Wijziging omgevingsplan uitbreiding bedrijventerrein Halfweg - Motivering
Tekst van het document
Gemeente Nissewaard Projectnummer
Voorlopige veiligheidsklasse Voor het gehele onderzoeksgebied is de voorlopige veiligheidsklasse 'basishygiëne' voor grond en grondwater van toepassing. De voorgenomen werkzaamheden vallen onder de milieubelastende activiteit 'graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde'. Uitgangspunt is dat géén sprake is van tijdelijke uitname. Het volgende is van toepassing: Er is wel sprake van een meld- en informatieplicht voorafgaand aan de werkzaamheden (proceduretermijn melding en informatieplicht 4 weken); De werkzaamheden dienen wel te worden uitgevoerd door een geregistreerde aannemer (BRL SIKB 7000); De werkzaamheden hoeven niet te worden uitgevoerd onder milieukundige begeleiding (BRL SIKB 6000) mits de voorgenomen werkdiepte van 0,5 m -mv. wordt aangehouden; Er is wel sprake van een informatieplicht na afronding van de werkzaamheden (uiterlijk 1 week). In het kader van de CROW-publicatie 400 is het wel noodzakelijk om een V&G-plan op te stellen. Voor de voorgenomen graafdiepte moet rekening worden gehouden met grondwateronttrekking. Echter wanneer geen grond wordt afgevoerd, maar sprake is van tijdelijke uitname, is de proceduretermijn van een melding en informatieplicht 1 week. De overige aanbevelingen gelden dan nog steeds. Conclusie Er dient rekening te worden gehouden met bovenstaande maatregelen.
Derhalve kan worden geconcludeerd dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.4
Cultuurhistorie Kader Sinds 2016 is de regelgeving met betrekking tot het behoud en beheer van cultureel erfgoed ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Omgevingswet zorgt deze wet voor een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erfgoed, cultuurlandschappen, archeologische monumenten, gebouwde monumenten en stads- en dorpsgezichten. Er dient rekening gehouden te worden met het belang van het behoud van dit cultureel erfgoed. Dit door regels te stellen ter bescherming van het cultureel erfgoed (par. 5.1.5.5 Bkl). De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsverordening de bijzondere provinciale landschappen benoemd en regels gesteld om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen. Toetsing Voor de gemeente Nissewaard is geen cultuurhistorisch beleid. De provincie Zuid-Holland heeft een cultuurhistorische waardenkaart. Het plangebied en omgeving hebben geen cultuurhistorische waarden. Het voornemen raakt geen cultuurhistorische belangen en het
blad 32 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg
Gemeente Nissewaard Projectnummer
aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5
Duurzaamheid en klimaatadaptatie Kader Doel van de Omgevingswet is een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Duurzaamheid is het waarborgen van de bestaansmogelijkheden van de mens. Iedereen wil immers welvarend, gezond en veilig leven. Duurzame ontwikkeling vergt volgens de commissie-Brundtland een balans tussen de kwaliteit van de natuurlijke leefomgeving (planet), de economie (profit) en het sociale vermogen van de mens (people). Dit vraagt om zorgvuldig benutten, ontwikkelen en beheren van de fysieke leefomgeving. Klimaatwet In het Klimaatakkoord, vastgesteld in 2019, zijn afspraken gemaakt over de Nederlandse invulling van het Klimaatverdrag van Parijs. In de Klimaatwet wordt uitvoering gegeven aan het Klimaatakkoord en het Klimaatverdrag van Parijs. Het doel van deze wet is om de uitstoot van broeikasgassen, zoals C02, te verminderen. Een teveel aan broeikasgassen in de lucht verandert het klimaat en heeft negatieve gevolgen voor mens en natuur. In de Klimaatwet staan klimaatdoelstellingen voor Nederland. Voor 2050 is de doelstelling om 95% minder broeikasgassen uit te stoten dan in 1990. Om dat doel te bereiken is het de bedoeling dat Nederland in 2030 bijna de helft (49%) minder broeikasgassen uitstoot dan in 1990 en dat de elektriciteitsproductie in 2050 volledig C02-neutraal is.
De Klimaatwet bevat behalve klimaatdoelstellingen ook een beleidskader om die doelstellingen te halen. In de wet staan daarvoor drie beleidsinstrumenten: het vijfjaarlijkse Klimaatplan, de tweejaarlijkse Voortgangsrapportage en de jaarlijkse Klimaatnota. De provincie Zuid-Holland onderschrijft de doelstellingen van het Klimaatverdrag van Parijs en het Nederlandse klimaatakkoord. Op 18 november 2019 heeft de provincie Zuid-Holland ingestemd met het Klimaatakkoord en uitgesproken een bijdrage te leveren aan de nationale klimaatdoelstellingen. Een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's van klimaatverandering. In ieder geval moet worden ingegaan op: wateroverlast, overstroming, hitte, droogte, waterbeschikbaarheid en verzilting. Ook de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's te voorkomen of te beperken moeten worden beschreven en de afweging die daarbij is gemaakt. Toetsing duurzaamheid De gemeente Nissewaard heeft het streven om het bedrijventerrein Halfweg te verduurzamen. Er ligt een ambitie om samen te werken aan een energieneutraal, circulair en klimaatbestendig bedrijventerrein. Binnen het verduurzamen van het bedrijventerrein wordt aandacht gegeven aan een aantal
blad 33 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg
Gemeente Nissewaard Projectnummer
aspecten: Besparen van energie Het verduurzamen van woon-werk-mobiliteit Circulariteit Vergroenen De uitbreiding van het bedrijventerrein Halfweg dient te worden ontwikkeld met een oog op een duurzame, energie neutrale, circulaire en klimaatbestendig bedrijventerrein. In het ontwerp wordt rekening gehouden met groen- en waterstructuren. Dit draagt bij aan het aspect vergroenen. In het aspect verkeer en parkeren, paragraaf 6.3, wordt beschreven dat deze locatie voldoende mogelijkheden biedt met betrekking tot de bus en het metrostation is ook goed bereikbaar. Het inzetten op andere mobiliteitsoplossingen kan het woon-werk-mobiliteitsaspect verduurzamen. Een onderdeel van de uitbreiding van het bedrijventerrein is de realisatie van het transformatorstation van Stedin. Dit transformatorstation is benodigd om het elektriciteitsnet te verzwaren om de gevraagde capaciteit zowel nu als in de toekomst te waarborgen. Met de realisatie van het bedrijventerrein wordt ingezet op de duurzaamheid. Toetsing klimaatadaptatie Het voornemen betreft de realisatie van een toekomstig en de bijbehorende infrastructuur. In de huidige situatie hebben de gronden agrarische activiteiten, dit is onverhard oppervlak. Door de ontwikkeling is er een toename aan verharding. Dit kan effecten hebben op de aspecten wateroverlast en hitte.
Hitte In de huidige situatie is er weinig tot geen hittestress aanwezig in het gebied. Dit komt doordat het gebied bestaat uit agrarische gronden waar veel groen aanwezig is. In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak toe. In totaal wordt er circa 46.600 m² uitgeefbaar terrein gerealiseerd en verhard gebied. Deze toename heeft invloed op hittestress. Met de voorgenomen ontwikkeling worden groen- en waterstructuren aangelegd om hittestress te verminderen. Wateroverlast en overstromingen In het plangebied is weinig tot geen wateroverlast. Door de agrarische gronden infiltreert het water sneller dan verharde oppervlakten. In de toekomstige situatie zal het verhard oppervlak toenemen. De effecten hiervan worden beschreven in het weging van het waterbelang. Er dient voldoende waterberging te worden gerealiseerd. In het huidige ontwerp wordt er circa 5.000 m² waterberging gerealiseerd. Dit is nog niet voldoende en dient te worden aangepast om wateroverlast te voorkomen. Daarnaast zijn er eisen vanuit het gemeentelijk beleid om wateroverlast tegen te gaan 'Waterrobuuste nieuwbouw ontwikkelingen'. Met deze eisen dient rekening te worden gehouden. Overstromingen Het plangebied heeft een kleine kans op overstromingen vanuit zee, meer of rivier. Dit komt door de nabije ligging van de Oude Maas en tevens de lage ligging van de agrarische gronden.
Met het ontwerp dient rekening te worden gehouden met overstromingen. Kritieke functies dienen op een geschikte hoogte te worden gerealiseerd. Daarnaast is er in het plangebied ruimte om water op te vangen door de nieuwe waterstructuren.
blad 34 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg
Gemeente Nissewaard Projectnummer
Droogte De kans op droogtestress in het plangebied is laag. Droogte heeft geen gevolgen voor de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Het aspect duurzaamheid en klimaatadaptatie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6
Geluid Kader Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen, en industrieterreinen en activiteiten enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. Geluid door (spoor) wegen en industrieterreinen De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen de omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels.
In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In principe zijn alle wegen in Nederland voorzien van een geluidaandachtsgebied (Bkl). Uitzondering op deze regel zijn wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt en woonerven. Als een geluidsaandachtsgebied geheel of gedeeltelijk binnen het werkingsgebied valt, moet bij de onderbouwing van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe geluidgevoelige functies, waaronder woningen. Dit geldt eveneens indien de BOPA de aanleg van een nieuwe gezoneerde weg mogelijk maakt. Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen.
Het bevoegd gezag kan dit alleen toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege
blad 35 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg
Gemeente Nissewaard Projectnummer
overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.30 Bbl) te allen tijde gewaarborgd zijn. Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet bij de vaststelling van een hogere waarde, onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen. Geluid door activiteiten Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient - naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen - ook het geluid van overige activiteiten in de fysieke leefomgeving beoordeeld te worden. Bij een aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten tezamen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Rekening houden met geluid werkt twee kanten op, het gaat om het toelaten van: activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen; geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte.
Dit wijzigingsbesluit maakt de realisatie van geluidgevoelige gebouwen mogelijk, op korte afstand van een locatie met activiteiten die geluid(hinder) veroorzaken. Hierbij geldt dat getoetst moet worden aan de standaard- en grenswaarden zoals omschreven in het permanente omgevingsplan of - indien dat nog niet aanwezig is - de standaard- en grenswaarden uit het Bkl (artikel 5.65 en 5.66 Bkl). Voor de beoordeling van geluidhinder afkomstig van activiteiten moet rekening worden gehouden met verschillende soorten geluidhinder, namelijk: Geluidhinder afkomstig van één of meerdere activiteiten op een locatie (directe hinder). Maximale geluidhinder; dit zijn de piekniveaus die optreden als gevolg van activiteiten op een locatie; Indirecte geluidhinder; dit is de geluidhinder afkomstig van het wegverkeer van en naar de locatie waar de activiteit plaatsvindt.? Toetsing Het plangebied is gelegen in de geluidzone van het industrieterrein Botlek-Vondelingenplaat. In de geluidzone van het industrieterrein Botlek-Vondelingenplaat is het niet mogelijk om nieuwe geluidgevoelige objecten te realiseren. Met de voorgenomen ontwikkeling worden geen geluidgevoelige objecten gerealiseerd. Ten aanzien van de geluidgevoelige objecten in de omgeving is een analyse uitgevoerd in het kader van de bedrijven en milieuzonering, paragraaf 6.10.
Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling van het bedrijventerrein niet leidt tot beperkingen of hinder van bestaande bedrijvigheid. Het hindert tevens de huidige geluidgevoelige objecten niet. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
blad 36 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg
Gemeente Nissewaard Projectnummer
4.7
Gezondheid Kader Gezondheid is een thema waar de Omgevingswet geen inhoudelijke eisen over stelt, ondanks dat het bieden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving tot de maatschappelijke doelen van de wet behoort. Omdat de Omgevingswet het begrip niet inkadert, kan het veel verschillende onderwerpen raken, bijvoorbeeld regels voor het beweegvriendelijk maken van de omgeving. Milieunormen zijn in het verleden ook gesteld om gezondheid te beschermen. De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving. Binnen de Omgevingswet kunnen overheden eigen gezondheidsambities vastleggen en uitwerken. In de volgende artikelen van de Omgevingswet staan de regels over de gezonde fysieke leefomgeving: In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden.
In artikel 3.3 van de Omgevingswet van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag in de omgevingsvisie rekening moet houden met het voorzorgbeginsel en andere milieubeginselen. In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. In artikel 5.32 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan weigeren wanneer deze zou leiden tot (mogelijk) ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid en in artikel 5.42 lid 4 van de Omgevingswet en artikelen 8.101 en 8.102 van het Bkl staat dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan wijzigen of intrekken in het kader van het treffen van passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid. De GGD geeft een praktische invulling aan dit kader door middel van verschillende kernwaarden met bijbehorende gezondheidsadviezen. De GGD heeft de volgende kernwaarden opgesteld: 1. rookvrije omgeving; 2. aantrekkelijke plekken; 3. gezond gewicht; 4. wonen en druk verkeer; 5. voorzieningen dichtbij; 6. actief vervoer; 7. fiets- en ov-verbindingen; 8. gezond binnenklimaat; 9. prettig wonen; 10. geschikte woningen. Verder stelt de GGD dat het voldoen aan de wettelijke normen niet automatisch betekent dat er geen gezondheidseffecten kunnen optreden.
In het GGD-Omgevingsadvies zijn daarom
blad 37 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg
Gemeente Nissewaard Projectnummer
gezondheidskundige advieswaarden opgenomen. De GGD heeft gezondheidskundige advieswaarden voor de thema's luchtkwaliteit, geur, geluid, bodem, elektromagnetische velden (straling), veehouderijen en akkerbouw. Toetsing De uitbreiding van het bedrijventerrein Halfweg kan gezondheidsrisco's met zich meebrengen. In voorgaande paragraven zijn de omgevingsaspecten luchtkwaliteit, geluid en bodem al beoordeeld. Hieruit blijkt dat ten gevolgen van het voornemen luchtkwaliteit, geluid en bodem geen negatieve effecten ontstaan voor de gezondheid. Daarnaast heeft het bedrijventerrein voldoende afstand tot milieugevoelige functies, zie paragraaf 6.10. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van groen- en waterstructuren dit draagt bij aan mentale gezondheid, luchtkwaliteit en biodiversiteit. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de gezondheid. Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.8
Luchtkwaliteit Kader De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied.
Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de emissie van stikstofdioxide(NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. Niet in betekende mate
blad 38 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg
Gemeente Nissewaard Projectnummer
De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtgebied vindt niet altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.
2.
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. On-der deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 van het Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
Toetsing Voor het aspect luchtkwaliteit is een onderzoek opgesteld door Antea Group en deze is bijgevoegd als Bijlage 5. De belangrijkste conclusies worden hieronder weergegeven. Het toevoegen van het bedrijventerrein leidt tot een toename van de verkeersintensiteiten. Hierbij komen emissies vrij van onder andere stikstofoxiden en fijnstof. Hierdoor kan de luchtkwaliteit verslechteren. In het kader hiervan is onderzocht in welke mate het project de luchtkwaliteit verslechtert en of kan worden voldaan aan de wettelijke normen. Stikstofdioxide (NO2) De berekende jaargemiddelde concentraties NO2 liggen onder de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie 40 µg/m3. De concentraties vallen ook onder de nieuwe Europese grenswaardes van 2030. De berekende uurgemiddelde concentratie NO2 mag niet meer dan 18 keer per jaar groter zijn dan 200 µg/m3. Uit de berekeningen blijkt dat de uurgemiddelde concentratie NO2 op alle beoordelingspunten minder dan 18 keer per jaar groter is dan 200 µg/m3 . Fijnstof (PM10) De berekende jaargemiddelde concentraties PM10 liggen onder de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie 40 µg/m3. De concentraties vallen ook onder de nieuwe Europese grenswaardes van 2030. De berekende 24-uursgemiddelde concentratie PM10 mag niet meer dan 35 keer per jaar groter zijn dan 50 µg/m3.
Uit de berekeningen blijkt dat de 24-uursgemiddelde concentratie PM10 op alle beoordelingspunten minder dan 35 keer per jaar groter is dan 50 µg/m3 . Fijnstof (PM2,5) Uit de berekeningen blijkt dat de berekende jaargemiddelde concentraties PM2,5 (ruim) onder de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5 (25 µg/m3 ) liggen. De blad 39 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg
Gemeente Nissewaard Projectnummer
concentraties vallen ook onder de nieuwe Europese grenswaardes van 2030. Op basis van de resultaten kan worden voldaan aan de normen opgenomen in de Bkl. Daarnaast voldoen de resultaten ook aan de nieuwe Europese normen die vanaf 2030 gaan gelden. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9
Mer-beoordeling Kader Bijlage V bij het Omgevingsbesluit in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit bepalen of een besluit project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. Bijlage V bij het Omgevingsbe-sluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen die betrekking hebben op projecten waarvoor de mer-(be-oordelings)plicht geldt. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Of een project, dat voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met: a. b.
de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van mili-eueffecten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen.
Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren, deelt dit voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel 16.45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door mid-del van een aanmeldnotitie. Toetsing Op grond van de Omgevingswet (artikel 16.43, lid 1 onder b, alsmede lid 2 en 3) en het Omgevingsbesluit (hoofdstuk 11 en bijlage V) dient voor verschillende soorten projecten te worden bepaald of er ten gevolge van het desbetreffende project sprake kan zijn van aanzienlijke milieueffecten. De voorgenomen ontwikkeling, ontwikkeling van de uitbreiding van het bedrijventerrein Halfweg, valt onder nummer J10: 'Industrieterrein' (zie onderstaande tabel). In Bijlage V van het Omgevingsbesluit is vastgelegd dat voor deze activiteiten geen directe mer-plicht geldt, maar wel een mer-beoordelingsplicht. Bovendien is vastgelegd dat deze plicht uitsluitend geldt bij het omgevingsplan.
blad 40 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg
Gemeente Nissewaard Projectnummer
Door Antea Group is een Mer-beoordeling uitgevoerd. Deze is bijgevoegd als Bijlage 6. Uit de mer-beoordeling blijkt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot aanzienlijke milieueffecten ter plaatse van de ontwikkeling. Het voornemen heeft weliswaar mogelijke effecten, maar deze zijn in aard en omvang niet aanzienlijk. Conclusie De onderzochte aspecten leiden geen van alle tot aanzienlijke milieueffecten die noodzaak geven tot het opstellen van een milieueffectrapport.
4.10
Natuur en landschap Kader Bij ruimtelijke ontwikkelingen en projecten moet rekening worden gehouden met (beschermde) natuurwaarden in de omgeving. Het toegelaten gebruik mag er namelijk niet toe leiden dat hierdoor te beschermen waarden van een bepaald gebied of bepaalde planten- en diersoorten worden aangetast. Gebiedsbescherming Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Deze richtlijnen bestaan uit twee delen: soortenbescherming en gebiedsbescherming. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. Er zijn activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Onder 'nadelig gevolg' vallen verslechterende of verstorende gevolgen voor het Natura 2000-gebied. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling of activiteit is het verplicht (significante) negatieve effecten op specifieke natuurwaarden van een Natura 2000-gebied in beeld te brengen of om ze al dan niet met zekerheid uit te sluiten. Natuurnetwerk Nederland Het NNN is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het doel van het NNN is de achteruitgang van het areaal aan natuur en van de biodiversiteit te stoppen door een samenhangend netwerk van natuurgebieden te creëren.
Dit wordt gedaan door natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden door verwerving, inrichting en beheer van aangrenzende en tussenliggende landbouwgronden. De provincies zijn verantwoordelijk voor het realiseren van dit netwerk. Het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat in een omgevingsverordening regels gesteld dienen te worden die verzekeren dat de kwaliteit en het oppervlak van het NNN niet achteruitgaan (artikel 7.8 lid 2 Bkl). Net als bij Natura 2000-gebieden zorgt de aanwijzing van een gebied als NNN voor een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden in dat gebied. Beschermde soorten Soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende
blad 41 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg
Gemeente Nissewaard Projectnummer
zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten (afd. 11.2 Bal). De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Vogels Europees beschermde soorten nationaal beschermde soorten Er geldt een vergunningsplicht voor een flora- en fauna-activiteit wanneer schadelijke handelingen worden uitgevoerd. Op basis van de Omgevingswet is een flora- en fauna-activiteit een 'activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Dit heeft betrekking op vrijwel alle ruimtelijke activiteiten. De provincie is het bevoegd gezag en kan bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen vrijstelling geven van de lijst met nationaal beschermde soorten in afstemming op de situatie in de provincie. Toetsing Door Antea Group is een natuurtoets uitgevoerd voor de voorgenomen ontwikkeling. De natuurtoets is bijgevoegd als Bijlage 7 van deze motivering. Hieronder worden de belangrijkste conclusies weergegeven. Soortenbescherming Binnen het plangebied is geschikt biotoop aangetroffen voor beschermde soorten (Ow) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt.
Het gaat om soorten uit de volgende soortgroepen: boombroedende vogels met een jaarrond beschermd nest; en overige vogels met een jaarrond beschermd nest; algemene broedvogels en; vleermuizen. Voor boombroedende vogels en overige vogels met een jaarrond beschermd nest is nader onderzoek noodzakelijk. Voor de overige soorten is door het nemen van passende maatregelen geen nader onderzoek noodzakelijk. Afhankelijk van de te nemen maatregelen en de resultaten van het nader onderzoek moet duidelijk worden of een omgevingsvergunning voor een flora en fauna activiteit aan de orde is. Voor de overige soort(groep)en is beoordeeld dat vervolgstappen niet aan de orde zijn. Voor deze soorten en vrijgestelde soorten geldt wel de zorgplicht. Er wordt aangegeven dat een overtreding van de Ow voor een aantal soorten op voorhand kan worden voorkomen door het treffen van maatregelen. Door het nemen van deze maatregelen worden negatieve effecten voorkomen en zijn geen vervolgstappen noodzakelijk. De maatregelen voor algemene broedvogels zijn: werk in de buurt van de waterkant buiten het broedseizoen. Voor vleermuizen gelden de maatregelen: werk alleen overdag of geen verlichting schijnen of uitstralen op de bebouwing op het industrieterrein en de bomenrij met holtes in de omgeving. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied.
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied blad 42 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg
Gemeente Nissewaard Projectnummer
is de Oude Maas, op circa 3,5 kilometer ten oosten van het plangebied. De Oude Maas is aangewezen op basis van de Habitatrichtlijn. Daarnaast zijn er in een straal van 25 kilometer nog enkele Natura 2000-gebieden aanwezig. De Natura 2000-gebieden liggen buiten het invloedsgebied van de storingsfactoren, zoals verdroging of geluid- en lichtverstoring, met uitzondering van verzuring en vermesting. Gezien de afstand tot stikstofgevoelige habitattypen in de Natura 2000-gebieden en de voorgenomen werkzaamheden zijn effecten als gevolg van vermesting en verzuring door stikstofdepositie tijdens enkel de realisatiefase niet op voorhand uit te sluiten. De enige manier om inzicht te krijgen in de aard en omvang van het effect van stikstofdepositie als gevolg van de werkzaamheden, is het uitvoeren van een stikstofberekening met behulp van AERIUS Calculator. Dit wordt nader beschreven in paragraaf 4.11 stikstofdepositie. NNN In het plangebied is geen NNN-gebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied bevindt zich op circa 850 meter ten zuiden van het plangebied. Op grond van de provinciale verordening in de provincie Zuid-Holland hoeft niet getoetst te worden op externe werking en zijn vervolgstappen niet aan de orde. Beschermde houtopstanden In de directe omgeving van het plangebied zijn geen houtopstanden aanwezig.
Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden worden daarom geen houtopstanden gekapt. Ook staan er geen houtopstanden in de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden waardoor negatieve effecten kunnen optreden. Een nadere toetsing beschermde houtopstanden is daarom niet nodig. Conclusie Er dient nader onderzoek te worden uitgevoerd. Uit het nader onderzoek zal blijken welke maatregelen benodigd zijn om toe te passen. Hieruit zal blijken of een omgevingsvergunning voor flora en fauna activiteit aan de orde is. Op de andere aspecten kan geconcludeerd worden dat het aspect natuur en landschap geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.11
Stikstofdepositie Kader Er zijn activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Onder 'nadelig gevolg' vallen verslechterende of verstorende gevolgen voor het Natura 2000-gebied. Zo'n gevolg hoeft niet significant te zijn. In dat geval is sprake van een 'activiteit die nadelige (maar zeker geen significante) gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied'. Zo'n activiteit is niet dezelfde als een Natura 2000-activiteit. Bij een Natura 2000-activiteit zijn de mogelijk nadelige gevolgen namelijk wel significant. Verschillende factoren bepalen samen of sprake is van 'significant' of niet. Factoren zijn bijvoorbeeld: afname van de oppervlakte van een habitat in relatie tot de zeldzaamheid van die habitat; afname van een populatie in relatie tot de zeldzaamheid van planten- of diersoorten in die populatie; algemene condities van het gebied voor behoud en herstel van de habitat of soorten. Het komt neer op de vraag of de instandhoudings-doelstellingen van
blad 43 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg
Gemeente Nissewaard Projectnummer
het Natura 2000-gebied in gevaar komen door de activiteit. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling of activiteit is het verplicht (significante) negatieve effecten op specifieke natuurwaarden van een Natura 2000-gebied in beeld te brengen of om ze al dan niet met zekerheid uit te sluiten. Voor de effectbepaling is het uitvoeren van de voortoets de eerste stap. Er zijn drie mogelijke uitkomsten: i) het plan of project heeft met zekerheid geen negatief effect; ii) negatieve effecten van het plan of project zijn niet uitgesloten, maar deze effecten zijn niet significant negatief, hetgeen betekent dat de activiteiten het behalen van de instandhoudingsdoelen niet schaden; iii) het plan of project heeft negatieve effecten én deze zijn significant: één of meer van de instandhoudingsdoelen worden mogelijk geschaad. Toetsing Gezien de afstand tot stikstofgevoelige habitattypen in de Natura 2000-gebieden en de voorgenomen werkzaamheden zijn effecten als gevolg van vermesting en verzuring door stikstofdepositie tijdens enkel de realisatiefase niet op voorhand uit te sluiten. Om vast te stellen of er sprake kan zijn van significante gevolgen voor wat betreft stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is een stikstofberekening uitgevoerd met het rekenprogramma AERIUS Calculator (versie 2025.2). Het stikstofonderzoek wordt weergegeven in Bijlage 8.
Ten gevolge van de planontwikkeling is er een toename van stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar op Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen'. De effecten van het plan op stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden worden volledig gemitigeerd door intern salderen (inzetten van stikstofdepositieruimte die ontstaat door het beëindigen van het bemesten van de landbouwpercelen in het plangebied). Na intern salderen is er namelijk nergens een toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jaar. Ook in cumulatie is daarmee nergens sprake van een toename van stikstofdepositie. Met de inzet van de mitigerende maatregel is daarmee nergens sprake van een significant negatief effect ten gevolge van stikstofdepositie. Hiermee is zeker gesteld dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Tenslotte is in de passende beoordeling, Bijlage 9, de mitigerende maatregel getoetst aan het additionaliteitsvereiste. Hiervoor heeft de gemeenteraad een vergewisplicht. Op basis van openbare informatie moet worden vastgesteld of provincie Zuid-Holland of het Rijk het beëindigen van de bemesting binnen het plangebied van het voorliggende TAM-omgevingsplan reeds als instandhoudings- of passende maatregel heeft aangemerkt.
Uit de geraadpleegde openbare bronnen blijkt geen enkele concrete of locatiespecifieke aanwijzing dat deze maatregel door provincie of het Rijk wordt ingezet of noodzakelijk wordt geacht. Daarmee heeft de gemeenteraad zich er voldoende van vergewist dat de maatregel niet nodig is voor het behoud van de gunstige staat van instandhouding van de natuurwaarden in het betrokken Natura 2000-gebied (artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn) en ook niet nodig is om verslechteringen of verstoringen die significante effecten kunnen hebben op de natuurwaarden in het betrokken Natura 2000-gebied te voorkomen (artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn). Het aspect stikstofdepositie staat verdere besluitvorming derhalve niet in de weg. blad 44 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg
Gemeente Nissewaard Projectnummer
Conclusie Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.12
Omgevingsveiligheid Kader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'.
Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een
blad 45 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg
Gemeente Nissewaard Projectnummer
voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: o Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl. o Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl. o Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl). o
Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).
Toetsing Voor de voorgenomen ontwikkeling is door Antea Group een beschouwing opgesteld voor omgevingsveiligheid. In deze beschouwing wordt de realisatie van het transformatorstation en de toekomstige uitbreiding van het bedrijventerrein Halfweg beschouwt. De beschouwing is bijgevoegd als Bijlage 10. In het kader van de ontwikkeling wordt geen risicobron of kwetsbare objecten toegevoegd. Ook worden er geen SEVEZO-bedrijven mogelijk gemaakt met de voorgenomen ontwikkeling. Er zijn diverse risicobronnen aanwezig in de omgeving van het plangebied. Hieronder worden de meest relevante risicobronnen toegelicht. Mocht er een risicobron worden toegevoegd binnen het plangebied, dan geldt daarvoor een binnenplanse vergunningplicht (artikel 8.4.4.) In het kader van de vergunningverlening moet een onderzoek worden uitgevoerd. Dit onderzoek moet ingaan op de effecten van de risicobron naar de omgeving toe. De vergunning wordt alleen verleend als er wordt voldaan aan de voorwaarden van de regels. De voorwaarden borgen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hogedruk aardgasbuisleidingen Ten westen en ten noorden van het plangebied lopen drie relevante buisleidingen (A-536, A-357 en A-624). De relevante buisleidingen hebben geen plaatsgebonden risicocontour ter hoogte van het plangebied.
Hiermee wordt conform het Bkl voldaan aan de norm- en richtwaarden ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Het plangebied valt volledig binnen het brandaandachtsgebied van een van de buisleidingen. Er dient te worden gemotiveerd hoe groepen mensen beschermd worden en of deze bescherming afdoende is, zie onder 'bescherming van groepen mensen'. Daarnaast kunnen aanvullende bouwkundige maatregelen van toepassing zijn binnen de aandachtsgebieden (bij toewijzing van een voorschriftengebied binnen een aandachtsgebied). De afwegingsruimte ligt hierbij primair bij het bevoegd gezag. Voor de aanwezige buisleiding is een belemmeringengebied aanwezig. Het belemmeringengebied beslaat een gebied van 5 meter aan weerszijden van de buisleidingen. Kwetsbare functies zijn toegestaan op het moment de buisleiding niet wordt aangetast. Er blad 46 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg
Gemeente Nissewaard Projectnummer
dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van de buisleiding. Delta Rhine Corridor Het plangebied valt binnen het beoogde reserveringsgebied van de Deltha Rhine Corridor. Binnen deze corridor worden in de toekomst buisleidingen aangelegd voor waterstof en CO2, de verwachting is dat dit in 2031 en 2032 wordt gerealiseerd Delta Rhine Corridor West › Gasunie. Er wordt nog onderzocht waar de buisleidingen precies komen te liggen. Ten tijde van het opstellen van deze rapportage kunnen de gevolgen hiervan voor het plangebied nog niet worden beschouwd. Stationaire bronnen In de omgeving van het plangebied liggen een tiental aan stationaire bronnen. Een deel van de vakken B en een deel van het transformatorstation valt binnen de PR 10-6 -contour van P3 HoldCo IV NL Support B.V. Alleen beperkt kwetsbare functies zijn hierdoor mogelijk. Op deze locatie mogen geen (zeer) kwetsbare functies worden gerealiseerd. Het gehele plangebied is gelegen in gifwolkaandachtsgebied. De risicobronnen liggen ten noorden en ten westen van het plangebied. Vanwege de gedeeltelijke ligging in het explosieaandachtsgebied en de volledige ligging in het gifwolkaandachtsgebied dient te worden beschouwd hoe groepen mensen beschermd worden en of deze bescherming afdoende is. Bescherming van groepen mensen Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit is schuilen en/of vluchten.
Dit is ook afhankelijk van het scenario. Naast schuilen en of vluchten is het vaak van belang om de ramen en deuren te sluiten. Voor het vluchten zijn interne vluchtwegen en externe vluchtwegen beschouwd. Een interne vluchtroute is richting de risicoluwe zijde vluchten, dit is de zuidelijke richting. Daarnaast zijn er twee mogelijke vluchtroutes aanwezig, weergegeven op onderstaand figuur (rode pijlen). De buisleidingen lopen precies onder deze routes, wat betekent dat vluchten bij een ongeval bij de buisleiding niet mogelijk is. Om deze reden is het aanbevelingswaardig om een extra langzaam verkeerontsluiting in het plangebied aan te brengen als extra vluchtroute, deze route is aangegeven met de blauwe pijl. Idealiter loopt de vluchtroute in een zuidelijke richting (afzijdig van de risicobronnen), dit is door het ontbreken van wegen aan de zuidzijde waarop aangesloten kan worden echter niet mogelijk. Aan de westzijde van het plangebied komt een onderhoudsroute te liggen langs de bomen en de watergang. Deze onderhoudsroute kan als vluchtroute gebruikt worden naar het noorden.
blad 47 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg
Gemeente Nissewaard Projectnummer
Figuur 4-4 Ligging vluchtroute (Antea Group) Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.13
Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren Kader Verkeer en parkeren maakt onderdeel uit van de evenwichtige functietoedeling aan locaties. In de motivering moet - naast het aspect parkeren voor zowel auto's als fietsen - aandacht worden besteed aan de verkeersgeneratie en -veiligheid. In deze paragraaf wordt aangegeven hoe binnen het planvoornemen hier mee wordt omgegaan. Een toevoeging of wijziging van functies op locaties zorgt vaak voor een verandering van de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie van een gebied. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond of sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's en fietsen en wat het effect is op de bereikbaarheid en de verkeersafwikkeling. Er mag geen onaanvaardbaar effect op de omgeving optreden. Om te bepalen wat de effecten van de activiteit op de verkeersaantrekkende werking van het projectgebied zijn, kan gebruik worden gemaakt van de kengetallen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW) (publicatie 744). Deze kengetallen zijn algemeen erkend en geven een indicatie van de ontwikkeling gepaard gaande extra verkeersgeneratie. Ook bieden ze richtlijnen voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen. De CROW-ken-getallen zijn richtlijnen waarvan afgeweken kan worden.
Gemeenten kunnen ervoor kiezen om zelf parkeerbeleid met parkeernormen vast te stellen waar nieuwe ontwikkelingen aan moeten voldoen. De activiteit dient in dat geval aan het gemeentelijk beleid te worden getoetst.
blad 48 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg
Gemeente Nissewaard Projectnummer
Parkeernormennota Nissewaard 2022 Op d.d. 29 oktober 2022 heeft de gemeente de nieuwe parkeernormennota vastgesteld. Dit is de vervanger van de voormalige Parkeernormering Nissewaard uit 2016. Het CROW geeft bij de functies een bandbreedte voor de betreffende parkeernormen aan. De gemeente maakt gebruik van het gemiddelde van de minimale en maximale door CROW aangegeven normen. Deze keuze is met name gebaseerd op het feit dat het gemiddelde autobezit in Nissewaard overeenkomt met het landelijke gemiddelde autobezit. Daar komt bij dat de bebouwingsdichtheid in Spijkenisse hoog is en verschillende wijken kampen met een tekort aan parkeerplaatsen. Daarom volstaat de minimale waarde binnen de bandbreedte in de CROW-cijfers niet en zijn de gemiddelden van de bandbreedte in de CROW-cijfers van toepassing binnen de gemeente Nissewaard. De Parkeernormennota is juridisch-planologisch geborgd middels het paraplubestemmingsplan 'Parkeren & laden en lossen', onderdeel van het (tijdelijk) Omgevingsplan Nissewaard, vastgesteld d.d. 17 mei 2023. Toetsing Door Antea Group is een verkeersonderzoek uitgevoerd. Deze is bijgevoegd als Bijlage 11. De belangrijkste conclusies zijn hieronder weergegeven. Tijdens het schrijven van het verkeersonderzoek is nog niet bekend wat de exacte indeling is van de verschillende kavels.
In het verkeersonderzoek is hierdoor rekening gehouden met twee scenario's een realistisch scenario en een worstcasescenario. Parkeren Om de parkeerbehoefte te berekenen is gebruik gemaakt van 'Parkeernomennota Nissewaard 2022'. De minimale parkeerbehoefte is in totaal 334 parkeerplaatsen vereist in het plangebied. In het worstcasescenario zijn er 659 parkeerplaatsen benodigd om te voldoen aan de parkeerbehoefte. Met de ontwikkeling dient er rekening te worden gehouden met de benodigde parkeerplekken die worden gesteld vanuit de eisen van de gemeente. De parkeerplaatsen worden op de bedrijfskavels gerealiseerd. Daarnaast zijn er zeven fietsparkeerplaatsen per kavel benodigd of 35 fietsparkeerplaatsen in zijn totaliteit. Verkeer Verkeersgeneratie Het planvoornemen leidt tot een toename van verkeer als gevolg van de uitbreiding van het bedrijventerrein Halfweg. Voor elke kavel afzonderlijk is de verkeersgeneratie berekend in aantal verkeersbewegingen voor personen- en vrachtauto's. Aan de hand van kencijfers van CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers 2024 - Werkgebieden' zijn de berekeningen voor de verkeersgeneratie uitgevoerd. Aan de hand van kencijfers van CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers 2024 Werkgebieden' zijn de berekeningen voor de twee verschillende scenario's uitgevoerd.
Met de uitbreiding van bedrijventerrein Halfweg genereren de kavels gezamenlijk minimaal 226 motorvoertuigen per weekdag, waar de maximale verkeersgeneratie 487 voertuigbewegingen per weekdag bedraagt. Omgerekend naar werkdag betreft het aantal motorvoertuigbewegingen maximaal 648 per werkdag. Verkeersafwikkeling In het verkeersonderzoek is gekeken naar de volgende kruispunten en rotondes:
blad 49 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg
Gemeente Nissewaard Projectnummer
Voorrangskruispunt: Malledijk -Laanweg VRI-kruispunt: N218 (Groene Kruisweg) - Malledijk - Borgtweg VRI-kruispunt: Groene Kruisweg (N218/N493) - Hartelweg (N218) Voor het voorrangskruispunt Malledijk - Laanweg blijft de verwachting dat in de plansituatie 2040 in zowel ochtendspits als avondspits wachttijden onder de 15 seconden zijn. Wel vormt de oversteek van de Malledijk voor fietsers (en voetgangers) van/naar de Laanweg een aandachtspunt, gezien fietsers op dit moment in één keer beide richtingen over moeten steken. De cyclustijden op het VRI-kruispunt N218 (Groene Kruisweg) - Malledijk - Borgtweg blijven in 2040, zowel in de autonome als de plansituatie, ruim onder de maximale norm van 120 seconden gelijk aan de 90 seconden. In de plansituatie worden geen doorstromingsproblemen verwacht bij de omliggende kruispunten als gevolg van de ontwikkeling. Het VRI-kruispunt N218/N493 is in het referentiescenario 2040 al structureel overbelast, waardoor geen cyclustijden kunnen worden vastgesteld. De extra verkeersdruk door de uitbreiding van bedrijventerrein Halfweg is marginaal en leidt tot minder dan één auto per minuut extra op dit kruispunt. Als gevolg van een overbelast kruispunt wijkt het verkeer uit naar alternatieve routes via de Edisonweg en Galvaniweg, waardoor de impact van de ontwikkeling Halfweg nog kleiner wordt.
Naar de toekomst toe, kan het voorkomen dat het bedrijventerrein meer verkeer aantrekt dan nu voorspeld, waardoor de verkeersdruk op beide kruispunten toeneemt. In samenspraak met de provincie Zuid-Holland kan worden onderzocht op welke wijze het VRI-kruispunt verder kan worden geoptimaliseerd, om de doorstroming van en naar bedrijventerrein Halfweg te waarborgen. Daarbij kan worden aangesloten bij reeds door de provincie voorgenomen infrastructurele maatregelen. In de bestuurlijke afspraken die zijn vastgelegd, zijn twee infrastructurele maatregelen opgenomen voor het VRI-kruispunt N218/N493. Het betreft het realiseren van extra opstelstroken op het kruispunt Hartelweg/N218 en het verbreden van de Groene Kruisweg richting Spijkenisse naar drie rijstroken (tussen het kruispunt N493/N218 en het Baljuwplein). Beide maatregelen worden door de provincie Zuid-Holland uitgevoerd en dragen bij aan een verbeterde doorstroming en robuustheid van het regionale wegennet. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.14
Weging van het waterbelang Kader Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk, provinciaal en rijksbeleid als het beleid van het waterschap. Het relevante beleid wordt beschreven in de weging van het waterbelang die is bijgevoegd als Bijlage 12.
blad 50 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg
Gemeente Nissewaard Projectnummer
Voor het inventariseren van de wateraspecten van een project wordt vaak een geohydrologisch onderzoek voor de waterhuishouding uitgevoerd. Vervolgens worden de verschillende waterhuishoudkundige belangen afgewogen. In de onderzoeken worden niet alleen de wateraspecten opgenomen, maar ook welke maatregelen genomen kunnen worden op het gebied van onder andere klimaatadaptatie. Toetsing De gemeente Nissewaard heeft het voornemen om het bedrijventerrein Halfweg uit te breiden naar het westen. Voor deze ontwikkeling zijn de waterhuishoudkundige aspecten beschreven in een 'Weging van het waterbelang'. Deze is bijgevoegd als Bijlage 12. Oppervlakteverdeling Het plangebied bestaat uit verschillende gebieden waarvan een deel wordt uitgegeven voor het bedrijventerrein (A t/m D). De oppervlaktes van deze deelgebieden, de oppervlakte van het nieuwe Stedin station, en van de andere toekomstige verharding staan in onderstaande tabel, Tabel 4 2. Er moet voldoende waterberging worden gerealiseerd in relatie met de hoeveelheid verhard oppervlak, dit in lijn met de eisen van het waterschap en de gemeente. Tabel 4-2 Oppervlaktebalans toekomstige situatie
Waterbergingsopgave De verandering in hemelwaterafvoer wordt beïnvloed door de verharding. Neerslag op verhard oppervlak komt sneller tot afstroming en kan problemen opleveren. Om de waterbergingsopgave te bepalen, is gekeken naar de opgaves vanuit het beleid van het waterschap en de gemeente. Hierbij wordt bepaald welke opgave maatgevend is. In het ontwerp van de voorgenomen ontwikkelingen is een deel van de compensatie opgave al opgenomen en weergegeven in Tabel 4 3. In de tabel is te zien dat er water wordt gedempt en hoeveel water wordt aangelegd. blad 51 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding bedrijventerrein Halfweg
Gemeente Nissewaard Projectnummer
Tabel 4-3 Oppervlakten water gedempt en nieuw
Om te voldoen aan de eisen van het waterschap geldt een hoeveelheid nieuw oppervlaktewater van 6.521 m2 bij de eis van 14% plus 298 m2 voor het gedempte oppervlaktewater. Het totaal te graven oppervlaktewater komt daarmee op 6.819 m2. In het huidige ontwerp is voldoende oppervlaktewater als compensatie opgenomen, namelijk 6.820 m2. Een alternatief voor de aanleg van extra oppervlaktewater kan de toepassing van ondergrondse bergingsvoorzieningen zijn. Het vereiste volume is afhankelijk van de maximale peilstijging van de sloten die in dit gebied bij een T=100 situatie is toegestaan. Ook kan worden gekozen voor de toepassing van waterdoorlatende verharding bij bijvoorbeeld parkeervakken. Voor waterdoorlatende verharding is minder compensatie vereist. Tenslotte is een mogelijkheid om de uitgeefbare kavels iets te verkleinen en het oppervlaktewater iets verder te verbreden. Oppervlaktewater Om de benodigde compensatie te realiseren wordt er oppervlaktewater gerealiseerd. Naast de compensatie voor de toename van verharding is het ook nodig om te compenseren voor het dempen van de watergangen, zie Tabel 4 3. Er wordt 298 m2 oppervlaktewater gedempt. Dit betekent dat vooraf of gelijktijdig aan de demping de compensatie gerealiseerd moet worden. Het totale nieuw te realiseren oppervlaktewater is dus 6.820 m2.
Eisen voor watergangen zijn terug te vinden in AP-04 van de Nota toetsingskaders en beleidsregels voor het watersysteem 2014. Een wens van zowel het waterschap als de gemeente is dat de oevers worden ingericht als natuurvriendelijke oever. Voor de toegangsweg naar het bedrijventerrein en het station van Stedin wordt een watergang beduikerd. Hiervoor is een vergunning van het waterschap nodig. Grondwater Om het risico op grondwateroverlast te beperken dient de ontwateringsdiepte voldoende te zijn. De ontwateringsdiepte is de afstand tussen de gemiddeld hoogtegrondwaterstand en het straatpeil, het maaiveld en/of vloerpeil. Het huidige maaiveld is gemiddeld gelegen op een hoogte tussen NAP -0,5 en -1,0 m. De GHG ligt in de plangebieden tussen de 0,8 en 0,4 m onder maaiveld (mv) in het westelijke deel en tussen de 1,0 en 1,5 m onder maaiveld in het oostelijke deel. Voor stedelijk gebied wordt vaak een ontwateringsdiepte van 0,7 m aangehouden. In het westelijke deel van het blad 52 van 70