CConstaterende datNoardeast-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Beleidskader Zonne-energie 2021 NF

It Beslút 10 juni 2021, gemeente Noardeast-FryslânBij agendapunt: Beleidskader Zonne-energie20.886 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

– 22 –

Beleidsuitgangspunten trede 1: - Gewenste vorm van opwekking zonne-energie vanwege beperkte ruimtelijke (landschappelijke) impact; - Zonnepanelen als grondopstelling zijn niet vergunningsvrij. Voor zover het initiatief niet met recht in het bestemmingsplan mogelijk is, en bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen c.q. het omgevingsplan gelden de volgende beleidsuitgangspunten: - Doorloop de Zonneladder: onderzoek en motiveer waarom niet of onvoldoende via trede 0 tot opwek kan worden gekomen (optimalisatie dakopstellingen). - Qua situerings- en bouwregels worden de mogelijkheden die reeds in de bestaande bestemmingsplannen worden geboden, gevolgd en gerespecteerd. - Binnen tuinbestemmingen (veelal gekoppeld aan woonpercelen) geldt in essentie dat grondopstellingen niet met recht mogelijk zijn. Via de binnen de tuinbestemming geldende bouwregel voor bouwwerken is een maatwerkafweging mogelijk, rekening houdende met een goede erfinpassing. - Voor zover het bestemmingsplan het niet met recht of bij binnenplanse afwijking toelaat, worden beleidsmatig grondopstellingen in beginsel uitgesloten in ‘beschermde stads- en dorpsgezichten’, en bij aangewezen ‘(rijks)monumenten’ en karakteristieke bouwwerken (monumentale en cultuurhistorische waarde bepalend voor een eventuele maatwerkbeoordeling).

- Grondopstellingen in het openbaar gebied (buiten een bouwperceel) zijn in beginsel maatwerk. - Voor woonpercelen geldt de eigen energiebehoefte als maximale maat voor de omvang van de grondopstellingen (bestemmingsplankader). - Voor overige bestemmingen binnen BSG kan de omvang ruimer zijn, en meer in relatie worden gebracht met de energiebehoefte van het betreffende BSG. - Voor agrarische en bedrijfspercelen in het landelijk gebied mag de opwekcapaciteit van energieopwekking via grondopstelling ruimer zijn tot maximaal 50% overproductie ten opzichte van de eigen energiebehoefte. Meer opwek dan hierboven toegestaan wordt beschouwd als de vestiging van een ‘energiebedrijf’ en is beleidsmatig voor agrarische erven ongewenst. Voor bedrijfserven vraagt de vestiging van een energiebedrijf (mits niet met recht mogelijk) om een maatwerkbeoordeling. - Inzet op proces- en financiële participatie is zeer gewenst (zie hoofdstuk 5), zeker voor grondopstellingen in het openbaar gebied. - Onderzoek meervoudig ruimtegebruik incl. versterking van biodiversiteit (zie hoofdstuk 6). Voor grondopstellingen in het openbaar gebied is dit een vereiste.

3.1.3

Trede 2: Grondgebonden zonnepanelen nabij Bestaand Stedelijk gebied, direct in aansluiting op bestaande bouwpercelen in het landelijk gebied of op bijzondere locaties in landelijk gebied met een andere primaire functie dan agrarisch of natuur

Bij een (meer grootschalige) grondopstelling van zonnepanelen in het landelijk gebied buiten BSG en de bestaande bouwvlakken kan het groene karakter van het landelijk gebied ingrijpend veranderen, evenals het beeld van de horizon en het gevoel van ruimte. Denk daarbij aan verlies van agrarisch landbouwgrond en toename van het oppervlak met een industrieel karakter. Dit raakt tevens het belang van toerisme en recreatie en natuurbelangen. Deze variant heeft daarom in principe niet de voorkeur. Wij vinden het dan ook van belang dat de ontwikkeling overwegend gekoppeld blijft aan de bebouwde omgeving (trede 0 en vervolgens 1). De verwachting is echter dat opwek op daken en bestaande bouwpercelen onvoldoende capaciteit oplevert om de gestelde ambities te halen en dat dit proces niet snel genoeg op gang komt. Daarnaast kan de aanwezigheid van minder goed bruikbare landbouwgrond een denkbare aanleiding zijn voor een nieuwe functie voor duurzame energieopwek. De met name landbouwkundige kwaliteit en – 23 –

productiefunctie van gebieden rond BSG staat soms al onder druk, onder invloed van andere ontwikkelingen. Ook zijn aan de stads-/dorpsrand slimme combinaties mogelijk met opstellingen langs infrastructuur, waardoor het netto ruimtegebruik beperkter zal zijn dan in het open agrarisch gebied. Wij willen daarom -nadat de mogelijkheden binnen treden 0 en 1 zijn onderzocht- onder voorwaarden ook ruimte bieden aan initiatieven voor (grootschalige) grondopstelling van zonnepanelen in het landelijk gebied: in aansluiting op BSG of bestaande bouwpercelen. Ook zien wij binnen deze trede ruimte voor grondopstellingen op bijzondere locaties in het landelijk gebied (geen agrarische of natuurfunctie) waar vanwege de aanwezige/voormalige functie al een zekere ruimtelijke uitstraling aanwezig is/was, en voor grondopstellingen langs infrastructuur. Op basis van de zonneladder geldt nadrukkelijk een onderzoeks- en motiveringsplicht waarom de initiatiefnemer geen of onvoldoende kans heeft/ziet om de energieopwekking via trede 0 of 1 gestalte te geven. Grondopstellingen nabij BSG Indien het BSG onvoldoende ruimte biedt voor de gewenste grondopstelling, kan in de nabijheid van BSG mogelijk nog op goede acceptabele wijze worden aangesloten bij de bebouwde context van het BSG.

De term ‘nabijheid’ willen wij in beginsel vooral invulling geven door uit te gaan van de uiterlijke (ruimtelijk gevoelsmatige) werkingssfeer van de bebouwde context van het BSG. Het bebouwde weefsel en de aanwezige dorps- en landschapsstructuur bepaalt in hoofdzaak wat (nog) als ‘nabijheid’/’aansluitend’ kan worden beschouwd. Initiatiefnemer dient hier in eerste instantie in de planvorming een beeld over te vormen. Na overleg met de gemeente, is de gemeente als bevoegd orgaan eindbepalend voor het oordeel van ‘nabijheid’. Overleg van de gemeente met de provincie kan op dit punt ook nodig/wenselijk zijn. Voor grondopstellingen nabij BSG is het uitgangspunt dat de opwekcapaciteit niet meer mag bedragen dan de energiebehoefte van het aansluitend BSG of aansluitende BSG’s. In bijlage 1 is voor de BSG’s van Noardeast-Fryslân en Dantumadiel een maximaal zonneparkoppervlak aangegeven. Hierbij geldt dat de genoemde hectares betrekking op de daadwerkelijke hectares aan zonnepanelen. Het hele plangebied van een zonnepark, dus bijvoorbeeld inclusief landschappelijke inpassing, kan groter zijn. Bijlage 1 heeft dus betrekking op de netto hectares aan zonneparken.

Grondopstellingen direct aansluitend aan bestaande bouwpercelen in landelijk gebied Ook als bestaande bouwpercelen in het landelijk gebied onvoldoende ruimte bieden voor grondopstellingen, kan het vanuit dat bouwperceel denkbaar kan zijn om op gronden direct grenzend aan dat bouwperceel hiervoor te benutten. In dat laatste geval gaat het hier uitsluitend over initiatieven die vanuit een bestaand bouwperceel (door de bewoner/bedrijfsvoerder/eigenaar) worden ontplooid. Grootschalige opstellingen die (toevallig) grenzen aan bestaande bouwpercelen in het landelijk gebied maar niet vanuit dat bouwperceel worden geïnitieerd (maar bijvoorbeeld door energiecoöperaties, projectontwikkelaars etc.) vallen onder trede 3. In het hier bedoelde scenario zijn wel de maximaal toegestane oppervlaktes voor bouwpercelen vanuit het provinciaal beleid van belang (artikel 6.1 Verordening Romte Fryslân). Voor grondgebonden agrarische bouwpercelen is het maximum 3 hectare; voor niet-grondgebonden veehouderijen is het maximum 1,5 hectare (met mogelijkheid tot maximaal 2 hectare bij een nevenactiviteit). Niet-agrarische bouwpercelen mogen met maximaal 50% worden uitgebreid.

De maximale opwekcapaciteit voor grondopstellingen direct in aansluiting op bestaande bouwvlakken in het landelijk gebied is gelijk aan de gestelde maximale opwekcapaciteit voor grondopstellingen op bestaande bouwpercelen in het landelijk gebied (trede 1). De in deze trede nadrukkelijk geldende voorwaarde van ruimtelijke inpassing (mogelijkheden qua landschappelijke aanvaardbaarheid en inpasbaarheid) zal echter mogelijk meer beperking geven aan de omvang van de grondopstelling. Bijzondere (niet-agrarische of natuur)locatie in het landelijk gebied Voorts zijn locaties in het landelijk gebied denkbaar waar vanwege de (voormalige) functie een dusdanige structurele ruimtelijke uitstraling is/was zodat daar een zonnepark denkbaar zou kunnen zijn. Dit zijn locatie met een primaire functie, anders dan agrarisch en natuur. Denk in dit verband aan voormalige vuilstorten, munitieterreinen, leegstaande/vervallen/braakliggende (bedrijfs)locaties. Voor grondopstellingen op deze bijzondere locaties geldt niet op voorhand een maximaal toegestane opwekcapaciteit. Dit maximum wordt ingevuld door middel van de omvang van de bijzondere locatie, tezamen met de nadrukkelijk geldende voorwaarde van ruimtelijke inpassing (mogelijkheden qua landschappelijke aanvaardbaarheid en inpasbaarheid).

– 24 –

Grondopstellingen langs infrastructuur Tot slot is de situering van grondopstellingen langs (belangrijke) infrastructuur in het landelijk gebied denkbaar. Aan een dergelijke situering kunnen vanuit ruimtelijk/landschappelijk oogpunt mogelijkheden worden toegedicht, afgestemd op de karakteristiek van deze hoofdwegen (maat, schaal en uitstraling). Bepalend hierbij is de bestaande ruimtelijke invloedsfeer van die weg en de landschappelijke acceptatie van de grondopstelling. In de praktijk zal het hier meestal geen grootschalige opstelling betreffen; dit is uit landschappelijk oogpunt in beginsel ook niet wenselijk. Er wordt geen aanvullend opwekmaxmimum voor deze opwekvariant opgenomen. Bovenstaande vier opwekvarianten zijn bewust binnen één trede samengevoegd. Alle vier genoemde opwekvarianten vragen namelijk om een soortgelijke beoordeling en kunnen op een gelijkwaardig niveau van wenselijkheid worden geplaatst op de Zonneladder, met name in relatie beschouwd tot het landschap2. Een ingepaste grondopstelling op bijvoorbeeld een voormalige vuilstort is vanuit landschappelijk oogpunt bijvoorbeeld niet bij voorbaat wenselijker c.q. onwenselijker dan een ingepaste opstelling op een dorps- of standsrand of als bouwperceelsuitbreiding.

Indien het doorlopen van de Zonneladder niet tot het gevolg heeft dat het initiatief binnen een lagere trede kan worden vormgegeven, willen wij de ter plaatse aanwezige landschapswaarden en dorps- en stadswaarden voorwaardelijk stellen voor de mogelijkheid om nabij BSG, direct in aansluiting op bestaande bouwvlakken of op bijzondere locaties in het landelijk gebied grondopstellingen te plaatsen. Via een ruimtelijk inpassingsplan dient goed beargumenteerd te kunnen worden dat dit een gewenste en verantwoorde ontwikkeling is. Daarbij dient ten eerste de ruimtelijke aanvaardbaarheid verantwoord te worden (past het zonnepark op deze locatie in essentie in het landschapsbeeld en bij de dorps/stadsstructuren). Vervolgens dient de ruimtelijke inpassing gemotiveerd te worden (hoe is het zonnepark dan nader in te passen, kijkende naar de aanwezige landschaps-, dorps- en stadskenmerken?). Vanwege het flexibele karakter van zonnepanelen willen we de aanvullende voorwaarde stellen dat, bij beëindiging van de zonne-energieopwek, de structuren en kenmerken van landschap en bodem weer zichtbaar moeten worden gemaakt (tenzij een vervolgoverweging als BSG-uitbreiding, bouwperceeluitbreiding of herinvullocatie aan de orde is). Ook de functioneel-technische inpassing van het zonnepark moet duidelijk zijn (ontsluiting, aansluitingen).

2

De provinciale Zonneladder heeft een iets afwijkende indeling van de treden. Bij de provincie staat de smaak ‘bijzondere locaties’ op een lagere trede dan ‘aangrenzend aan BSG’, terwijl de gemeente deze opwekmogelijkheden op dezelfde trede plaatst. Dit nuanceverschil ontstaat doordat de provincie vooral redeneert vanuit het belang van landbouwgronden. Initiatieven ‘aangrenzend aan BSG’ zijn daarom minder wenselijk. De gemeente redeneert vooral vanuit landschappelijk belang (waarbinnen landbouwgronden zonder meer geborgd zijn). Volgens die lijn zijn de smaken ‘aangrenzend aan BSG’ en ‘bijzondere locaties’ niet van tevoren te onderscheiden in wenselijkheid en worden deze dan ook op dezelfde trede geplaatst. Concrete gevallen zullen daarom op een iets andere wijze worden beoordeeld door de provincie. – 25 –

Beleidsuitgangspunten trede 2: - Doorloop de Zonneladder: onderzoek en motiveer waarom niet of onvoldoende via trede 0 (dakopstelling) of vervolgens via trede 1 (grondopstelling binnen BSG/het bestaande bouwerceel) tot opwek kan worden gekomen. - Bij geen mogelijkheden voor het initiatief binnen de lagere treden, is onder nadrukkelijke voorwaarden een grondopstelling 1) nabij BSG, 2) direct aansluitend op een bestaand bouwperceel, 3) op een bijzondere locatie (niet agrarisch of natuur) of 4) langs infrastructuur in het landelijk gebied mogelijk; - Ruimtelijke aanvaardbaarheid en inpassing is daarbij nadrukkelijk het vereiste, gelet op de ter plaatse aanwezige landschapswaarden en stads-/dorpswaarden, en bepaalt in belangrijke mate de omvang van de mogelijke grondopstelling. Het initiatief dient gemotiveerd te worden aan de hand van een ruimtelijk inpassingsplan. - Ingeval van een grondopstelling nabij BSG geldt daarnaast een opwekcapaciteit van niet meer dan de energiebehoefte van het aansluitend BSG (of BSG’s). Zie bijlage 1 voor maximaal toelaatbare oppervlakten per BSG. - Ingeval van een grondopstelling direct aansluitend op een bestaand bouwperceel in het landelijk gebied gelden qua maximale opwekcapaciteit dezelfde beleidskaders als genoemd in trede 1 (ligging binnen het bestaande bouwperceel).

Aanvullend gelden de maximale bouwperceelsoppervlaktes vanuit provinciaal beleid; - Bij beëindiging dient de oorspronkelijke/vorige functie weer uitgevoerd te worden en dienen de structuren en kenmerken van landschap en bodem weer zichtbaar te worden gemaakt (tenzij een vervolgoverweging als BSG-uitbreiding, bouwperceeluitbreiding of herinvullocatie aan de orde is). - Inzet op proces- en financiële participatie (zie hoofdstuk 5). Qua procesparticipatie moeten de uitgangspunten van de Sinnetafelmethodiek worden toegepast. - Vereist onderzoek naar meervoudig ruimtegebruik incl. versterking van biodiversiteit (binnen landschappelijk inpassingskader en gelet op functionele meekoppelmogelijkheden) (zie hoofdstuk 6).

3.1.4

Trede 3: Grondgebonden zonnepanelen in het buitengebied/landschap

Het industriële karakter van een grondopstelling van zonnepanelen verdraagt zich in essentie moeizaam met een situering ín het landschap (op afstand van BSG). Om deze reden vinden wij initiatieven binnen deze trede in essentie ongewenst. Dit is de basis-beleidsopvatting. Toch is een situatie denkbaar waar de gemeente met maatwerk en onder nadrukkelijke voorwaarden wel de ruimte voor wil zoeken/geven. Wij denken dan aan de specifieke situatie dat uit bijvoorbeeld stedenbouwkundige, landschappelijke of cultuurhistorische overwegingen volgt dat een grootschalige zonnepark juist niet aangrenzend of nabij een BSG (trede 2) gesitueerd moet worden, maar eerder op enige afstand. De bestaande stedenbouwkundige, landschappelijke of cultuurhistorische kwaliteiten vormen dan nadrukkelijk het vertrekpunt voor de beoordeling van de mogelijkheden voor een zonnepark, (meer) ín het landschap (op afstand van BSG). Echter, pas nadrukkelijk nadat de ontwikkeling niet binnen de lagere treden van de Zonneladder kan worden vormgegeven. In bovengenoemde situatie zouden de bovengenoemde stedenbouwkundige, landschappelijke of cultuurhistorische overwegingen juist als motivering kunnen dienen om het initiatief vooral niet via trede 2 (nabij BSG) maar via deze trede vorm te geven (uiteraard behoudens alle andere aspecten die thuishoren binnen de integrale afweging).

Bij beëindiging van de zonne-energieopwek moeten structuren en kenmerken van landschap en bodem dan weer zichtbaar worden gemaakt. In dit uitzonderlijk geval is de maximaal toelaatbare opwekcapaciteit gekoppeld aan het deelnemende BSG of de deelnemende BSG’s. Het maximum wordt daarnaast nadrukkelijk (meer in beperkende zin) bepaald via de ruimtelijk-landschappelijke beoordeling van deze initiatieven.

– 26 –

Beleidsuitgangspunten trede 3: - Grondopstellingen in het buitengebied/landschap (op afstand van BSG) zijn in essentie niet gewenst. - Maatwerk is enkel op basis van aanwezige landschaps-/gebiedskwaliteiten (stedenbouwkundige, landschappelijke of cultuurhistorische waarden) mogelijk. Een landschappelijk inpassingsplan is in dat geval nadrukkelijk vereist. - Het doorlopen van de Zonneladder is nadrukkelijk vereist (onderzoek en motiveer waarom een ontwikkeling binnen de lagere treden niet tot de mogelijkheden behoren). - De maximaal toelaatbare opwekcapaciteit is gekoppeld aan het deelnemende BSG of de deelnemende BSG’s. Zie bijlage 1 voor maximaal toelaatbare oppervlakten per dorp. - Bij beëindiging dient de oorspronkelijke/vorige functie weer uitgevoerd te worden en dienen de structuren en kenmerken van landschap en bodem weer zichtbaar te worden gemaakt. - Inzet op proces- en financiële participatie (zie hoofdstuk 5). Qua procesparticipatie moeten de uitgangspunten van de Sinnetafelmethodiek worden toegepast. - Vereist onderzoek naar meervoudig ruimtegebruik incl. versterking van biodiversiteit (binnen landschappelijk inpassingskader en gelet op functionele meekoppelmogelijkheden) (zie hoofdstuk 6).

– 27 –

3.2 Visiekaart zonne-energie

Hierboven is de zogenaamde ‘Visiekaart zonne-energie’ weergegeven. Deze kaart maakt in basis inzichtelijk welke kansrijke locaties er zijn voor zonne-energie-initiatieven. Per ruimtelijke vorm gelden daarbij aanvullend de eerder genoemde beleidsuitgangspunten van paragraaf 3.1. De volgende gebieden worden onderscheiden:

3.2.1

Bestaand Stedelijk Gebied

De kernen van Noardeast-Fryslân en Dantumadiel zijn voorzien van de aanduiding 'Bestaand Stedelijk Gebied’, zoals bedoeld in deze beleidsnotitie. Op basis van de Zonneladder dient –na de dakopstellingenruimte voor zonneparken in eerste instantie gezocht te worden binnen Bestaand Stedelijk Gebied. Binnen deze aanduiding zijn zonneparken dan ook toegestaan, mits voldaan wordt aan de voor BSG (trede 1) genoemde voorwaarden. Hetzelfde geldt voor zonnepanelen op de bestaande bouwpercelen in het landelijk gebied, mits voldaan wordt aan de hiervoor in trede 1 genoemde voorwaarden. De bestaande bouwpercelen in het landelijk gebied zijn omwille van de toonbaarheid van de kaart niet nader weergegeven.

3.2.2

Randzones BSG (nabijheid), uitbreidingsgebied bestaande bouwpercelen, bijzondere locaties en invloedszone infrastructuur

Hoewel niet op de visiekaart expliciet weergegeven (maatwerk), heeft elke BSG-kern een randzone die correspondeert met trede 2: ‘Grondgebonden zonnepanelen nabij Bestaand Stedelijk gebied’. Ook kan de mogelijkheid voor een grondopstelling direct in aansluiting op een bestaand bouwperceel in het landelijk gebied worden onderzocht (maatwerk). Ten slotte kunnen grondopstellingen op bijzondere locaties en langs infrastructuur worden onderzocht (omwille van de toonbaarheid van de kaart niet nader weergegeven). Alle – 28 –

vier voornoemde varianten vormen trede 2 van de Zonneladder, waarvoor de mogelijkheden (relevante voorwaarden) in de voorgaande paragraaf zijn benoemd. Op deze projectlocatie is sprake van een aanwezig landschapstype. Gelet op het vereiste van een landschappelijk inpassingsplan zullen de kernwaarden van dat landschapstype, alsmede de algemene dragers van landschapskenmerken, bepalend zijn voor de mogelijkheden voor een zonnepark in dit landschap en op deze plek (zie hoofdstuk 4). Ook is voor trede 2 de motiveringsplicht voor het creëren van maatschappelijk draagvlak en de onderzoeksplicht naar financiële participatie (hoofdstuk 5) aan de orde.

3.2.3

Landschapstypen: Lauwersmeergebied, Kleigebied Oostergo, Noordelijke wouden

De visiekaart geeft de voor Noardeast-Fryslân en Dantumadiel aan de orde zijnde landschapstypen weer. De bijzondere landschapswaarden per landschapstype zijn –naast de algemene dragers van landschapskenmerken- nadrukkelijk leidend in de beoordeling van de (on)mogelijkheden voor een zonnepark in het landelijk gebied/landschap (trede 2 en 3), evenals voor de zorgvuldige inpassing van dat zonnepark. In hoofdstuk 4 wordt het landschappelijk beoordelingskader nader besproken. In dit hoofdstuk, met een nadrukkelijke verwijzing naar bijlage 3 voor een nadere uitwerking, worden de algemene dragers van landschapskenmerken benoemd, en wordt per aanwezig landschapstype nader aangeduid wat de relevante landschapswaarden zijn, en wat wij verstaan onder een goede landschappelijke aanvaardbaarheid en inpassing in dat landschapstype. Voor een zonnepark in het landelijk gebied/landschap zal zonder meer de motiveringsplicht voor het creëren van maatschappelijk draagvlak en de onderzoeksplicht naar financiële participatie (hoofdstuk 5) aan de orde zijn.

3.2.4

Uitsluitingsgebied

Los van de landschapstypering is een gebied op de visiekaart aangeduid als ‘Uitsluitingsgebied’. Hier zijn zonneparken per definitie uitgesloten. Dit zijn in hoofdzaak de gebieden die vallen onder het ‘Natuur-netwerk Nederland’, voorheen bekend als de ‘Ecologische Hoofdstructuur’. Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van met elkaar samenhangende bestaande en toekomstige natuurgebieden in Nederland met belangrijke (inter)nationale natuurwaarden. Maar ook (provinciaal) aangewezen natuurgebieden buiten de EHS (NNN) vallen onder het ‘uitsluitingsgebied’. Zonneparken zouden naar mening van de gemeente teveel afbreuk doen aan de (natuur)waarden in deze voornoemde gebieden. De uitgesloten gebieden zijn -naast de natuurgebieden- verder aangevuld met de gebieden waarvan vanuit landschappelijk oogpunt op voorhand geoordeeld is dat zonneparken hier niet verantwoord kunnen worden (zie verder paragraaf 4.3).

3.2.5

Weidevogelgebieden: aandachtsgebieden

Ter attentie zijn voor initiatiefnemers de weidevogelgebieden aangegeven op de visiekaart. Deze gebieden worden - in tegenstelling tot de NNN/EHS- niet direct uitgesloten voor grondopstellingen voor zonneenergie. Wel geldt, bovenop de voorwaarden die uit het betreffende landschapstype volgt, een aanvullende voorwaarde (conform het provinciaal beleid omtrent weidevogels in de Verordening Romte) waarbij het project voorziet in een regeling waarmee voldoende openheid en rust van die gebieden wordt gehandhaafd.

– 29 –

4 Landschappelijk beoordelingskader 4.1 Inleiding Zoals de visiekaart in het vorige hoofdstuk al aangeeft, kenmerkt het plangebied van Noardeast-Fryslân en Dantumadiel zich door de aanwezigheid van een verscheidenheid aan bijzondere landschapstypen. Noardeast-Fryslân en Dantumadiel zijn zich hier terdege van bewust. De gemeenten Noardeast-Fryslân en Dantumadiel willen in de integrale beoordeling van zonne-energie-initiatieven in het landelijk gebied dan ook met name kijken naar de mate van landschappelijke aanvaardbaarheid en inpassing. De zichtbaarheid en beeldvorming in het landschap is daarbij een belangrijke factor. Een zonnepark is een element met een industriële of stedelijke uitstraling. Direct aansluitend aan industriële of stedelijke omgevingen kunnen zonneparken in beginsel een beperkte negatieve invloed hebben op het landschap, mits de schaal en omvang van de parken in overeenstemming is met de aard en schaal van het stedelijke of industriële gebied. Op basis van een gedegen locatiestudie/landschappelijk inpassingsplan zal een zonnepark uiteraard nog wel landschappelijk aanvaardbaar en inpasbaar moeten zijn, maar voor deze locatie zijn daar in de regel mogelijkheden voor. Wordt een zonnepark echter beoogd zonder een ruimtelijke relatie met een stedelijke of industriële omgeving, dan is deze ontwikkeling in beginsel ‘omgevingsvreemd’.

Er dient dan nadrukkelijk door middel van maatwerk de landschappelijke aanvaardbaarheid te worden beoordeeld en een landschappelijke inpassing te worden gevonden, afgestemd op de aard van de landschappelijke situatie in de beoogde zonneparklocatie.

4.2 Landschappelijke aanvaardbaarheid Bovenal is van belang om te bepalen of het betreffende landschap ter plaatse van de beoogde planlocatie een zonnepark in essentie verdraagt; dit noemen we landschappelijke aanvaardbaarheid. De provinciale nota Grutsk op ‘e Romte vormt een goede basis om de belangrijkste kenmerken van de diverse landschappen van Noardeast-Fryslân en Dantumadiel te omschrijven. In bijlage 3 van deze beleidsnota worden de onderscheiden landschapskenmerken beschreven die niet gebonden zijn aan een specifiek landschapstype maar een meer algemene drager kennen. Het gaat hier om de volgende landschapskenmerken: - contrastrijke overgangsgebieden tussen verschillende landschapstypen; - grootschalige open gebieden; - watersystemen; - dijken; - reliëf; - verkaveling; - nederzettingen, dorpen, steden in relatie met hun directe omgeving. In bijlage 3 komen vervolgens de voor het plangebied kenmerkende landschapstypen aan de orde. De landschapstypen brengen de gebiedsspecifieke samenhang tussen verschillende landschapskenmerken in beeld. Aan de hand van de gebiedskenmerken van de te onderscheiden landschapstypen wordt de wenselijkheid van zonneparken in deze landschappen benoemd (zie bijlage 3). In Noardeast-Fryslân en Dantumadiel betreft het de volgende landschapstypen: - het Lauwersmeergebied; - het kleigebied van Oostergo; - de Noordelijke Wouden.

Het ontstaan en de ontwikkeling van deze landschapskenmerken zijn specifiek voor het grondgebied van Noardeast-Fryslân beschreven in de recent opgestelde Landschapsbiografie. De Landschapsbiografie zal, na vaststelling, Grutsk op ‘e Romte bijstaan als de meer uitgewerkte basis (meer detail) voor het landschappelijke toetsingskader voor zonneparken binnen Noardeast-Fryslân.

-

– 30 –

4.3 Landschappelijke inpassing Wanneer in beginsel beoordeeld kan worden dat een zonnepark landschappelijk aanvaardbaar is op de beoogde planlocatie, gelet op de ter plaatse aanwezige algemene dragers van landschapskenmerken en de landschapstype-specifieke gebiedskenmerken, komt de vraag aan de orde hoe dat zonnepark vervolgens goed op de locatie kan worden ingepast. In dat verband zal een goede landschappelijke inpassing veelal verband houden met een visuele afscherming van het zonnepark van omliggende waarnemingslocaties.

Bron: “Romte foar Sinne”, Provincie Fryslân

In alle gevallen wordt voorgeschreven om voor de landschappelijke inpassing gebruik te maken van de ter plaatse aan de orde zijnde landschapselementen. Afhankelijk van het landschapstype zijn er verschillende ontwerpmiddelen om landschappelijke inpassing te realiseren die gericht is op visuele afscherming. In besloten landschappen met veel opgaande beplanting is deze afscherming relatief makkelijk door vormen van beplanting te realiseren. Echter, in de landschappen gekenmerkt door grootschalige openheid, is visuele afscherming niet zo makkelijk. In deze open landschappen zijn het in de eerste plaats de dijken die een object, in dit geval het zonnepark, aan het oog kunnen onttrekken. De mate waarin dit het geval kan zijn, hangt vervolgens af van de standplaats van de waarnemer (op het maaiveld of bovenop een dijk) en van de afstand tussen de waarnemer en het zonnepark. In de tweede plaats kunnen in sommige landschappen ook rietzomen een bijdrage leveren aan de visuele afscherming. Een voorwaarde in dat geval is dan dat de hoogte van het zonnepark wordt afgestemd op haar rietzomen.

4.4 Landschappelijk beoordelingskader in stappen Voor zonne-initiatieven die in de landschappelijke context worden voorgenomen (treden 2 en 3), geldt dat de Sinnetafelmethodiek als vorm van procesparticipatie verplicht is. Als uit het gezamenlijk doorlopen van de Zonneladder blijkt dat het initiatief niet of onvoldoende via daken (trede 0) of binnen BSG of op bestaande bouwpercelen in het landelijk gebied (trede 1) kan worden gerealiseerd, en er gemotiveerd grondopstellingen in een landschappelijke context mogelijk en nodig zijn (treden 2 en 3), dan geldt dat in gezamenlijkheid van de Sinnetafel de onderstaande stappen in het kader van de locatiekeuze en landschappelijke inpassing moeten worden uitgevoerd. Hiervoor kan het zinvol zijn om bij de Sinnetafelmethodiek specifieke ruimtelijke/landschappelijke expertise te betrekken.

Stap 1: Bekijk de uitsluitingsgebieden De kansen voor zonne-energie-initiatieven zijn al in paragraaf 3.2. via de visiekaart uitgedrukt. Op deze kaart staan de gebieden weergegeven waar zonneparken bij voorbaat uitgesloten zijn. Naast het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden de uitgesloten gebieden bepaald door gebieden waarvan vanuit puur landschappelijk oogpunt is beoordeeld dat zonneparken hier niet op verantwoorde wijze kunnen landen. Het betreft de volgende landschappelijke uitsluitingsgebieden: - binnen de algemene dragers van de landschapskenmerken: o de zeedijken mogen in visueel-ruimtelijk opzicht geen onderdeel van een zonnepark zijn. - binnen de onderscheiden landschapstypen: o In het Lauwersmeergebied ▪ De Lauwerszeedijk. ▪ Het natuurlijke watersysteem van de voormalige Lauwerszee. ▪ Het natuurlijke watersysteem van het Dokkumer Grutdjip o In het kleigebied Oostergo ▪ Het systeem van zeedijken uitgesloten. ▪ Nederzettingen met hiermee sterk verbonden typerende landschapskenmerken. – 31 –

o

In de Noordelijke Wouden ▪ Het landschap van de kleinschalige ontginningen. ▪ Het esgebied van Westergeest.

Stap 2: Bekijk het zonneparkinitiatief in relatie tot de algemene dragers van landschapskenmerken (zie bijlage 3) Indien het plangebied niet is aangemerkt als ‘zonnepark uitgesloten’, vormen de algemene dragers van de landschapskenmerken, zoals genoemd in bijlage 3, een uitgangspunt voor de ruimtelijke afweging t.a.v. de wenselijkheid van zonneparken. Voor zonnepark-initiatieven die een relatie hebben met deze algemene dragers dient in de ruimtelijke onderbouwing te worden ingegaan op deze relatie, en hoe deze algemene dragers geborgd worden.

Stap 3: Bekijk het zonneparkinitiatief in relatie tot de gebiedskenmerken van het voor het plangebied relevante landschapstype (zie bijlage 3) Naast de algemene dragers van landschapskenmerken (stap 2) vormen nadrukkelijk ook de specifieke gebiedskenmerken van de drie verschillende landschapstypen in Noardeast-Fryslân en Dantumadiel, zoals genoemd in bijlage 3, een uitgangspunt voor de ruimtelijke afweging t.a.v. de wenselijkheid van zonneparken. Bij zonnepark-initiatieven dient in de ruimtelijke onderbouwing te worden ingegaan op deze gebiedskenmerken en hoe deze kenmerken/waarden geborgd worden.

Stap 4: Als uit voorgaande stappen blijkt dat een zonnepark-initiatief op de planlocatie landschappelijk aanvaardbaar is, pas het zonnepark dan vervolgens zorgvuldig in ín dat landschap, eveneens op basis van de aanwezige algemene dragers van landschapskenmerken en de specifieke gebiedskenmerken (zie bijlage 3). Bovenstaande stappen leiden tot een zorgvuldige beoordeling van de locatiekeuze en landschappelijke inpassing van zonne-energieinitiatieven.

– 32 –

5 Proces- en financiële participatie 5.1 Draagvlak Als gemeente zijn we van mening dat het huidige beleidskader niet alleen ruimtelijke, maar zeker ook maatschappelijke componenten kent. Wij vinden het belangrijk dat er vanuit de Mienskip voldoende maatschappelijk draagvlak is voor zonne-energie. Enerzijds zal draagvlak groeien wanneer zonne-energie op een ruimtelijk zorgvuldige manier wordt ingepast. De Zonneladder, zoals beschreven in hoofdstuk 3, biedt hiervoor een duidelijk instrument. De lagere treden, bijvoorbeeld als het gaat om dakopstellingen, kunnen inmiddels al rekenen op een zekere maatschappelijke acceptatie. Echter, wanneer er meer ruimte moet worden gegeven voor de opwek van zonne-energie, bijvoorbeeld bij zonneparken, dan is er vaak meer weerstand. Anderzijds zal er dus, naast een zorgvuldige ruimtelijke inpassing, ook op andere manieren bijgedragen moeten worden aan draagvlak. Om dat te bereiken, stimuleert de gemeente actieve inzet op participatie. Daarbij maken wij onderscheid tussen twee verschillende vormen: procesparticipatie en financiële participatie. Wij stimuleren deze vormen van participatie bij initiatieven op trede 1 (in geval van een grondgebonden opstelling in openbaar gebied), en bij alle initiatieven die onder trede 2 en 3 van de Zonneladder vallen.

5.2 Procesparticipatie Wanneer een aanvraag voor een zonnepark wordt gedaan, dan heeft de initiatiefnemer een inspanningsverplichting om omwonenden te informeren en draagvlak te creëren/vergroten. Bij onvoldoende inspanning heeft de gemeente de bevoegdheid om de vergunningsaanvraag voor het zonnepark te weigeren. Qua procesparticipatie hanteren wij de uitgangspunten van de provincie rond de methodiek ‘Sinnetafel’. De Sinnetafelmethodiek is een werkwijze waarbij alle partijen (initiatiefnemer, gemeente, provincie, omwonenden, netbeheerder, waterschap e.d.) die een belang vertegenwoordigen rondom de ontwikkeling van een zonneveld, voorafgaand met elkaar om tafel gaan om: - te komen tot de juiste locatiekeuze (doorlopen Zonneladder) en een goede landschappelijke inpassing; - te werken aan acceptatie; - te komen tot een integrale oplossing waarin alle belangen samenkomen; - het initiatief vervolgens gezamenlijk verder te brengen. Zeker bij (grootschalige) grondopstellingen is het essentieel dat de omgeving vroegtijdig en adequaat wordt betrokken bij het initiatief. Onder vroegtijdig betrekken verstaan wij dat inwoners al in het proces participeren nog voordat het zonnepark (definitief) wordt ingetekend.

Op die manier wordt voorkomen dat zonneparken alleen maar gesitueerd en ontworpen worden vanuit ingenomen grondposities en een maximaal rendement voor grondeigenaar en ontwikkelaar. Het betrekken van de Mienskip zorgt er enerzijds voor dat de verschillende invalshoeken, meningen en ideeën tijdig in beeld komen. Dit draagt bij aan breder gedragen oplossingen en snellere en betere besluitvorming, waarbij bezwaarprocedures later in het proces kunnen worden voorkomen. Anderzijds zal het betrekken van inwoners ook leiden tot bruikbare input voor de initiatiefnemer. Inwoners beschikken vaak over relevante lokale kennis en dragen zo bij aan de kwaliteit van een project. De verantwoordelijkheid voor het betrekken van de lokale omgeving ligt bij de initiatiefnemer. De gemaakte afspraken tussen de initiatiefnemer en de lokale omgeving worden vastgelegd in een omgevingsovereenkomst. Deze overeenkomst bevat afspraken op vrijwillige basis over de ruimtelijke inpassing van het project en/of financiële participatie (zie hieronder). Met de omgevingsovereenkomst laat de initiatiefnemer zien dat het heeft voldaan aan de inspanningsverplichting om draagvlak te creëren.

5.3 Financiële participatie Onze visie is dat de lasten en lusten van de energietransitie evenredig verdeeld moeten worden. Wanneer een initiatiefnemer substantiële revenuen genereert door het gebruik van gronden binnen de gemeente, dan vinden wij het belangrijk dat de lokale omgeving kan meeprofiteren. Daarom stimuleren wij actieve inzet op financiële participatie. Anders dan bij procesparticipatie, heeft de gemeente niet de bevoegdheid om een inspanningsverplichting op het gebied van financiële participatie te eisen. Echter, in het Klimaatakkoord en in de ‘Gedragscode zon op land’ hebben partijen afgesproken inzet op financiële participatie te verwelkomen. De gedachte dat omwonenden de mogelijkheid krijgen om financieel te investeren en daarmee mee te profiteren staat centraal. Wanneer de lokale omgeving niet akkoord gaat met de voorgestelde vorm van financiële participatie, dan kan de gemeente aansturen op extra inspanning, refererend naar bovenstaande documenten. Er zijn veel verschillende vormen van financiële participatie – 33 –

Verschillende levels van financiële participatie. Bron: “Wind- en zonneparken realiseren samen met inwoners”, Natuur- & Milieufederaties en Energie Samen

mogelijk, zie bovenstaande afbeelding. Wij zullen daarbij in het bijzonder twee vormen stimuleren. De voorkeur van de gemeente gaat in eerste instantie uit naar lokaal eigendom, met als secundaire optie een omgevingsfonds.

5.3.1

Lokaal eigendom

Ten eerste stimuleren wij de verkenning van lokaal eigendom. In het Klimaatakkoord is opgenomen dat tenminste de helft van de productie van een initiatief in handen komt van de lokale omgeving (inwoners en bedrijven). In andere woorden, 50% van het totale aantal zonnepanelen wordt lokaal eigendom. Dit is geen harde eis, maar een streven. 50% lokaal eigendom betekent namelijk niet alleen dat de omgeving meedeelt in de opbrengsten maar ook in de risico’s. Het is dus mogelijk dat de lokale omgeving niet wil of niet kan mee investeren. Om die reden mag er lokaal worden afgeweken van het streven. Desalniettemin committeert de gemeente zich wel aan 50% lokaal eigendom. Per project is het maatwerk wat exact verstaan wordt onder ‘lokaal’. Uitgangspunt is in ieder geval dat meerdere lokale partijen uit de omgeving betrokken zijn bij de ontwikkeling van het zonnepark. Ook moet iedereen uit de omgeving de mogelijkheid hebben om mee te kunnen doen. Uiteindelijk dient een brede groep uit de omgeving het initiatief te steunen en/of er aan deel te nemen.

5.3.2

Omgevingsfonds

Wanneer er niet volledig voldaan wordt aan 50% lokaal eigendom, dan kan de initiatiefnemer invulling geven aan financiële participatie via een omgevingsfonds. Dit fonds kan vervolgens gebruikt worden voor de financiering van andere projecten. Op die manier kan duurzame energie een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de lokale omgeving. Idealiter is de omvang van het omgevingsfonds afhankelijk van de opwek van een zonnepark. Grotere projecten zijn in staat om relatief meer bij te dragen, omdat grote zonneparken vanwege schaalvoordelen meer winst per MWp opleveren. Aan de andere kant zal deze financiële bijdrage niet dusdanig hoog moeten zijn dat het ontwikkelaars afschrikt. Andere gemeenten hebben reeds doorgerekend welke vergoeding redelijkerwijs gevraagd kan worden. Op basis hiervan gaan wij uit van de volgende vergoeding per MWp per jaar. Dit bedrag loopt dus op naarmate de omvang van een zonnepark groter wordt.

– 34 –

Vermogen zonnepark 0-5 MWp 6-20 MWp 21-50 MWp >50 MWp

Vergoeding per MWp per jaar €1.500,€2.500,€3.000,€5.000,-

Belangrijk onderdeel van onze voorgestelde aanpak is dat de omvang van het omgevingsfonds vermindert wanneer er sprake is van lokaal eigendom. Het percentage van het streven 50% lokaal eigendom dat behaald wordt, mag worden afgetrokken van het omgevingsfonds. Wanneer er dus volledig voldaan wordt aan 50% lokaal eigendom, dan vervalt de compensatie van het omgevingsfonds geheel. Op die manier is er een duidelijke prikkel voor initiatiefnemers om in te zetten op lokaal eigendom. Om een beeld te geven van de grootte van de compensatie wanneer er geen 50% lokaal eigendom wordt bereikt, volgen hier twee rekenvoorbeelden. ➢ Voorbeeld 1: Er wordt een zonnepark ontwikkeld van 10 MWp. 2 MWp komt in lokaal eigendom. Dit is dus 40% van het streven 50% lokaal eigendom. De jaarlijkse compensatie is dus 10 MWp x €2.500,- x (100%-40%) = €15.000,➢ Voorbeeld 2: Er wordt een zonnepark van 30 MWp ontwikkeld. 10 MWp hiervan is lokaal eigendom. Dit is dus 67% van het streven 50% lokaal eigendom. De jaarlijkse compensatie is dus 30 MWp x €3.000,- x (100%-67%) = €30.000,De gemeente hecht veel waarde aan het omgevingsfonds. Hoewel de hoogte van het omgevingsfonds nog niet juridisch vastgelegd kan worden, kan het schema zoals hierboven beschreven wel dienen als een nadrukkelijk uitgangspunt voor de onderhandelingen tussen de lokale omgeving en de ontwikkelaar.

De uitkomsten van de onderhandelingen moeten worden vastgelegd in een omgevingsovereenkomst. De gemeente is niet één van de ondertekenaars van de overeenkomst en heeft geen actieve rol in de onderhandelingen. Wel zal de gemeente het gesprek faciliteren, en waar nodig de lokale omgeving ondersteunen. Wat betreft de organisatie van het omgevingsfonds zijn er meerdere oplossingen mogelijk. Dit is sterk afhankelijk van de wensen van de lokale omgeving. Zo is er de optie om de gemeente rekeninghouder te laten zijn van het fonds. Het grote voordeel van deze constructie is namelijk dat als de gemeente investeringen doet uit het fonds, de investering btw-vrij is. De lokale omgeving is in dat geval nog wel steeds vrij om te bepalen waar het fonds voor wordt ingezet. Indien de lokale omgeving echter nog meer controle wil, dan kan het er ook voor kiezen om het fonds op eigen rekening te storten. Het kan dit doen door een aparte stichting op te richten. Deze stichting wordt bemand door lokale inwoners, die tevens zullen beslissen waar het fonds voor wordt ingezet. De gemeente stelt in dat geval wel kaders aan de besteding van het fonds, die vastgelegd worden in een fondsreglement. Wanneer een stichting wordt opgericht dan zitten hier ook kosten aan verbonden. Het is dus de vraag of dit bij elk initiatief -bijvoorbeeld ook bij kleinere initiatieven - haalbaar is.

Het is ook nog denkbaar dat meerdere initiatieven en dus meerdere omgevingsfondsen zich aansluiten bij één en dezelfde stichting. De vraag is dan wel hoe de lokale omgeving vertegenwoordigd wordt, en wie exact over de besteding van het omgevingsfonds gaat. Kortom, er zijn meerdere varianten mogelijk. Per initiatief is het maatwerk hoe de organisatie rond het omgevingsfonds wordt vormgegeven. De gemeente stelt enkele voorwaarden aan de besteding van het omgevingsfonds. Zo moeten projecten bijdragen aan leefbaarheid van de lokale omgeving, bijvoorbeeld door middel van sociale voorzieningen of door het bevorderen van de veiligheid. Waar mogelijk dragen projecten ook bij aan de duurzaamheid en ecologische kwaliteit van de omgeving. Projecten en initiatieven op het gebied van energiebesparing, duurzame energie en/of verduurzaming, die tevens een maatschappelijk belang dienen, worden aangemoedigd. Ten slotte is het doel van het omgevingsfonds dat de daadwerkelijk lokale omgeving er nadrukkelijk van profiteert. In het kader van de evenredige verdeling van lusten en lasten moet het dorp (of wijk) dat de last het meeste ervaart ook het grootste deel van de compensatie ontvangen. De hoogte van de compensatie voor een bepaald gebied moet vanzelfsprekend in verhouding liggen met de mate van impact van het zonne-energie-initiatief voor datzelfde gebied. Tot slot een kleine kanttekening.

Hoewel het model van financiële participatie, zoals hierboven geschetst, wat ons betreft het beste rechtdoet aan het meeprofiteren van de lokale omgeving, kan het in de praktijk zo – 35 –

zijn dat andere vormen van financiële participatie geprefereerd worden. Om die reden is het model van lokaal eigendom en als alternatief het omgevingsfonds geen strikte vereiste. Echter, het is wel een nadrukkelijk uitgangspunt. Door het model hier expliciet te poneren, willen we kenbaar maken aan onze inwoners wat er mogelijk is op het gebied van financiële participatie. Mocht toch blijken dat de lokale omgeving daadwerkelijk andere vormen van financiële participatie prefereert, dan is de gemeente bereid hier in mee te gaan. Uitgangspunt is wel dat de alternatieve vorm van financiële participatie minimaal gelijkwaardig is aan ons voorgestelde model.

5.4 Participatieplan Om de inspanningsverplichting van procesparticipatie goed te borgen, wil de gemeente nog voor de initiatiefnemer het gesprek aangaat met de lokale omgeving de beoogde aanpak van participatie afstemmen met de initiatiefnemer. De initiatiefnemer dient bij de aanvraag van een informatieverzoek te motiveren hoe het wil inzetten op participatie. De beoogde vorm van participatie wordt omschreven in een plan van aanpak. De gemeente zal dit plan toetsen en waar nodig bijsturen. Indien de gemeente akkoord gaat met het plan van aanpak, dan wordt dit vastgelegd in een intentieovereenkomst. Deze overeenkomst is tussen de gemeente en de initiatiefnemer en staat dus los van de omgevingsovereenkomst. De inspanningsverplichting houdt in dat de gemeente alleen de mate van inspanning kan toetsen. De mate van draagvlak vormt geen criterium, zolang het niet gekoppeld is aan ruimtelijke gronden. Zoals eerder genoemd voldoet een initiatiefnemer aan de inspanningsverplichting met het ondertekenen van de omgevingsovereenkomst. De initiatiefnemer is grotendeels vrij in het exact invulling geven aan participatie. Als gemeente laten wij dit liever over aan de creativiteit van de markt. De initiatiefnemer mag zelf bepalen of het prefereert in te zetten op bijvoorbeeld het organiseren van bijeenkomsten voor de lokale omgeving en/of dat het liever inzet op een deur-aan-deur-methode.

Waar nodig kan de gemeente toehoorder zijn in dit soort processen. In het participatieproces is een belangrijke rol weggelegd voor een vereniging van plaatselijk belang, buurtvereniging of een andere georganiseerde vorm van bewoners (zoals een vereniging van eigenaren of een lokale energiecoöperatie). Andere maatschappelijke partijen die een bepaald belang vertegenwoordigen, zoals Wetterskip, De Friese Milieufederatie en LTO, vormen ook een nadrukkelijk onderdeel van de procesparticipatie.

-

-

-

-

-

-

-

Ten eerste wordt maatschappelijk draagvlak zoveel mogelijk nagestreefd door op zorgvuldige wijze rekening te houden met schaal van het initiatief ten opzichte van de omgeving, en landschappelijke inpassing (hoofdstuk 4). Bij trede 1 (grondopstellingen in openbaar gebied) en de volledige treden 2 en 3 van de Zonneladder heeft de initiatiefnemer een inspanningsverplichting om in te zetten op procesparticipatie. Financiële participatie wordt vanaf deze treden gestimuleerd. De initiatiefnemer zet in op procesparticipatie door de Mienskip actief te betrekken bij het ontwikkelen van een project. Hierbij hanteren wij de uitgangspunten van de Sinnetafelmethodiek. Qua financiële participatie streeft de gemeente allereerst naar 50% lokaal eigendom. Indien er minder dan 50% in lokaal eigendom komt, dan kan de initiatiefnemer een bijdrage leveren aan een omgevingsfonds. De richtlijnen zoals hierboven beschreven dienen als een nadrukkelijk uitgangspunt voor de onderhandelingen met lokale partijen. In het uitzonderlijke geval dat de lokale omgeving andere vormen van financiële participatie prefereert en het aantoonbaar is dat zij dit prefereren, dan is de gemeente bereid deze vormen te accepteren, onder voorbehoud dat het alternatief minimaal gelijkwaardig is aan het voorgestelde model van financiële participatie.

De initiatiefnemer stelt ten eerste een plan van aanpak voor participatie op, waarin het beoogde traject van proces- en financiële participatie nader wordt beschreven. Bij akkoord van de gemeente wordt dit vastgelegd in een intentieovereenkomst. De afspraken tussen de initiatiefnemer en de lokale omgeving rond proces- en financiële participatie worden vastgelegd in een omgevingsovereenkomst. Met het ondertekenen van deze overeenkomst heeft de initiatiefnemer voldaan aan de inspanningsverplichting.

– 36 –

6 Meervoudig ruimtegebruik 6.1 Koppelkansen benutten Opstellingen van zonnepanelen vragen ruimte. De nieuwe energiefunctie van een zonnepark komt daarbij dan in veel gevallen in de plaats van de tot dan aanwezige functies van die ruimte. Dit kan qua financiële opbrengsten in veel gevallen (nog steeds) lucratief zijn, voor zowel grondeigenaren c.q. agrariërs. Echter, in het buitengebied zijn ook de grootste ruimtelijk-landschappelijke effecten te verwachten, en speelt nadrukkelijk verlies van agrarisch grondareaal. Er zijn in de praktijk dan ook manieren gevonden voor de opwekking van zonne-energie aanwezig waarbij sprake is van meervoudig ruimtegebruik. In de bebouwde omgeving zijn de zonnepanelen op daken van gebouwen hiervan het meest bekende en sprekende voorbeeld. Ook grondopstellingen binnen bestaande bouwpercelen kan als meervoudig ruimtegebruik worden aangeduid. In het kader van zorgvuldig ruimtegebruik zijn wij een groot voorstander van vormen van meervoudig ruimtegebruik. Naast de ruimtevraag voor zonne-energieopwek in BSG speelt in de nabije toekomst, gezien de opgave binnen het energievraagstuk en getuige de vele initiatieven (ook in onze gemeenten), deze ruimtevraag vooral ook in het buitengebied. Gezien het ruimtebeslag van zonneparken wordt het zoeken naar mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik –met name in het buitengebied- dan ook in hoge mate gewaardeerd.

Daarbij spelen uiteraard wel de kaders voor landschappelijke inpassing en de functionele mogelijkheden voor meekoppeling een bepalende rol. Extra maatschappelijk en financieel rendement kan ontstaan door de meekoppelmogelijkheden te onderzoeken en zo mogelijk te benutten. Zo kunnen zonneparken in ruimtelijk/functioneel opzicht gecombineerd worden met: - (bestaande) daken (trede 0); - bestaande (bouw- en gebruiksmogelijkheden van) bouwpercelen (zie trede 1); - (voormalige) vuilstorten, nutsvoorzieningen, munitieterreinen, zandwinlocaties (zie trede 2); - (het invloedsgebied van) infrastructuur (zie trede 2); - drinkwaterbeschermingsgebieden en extensivering gebruik; - water en waterbergingsgebieden (voor wateropvang en watervoorziening); - gebieden waar maatregelen nodig zijn om verzilting tegen te gaan (opzetten van het waterpeil); - uitgeputte agrarische gronden waar de bodemvruchtbaarheid moet worden hersteld (afhankelijk van de wijze van plaatsing); - combinatie met te extensiveren gebieden (afhankelijk van wijze van plaatsing); - bij duurdere hoogteplaatsing van panelen is agrarisch medegebruik (begrazing, opslag, vrije uitloop kippen, etc.) mogelijk; - bufferzones grenzend aan Natuur(netwerk)gebieden, als hiermee de milieukwaliteiten van deze natuurgebieden kunnen worden verbeterd; - Et cetera.

6.2 Biodiversiteit Naast bovengenoemde koppelkansen wordt er specifiek aandacht besteed aan biodiversiteit. Een zonnepark kan namelijk negatieve impact hebben op natuur en biodiversiteit. Bij een gebrek aan lichtinval en water daalt de kwaliteit van de bodem, waardoor het gebied minder aantrekkelijk wordt voor dier- en plantsoorten. Met voldoende licht en water op de bodem kan een zonnepark juist bijdragen aan biodiversiteit, omdat er onder de panelen een milder klimaat heerst. Dit vraagt echter wel meer ruimte, hetzij door ruimte te laten tussen de rijen zonnepanelen (waarbij 10% ruimte tussen de rijen gezien wordt als adequaat uitganspunt), hetzij door de panelen hoger te plaatsen. Er moet dus een optimum gevonden worden tussen ruimtegebruik en biodiversiteit. Ter behoud van natuur en biodiversiteit zijn locaties met oorspronkelijk weinig natuurwaarde gewenster. Hier is de kans groot dat een zonnepark juist kan bijdragen aan biodiversiteit. Daar waar al veel natuurwaarde is, is de kans groot dat het zonnepark de biodiversiteit verslechtert. Bij grondopstellingen in het landelijk gebied is een initiatiefnemer verplicht om ruimte te maken voor het versterken van biodiversiteit. Wat exact verstaan wordt onder ‘versterken’ is maatwerk.

In elk geval moet de initiatiefnemer er voor zorgen dat de bestaande natuurwaarden van het plangebied ook na de realisatie van een zonnepark een plek hebben om te kunnen voortbestaan en zelfs kunnen groeien. Het is essentieel dat er wordt aangesloten op gebiedseigen landschapselementen. Omgevingsvreemde habitats moeten niet geïmporteerd worden, maar er dient te worden aangesloten op de habitats in de wijdere omgeving. Ook – 37 –

dient het versterken van biodiversiteit gericht te zijn op de lange termijn. Een initiatiefnemer dient bij aanvraag van de vergunning aan te tonen hoe bij de locatiekeuze rekening is gehouden met het versterken van biodiversiteit. Voor het borgen van biodiversiteit is het echter niet alleen belangrijk dat er in het plan vooraf wordt beschreven hoe er wordt bijgedragen aan biodiversiteit, maar ook dat er tijdens de looptijd van het zonnepark wordt gemonitord. Initiatiefnemers staan zelf aan de lat voor het organiseren van periodieke monitoring.

Bron: Zonnevelden Provincie Zuid-Holland, H+N+S landschapsarchitecten, Overmorgen.

-

-

-

Initiatieven waarbij meervoudig en/of slim ruimtegebruik bij een opstelling van zonnepanelen/zonnepark is toegepast, vindt de gemeente wenselijker en kansrijker dan zonnepark-initiatieven met alleen de opwekking van zonne-energie als enkelvoudige doelstelling. Een initiatief voor zonne-energieopwekking (vanaf trede 2) moet voorzien in een analyse naar mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik, rekening houdend met het landschappelijk inpassingskader en de functionele mogelijkheden voor meekoppeling. Bij grondopstellingen in het landelijk gebied vormt het versterken van biodiversiteit een nadrukkelijke vereiste. Initiatiefnemers zijn zelf verantwoordelijk voor het organiseren van periodieke monitoring.

– 38 –

7 Elektriciteitsnetwerk Zonneparken kunnen niet zomaar overal worden geplaatst; ze dienen aan het energienet aangesloten te (kunnen) worden. Om financieel haalbaar te zijn, is het voor initiatiefnemers in principe aantrekkelijk om zonnepanelenopstellingen op een rendabele afstand van een netaansluiting te plaatsen. Bovendien betalen eindgebruikers de investeringen in het elektriciteitsnet. Efficiënt gesitueerde zonneparken dragen daarom bij aan de betaalbaarheid van de energietransitie. Zonneparken tot maximaal 2 MW (circa 2 - 2,5 ha. met de huidige technieken) kunnen in principe op het middenspanningsnet worden aangesloten. De oppervlaktes die de gemeente voorziet voor kleinschalige initiatieven in/nabij de kernen, bij agrarische bedrijven en particuliere woonpercelen zullen in de regel 2 MW niet overschrijden en zodoende op het middenspanningsnet kunnen worden aangesloten. Echter, de middenspanningsringen hebben een beperkte capaciteit van enkele MW’s. Wanneer er meerdere initiatieven in die regio zijn, dan kan er alsnog congestie optreden. Vroegtijdige afstemming met de netbeheerder is dus te allen tijde gewenst. Zonneparken met een productie van boven de 2 MW dienen aangesloten te worden op de onderstations. Daarbij moet rekening worden gehouden met de beschikbare capaciteiten van de stations.

De netbeheerder heeft deze stations in kaart gebracht en kan een indicatie gegeven van de beschikbare capaciteit. Het is belangrijk aan te geven dat dit een indicatie geeft van de situatie en een momentopname is. Het netwerk kan wijzigen. Daarnaast kan het elektriciteitsnetwerk niet ongelimiteerd volgeladen worden met elektriciteitsbronnen c.q. zonneparken. Naarmate er meer leveranciers komen (op eenzelfde kabel of station) kan de maximaal beschikbare capaciteit overschreden worden en is aansluiten niet meer mogelijk. Ook hier is vroegtijdige afstemming met de netbeheerder van belang. Afstemming alleen garandeert echter nog geen netcapaciteit. Alleen initiatiefnemers die een offerte van de netbeheerder ondertekend terugsturen maken aanspraak op netcapaciteit (indien beschikbaar, anders volgt een transportbeperking totdat het net is verzwaard).

Bron: “Sinnefjilden yn it lânskip”, Provincie Fryslân

– 39 –

-

-

Voor alle initiatieven rond zonne-energie boven de 50 kW (ca. 150 panelen) is vroegtijdige afstemming tussen initiatiefnemers onderling en met de netbeheerder van groot belang om vroegtijdig de haalbaarheid/uitvoerbaarheid duidelijk te hebben. Bij indiening van een initiatief bij de gemeente moet blijk zijn gegeven dat het voorgenomen project uitvoerbaar is (afstemming met netbeheerder aantoonbaar). Let op, netcapaciteit wordt pas gereserveerd bij een ondertekende offerte (indien beschikbaar, anders volgt een transportbeperking totdat het net is verzwaard). Aan alleen een netcheck kunnen geen rechten worden ontleend.

– 40 –

8 Stroomschema haalbaarheid

Uw initiatief

Grondgebonden

Gebouwgebonden (trede 0)

Voldoet het plan aan de eisen voor het vergunningsvrij plaatsen van de panelen? (Art. 2, bijlage 2, Besluit omgevingsrecht) LET Ja OP: aanvullende regels voor Nee monumenten en beschermd stads- of dorpsgezicht. Nee Ja

Het plaatsen van panelen op dit dak is in principe vergunningsvrij. Alleen voor ‘rijksmonumenten’ is een WABO-vergunningsplicht aan de orde.

Is uw project in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan? Incl. regels voor beschermd stads- of dorpsgezicht

Ja

Nee

Is het gebouw aangewezen als Rijks- of gemeentelijk monument?

Ja

Heeft de opstelling betrekking op een waardevol gebouw-

Het initiatief is in beginsel uitgesloten. Medewerking is afhankelijk van cultureel erfgoed- en monumentenbeleid

Nee

Er moet een omgevingsvergunning aangevraagd worden. In beginsel wil de gemeente meewerken. (let op welstand!)

onderdeel uit het oogpunt van monumentenzorg? Ja

U mag geen zonnepanelen plaatsen

Nee Er moet een omgevingsvergunning aangevraagd worden. In beginsel wil de gemeente meewerken. (let op welstand!) – 41 –

Uw initiatief

Gebouwgebonden (trede 0)

Grondgebonden

Is uw project geheel in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan?

Er moet een omgevingsvergunning aangevraagd worden. In beginsel wil de gemeente meewerken.

Ja

Nee Valt uw project in het gebied met de aanduiding ‘zonneparken uitgesloten’? (zie visiekaart)

Ja

Nee Trede 1: Valt uw project binnen de gebieden aangemerkt als ‘Bestaand stedelijk gebied’?

Trede 1: Er moet een omgevingsvergunning aangevraagd worden. In beginsel wil de gemeente meewerken, mits: - de Zonneladder is doorlopen; - voldaan wordt aan de overige voorwaarden zoals genoemd in hoofdstuk 3 (w.o. max. opwekcapaciteit). - Ingeval van openbaar gebied is het maatwerk met procesparticipatieplicht

Ja

Ja

Voldoet uw initiatief (qua situering en hoogte) aan de regels die in het geldende bestemmingsplan staan? Incl. regels voor beschermd stads- of dorpsgezicht

Nee

Ja

Trede 1: Bevindt uw project zich op uw bouwperceel in het landelijk gebied? Nee

Nee Trede 2: Is uw project direct grenzend aan uw erf in het landelijk gebied?

Ja

Nee Trede 2:Bevindt uw project zich in de nabijheid van ‘Bestaand stedelijk gebied’?

Heeft u zich aantoonbaar ingespannen op het gebied van procesparticipatie?

Nee

Nee

Nee

Ja Ja

Nee Trede 3: uw project bevindt zich geheel in het landschap (op afstand van ‘Bestaand stedelijk gebied’).

U mag geen zonnepark oprichten

Trede 2:Bevindt uw project zich op een bijzondere locatie (vuilstort, nutsvoorzieningen, Nee munitieterreinen etc.) of langs infrastructuur?

Ja Ja

Ja Zijn er nadrukkelijk stedenbouwkundige, landschappelijke en/of cultuurhistorische argumenten waarom na doorlopen van de Zonneladder een zonnepark in het landschap op afstand van BSG toch verantwoord is (maatwerk)?

Nee

Trede 3: U mag geen zonnepark oprichten

Heeft u samen met de lokale omgeving de mogelijkheden voor financiële participatie onderzocht?

Trede 2 (3): Er moet een omgevingsvergunning aangevraagd worden. Medewerking is uitsluitend mogelijk, mits: - de Zonneladder is doorlopen; - voldaan wordt aan de voorwaarden zoals genoemd in hoofdstuk 3 (w.o. max. opwekcapaciteit); - getoetst aan de Visiekaart; - landschappelijk aanvaardbaarheids- en inpassingsvereiste (hoofdstuk 4); - voldoende en zorgvuldige inzet proces- en financiële participatie (Sinnetafelmethodiek) (hoofdstuk 5); - onderzoeksplicht mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik incl. versterking biodiversiteit (hoofdstuk 6).

Indien uw project zich in het landelijk gebied bevindt: heeft u ruimte gemaakt voor het versterken van biodiversiteit? Ja

TIP: laat u inspireren door en onderzoek de mogelijkheden van meervoudig ruimtegebruik (hoofdstuk 6) TIP: Stem af met netbeheerder (net-/aansluitcapaciteit) (hoofdstuk 7) TIP: Heeft uw initiatief naar aanleiding van dit stroomschema kans van slagen, dien u dan eerst een informatieverzoek in bij de gemeente voor een beginseluitspraak (hoofdstuk 9) – 42 –

9 Processchema initiatief zonne-energie Actie

Acteur

Stap 1a

Initiatiefnemer heeft een voornemen tot zonne-energieopwek (een eerste opzet qua locatie en omvang. In een later stadium kunnen exacte locatie en omvang nog wijzigen.)

Initiatiefnemer

1b

Doorloop de Zonneladder (zie paragraaf 3.1). Op welke trede bevindt uw initiatief zich? Onderzoek of uw ontwikkeling ook via een lagere trede kan plaatsvinden. Motiveer zo nodig waarom het zonnepark niet op een lagere trede kan worden gesitueerd. Afhankelijk van de trede, kijkt u naar de maximaal toegestane zonne-energieopwek: blijft uw initiatief hierbinnen, ook kijkende naar reeds bestaande zonne-energieontwikkelingen in de omgeving (van derden)? Zie paragraaf 3.2, hoofdstuk 4 en bijlage 3: Kijk alvast of het zonnepark op de gewenste locatie landschappelijk aanvaardbaar is of hoe het landschappelijk kan worden ingepast. Het initiatief mag niet binnen het uitsluitingsgebied van de visiekaart (zie 3.2) vallen. Houd rekening met algemene dragers van landschapskenmerken en specifieke gebiedskenmerken. Onderzoek de mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik. In het geval van initiatieven in een landelijk gebied, is het versterken van biodiversiteit een nadrukkelijke vereiste. Neem contact op met Liander of er voldoende netcapaciteit is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=noardeastfryslan&id=8e122463-128f-4335-bbed-5d2c486cd993