Verordening Jeugdhulp Nissewaard 2026
Tekst van het document
Besluit van de raad van de gemeente Nissewaard, houdende regels voor preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en ouders bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen (Verordening jeugdhulp Nissewaard 2026) De raad van de gemeente Nissewaard; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 3 december 2025; gelet op de artikelen 2.9, 2.11 en 8.1.1 van de Jeugdwet; gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein Nissewaard van 10 september 2025; gehoord het advies van de commissie Sociaal Domein van 27 november en 4 december 2025; besluit de Verordening jeugdhulp Nissewaard 2026 vast te stellen als volgt.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Informatie, ondersteuning en doorverwijzing 1. Het college bevordert de zelfredzaamheid en participatie van inwoners, onder meer door: a. te helpen bij het verhelderen van de behoefte aan ondersteuning, hulp en zorg; b. begrijpelijke informatie te verstrekken over de ondersteuning, hulp en zorg die door andere mensen en organisaties wordt geboden; c. te verwijzen en zo nodig hulp te bieden bij de toegang naar de mensen en organisaties, bedoeld onder b. 2. Het college voorziet inwoners van begrijpelijke informatie over het gemeentelijk beleid en de uitvoering van de wettelijke taken in het sociaal domein. 3. Het college wijst inwoners op de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon en clientondersteuning. Artikel 1.2 Reikwijdte van deze verordening Deze verordening geeft regels voor de uitvoering van het plan rondom preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en ouders bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen als bedoeld in artikel 2.2 Jeugdwet. De regels voor cliëntenparticipatie als bedoeld in artikel 2.10 Jeugdwet zijn opgenomen in de Verordening Adviesraad Sociaal Domein Nissewaard en in de Inspraak- en participatieverordening Nissewaard 2020. Artikel 1.3 Definities 1.
De definities, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die van toepassing zijn op deze verordening en de daarop berustende bepalingen, staan in bijlage 1 bij deze verordening. 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen waarmee de jeugdige of een ouder een sociale relatie onderhoudt.
Hoofdstuk 2 Afstemming van jeugdhulp op wettelijke taken in het sociaal domein Artikel 2.1 Afstemming met andere wetgeving Het college stemt de hulp en ondersteuning waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van: a. de Leerplichtwet; b. de Participatiewet; 1
c. d. e. f. g. h. i. j. k. l.
de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; de Wet Inburgering 2021; de Wet kinderopvang; de Wet langdurige zorg; de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; de Wet passend onderwijs; de Wet publieke gezondheid; de Wet tijdelijk huisverbod; de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; de Zorgverzekeringswet.
Artikel 2.2 Afstemming jeugdhulp en andere hulp aan een ouder Het college verstrekt alleen een voorziening op het gebied van jeugdhulp. Voor zover de behoefte aan jeugdhulp haar oorsprong vindt bij een ouder en er geen directe hulpvraag van de jeugdige is, worden de ouder en zo nodig ook de jeugdige doorverwezen naar andere passende vormen van ondersteuning, hulp en zorg. Artikel 2.3 Afstemming jeugdhulp en de Wet langdurige zorg (Wlz) 1. Het college verstrekt geen voorziening op het gebied van jeugdhulp als een jeugdige vanwege een somatische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke handicap een blijvende behoefte heeft aan zorg en als de jeugdige blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht nodig heeft. 2. Er wordt in ieder geval geen voorziening op het gebied van jeugdhulp verstrekt als er een indicatie is voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg, zoals voor: a. logeeropvang voor jeugdigen; b. verblijf in een instelling; c. vervoer van en naar een locatie; d. behandeling van psychische stoornissen, mits deze een integraal onderdeel uitmaakt van de geboden zorg. 3.
Het college verstrekt geen voorziening op het gebied van jeugdhulp indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe. 4. Onverminderd het bepaalde in het derde lid beëindigt het college een voorziening op het gebied van jeugdhulp vanaf de datum waarop een soortgelijke voorziening op grond van de Wet langdurige zorg wordt verleend. Artikel 2.4 Afstemming jeugdhulp en Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 1. Het college verleent geen voorziening op het gebied van jeugdhulp indien aanspraak bestaat op een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, zoals: a. hulpmiddelen, woningaanpassingen of een gebarentolk; b. een vervoersvoorziening om te kunnen reizen naar verschillende locaties, zoals sportverenigingen of recreatieplekken; c. een maatwerkvoorziening voor opvang, indien een jeugdige met een ouder meekomt wanneer die ouder de thuissituatie moet verlaten, bijvoorbeeld vanwege huiselijk geweld, mishandeling of huisuitzetting.
2
Artikel 2.5 Afstemming jeugdhulp en Wet passend onderwijs 1. Bij hulpvragen die te maken hebben met onderwijs en waarvoor geen duidelijk onderscheid te maken is tussen de verantwoordelijkheid van het onderwijs en die van de jeugdhulp, werken onderwijs en jeugdhulp altijd samen aan een passende oplossing. Dit gebeurt met behulp van een onderwijs-ontwikkelperspectiefplan en een onderwijs-jeugdhulparrangement. 2. Het college verleent geen voorziening op het gebied van jeugdhulp: a. voor ondersteuning die primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of het doorlopen van het onderwijsprogramma; b. voor zover aanspraak bestaat op ondersteuning op grond van de Wet passend onderwijs; c. voor leerlingenvervoer. 3. Wanneer ondersteuning bijdraagt aan meerdere leefgebieden, maar ook onder de verantwoordelijkheid van het onderwijs valt, wordt hiervoor in beginsel geen jeugdhulpvoorziening toegekend. 4. Als een jeugdige op school begeleiding of persoonlijke verzorging nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische problematiek, dan valt dit onder de Jeugdwet. Hierbij zijn algemene voorzieningen voorliggend op individuele voorzieningen. 5.
Een integrale samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp is altijd uitgangspunt bij onderwijs gerelateerde jeugdhulpvragen, tenzij sprake is van een vrijstelling op grond van artikel 5a van de Leerplichtwet. Dan valt de ondersteuning die nodig is volledig onder de Jeugdwet. Artikel 2.6 Afstemming jeugdhulp en Zorgverzekeringswet 1. Het college verleent alleen een voorziening op het gebied van jeugdhulp: a. voor persoonlijke verzorging die gericht is op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij algemene dagelijkse levensverrichtingen; b. voor het verblijf van jeugdige buiten de thuissituatie, niet zijnde een ziekenhuisverblijf. 2. Het college verleent geen voorziening op het gebied van jeugdhulp als een jeugdige medische zorg nodig heeft, zoals hulpmiddelenzorg, ziekenvervoer of zintuigelijke gehandicaptenzorg. 3. In afwijking van het eerste lid verleent het college wel een voorziening als meer oorzaken ten grondslag liggen aan de problematiek van de jeugdige en daardoor zowel een vorm van zorg op grond van de Zorgverzekeringswet als een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet kan worden verkregen. 4. Indien een jeugdige gebruikmaakt van medicatiecontrole binnen de Jeugdwet, eindigt de toewijzing voor jeugdhulp uiterlijk op de dag waarop de jeugdige de leeftijd van 18 jaar bereikt. Artikel 2.7 Vervolg na afstemming met andere wetgeving 1.
De afgestemde hulp en ondersteuning wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot: a. het opheffen van een situatie die voor een jeugdige of een ouder of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade; b. stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a; c. een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige of een ouder, voor zover dat binnen het vermogen ligt. 2. Het college weegt bij de afstemming van hulp en ondersteuning de volgende aspecten mee: a. de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder; b. de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige of een ouder zoals bedoeld in hoofdstuk 3, en de mogelijkheden van het sociaal netwerk; c. welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet; 3
d. welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn. 3. Indien een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de Jeugdwet ontvangt en naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld in artikel 2.7, is het college verantwoordelijk om: a. voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en b. de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is en een toekomstplan te maken voor de jeugdige zoals bedoeld in artikel 6.2. 4. Indien een jeugdige of diens ouder weigert mee te werken aan de ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, is het college niet gehouden het onderzoek op grond van deze verordening voort te zetten of een individuele voorziening toe te kennen. 5. Het tweede lid is niet van toepassing in geval van een crisissituatie waarbij de veiligheid van de jeugdige ernstig in het geding is. In een dergelijke situatie kan het college met spoed contact opnemen met de Raad voor de Kinderbescherming ten behoeve van het inzetten van passende crisishulp.
Hoofdstuk 3 Eigen kracht en gebruikelijke hulp Artikel 3.1 Recht jeugdhulp in relatie tot eigen kracht en gebruikelijke hulp 1. Jeugdhulp is bedoeld voor hulpvragen die de oorzaak hebben in psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van een jeugdige, opvoedingsproblemen van een ouder of adoptie gerelateerde problemen en die niet behoren tot de ontwikkelingsfase waarin de jeugdige zich bevindt. Op basis van artikel 1:247 van het Burgerlijk wetboek zijn ouders verantwoordelijk voor het opgroeien en opvoeden van hun kind. 2. Op grond van artikel 2.3 van de Jeugdwet stemt het college de benodigde jeugdhulp onder meer af op de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige of een ouder. Het gaat hier om de eigen kracht, gebruikelijke hulp en boven gebruikelijke hulp die van een jeugdige of een ouder mogen worden verwacht. 3. Als de jeugdige en ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp deels vergoedt, wordt van de ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed. Artikel 3.2 Eigen kracht 1. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders omvat hun mogelijkheden tot behoud of herstel van het gezinsleven en het dagelijks leven.
Eigen kracht omvat daarnaast de inzet van mensen uit het sociaal netwerk en vrijwilligers en het aanspreken van de door de jeugdige en zijn ouders afgesloten aanvullende zorgverzekering. 2. Het college onderzoekt voor het beoordelen van de eigen mogelijkheden van de jeugdige en zijn gezin a. of de ouders in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, en als dat mogelijk is, welke hulp van ieder van hen wordt verwacht; b. wat de samenstelling van het gezin en de woonsituatie is; c. wat de draagkracht en belastbaarheid van de ouders is.
4
3. Van ouders wordt verwacht dat zij de zorg en ondersteuning bieden die binnen hun eigen mogelijkheden en draagkracht ligt. De inzet van gebruikelijke hulp als bedoeld in artikel 3.3 geldt daarbij als minimumniveau. 4. In beginsel wordt geen individuele voorziening ingezet voor het deel waarvoor ouders en jeugdige hun eigen kracht en sociaal netwerk niet inzetten, terwijl dit wel verwacht mag worden. Hierop wordt slechts een uitzondering gemaakt wanneer de jeugdige daardoor in onmiddellijk gevaar komt. 5. Slechts voor zover de eigen mogelijkheden ontoereikend zijn treft het college een voorziening van jeugdhulp. Artikel 3.3 Gebruikelijke en boven-gebruikelijke hulp 1. Tot de eigen mogelijkheden, als bedoeld in artikel 3.2, behoort zowel gebruikelijke als bovengebruikelijke hulp. 2. Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan de hulp die past bij de ontwikkelingsfase van de jeugdige en die ouders geacht worden te bieden. Het ontwikkelprofiel waaruit gebruikelijke hulp blijkt, is opgenomen in bijlage 2. Indien de benodigde ondersteuning onder gebruikelijke hulp valt, wordt dit gerekend tot de eigen mogelijkheden van het gezin en wordt geen jeugdhulpvoorziening verstrekt. Indien ouders vanwege een beperking niet in staat zijn gebruikelijke hulp te bieden, komt dit naar voren in het onderzoek als bedoeld in hoofdstuk 6. 3.
Onder gebruikelijke hulp valt voorts dat ouders normale problemen van de tot hun gezin behorende jeugdige binnen hun eigen mogelijkheden oplossen. Het profiel waaruit normale problemen blijken, is opgenomen in bijlage 3. Voor deze problemen wordt geen jeugdhulpvoorziening verstrekt; ouders kunnen hiervoor gebruik maken van de voorliggende voorzieningen zoals bedoeld in artikel 4.1. 4. Onder boven-gebruikelijke hulp wordt verstaan de hulp die uitstijgt boven wat in de ontwikkelingsfase van de jeugdige redelijkerwijs van ouders kan worden verwacht. Ouders zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het bieden van boven-gebruikelijke hulp. Het college beoordeelt of en in hoeverre dit, gelet op de draagkracht en draaglast van de ouders en hun sociaal netwerk, van hen kan worden verwacht. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen: a. kortdurende situaties, waarbij naar verwachting binnen maximaal drie maanden herstel optreedt; b. langdurige situaties, waarbij naar verwachting jeugdhulp voor een periode langer dan drie maanden of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar noodzakelijk is. 5. In kortdurende situaties wordt van ouders verwacht dat zij boven-gebruikelijke hulp bieden, tenzij dit, gelet op de aard van de hulp of een aantoonbare overbelasting, redelijkerwijs niet van hen kan worden verlangd. 6.
In langdurige situaties weegt het college bij de beoordeling van de eigen kracht in ieder geval mee: a. de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige; b. de intensiteit en duur van de benodigde ondersteuning; c. de draagkracht en belastbaarheid van ouders en hun sociaal netwerk; d. de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; e. de mogelijkheden van ouders om in hun inkomen te voorzien. 7. Het enkele feit dat ouders meer doen dan gebruikelijke hulp, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat hun eigen kracht is overschreden of dat recht bestaat op een individuele voorziening. Een individuele voorziening wordt slechts verstrekt indien is vastgesteld dat de benodigde ondersteuning de eigen mogelijkheden van de jeugdige en de ouders daadwerkelijk overstijgt. 5
Artikel 3.4 Overbelasting 1. Bij uitval of overbelasting van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de jeugdige over. Hiervoor moet de ouder, als dat mogelijk is, aanspraak maken op zorgverlof. Is dit niet mogelijk, dan worden andere voorliggende voorzieningen, zoals kinderopvang, opvang op school en naschoolse opvang, ingezet. Daarbij wordt gekeken naar wat in redelijkheid door het sociaal netwerk van het gezin kan worden opgevangen. Zijn deze mogelijkheden maximaal benut of afwezig, dan kan een jeugdhulpvoorziening worden getroffen. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij uitval of overbelasting van de ouder in een éénoudergezin. In dat geval wordt eerst bekeken in hoeverre voorliggende voorzieningen of het sociaal netwerk van het gezin kunnen worden ingezet. Pas wanneer deze mogelijkheden onvoldoende of afwezig zijn, kan een jeugdhulpvoorziening worden getroffen. 3. Een jeugdhulpvoorziening wordt niet getroffen als de uitval of overbelasting niet wordt veroorzaakt door de hulp aan de jeugdige.
Hoofdstuk 4 Vormen van jeugdhulp Artikel 4.1 Algemene voorzieningen In ieder geval zijn de volgende jeugdhulpvoorzieningen vrij toegankelijk voor een jeugdige of ouders: a. jeugdgezondheidszorg; b. huisartsenzorg, in samenhang met de praktijkondersteuning; c. schoolmaatschappelijk werk; d. jongerenwerk; e. jeugd en gezinsondersteuning. Artikel 4.2 Individuele voorzieningen 1. Voor zover algemene voorzieningen en overige voorzieningen ontoereikend zijn, treft het college een individuele voorziening op het gebied van jeugdhulp. 2. Het college zorgt voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening begeleiding jeugd. Deze voorziening wordt ingezet voor jeugdigen met vormen van gedrags- of ontwikkelingsproblemen en hierbij betrokken opvoeders, die praktische handvatten nodig hebben om om te gaan met hun gedrags- of ontwikkelingsproblemen. Daarbij is er begeleiding nodig om optimaal gebruik te maken van helpend netwerk en hulpmiddelen in de omgeving van de jeugdigen. Deze voorziening kan alleen worden gecombineerd met andere voorzieningen als deze op verschillende tijdstippen worden ingezet. Uitsluitingsgronden zijn: a. de jeugdige heeft al een indicatie voor individuele begeleiding; b. de voornaamste ondersteuningsbehoefte van de jeugdige ligt op het leerproces binnen het onderwijs; 3.
Het college zorgt voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening begeleiding complex. Deze voorziening wordt ingezet voor jeugdigen met ernstige klachten op meer leefgebieden tegelijk. Dit ten gevolge van psychische problematiek, een beperkte ontwikkelingsachterstand, een verstandelijke beperking of gedragsproblematiek, voor zover jeugdigen en het gezin onvoldoende profijt hebben van een steunend netwerk of hulpmiddelen. Bij de jeugdige is er sprake van veiligheidsrisico’s. Er zijn weinig beschermende factoren en veel risicofactoren op niveau van de jeugdige, gezin en omgeving en er is sprake zijn van escalatie van problematiek. Deze voorziening kan alleen worden gecombineerd met andere voorzieningen als deze op verschillende tijdstippen worden ingezet. Uitsluitingsgronden zijn: a. de jeugdige heeft al een indicatie voor individuele begeleiding; b. de voornaamste ondersteuningsbehoefte van de jeugdige ligt op het leerproces binnen het onderwijs; 6
4. Het college zorgt voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening daghulp jeugd. Deze voorziening jeugd betreft een tijdelijk dagprogramma met intensieve begeleiding - in een groep voor jeugdigen die zijn uitgevallen in het onderwijs. De inzet is met name gericht op een optimale ontwikkeling van de jeugdige: het versterken van de zelfredzaamheid, ontplooiing, psychosociale ontwikkeling, met als perspectief het toe leiden naar een vorm van onderwijs, of werk, of werkleertrajecten. Daghulp kan worden ingezet voor jeugdigen van 5 tot 18 jaar die vanwege een ziekte of beperking niet naar school gaan en een ontheffing van de leerplicht hebben op grond van artikel 5a van de Leerplichtwet. Uitsluitingsgronden zijn: a. daghulp kan niet gelijktijdig worden ingezet als er ook een indicatie is vanuit de Wet langdurige zorg; b. de jeugdige heeft geen ontheffing van de leerplicht op de grond van artikel 5a van de Leerplichtwet. 5. Het college zorgt voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening basis GGZ jeugd. Deze voorziening betreft de individuele behandeling van de jeugdige op grond van of het vermoeden van een DSM-stoornis. De behandeling GGZ jeugd is gericht op behandelen van matige, psychische of psychiatrische problematiek waarbij eenduidige vormen van behandeling mogelijk zijn en waarvan het beloop redelijk voorspelbaar is. Uitsluitingsgronden zijn: a.
er is geen sprake van DSM V stoornissen met een risico voor de jeugdige of zijn omgeving of met een risico op ontregeling of stagnatie van de ontwikkeling; b. ondersteuning door de huisarts, POH-GGZ jeugd of andere algemene voorziening biedt voldoende resultaat of perspectief waardoor de inzet van basis GGZ niet noodzakelijk is. 6. Het college zorgt voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening laagcomplex GGZ jeugd. Deze voorziening betreft de individuele behandeling van de jeugdige op grond van of het vermoeden van een DSM-stoornis. De laagcomplexe GGZ is gericht op behandelen van matig tot ernstige psychische of psychiatrische problematiek waarbij eenduidige vormen van behandeling mogelijk zijn en waarvan het beloop redelijke voorspelbaar is. Ook kan het gaan om een jeugdige die eerder hoog complexe specialistische GGZ heeft gehad en waarvan de situatie is gestabiliseerd en redelijke voorspelbaar is geworden waardoor afschalen mogelijk is. Uitsluitingsgronden zijn: a. er is geen sprake van DSM V stoornissen met een risico voor de jeugdige of zijn omgeving of met een risico op ontregeling of stagnatie van de ontwikkeling; b. ondersteuning door de huisarts, POH-GGZ jeugd of andere algemene voorziening of basis GGZ jeugd biedt voldoende resultaat of perspectief waardoor de inzet van laagcomplex GGZ niet noodzakelijk is. 7.
Het college zorgt voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening hoogcomplex GGZ jeugd. Deze voorziening betreft de individuele behandeling van de jeugdige op grond van of het vermoeden van een DSM-stoornis. Bij hoogcomplexe problematiek gaat het over vaak ernstige psychische problemen waarbij het niet direct duidelijk is welke behandeling of begeleiding nodig is. Vaak spelen er meerdere psychische problemen, al dan niet met somatische of psychosociale multimorbiditeit, waarbij de interactie tussen die problemen of de ontwrichtende impact van de problemen op andere levensgebieden op de voorgrond staat. Standaarden helpen onvoldoende om na de probleemanalyse te bepalen wat het best passende zorgaanbod is. Uitsluitingsgronden zijn: a. er is geen sprake van DSM V stoornissen met een risico voor de jeugdige of zijn omgeving of met een risico op ontregeling of stagnatie van de ontwikkeling;
7
b. ondersteuning door de huisarts, POH-GGZ jeugd of andere algemene voorziening, basis GGZ of laagcomplexe GGZ biedt voldoende resultaat of perspectief waardoor de inzet van hoogcomplexe GGZ niet noodzakelijk is. 8. Het college draagt zorgt voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening HBO plus behandeling. Deze voorziening betreft de individuele behandeling van de jeugdige voor zijn gedrags- of ontwikkelingsproblematiek. Dit kan bestaan uit een vaktherapie of een andere posthbo therapievorm zoals systeemtherapie of psychotherapie. Uitsluitingsgronden zijn: a. er is geen sprake van DSM V stoornissen met een risico voor de jeugdige of zijn omgeving of met een risico op ontregeling of stagnatie van de ontwikkeling; b. ondersteuning door de huisarts, POH-GGZ jeugd of andere algemene voorziening biedt voldoende resultaat of perspectief waardoor de inzet van HBO + therapie niet noodzakelijk is. 9. Het college draagt zorgt voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening groepsbehandeling jeugd. Deze voorziening betreft de behandeling van de jeugdige in groepsverband op grond van of het vermoeden van een DSM-stoornis. Van groepsbehandeling is sprake als er verbeterdoelen zijn geformuleerd die op een gestructureerde en programmatische manier worden nagestreefd, en waarvoor specifieke deskundigheid is vereist. Uitsluitingsgronden zijn: a.
er is geen sprake van DSM V stoornissen met een risico voor de jeugdige of zijn omgeving of met een risico op ontregeling of stagnatie van de ontwikkeling; b. ondersteuning door de huisarts, POH-GGZ jeugd of andere algemene voorziening biedt voldoende resultaat of perspectief waardoor de inzet van groepsbehandeling niet noodzakelijk is. 10. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening behandeling jeugd met een beperking. Deze voorziening betreft de individuele behandeling van de jeugdige, gericht op het ontwikkelen en aanleren van praktische, cognitieve en emotionele vaardigheden en het bewerkstelligen van een gedragsverandering bij de jeugdige. Ook worden de opvoedvaardigheden, naar aanleiding van de behandeling, van ouders meegenomen om de interactie binnen het gezin en op school te verbeteren. Hierbij worden de mogelijkheden van de jeugdige optimaal benut, zodat een zo zelfstandig mogelijk niveau van functioneren bereikt kan worden. Deze voorziening is niet beschikbaar voor een jeugdige zonder een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg. 11. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening medicatie controle. Deze voorziening betreft de consulten die nodig zijn voor het voorschrijven, het bespreken van de effecten van, of het stoppen met het nemen van medicatie.
Bepaalde handelingen ten aanzien van de medicatie zoals het organiseren en het gebruik van de medicatie, vallen onder de Zorgverzekeringswet. Deze voorziening is alleen beschikbaar voor een jeugdige die geen aanspraak heeft op een arrangement regionale jeugdhulp van de GRJR met het tweede resultaatgebied behandeling. 12. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening logeren. Deze voorziening betreft kortdurend verblijf en deze wordt ingezet als respijtzorg voor ouders of als een voorziening om de jeugdige een time-out te bieden. Het is aanvullend op noodzakelijke ondersteuning en zorg thuis. In een huiselijke omgeving wordt logeeropvang geboden, waarbij ontwikkelingsgerichte begeleiding, inclusief persoonlijke verzorging indien noodzakelijk, wordt geboden en toezicht of zorg, 24 uur per dag, noodzakelijk is. Deze voorziening is niet beschikbaar voor een jeugdige met een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg. 8
13. Het college draagt zorgt voor de beschikbaarheid van de individuele voorziening persoonlijke verzorging. Deze voorziening betreft het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging, voor zover dat noodzakelijk is. Het gaat hierbij om planbare hulp bij taken rondom de algemene dagelijkse levensverrichtingen, zoals zich wassen, kleden en toiletgang en hulp bij beperkingen op het vlak van zelfverzorging, zoals mond- en haarverzorging. Ook gaat het om het stimuleren van de jeugdige bij het zelfstandig uitvoeren van de persoonlijke verzorging. Uitsluitingsgronden zijn: a. er kan aanspraak worden gemaakt op zorg op grond van de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; b. de persoonlijke verzorging betreft taken die vallen onder de gebruikelijke hulp passend bij de ontwikkelingsleeftijd van de jeugdige; c. er is al een andere voorziening ingezet waar persoonlijke verzorging een onderdeel van is, waaronder de persoonlijke verzorging die het onderwijs tenminste per week behoort te bieden. 14. Het college draagt zorg voor de individuele voorziening dyslexie zorg. Deze voorziening betreft de zorg voor kinderen tot 13 jaar met ernstige dyslexie.
Dyslexie zorg is alleen toegankelijk voor de jeugdige nadat de dyslexie-specialist van het Samenwerkingsverband Primair Onderwijs op basis van het protocol dyslexie diagnostiek en behandeling van oordeel is dat diagnostiek dan wel de behandeling van ernstige dyslexie noodzakelijk is. Deze voorziening is niet beschikbaar voor een jeugdige die ouder is dan 13 jaar. 15. De volgende individuele voorzieningen hebben de volgende maximale looptijd: a. begeleiding Jeugd: maximaal 1 jaar met de mogelijkheid voor het college tot 1 verlenging voor maximaal 1 jaar. b. begeleiding Complex: maximaal 6 maanden met de mogelijkheid voor het college tot 1 verlenging voor maximaal 6 maanden. c. daghulp Jeugd: maximaal 1 jaar; d. basis GGZ Jeugd: maximaal 1,5 jaar; e. laagcomplex GGZ Jeugd: maximaal 1,5 jaar; f. hoogcomplex GGZ Jeugd: maximaal 1,5 jaar; g. HBO plus behandeling: maximaal 1 jaar; h. groepsbehandeling Jeugd: maximaal 1 jaar; i. behandeling jeugd met een beperking: maximaal 1,5 jaar; j. medicatie controle: maximaal 3 jaar; k. logeren: maximaal 6 maanden; l. persoonlijke verzorging: maximaal 1 jaar. m. dyslexie; maximaal 1,5 jaar. 16. Het college kan de looptijd, bedoeld in het vijftiende lid, alleen verlengen als de noodzaak daartoe na evaluatie van het gebruik van de voorziening wordt vastgesteld.
Voor de begeleiding Jeugd en de begeleiding Complex kan dat slechts voor de maximale looptijd, bedoeld in deze onderdelen. 17. Het college stelt, op basis van het onderzoek als bedoeld in hoofdstuk 6, vast welke omvang en duur van jeugdhulp noodzakelijk is. Het college maakt, in het kader van de inkoop- of subsidierelatie, met aanbieders op geaggregeerd niveau afspraken over de individuele voorzieningen, in ieder geval met betrekking tot: a. doelgroepen; b. activiteiten; c. doorlooptijd; d. intensiteit; 9
e. kwaliteit; f. beoogd resultaat; en g. vermelding van de productcode volgens de informatiestandaard Jeugdwet (iJw). 18. Het college biedt naast de bovengenoemde individuele voorzieningen ook collectieve voorzieningen op maat voor jeugdigen die zowel ondersteuning in het onderwijs als jeugdhulp nodig hebben. Artikel 4.3 Vervoersvoorziening voor een jeugdige tot en met 11 jaar 1. Een jeugdige in de leeftijd tot en met 11 jaar is niet zelfredzaam in het verkeer en heeft begeleiding nodig van ouders of een persoon die tot zijn sociale omgeving behoort. Gebruikelijke hulp omvat dus ook het vervoer van de jeugdige tussen het woonadres dan wel het adres waar hij daadwerkelijk verblijft en de locatie waar jeugdhulp aan hem wordt geboden. 2. Een vervoersvoorziening wordt alleen getroffen als het vervoer door een medische noodzaak bij de jeugdige de boven gebruikelijke hulp, als bedoeld in hoofdstuk 3, overtreft. Dat is alleen het geval als aangepast vervoer noodzakelijk is en de enkele reisafstand meer is dan 3 kilometer. 3. De enkele reisafstand wordt gemeten volgens de ANWB-routeplanner voor de kortste route tussen de adressen, bedoeld in het eerste lid. 4. De voorziening die kan worden getroffen, betreft groepsvervoer per taxi door gecontracteerde vervoerder. Alleen als dat niet mogelijk is, kan een individuele vervoersvoorziening worden getroffen. 5.
De hoogte van de vergoeding per kilometer wordt vastgesteld overeenkomstig de nadere regels van het college. De afstand van de retourreis wordt berekend zoals bedoeld in het derde lid. Het totaal aantal kilometers wordt afgerond op het eerstvolgende hele getal naar boven. Kosten voor veerponten worden niet vergoed. Artikel 4.4 Vervoersvoorziening voor een jeugdige van 12 jaar tot en met 17 jaar 1. Een jeugdige in de leeftijd van 12 tot en met 17 jaar kan zelfstandig reizen tussen zijn woonadres dan wel het adres waar hij daadwerkelijk verblijft en de locatie waar jeugdhulp aan hem wordt geboden. 2. Een vervoersvoorziening wordt alleen getroffen als het vervoer door een medische noodzaak of een beperking in de zelfredzaamheid bij de jeugdige niet zelfstandig kan plaatsvinden. 3. Indien een jeugdige niet zelfstandig kan reizen, wordt een vervoersvoorziening verstrekt: a. als er een medische noodzaak is voor het vervoer, dan kan een vervoersvoorziening worden verstrekt overeenkomstig wat bepaald is in artikel 4.3, derde tot en met vijfde lid; b. als er een beperking is in de zelfredzaamheid, dan wordt de goedkoopst adequate vervoersvoorziening verstrekt. Dit wordt bepaald aan de hand van de volgende criteria; i.
als vervoer te voet, per fiets of brommer onder begeleiding van een volwassene mogelijk is, dan is dit vervoer adequaat bij een enkele reisafstand tot 30 minuten, gemeten volgens wat bepaald is in artikel 4.4, derde lid, naar het vervoer per fiets; ii. als vervoer onder i niet mogelijk is, is openbaar vervoer adequaat, waarbij alleen indien noodzakelijk ook een vergoeding kan worden verstrekt voor een begeleider; iii. als vervoer onder ii niet mogelijk is, is vervoer per auto adequaat, overeenkomstig artikel 4.4, vierde lid. 4. Artikel 4.4, derde en vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
10
Hoofdstuk 5 Toegang tot jeugdhulp Artikel 5.1 Toegang tot jeugdhulp via de gemeente 1. Een aanvraag voor een individuele voorziening wordt ingediend bij het college en bevat ten minste: a. de persoonsgegevens van de jeugdige en diens gezin; b. een omschrijving van de ervaren problemen; c. een overzicht van de reeds ondernomen acties om de problemen zelfstandig op te lossen. 2. Het college stelt de jeugdige of zijn ouders in de gelegenheid om voorafgaand aan de aanvraag een familiegroepsplan in te dienen als bedoeld in artikel 4.1 van de Jeugdwet, en biedt desgevraagd ondersteuning bij het opstellen daarvan. 3. Het college wijst voor het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5, van de Jeugdwet en van gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 4. In spoedeisende gevallen beslist het college direct tot verstrekking van een tijdelijke individuele voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Het college kan dit doen in samenwerking met de Raad van kinderbescherming en Veilig Thuis. Artikel 5.2 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Een huisarts, medisch specialist of jeugdarts kan een jeugdige of ouders verwijzen naar het college voor het doen van onderzoek naar passende jeugdhulp. 2.
Deze verwijzers kunnen de jeugdige of ouders ook rechtstreeks doorverwijzen naar een jeugdhulpaanbieder voor een individuele voorziening. De wettelijke verwijzer stelt de noodzaak vast, die de jeugdhulpaanbieder overneemt. 3. Indien sprake is van een verwijzing zoals bedoeld in het tweede lid, stelt de jeugdhulpaanbieder, met inachtneming van zijn contractuele of subsidierelatie met het college, aard en omvang van de te verlenen jeugdhulp vast. De aanbieder verstrekt deze gegevens aan het college ten behoeve van het opstellen van een deugdelijk gemotiveerde beschikking. 4. Het college neemt, op basis van de aangeleverde gegevens, een beschikking tot toekenning van een individuele voorziening. Een afschrift van deze beschikking wordt verstrekt aan zowel de jeugdhulpaanbieder als de jeugdige of ouders. 5. De jeugdhulpaanbieder kan pas overgaan tot het verlenen van de voorziening nadat het afschrift van de beschikking is ontvangen, tenzij sprake is van een situatie waarin onmiddellijke inzet van jeugdhulp noodzakelijk is. In dat geval wordt de inzet van jeugdhulp zo spoedig mogelijk bevestigd in een beschikking. 6.
Als de verwijzing van de huisarts, medisch specialist of jeugdarts betrekking heeft op een aanbieder die niet onder verantwoordelijkheid van het college werkzaam is, verstrekt het college slechts een individuele voorziening indien uit onderzoek blijkt dat de benodigde jeugdhulp niet kan worden geleverd door een gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieder. Artikel 5.3 Verwijzing en beschikking door gecertificeerde instellingen 1. De gecertificeerde instelling bepaalt of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Zij overlegt hiertoe met het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft. 2. Het overleg tussen de gecertificeerde instelling en het college heeft tot doel afstemming te waarborgen over de inzet van passende jeugdhulp, rekening houdend met het beschikbare aanbod, contractuele afspraken en lokale beleidsuitgangspunten. 11
3. Als de gecertificeerde instelling een voorziening noodzakelijk acht die buiten het reguliere gecontracteerde of gesubsidieerde aanbod valt, wordt voorafgaand aan het afgeven van de beschikking overleg gevoerd met het college. 4. De gecertificeerde instelling verstrekt een beschikking aan het college en aan de jeugdhulpaanbieder. De betreffende jeugdhulp wordt pas ingezet nadat de beschikking is afgegeven, tenzij sprake is van spoedeisende situaties als bedoeld in artikel 6.1.2 van de Jeugdwet.
Hoofdstuk 6 Behandeling van een aanvraag om een individuele voorziening; onderzoek en besluitvorming via de gemeente Artikel 6.1 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1. Het college stelt in samenspraak met een jeugdige en ouders de hulpvraag vast, in samenhang met de hulp en ondersteuning en de daarbij verzamelde gegevens. 2. Het college onderzoekt; a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van een jeugdige en ouders, de veiligheid en ontwikkeling van een jeugdige en de gezinssituatie; b. de aanwezigheid van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van een jeugdige, opvoedingsproblemen van ouders of adoptie gerelateerde problemen, en als deze er zijn: i. welke problemen of stoornissen dat zijn; ii. welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor een jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; c. in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige, ouders en de personen die tot hun sociaal netwerk behoren toereikend zijn om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden, zoals beschreven in hoofdstuk 3; en d.
voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, algemene voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp, zorg en het vergroten van de eigen mogelijkheden van een jeugdige en ouders. 3. Als een jeugdige of ouders een familiegroepsplan heeft opgesteld, betrekt het college dat bij het onderzoeksverslag. 4. Een jeugdige en ouders verschaffen het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. 5. Een jeugdige en ouders zijn verplicht om medewerking te verlenen aan het college voor de uitvoering van de Jeugdwet, waaronder ook wordt verstaan het verlenen van medewerking aan een onderzoek door een of meerdere deskundigen als het college dit noodzakelijk acht voor de uitvoering van deze wet. Artikel 6.2 Verslag van het onderzoek: het gezinsplan 1. Na het onderzoek verstrekt het college aan een jeugdige of ouders een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek. Opmerkingen of latere aanvullingen worden aan het gezinsplan toegevoegd.
12
2. In het gezinsplan wordt opgenomen welke inspanningen de jeugdhulpaanbieder verricht, overeenkomstig de professionele standaard, bedoeld in artikel 8.2, die van hem verwacht mag worden, om de jeugdhulp doelgericht en doelmatig te verlenen. 3. In dit gezinsplan wordt de evaluatie van het traject opgenomen. Hierin staat ten minste: a. het tijdpad voor de evaluatie, afhankelijk van de beschikte duur van de zorg; b. dat de verlening van jeugdhulp wordt geëvalueerd met de jeugdige, de ouders en de jeugdhulpaanbieder en anderen die bij de jeugdhulp zijn betrokken, zoals personen uit het sociaal netwerk, van de betrokken onderwijsinstantie of een andere betrokken zorgaanbieder; c. de inspanningen en daardoor te behalen concrete doelen die geëvalueerd moet worden; d. de manier waarop wordt bepaald dat aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. 4. Evaluatie kan ook plaats vinden buiten het tijdspad als het college daar aanleiding toe ziet, naar aanleiding van signalen van de jeugdige of ouders, of vanuit de jeugdhulpaanbieder. 5. Wanneer een jeugdige 16,5 jaar is wordt er een toekomstplan gemaakt door het college, in samenwerking met de jeugdige en betrokken zorgaanbieder. Het toekomstplan geeft richting aan hetgeen wat de jeugdige nodig heeft na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. Hierin staat ten minste: a.
huidige stand van zaken op de leefgebieden wonen, werken, school, inkomen, vrije tijd, vrienden en support; b. welke doelen de jeugdige nog wenst en dient te behalen om voldoende zelfstandig te worden; c. welke inspanningen er nodig zijn om de doelen te behalen. Artikel 6.3 Criteria voor toekenning, verstrekking en beëindiging van een individuele voorziening 1. Een jeugdige of ouder komt in aanmerking voor een individuele voorziening, als het college vaststelt dat: a. er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen; én b. dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn; én c. dat de hulpvraag niet kan worden opgelost of verminderd door: i. gebruik te maken van een verzekering die is afgesloten; ii. gebruik te maken van een algemene voorziening; iii. gebruik te maken van andere hulp, ondersteuning, activiteiten, diensten of middelen op grond van andere wetgeving, zoals bedoeld in hoofdstuk 2; iv. ondersteuning binnen het sociaal netwerk. 2. Er wordt geen individuele voorziening verstrekt voor ondersteuning voor normale ontwikkelingsbehoeften van jeugdigen, passend bij hun leeftijd en ontwikkelingsfase. 3. Als een jeugdige of ouder een voorziening op eigen initiatief heeft gerealiseerd of geaccepteerd tussen de melding en het besluit van het college, wordt hiervoor geen vergoeding verstrekt, tenzij: a.
het college vooraf schriftelijk toestemming heeft gegeven; of b. het college achteraf kan vaststellen dat de voorziening noodzakelijk en passend was, en de kosten in redelijkheid zijn gemaakt. 4. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate en tijdig beschikbare voorziening. 5. Het college kent een individuele voorziening alleen toe als deze naar verwachting doeltreffend is. De doeltreffendheid wordt beoordeeld op basis van: a. de bijdrage aan het oplossen van de hulpvraag; en
13
b. waar mogelijk, het gebruik van een bewezen effectieve interventie, en nooit een aantoonbaar ineffectieve interventie. 6. Een interventie geldt als bewezen effectief indien de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie is erkend in ten minste één van de volgende databanken: a. de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut; b. de zorgstandaarden van GGZ Standaarden; c. de databank interventies gehandicaptenzorg. 7. Als de ondersteuning zich in hoofdzaak richt op ouders vanwege eigen maatschappelijke, psychische of relationele problemen, en geen sprake is van een jeugdhulpbehoefte bij de jeugdige zelf, wordt geen individuele voorziening toegekend op grond van deze verordening. Dit is anders indien sprake is van meervoudige problematiek binnen het gezin en parallel daaraan een hulpvraag van de jeugdige. 8. Het college kan een besluit tot toekenning van een individuele voorziening herzien, wijzigen, intrekken of beëindigen als: a. de jeugdige of ouders onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en juiste gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid; b. de jeugdige of ouders niet langer op de voorziening is aangewezen; c. de voorziening niet meer toereikend wordt geacht; d. niet wordt voldaan aan de voorwaarden die aan de voorziening zijn verbonden; of e.
de voorziening wordt gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is verstrekt.
Hoofdstuk 7 Persoonsgebonden budget Artikel 7.1 Aanvraag met behulp van een pgbplan 1. Als uit het onderzoek, bedoeld in hoofdstuk 6, blijkt dat jeugdhulp als individuele voorziening noodzakelijk is, kan de jeugdige of ouders het college verzoeken om verstrekking van een persoonsgebonden budget (pgb) waarmee hij de benodigde jeugdhulp van een derde kan inkopen. Een aanvraag van een pgb kan alleen worden gedaan met behulp van een pgbplan, dat tenminste het volgende bevat: a. de doelen en resultaten van de in te kopen hulp of ondersteuning; b. hoe de jeugdige of zijn ouders de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren; c. de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is; d. de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; e. op welke wijze de kwaliteit van de jeugdhulp is gewaarborgd; en f. de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in uren, uurtarief en frequentie. 2. Als de jeugdige of ouders zelf niet beschikt over de benodigde vaardigheden om de regie te voeren over een pgb, kan toch een pgb worden verstrekt als een daartoe gevolmachtigde persoon uit zijn sociale netwerk of zijn wettelijk vertegenwoordiger de regie kan voeren.
Deze persoon is in dat geval ook bij de aanvraaggesprekken aanwezig en zal aan de criteria voor de aanvraag en het beheer van het pgb moeten voldoen. 3. Ouders krijgen tijdens een gesprek alle informatie die nodig is voor het opstellen van een pgbplan. De gemeente biedt geen ondersteuning bij het invullen van het pgbplan.
14
Artikel 7.2 Pgbbeheer en vaardigheden 1. Bij de verstrekking van een pgb is de jeugdige of ouders verantwoordelijk voor de besteding van het pgb. 2. Een pgb kan alleen worden beheerd als de jeugdige of ouders dan wel zijn vertegenwoordiger, bedoeld in artikel 7.1, tweede lid, over de nodige vaardigheden beschikt. De vaardigheden worden getoetst aan de hand van de volgende criteria: a. de jeugdige, ouders of de vertegenwoordiger overziet de situatie van de zorgvrager en heeft een duidelijk beeld van de zorgvraag; b. de jeugdige, ouders of de vertegenwoordiger is op de hoogte van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of weet deze informatie zelf bij de desbetreffende instanties te vinden; c. uit de aanvraag blijkt wat het doel is van de ondersteuning en welke prestaties er worden geleverd in relatie tot de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of ouders in samenhang met de thuissituatie, huisgenoten, mantelzorgers, vrijwilligers, het sociaal netwerk of andere professionals; d. uit de aanvraag blijkt dat de jeugdige, ouders of de vertegenwoordiger in staat is om te beoordelen en beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; e.
uit de aanvraag blijkt dat de jeugdige, ouders of de vertegenwoordiger inhoudelijk in staat is om te overleggen met de zorgverlener, huisgenoten, mantelzorgers, het sociale netwerk en andere professionals en om de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg ook door kan gaan bij verlof en ziekte van de zorgverlener; f. uit de aanvraag blijkt dat de jeugdige, ouders of de vertegenwoordiger in staat is om zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen; g. de jeugdige, ouders of de vertegenwoordiger is in staat om afspraken te maken met de zorgverlener, die vast te leggen in een zorgovereenkomst en om dit te verantwoorden aan de verstrekkers van het pgb; h. uit de aanvraag blijkt dat de jeugdige, ouders of de vertegenwoordiger voldoende budgetvaardig is om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden waardoor hij inzicht heeft in de bestedingen van het pgb; i. uit de aanvraag blijkt dat de jeugdige, ouders of de vertegenwoordiger voldoende vaardig is om te communiceren met de gemeente, de Sociale Verzekeringsbank en zorgverleners, waaronder in ieder geval wordt begrepen het beheersen van de Nederlandse taal in woord en geschrift, het voldoende digitaal vaardig zijn en het beschikken over een DigiD; j.
uit de aanvraag blijkt dat de jeugdige, ouders of de vertegenwoordiger voldoende juridische kennis heeft over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weet te vergaren, zodat hij in staat is om als werk- of opdrachtgever op te treden, een redelijk uurloon overeen te komen met de zorgverleners, de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren, loon door te betalen bij ziekte, een redelijke opzegtermijn te hanteren. Artikel 7.3 Motivatie voor een pgb 1. Een persoonsgebonden budget kan worden verstrekt als de jeugdige of ouders in het pgbplan gemotiveerd aangeeft dat het door de gemeente aangeboden zorg in natura niet passend is, en het persoonsgebonden budget hen in staat stelt om de noodzakelijke jeugdhulp te organiseren. Deze hulp kan bestaan uit professionele hulp, verleend door een zelfstandig werkende (zzp’er) professional of informele hulp uit het sociaal netwerk. De motivering dient te zijn gebaseerd op een of meer van de volgende feiten of omstandigheden: 15
a. b. c. d. e. f.
de benodigde ondersteuning is niet goed vooraf in te plannen; de benodigde ondersteuning moet op ongebruikelijke tijden geleverd worden; de benodigde ondersteuning moet op veel korte momenten per dag geboden worden; de benodigde ondersteuning moet op verschillende locaties geleverd worden; het is noodzakelijk om 24-uurs ondersteuning op afroep te organiseren; het is door de aard van de beperking noodzakelijk dat de hulp door een vaste hulpverlener wordt geboden; g. de voorzieningen in natura passen niet bij de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige of zijn ouder. Artikel 7.4 Onderscheid professionele hulp ten opzichte van hulp uit het sociaal netwerk 1. Onder professionele hulp wordt verstaan; a. professionele jeugdhulp verleend door: i. personen in dienst van een instelling die voor de uit te voeren taken is ingeschreven in het Handelsregister op grond van artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007; ii. zelfstandig professionals (zzp’ers) die zijn ingeschreven in het Handelsregister en werkzaam zijn als zorgaanbieder; iii. hulpverleners met een registratie op grond van artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register), op grond van artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet (SKJ-register), of een registratie op het Registerplein of in het Register Vaktherapie; b.
een professional die jeugdhulp verleent: i. beschikt over een door de overheid erkende, afgeronde zorg gerelateerde opleiding gericht op mensgerichte dienstverlening; ii. heeft een opleiding die, naar het oordeel van het college, passend is bij de aard van de activiteiten én aansluit op de persoonlijke kenmerken, de complexiteit en de problematiek van de jeugdige en diens gezinssysteem; iii. is bij een hbo- of wo-niveau, indien van toepassing, geregistreerd in het BIGregister, het SKJ-register of het Registerplein; iv. is in het geval van vaktherapie geregistreerd in het Register Vaktherapie; voor vaktherapeuten is een SKJ-registratie niet vereist. c. personen die behoren tot het sociaal netwerk van de jeugdige of ouder, en die professional zijn, mits zij de hulp kunnen verlenen met voldoende professionele afstand. 2. Er wordt geen pgb verstrekt voor hulp uit het sociaal netwerk indien, op basis van het afwegingskader uit het Kwaliteitskader Jeugd, professionele hulp noodzakelijk wordt geacht. Artikel 7.5 Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb 1. Iedere uitvoerder van jeugdhulp die wordt ingezet via een pgb, ongeacht of sprake is van professionele hulp of hulp uit het sociaal netwerk, voldoet aan de volgende algemene eisen: a.
beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie, tenzij deze uitvoerder eenuuders is; b. beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden; c. houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp; d. is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren; e. werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd; f. voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college; g. stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of ouders; 16
h. stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige of zijn ouders gebruik van maken; i. respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouders en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie; j. neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis; k. meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college; l. werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; m. is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast. 2. Voor professionele hulpverleners, bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, onder a en b, gelden naast de algemene eisen de volgende aanvullende kwaliteitseisen: a. handelt in overeenstemming met de professionele standaard; b. werkt op basis van een hulpverleningsplan; c. werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking; d. hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en e. stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren. 3.
Voor professionele hulpverleners, als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, onder c, gelden naast de algemene eisen de volgende aanvullende kwaliteitseisen: a. de geboden hulp is passend en toereikend, gelet op de problematiek, ontwikkelingsdoelen en situatie van de jeugdige of ouder; b. de hulp wordt uitsluitend ingezet als deze niet kan worden aangemerkt als gebruikelijke hulp of mantelzorg; c. de hulp wordt uitsluitend ingezet als dit, naar het oordeel van het college, geen overbelasting oplevert voor de hulpverlener; d. de hulp wordt verleend met voldoende professionele afstand tot de jeugdige of ouders, als het personen betreft die beschikken over relevante diploma’s. Artikel 7.6 Hoogte pgb 1. Het pgb bedraagt maximaal de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate en tijdig beschikbare individuele voorziening in natura binnen de gemeente. Als de jeugdige of ouders een duurder aanbod wensen dan deze voorziening, komen de extra kosten voor eigen rekening. 2. De hoogte van een pgb voor een jeugdige ten behoeve van een dienst wordt vastgesteld op basis van het door het college gecontracteerde tarief in natura dat voor alle diensten geldt, overeenkomstig de door het college vast te stellen nadere regels, waarbij wordt uitgegaan van: a.
100% van het tarief in natura wanneer het professionele ondersteuning betreft die geboden wordt door een ter zake gediplomeerde werknemer in dienst van een rechtspersoon; b. 80% van het tarief in natura wanneer het professionele ondersteuning betreft die geboden wordt door een ter zake gediplomeerde persoon die niet in dienst is van een rechtspersoon en die niet behoort tot het sociaal netwerk van de jeugdige of ouders. c. het wettelijk minimumloon inclusief vakantiegeld wanneer de ondersteuning wordt uitgevoerd door een persoon uit het sociaal netwerk; 3. Indien het tarief in natura hoger is dan het tarief dat wordt gevraagd door de pgb-aanbieder, wordt het lagere tarief gehanteerd.
17
Artikel 7.7 Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als ten aanzien van een jeugdige een ernstig vermoeden is gerezen dat de beslissing aangaande het pgb wordt herzien op een grond als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de wet. 2. Het college stelt de jeugdige of zijn ouders schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste lid. Artikel 7.8 Waaraan het pgb mag worden besteed 1. Het pgb mag enkel worden besteed aan het doel waarvoor het is verstrekt, volgens het pgb-plan. 2. Het pgb mag niet worden besteed aan kosten of betalingen voor: a. bemiddeling of administratie; b. een tussenpersoon of belangenbehartiging; c. coördinatie; d. pleegzorg; e. een vrij besteedbaar bedrag of vrijwilligersvergoeding; f. reiskosten van de formele of informele zorgverlener; g. hulpmiddelen of aanpassingen die door progressiviteit van het ziektebeeld of voor kinderen in de groei snel vervangen dienen te worden; h. voorzieningen waarvoor een algemene of collectieve voorziening aanwezig is; i. feestdagenuitkeringen aan de formele of informele zorgverlener. 3. Alleen na voorafgaande toestemming, van het college, kan het pgb in het buitenland of anders dan de woonplaats besteed worden.
Aan de besteding van pgb in het buitenland worden de volgende voorwaarden verbonden: a. de ondersteuning die in het buitenland wordt geleverd draagt bij aan de doelstellingen van het pgb-plan en is aannemelijk en controleerbaar; b. de ondersteuning is noodzakelijk om tijdens het buitenlands verblijf te functioneren; c. het pgb mag niet worden ingezet voor het verblijf. 4. De inzet van logeeropvang wordt vastgelegd in het pgb-plan, met ruimte voor variatie in de duur en het moment van inzet. Artikel 7.9 Weigerings- en herzieningsgronden voor het pgb 1. Het college kan een aanvraag voor een persoonsgebonden budget weigeren indien: a. de aanvrager of diens vertegenwoordiger in het verleden een pgb heeft ontvangen dat is ingetrokken of beëindigd wegens misbruik of het niet naleven van pgb-voorwaarden; b. het pgb wordt beheerd door de zorgverlener zelf; alleen als de zorgverlener familie is in de eerste of tweede graad en het college vindt dat deze persoon voldoende onafhankelijk is, mag de zorgverlener het pgb beheren; c. de vertegenwoordiger van de jeugdige: i. een bloed- of aanverwant is in de eerste tot en met de vierde graad van de zorgverlener of diens hiërarchisch meerdere; ii. onder bewind, mentorschap of curatele staat; iii.
kampt met schulden- of verslavingsproblematiek, voor zover deze problematiek naar het oordeel van het college het verantwoord beheren van het pgb belemmert; iv. zelf een indicatie heeft waaruit blijkt dat hij of zij niet pgb-vaardig is. d. de aanvrager de voorziening wil inkopen bij een door de gemeente gecontracteerde aanbieder van zorg in natura;
18
e. de beoogde hulpverlener onvoldoende deskundig of niet geschikt wordt geacht op basis van de kwaliteitseisen in deze verordening; f. sprake is van een aanvraag voor jeugdhulp vanuit het sociale netwerk voor een GGZbehandeling, tenzij naar het oordeel van het college zwaarwegende omstandigheden anders rechtvaardigen; g. er ernstige aanwijzingen zijn dat de aanvrager of diens vertegenwoordiger niet in staat is op verantwoorde wijze met het pgb om te gaan of de daaraan verbonden taken adequaat uit te voeren. 2. Het college verstrekt geen pgb voor ondersteuning door een jeugdhulpaanbieder als er gegronde twijfel bestaat over diens integriteit. Daarvan is in elk geval sprake als de aanbieder of diens directie, of daarmee gelieerde personen: a. betrokken is of is geweest bij strafbare feiten of overtredingen die de veiligheid of kwaliteit van de ondersteuning in gevaar brengen; b. veroordeeld is voor strafbare feiten; c. bestuursrechtelijke of fiscale boetes heeft ontvangen die verband houden met de uitvoering van zorg of de bedrijfsvoering daarvan; d. bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen zijn opgelegd zoals een last onder dwangsom of bestuursdwang; e.
een aantoonbare zakelijke relatie onderhoudt met personen of organisaties die rechtstreeks in verband zijn gebracht met strafbare feiten of concrete verdenkingen daarvan, voor zover deze relatie gevolgen kan hebben voor de uitvoering van de zorg of de bedrijfsvoering; f. herhaaldelijk betrokken is geweest bij incidenten binnen de uitvoering van jeugdhulp. 3. Het college kan een besluit tot verstrekking van een pgb intrekken of herzien, op wijze als bedoeld in artikel 8.1.4 van de Jeugdwet. Artikel 7.10 Controle en verantwoording 1. Aan de hand van een periodiek gesprek met de budgethouder wordt bezien of de jeugdhulp wordt uitgevoerd conform het gezinsplan en de pgbbeschikking en of de jeugdhulp nog voldoet aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen. Bij het onderzoek kan advies worden gevraagd aan een deskundige. 2. De jeugdige en zijn ouders, dan wel de budgethouder, zijn verplicht de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van hetgeen bepaald is bij of op basis van de Jeugdwet. 3. Bij de evaluatie van het pgbplan overlegt de jeugdige of ouders en de jeugdhulpaanbieder een evaluatieverslag waarin in ieder geval het volgende wordt beschreven: a. wat de algemene situatie is op dat moment; b. wat de doelen waren die gesteld zijn met de indicatie; c. hoe de afgelopen periode aan de doelen is gewerkt; d. welke doelen en resultaten zijn behaald; e.