Bijlage 1 - Beleidskader Zonne-energie 2021 NF
Tekst van het document
Signed By: Dijkstra, Sytze <s.dijkstra@noardeast-fryslan.nl> 11/06/2021 12:14:00 CEST ID: cee78766-7f61-483f-827b-285122a43c56 Auth: Scribble
Beleidskader Zonne-energie 2020 maandag 3 mei 2021 7.0.
Colofon Opdrachtgever: Rapport gegevens: Rapport: Opsteller: Versie: Datum: Vastgesteld: Door Datum Paraaf: Gemeente Noardeast-Fryslân Postbus 13 9290 AA Kollum Tel. (0519) 29 88 88 info@noardeast-fryslan.nl www.noardeast-fryslan.nl
College van burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân
Beleidskader Zonne-energie 2020 Jacob Dirk Haagsma, Piet Braam, Pier Wiebe Rienstra, Sander Elverdink, Jacob Klaas Star 7.0. 3 mei 2021
Gemeenteraad van Noardeast-Fryslân
Inhoudsopgave SAMENVATTING
6
Ambitie en opgave
6
Rolopvatting
6
Zonneladder
6
Visiekaart
7
Participatie
8
Meervoudig ruimtegebruik
8
Netcapaciteit
9
Tot slot
9
1
INLEIDING
10
1.1
Aanleiding
10
1.2
Doelstelling
10
1.3
Beleidsafbakening
10
1.4
Evaluatie
11
1.5
Leeswijzer
11
2
OPGAVE ZONNE-ENERGIE VOOR NOARDEAST-FRYSLÂN EN DANTUMADIEL
12
2.1
Inleiding
12
2.2
Contextbepaling
12
2.3
Gemeentelijke opgave
13
2.4
Wat verbruiken we in Noardeast-Fryslân en Dantumadiel aan energie?
14
2.5
Wat kunnen we besparen aan energie?
14
2.6
Opgave zonne-energie voor ambitie 2030
15
2.7
Opgave zonne-energie voor ijkpunt 2050
15
2.8
Opgave verder in beeld gebracht
16
2.9
Welk deel van de opgave kan worden behaald bij volledige benutting van geschikte daken?
17
2.10
Welke rol ziet de gemeente voor zichzelf binnen de opgave?
18
2.11
Wet Bibob
18
3
VISIE OP ZONNE-ENERGIE
19
3.1
Zonneladder
19
3.2
Visiekaart zonne-energie
28
4
LANDSCHAPPELIJK BEOORDELINGSKADER
30
4.1
Inleiding
30
4.2
Landschappelijke aanvaardbaarheid
30
4.3
Landschappelijke inpassing
31
4.4
Landschappelijk beoordelingskader in stappen
31
5
PROCES- EN FINANCIËLE PARTICIPATIE
33
5.1
Draagvlak
33
5.2
Procesparticipatie
33
5.3
Financiële participatie
33
5.4
Participatieplan
36
6
MEERVOUDIG RUIMTEGEBRUIK
37
6.1
Koppelkansen benutten
37
6.2
Biodiversiteit
37
7
ELEKTRICITEITSNETWERK
39
8
STROOMSCHEMA HAALBAARHEID
41
9
PROCESSCHEMA INITIATIEF ZONNE-ENERGIE
43
Bijlage 1: Maximaal toegestane oppervlakte zonnevelden buiten BSG per kern
46
Bijlage 2: Visiekaart
48
Bijlage 3: Achtergrondinformatie bij landschappelijk beoordelingskader
49
–5–
Samenvatting Zonne-energie is een thema in opkomst. Vanuit verschillende kanten wordt nadrukkelijk naar de mogelijkheden van opwek van zonne-energie gekeken om tot een energie- en klimaatneutrale samenleving te komen. Op verschillende overheidsniveaus worden en zijn op het thema van zonne-energie inmiddels ambities uitgesproken en bijbehorende uitvoeringsprogramma’s ontwikkeld. Ook de gemeente NoardeastFryslân heeft de behoefte om haar ambitie ten aanzien van zonne-energie uit te spreken. In het ‘coalitieakkoord voor gemeente Noardeast-Fryslân 2019-2022’ is in dat opzicht aangeven dat gestreefd wordt naar het leveren van betekenisvolle bijdragen aan een duurzame samenleving. Bij de transitie van energie wordt gedacht aan het meer benutten van zonne-energie. Om die reden is ingezet op het ontwikkelen van concreet integraal beleid voor de mogelijkheden voor zonne-energieopwek in de gemeente Noardeast-Fryslân. Daarvoor dient dit voorliggend beleidskader. Dit beleidskader is zowel voor NoardeastFryslân als voor Dantumadiel opgesteld.
Ambitie en opgave Met onze gemeentelijke ambitie willen we onze bijdrage leveren aan het behalen van de zonneenergieambities die op internationaal, nationaal, provinciaal, en regionaal niveau zijn uitgesproken. Zowel Noardeast-Fryslân als Dantumadiel heeft al een ambitie vastgesteld voor 2030. Beide gemeenten hebben dezelfde (maar van elkaar losstaande) ambitie om in 2030 70% van de benodigde elektriciteit op een duurzame wijze op te wekken. Voor 2050 is nog geen gemeentelijke ambitie vastgesteld, maar de (inter)nationale en provinciale ambitie is om in 2050 100% van de totale energiebehoefte duurzaam op te wekken. Voor dit beleid is aangenomen dat Noardeast-Fryslân en Dantumadiel hier een evenredig aandeel in vervullen, dus ook zelf hun energiebehoefte voor de volle 100% duurzaam opwekken binnen de gemeentegrenzen. Dit dient echter puur als ijkpunt, zonder bestuurlijke status. Voor de ambitie van 2030 is reeds doorgerekend welk aandeel daarvan uit zonne-energie zal bestaan. Voor 2050 moeten extra aannames gedaan worden. Qua energievraag wordt aangenomen dat er een jaarlijkse besparing van 1,5% zal worden gerealiseerd (conform ambitie Energieakkoord, 2013). Daarnaast wordt aangenomen dat zonne-energie 30% van de totale energiemix zal bestrijken.
Rekening houdende met de reeds opgewekte zonne-energie, dan bedraagt de zonne-energieopgave voor Noardeast-Fryslân voor 2030 281 TJ en voor 2050 520 TJ. Voor 2030 is reeds doorgerekend welk aandeel kleinschalig (zon op dak) zal worden gerealiseerd en welk aandeel grootschalig moet worden gerealiseerd. In 2030 is de opgave 68 hectare aan grootschalige zonne-energie. Voor 2050 is nog geen onderscheid gemaakt tussen grootschalig en kleinschalig. Hier is de totale restopgave 165 hectare. Rekening houdende met de reeds opgewekte zonne-energie, dan bedraagt de zonne-energieopgave voor Dantumadiel voor 2030 100 TJ en voor 2050 191 TJ. Dit betekent voor 2030 24 hectare aan grootschalige zonne-energie. Voor 2050 is er een totale restopgave van 61 hectare.
Rolopvatting Noardeast-Fryslân en Dantumadiel zien hun rol als gemeenten in de eerste plaats met betrekking tot het ontwikkelen van zorgvuldig beleid als bestuurlijk (toetsings)kader voor zonne-energie-initiatieven. Initiatiefnemers moeten vooral zelf met deze passende initiatieven komen. Wij hebben de verwachting dat een belangrijke bijdrage aan de ambitie voortkomt vanuit de gemeenschap en vanuit de markt. Door de inzet van de wet Bibob bij aanvragen voor een zonne-energie-initiatief voorkomt de gemeente dat misstanden worden gefaciliteerd. Om bovenstaande zonne-energieopgaven binnen bereik te krijgen, is het noodzakelijk dat de gemeenten Noardeast-Fryslân en Dantumadiel zoeken naar (bredere) mogelijkheden voor zonne-energie-opwek. Anderzijds blijft de aanwezige ruimtelijke en maatschappelijke impact vragen om een zorgvuldige afweging omtrent de toelaatbaarheid van een zonne-energieinitiatief. In voorliggend beleidskader hebben NoardeastFryslân en Dantumadiel op een zorgvuldige en evenwichtige wijze een weg gevonden in dit conflicterende krachtenveld.
Zonneladder Opwek van zonne-energie kan op verschillende vormen plaatsvinden. Elke vorm heeft een andere ruimtelijke en maatschappelijke impact en daardoor meer of minder wenselijkheid. Gelet hierop hanteren wij bij de beoordeling van zonne-energie-initiatieven de zogenaamde ‘Zonneladder’. Deze Zonneladder –6–
brengt hiërarchie aan in het beoordelen van de geschiktheid van locaties: pas wanneer locaties op een lagere trede van de ladder voor een bepaald initiatief niet voldoende beschikbaar of geschikt zijn, komen locaties op een hogere trede in beeld. Initiatiefnemers hebben zodoende een onderzoeks- en motiveringsplicht ten aanzien van de locatie van hun initiatief. Er moet kunnen worden gemotiveerd waarom dit initiatief niet gesitueerd kan worden op een locatie die meer wenselijk wordt geacht voor opwekking van zonne-energie. De ladder bestaat achtereenvolgens uit: - trede 0: gebouwgebonden opstellingen (dak); - trede 1: grondgebonden opstellingen binnen Bestaand Stedelijk Gebied (BSG) of op bestaande bouwpercelen in het landelijk gebied’; - trede 2: Grondgebonden zonnepanelen in het landelijk gebied: nabij Bestaand Stedelijk gebied, direct in aansluiting op bestaande bouwpercelen in het landelijk gebied, op bijzondere locaties (niet agrarisch of natuur) en langs infrastructuur; - ‘trede 3: Grondgebonden zonnepanelen op overige locaties in het buitengebied/landschap’. Elke trede is voorzien van een eigen afwegingskader, afgestemd op de ruimtelijke en maatschappelijke impact en aanvaardbaarheid van die betreffende opwekvorm. Zo geldt naarmate de Zonneladder beklommen wordt, een steeds nadrukkelijkere noodzaak voor landschappelijke aanvaardbaarheid en participatievereisten.
Initiatieven die vallen onder trede 3 worden beleidsmatig als ongewenst beschouwd. De werking van de zonneladder en de invulling van de treden van de Zonneladder sluit daarmee aan op het coalitieakkoord voor gemeente Noardeast-Fryslân 2019-2022, waarin gesteld is dat de coalitie bij voorkeur geen zonnepanelen zien op goede landbouwgrond, maar dat voor zonnepanelen eerst de daken zoveel mogelijke benut zullen worden. Qua maximale opwekcapaciteit geldt dat die voor trede 0 (daken) in beginsel onbeperkt is. Voor de overige treden is de basisregel dat de maximale opwekcapaciteit afhankelijk is van de energiebehoefte ter plaatse. Voor een ligging binnen BSG is dat in beginsel de energiebehoefte van dat BSG (voor elk BSG in NoardeastFryslân en Dantumadiel is in bijlage 1 het maximaal toegestane oppervlakte weergegeven). Een uitzondering geldt voor woonpercelen binnen het BSG. Hier wordt de opwek –vanwege het garanderen van een acceptabel woon- en leefklimaat- beperkt tot de eigen energiebehoefte van dat woonperceel. Voor een ligging in het landelijk gebied nabij BSG (zonder koppeling met een bouwperceel) geldt eveneens de energiebehoefte van dat BSG, waarvoor bijlage 1 eveneens relevant is. Een uitzondering op de basisregel zijn de bijzondere locaties van trede 2. Deze locaties zijn niet kwantitatief qua opwekcapaciteit beperkt.
Beperkingen voor deze vorm volgen echter wel nadrukkelijk uit de kwalitatieve criteria (w.o. Zonneladder en landschappelijke aanvaardbaarheid). Voor een ligging in of aansluitend op een bouwperceel in het landelijk gebied geldt de energiebehoefte van dat bouwperceel als uitgangspunt (basisregel). Bij agrarische bouwpercelen en bedrijfsbouwpercelen is het een kwestie van maatwerk voor wat betreft de overproductie.
Visiekaart In aanvulling op de Zonneladder is voor Noardeast-Fryslân en Dantumadiel een Visiekaart ontwikkeld. Deze kaart maakt in basis inzichtelijk welke kansrijke locaties er zijn voor zonne-energie-initiatieven. Op de Visiekaarten worden de Bestaand Stedelijke Gebieden weergegeven om duiding te geven aan treden 1 en 2. Het resterende gebied is opgedeeld in de drie aanwezige landschapstypen van Noardeast-Fryslân en Dantumadiel: het Lauwersmeergebied, Kleigebied Oostergo en de Noordelijke Wouden. Via de specifieke landschapskenmerken behorende bij deze landschapstypen kan in meer of mindere mate de landschappelijke aanvaardbaarheid en inpassingsmogelijkheid voor zonnepanelenopstellingen worden beschreven. Deze indeling in landschapstypen is gebaseerd op het provinciale beleidsdocument ‘Grutsk op ‘e Romte’. Nu er voor Noardeast-Fryslân gemeentelijk ruimtelijk beleid wordt ontwikkeld in de vorm van een Landschapsbiografie, zal deze Landschapsbiografie, na vaststelling, Grutsk op ‘e Romte bijstaan als een meer uitgewerkte basis (meer detail) voor het landschappelijke toetsingskader voor zonneparken. Op enkele plekken zorgen de aanwezige landschaps- en natuurwaarden ervoor dat zonneenergieopstellingen uitgesloten zijn. Deze uitsluitingsgebieden zijn als zodanig op de visiekaart aangegeven. Een specifieke aanduiding op de visiekaart is aangebracht voor de weidevogelgebieden.
Hier geldt geen absolute uitsluiting, maar bovenop de voorwaarden die uit het betreffende landschapstype volgt, geldt hiervoor een aanvullende voorwaarde met betrekking tot het waarborgen van weidevogelwaarden (conform het provinciaal beleid). –7–
Participatie Een zorgvuldige, ruimtelijke inpassing van zonne-energie is niet het enige criterium binnen het huidige beleid. Ook dient er een zekere mate van maatschappelijk draagvlak te zijn voor initiatieven. Dit komt ook nadrukkelijk in het ‘coalitieakkoord voor gemeente Noardeast-Fryslân 2019-2022’ naar voren, waarin staat dat de Mienskip betrokken moet worden bij initiatieven en dat de opbrengsten deels moeten terugvloeien naar de gemeenschap. Bij treden 0 en 1 (behalve in het openbaar gebied) wordt er door de kleinere, ruimtelijke impact al bijgedragen aan maatschappelijk draagvlak. Echter, bij treden 2, 3 en een deel van trede 1 (openbaar gebied) hebben initiatieven een dusdanige impact op de Mienskip, dat er op andere manieren bijgedragen moet worden aan draagvlak. Enerzijds moet een initiatiefnemer bij dit soort (grootschalige) grondopstellingen inzetten op procesparticipatie. Dit houdt in dat inwoners al in het proces participeren nog voordat het zonnepark wordt ingetekend. Het betrekken van de Mienskip zorgt ervoor dat verschillende invalshoeken, meningen en ideeën tijdig in beeld komen, wat kan bijdragen aan breder gedragen en kwalitatief hogere projecten. Qua proces hanteert de gemeente de uitgangspunten van de Sinnetafelmethodiek. De verantwoordelijkheid voor het betrekken van de Mienskip ligt bij de initiatiefnemer.
Op het gebied van procesparticipatie geldt voor initiatiefnemers een inspanningsverplichting. Bij onvoldoende inspanning kan de gemeente de vergunningsaanvraag weigeren. Anderzijds wordt inzet op financiële participatie gestimuleerd, tevens bij trede 2, 3 en een deel van trede 1 (openbaar gebied). Anders dan bij procesparticipatie geldt voor financiële participatie vanwege wettelijke restricties geen inspanningsverplichting. Echter, in het Klimaatakkoord en in de ‘Gedragscode zon op land’ hebben partijen afgesproken inzet op financiële participatie te verwelkomen. De gedachte dat omwonenden de mogelijkheid krijgen om financieel te investeren en daarmee mee te profiteren staat centraal. Wanneer de lokale omgeving niet akkoord gaat met de voorgestelde vorm van financiële participatie, dan kan de gemeente aansturen op extra inspanning, refererend naar bovenstaande documenten. De gemeente zet in het bijzonder in op twee vormen van financiële participatie. Ten eerste kan een initiatiefnemer de mogelijkheid tot lokaal eigendom verkennen. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat 50% van de productie van een zonnepark in handen komt van de lokale omgeving. Hoewel hier lokaal van mag worden afgeweken, streven de gemeenten hier wel naar.
Wanneer er niet volledig voldaan wordt aan 50% lokaal eigendom, dan zal de initiatiefnemer een financiële bijdrage moeten storten in een omgevingsfonds. Vanwege schaalvoordelen leveren grotere zonneparken meer winst op. Om die reden zal de bijdrage aan het omgevingsfonds relatief groter worden naarmate het initiatief groter is (zie paragraaf 5.3.2. voor de exacte bedragen). Belangrijk is dat het aandeel lokaal eigendom van de bijdrage aan het omgevingsfonds mag worden afgetrokken. Op die manier is er voor de initiatiefnemer een duidelijke drijfveer om in te zetten op lokaal eigendom. De vermelde bedragen dienen als nadrukkelijk uitgangspunt voor de onderhandelingen tussen de lokale omgeving en de ontwikkelaar. De uitkomsten hiervan dienen te worden vastgelegd in een omgevingsovereenkomst. Ook de afspraken op het gebied van procesparticipatie worden hierin vastgelegd. Met het ondertekenen van de omgevingsovereenkomst voldoet een initiatiefnemer automatisch aan de inspanningsverplichting. De ontwikkelaar legt in een participatieplan vast hoe het inzet op zowel proces- als financiële participatie. De initiatiefnemer is vrij in de manier waarop het de Mienskip wil betrekken (bv. informatiebijeenkomsten of deur-aan-deur). Waar nodig zal de gemeente toehoorder zijn in dit soort processen.
Voordat een initiatief kenbaar wordt gemaakt, gaat de gemeente met de ontwikkelaar om tafel om een plan van aanpak rond participatie te bespreken. Indien de gemeente akkoord gaat met het plan van aanpak, dan wordt dit vastgelegd in een intentieovereenkomst. Deze overeenkomst is tussen de gemeente en de initiatiefnemer en staat dus los van de omgevingsovereenkomst. De inspanningsverplichting houdt in dat de gemeente alleen de mate van inspanning kan toetsen. De mate van draagvlak vormt geen criterium, zolang het niet gekoppeld is aan ruimtelijke gronden. Zoals eerder genoemd voldoet een initiatiefnemer aan de inspanningsverplichting met het ondertekenen van de omgevingsovereenkomst.
Meervoudig ruimtegebruik In het kader van efficiënt en zorgvuldig ruimtegebruik worden vormen van meervoudig ruimtegebruik extra toegejuicht. Wel dient bij de afweging voor mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik nadrukkelijk rekening gehouden te worden met de landschappelijke inpasbaarheid. Initiatieven in treden 2 en 3, en trede 1 voor zover dat ziet op openbaar gebied, moeten zijn voorzien van een analyse naar mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik, rekening houdend met het landschappelijk inpassingskader en de functionele mogelijkheden voor meekoppeling. Op het gebied van meervoudig ruimtegebruik is er speciale aandacht –8–
voor biodiversiteit. Voor initiatieven in het landelijk gebied geldt als extra vereiste dat de biodiversiteit moet worden versterkt.
Netcapaciteit Vanwege de eventuele beperkende werking van de beschikbare netcapaciteit dient een initiatiefnemer voor een zonne-energieinitiatief vroegtijdig af te stemmen met andere initiatiefnemers en met de netbeheerder om de haalbaarheid/uitvoerbaarheid duidelijk te hebben. Bij indiening van een initiatief bij de gemeente moet blijk zijn gegeven dat het voorgenomen project uitvoerbaar is (afstemming met netbeheerder aantoonbaar).
Tot slot Bovengenoemde beleidsonderdelen vormen tezamen de voeding voor een integrale beoordeling van de gemeente met betrekking tot zonne-energieinitiatieven. In hoofdstuk 8 van het beleidskader is een haalbaarheidsschema weergegeven op basis waarvan via de verschillende beleidsonderdelen de kansen voor een beoogd zonne-energieinitiatief kunnen worden verkend c.q. ingeschat. Om meer duidelijkheid te geven in het gewenste proces met betrekking tot de ontwikkeling van zonne-energieinitiatieven, is in hoofdstuk 9 een processchema weergegeven.
–9–
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Over de afgelopen decennia is sprake van een groeiend besef dat men voor zijn energiebehoefte zijn basis moet leggen in hernieuwbare energiebronnen. Binnen de zogeheten ‘energiemix’ (verschillende vormen van hernieuwbare energieopwekking) kan zonne-energie gezien worden als een thema in opkomst. Duidelijk is dat deze vorm van duurzame energie een belangrijke bijdrage zal geven aan de totale energietransitie. Op verschillende overheidsniveaus worden en zijn op het thema van zonne-energie inmiddels ambities uitgesproken en bijbehorende uitvoeringsprogramma’s ontwikkeld. Ook op het niveau van Noardeast-Fryslân en Dantumadiel bestaat behoefte om bij te dragen aan deze ambities, en beleid te ontwikkelen op het gebied van zonne-energie. Deze behoefte wordt versterkt door het feit dat er de afgelopen periode al meerdere zonne-energie-initiatieven kenbaar zijn gemaakt bij de gemeente en om een zorgvuldig beoordelingskader vragen. Om deze redenen is deze beleidsnotitie opgesteld. Via deze beleidsnotitie wordt vorm gegeven aan de gemeentelijke (beleids)uitgangspunten omtrent opwekking van zonne-energie. Zonnepanelen op daken is een vorm van zonne-energieopwekking die tegenwoordig al vrij veel voorkomt en maatschappelijk (grotendeels) geaccepteerd lijkt te zijn.
Echter, om (voldoende) ruimte te geven aan het behalen van de gestelde zonne-energieopgave willen de gemeenten Noardeast-Fryslân en Dantumadiel ook zorgvuldig kijken naar mogelijkheden voor grondopstellingen van zonnepanelen. Deze beleidsnotitie behandelt de gemeentelijke kaders voor zowel dakopstellingen als verschillende vormen van grondopstellingen.
1.2 Doelstelling Noardeast-Fryslân en Dantumadiel zijn voorstander van duurzame ontwikkelingen, ook in de vorm van opwekking van duurzame energie. Gelet op het feit dat een significant aandeel van de totale duurzaamheidsopgave door opwekking van zonne-energie gestalte zal (moeten) krijgen en het feit dat hier al velerlei concrete initiatieven voor zijn binnengekomen, wordt specifiek een breed afgestemd zonneenergiebeleid nagestreefd. Hiermee willen we onze ambities op het gebied van zonne-energie vormgeven en geven we binnen zorgvuldige kaders sturing en ruimte aan zonne-energieontwikkelingen. Het doel van voorliggend beleidsnotitie is zodoende tweeledig. - Primair geeft de beleidsnotitie een duidelijk beeld van het gemeentelijk beleid met betrekking tot het thema zonne-energie voor de gemeente Noardeast-Fryslân en de gemeente Dantumadiel. Dit beleid hangt in essentie sterk aan de gemeentelijke zonne-energieopgave die beide gemeenten voor zichzelf zien. - De geformuleerde beleidsuitgangspunten leiden vervolgens tot een concreet beoordelingskader voor bestaande en nieuwe initiatieven met betrekking tot zonne-energie (in het kader van een planologische afweging). Daarnaast is het geformuleerde beleid een opmaat voor het formuleren van nieuwe planologische regelingen (bestemmingsplannen c.q. omgevingsplan etc.) met betrekking tot het thema zonne-energie.
1.3 Beleidsafbakening Duidelijk is dat zonne-energie één component is binnen de bredere duurzaamheidscontext en dat de specifieke ambitie voor de opwekking van zonne-energie samenhangt met de bredere duurzaamheidsambities (de energiemix). Desalniettemin staat in deze beleidsnotitie het thema ‘zonne-energie’ centraal. Belangrijke reden hiervoor is dat, zoals gezegd, naar verwachting de opwekking van zonne-energie een nadrukkelijke bijdrage in de totale duurzaamheidsambitie zal (moeten) leveren. Dit volgt voornamelijk uit het feit dat er momenteel beperkte beleidsruimte is voor windenergie, en dat andere technieken voor opwekking van energie via hernieuwbare bronnen (nog) niet uitontwikkeld en/of (nog) niet toepasbaar zijn op grote schaal. Daarnaast worden momenteel voornamelijk duurzaamheidsinitiatieven met betrekking tot (grond)opstellingen van zonne-energie ontplooid binnen de gemeente, wat een extra aanleiding geeft om vooralsnog een stevige rol te zien voor zonne-energie.
– 10 –
Het gemeentelijk beleid volgt in hoofdlijnen het provinciaal beleid ten aanzien van zonne-energie (zie paragraaf 2.2). Onderhavige beleidsnotitie is daarmee vooral te beschouwen als een nadere gemeentelijke uitwerking van deze beleidslijn. In de uitwerking kan mogelijk behoefte blijven bestaan voor het ter hand nemen van het provinciaal beleid en nader overleg (op casusniveau) met de provincie.
1.4 Evaluatie De beleidsnotitie schetst de zonne-energieopgave voor beide gemeenten voor 2030 en 2050. Onderhavig beleid heeft in dat verband de horizon tussentijds op 2030 en uiteindelijk op 2050 gezet. Deze notitie betreft echter een beleidsinzet per 2021 vanuit de huidige tijdsgeest en inzichten en kan de komende jaren wijzigen, afhankelijk van de ontwikkelingen op duurzaamheidsvlak (de Regionale Energiestrategie en de energiemix). Het voornemen is dan ook om in ieder geval in 2030, 2040 en 2050 (of zoveel eerder indien gewenst) te monitoren in hoeverre de opgave is behaald, de opgave nog gehanteerd of juist bijgesteld moet worden en of de bijbehorende beleidsuitgangspunten gehandhaafd of gewijzigd moeten worden.
1.5 Leeswijzer In het volgend hoofdstuk (Hoofdstuk 2) wordt de gemeentelijke zonne-energieopgave voor NoardeastFryslân en Dantumadiel in beeld gebracht. Ook gaat dit hoofdstuk in op de rolopvatting van de gemeenten binnen de opgave. In hoofdstuk 3 volgt een uiteenzetting van vier te onderscheiden vormen van zonne-energieopwek (tredes). Voor elke opwekvorm worden de beleidsuitgangspunten benoemd, en via de zogenaamde ‘Zonneladder’ worden ze in hiërarchie geplaatst. Ook wordt in dit hoofdstuk de ‘visiekaart zonne-energie’ weergegeven. Deze kaart geeft aan welk ‘beoordelingsregime’ voor zonne-energie-initiatieven geldt., en maakt zo in basis inzichtelijk welke kansrijke locaties er zijn voor zonne-energie-initiatieven in Noardeast-Fryslân en Dantumadiel. In hoofdstuk 4 wordt het landschappelijk beoordelingskader nader besproken. Per landschapstype (zoals weergegeven op de visiekaart) wordt –met verwijzing naar bijlage 3- het kader voor landschappelijke aanvaardbaarheid en inpassing besproken. Hoofdstuk 5 gaat in op het aspect van ‘proces- en financiële participatie’ bij zonne-energie-initiatieven. Het belang van maatschappelijk draagvlak en participatie wordt gekoppeld aan de in hoofdstuk 3 uitgesplitste ruimtelijke vormen (tredes) van zonne-energieopwek.
In hoofdstuk 6 wordt het aspect ‘meervoudig ruimtegebruik’ bij zonne-energieopwek behandeld, bovenal als inspiratie voor de planvorming van zonne-energie-opwek, maar tevens als medebepaler in de totaalbeoordeling van zonne-energieinitiatieven. Hoofdstuk 7 bespreekt de technische voorwaarden en kanttekeningen die gepaard gaan met zonneenergieopwekking. In hoofdstuk 8 is tot slot een stroomschema opgenomen op basis waarvan een initiatiefnemer snel de kansen voor zijn/haar zonne-energieinitiatief kan inschatten en de relevante beleidsuitgangspunten met betrekking tot dat initiatief tot zich kan nemen. In onderliggend beleidsnotitie zijn, waar mogelijk, concreet geformuleerde beleidsuitgangspunten expliciet zichtbaar gemaakt door plaatsing in een groen kader.
– 11 –
2 Opgave zonne-energie voor Noardeast-Fryslân en Dantumadiel 2.1 Inleiding Wat is eigenlijk de opgave waar Noardeast-Fryslân en Dantumadiel voor staan ten aanzien van duurzame energie en in het bijzonder zonne-energie? In dit hoofdstuk wordt op basis van de internationale, nationale, provinciale en gemeentelijke ambities met betrekking tot duurzame energie, en gelet op onze eigen energiebehoefte voor nu en in de toekomst, de gemeentelijke duurzaamheidsopgave voor NoardeastFryslân en Dantumadiel bepaald. Aan de hand van een reëel zonne-energiepercentage binnen de energiemix wordt vervolgens de zonne-energieopgave voor Noardeast-Fryslân en Dantumadiel in beeld gebracht. Ook gaat dit hoofdstuk in op de rolopvatting van de gemeenten binnen deze opgave.
2.2 Contextbepaling Internationaal en nationaal Nederland heeft in 2015 het ‘Klimaatakkoord van Parijs’ ondertekend, met als hoofddoel de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 2 graden Celsius. Vervolgens heeft het kabinet in 2019 het nationale Klimaatakkoord aangeboden aan de Tweede Kamer. Met de invoering van de Klimaatwet hebben gemeenten de wettelijke taak gekregen om de opwarming van de aarde tegen te gaan. De Klimaatwet heeft als doel om in 2030 de CO2-uitstoot met 49% te reduceren en om in 2050 95% van de uitstoot te reduceren ten opzichte van 1990. Belangrijke component daarin is het terugdringen van het gebruik van fossiele brandstoffen, aangezien dit een belangrijke oorzaak is van de overmatige CO2-uitstoot. In plaats daarvan stappen we over naar duurzame vormen van energie, zoals zonne-energie. Gemeenten hebben een belangrijke taak in deze energietransitie. Duurzame vormen van energie hebben over het algemeen een lagere energiedichtheid dan fossiele energie. Zonne-energie en windenergie nemen simpelweg meer ruimte in en moeten dus goed ruimtelijk ingebed worden. Deze ruimtelijke inbedding wordt op regionaal en decentraal niveau ingevuld via de Regionale Energie Strategieën (RES)1. Het hoofddoel van de RES is om landelijk 35 TWh aan duurzame opwek te realiseren in 2030.
Het betreft alleen de duurzame energie op land en alleen de grootschalige projecten, d.w.z. projecten met een groter vermogen dan 15 kWp (meer dan 50 zonnepanelen). Binnen de RES geldt de provincie Friesland als één regio. Noardeast-Fryslân en Dantumadiel werken samen met alle andere Friese gemeenten, Wetterskip, de netbeheerders, de provincie en maatschappelijke partijen aan een Fries bod voor 2030. De opgave die Noardeast-Fryslân en Dantumadiel rest, is dus sterk afhankelijk van de Friese ambities binnen de RES. In Friesland hebben we echter met elkaar afgesproken dat we zoveel mogelijk van onderop willen werken. De Friese ambitie is om die reden ook niet van bovenaf bepaald. In plaats daarvan zijn alle Friese gemeenten gevraagd om met hun eigen ambitie te komen. NoardeastFryslan en Dantumadiel hebben beide een ambitie vastgesteld voor 2030 (zie paragraaf 2.3). Omdat duurzame vormen van energie dus ruimtelijk ingepast moeten worden, heeft de Rijksoverheid al in de Klimaatagenda (oktober 2013, actielijn 6) aan gemeenten en provincies gevraagd om hun ‘toetsingskaders voor vergunningverlening aan te passen’ en om ‘in hun ruimtelijke plannen voldoende ruimte voor hernieuwbare energie op te nemen’, en aldus de integrale afweging te maken tussen energie en andere functies. Een goede, integrale afweging is precies het doel van het huidige beleidskader.
Provinciaal De provincie Fryslân heeft haar beleidsuitgangspunten rond zonne-energie al vormgegeven in de beleidsnotities ‘Sinnestroom 2012-2015’, ‘Romte foar Sinne’ (2015) en ‘Sinnefjilden yn it lânskip’ (2017), met een vertaling daarvan in de Verordening Romte.
•
1
RES - Hierin moet duidelijk worden hoe invulling gegeven wordt aan de opgave hernieuwbare elektriciteitsproductie op land. Deze methode biedt regio Friesland de mogelijkheid om samen met stakeholders de ruimtelijke opgave lokaal in te passen. Daarbij wordt een afweging gemaakt tussen betrouwbaarheid en betaalbaarheid van de energievoorziening, ruimtelijke kwaliteit en andere (lokale) overwegingen.
– 12 –
De meest recente beleidsopvattingen van de provincie worden bepaald door het ‘Bestuursakkoord 20192023, ‘Vernieuwen in vertrouwen, Geluk op 1’ en de op 16 september 2020 vastgestelde omgevingsvisie ‘De Romte Diele’. Een vertaling hiervan is op verordeningsniveau doorgevoerd via de Ontwerpwijziging Verordening Romte (zon). Uiteindelijk dienen de beleidshoofdpunten tevens een plek te krijgen in de toekomstige omgevingsverordening onder de Omgevingswet. In voornoemde beleidsdocumenten sluit de provincie met haar ambitie aan bij de provinciale Beleidsbrief Duurzame Energie 2017, het nationale Klimaatakkoord en het Klimaatakkoord van Parijs 2015: - 100% onafhankelijk van fossiele brandstoffen in 2050; - 49% CO2-reductie in 2030 ten opzichte van 1990. Qua aanpak wil de provincie allereerst inzetten op energiebesparing: voor 2030 wordt 25% energie bespaard ten opzichte van 2010. De resterende energiebehoefte zal vervolgens stapsgewijs duurzaam opgewekt moeten worden: 33% in 2030 en 100% in 2050. De provincie stelt dat dit voor de komende 20 tot 30 jaar veel inspanningen vergt van allerlei partijen. Alleen door samen te werken kun een fossielvrij scenario behaald worden. Deze samenwerking wordt nadrukkelijk opgezocht in de RES. Een belangrijk aspect voor de provincie is het behoud van het karakter van het Friese landschap.
Er wordt zodoende met name gericht op vormen van duurzame energieopwekking die weinig of geen effect op het landschap hebben en weinig of geen overlast veroorzaken. Ook het behoud van goede landbouwgrond is een belangrijk thema binnen provinciaal beleid. Bij zonne-energie leiden verschillende vormen van opwek tot een verschillende ruimtelijke impact. Om die reden heeft de provincie een Zonneladder geïntroduceerd, waarbij lagere treden op de ladder vormen van opwek betreffen die een kleinere ruimtelijke impact hebben en dus geprefereerd worden. Als uitgangspunt geldt: zonnepanelen eerst op daken en gevels van gebouwen. Het inpassen op daken en gevels draagt niet alleen bij aan het combineren van functies. Omdat hier al sprake is van bebouwing, zal het introduceren van zonnepanelen op deze plekken doorgaans minder invloed hebben op de kenmerken of identiteit van een gebied. Om dezelfde reden hebben daarna onbenutte terreinen in bebouwd gebied de voorkeur. Om de gestelde energiedoelen te halen, kan blijken dat ook locaties in het landelijk gebied nodig zijn. Ook in dat geval worden slimme functiecombinaties geprefereerd.
Hoewel natuur en landbouwgebieden niet volledig worden uitgesloten, ligt de voorkeur bij gronden met een andere primaire functie dan landbouw of natuur, zoals waterzuiveringsinstallaties, (voormalige) afvalstorten afvalverwerkingslocaties, binnenwateren of areaal in beheer van de provincie of het Rijk (zoals Rijkswaterstaat, ProRail en andere beheerorganisaties), waaronder waar mogelijk bermen van spoor- en autowegen. Ten slotte kunnen mogelijkheden bij kernen worden onderzocht. Naast het werken met de Zonneladder streeft de provincie naar de inzet van een Sinnetafel. De Sinnetafel (Zonnetafel) is een werkwijze waarbij alle partijen die een belang vertegenwoordigen rondom de ontwikkeling van een zonneveld, voorafgaand met elkaar om tafel gaan om te komen tot de juiste locatiekeuze, te werken aan acceptatie, te komen tot een integrale oplossing waarin alle belangen samenkomen en ten slotte het initiatief vervolgens gezamenlijk verder te brengen. Het betrekken van de omgeving en de mogelijkheden creëren om te participeren (bijvoorbeeld financiële participatie) zijn voor de provincie een voorwaarde voor succesvolle ontwikkelingen. Bovenstaande beleidspunten zijn doorgevoerd in de artikelen van de Verordening Romte via de Ontwerpwijziging Verordening Romte (zon). Naast het opnemen van de Zonneladder zijn onderdelen van de gedragscode op wind (participatie, locatiekeuze d.m.v.
een Sinnetafel, benutten koppelkansen) verwerkt en is een normering gekoppeld aan de kernenstructuur in de regeling opgenomen.
2.3 Gemeentelijke opgave Zoals eerder genoemd werken Noardeast-Fryslân en Dantumadiel gezamenlijk met alle andere Friese gemeenten, Wetterskip, de netbeheerders, de provincie en maatschappelijke partijen aan een Friese Regionale Energiestrategie (RES). In het kader van de RES zijn alle gemeenten gevraagd om met een ambitie voor duurzame energie voor 2030 te komen, zodat de Friese ambitie van onderop wordt opgebouwd. De gemeenteraden van zowel Noardeast-Fryslân als Dantumadiel hebben ervoor gekozen om een ambitie voor 2030 vast te stellen. In beide gemeenten is dezelfde (maar wel van elkaar losstaande) ambitie vastgesteld, namelijk:
– 13 –
In 2030 wekken de gemeenten Noardeast-Fryslân en Dantumadiel 70% van de benodigde elektriciteit op een duurzame wijze op . Deze ambitie focust zich dus alleen op elektriciteit, en niet op de totale energie. Elektriciteit is namelijk tot 2030 makkelijker te verduurzamen dan bijvoorbeeld warmte-energie. Het is ook één van de goedkoopste manieren om CO2 te besparen. Voor dit beleidskader heeft deze ambitie bovendien het voordeel dat de opgave voor zonne-energie zich gemakkelijker laat doorrekenen. Noardeast-Fryslân en Dantumadiel hebben voor de langere termijn, voor 2050, nog geen ambitie vastgesteld. Nationaal en provinciaal is wel een ambitie vastgesteld, namelijk energieneutraal in 2050. Dit houdt in dat de benodigde energie ook daadwerkelijk binnen de nationale of provinciale grenzen en op een duurzame wijze wordt opgewekt. Omdat het voor dit beleidskader nuttig is om voor beide gemeenten wel een ijkpunt voor 2050 op te nemen, wordt hier aangenomen dat Noardeast-Fryslân en Dantumadiel in 2050 hun eigen energiebehoefte binnen de gemeentegrenzen opwekken. Het gaat hier dus om een ijkpunt. Hier is verder geen bestuurlijke status aan verbonden.
Noardeast-Fryslân en Dantumadiel willen hun bijdrage leveren aan het behalen van de zonneenergieambities op internationaal, nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Om deze reden committeren wij ons aan de volgende ambities, zoals ook genoemd in de contextbepaling: - Gemeentelijk: in 2030 wordt 70% van de benodigde elektriciteit duurzaam opgewekt. - Nationale en provinciale opgave: in 2050 is 100% van de totale energiebehoefte duurzaam opgewekt. Uit bovengenoemde ijkpunten kan vervolgens de opgave op het gebied van zonne-energie worden berekend. Hiervoor moeten aannames over energiebehoefte, besparing en het aandeel van zonne-energie in totale energiemix.
2.4 Wat verbruiken we in Noardeast-Fryslân en Dantumadiel aan energie? Onze duurzaamheidsopgave willen we graag koppelen aan ons eigen energieverbruik. Hier staan wij als gemeenten immers ook voor aan de lat om daarvan tijdig het afgesproken aandeel duurzaam op te wekken. Uit de Klimaatmonitor komen onderstaande gegevens ten aanzien van energieverbruik in onze gemeenten. Hierbij zijn alle sectoren meegeteld (gebouwde omgeving, verkeer en vervoer, industrie, energie, afval, water, landbouw, bosbouw en visserij). Energievraag 2018 Noardeast-Fryslân Dantumadiel
Totaal verbruik (in terajoules) 3.464 TJ 1.106 TJ
2.5 Wat kunnen we besparen aan energie? Energie die niet gebruikt wordt, hoeft ook niet opgewekt te worden. In Noardeast-Fryslân en Dantumadiel hanteren we de Trias Energetica. Allereerst zetten we in op energiebesparing, daarna vullen we de resterende energievraag zoveel mogelijk in met duurzame bronnen en de fossiele energie die ten slotte overblijft zetten we efficiënt in. Energiebesparing vormt dus een belangrijke, eerste stap. Naar verwachting worden er de komende jaren in toenemende mate energiebesparende maatregelen getroffen, zowel bij huishoudens als bij bedrijven. Derhalve is in de analyse - naast een scenario met 0% energiebesparing per jaar als ijkpunt - rekening gehouden met twee energiebesparende scenario’s, voor de periode tot 2050. Eén waarbij 1,5% energie per jaar bespaard wordt t.o.v. het voorgaande jaar (deze ambitie is vastgelegd in het Energieakkoord van 2013) en één waarbij 2% energie per jaar bespaard wordt t.o.v. het voorgaande jaar (plusmodel). Dit resulteert in de onderstaande ontwikkeling van de energiebehoefte.
– 14 –
Energiebehoefte in 2030 met besparingsscenario’s 0% energiebesparing 1,5% energiebesparing per jaar (tot 2030) per jaar (tot 2030) Noardeast-Fryslân 3.464 TJ 2.889 TJ Dantumadiel 1.106 TJ 923 TJ
2% energiebesparing per jaar (tot 2030) 2.718 TJ 868 TJ
Energiebehoefte in 2050 met besparingsscenario’s 0% energiebesparing 1,5% energiebesparing per jaar (tot 2050) per jaar (tot 2050) Noardeast-Fryslân 3.464 TJ 2.135 TJ Dantumadiel 1.106 TJ 682 TJ
2% energiebesparing per jaar (tot 2050) 1.815 TJ 579 TJ
Noardeast-Fryslân en Dantumadiel nemen voor de opgavebepaling de energiebesparingsafspraak van 1,5% per jaar uit het Energieakkoord als uitgangspunt.
2.6 Opgave zonne-energie voor ambitie 2030 De ambitie voor 2030 om 70% van de elektriciteit duurzaam op te wekken is al dusdanig concreet dat deze ambitie niet meer hoeft te worden gekoppeld aan de energievraag van 2030. Bij de vastgestelde ambitie is reeds doorgerekend hoeveel duurzame energie precies nodig is. De elektriciteitsvraag in 2030 bedraagt voor Noardeast-Fryslân en Dantumadiel 510 TJ en 121 TJ. De tabel hieronder toont wat het verwachte aandeel van zonne-energie zal zijn in 2030. We gaan er hierbij vanuit dat de volledige resterende opgave voor opwek van duurzame elektriciteit door zonne-energie wordt ingevuld. De verwachting is namelijk dat er vanwege het huidige, provinciale beleid weinig ruimte zal zijn voor windenergie. In de ambitie is ook al een verdeling gemaakt in kleinschalige en grootschalige opwek. Bij kleinschalige opwek gaat het om zonnedaken met een vermogen van minder dan 15 kWp. Dit zijn zo’n 50 zonnepanelen. Grootschalige opwek betreft dus alle zonnedaken en zonnevelden van meer dan 50 panelen.
Zonne-energie 2030 Aandeel Gerealiseerd zonne-energie vermogen 2018 + pijplijn Noardeast- 402 TJ Fryslân Dantumadiel 114 TJ
Resterende opgave
Verwachte kleinschalige opwek
Resterende grootschalige opwek
121 TJ
281 TJ
67 TJ
214 TJ
14 TJ
100 TJ
25 TJ
75 TJ
2.7 Opgave zonne-energie voor ijkpunt 2050 Bij de ambitie voor 2030 is reeds goed in kaart te brengen wat het aandeel zonne-energie wordt. Bij de opgave voor 2050 moet een aantal extra aannames worden gedaan. De belangrijkste aanname is die van het aandeel zonne-energie in de totale energiemix. De Klimaatmonitor schat dat in 2050 de energiemix voor 60% uit elektriciteit bestaat. Hiervan zal de helft uit zonne-energie en de andere helft uit windenergie bestaan. Dit betekent dus dat 30% van de totale energievraag zal gaan bestaan uit zonne-energie. Noardeast-Fryslân en Dantumadiel hanteren vooralsnog ditzelfde uitgangspunt. Dit uitgangspunt vergt echter wel dat er na 2030 meer ruimte komt voor windenergie (of andere technieken die zich in tussentijd ontwikkelen). Zo niet, dan zal het aandeel zonne-energie groter moeten worden. In het meest extreme geval, als alle duurzame elektriciteit gewonnen moet worden uit zonne-energie, dan zullen de hieronder genoemde opgaven dus nog verdubbelen. Vooralsnog hanteren we die 30%. Mocht later blijken dat dit te laag is ingeschat, dan zal dit beleidskader worden aangepast op de voortschrijdende inzichten.
– 15 –
Zonne-energie 2050
Noardeast-Fryslân Dantumadiel
Energievraag 2050
30% aandeel zonne-energie
2.135 TJ 682 TJ
641 TJ 205 TJ
Gerealiseerd vermogen + pijplijn 121 TJ 14 TJ
Restopgave tot 2050 520 TJ 191 TJ
2.8 Opgave verder in beeld gebracht De bovengenoemde zonne-energieopgave voor 2030 en 2050 zegt nog niet zoveel als het in terajoules is uitgedrukt. Om een beter beeld te krijgen is de opgave doorgerekend in benodigde aantal hectares. Voor deze berekening hebben wij de volgende aannames gedaan: - 1 TJ staat gelijk aan 277,78 MWh - In algemeenheid kan gesteld worden dat op 1 hectare grond of dak maximaal 1 MW aan zonneenergie kan worden gerealiseerd - In Nederland rekent men doorgaans met 875 vollasturen. Dit betekent dat de zonnepanelen 875 uur in het jaar elektriciteit opwekken. 1 MW is dus 875 MWh. - Daaruit volgt dat: 1 hectare zon = 1 MW = 875 MWh = 3,15 TJ Indicatief beeld van de zonne-energieopgave tot 2030 Opgave voor 2030 (TJ) Noardeast-Fryslân + 214 TJ Dantumadiel + 75 TJ
Hoeveel extra ha aan zonnepanelen? + 68 ha + 24 ha
Indicatief beeld van de zonne-energieopgave tot 2050 Opgave voor 2050 (TJ) Noardeast-Fryslân + 520 TJ Dantumadiel + 191 TJ
Hoeveel extra ha aan zonnepanelen? + 165 ha + 61 ha
Ter illustratie: - Noardeast-Fryslân heeft een oppervlak van 51.640 ha (37.470 ha. land). - Dantumadiel heeft een oppervlak van 8.753 ha (8.541 ha. land). In de afbeelding hieronder is voor zowel Noardeast-Fryslân als Dantumadiel indicatief de omvang van de restopgave weergegeven. Op deze manier valt ruimtelijk in te schatten wat precies de verhouding is tussen deze restopgave en de grootte van de gemeente. Zoals eerder genoemd is voor de ambitie voor 2030 al een onderscheid gemaakt tussen kleinschalige en grootschalige opwek. De kleine zonnedaken zijn daar dus al vanaf getrokken. Bij de geschetste hectares voor 2050 moet de kanttekening geplaatst worden dat hier de kleinschalige daken nog bij in zitten. Een deel van de opgave landt dus niet op grootschalige zonnevelden of zonnedaken, waardoor de impact kleiner is. Tegelijkertijd kan het aandeel zonne-energie in 2050 (30% van de totale mix) groter worden dan dat we nu verwachten. Hierdoor zouden er dus meer hectares zon nodig zijn dan dat we nu verwachten.
– 16 –
2.9 Welk deel van de opgave kan worden behaald bij volledige benutting van geschikte daken? Het Nationaal Programma Regionale Energiestrategie heeft data beschikbaar gesteld betreffende het potentiële opwekvermogen van zonne-energie op daken. Hoewel deze data alleen op provinciaal beschikbaar zijn, kan er alsnog een betrouwbare doorrekening worden gemaakt specifiek voor de gemeenten Noardeast-Fryslân en Dantumadiel, omdat de karakteristieken van de gemeenten grotendeels overeenkomen met de rest van Fryslân. De potentie van zon op dak is opgedeeld in een minimale en maximale potentie. Bij de minimale potentie wordt uitgegaan van een autonome groei van zon op dak, dus zonder een stimulans van beleid. Bij de maximale potentie wordt uitgegaan van 60% van het geschikte daken, omdat een dergelijk aandeel van de daken constructief geschikt is voor zonne-energie. Dit resulteert in de volgende potenties: Potentieel opwekvermogen op dak (TJ) Minimale potentie Noardeast-Fryslân 183 TJ
Maximale potentie 342 TJ
Restopgave 2050 520 TJ
Dantumadiel
119 TJ
191 TJ
68 TJ
Zowel de minimale als de maximale potentie van zon op dak is kleiner dan de restopgave tot 2050. Dit impliceert dat de zonne-energieopgave niet geheel kan worden gerealiseerd op de daken. Om de duurzaamheidsopgaven te realiseren zullen er dus ook gronden benut moet worden voor de opwek van zonne-energie. Adequaat, ruimtelijk beleid is dus nodig. Desalniettemin kan een aanzienlijk aandeel van de opgave op daken worden gerealiseerd. Daarbij verwachten we meer op te wekken dan de minimale potentie, omdat zon op dak actief wordt gestimuleerd in Noardeast-Fryslân en Dantumadiel. Zo zijn er in – 17 –
ANNO-verband projecten uitgerold voor o.a. zon op dak bij woningen, MKB en maatschappelijke gebouwen. Daarnaast wordt er in de gemeenten zelf een ‘programmatische aanpak Energietransitie’ uitgerold, waarin met name zon op daken van woningen en maatschappelijk vastgoed gestimuleerd wordt. Uitgangspunt is dus dat we zoveel mogelijk op de daken realiseren, maar dat we tegelijkertijd ook de noodzaak voor zon op grond inzien.
2.10 Welke rol ziet de gemeente voor zichzelf binnen de opgave? Binnen de duurzaamheidsopgave ziet Noardeast-Fryslân en Dantumadiel voor zichzelf de volgende rol weggelegd:
-
-
De gemeenten Noardeast-Fryslân en Dantumadiel willen zo weinig mogelijk zonne-energieinitiatieven op voorhand uitsluiten, maar op basis van ruimtelijke en maatschappelijke aanvaardbaarheid maatwerk leveren en evenwichtig beleid voeren. Door beleidsmatig mogelijkheden te bieden voor zonne-energie-initiatieven is de verwachting dat een belangrijke bijdrage aan de ambitie voortkomt vanuit de particuliere markt. De gemeenten Noardeast-Fryslân en Dantumadiel nemen bovenal een faciliterende rol in. Initiatiefnemers moeten vooral zelf een passend initiatief kunnen presenteren.
2.11 Wet Bibob De toenemende aandacht voor duurzame vormen van energieopwekking, in het bijzonder (grote) zonneparken, zorgt voor een mogelijk nieuw werkveld voor personen die zich bezighouden met georganiseerde criminaliteit. In een groeiende en economisch interessante markt is het risico op subsidiefraude, belastingfraude en/of uiteindelijk gedupeerde particuliere investeerders aanwezig. Ondanks dat de verduurzaming van energieopwekking en daarmee het ontstaan van initiatieven voor zonne-energieopwek een toe te juichen ontwikkeling is, vinden Noardeast-Fryslân en Dantumadiel het ook van belang om waakzaam te blijven op mogelijk ondermijnende risico’s die deze nieuwe markt met zich mee kan brengen. Om die reden zal de gemeente als volgt handelen, zoals ook in haar eigen Bibob-beleid is vastgelegd:
-
-
De gemeenten Noardeast-Fryslân en Dantumadiel toetst aan de Wet Bibob bij binnenkomende aanvragen voor omgevingsvergunningen (bouwen), bij verkoop van gemeentelijke grond en bij erfpacht ten aanzien van de realisatie van grondgebonden zonnepanelen c.q. zonneparken. Van initiatiefnemer(s) wordt door de gemeente gevraagd het Bibob-formulier in te vullen. Dit formulier wordt in eerste aanleg door de gemeente getoetst (eigen onderzoek). Uit dit eigen onderzoek kan de noodzaak blijken om de toets door de zetten naar het landelijk bureau Bibob.
Door de inzet van de wet Bibob kan inzicht verkregen worden in de zeggenschap en wijze van financiering van het betreffende zonne-energieinitiatief. Op deze wijze wordt voorkomen dat de gemeente als overheid eventuele misstanden faciliteert.
– 18 –
3 Visie op zonne-energie 3.1 Zonneladder Opwekking van zonne-energie kan ruimtelijk in verschillende vormen plaatsvinden. We onderscheiden: - in de ‘bebouwde context’: o Gebouwgebonden zonnepanelen (dakopstellingen); o Grondgebonden zonnepanelen binnen Bestaand Stedelijk gebied of op bestaande bouwpercelen in het landelijk gebied; - in de ‘landschappelijke context’: o Grondgebonden zonnepanelen in het landelijk gebied: nabij Bestaand Stedelijk gebied, direct in aansluiting op bestaande bouwpercelen in het landelijk gebied, op bijzondere locaties (niet agrarisch of natuur) en langs infrastructuur; o Grondgebonden zonnepanelen op overige locaties in het buitengebied/landschap. Vanzelfsprekend bestaat tussen bovengenoemde vormen verschil in de mate van ruimtelijke en maatschappelijke impact en daarmee acceptatie/wenselijkheid. De beoordeling van een concreet initiatief is daarmee sterk afhankelijk van de gekozen locatie. Bij de beoordeling van zonne-energieinitiatieven wordt de zogenaamde ‘Zonneladder’ gehanteerd. De gemeente beoordeelt waar een initiatief thuis hoort op de Zonneladder. De Zonneladder brengt hiërarchie aan in het beoordelen van de geschiktheid van locaties: pas wanneer locaties op een lagere trede van de ladder voor een bepaald initiatief niet voldoende beschikbaar of geschikt zijn, komen locaties op een hogere trede in beeld.
Initiatiefnemers hebben zodoende een onderzoeks- en motiveringsplicht ten aanzien van de locatie van hun initiatief over het waarom dit initiatief niet gesitueerd kan worden op een locatie die meer wenselijk wordt geacht voor opwekking van zonne-energie.
– 19 –
3.1.1
Trede 0: Gebouwgebonden zonnepanelen (dakopstellingen)
Noardeast-Fryslân en Dantumadiel willen bewust omgaan met de beschikbare ruimte in de gemeente en de kansen voor zonne-energie. Daarom ligt de eerste voorkeur bij zonnepanelen op daken. Het wordt gezien als de optimale vorm van zorgvuldig ruimtegebruik. Door de aanwezigheid van bebouwing is de ruimtelijke impact van de zonnepanelen op het dak (in termen van ruimtebeslag) relatief klein. Deze optie is aantrekkelijk voor zowel huishoudens als bedrijven, omdat de plaatsing van zonnepanelen op daken veelal rendabel is. Over het algemeen is voor het plaatsen van zonnepanelen op een dak geen omgevingsvergunning nodig. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden: - De panelen worden op een dak geplaatst. - De panelen zijn geïntegreerd met de omvormer. Als dat niet het geval is, dan moet de omvormer binnen het betreffende gebouw worden geplaatst. - Komen de panelen op een schuin dak, dan: o mogen de panelen niet uitsteken en moeten ze aan alle kanten binnen het dakvlak blijven; o moeten de panelen in of direct op het dakvlak worden geplaatst; o moet de hellingshoek van de panelen hetzelfde zijn als die van het dakvlak waarop de panelen gemonteerd worden. - Komen de zonnepanelen op een plat dak, dan moeten de panelen minstens zo ver van de dakrand verwijderd blijven als de hoogte van de panelen.
Is de hoogte van de panelen bijvoorbeeld 50 centimeter, dan moet de afstand tot de dakrand(en) ook minimaal 50 centimeter zijn. Binnen de huidige vergunningsvrije regels wordt de opwekcapaciteit voor dakopstellingen niet beperkt: zolang er geschikt dakoppervlak is, kan vergunningsvrij via dakopstelling worden opgewekt. Dakopstellingen op gebouwen en bouwwerken kunnen zowel op particulier terrein of op openbaar gebied plaatsvinden. Denk bij dat laatste aan zonnepanelen op fietsenstallingen of parkeergarages. Voor monumenten en beschermd stads- of dorpsgezichten gelden aanvullende voorwaarden met betrekking tot vergunningsvrij bouwen. Met betrekking tot monumenten mogen -in aanvulling op bovengenoemde regels- zonnepanelen op het dak uitsluitend zonder omgevingsvergunning voor de Waboactiviteiten ‘planologisch strijdig gebruik‘ en ‘Bouwen’ geplaatst worden voor zover het plaatsvindt in, aan of op een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft, of bij een monument.
Wel is voor de Wabo-activiteit ‘wijzigen rijksmonument’ ((artikel 2.1, lid 1 onder f van de Wabo) een omgevingsvergunning benodigd en kan voor de Wabo-activiteit ‘wijzigen gemeentelijk monument of provinciaal monument’ (artikel 2.2, lid 1 onder b van de Wabo) een omgevingsvergunning benodigd zijn, afhankelijk van of deze vergunningsplicht in de gemeentelijke of provinciale erfgoedverordening is opgenomen. Ten aanzien van de Wabo-activiteit m.b.t. wijzigingen rijksmonument geldt dat onlangs door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed is aangegeven dat het wel of niet zichtbaar zijn van zonnepanelen niet langer een beslissend criterium is, maar wel de mate waarin het beeld van het monument eventueel wordt verstoord. Daardoor kan onder voorwaarden vaker positief geadviseerd worden over zonnepanelen die zichtbaar zijn vanaf publiek toegankelijk gebied. Deze benaderwijze sluit aan op de bovengenoemde vergunningsvrije regel voor de Wabo-activiteiten ‘planologisch strijdig gebruik’ en ‘bouwen’.
Met betrekking tot beschermde stads- of dorpsgezichten mogen -in aanvulling op bovengenoemde regelszonnepanelen op het dak uitsluitend zonder omgevingsvergunning voor de Wabo-activiteiten ‘planologisch strijdig gebruik’ en ‘bouwen’ geplaatst worden voor zover het betrekking heeft op een verandering van de achtergevel of het achterdakvlak, mits die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd. Voor zover dit niet aan de orde is, geldt in beginsel een omgevingsvergunningsplicht voor i.i.g. ‘bouwen’. Voor zover dakopstellingen niet vergunningsvrij zijn, gelden de regels van het betreffende bestemmingsplan. Bij deze toetsing spelen de bestemmings- en bouwregels een rol, waaronder de eis dat de opwekcapaciteit ten dienste moet staan aan de geldende bestemming. Voor beschermde stads- en dorpsgezichten gelden specifieke regels in het bestemmingsplan. Voor zover het initiatief niet vergunningsvrij is of met recht in het bestemmingsplan mogelijk is, wordt dit beleidskader relevant. Beleidsmatig volgen wij de vergunningsvrije mogelijkheden c.q. de mogelijkheden
– 20 –
die reeds in de bestaande bestemmingsplannen worden geboden. Via deze wegen wordt voldoende ruimte gegeven om dakopstellingen te realiseren.
Beleidsuitgangspunten trede 0: - Meest gewenste vorm van opwekking zonne-energie vanwege zorgvuldig/ meervoudig ruimtegebruik, beperkte ruimtelijke impact en grote mate van maatschappelijke acceptatie; - Alleen voor zover het initiatief niet vergunningsvrij is of niet met recht in het bestemmingsplan mogelijk is, is dit beleidskader relevant. Wij volgen de ruime vergunningsvrije mogelijkheden, en in tweede instantie de mogelijkheden die reeds in de bestaande bestemmingsplannen worden geboden. - Voor zover niet vergunningsvrij en het bestemmingsplan het niet met recht of bij binnenplanse afwijking toelaat, worden beleidsmatig dakopstellingen in beginsel uitgesloten in ‘beschermde stads- en dorpsgezichten’, en op aangewezen ‘(rijks)monumenten’ en karakteristieke bouwwerken (monumentale en cultuurhistorische waarde bepalend voor een eventuele maatwerkbeoordeling).
3.1.2
Trede 1: Grondgebonden zonnepanelen binnen Bestaand Stedelijk gebied of op bestaande bouwpercelen in het landelijk gebied
Met de term ‘Bestaand Stedelijk Gebied’ (hierna: BSG) wordt in deze beleidsnotitie bedoeld: ‘het gebied dat de bestaande of bij bestemmingsplan toegelaten en voorziene woon- of bedrijfsbebouwing waaronder mede begrepen de daarbij behorende openbare voorzieningen en verkeersinfrastructuur van een kern bevat, zoals begrensd op de bij de provinciale Verordening Romte deel uitmakende kaarten ‘Begrenzing bestaand stedelijk gebied’. Deze definitie is daarmee gelijk aan de provinciale definitie van deze term. Veelal betreft het BSG de bebouwde kommen van de kernen. Met de term ‘landelijk gebied’ bedoelen we in dit verband het gehele gebied dat niet als BSG is aan te merken. Met ‘bouwpercelen’ doelen we op ‘een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge het bestemmingsplan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten’. Dit laatste kunnen ook nog onbebouwde of braakliggende bouwpercelen betreffen. In navolging op zonnepanelen op daken kunnen ook zonnepanelen als grondopstelling (op stellages) binnen Bestaand Stedelijk Gebied of op bestaande bouwpercelen in het landelijk gebied als wenselijk worden beschouwd. Aangezien het in deze variant wel zichtbaarder kan zijn en leidt tot meer ruimteslag ten opzichte van dakopstellingen, wordt deze variant op de Zonneladder op trede 1 gezet (i.p.v. trede 0).
Een grondopstelling van zonnepanelen straalt een zeker industrieel/bedrijfsmatig karakter uit. Binnen BSG is sprake van een bebouwde context dat een dergelijke grondopstelling in beginsel ruimtelijk (nog) goed kan verdragen. Voor bestaande bouwpercelen in een landelijk gebied geldt ook dat hier ruimtelijk en planologisch (via het bestemmingsplan) sprake is van een gevormd afgebakend gebied met gebruiks- en bouwrechten waarbinnen grondopstellingen toelaatbaar zijn. Zonnepanelen als grondopstelling zijn niet vergunningsvrij. Zonnepanelen als grondopstelling zijn planologisch-juridisch te kwalificeren als ‘bouwwerken, geen gebouwen zijnde’. Gelet daarop zijn zonnepanelen, geplaatst op bouwpercelen, op basis van de huidige planologische regelingen in beginsel reeds toegestaan, mits het ten dienste staat aan de geldende bestemming. De eigen energiebehoefte op het bouwperceel geldt daarbij als de maximale maat voor de opwekcapaciteit van grondopstellingen. Eventueel gerealiseerde dakopstellingen (wat volgens de Zonneladder meer gewenst is) zorgen ervoor dat reeds een deel van de energiebehoefte ter plaatse is ingevuld, en geldt -tezamen met andere aanwezige duurzame energiebronnen- zodoende als aftrekpost van wat er vervolgens nog als grondopstelling gerealiseerd mag worden.
In het algemeen worden de plaatsingsmogelijkheden voor bouwwerken, gebouwen zijnde in de huidige bestemmingsplannen mede afhankelijk gesteld van hun gerichtheid naar openbaar gebied ten behoeve van een zorgvuldig straat- en bebouwingsbeeld (naar weg gekeerde bouwperceelsgedeelten kennen vaak – 21 –
beperkte(re) mogelijkheden). Bij de opstelling van de bestemmingsplannen zijn hier weloverwogen keuzes in gemaakt. Dit geldt eveneens voor de hoogtebeperking voor grondopstellingen (in de meeste bestemmingsplannen veelal beperkt tot 3m-5m). Binnen deze gemaakte afweging willen we ook de grondopstellingen binnen BSG en binnen landelijke bouwpercelen blijven faciliteren. Wij sluiten ons daarom beleidsmatig aan bij de huidige plaatsingsmogelijkheden op bouwpercelen (situering en hoogte) die de betreffende bestemmingsplannen bieden. Voor bedrijventerreinen geldt wel dat alleen braakliggende percelen kunnen worden benut voor grondopstellingen. Met bedrijventerreinen zijn naast ruimtelijke overwegingen ook belangen als werkgelegenheid gemoeid. Om deze belangen te behartigen, mogen alleen percelen met een ‘voldoende mate van braakliggendheid’ worden benut voor grondopstellingen. Het vergt maatwerk om te bepalen of een terrein voldoende braakliggend is. Voor woonpercelen wordt de eigen energiebehoefte als maximaal toegestane opwekcapaciteit beleidsmatig gevolgd, om op deze wijze te garanderen dat in de woonfunctie van bovengeschikt karakter blijft. Gelet hierop, en de beperkte omvang van de bouwpercelen zal het hier met name om kleinschalige grondopstellingen gaan. Ten aanzien van de toelaatbare opwekcapaciteit willen wij beleidsmatig (t.o.v.
de geldende bestemmingsplannen) extra ruimte bieden voor de overige bestemmingen binnen BSG dan wonen (bijvoorbeeld bedrijf, maatschappelijk etc.). Voor deze overige bestemmingen kan en mag beleidsmatig de opwekcapaciteit ruimer zijn, en meer in relatie worden gebracht met de energiebehoefte van het betreffende BSG. Ook bij grondopstellingen op (agrarische) bedrijfspercelen in het landelijk gebied zou het wenselijk zijn dat de opwekcapaciteit ruimer mag zijn dan uitsluitend voor eigen gebruik, aangezien de uitstraling van de opstellingen van zonnepanelen in essentie meer aansluit bij het karakter van (agrarische) bedrijven. Hoewel deze optie in provinciaal beleid niet mogelijk is, streeft de gemeente in concrete gevallen wel naar maatwerk voor de mogelijkheid tot overproductie. De gemeente is namelijk van mening dat de opgave van de energietransitie dusdanig groot is dat het landelijk gebied niet volledig kan worden ontzien van zonneenergie. Ruimtelijk gezien is het dan gewenster om de opwek op (agrarische) bedrijfspercelen te realiseren in plaats van elders in het landelijk gebied. Om die reden streven wij maatwerk na bij overproductie. Indien een agrariër/ondernemer een grotere energieopwekking nastreeft dan voornoemd, is sprake van een vestiging van een ‘energiebedrijf’. Dit overstijgt zonder meer de agrarische bestemming.
Beleidsmatig vinden wij de vestiging van een energiebedrijf op een agrarisch erf onwenselijk. Een energiebedrijf hoeft niet altijd de bestaande bedrijfsbestemming van een ondernemer te overstijgen. De vestiging van een energiebedrijf op een bestaand bedrijfsperceel vraagt (mits al niet met recht mogelijk) om een maatwerkbeoordeling. Voor grondopstellingen in het openbaar gebied zijn de mogelijkheden voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde via de bestemmingsplannen in beginsel in omvang en type bouwwerk beperkt. Er kunnen echter situaties zijn waarbij dit op verantwoorde wijze plaats kan vinden. Mogelijk kan de zonne-energieopwek gecombineerd worden met andere functies in het openbaar gebied (straatmeubilair, kunstuitingen). Maatwerk is hier aan de orde. Openbaar groen heeft een nadrukkelijke maatschappelijke functie wat mogelijk grondopstellingen moeilijker kan verdragen, maar ook hier is via een goede inpassing maatwerk mogelijk. Doordat de plaatsing in openbaar gebied nadrukkelijk een grotere ruimtelijke en maatschappelijke impact heeft (want zichtbaarder binnen de leefwereld van de gemeenschap), is een specifieke voorwaarde voor grondopstellingen in openbaar gebied dat een actieve inzet op proces- en financiële participatie gewenst is (zie hoofdstuk 5).