Verordening Jeugdhulp Nissewaard 2026
Tekst van het document
Een zorgvuldig onderzoek vereist het doorlopen van de volgende stappen: Stap 1 - inventariseer de vraag Wat is de jeugdhulpvraag of opvoedvraag van de jeugdige of zijn ouders? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1 van de Jeugdwet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Ook uit andere wettelijke kaders kan de hulp voortvloeien, zoals uit de Participatiewet, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en de Wmo. Bij het inventariseren van de vraag (en bij de volgende stappen) betrekt het college het familiegroepsplan indien aanwezig. Stap 2 - breng de onderliggende problematiek minutieus en onderbouwd in kaart Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, beperkingen, psychosociale problemen of psychische stoornissen zijn er? 42
Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast Welke hulp is noodzakelijk, en in welke omvang? Deze vraag moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren (artikel 2.3 Jeugdwet) Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en eigen kracht is Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, ouder(s) en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de toereikende van de eigen kracht. De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul. Als uit onderzoek naar de factoren volgt dat de ouder(s) de benodigde hulp kunnen bieden zonder dat dit tot problemen leidt op één van deze terreinen, dan kan de gemeente concluderen dat sprake is van voldoende eigen kracht.
Stap 5 – Bepaling van de passende voorziening Tot slot wordt vastgesteld welke voorziening nodig is om het verschil (de discrepantie) tussen de noodzakelijke hulp en de eigen mogelijkheden van het gezin te overbruggen. Deze afweging vormt de kern van de jeugdhulpplicht van het college: het bieden van passende ondersteuning waar de eigen kracht tekortschiet. Artikel 6.2 Verslag van het onderzoek: het gezinsplan Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een transparante en navolgbare besluitvorming. Na afronding van het onderzoek stelt het college een schriftelijke weergave op van de uitkomsten van het onderzoek: het gezinsplan. Dit plan wordt opgesteld in samenspraak met de jeugdige en diens ouders of wettelijke vertegenwoordiger. Het gezinsplan bevat geen volledige transcriptie van de gevoerde gesprekken, maar een beknopte en doelgerichte weergave van gegevens die noodzakelijk zijn om te kunnen voorzien in de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders. De mate van detaillering in het gezinsplan is afhankelijk van de complexiteit van de situatie. Bij een eenvoudige hulpvraag, waarbij geen individuele voorziening nodig is, kan een beperkte weergave volstaan. In meer complexe situaties zal een uitgebreider verslag noodzakelijk zijn.
Een heldere en zorgvuldige verslaglegging maakt het voor het college mogelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag. Daarnaast draagt het bij aan begrijpelijke en transparante communicatie met de jeugdige en diens ouders. In dit gezinsplan wordt ook de evaluatie van het traject opgenomen, hierin moet minimaal komen te staan: -
Het tijdspad voor de evaluatie, dit is afhankelijk van de beschikte duur van de zorg. Evaluatie kan ook plaats vinden buiten het tijdspad als het college daar aanleiding tot ziet, naar aanleiding van signalen van jeugdige of ouders, of vanuit de jeugdhulpaanbieder. Met wie er geëvalueerd wordt. Dit is altijd de jeugdige en ouder en jeugdhulpaanbieder. Hier kan ook het sociale netwerk, onderwijsinstantie of andere zorgaanbieder bij betrokken worden. 43
Artikel 6.3 Criteria voor toekenning, verstrekking en beëindiging van een individuele voorziening Artikel 2.9, aanhef en onder a, van de Jeugdwet bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels moet stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen. Dit betreft onder andere de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. In dit artikel is uitvoering gegeven aan deze bepalingen, met de kanttekening dat bij het verstrekken van een individuele voorziening altijd maatwerk noodzakelijk is. Dit kan anders liggen wanneer er sprake is van meervoudige problematiek binnen het gezin en tegelijkertijd een hulpvraag van de jeugdige bestaat. In dergelijke gevallen wordt de situatie in samenhang beoordeeld om te bepalen welke ondersteuning passend is.
Hoofdstuk 7 Persoonsgebonden Budget Artikel 7.1 Aanvraag met behulp van een pgbplan Wanneer uit het onderzoek in hoofdstuk 6 blijkt dat jeugdhulp in de vorm van een individuele voorziening nodig is, kan gekozen worden voor hulp via een persoonsgebonden budget (pgb). De jeugdige of ouder moet daarvoor een volledig ingevuld en ondertekend pgb-plan (zorg- en budgetplan) inleveren. Dit plan kan al tijdens de onderzoeksfase worden ingediend, maar moet uiterlijk worden ingeleverd bij de officiële aanvraag van de voorziening. In Nissewaard wordt gebruikgemaakt van een standaardformulier voor het pgb-plan. Hierin worden niet alleen de aard en omvang van de zorg benoemd, maar ook de momenten waarop deze nodig is én hoe deze bijdraagt aan zelfredzaamheid en participatie. De doelen in het plan moeten concreet zijn, zodat bij evaluatie kan worden vastgesteld of deze zijn bereikt. De gemeente verstrekt tijdens het gesprek de benodigde informatie (mondeling, schriftelijk en digitaal) voor het opstellen en beheren van het pgb. Indien de jeugdige of ouder niet in staat is zelf de regie te voeren over een pgb, kan een vertegenwoordiger uit het sociale netwerk of een wettelijk vertegenwoordiger dit op zich nemen, mits deze voldoet aan de gestelde criteria en ook actief deelneemt aan de gesprekken.
Artikel 7.2 Pgbbeheer en vaardigheden Het college beoordeelt of de jeugdige, de ouder of diens vertegenwoordiger voldoende pgb-vaardig is. Dit gebeurt aan de hand van criteria die gebaseerd zijn op de tien toetsingspunten pgbvaardigheid van het Ministerie van VWS, zoals vermeld in artikel 2.3.6 lid 2a Jeugdwet. Deze criteria zijn expliciet opgenomen in het artikel en gaan onder andere over het kunnen overzien van de zorgsituatie, communiceren met instanties, administratief vaardig zijn, en kennis hebben van het werkgeverschap. Deze toets is een randvoorwaarde voor het verantwoord inzetten van een pgb. Artikel 7.3 Motivatie voor een pgb Een pgb wordt alleen toegekend wanneer de aanvrager gemotiveerd onderbouwt waarom het aanbod in natura niet passend is. Deze motieven zijn nader gespecificeerd (zoals ongebruikelijke tijden of 24-uurs zorg), en zijn essentieel om vast te stellen dat een pgb de beste manier is om passende zorg te realiseren. De motivatie moet helder blijken uit het pgb-plan. Artikel 7.4 Onderscheid professionele hulp en hulp uit het sociale netwerk Pgb-hulp vanuit het sociaal netwerk is alle hulp die wordt geboden door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad. Wanneer bloed of aanverwanten werkzaam zijn bij een professionele instelling of 44
professionele ondersteuning bieden als zelfstandige zonder personeel, valt dit onder Pgb-hulp uit het sociaal netwerk. Wanneer een bloed- of aanverwant geen diploma heeft voor het bieden van de juiste hulp, maar wegens persoonlijke factoren wel van meerwaarde is voor de ondersteuning van de jeugdige dan behoort deze tot hulp vanuit het sociale netwerk zonder diploma. Een van de voorwaarden voor toekenning van een pgb is dat de hulp die wordt geboden van goede kwaliteit is. Als een persoon uit het sociaal netwerk wordt ingezet, dan hoeft deze niet te voldoen aan de algemene kwaliteitseisen uit de Jeugdwet. Zoals de ‘Verantwoorde werktoedeling’, waaronder registratie in het Kwaliteitsregister Jeugd. Het college moet vaststellen of de kwaliteit van de hulp die de persoon uit het sociaal netwerk biedt passend en toereikend is gelet op de problematiek en ontwikkelingsdoelen van de jeugdige. De jeugdhulp die wordt ingezet moet ervoor zorgen dat de jeugdige zijn doelen kan realiseren. Er moet dus worden onderzocht of de hulpverlener bekwaam is en of de hulpverlening bijdraagt aan de doelen zoals opgenomen in artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet. Verder wordt onderzocht of deze hulp past bij de achtergrond en problematiek van de jeugdige.
Artikel 7.5 Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb Iedere zorgverlener die via een pgb wordt ingezet, moet aan minimale kwaliteitseisen voldoen. Bij hulp uit het sociale netwerk wordt minder nadruk gelegd op formele eisen zoals registratie, maar wordt wel beoordeeld of de hulp kwalitatief toereikend is. Professionele hulpverleners moeten daarnaast werken volgens een hulpverleningsplan en een systeem van kwaliteitsbewaking hanteren. Voor personen uit het sociaal netwerk gelden aanvullende eisen, afhankelijk van of zij wel of niet gediplomeerd zijn. Er mag nooit sprake zijn van overbelasting van de hulpverlener, en de geboden hulp moet effectief bijdragen aan de doelen van de jeugdige. Artikel 7.6 Hoogte pgb Het persoonsgebonden budget (pgb) is bedoeld om jeugdigen en hun ouders de mogelijkheid te geven om zelf de benodigde zorg en ondersteuning in te kopen. De hoogte van het pgb wordt altijd afgestemd op de goedkoopste adequate en tijdig beschikbare individuele voorziening in natura binnen de gemeente. Dit betekent dat het pgb niet hoger is dan wat de gemeente normaal gesproken aan een gecontracteerde aanbieder zou betalen. Kiezen de jeugdige of ouders voor een duurdere aanbieder dan het door het college aangeboden alternatief, dan komen de extra kosten voor eigen rekening.
Het is dus mogelijk om een specifieke aanbieder te kiezen, mits de aanvullende kosten zelf worden betaald. De hoogte van het pgb is afhankelijk van de aard van de ondersteuning en van de professionaliteit van degene die de ondersteuning verleent. Hierbij wordt onderscheid gemaakt ten opzichte van het tarief voor zorg in natura: - Volledige vergoeding (100%): wanneer de ondersteuning wordt geleverd door een gediplomeerde professional die in dienst is van een rechtspersoon, zoals een jeugdhulporganisatie. - Gedeeltelijke vergoeding (80%): wanneer de ondersteuning wordt geleverd door een gediplomeerde professional die niet in dienst is van een organisatie en ook geen deel uitmaakt van het sociale netwerk van de jeugdige of ouder. Voor deze situatie geldt een lager
45
-
tarief, omdat wordt verondersteld dat er geen overheadkosten zijn die doorberekend hoeven te worden. Informele vergoeding (minimumloon): wanneer de ondersteuning wordt geleverd door een natuurlijk persoon uit het sociale netwerk van de jeugdige of ouder. In dat geval wordt het pgb vastgesteld op het niveau van het wettelijk minimumloon inclusief vakantiegeld.
Op deze manier wordt de hoogte van het pgb afgestemd op de aard van de ondersteuning, de kwalificaties van de zorgverlener en het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding, terwijl er ruimte blijft voor maatwerk. Artikel 7.7 Opschorting betaling uit het pgb Met deze regeling wordt uitvoering gegeven aan artikel 2.9, aanhef en onderdeel d, van de Jeugdwet, in combinatie met artikel 8b, vierde lid, aanhef en onder f, van de Regeling Jeugdwet, en wordt beoogd misbruik en oneigenlijk gebruik van pgb’s te bestrijden. In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering (op grond van artikel 8b, vierde lid, van de Regeling Jeugdwet) of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit (op grond van artikel 8.1.4 van de Jeugdwet). Met opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking. Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) te verzoeken over te gaan tot opschorting aan de verordening toegevoegd. Het college kunnen een verzoek enkel doen als een ernstig vermoeden is gerezen dat: 1.
de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, 2. de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb, of 3. de jeugdige of zijn ouders pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is. Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de jeugdige of diens ouders niet langer voldoende in staat zijn op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van een vertegenwoordiger, de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doelmatig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting. Verder kan ervoor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56 van de Awb en onder de WLZ.
Het college kan de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van een opname. Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een jeugdige tijdelijk geen gebruik van een individuele voorziening of pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de individuele voorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stellen de pgb-houder 46
schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Zie artikel 6:3 van de Awb: voorbereiding op eventueel intrekken of herzien. Artikel 7.8 Weigeringsgronden en herzieningsgronden voor het pgb De gronden waarop een jeugd-pgb kan worden geweigerd zijn gebaseerd op artikel 8.1.1, lid 2 van de Jeugdwet. Daarin zijn de voorwaarden opgenomen waaraan een aanvraag moet voldoen om voor een pgb in aanmerking te komen. Om te waarborgen dat er een professionele afstand bestaat tussen zorgverlener en zorgaanvrager, is in artikel 6.8, eerste lid, onder a, opgenomen dat een pgb niet wordt toegekend wanneer de relatie tussen vertegenwoordiger en zorgverlener leidt tot financiële afhankelijkheid. Een pgb-aanvraag kan daarnaast worden geweigerd indien de kosten van het gewenste pgb hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening zoals door het college vastgesteld (artikel 8.1.1, vierde lid, onder a, van de wet). Dit betekent echter niet dat een pgb volledig kan worden geweigerd als de door de jeugdige of ouder gekozen aanbieder duurder is. De jeugdige of ouder kan het verschil zelf bijbetalen, zodat het pgb wordt toegekend voor het bedrag dat overeenkomt met het door het college voorgestelde aanbod. Voor logeeropvang geldt dat de ouder deze op regelmatige basis kan inzetten voor korte perioden, bijvoorbeeld een weekend.
Indien passend, kunnen de toegekende uren ook aaneengesloten worden ingezet voor een langere periode, bijvoorbeeld twee weken tijdens de schoolvakantie. De inzet van logeeropvang wordt altijd vastgelegd in het pgb-plan, zodat duidelijk is hoe en wanneer de ondersteuning wordt ingezet.
Hoofstuk 8 Kwaliteit Artikel 8.1 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college mag bepaalde taken uit de Jeugdwet laten uitvoeren door zorgaanbieders. Dat geldt bijvoorbeeld voor jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering. Alleen het vaststellen van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders mag het college niet uitbesteden (volgens artikel 2.11 van de Jeugdwet). Om ervoor te zorgen dat de prijs voor deze zorg of ondersteuning in verhouding staat tot de kwaliteit, is in de wet vastgelegd dat de gemeenteraad hierover regels moet opstellen (artikel 2.12 Jeugdwet). Daarbij moet onder andere gekeken worden naar de deskundigheid van het personeel en de arbeidsvoorwaarden die voor hen gelden. Het is belangrijk dat bij het bepalen van de tarieven niet alleen gekeken wordt naar wie de goedkoopste is. In dit artikel staat daarom dat het college ook andere factoren mee moet nemen, zoals de kwaliteit van het werk en de professionaliteit van het personeel. Zo ontstaat een beter beeld van wat een eerlijke, ‘reële’ prijs is voor het werk dat een aanbieder levert. Het uitgangspunt is dat aanbieders goed opgeleid personeel inzetten, dat wordt betaald volgens de juiste arbeidsvoorwaarden. Daarvoor moet duidelijk zijn welke werkzaamheden nodig zijn en wat daarbij hoort aan beloning.
Dit zorgt ervoor dat medewerkers eerlijk behandeld worden en dat de kwaliteit van zorg gewaarborgd blijft.
47
Artikel 8.2 Kwaliteitseisen jeugdhulpaanbieders en verlener De kwaliteitseisen voor de jeugdhulpaanbieder en verlener staan beschreven in het Besluit Jeugdwet hoofdstuk 5. Kwaliteitseisen die daarbij nog aanvullend zijn voor de gemeente, zijn opgenomen in bijlage 4 kwaliteitseisen zorgaanbieder. Deze worden in de contracten met de zorgaanbieder ook beschreven. De accountmanagers van de zorgaanbieder zullen tijdens de gesprekken zich ook richten op de geleverde kwaliteit. Het Toezicht Sociaal Domein (TSD) houdt onder andere in de gaten of organisaties zich houden aan de kwaliteitseisen uit de Jeugdwet. In het TSD werken de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, Inspectie van het Onderwijs, Inspectie Justitie en Veiligheid en Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid samen. De Jeugdwet bepaalt dat de samenwerkende inspecties toezicht houden op de volgende organisaties (art. 9.1): • • • • • •
jeugdhulpaanbieders gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering certificerende instelling voor jeugdbescherming en jeugdreclassering Veilig Thuis Raad voor de Kinderbescherming justitiële jeugdinrichtingen.
Artikel 8.3 Meldingsregeling calamiteiten en geweld Onder een calamiteit wordt verstaan: • een gebeurtenis die betrekking heeft op de kwaliteit van ondersteuning en die tot de dood of een ernstig schadelijk gevolg voor een patiënt of cliënt heeft geleid; • een gebeurtenis tijdens het ondersteuningsproces die tot schade aan de cliënt of medewerker heeft geleid, had kunnen leiden of (nog) zou kunnen leiden. De zorgaanbieder is verplicht calamiteiten direct bij de gemeente te melden.
Hoofdstuk 9 Toezicht en handhaving Artikel 9.1 Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen en pgb’s Dit hoofdstuk betreft een uitwerking van de verordening plicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, en ook van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Op grond van artikel 8.1.3 van de Jeugdwet moeten het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing over een pgb te heroverwegen. Soms bestaat er echter twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning, het onderzoek in het kader van artikel 8.1.3 biedt dan onvoldoende houvast om hier goed naar te kijken. Daarom is dit artikel toegevoegd, dat bovendien ook ziet op beslissingen over de verlening van individuele voorzieningen. Op grond van deze bepaling moeten het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 8.1.3 ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs onderzoeken of de verstrekte individuele voorzieningen in natura en pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is.
Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van de jeugdige, de ouders of een pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de jeugdige of 48
de ouders, bezoek aan de locatie waar de jeugdige of de ouders ondersteuning krijgen en gesprekken met de aanbieder. De toezichthouder heeft verschillende wettelijke en in de verordening vastgelegde bevoegdheden om goed toezicht te kunnen houden op de uitvoering van de jeugdhulp en het gebruik van persoonsgebonden budgetten (pgb’s). Deze bevoegdheden zijn noodzakelijk om te kunnen beoordelen of voorzieningen rechtmatig, doelmatig en cliëntgericht worden ingezet en uitgevoerd. De toezichthouder kan onder meer dossiers en administraties inzien, zowel bij aanbieders als bij cliënten of pgb-beheerders. Ook kan de toezichthouder inlichtingen vorderen, inzage vragen in identificatiebewijzen en andere documenten, en toegang krijgen tot relevante gegevens. Daarnaast heeft de toezichthouder de bevoegdheid plaatsen te betreden (met uitzondering van woningen) en te controleren of (pgb-)aanbieders hun verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of uit de overeenkomst met het college nakomen. Verder kan de toezichthouder inhoudelijk nagaan of de overeenkomsten die cliënten of pgbbeheerders met aanbieders sluiten aansluiten bij de gegevens en informatie die bij de aanvraag zijn verstrekt. Ook kan worden gecontroleerd of de individuele voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt uitgevoerd en kunnen (pgb-)aanbieders vooraf worden gescreend.
Artikel 9.2 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, en ook van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Het eerste en tweede lid zijn waar het betreft pgb’s in hoofdzaak een herhaling van de regeling zoals deze is neergelegd in de artikelen 8.1.2 en 8.1.4 van de Jeugdwet. Deze is hier echter uitgebreid naar individuele voorzieningen (in natura). Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, hebben het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het derde lid, onder f (dat ook op individuele voorzieningen (in natura) ziet). Het vierde lid biedt het college de mogelijkheid om te veel of ten onrechte verstrek pgb terug te vorderen.
Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.
Hoofdstuk 10 Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 10.1 Evaluatie De gemeente evalueert het jeugdbeleid. Deze staat los van de landelijke evaluatie, die de lokaal verzamelde gegevens daarvoor kan benutten. Artikel 10.2 Hardheidsclausule Juist omdat het in de jeugdwet om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. 49
Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling. Als ondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet billijke situatie, is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een beroep doen op deze clausule. Artikel 10.4 Overgangsrecht In dit artikel is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op basis van de oude verordening. Inhoudelijk blijft de voorziening behouden ook al wordt de grond van de verstrekking vervangen door deze verordening.
50