CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening Jeugdhulp Nissewaard 2026

Gemeenteraad 10 december 2025, gemeente NissewaardBij agendapunt: Verordeningen Maatschappelijke Ondersteuning, Jeugdhulp, Beschermd Wonen ZHE, Maatschappelijke Opvang en Vrouwenopvang21.860 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

welke doelen zijn nog niet behaald; f. waardoor deze doelen niet zijn behaald; g. of er tussentijds nieuwe doelen bij zijn gekomen en welke dit zijn; h. aan welke doelen de komende periode wordt gewerkt; i. op welke manier aan de doelen wordt gewerkt; j. hoeveel tijd nodig is om de doelen te behalen; k. welke afspraken er zijn gemaakt met de zorgverlener.

19

Hoofdstuk 8 Kwaliteit Artikel 8.1 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering 1. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke Cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; e. kosten voor bijscholing van het personeel. Artikel 8.2 Kwaliteitseisen jeugdhulpaanbieder en -verlener. 1. Onverminderd het bepaalde in paragraaf 4.1 van de Jeugdwet worden de volgende eisen gesteld aan de jeugdhulpaanbieder: a. de jeugdhulpaanbieder biedt hulp die veilig, doeltreffend en jeugdige-en oudergericht wordt verleend; b. de jeugdhulpaanbieder werkt actief en integraal samen met andere zorgverleners in het belang van de jeugdige en ouders; c. de jeugdhulpaanbieder werkt aantoonbaar aan de doelen van het ondersteunings- en pgbplan; d.

de jeugdhulpaanbieder is bij de gemeente niet bekend vanwege ondeskundige zorg, het handelen in strijd met relevante wetgeving of beleidsregels, misleiding of fraude. 2. De jeugdhulpaanbieder doet wat volgens de professionele standaard van hem verwacht mag worden om jeugdhulp doelgericht en doelmatig te verlenen. 3. Het college kan aan de hand van de in bijlage 4 genoemde kwaliteitseisen bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Artikel 8.3 Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de jeugdige en ouders ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. 2. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder. 3. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening, conform de in het vorige lid bedoelde regeling.

20

Hoofdstuk 9 Toezicht en handhaving Artikel 9.1 Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen en pgb’s en aanwijzing toezichthouder 1. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van individuele voorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan. 2. Het college wijst toezichthoudende ambtenaren aan die belast zijn met het houden van toezicht. 3. Eenieder is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder. Artikel 9.2 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 8.1.2 van de Jeugdwet doet een jeugdige of ouders aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing over een individuele voorziening of pgb. 2. In geval van terugvordering stuurt het college een factuur naar de pgb-aanbieder, die binnen vier weken moet worden voldaan. 3. De hoogte van de terugvordering is de gehele of de gedeeltelijke geldwaarde van het pgb dat in afwijking van de beschikking is besteed.

Hoofdstuk 10 Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 10.1 Evaluatie Het college evalueert periodiek het gevoerde beleid. Artikel 10.2 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van deze verordening leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Artikel 10.3 Nadere regels Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde in deze verordening. Artikel 10.4 Overgangsrecht Een jeugdige of ouders houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de in artikel 10.5 genoemde regeling, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. Artikel 10.5 Intrekking oude regeling De Verordening jeugdhulp Nissewaard 2024 wordt ingetrokken. Artikel 10.6 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026. Artikel 10.7 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp Nissewaard 2026. 21

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Nissewaard op 10 december 2025.

De griffier,

De voorzitter,

S. Mackaij

C.H.J. Lamers

22

Bijlage 1, bedoeld in artikel 1.1: begripsbepalingen Artikel 1.1 van de Jeugdwet bevat op 1 januari 2025 de volgende begripsbepalingen die voor deze verordening en de daarop berustende bepalingen van toepassing zijn: -

-

-

-

-

-

-

accommodatie: bouwkundige voorziening of deel van een bouwkundige voorziening met het daarbij behorende terrein, waar jeugdhulp wordt verleend door of namens een jeugdhulpaanbieder; bijzondere categorieën van persoonsgegevens: bijzondere categorieën van persoonsgegevens als bedoeld in paragraaf 3.1 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming; burgerservicenummer: burgerservicenummer als bedoeld in artikel 1 van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer; calamiteit: niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van de jeugdhulp en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een jeugdige of een ouder heeft geleid; college: college van burgemeester en wethouders; dossier: geheel van schriftelijk of elektronisch vastgelegde gegevens met betrekking tot de verlening van jeugdhulp aan een jeugdige of ouder of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering; familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren; gecertificeerde instelling: rechtspersoon die in het bezit is van een certificaat of voorlopig certificaat als bedoeld in artikel 3.4 en die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert; gekwalificeerde gedragswetenschapper:

gedragswetenschapper behorende tot een bij regeling van Onze Ministers aangewezen categorie; gesloten accommodatie: bouwkundige voorziening of deel van een bouwkundige voorziening met het daarbij behorende terrein, waar gesloten jeugdhulp wordt verleend; gesloten jeugdhulp: opname, verblijf en jeugdhulp op basis van een machtiging als bedoeld in de artikelen 6.1.2, 6.1.3 of 6.1.4; geweld bij de verlening van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering: lichamelijk, geestelijk of seksueel geweld jegens een jeugdige of een ouder, of bedreiging daarmee, door iemand die werkzaam is voor de jeugdhulpaanbieder of een gecertificeerde instelling, of door iemand die werkzaam is voor een rechtspersoon die in opdracht van de aanbieder of gecertificeerde instelling jeugdhulp verleent of door een andere jeugdige of ouder met wie de jeugdige of ouder gedurende het etmaal of een dagdeel bij de aanbieder verblijft; huiselijk geweld: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

23

-

hulpverleningsplan: plan betreffende de verlening van jeugdhulp als bedoeld in artikel 4.1.3 en hoofdstuk 6; - inlichtingenbureau: als zodanig door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangewezen instelling die is belast met de coördinatie en dienstverlening ten behoeve van de colleges bij de verwerking van gegevens, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van taken van de colleges op het gebied van de Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; - jeugdarts: arts die als jeugdarts KNMG is ingeschreven in het door het College Geneeskundig Specialismen van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst ingestelde profielregister jeugdgezondheidszorg; - jeugdgezondheidszorg: jeugdgezondheidszorg als bedoeld in artikel 1 van de Wet publieke gezondheid; - jeugdhulp: i. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen; ii.

het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en iii. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht; - jeugdhulpaanbieder: i. natuurlijke persoon die, het verband van natuurlijke personen dat of de rechtspersoon die bedrijfsmatig jeugdhulp doet verlenen onder verantwoordelijkheid van het college; ii.

solistisch werkende jeugdhulpverlener onder verantwoordelijkheid van het college; - jeugdhulpverantwoordelijke: degene die behoort tot een bij regeling van Onze Ministers aangewezen categorie van deskundigen en die door de jeugdhulpaanbieder als jeugdhulpverantwoordelijke is aangewezen, verantwoordelijk voor de uitvoering van de jeugdhulp en de toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen in een gesloten accommodatie; - jeugdhulpverlener: natuurlijke persoon die beroepsmatig jeugdhulp verleent - jeugdige: persoon die: i. de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt; ii. de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht; 24

iii.

de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van eenentwintig jaar heeft bereikt voor zover de te verlenen jeugdhulp uit pleegzorg bestaat, indien: - de pleegzorg was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, of - de pleegzorg die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar binnen een termijn van een half jaar na beëindiging wordt hervat, of iv. onverminderd onderdeel iii., de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van deze wet: - is bepaald dat de voortzetting van jeugdhulp als bedoeld in onderdeel 1° van de begripsbepaling van jeugdhulp, waarvan de verlening was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, noodzakelijk is; - vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar is bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is, of - is bepaald dat na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van een half jaar hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is; - jeugdreclassering: reclasseringswerkzaamheden, genoemd in artikel 77hh, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, begeleiding, genoemd in artikel 77hh, tweede lid, van dat wetboek en het begeleiden van en toezicht houden op jeugdigen die deel nemen aan een scholings- en trainingsprogramma als bedoeld in

artikel 3 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het geven van de aanwijzingen, bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van die wet, of de overige taken die bij of krachtens de wet aan de gecertificeerde instellingen zijn opgedragen; - kinderbeschermingsmaatregel: voogdij en voorlopige voogdij op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 255, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en voorlopige ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 257, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; - kindermishandeling: elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel; - maatschappelijke ondersteuning: maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; - medisch specialist: geneeskundig specialist die als specialist is ingeschreven in een door het College Geneeskundig Specialismen van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst ingestelde register als bedoeld in artikel 14 van de

Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg; - onze Ministers: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Veiligheid en Justitie tezamen; - opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen: i. psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen;

25

ii.

beperkingen in de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie in verband met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem bij een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, en iii. een tekort aan zelfredzaamheid in verband met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking bij een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt; - ouder: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder; - persoonsgegevens, gegevens over gezondheid, verwerking, bestand, onderscheidenlijk verwerkingsverantwoordelijke: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 4 van de Algemene verordening gegevensbescherming; - persoonsgegevens van strafrechtelijke aard: persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming; - plan van aanpak: plan betreffende de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering als bedoeld in artikel 4.1.3; - pleegouder: persoon die een jeugdige die niet zijn kind of stiefkind is, als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt en daartoe een pleegcontract als bedoeld in

artikel 5.2, eerste lid, heeft gesloten met een pleegzorgaanbieder; - pleegoudervoogd: pleegouder die tevens belast is met voogdij als bedoeld in boek 1 Burgerlijk Wetboek; - pleegzorg: vorm van jeugdhulp waarbij een pleegouder een jeugdige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt; - pleegzorgaanbieder: jeugdhulpaanbieder die pleegzorg biedt; - preventie: op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met of jeugdigen met een risico op psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking of van de ouders met of met een risico op opvoedingsproblemen; - strafrechtelijke beslissing: beslissing van de officier van justitie of van de rechter met toepassing van titel VIII A van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht, met toepassing van de vijfde titel van Hoofdstuk 2 of de vijfde titel van Hoofdstuk 6 van Boek 6 van het Wetboek van Strafvordering, of een beslissing als bedoeld in artikel 493 van het Wetboek van Strafvordering; - Veilig Thuis: Veilig Thuis-organisatie als bedoeld in artikel 4.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; - vertrouwenspersoon: i.

persoon die beroepsmatig of niet incidenteel als vrijwilliger jeugdigen, ouders of pleegouders op hun verzoek ondersteunt bij de uitoefening van hun rechten jegens het college, de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling, voor zover deze rechten samenhangen met de in deze wet geregelde onderwerpen; ii. die onafhankelijk is van het college, de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling waarmee de jeugdige, zijn ouders of zijn pleegouders te maken hebben, en iii. voor wie een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is afgegeven; - verwijsindex: verwijsindex risicojongeren als bedoeld in artikel 7.1.2.1; 26

-

woonplaats: i. de gemeente waar de jeugdige zijn woonadres, bedoeld in artikel 1.1, onder o, van de Wet basisregistratie personen, heeft; ii. ingeval een jeugdige verblijft bij een jeugdhulpaanbieder, pleegouder, in een instelling voor opvang of beschermd wonen als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, in een instelling voor verblijf als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onder a, van de Wet langdurige zorg, in een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in artikel 3a van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, of ingeval van jeugdhulp of jeugdreclassering in verband met het verblijf in een justitiële jeugdinrichting: de gemeente waar de jeugdige onmiddellijk voorafgaand aan zijn verblijf zijn woonadres, bedoeld in artikel 1.1, onder o, van de Wet basisregistratie personen, had; iii. ingeval de woonplaats niet op grond van de onderdelen 1° en 2° kan worden vastgesteld of ingeval bij het in de basisregistratie personen opgenomen woonadres een aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 2.26 van de Wet basisregistratie personen: de gemeente waar de moeder van de jeugdige ten tijde van diens geboorte als ingezetene was ingeschreven in de basisregistratie personen, of, indien dit niet kan worden vastgesteld, de gemeente waar de jeugdige werkelijk verblijft op het moment van de hulpvraag; iv.

ingeval de woonplaats buiten Nederland is: de gemeente waar de jeugdige werkelijk verblijft op het moment van de hulpvraag.

27

Bijlage 2, bedoeld in artikel 3.3 Gebruikelijke en boven gebruikelijke hulp Herken ‘normale’ en ‘ernstige’ opvoedproblemen De opvoedvragen, -problemen en -zorgen van ouders variëren per gezin, tijdsbestek en sociale omstandigheden. De ontwikkelings- leeftijd van kinderen is verbonden aan bepaalde problemen in de opvoeding. Professionals moeten hiervan op de hoogte zijn om ouders goed te kunnen begeleiden. In onderstaande tabel is aan de hand van ontwikkelingsfasen een overzicht weergegeven van ‘normale’ en ‘ernstige’ opvoedproblemen. Leeftijd

±0–2 jaar

±2–4 jaar

± 5 – 12 jaar

± 12 – 19 jaar

Ontwikkelingsopgave kind

Opvoedingsopgave ouder

‘Normale’ problemen

Ernstige problemen

- Fysiologische zelfregulatie - Veilige hechting - Exploratie -Autonomie/individuatie

- Soepele verzorging - Sensitieve responsieve interactie bieden - Beschikbaarheid - Ruimte en steun geven

- Voedingsproblemen - Slaapproblemen - Scheidingsangst - Angst voor vreemden, donker, geluiden

- Eet-/slaapstoornis - Reactieve hechtingsstoornis - Huilbaby

- Uitdrukkingsvaardigheden (o.a. taal) - Constructieve omgang met leeftijdsgenoten - Internaliseren van eisen (w.o. zindelijkheid)

- Sensitiviteit voor cognitief niveau - Positieve bevestigende omgang - Omgaan met ambiguïteit kind - Gehoorzamen

- Inlevingsvermogen - Schoolvaardigheden - IJver (‘industry’) - Acceptatie door leeftijdsgenoten

- Ruimte geven voor omgang leeftijdsgenoten - Schools onderricht - Waardering voor schoolwerk - Democratische en warme opvoedingsstijl

- Angst voor vreemden, donker, geluiden - Koppigheid - Driftbuien - Agressie - Ongehoorzaamheid - Druk gedrag/overactiviteit - Sekserol-/identiteitsangst - Niet zindelijk - Ruzies - Concentratieproblemen - Laag prestatieniveau - Schoolweigering - Incidenteel stelen/vandalisme - Ritualistisch gedrag

- Scheidingsangst - Fobische/sociale angst - Taal-, spraak-, motoriekstoornis - Onzindelijkheid - ADHD - Gedragsstoornis gezin - Oppositionele gedragsstoornis jonge kind - Bedplassen - Leerstoornissen - Sociale terugtrekking - Schoolweigering - Geslachtsidentiteitsstoornis - Vroege delinquentie - Neurose, somatoforme stoornis

- Emotionele/praktische zelfstandigheid - Omgaan met eigen/andere sekse - Ontwikkeling waardesysteem (persoonlijkheid, school, beroep, samenleving)

- Emotionele steun bieden - Tolerantie voor experimenten - Leeftijdsadequate grenzen stellen - Voorbeeldfunctie vervullen - Meer gelijkwaardige relatie aangaan

- (Alcohol, drugs) - Twijfels over identiteit/toekomst - Zorgen over uiterlijk - Problemen met autoriteiten - Incidenteel spijbelen

- Misbruik alcohol, drugs - Stoornis in identiteit - Anorexia/boulimia (nerv.) - Seksuele oriëntatie stoornis - Suïcide - Oppositionele gedragsstoornis - Gedragsstoornis in groepsverband - Delinquentie - Schooluitval

Overgenomen uit: Nederlands Jeugdinstituut (z.j.). Allemaal opvoeders: weet wat werkt bij opvoedvragen. https://www.nji.nl/system/files/2021-05/Allemaal-opvoeders.pdf

28

Bijlage 3, bedoeld in artikel 3.3 Gebruikelijke en boven gebruikelijke hulp Ontwikkelingstaken voor kinderen van 0 tot 2 jaar De belangrijkste ontwikkelingstaak voor het kind is in deze periode het opbouwen van een veilige gehechtheidsrelatie met een of meer volwassenen. Veilig gehechte kinderen kunnen hun opvoeder gebruiken als veilige basis van waaruit zij hun omgeving kunnen verkennen. In de loop van het tweede jaar worden autonomie en individuatie steeds belangrijker. Het kind gaat steeds meer initiatief nemen en kan onafhankelijk van de opvoeder succes en bevrediging bereiken. In deze periode wordt de basis gelegd voor vertrouwen in anderen en voor vertrouwen in de eigen competentie.

Taken en vaardigheden van 0 tot 2 jaar: - Veilige hechting: het zoeken van nabijheid bij een ouder of opvoeder, het ervaren van continuïteit, het gebruiken van ouders en opvoeders als veilige basis; - Lichaamsbeheersing en fysiologische zelfregulatie: zindelijkheid, zien, horen, eten, drinken, objecten vastpakken, zitten, kruipen, lopen en klauteren; - Omgaan met ouder(s) en familie: onderscheid maken tussen ouder en een vreemde, zonder paniek alleen kunnen zijn; - Exploratie en spelen: doelgericht spelen met voorwerpen, spelen naast andere kinderen; - Autonomie & individuatie: dingen zelf doen, weten dat je een individu bent met eigen wensen en voorkeuren, verschuiving van externe regulatie (door opvoeders) naar zelfsturing/zelfregulatie. Ontwikkelingstaken voor kinderen van 2 tot 4 jaar In deze periode ontwikkelt het kind het vermogen zich iets voor te stellen dat er niet meer is, evenals het vermogen tot imitatie. Ook komt de taalontwikkeling op gang. Er is sprake van een duidelijke opbouw van kennisstructuren en symbolische of representationele vaardigheden (begin van ‘alsofspel’, probleemoplossend spel, oog voor verhaaltjes en dagelijkse routines). In de loop van het derde jaar beginnen leeftijdgenootjes een rol te spelen (begin van samenspelen).

De peuter moet in staat zijn constructief met leeftijdgenootjes om te gaan en niet voortdurend in conflict met of afzondering van hen te zijn. Dit vereist ook communicatieve vaardigheden. In deze periode ontwikkelt het kind ook het vermogen om zich aan te passen aan de eisen die opvoeders stellen (socialisatie), eerst op grond van externe regulatie en vervolgens door middel van zelfcontrole van het kind (zindelijkheid, impulscontrole, afblijven van sommige dingen). De zelfredzaamheid neemt toe (bijvoorbeeld zelf eten, aankleden, smartphone of tablet bedienen). Tenslotte is ook de identificatie met de sekserol als jongen en meisje een centraal thema in deze periode. Taken en vaardigheden van 2 tot 4 jaar: - Taalvaardigheden: gesproken taal begrijpen, zinnen maken, een boodschap overbrengen, iets vertellen; voor kinderen met migrantenachtergrond Nederlands als tweede taal leren. - Zelfsturing/zelfregulatie; kunnen beheersen van emoties en gedrag, bijvoorbeeld behoeften uitstellen, impulsen controleren, irrelevante of onaangepaste prikkels onderdrukken (inhibi- tie) en omgaan met frustratie. - Constructieve omgang met leeftijdgenoten: samen spelen, initiatief nemen, iets delen. - Zelfredzaamheid: met bestek eten, zichzelf wassen, jezelf aan- en uitkleden. - Sekserol: identificatie met de rol als jongen en meisje.

29

Ontwikkelingstaken voor kinderen van 4 tot 6 en 6 tot 12 jaar In deze periode neemt de autonomie verder toe. Dit uit zich in de kleuterperiode ook in het snel toenemend vermogen van het kind om voor zichzelf te zorgen (zichzelf wassen en aan- en uitkleden, eten). Bij kleuters komt de gewetensontwikkeling en ontwikkeling van schaamtegevoelens op gang. Verder begint vanaf circa 7 jaar het vermogen tot decentratie (andermans perspectief leren zien) zich te ontwikkelen. In de omgang met leeftijdgenoten moet het kind leren zijn egocentrische houding steeds meer te laten varen. Het vermogen om wederkerige relaties op te bouwen met vriendjes en vriendinnetjes en het geaccepteerd worden door de groep is dan een belangrijke ontwikkelingstaak. Tot slot wordt het kind in deze periode geconfronteerd met de maatschappelijke eis om te leren lezen, schrijven en rekenen. Daarnaast moet het zich in de schoolse situatie een taakhouding eigen maken om zich gedurende (steeds) langere tijd te concentreren op schoolse taken. In de omgang met de leerkracht is het noodzakelijk om de leerling rol aan te nemen. Met toenemende cognities en sociaal- emotionele ervaringen kunnen kinderen steeds beter een moreel standpunt innemen over wat goed, slecht, eerlijk of onrechtvaardig is. Hun vermogen om fantasie en werkelijkheid van elkaar te onder- scheiden wordt steeds genuanceerder.

Vanaf circa 9 jaar zijn kinderen in staat om hun eigen ideeën, fantasieën en gedachten te beschouwen en daar emotioneel afstand van te nemen. Taken en vaardigheden van 4 tot 6 jaar: - Schoolse vaardigheden/deelname basisonderwijs: concentratie, taalvaardigheid, opdrachten leren uitvoeren, in groepsverband functioneren; - Taakgerichtheid: langere tijd met een taak bezig zijn, actieve leerhouding; - Gebruik van digitale apparaten die meer motorische vaardigheden verlangen en van de digitale wereld; - Zich gezinsnormen eigen maken, leren je aan regels te houden; - Omgang met leeftijdgenoten: vriendschappen sluiten, samen spelen, initiatief nemen, voor jezelf opkomen. - Gewetensontwikkeling; - Ontwikkeling van schaamtegevoelens; - Nemen van deelverantwoordelijkheden thuis: uitvoeren van kleine taakjes, zorgen voor huisdieren.

Taken en vaardigheden van 6 tot 12 jaar: - Vergroten zelfstandigheid ten opzichte van ouders/opvoeders: privacy, een eigen mening en verantwoordelijkheid; - Gebruik van basale infrastructuren: vervoer, geld, vrije tijdsvoorzieningen, digitale apparaten en de digitale wereld (internet en sociale media); - Zelfsturing/zelfregulatie: herkennen en bijsturen van emoties: herkennen en benoemen van eigen gevoelens, risicovolle impulsen opmerken, beheersen of bijsturen; - Schoolse vaardigheden: taal- en communicatievaardigheden, in groepsverband functioneren, concentreren op taken, schoolse vaardigheden (lezen, schrijven, rekenen) eigen maken; - Relaties met leeftijdgenoten: aanknopen en onderhouden van wederkerig vriendschappen, geven en nemen in spel, eenvoudige conflicten oplossen, laten merken dat je de ander aardig vindt, vanaf ongeveer 8 jaar sociale media benutten voor contacten; - Zich verplaatsen in anderen: je inleven in situaties die je niet zelf meemaakt, de bedoelingen en belangen kunnen inschatten van andere kinderen en van volwassenen, rekening houden met wensen/belangen van anderen. Ontwikkelingstaken voor jongeren van 12 tot 16 jaar In deze periode staat een verdergaande emotionele zelfstandigheid van het kind centraal. De overgang naar het voortgezet onderwijs geeft daarvoor een belangrijke aanzet. Ook treden er in deze 30

periode lichamelijke veranderingen op, die het begin van de puberteit markeren. Het kind moet ten opzichte van het eigen lichaam, ten opzichte van leeftijdgenoten en ten opzichte van de ouders een nieuwe eigen positie gaan innemen. Het kind wordt minder afhankelijk van de ouders en de vriendengroep wordt zijn referentiekader. Seksualiteit gaat een steeds grotere rol spelen in de omgang met leeftijdgenoten. Het (leren) aangaan en onderhouden van sociale contacten en vriendschappen staan in deze periode centraal. Een en ander leidt tot een nieuw waardensysteem en een nieuw gevoel van persoonlijke identiteit en het ontwikkelen van een positieve houding ten opzichte van opleiding, beroepskeuze en samenleving.

Taken en vaardigheden van 12 tot 16 jaar: - Cognitieve flexibiliteit: regels kunnen toepassen in nieuwe situaties; - Positie ten opzichte van de ouders: minder afhankelijk worden van de ouders en het bepalen van een eigen plaats binnen de veranderende relaties in het gezin en de familie, risico’s durven nemen en eigen grenzen leren trekken; - Onderwijs of werk: kennis en vaardigheden opdoen om later een beroep te kunnen uitoefenen en een keuze maken ten aanzien van werk; - Vrije tijd: zelfstandig activiteiten in de vrije tijd kunnen ondernemen en de tijd zinvol kunnen doorbrengen (op tijd kunnen stoppen, compulsief gedrag weten te vermijden); - Autoriteit en instanties: accepteren dat er instanties en personen boven je gesteld zijn, binnen geldende regels en codes opkomen voor eigen belang; - Gezondheid en uiterlijk: zorgen voor goede voeding en een goede lichamelijke conditie, een uiterlijk waar je je prettig bij voelt en het inschatten en vermijden van risico’s.

- Sociale contacten en vriendschappen: contacten leggen en onderhouden, oog hebben voor wat contacten met anderen kunnen opleveren, je openstellen voor vriendschap, vertrouwen geven en nemen, wederzijdse acceptatie; - Sociale media en internet: zelfstandig (zonder hulp van ouders) informatie vinden en delen, informatie en berichten wegen, onderscheid maken tussen de virtuele en de reële werkelijkheid, gevaren onderkennen; - Intimiteit en seksualiteit: seksualiteit integreren in je persoonlijkheid, ontdekken wat mogelijkheden, wensen en grenzen zijn bij jezelf en bij anderen. Ontwikkelingstaken voor jongeren van 16 tot 23 jaar In deze periode vindt de overgang van jeugd naar volwassenheid plaats. De jongere komt los van het ouderlijk gezag en zoekt zijn weg naar onafhankelijkheid, zelfstandigheid en zelfredzaamheid. De jongere ontwikkelt zijn eigen identiteit met eigen waarden en normen, duidelijke meningen en standpunten. Emotionele stabiliteit neemt in deze periode ook toe. Studie- en beroepskeuze, werk en op eigen benen leren staan (financieel onafhankelijk worden, op kamers gaan en zelfstandig huishouden voeren) staat in deze periode centraal. Ook worden duurzame vriendschappen en (intieme)relaties aangegaan.

Taken en vaardigheden van 16 tot 23 jaar: - Cognitieve flexibiliteit: regels kunnen toepassen in nieuwe situaties; - Onderwijs of werk: een opleiding afronden met een diploma/arbeidskwalificatie, een baan vinden, omgaan met collega’s en leidinggevende; - Eigen woonsituatie: zorgdragen voor je eigen kamer en spullen, omgaan met huisgenoten, zoeken van en zorgdragen voor een plek waar je goed kunt wonen, zorgdragen voor voldoende financiële middelen; - Emotionele zelfstandigheid: vanuit zelfstandigheid contact met ouders en andere familieleden opnieuw vormgeven; 31

-

Leren omgaan met andere of tegenstrijdige verwachtingen van gezin en omgeving (geldt m.n. voor jeugd met niet-westerse migratieachtergrond) en inschatten welke vaardigheden in welke culturele context passend zijn; Sociale contacten en vriendschappen: contacten opbouwen en onderhouden, duurzame vriendschappen aangaan waarbij de kwaliteit van de vriendschappen belangrijker is dan het aantal (online) vrienden; Intimiteit en seksualiteit: aangaan van en ervaring opdoen met (duurzame) Relaties; Vrije tijd: ondernemen van activiteiten in de vrije tijd en het zinvol en prettig doorbrengen van de tijd waarin je geen verplichtingen hebt; Zelfredzaamheid: de weg weten en voor jezelf opkomen ten aanzien van allerlei instanties en regels waarmee je als meerderjarige te maken krijgt; Gezondheid en uiterlijk: zelfstandig zorgdragen voor een goede lichamelijke conditie, goede voeding en het inschatten en vermijden van risico’s.

Overgenomen uit rapportage NJI 4 december 2020, Opgroeien en opvoeden, normalen uitdagingen voor kinderen, jongeren en hun ouders.

32

Bijlage 4, bedoeld in artikel 8.2, derde lid: Kwaliteitseisen jeugdhulpaanbieder en -verlener op basis van het Kwaliteitskader: Jeugdwet, WMO gemeente Nissewaard d.d. 1 januari 2023 versie 1.1 Werken aan kwaliteit in het Sociaal Domein is werken aan verbetering, een voortdurende zoektocht van cliënt, aanbieder en gemeente naar wat goed is en wat beter kan, wat hiervoor nodig is en hoe een verbetering standhoudt. Kwaliteit moet merkbaar zijn voor de jeugdige of de ouder. Onze professionals zijn bevlogen en hebben kennis van zaken. Inzet erkende methodieken De zorgaanbieder dient bij voorkeur methodieken en interventies in te zetten die onafhankelijk zijn onderzocht en daarbij effectief zijn bevonden. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van interventies en methodieken die zijn opgenomen en beschreven in een van volgende databanken, of vergelijkbaar. • Movisie: Databank Effectieve Sociale Interventies. • Nederlands Jeugd Instituut: Databank Effectieve Jeugdinterventies. • Trimbos Instituut: Databank Erkende interventies GGZ. Met vergelijkbaar wordt bedoeld een databank of erkenningsregeling die op een met de werkwijze van Movisie, NJI of Trimbos instituut overeenkomstig protocol tot een onafhankelijke, goed geborgde en deskundige beoordeling komt van interventies en deze kenbaar maakt door middel van een actueel, transparant en goed toegankelijk openbaar register.

Het werken met erkende methodieken, of vergelijkbaar, houdt onder meer in dat de zorgaanbieder de ondersteuning uitvoert op een doelgerichte, planmatige en geordende wijze. De zorgaanbieder plant en bewaakt de voortgang van de ondersteuning en is op verzoek van de gemeente bereid en in staat om te rapporteren over de voortgang van de ondersteuning en de mate waarin stappen zijn gezet naar de te bereiken resultaten. De gemeente behoudt zich het recht voor om interventies die niet zijn opgenomen in een van de genoemde databanken, of vergelijkbaar, te beoordelen op de vraag of deze een voldoende en aantoonbare bijdrage leveren aan het wegnemen van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. Algemene uitgangspunten. Bij het inzetten van ondersteuning gelden de volgende algemene uitgangspunten. 1. Het realiseren van zoveel mogelijk integrale begeleiding of behandeling. 2. Het waar mogelijk realiseren van afschaling, dat wil zeggen overgang naar een lichtere vorm van ondersteuning zodra dit verantwoord is. 3. De zorgaanbieder maakt gebruik van de eigen kracht van de cliënt, de ouder of de mantelzorger en probeert deze eigen kracht zo veel mogelijk te bevorderen. 4. De zorgaanbieder hanteert een systeemgerichte aanpak en zet in op de versterking van het systeem rondom de jeugdige of de ouder. 5.

Ondersteuning vindt zo veel mogelijk plaats in de vertrouwde omgeving van gezin, school en buurt.

33

Kwaliteit van de ondersteuning De zorgaanbieder draagt er zorg voor dat de ondersteuning van goede kwaliteit is. Een voorziening wordt in elk geval: 1. veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht verstrekt; 2. afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige en ouder en op andere vormen van ondersteuning of hulp die de jeugdig of ouder ontvangt. 3. verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard. 4. verstrekt met respect voor en inachtneming van de (wettelijke) rechten van de jeugdige of ouder zoals onder andere het recht op privacy, het recht op vrijheid van meningsuiting et cetera. Kwaliteit vormgeven binnen een Open House – aanbod 1. Een Open House – aanbod betekent dat de jeugdige of ouder de aanbieder kiest die bij hem past. Bij keuze uit meerdere aanbieders wordt de aanbieder gestimuleerd om zich te onderscheiden op kwaliteit. Een belangrijke voorwaarde bij dit kenmerk is dat jeugdige en ouder de kwaliteit kunnen inschatten en ernaar handelen. 2. Een Open House – aanbod betekent dat je kunt inspelen op ontwikkelingen en kunt sturen op ambities. De mogelijkheid tot aanpassen stimuleert dat de gemeente haar ambities meetbaar wil maken en dit wil matchen met het aanbod dat wordt aangeboden.

Een belangrijke voorwaarde bij dit kenmerk is dat vanuit de drie-eenheid (cliënt, gemeente, aanbieder) gesproken wordt over kwaliteit en dat we daar gezamenlijk van leren. De focus ligt op vanuit samenwerking verbeteren. Signaleringsfunctie De zorgaanbieder heeft een brede signaleringsfunctie. Hieronder wordt verstaan dat de zorgaanbieder zo snel als redelijkerwijs mogelijk is overlegd met de gemeente of andere verwijzers als de zorgaanbieder op basis van zijn eigen professionele oordeel constateert dat sprake is van een of meer van de volgende situaties. 1. Het systeem van de jeugdige of ouder kan op een intensievere manier een rol spelen bij het behalen van de doelen of resultaten zoals opgenomen in het ondersteuningsplan van de jeugdige of ouder. 2. Het geboden segment is niet voldoende dan wel te uitgebreid om de doelen of resultaten vastgesteld in het ondersteuningsplan van de jeugdige of ouder te bereiken. 3. De doelen opgenomen in het zorgplan van de jeugdige of ouder zijn niet passend bij de behoefte, situatie, omgeving of mogelijkheden van de jeugdige of ouder. 4. Er is een ondersteuningsvraag van andere aard, zoals schulden, werk of verslaving. 5. De jeugdige of ouder vermijdt noodzakelijke ondersteuning.

Signalering inzake huiselijk geweld en kindermishandeling De zorgaanbieder voert de opdracht uit met in achtneming van de actuele Meldcode voor Huiselijk Geweld en Kinderminshandeling. De zorgaanbieder maakt gebruik van het voor de sector waarin hij werkzaam is toepasselijke afwegingskader. Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond is het advies- en meldpunt voor huiselijk geweld of kindermishandeling voor onder andere de gemeente Nissewaard. Veilig Thuis is 24/7 gratis bereikbaar op telefoonnummer 0800-2000 of via de website.

34

Samenwerking met andere professionals De zorgaanbieder zorgt voor een goede samenwerking met andere professionals. De zorgaanbieders zijn verplicht om samen te werken op basis van de volgende principes. 1. In de samenwerking ligt de focus op het in het ondersteuningsplan geformuleerde doel of resultaat. Dit overstijgt de eigen belangen van de zorgaanbieder. 2. Het belang van de cliënten staat voorop in de samenwerking. 3. De zorgaanbieders verdiepen zich in elkaars ervaring, kennis, vaardigheden. 4. Bij onvrede, onduidelijkheid, frustratie, onenigheid of een vergelijkbare situatie gaan zorgaanbieders proactief een open gesprek aan om te achterhalen wat de wederzijds beweegredenen en belangen zijn en streven gezamenlijk naar een bevredigende oplossing.

35

Toelichting op de Verordening jeugdhulp Nissewaard 2026 Algemene toelichting Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. De Jeugdwet kent een voorzieningenplicht voor de gemeente; de jeugdhulpplicht. Deze houdt kort gezegd in dat het college een jeugdhulpvoorziening moet treffen als de jeugdige of ouders dit nodig hebben bij problemen met het opgroeien, de zelfredzaamheid of deelname aan de maatschappij. De aard en omvang van deze voorzieningenplicht wordt in beginsel door de gemeente bepaald (maatwerk). De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt: ₋ ₋ ₋ ₋ ₋ ₋ ₋

over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan

Artikel 2.9 van de Jeugdwet is niet uitputtend geformuleerd en biedt daarom ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of op grond van de Jeugdwet nog andere regels te stellen. Daarnaast kan de gemeenteraad op grond van artikel 8.1.1 lid 3 van de Jeugdwet bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Informatie, ondersteuning en doorverwijzing De afzonderlijke wetten in het sociaal domein voorzien niet in een uniforme en integrale toegang. Om toch tegemoet te komen aan het beleidsvoornemen van de gemeente om inwoners zo veel mogelijk integraal te ondersteunen, is in dit artikel een zorgplicht voor het college opgenomen. Het college bevordert de zelfredzaamheid en participatie van inwoners door hen laagdrempelig te ontvangen en te ondersteunen bij het verhelderen van hun ondersteuningsvraag. Dit proces van vraagverheldering heeft tot doel om samen met de inwoner duidelijk te krijgen welke behoefte er speelt en bij welk domein of welke voorziening een passende oplossing gezocht kan worden. Daarmee wordt onderscheid gemaakt tussen vraagverheldering enerzijds en het meer verdiepende onderzoek binnen een specifiek domein anderzijds. Het is belangrijk dat inwoners op begrijpelijke wijze geïnformeerd worden over het gemeentelijk 36

beleid en de uitvoering van de wettelijke taken in het sociaal domein. Daarmee wordt beoogd dat inwoners – ongeacht hun specifieke ondersteuningsvraag – weten waar zij terecht kunnen, welke rechten en mogelijkheden er zijn en hoe het vervolgtraject eruit kan zien. Het college heeft op grond van diverse wettelijke bepalingen een informatieplicht met betrekking tot onafhankelijke ondersteuning. Zo volgt uit artikel 2.5 van de Jeugdwet dat jeugdigen, ouders en pleegouders tijdig geïnformeerd moeten worden over de mogelijkheid gebruik te maken van een vertrouwenspersoon. Artikel 4.1.1 van het Besluit Jeugdwet schrijft voor dat deze informatie in ieder geval betrekking heeft op: • de onafhankelijke rol van de vertrouwenspersoon; • de aard van de ondersteuning door een vertrouwenspersoon; • de vertrouwelijkheid van die ondersteuning; • het feit dat de ondersteuning kosteloos is; en • de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de vertrouwenspersoon. Daarnaast bepaalt artikel 2.2.4 van de Wmo 2015 dat het college onafhankelijke cliëntondersteuning beschikbaar stelt. Op grond van artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo 2015 moet het college inwoners actief wijzen op de mogelijkheid om hiervan gebruik te maken. Deze cliëntondersteuning beperkt zich niet uitsluitend tot de Wmo, maar kan ook betrekking hebben op andere wetten in het sociaal domein.

Om die reden is deze informatieverplichting in dit derde lid van het artikel expliciet benoemd. Artikel 1.3 Wettelijke begripsbepalingen De begripsbepalingen uit artikel 1.1 van de Jeugdwet zijn opgenomen in bijlage 1, waardoor ze bij het raadplegen van de verordening bij de hand zijn.

Hoofdstuk 2 Afstemming van jeugdhulp op wettelijke taken in het sociaal domein Artikelen 2.2 tot en met 2.7 Afstemming met andere vormen van hulp en ondersteuning Wanneer een jeugdige of ouder ondersteuning vraagt van de gemeente, zal afstemming plaatsvinden met het andere aanbod vanuit de gemeente. Afstemming op basis van de gezinssystematiek en problematiek. Afstemming betekent samenwerking om de problematiek binnen het gezin te verminderen of zelfs op te lossen. Als de hulp vanuit de Jeugdwet niet volstaat, dan zal ook de overgang naar hulp vanuit een andere wet goed afgestemd moeten worden. Jeugdigen mogen niet in een gat vallen waar beide wetten niet in elkaar overlopen. De gemeente moet dit voorkomen door samen te werken. Naast afstemming op bepaalde wetten is er ook een afbakening van de zorg- en dienstverlening binnen de reikwijdte van deze wetten. De afbakening geeft de grenzen aan tussen de wetten en waar deze bepaalde zorglichten van elkaar overnemen. De betreffende artikelen beogen duidelijk te maken welke hulp geboden kan worden op grond van de Jeugdwet en welke hulp op grond van een andere wet. Langs de weg van afstemming en afbakening wordt inzichtelijk welke jeugdhulp noodzakelijk is en hoe deze zo efficiënt mogelijk verleend kan worden.

Het gaat om maatwerk, om een tijdelijke ruggensteun, met het doel om zo snel als maar enigszins verantwoord is weer zelfstandig verder te gaan.

37

Artikel 2.5 Afbakening jeugdhulp en Wet passend onderwijs Persoonlijke verzorging op school kan binnen verschillende wetten vallen: - Als persoonlijke verzorging (op school) nodig is door gevolgen van ziekte e.d. valt dit onder de Zorgverzekeringswet (ZvW); - Als de leerling een Wlz-beschikking heeft valt dit onder de Wet langdurige zorg (Wlz); - Persoonlijke verzorging (op school) kan ook onder de Jeugdwet of het (passend) onderwijs vallen. In 2014 is door het CIZ de AWBZ-indicatiewijzer 7.1 opgesteld. Daarin staat wat onder de verantwoordelijkheid van het onderwijs valt (sinds invoering van de Wet passend onderwijs op 1 augustus 2014). De bekostiging van deze vorm van zorg binnen het onderwijs is sindsdien aangepast, maar de grens met de andere wetgeving is niet veranderd. Op grond van artikel 1.2, ld 1, onder b van de Jeugdwet, mag de gemeente een aanvraag voor jeugdhulp weigeren als er hulp kan worden verkregen op grond van een andere wet. Omdat in 2014 is bepaald welk gedeelte van persoonlijke verzorging onder de verantwoordelijkheid van het onderwijs valt, zal dat door de gemeente als een voorliggende voorziening worden beschouwd. De tabel hieronder laat zien welk deel van de persoonlijke zorg onder verantwoordelijkheid van de school valt.

Als er hulp nodig is die niet in deze tabel staat én als er geen recht is op hulp op basis van de Zvw of de Wlz, kan er een beroep worden gedaan op de Jeugdwet.

Hoofdstuk 3. Eigen Kracht en Gebruikelijke hulp De inzet van jeugdhulp is in eerste instantie bedoeld voor situaties waarin jeugdigen of hun ouders niet meer zelfstandig of met hulp van hun netwerk kunnen voorzien in de benodigde ondersteuning. Deze bepaling sluit aan op de Jeugdwet, die stelt dat hulp eerst afgestemd moet worden op de eigen mogelijkheden van het gezin. Artikel 3.2 Eigen kracht ‘Eigen kracht’ omvat de capaciteiten van ouders en jeugdigen om problemen zelf op te lossen, eventueel met hulp uit hun omgeving. Het gaat daarbij ook om het aanspreken van bijvoorbeeld vrijwilligers, mantelzorgers en aanvullende zorgverzekeringen.

38

Het college onderzoekt daarom eerst wat het gezin zelf kan doen. Alleen als deze mogelijkheden ontoereikend zijn, kan jeugdhulp worden ingezet. Daarbij wordt rekening gehouden met zaken als de draagkracht van ouders, hun belastbaarheid, en de gezinssituatie. Van ouders wordt verwacht dat zij in elk geval gebruikelijke hulp bieden. Dit is zorg die van ouders mag worden verwacht als onderdeel van hun opvoedende rol. Wanneer ouders méér doen dan gebruikelijk is, betekent dat niet automatisch dat zij recht hebben op een voorziening. Ook dan moet eerst beoordeeld worden of hun eigen kracht echt is overschreden. Individuele jeugdhulp wordt alleen verstrekt als de benodigde ondersteuning de gebruikelijke hulp overstijgt én het gezin dit niet zelf of met hulp uit het netwerk kan bieden. De hulp is bedoeld om de ontwikkeling en veiligheid van kinderen te bevorderen wanneer deze in gevaar komen, niet voor normale ontwikkelingsfasen. Geen voorziening wordt verstrekt voor het deel waarvoor eigen kracht of netwerk niet wordt ingezet, tenzij het kind hierdoor direct in gevaar komt. Artikel 3.3 Gebruikelijke en boven gebruikelijke hulp Ouders zijn in principe verantwoordelijk voor de zorg en ondersteuning van hun kinderen. Dit geldt zowel voor gebruikelijke hulp als, in veel gevallen, ook voor boven gebruikelijke hulp.

Gebruikelijke hulp gaat om de dagelijkse zorg die normaal is en past bij de leeftijd en ontwikkeling van een kind, zoals eten geven, naar school brengen of toezicht houden. Deze zorg hoort bij het ouderschap en is geen reden om jeugdhulp te krijgen. In de bijlage bij de verordening staat uitgewerkt wat precies onder gebruikelijke hulp wordt verstaan. Pas wanneer er sprake is van ernstige of langdurige problemen, kan jeugdhulp aan de orde zijn. Daarbij wordt gekeken of het gezin de situatie zelf aankan. Als ouders door een lichamelijke of verstandelijke beperking de gebruikelijke zorg niet (volledig) kunnen bieden, komt dat naar voren in het onderzoek. Voor boven gebruikelijke hulp geldt dat ouders in beginsel ook verantwoordelijk zijn. Alleen als deze hulp structureel en intensief is, en de draagkracht van ouders onvoldoende blijkt, kan het college een voorziening toekennen. Het college maakt daarbij onderscheid tussen: • Kortdurende situaties (bijvoorbeeld herstel na een ongeluk of operatie, maximaal drie maanden): ouders worden geacht deze hulp zelf te bieden; • Langdurige situaties (bijvoorbeeld een chronische aandoening): het college beoordeelt de draaglast, de draagkracht en het netwerk van de ouders. Alleen als blijkt dat ouders de zorg niet zelf kunnen bieden, ondanks redelijke inspanningen, kan jeugdhulp worden ingezet.

Daarbij worden alle omstandigheden van het gezin meegewogen, zoals gezinssamenstelling, inkomen, sociaal netwerk en de specifieke behoeften van het kind. Wat in redelijkheid van ouders en hun netwerk verwacht mag worden, gaat verder dan de normale of gangbare ondersteuning. Toch kan het voorkomen dat ouders de gebruikelijke hulp niet kunnen leveren, bijvoorbeeld bij jeugdigen met ernstige psychiatrische of verslavingsproblematiek, of wanneer ouders zelf een licht verstandelijke beperking hebben. Ook in zulke gevallen geldt dat eerst een beroep wordt gedaan op de eigen kracht en gebruikelijke hulp, voordat jeugdhulp wordt ingezet. Artikel 3.4 Overbelasting Overbelasting van ouders wordt serieus genomen, maar vormt niet zonder meer een reden voor jeugdhulp. Bij tijdelijke uitval van een ouder wordt verwacht dat de andere ouder de zorg overneemt, zo nodig met inzet van zorgverlof of kinderopvang. Ook het sociaal netwerk kan een rol spelen. 39

In eenoudergezinnen wordt gekeken naar beschikbare voorliggende voorzieningen. Alleen als deze onvoldoende zijn en de uitval direct samenhangt met de zorg voor de jeugdige, kan jeugdhulp overwogen worden. Bij langdurige uitval wordt een meer duurzame oplossing gezocht, bijvoorbeeld via de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg — jeugdhulp is dan niet aan de orde. Het college maakt expliciet onderscheid tussen overbelasting door de zorg voor het kind en overbelasting door andere factoren (zoals werkdruk of nevenactiviteiten). In dat laatste geval ligt de verantwoordelijkheid voor een oplossing bij de ouders zelf, bijvoorbeeld door het aanpassen van hun levensstijl of werk. Bij overbelasting door een drukke baan of nevenactiviteiten, zijn de ouders zelf verantwoordelijk voor een oplossing, bijvoorbeeld in aanpassingen in de leefsituatie, op het werk of in de nevenactiviteiten.

Hoofdstuk 4. Vormen van jeugdhulp Artikel 4.1 en 4.2 Algemene (vrij toegankelijke) en individuele voorzieningen Een voorziening voor jeugdhulp kan een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten. In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij toegankelijke) en individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een algemene voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de aanbieder van de algemene voorziening wenden. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. Voor deze niet vrij toegankelijke vormen van hulp zal eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze hulp daadwerkelijk nodig hebben. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. In deze verordening zijn de beschikbare algemene en individuele voorzieningen uitgewerkt in artikel 4.1 en 4.2. In dit artikel wordt ook vastgelegd dat individuele voorzieningen altijd tijdelijk en doelgericht worden ingezet. De maximale looptijd verschilt per voorziening, passend bij de aard en intensiteit van de ondersteuning.

Kortdurende en intensieve voorzieningen, zoals begeleiding complex of logeren, kennen een kortere looptijd. Voor voorzieningen met een meer structureel karakter, zoals medicatiecontrole of behandeling bij een beperking, is een langere termijn opgenomen. Door vaste termijnen te hanteren wordt planmatig gewerkt, vindt tijdige evaluatie plaats en blijft de inzet in lijn met het uitgangspunt van de Jeugdwet: hulp zo licht en kort mogelijk. Het college kan de looptijd alleen verlengen na evaluatie, als blijkt dat voortzetting noodzakelijk is. Hiermee wordt voorkomen dat voorzieningen automatisch worden doorgezet, en wordt steeds bekeken of lichtere of andere vormen van ondersteuning passend zijn.

40

Hoofdstuk 5 Toegang tot jeugdhulp De toeleiding naar jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden, te weten: ₋ ₋ ₋ ₋

via de gemeente na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts via de gecertificeerde instellingen, rechter, OM of justitiële jeugdinrichting (JJI) via Veilig Thuis

In deze toelichting lichten we de routes toe, die kunnen leiden naar toegang tot jeugdhulp. De in artikel 5.1 en 5.2 benoemde routes tot toegang zijn vormen waarvoor het college verplicht is een beschikking af te geven. In de routes die hieronder nog beschreven worden naast artikel 5.1 en 5.2 en 5.3, geeft de jeugdwet geen gemeentelijke invulling voor deze toegang. Om die reden is het ook niet apart benoemd in de verordening. Maar voor de volledigheid zijn deze routes wel in de toelichting opgenomen. Artikel 5.1 Toegang jeugdhulp via de gemeente Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder kan binnenkomen bij het toegangsteam van de gemeente. Het toegangsteam zal dan onderzoeken of en zo ja, welke jeugdhulp nodig is. Is een individuele voorziening nodig, dan geeft het college (althans een deskundige namens het college) daartoe een besluit af.Bij spoedeisende situaties wordt direct gehandeld en snel besloten. Dit gebeurt in afstemming met betrokken organisaties, zoals de Raad voor de Kinderbescherming en Veilig Thuis. In dergelijke gevallen geldt: eerst de noodzakelijke zorg, daarna zorgvuldig onderzoek. Artikel 5.2 Toegang via de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist.

In de praktijk zullen de huisarts, medisch specialist en jeugdarts vaak niet bepalen welke specifieke vorm van hulp nodig is, maar verwijzen naar een van de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. De jeugdhulpaanbieder beoordeelt vervolgens op basis van zijn professionele autonomie welke dienst van de jeugdhulpaanbieder passend is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Daarbij dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van zijn contract- of subsidierelatie, en met de regels die daarover zijn vastgelegd in deze verordening. De jeugdhulpaanbieder dient het plan in bij gemeente, de gemeente beoordeelt vervolgens het plan en legt deze naast de afspraken die zijn gemaakt met de jeugdhulpaanbieder in contract- of subsidieafspraken. Daarin is het belangrijk dat de gemeente geen oordeelt velt over de noodzaak van de hulp, maar wel of de hulp die beoogd wordt ook daadwerkelijk de beste zorg is voor de jeugdige. De gemeente stelt vervolgens een beschikking op, waarna de hulp kan starten.

Artikel 5.3 Verwijzing en beschikking door gecertificeerde instellingen In het kader van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering heeft de gecertificeerde instelling (GI) de wettelijke bevoegdheid om te bepalen of jeugdhulp noodzakelijk is en welke vorm passend is (artikel 3.5, eerste lid, Jeugdwet). Bij jeugdreclassering kunnen ook andere instanties, zoals de rechter, de officier van justitie, de directeur of selectiefunctionaris van een justitiële jeugdinrichting, besluiten dat jeugdhulp nodig is. De gemeente heeft in deze situaties een leveringsplicht (artikel 2.4, tweede lid, onderdeel b, Jeugdwet): zij moet ervoor zorgen dat de door de GI of andere bevoegde instantie noodzakelijk geachte jeugdhulp beschikbaar komt. Dit laat onverlet dat de gemeente haar verantwoordelijkheid behoudt voor de organisatie, inkoop en financiering van jeugdhulp. 41

Het voorgeschreven overleg tussen de GI en het college waarborgt dat de inzet van jeugdhulp wordt afgestemd op het beschikbare gecontracteerde aanbod en de lokale beleidsuitgangspunten. Wanneer de GI een voorziening noodzakelijk acht die buiten dit reguliere aanbod valt, wordt dit vooraf besproken met het college. Dit voorkomt onduidelijkheid en zorgt voor transparantie in de uitvoering en financiering. Tot slot is bepaald dat jeugdhulp pas wordt ingezet nadat een beschikking is afgegeven door de GI en verstrekt aan zowel het college als de aanbieder. Alleen in spoedeisende situaties als bedoeld in artikel 6.1.2 Jeugdwet kan hiervan worden afgeweken, zodat de veiligheid van het kind altijd voorop staat. Toegang via Veilig Thuis Ten slotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot (onder andere) jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening.

Hoofdstuk 6. Behandeling van een aanvraag om een individuele voorziening; onderzoek en besluitvorming via de gemeente Artikel 6.1. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren Bij het onderzoek ter beoordeling van een aanvraag zal in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger in de eerste plaats gekeken worden naar hun behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een algemene jeugdhulpvoorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een individuele voorziening. Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige en zijn ouders en de gezinssituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16224677/5