agrarische gebruik van het perceel. Bebouwing is toegestaan binnen de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel agrarisch grondgebonden bedrijf'. Het stallen van camperplaatsen wordt mogelijk gemaakt binnen de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch camperplaatsen'. Het maximaal aantal campers is bepaald op een aantal van 15 campers. Het kamperen is enkel toegestaan tussen 15 maart en 1 november. Aan de ingebruikneming van de camperplaatsen is de voorwaarde verbonden dat de landschappelijke inpassing gerealiseerd moet zijn en in stand moet worden gehouden. De stalling van caravans is toegestaan op voorwaarde dat deze stalling inpandig plaatsvindt. Met deze regeling wordt het gebruik zoals dat al plaatsvindt, juridisch-planologisch geregeld. Binnen de bestemming is een bedrijfswoning aanwezig, deze wordt geregeld binnen de bestemming met de daarbij behorende bouwregels. Bij het wonen in de bedrijfswoning is een aan-huis-verbonden beroep toegestaan. Een aanlegvergunningplicht is opgenomen voorhet aanleggen, verbreden, verleggen of verharden van wegen en

48/338

paden, het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen en het wijzigen van de profielindeling van wegen en paden. Normaal onderhoud is hiervan uitgesloten evenals werkzaamheden die al worden uitgevoerd op basis van een geldende vergunning. Groen De bestemming 'Groen' zorgt voor een groene en bebouwingsvrije zone tussen het agrarische bedrijf met de daarbij behorende activiteiten en nevenactiviteiten en de nieuwe woningbouw. Naast groenvoorzieningen, bosschage, bebossing en beplanting, waterlopen en waterpartijen en het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden van groengebied zijn ook voet- en rijwielpaden en speelvoorzieningen toegestaan. Er mogen enkel overige, bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde worden gebouwd ten behoeven van deze functies. Wonen De bestemming 'Wonen' maakt het wonen mogelijk binnen de bestemmingsvlakken conform de gewenste woningbouwontwikkelingen. Tevens is het ondergeschikte gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep toegestaan. Het bouwen van de hoofdgebouwen moet binnen de bouwvlakken plaatsvinden. Deze zijn zodanig gesitueerd dat wordt voldaan de stedenbouwkundige uitgangspunten zoals opgenomen in paragraaf 2.2.2. Hetzelfde geldt voor de bouwregels. Het maximum aantal woningen is per bouwvlak aangegeven met een aanduiding op de verbeelding.

6.5

Algemene regels

Binnen de algemene regels zijn de anti-dubbeltelregels opgenomen. In het Bkl is geen plicht opgenomen tot het opnemen van een anti-dubbeltelregeling. Deze hoeft dus niet te worden opgenomen in dit TAM-omgevingsplan. De keuze is om deze wel mee te nemen om ongewenste bebouwingsmogelijkheden te creëren (voor bijvoorbeeld bijbehorende bouwwerken). De aanvraagvereisten voor de aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of een werkzaamheid zijn opgenomen, de motivering daarvan is opgenomen in paragraaf 6.1. De bestaande situatie is in de algemene bouwregels vastgelegd zodanig dat indien maatvoeringen en/of situeringen van een bestaand bouwwerk afwijken van de beoordelingsregels van het TAM-omgevingsplan gelden de bestaande maatvoeringen en situeringen als norm. In de algemene bouwregels zijn ook de regels over het uiterlijk van bouwwerken opgenomen. Deze regels zijn gekoppeld aan het nieuwe welstandsregime zoals dat is vastgesteld op 13 februari 2025 als beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken op grond van artikel 4.19 van de Omgevingswet.

Een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt alleen verleend indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan niet in strijd is met de omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens het nieuwe welstandsregime '20240610 Nijewier omgevingskwaliteit 0108 aantal woningen', zoals vastgesteld op 13 februari 2025. Het is mogelijk om hiervan af te wijken door Burgemeester en Wethouders. Deze mogelijkheid is ook opgenomen in de planregels.

49/338

Om aan artikel 5.89l van het Bkl te voldoen moeten regels worden opgenomen ten aanzien van een melding voor een bouwactiviteit die niet bouwvergunningplichtig is. Deze zijn opgenomen in artikel 11.

6.6

Overgangsregels

Het opnemen van overgangsrecht is niet meer verplicht onder de Omgevingswet. In verband met de rechtszekerheid van bestaande rechten is ervoor gekozen om overgangsregels op te nemen. Deze overgangsregels zijn zowel voor bouwwerken als gebruik.

50/338

Hoofdstuk 7

Financiële haalbaarheid

Economische uitvoerbaarheid In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch uitvoerbaar is. Dit houdt in dat: 1. de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar mag zijn en 2. als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, het kostenverhaal verzekerd moet zijn. Financiële uitvoerbaarheid De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling betreft de bouw van maximaal 4 woningen op de opslaglocatie. De gemeente is grondeigenaar en geeft de kavels uit aan de ontwikkelende partijen. Dit zijn de toekomstige bewoners. Op 8 mei 2025 heeft de gemeenteraad de exploitatie voor dit project vastgesteld. De voorbereidingskosten zijn gedekt uit het voorbereidingskrediet. Nu de raad op 8 mei jl. een grondexploitatie heeft vastgesteld wordt het voorbereidingskrediet opgenomen in de grondexploitatie. Het bouw- en woonrijp maken en alle andere kosten zoals personeelskosten worden gedekt uit de grondexploitaties. Ook de inkomsten komen ten gunste van de grondexploitatie. De gemeente is de initiatiefnemer en realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De gemeente heeft middelen beschikbaar vanuit de grondexploitatie om de ontwikkeling te realiseren. Daarmee is aan de eerste vereiste voldaan.

Met de eigenaar van het aangrenzend agrarisch perceel sluit de gemeente een kostenverhaalsovereenkomst en een nadeelcompensatieverhaalsovereenkomst. Kostenverhaal Wie een woning, bedrijfspand of ander gebouw bouwt of verbouwt, moet hiervoor in veel gevallen een bijdrage betalen aan het bevoegd gezag. Deze bijdrage is onder andere voor de kosten van het opstellen van plannen, het aanleggen van openbare voorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte. Dit wordt kostenverhaal genoemd. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op ontwikkeling van een woonbuurt voor maximaal 4 woningen. De beoogde ontwikkeling is op grond van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit aangewezen als kostenverhaalplichtige activiteit. Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd. De gemeente heeft de gronden waarop de kostenverhaalplichtige activiteit mogelijk wordt gemaakt in eigendom. Hierdoor is het kostenverhaal niet aan de orde. De gemeente is zelf exploitant, waardoor de kosten voor rekening van de gemeente zijn. De gemaakte kosten worden bij grondverkoop via de grondprijs verhaald. Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident

51/338

economisch onuitvoerbaar is.

52/338

Hoofdstuk 8

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

In dit hoofdstuk wordt gemotiveerd of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd. Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit, nader onderzocht in deze motivering. Afweging De beoogde ontwikkeling betekent een uitbreiding van het woningaanbod in Nijewier. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de woningbehoefte van deze kern. Verder is het project in overeenstemming met de relevante beleidsuitgangspunten/ instructieregels op provinciaal en gemeentelijk niveau en veroorzaakt het geen conflicten met de instructieregels vanuit het Bkl. In hoofdstuk 5 is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de geldende milieu wet- en regelgeving.

Hierbij zijn enkele aandachtspunten naar voren gekomen met betrekking tot de bodem, soortenbescherming en archeologisch onderzoek. De bodem zal ter plaatse van de voormalige opslag gesaneerd moeten worden. Er is nader ecologisch onderzoek uitgevoerd waaruit blijkt dat er marterachtigen in het plangebied aanwezig zijn. Doordat hiervoor compenserende maatregelen worden getroffen, staat dit de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. Er wordt nog een nader onderzoek uitgevoerd vanwege de aanwezigheid van een mogelijk beschermd boomnest. Mocht dit worden aangetroffen, dan moet er bij de provincie een vergunning worden aangevraagd. Uit het archeologisch onderzoek is gebleken dat er geen archeologische waarden in het plangebied worden verwacht. Op basis van de huidige bevindingen kan geconcludeerd worden dat het plan niet leidt tot belangrijke milieugevolgen. In de beoordeling is gebleken dat met het toevoegen van de bebouwing sprake is van een evenwichtige toedeling. Ook bij de mogelijkheid voor de camperplaatsen is sprake van een evenwichtige toedeling van functies

53/338

54/338

Bijlagen motivering

55/338

56/338

Bijlage 1

57/338

Criteria omgevingskwaliteit

uitbreiding Nijewier concept criteria omgevingskwaliteit v1.0

6m

350m2 van

as

350m2 van

we

g

510m2 510m2

kavelindeling n.a.v. bewonersavond

ruimtelijke uitgangspunten omgevingskwaliteit Het voorliggende uitbreidingsplan wordt de nieuwe entree van het dorp vanaf de oostzijde samen met de bestaande boerderij en kaatsvelden. De huidige entree van het dorp valt onder het regime 'buitengebied terpengebied (bijzonder)', met ten westen 'lintbebouwing (regulier)' en ten zuiden 'sport en groen (regulier)'. De terp (wierde) ten zuidwesten is aangemerkt als 'Dorpskernen (bijzonder)'. In ruimtelijke zin dienen de nieuwe woningen de meeste verwantschap te hebben met de lintbebouwing. Het is wezenlijk dat de woningen licht verspringen in rooilijn waarbij een lichte hoekverdraaiing tot de mogelijkheden behoort om het dorpse karakter van Nijewier te versterken. Er wordt dan ook voorgesteld om de woningen minimaal 10 meter 350m2 uit de as van de weg te plaatsen, te weten minimaal twee meter achter de kavellijn van de 6m 350m2 van trafo. as van we g 510m2 Daarbij is het wezenlijk dat de woningen minimaal 0,5m van elkaar verspringen. Het uitgangpunt voor de architectuur is dat er een ambachtelijke en klassieke vormgeving wordt gevraagd die past bij het traditionele dorpse karakter. 510m2 Een hedendaagse woning met een moderne interpretatie van de lokale stijlkenmerken is ook mogelijk indien de architectuur van bovengemiddelde kwaliteit is.

De basis van elk ontwerp dient te zijn dat een positieve bijdrage wordt geleverd aan de omgevingskwaliteit van het dorp. Daarvoor is het wezenlijk om de kwaliteiten van het bestaande dorp te analyseren en zowel qua positionering, hoofdvorm, vormgeving van de gevels alsmede de kleur- en materiaalkeuze alsook de detaillering een passend ontwerpidee consequent uit te werken. De tuininrichting is bovendien een wezenlijk punt om de omgevingskwaliteit op een hoger plan te brengen. Vergroening dient daarbij de basis te zijn, waarbij erfverharding beperkt dient te blijven. Daarbij wel opgemerkt dat er per woning minimaal 2 parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden, naast elkaar. Het toepassen van halfopen verharding of halfverharding valt dan ook aan te bevelen.

uitgangspunten omgevingskwaliteit

plaatsing - de woningen worden minimaal 10 meter uit de as van de weg geplaatst (respectievelijk minimaal 2 meter achter de erfgrens van de trafo geplaatst - de bouwvolumes dienen minimaal 50 centimeter van elkaar te verspringen - voor de meest oostelijke kavel dient een eventuele garage, aan de zijde van de buurkavel te worden geplaatst respectievelijk de westkant (en dus niet aan de zijde van de boerderij) - de meest oostelijke kavel dient te worden uitgevoerd als vrijstaande woning - bijgebouwen dienen minimaal 1 meter achter de rooilijn van het hoofdgebouw te worden geplaatst - noklijnen mogen zowel haaks op de straat als evenwijdig aan de straat worden geplaatst hoofdvorm - het uitgangspunt is één bouwlaag met zadeldak, zowel voor hoofd- als350m2 bijgebouw; 6m 350m2 ligt een van een schildkap behoort ook tot de mogelijkheden; bij levensloopbestendige woningen as van we dwarshuis met hoge verdiepingsvloer en schildkap voor de hand g 510m2 - hoofdgebouwen hebben een rechthoekige plattegrond, waarbij aankappingen mogelijk zijn 510m2 - ondergeschikte elementen, zoals erkers en mogen plat worden afgedekt - het toepassen van doorlopende topgevels, wolfseinden of schilddaken is wezenlijk voor de dorpse kwaliteit - eventuele dakkapellen aan de voorzijde dienen ondergeschikt te zijn (maximaal 30% van de breedte van het dakvlak en maximaal 1,30 m hoog); het toepassen van een midden

risaliet aan de voorzijde behoort wel tot de mogelijkheden aanzicht - uitgangspunt is een klassiek dorpse uitstraling met rijke ornamentiek, zoals reeds aanwezig in het dorp - de gevels richting de straat zijn open en representatief - bij de meest oostelijke en westelijke woningen dienen de woningen overhoeks representatief te zijn - de gevelgeleding dient klassiek te zijn waarbij een verticale oriëntatie met een correcte en samenhangende raamverhouding essentieel is (Gulden Snede) - een moderne interpretatie van klassieke ofwel traditionele baksteenarchitectuur behoort tot de mogelijkheden, bij bovengemiddelde architectonische kwaliteit

criteria omgevingskwaliteit: voor architectuur en tuin

materiaal en detaillering - het hoofdgebouw dient in metselwerk te worden uitgevoerd, in roodbruine kleurstelling of eventueel in Friese geeltjes - daken worden uitgevoerd in rode, gesmoorde zwarte pan of bruine gebakken dakpan; mat of engobe; wanneer wordt gekozen voor een boerderijvorm is het toepassen van riet op het 'schuurgedeelte' mogelijk - een ambachtelijke detaillering is essentieel waaronder: houten bakgoten, schoorstenen met ornamenten, pinakels, rollagen, verdikte onderdorpels, verdiepte kozijnprofilering en raamstijlen ofwel echte roedes. erfinrichting - omwille van de esthetische kwaliteit, biodiversiteit alsook waterretentie en hittestress is een groen beplante inrichting van de tuinen, zowel naar de straat als richting het landschap essentieel; een tuinontwerp dient dan ook onderdeel te zijn van het ontwerp c.q.

de vergunningaanvraag - in het voorerf zijn stalen en houten geschilderde sierhekwerken tot 1 meter toegestaan - het voorerf dient maximaal 30% te worden verhard, bij voorkeur in gebakken klinkertjes in waalformaat in rode of gele kleur ofwel een combinatie van deze twee kleuren - erfafscheidingen dienen te worden uitgevoerd als inheemse beplanting; er zijn geen standaard houten schuttingen toegestaan - begroeide (klassieke) hekwerken behoren tot de mogelijkheden, doch qua ruimtelijke kwaliteit en biodiversiteit zijn hagen te prefereren - elke woning dient voor minimaal 2 auto's naast elkaar parkeergelegenheid op te nemen in het tuinplan; het toepassen van halfopen verharding of halfverharding is dan ook aan te bevelen - het toepassen van gevelbeplanting is gewenst - ook het toepassen van leilindes wordt aanbevolen

referenties vrijstaande woningen

referenties 2-onder-1 kap

referenties erfafscheidingen en tuinen

Bijlage 2

65/338

Reactienota vooroverleg

Reactienota vooroverleg TAM-IMRO-omgevingsplan ‘Woningbouw Mearswei Nijewier’.

Op 28 februari 2025 is het TAM-IMRO-omgevingsplan ‘Woningbouw Mearswei Nijewier’ voor vooroverleg gestuurd naar de gebruikelijke ketenpartners. De gemeente heeft vier vooroverlegreacties gekregen. Wetterskip Fryslân Het waterschap vindt dat eerdere adviezen onvoldoende zijn overgenomen. Dat leidt tot de volgende opmerkingen, gevolgd door de reactie van de gemeente en een conclusie of de vooroverlegreactie leidt tot een wijziging in het omgevingsplan. Opmerking waterschap In het kader van water robuust bouwen vraagt het waterschap om de minimale vloerpeilhoogte van de toekomstige bebouwing en vitale infrastructuur formeel vast te leggen. In dit geval is Maatgevend boezempeil van +0.03 m NAP de strengste droogleggingsnorm en leidend voor het plan. Bij de realisering van bebouwing en het aanleggen van verharding is het nodig om rekening te houden met voldoende drooglegging om bijvoorbeeld opdrijven van verharding te voorkomen. Het waterschap adviseert voor bebouwing met kruipruimte een drooglegging van 1,10 m en voor bebouwing zonder kruipruimte een drooglegging van 0,70 m gerekend vanaf de te realiseren bovenkant vloer. Ook voor verharding adviseert het waterschap een drooglegging van 0,70 m. Het advies is om bij het bepalen van de aanleghoogte rekening te houden met de droogleggingsnorm van +0.03 m NAP. Dit dient te worden opgenomen in het omgevingsplan.

Reactie gemeente Het gebied ligt in een polder, en niet voor de boezem, met zomerpeil -1,30 meter en winterpeil -1,50 meter. De weg ligt op +0,35 meter en de woningen komen op 0,65 meter + NAP. De drooglegging is dus bijna 2 meter, wat ruimschoots voldoet aan de hierboven geschetste norm. Conclusie Deze vooroverlegreactie leidt niet tot een wijziging in het omgevingsplan. Opmerking waterschap Om aan- en afvoer van water in het nieuwbouwplan goed te borgen is het belangrijk de watergangen die in het plan worden aangelegd goed te onderhouden. In het advies dat het Wetterskip heeft uitgebracht naar aanleiding van de digitaal ingediende watertoets is aangegeven dat vastgelegd moet worden waar de onderhoudsplicht van de nieuw te graven watergang/bergingsvijver wordt vastgelegd. Dit is niet opgenomen het voorontwerp omgevingsplan. Het waterschap vraagt dit alsnog op te nemen in het ontwerp omgevingsplan. Mocht dit onderhoud niet goed worden geborgd en er ontstaat hierdoor in de toekomst wateroverlast, dan ligt de verantwoordelijkheid hiervoor bij de gemeente. Reactie gemeente In het ontwerp is er rekening mee gehouden dat de watergang bereikbaar is voor machinaal onderhoud. De huidige en toekomstige eigenaren van de woonpercelen onderhouden de watergang, dat wil in dit geval zeggen de helft van de sloot.

De gemeente neemt in de verkoopakten op dat de eigenaren de sloot moeten onderhouden. Het omgevingsplan is niet de plek om dat te regelen. Conclusie Deze vooroverlegreactie leidt niet tot een wijziging in het omgevingsplan.

Opmerking waterschap De berekening van de compensatie in bijlage 9, komt niet overeen met de beschrijving in de toelichting. In de berekening in bijlage 9 is de toename van verhard oppervlak in de tuinen niet meegerekend. Hiervoor dient 50% van het totale tuinoppervlak te worden meegenomen als toename van verhard oppervlak. Te dempen watergangen dienen voor 100% te worden gecompenseerd. In de berekening in bijlage 9 wordt de overcompensatie in mindering gebracht op het aantal m2 te dempen watergang. Dat is niet toegestaan. Bij het bepalen van het aantal m2 gedempte watergang moet gerekend worden met het aantal m2 op de waterlijn, daarbij uitgaande van het vastgestelde peil. Reactie gemeente Eind april/begin mei 2025 heeft nader overleg plaatsgevonden tussen gemeente en waterschap. Afgesproken is om op verzoek van het waterschap een duiker aan te leggen tussen een nieuwe en een bestaande watergang. Deze levert een belangrijke bijdrage aan de lokale waterhuishouding, aangezien de schouwwatergang naar het noorden te krap is. De aanvankelijk geprojecteerde duiker van 315 mm wordt een duiker van 500 mm. Daarmee is al met al voldoende oppervlaktewater gecompenseerd. De gemeente vraagt op korte termijn een watervergunning aan die nodig is voor de daadwerkelijke aanleg.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=noardeastfryslan&id=b956ac79-557a-44e5-92f1-4bae58b818d3