CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Galileilaan, Spijkenisse - ter vaststelling motivering

Gemeenteraad 6 mei 2026, gemeente NissewaardBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Galileilaan, Spijkenisse22.366 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.3

Bodem

Toetsingskader Het omgevingsplan bevat de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (par. 5.1.4.5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de gemeente rekening met de interventiewaarden voor de verschillende stoffen en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grondverzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie ingedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie. Ook kunnen in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen.

33/128

Toetsing In opdracht van de gemeente Nissewaard heeft RSK Netherlands milieukundige onderzoeken uitgevoerd ter plaatse van de Galileilaan in Spijkenisse. Aanleiding voor de onderzoeken is de geplande herinrichting. Met het onderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van het asfalt (teerhoudendheid), de milieuhygiënische bodemkwaliteit en de grondwaterkwaliteit bepaald. Tevens is de (indicatieve) hergebruikskwaliteit van de grond bepaald, alsmede de benodigde veiligheidsmaatregelen conform CROW400 bij de voorgenomen werkzaamheden. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen als bijlage 3 bij deze motivering. Grond De bodem bestaat tot 1,0 m-mv hoofdzakelijk uit zand met daaronder klei en veen. Plaatselijk bestaat de bovengrond uit klei. In de boven- en ondergrond zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan zware metalen (cadmium, kwik, molybdeen en/of zink), PAK en PCB aangetoond. Asbest Er is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. PFAS In zowel de verharde als onverharde bovengrond zijn verhoogde gehalten PFAS (met name PFOA en PFOS) aangetoond. De grond is op basis van PFAS volgens het landelijke en regionale hergebruikskader elders toepasbaar als klasse Wonen/ Industrie. Hergebruik Op basis van indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit, kan zowel de bovengrond als de ondergrond over het algemeen worden aangeduid als altijd toepasbaar (Achtergrondwaarde).

Grondwater Het grondwater is waargenomen op een diepte van circa 0,8 m-mv. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan barium, xylenen en naftaleen aangetoond. Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen herinrichting van de locatie. Conclusie Het omgevingsplan voldoet aan de instructieregels. De ontwikkeling voorziet voor het aspect bodem/grondwater in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat de bodem- en grondwaterkwaliteit voldoende is voor het bouwen van de woningen en geen sanerende maatregelen nodig zijn. De ontwikkeling zelf heeft geen negatieve gevolgen voor de bodemkwaliteit.

34/128

4.4

Cultuurhistorie

Toetsingskader Sinds 2016 is de regelgeving met betrekking tot het behoud en beheer van cultureel erfgoed ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Omgevingswet zorgt deze wet voor een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erfgoed, cultuurlandschappen, archeologische monumenten, gebouwde monumenten en stads- en dorpsgezichten. Er dient rekening gehouden te worden met het belang van het behoud van dit cultureel erfgoed. Dit door regels te stellen ter bescherming van het cultureel erfgoed (par. 5.1.5.5 Bkl). De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsverordening de bijzondere provinciale landschappen benoemd en regels gesteld om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen. Toetsing Op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan geldt voor de planlocatie geen dubbelbestemmingen met cultuurhistorische waarden. Ook zijn er geen molenbiotopen aanwezig in of nabij de planlocatie. Conclusie De ontwikkeling voldoet aan de geldende instructieregels en is er sprake een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er is geen noodzaak om regels op te nemen voor dit aspect.

4.5

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Toetsingskader Doel van de Omgevingswet is een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Duurzaamheid is het waarborgen van de bestaansmogelijkheden van de mens. Iedereen wil immers welvarend, gezond en veilig leven. Duurzame ontwikkeling vergt volgens de commissie-Brundtland een balans tussen de kwaliteit van de natuurlijke leefomgeving (planet), de economie (profit) en het sociale vermogen van de mens (people). Dit vraagt om zorgvuldig benutten, ontwikkelen en beheren van de fysieke leefomgeving. Klimaatwet In het Klimaatakkoord, vastgesteld in 2019, zijn afspraken gemaakt over de Nederlandse invulling van het Klimaatverdrag van Parijs. In de Klimaatwet wordt uitvoering gegeven aan het Klimaatakkoord en het Klimaatverdrag van Parijs. Het doel van deze wet is om de uitstoot van broeikasgassen, zoals CO2, te verminderen. Een teveel aan broeikasgassen in de lucht verandert het klimaat en heeft negatieve gevolgen voor mens en natuur. In de Klimaatwet staan klimaatdoelstellingen voor Nederland. Voor 2050 is de doelstelling om 95% minder broeikasgassen uit te stoten dan in 1990. Om dat doel te bereiken is het de bedoeling dat Nederland in 2030 bijna de helft (49%) minder broeikasgassen uitstoot dan in 1990 en dat de elektriciteitsproductie in 2050 volledig CO2-neutraal is.

De Klimaatwet bevat behalve klimaatdoelstellingen ook een beleidskader om die doelstellingen te halen. In de wet staan daarvoor drie beleidsinstrumenten: het vijfjaarlijkse Klimaatplan, de tweejaarlijkse Voortgangsrapportage en de jaarlijkse Klimaatnota.

35/128

De provincie Zuid-Holland onderschrijft de doelstellingen van het Klimaatverdrag van Parijs en het Nederlandse klimaatakkoord. Op 18 november 2019 heeft de provincie Zuid-Holland ingestemd met het Klimaatakkoord en uitgesproken een bijdrage te leveren aan de nationale klimaatdoelstellingen. Een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's van klimaatverandering. In ieder geval moet worden ingegaan op: wateroverlast, overstroming, hitte, droogte, waterbeschikbaarheid en verzilting. Ook de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's te voorkomen of te beperken moeten worden beschreven en de afweging die daarbij is gemaakt. Toetsing Bij de bouw kunnen diverse klimaatadaptievemaatregelen worden overwogen om droogte en bodemdaling te beperken. Essentieel hierbij is goed waterbeheer, zoals regenwateropslag, infiltratievoorzieningen en waterdoorlatende bestrating. Groene daken en gevels dragen bij aan waterbuffering en verminderen hittestress. Bodemdaling kan worden beperkt door lichte bouwmaterialen en aangepaste funderingen (zoals paalplaatfunderingen) Daarnaast kunnen waterbesparende installaties en een grijswatersysteem bijdragen aan duurzaam watergebruik. Deze maatregelenzorgen voor een toekomstbestendige en klimaatrobuuste ontwikkeling.

Conclusie Ten aanzien van duurzaamheid zal worden voldaan aan de wettelijke vereiste normen, er zijn geen extra duurzaamheidsambities voor dit project.

4.6

Elektromagnetische straling

4.6.1 Toetsingskader Magnetische velden ontstaan bij het transport en het gebruik van elektriciteit/stroom. Voorbeelden van voorzieningen die zorgen voor elektromagnetische velden zijn antennes, hoogspanningslijnen, mobiele telefoons en elektrische apparaten. De kracht van het elektromagnetische veld kan per voorziening verschillen. In het kader van de fysieke leefomgeving zijn met name antennes en hoogspanningslijnen van belang, aangezien dit vaste objecten zijn. De Europese Unie heeft in 1999 blootstellingslimieten, bestaande uit basisrestricties en daarvan afgeleide referentieniveaus, aanbevolen (PbEG L 199/59, 1999). De basisrestricties mogen niet worden overschreden. Als de blootstelling lager is dan de referentieniveaus kan ervan worden uitgegaan dat de basisrestricties niet worden overschreden. Voor magnetische velden die met de elektriciteitsvoorziening samenhangen, bedraagt het referentieniveau 100 microtesla voor de gehele bevolking. Door de minister voor Klimaat en Energie is (samen met de toenmalig minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en in afstemming met de staatssecretaris voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport) op 21 april 2023 een herijkt voorzorgsbeleid aan gemeenten, provincies en netbeheerders gezonden inzake de gezondheidsrisico's van magneetvelden bij hoogspanningslijnen.

De kern van het herijkte voorzorgbeleid voor magneetvelden is dat met de netbeheerders is afgesproken dat deze bronmaatregelen gaan treffen om de sterkte en grootte van magneetvelden zo veel mogelijk te beperken. Het beleidsadvies is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden die afkomstig zijn van elektriciteitsinfrastructuur en die gemiddeld over een jaar sterker zijn dan 0,4 microtesla.

36/128

De waarde van 0,4 microtesla geldt als gemiddelde voor een heel jaar. Tijdens dat jaar kan de veldsterkte regelmatig boven en onder de waarde van 0,4 microtesla komen. Het is een waarde uit voorzorg, die alleen van toepassing is bij bovengrondse hoogspanningslijnen. 4.6.2

Planlocatie

Het plangebied ligt niet in de omgeving van een hoogspanningslijn. Gezondheidsgevolgen ter plaatse van het plangebied als gevolg van elektromagnetische velden kunnen uitgesloten worden. 4.6.3

Conclusie

Er zijn geen regels nodig om te gezondheidssituatie van het planvoornemen te borgen. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.7

Geluid (spoor-)wegen dan wel milieubelastende activiteiten

4.7.1

Toetsingskader

Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het geluid op de geluidgevoelige gebouwen beoordeeld worden. Hiertoe zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels opgenomen. De instructieregels hebben tot doel de gezondheid en het milieu te beschermen tegen te veel geluid. Hiervoor zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving eisen gesteld aan het geluid op geluidgevoelige gebouwen. Een geluidgevoelig gebouw is volgens de begripsbepalingen in bijlage 1, Bkl, een (deel van een) gebouw met een woonfunctie, een gebouw met een onderwijsfunctie, een gebouw voor kinderopvang met bedden, een gebouw voor gezondheidszorg met bedden. Ook ligplaatsen voor woonschepen en standplaatsen voor woonwagens zijn aangewezen als geluidgevoelig. Een geluidaandachtsgebied is een gebied langs een (spoor)weg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid vanwege de betreffende bron hoger kan zijn dan de standaardwaarde. De grootte van het gebied is afhankelijk van de bron. De standaardwaarde is in het algemeen een aanvaardbaar geluidniveau. In het omgevingsplan kan op basis van het type gebied een hogere of lagere standaardwaarde worden vastgesteld. Het omgevingsplan voorziet in een aanvaardbaar geluidsniveau van verkeer en industrie op een geluidgevoelig gebouw.

Hiervoor zijn in het omgevingsplan regels opgenomen over het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied en over het toelaten of wijzigen van nieuwe of bestaande (spoor)wegen en industrieterreinen. In deze paragraaf wordt ingegaan op het beschermen van de gezondheid en het milieu tegen het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen met geluidproductieplafonds (paragraaf 5.1.4.2a, Bkl). Dan wel geluid door milieubelastende activiteiten, beschreven anders dan;  industriegeluid;  spoorweggeluid;  wegverkeersgeluid;  scheepsvaartgeluid;  luchtvaartgeluid; en  bouw- of sloopgeluid.

37/128

Op grond van artikel 5.59, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is het verplicht om rekening te houden met het geluid van activiteiten, anders dan wonen, op geluidgevoelige gebouwen. Deze verplichting is aan de orde zowel bij het toelaten van geluidveroorzakende activiteiten (met uitzondering van de hierboven genoemde bronnen) als bij het toelaten van geluidgevoelige gebouwen. Concreet betekent deze verplichting dat bij het toelaten van geluidgevoelige of geluid veroorzakende activiteiten gemotiveerd moet worden:  dat er sprake is van een aanvaardbare geluidsituatie;  en wat de gevolgen zijn voor de 'geluidruimte' van activiteiten. 4.7.2

Toetsing

Wegverkeersgeluid Door Rho Adviseurs is in juni 2025 akoestisch onderzoek uitgevoerd ten behoeve van de ontwikkeling aan de Galileilaan te Spijkenisse. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4 bij deze motivering. Samenvattend wordt het volgende geconcludeerd:  De standaardwaarde voor de geluidbronsoort gemeentewegen (53 dB) wordt overschreden (57 dB) maar de grenswaarde van 70 dB niet;  Het vervangen van het asfalt door stiller asfalt SMA/NL8 G+ op Planetenlaan zorgt voor een reductie van maximaal 2 dB waardoor de standaardwaarde nog steeds wordt overschreden. Deze maatregel is niet doelmatig en financieel niet wenselijk;  Er is geen sprake van indirecte akoestische effecten door veranderend verkeer;  Het gecumuleerde geluid wordt beoordeeld als goed tot matig;  Omdat de standaardwaarde wordt overschreden aan de noord-, oost- en westzijde van het bouwvlak dienen woningen te worden voorzien van een geluidsluwe zijde. Binnen het gemeentelijk geluidbeleid is de mogelijkheid opgenomen om op geluidsluwe gevels een overschrijding van maximaal 5 dB van de standaardwaarde toe te staan. Het college van B&W is hiervoor afwegingsbevoegd.  Het gezamenlijk geluid is bepaald. Dit dient te worden vastgelegd in de regels van het omgevingsplan en is uitgangspunt voor het bepalen van de gevelgeluidwering.

Er kan worden voldaan aan de instructieregels van het Bkl en daarmee wordt het geluid van wegen als aanvaardbaar beoordeeld. Wel is het nodig om in de wijziging van het omgevingsplan regels op te nemen voor geluid die zich richten op:  De geluidwering dient te worden bepaald op basis van het gezamenlijk geluid;  Elke woning dient te beschikken over een geluidluwe gevel. Het college van B&W is bevoegd om te bepalen aan welke voorwaarden een geluidluwe gevel dient te voldoen. Indirecte akoestische effecten Voor indirecte akoestische effecten vanwege veranderend verkeer geldt de '1,5 dB-toets', wat neerkomt op een verkeerstoename van 40% of meer bij gelijkblijvende overige variabelen (voertuigverdeling, wegdek). Er is hier sprake van een verkeerstoename van 15% op de Planetenlaan vanwege de ontwikkeling. Dit is lager dan 40%. Er is hier dus geen sprake van indirect akoestische effecten.

38/128

Indirect akoestische effecten zijn niet van toepassing op de Galileïlaan waar de verkeerstoename meer dan 40% maar is, omdat de totale verkeersintensiteit onder de 1.000 motorvoertuigen per etmaal blijft (artikel 5.78ae. 1). Geluid door milieuhinderlijke of milieubelastende activiteiten Direct ten zuiden komen woonzorg woningen van Dagelijks Leven. De voornaamste geluidbron zal het laden en lossen zijn voor de bevoorrading. Het laden en lossen zal gebeuren aan de voorkant van het nieuwe gebouw van Dagelijks Leven. Op een afstand van circa 20 meter. Gezien de afstand en de bevoorrading enkel overdag plaats zal vinden zal voldaan worden aan de regels voor geluid door activiteiten uit de bruidsschat. Hiermee wordt voldaan aan de instructieregels uit het bkl en kan ter plaatse van de beoogde woningbouw een aanvaardbaar akoestisch klimaat worden gegarandeerd. Binnen het plangebied is een gezondheidscentrum beoogd. Dit is een functie dat past binnen een gemengd gebied met wonen. De bevoorrading zal beperkt zijn en overdag gebeuren en hoofdzakelijk middels licht verkeer. Verder zal voldaan worden aan de regels uit de bruidsschat voor geluid door activiteiten. Hiermee wordt voldaan aan de instructieregels uit het bkl en kan ter plaatse van de beoogde woningbouw een aanvaardbaar akoestisch klimaat worden gegarandeerd.

4.7.3

Conclusie

Conclusie Ten aanzien van het aspect geluid kunnen significante nadelige milieugevolgen worden uitgesloten.

4.8

Geur

4.8.1

Toetsingskader

Op grond van artikel 5.90, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is het verplicht om in het omgevingsplan (of bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit) rekening te houden met de geur van activiteiten, anders dan wonen, op geurgevoelige gebouwen. Deze verplichting is aan de orde zowel bij het toelaten van geurveroorzakende activiteiten als bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen. Een geurgevoelig gebouw is: a. een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat is toegelaten op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met een: 1. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; 2. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; 3. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; 4. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; b. een ander gebouw dat op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en dat volgens aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en daarvoor permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze, wordt gebruikt.

39/128

Concreet betekent dit artikel dat het gemotiveerd moet worden:  of er sprake is van een aanvaardbaar geursituatie; en  en wat de gevolgen zijn voor de 'geurruimte' van activiteiten. Bij de beoordeling van de geursituatie moet niet alleen gekeken van de geur van de activiteiten afzonderlijk, maar ook gecumuleerd. 4.8.2

Toetsing

Een geurgevoelig gebouw is een gebouw bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. De ontwikkeling voorziet in een geurgevoelig gebouw (woningen). Onderzocht is of er redelijkerwijs sprake kan zijn van te ervaren geurhinder van een of meerdere veehouderijen dan wel bedrijven op de voorgenomen planlocatie. In de omgeving zijn geen veehouderijen aanwezig. In de omgeving zijn ook geen bedrijven of industrieën aanwezig die geurhinder veroorzaken. Op basis van de geurhinder kaart van de Regio Rijnmond valt het plangebied buiten de geurhinder contouren van de industrieterreinen Botlek en Pernis. Ter plaatse van de beoogde geurgevoelige gebouwen is sprake van een aanvaardbare geur. Binnen het plangebied zelf worden met de ontwikkeling geen nieuwe activiteiten mogelijk gemaakt met significante geur emissies. Conclusie Voor het aspect 'Geur' wordt voldaan aan de instructieregels. De ontwikkeling voorziet voor het aspect geur in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat ter plaatse sprake is van een aanvaardbare geur ter plaatse van het plangebied en geen activiteiten mogelijk maakt met significante geur emissies. Aanvullende regels zijn niet noodzakelijk om te voldoen aan etfal en instructieregels.

4.9

Gezondheid

4.9.1

Toetsingskader

In artikel 1.3 van de Omgevingswet worden de maatschappelijke doelen van de wet uiteengezet, waaronder het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving. Er bestaat landelijk de wens om gezondheid meer integraal en volwaardig te betrekken in het nationale en lokale beleid over de fysieke leefomgeving. De inrichting van de fysieke leefomgeving kan direct bijdragen aan de gezondheid van inwoners. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners namelijk als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. Binnen de Omgevingswet hebben decentrale overheden de mogelijkheid om hun eigen gezondheids-ambities en regels vast te leggen en uit te werken via instrumenten zoals de omgevingsvisie, omgevings-verordening en programma's. De beleidsambities met betrekking tot gezondheid kunnen sterk variëren per gemeente. Tevens hebben veel gemeenten ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan naar de Omgevingswet. Dit houdt in dat voornamelijk in de beginfase na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, gemeenten nog geen tot weinig beleid zullen hebben met betrekking tot gezondheid. In een later stadium zal het beleid sterk per gemeente verschillen.

40/128

Toetsing Aangezien het planvoornemen de realisatie van een nieuwe activiteit omvat, is het essentieel om te onderzoeken op welke manier dit initiatief rekening houdt met het gezondheidsaspect. Luchtkwaliteit Uit de gegevens van het CIMLK (ronde 2024) zijn de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs de Planetenlaan in onderstaande tabel weergegeven. In de tabel zijn ook de omgevingswaarden, de strengere luchtkwaliteiteis voor 2030 en de WHO-advieswaarden weergegeven. Uit de gegevens blijkt dat voldaan wordt aan de omgevingswaarden en de luchtkwaliteiteis voor 2030 maar niet voldaan wordt aan de WHO-advieswaarden. Doordat niet voldaan wordt aan de WHO-advieswaarden kunnen ter plaatse van het plangebied gezondheidsgevolgen als gevolg van de luchtkwaliteit te plaatsen niet volledig uitgesloten worden. Binnen de scope van het plan zijn aanvullende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit niet doelmatig. Wel wordt voldaan aan de omgevingswaarden en luchtkwaliteiteis 2030 en kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar gezien kan worden. Tabel 4.1 luchtkwaliteit Luchtkwaliteit (2023)

Omgevingswaarden

Luchtkwaliteiteis 2030

WHO-advieswaarden

NO2

3

14,5 µg/m

3

40 µg/m

3

20 µg/m

10 µg/m3

PM10

15,2 µg/m3

40 µg/m3

20 µg/m3

15 µg/m3

PM2,5

7,7 µg/m3

25 µg/m3

10 µg/m3

5 µg/m3

Conclusie Voor het aspect 'Gezondheid' is spraken van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Aandachtsgebieden De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl). Gemeente Nissewaard is gelegen binnen de agglomeratie Rotterdam/Dordrecht voor NO2 en PM10.

41/128

Niet in betekenende mate De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtgebied vindt niet altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 van het Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO.) en/of fijnstof (PM..), die deel moeten nemen aan de jaarlijkse monitoring. Toetsing Het plan maakt de realisatie van een wegtunnel, autoweg of snelweg niet mogelijk (artikel 5.50 bkl). Wel is de gemeente Nissewaard gelegen binnen de agglomeratie Rotterdam/Dordrecht voor NO2 en PM10. De ontwikkeling betreft de realisatie van 128 woningen en valt daarmee onder de standaard gevallen 'niet in betekende mate luchtkwaliteit', zoals vermeld in artikel 5.54 van het Bkl. De artikelen 5.50 en 5.51 uit het bkl zijn niet van toepassing, nader onderzoek naar de luchtkwaliteit is daarmee niet noodzakelijk om te voldoen aan de instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht. Huidige luchtkwaliteit Omdat nieuwe woningen worden gerealiseerd, is tevens gekeken naar de luchtkwaliteit ter plaatse.

Uit de CIMLK-tool blijkt dat in 2023 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs de dichtstbijzijnde weg de Planetenlaan ruimschoots onder de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen ter plaatse van het plangebied in 2023: 14,5 µg/m³ voor NO2, 15,2 µg/m³ voor PM10 en 7,7 µg/m³ voor PM2,5. Het voorgaande betekent dat de luchtkwaliteit aanvaardbaar is. In dit verband wordt nog opgemerkt dat de luchtkwaliteit in de toekomst zeer waarschijnlijk nog verder zal verbeteren door voortschrijdende technologie (zoals vergroening van het wagenpark).

42/128

Conclusie Voor het aspect 'luchtkwaliteit' wordt voldaan aan de instructieregels. De ontwikkeling voorziet voor het aspect luchtkwaliteit in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat ter plaatse sprake is van een aanvaardbare luchtkwaliteit ter plaatse van het beoogde woongebied. Aanvullende regels zijn niet noodzakelijk om te voldoen aan etfal en instructieregels.

4.11 Milieueffectrapportage Toetsingskader Bijlage V bij het Omgevingsbesluit in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit bepalen of een besluit project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen die betrekking hebben op projecten waarvoor de mer-(be-oordelings)plicht geldt. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Of een project, dat voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met: a. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen.

Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren, deelt dit voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel 16.45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door middel van een aanmeldnotitie.

43/128

Toetsing De ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 128 woningen en een gezondheidscentrum. De ontwikkeling kan worden gezien als een activiteit uit kolom 1 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit, te weten categorie J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen'. Volgens kolom 2 is in dat geval geen mer-plicht van toepassing, maar conform kolom 3 is wel een mer-beoordeling noodzakelijk. De m.e.r.-beoordeling is als bijlage 10 bij deze motivering opgenomen. Daaruit blijkt dat dit project niet zorgt voor aanzienlijke milieueffecten. Het besluit om geen m.e.r. procedure te doorlopen is opgenomen in bijlage 11.

4.12 Natuur en landschap Toetsingskader Bij ruimtelijke ontwikkelingen en projecten moet rekening worden gehouden met (beschermde) natuurwaarden in de omgeving. Het toegelaten gebruik mag er namelijk niet toe leiden dat hierdoor te beschermen waarden van een bepaald gebied of bepaalde planten- en diersoorten worden aangetast. Gebiedsbescherming Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Deze richtlijnen bestaan uit twee delen: soortenbescherming en gebiedsbescherming. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. Er zijn activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Onder 'nadelig gevolg' vallen verslechterende of verstorende gevolgen voor het Natura 2000-gebied. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling of activiteit is het verplicht (significante) negatieve effecten op specifieke natuurwaarden van een Natura 2000-gebied in beeld te brengen of om ze al dan niet met zekerheid uit te sluiten. Natuurnetwerk Nederland Het NNN is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het doel van het NNN is de achteruitgang van het areaal aan natuur en van de biodiversiteit te stoppen door een samenhangend netwerk van natuurgebieden te creëren.

Dit wordt gedaan door natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden door verwerving, inrichting en beheer van aangrenzende en tussenliggende landbouwgronden. De provincies zijn verantwoordelijk voor het realiseren van dit netwerk. Het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat in een omgevingsverordening regels gesteld dienen te worden die verzekeren dat de kwaliteit en het oppervlak van het NNN niet achteruitgaan (artikel 7.8 lid 2 Bkl). Net als bij Natura 2000-gebieden zorgt de aanwijzing van een gebied als NNN voor een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden in dat gebied. Beschermde soorten Het gebouw op de Galileilaan nummer 5 is reeds gesloopt, voor de opstallen op de nummers 1 en 3 wordt nog een ecologisch onderzoek uitgevoerd naar beschermde plant- en diersoorten.

44/128

4.12.1 Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status. Het meest nabijgelegen gebied met stikstofgevoelige habitats is het Natura 2000-gebied 'Voornes Duin, op circa 16 kilometer afstand. (zie figuur 4.1). Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden is een stikstofberekening uitgevoerd (zie paragraaf 4.13).

Figuur 4.1: Natura-2000 gebieden kaart (Ministerie van Economische Zaken, 2018)

4.12.2 Soortenbescherming Voor de sloop van de opstallen Galileilaan 1 en 3 is een ecologische quickscan uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen als bijlage 5 bij deze motivering. De conclusies een aanbevelingen uit deze rapportage zijn als volgt: Conclusie Het natuuronderzoek is gebaseerd op inventarisatiegegevens van derden, literatuuronderzoek en een verkennend veldbezoek aan het plangebied. Het beeld dat uit het onderzoek naar voren is gekomen vormt voldoende basis om gefundeerd uitspraken te doen over de gevolgen van de voorgenomen werkzaamheden voor beschermde soorten en gebieden. De ontwikkeling en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/ of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit de planlocatie trekken op zoek naar een vervangende biotoop.

45/128

Omgevingswetvergunning voor de activiteit flora en fauna is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Omgevingsverordening voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Wat kort gezegd inhoudt dat al het mogelijke gedaan moet worden om het doden van dieren te voorkomen en eventueel aanwezige individuen te laten vluchten als zij verstoord worden. Aanbeveling Bouwplaats verlichting is niet noodzakelijk. Wanneer er toch bouwplaats verlichting noodzakelijk is, dan wordt geadviseerd rode of amberkleurige verlichting toe te passen. Hiervoor zijn vleermuizen niet gevoelig. Het aanlichten van de kruinen van de bomen en het water moet ten aller tijden voorkomen worden. Zo wordt het verstoren van een vliegroute of foerageerhabitat van vleermuizen voorkomen.

4.13 Stikstofdepositie Toetsingskader Er zijn activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Onder 'nadelig gevolg' vallen verslechterende of verstorende gevolgen voor het Natura 2000-gebied. Zo'n gevolg hoeft niet significant te zijn. In dat geval is sprake van een 'activiteit die nadelige (maar zeker geen significante) gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied'. Zo'n activiteit is niet dezelfde als een Natura-2000 activiteit. Bij een Natura 2000-activiteit zijn de mogelijk nadelige gevolgen namelijk wel significant. Verschillende factoren bepalen samen of sprake is van 'significant' of niet. Factoren zijn bijvoorbeeld: afname van de oppervlakte van een habitat in relatie tot de zeldzaamheid van die habitat; afname van een populatie in relatie tot de zeldzaamheid van planten- of diersoorten in die populatie; algemene condities van het gebied voor behoud en herstel van de habitat of soorten. Het komt neer op de vraag of de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied in gevaar komen door de activiteit. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling of activiteit is het verplicht (significante) negatieve effecten op specifieke natuurwaarden van een Natura 2000-gebied in beeld te brengen of om ze al dan niet met zekerheid uit te sluiten. Voor de effectbepaling is het uitvoeren van de voortoets de eerste stap.

Er zijn drie mogelijke uitkomsten: i) het plan of project heeft met zekerheid geen negatief effect; ii) negatieve effecten van het plan of project zijn niet uitgesloten, maar deze effecten zijn niet significant negatief, hetgeen betekent dat de activiteiten het behalen van de instandhoudingsdoelen niet schaden; iii) het plan of project heeft negatieve effecten én deze zijn significant: één of meer van de instandhoudingsdoelen worden mogelijk geschaad. De voormalige Wet natuurbescherming is via het aanvullingsspoor beleidsneutraal omgezet in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Hoofdstuk 11 'activiteiten die de natuur betreffen'), zie Aanvullingswet natuur Omgevingswet (Stb. 2020, 310) en Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet (Stb. 2021, 22). Ook de Spoedwet aanpak stikstof (Stb. 2019,517), Verzamelwet LNV 2021 (Stb. 2021, 27) en de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Stb. 2021, 140) zijn opgegaan in de Omgevingswet.

46/128

Toetsing en conclusie In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is gekeken naar de effecten op Natura 2000-gebieden. Om dit aan te tonen is een stikstofberekening uitgevoerd. De stikstofberekening met bijbehorende memo is opgenomen in de bijlage 6, 7en 8 Hieruit blijkt dat in Natura 2000 gebieden geen stikstofdepositie wordt waargenomen (0,00 mol/ha/jaar). De uitvoering van het plan zal dus niet leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden. Voor de uitvoering van het plan is geen vergunnings- of meldplicht vereist met betrekking tot stikstofdepositie. Aangetoond is dat het plan de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebied niet aantast, hiermee voldoet de ontwikkeling aan artikel 10.24 Bkl.

4.14 Omgevingsveiligheid Toetsingskader Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving in relatie tot het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen bij bedrijven met risicovolle milieubelastende activiteiten, het transport van gevaarlijke stoffen via openbare wegen, water- en spoorwegen en buisleidingen, het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. In het omgevingsplan worden beperkingen gesteld met betrekking tot externe veiligheid. Zo wordt de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht genomen. Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. De grenswaarden voor het plaatsgebonden risico zijn ruimtelijk vertaald naar afstanden tot gebouwen en locaties. Gebouwen en locaties die als (zeer) kwetsbaar worden beschouwd mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6-contour van een activiteit vallen. Ook kunnen in het omgevingsplan aandachtsgebieden en voorschriftengebieden zijn aangewezen in het verband met het groepsrisico.

Het groepsrisico gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Er zijn drie typen aandachtsgebieden: 1. brandaandachtsgebied; 2. explosieaandachtsgebied; 3. gifwolkaandachtsgebied. Toetsing De ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 128 woningen en een gezondheidscentrum. Woningen zijn kwetsbare gebouwen. Een gezondheidscentrum valt onder gezondheidszorg zonder bedgebied dat een kwetsbaar gebouw is. De ontwikkeling voorziet niet in activiteiten met externe veiligheidsrisico's. Aan de hand van kaarten en data van het Register Externe Veiligheidsrisico's is onderzocht of bij het plangebied externe veiligheid gerelateerde aandachtsgebieden of PR-contouren zijn geprojecteerd. Zie de uitsnede in onderstaande figuur.

47/128

Figuur 4.2: Uitsnede risicokaart van Register Externe Veiligheid (bron: Ministerie IenW, 2024) met projectgebied rood omcirkelt. Van deze kaart valt af te lezen dat er geen externe veiligheid gerelateerde PR-contouren in of nabij het plangebied zijn gelegen. Het projectgebied ligt wel in een gifwolkaandachtsgebied. Het gebied waar rekening moet worden gehouden met het groepsrisico als gevolg van een gifwolk is beleidsmatig afgekapt op 1,5 km (Bkl artikel 5.12, lid 4). De risicobronnen liggen op een grotere afstand dan 1,5 kilometer van het plangebied. In de verantwoording groepsrisico is voor de volledigheid wel nader ingegaan op de ligging in het gifwolkaandachtsgebied. Instructieregels vanuit de Provinciale Omgevingsverordening Beschermen van grote groepen mensen (artikel 7.18 omgevingsverordening). De voorgenomen ontwikkeling ligt in het gifwolk aandachtsgebied van 10 bedrijven van de Rotterdamse haven en de omgeving daarvan. Met toepassing van de afkapregeling uit het Bkl hoeft geen rekening gehouden te worden met dit aandachtsgebied vanaf 1,5 kilometer. Geen van de bedrijven ligt binnen een afstand van 1,5 kilometer van het plangebied.

Op basis van de "Handreiking externe veiligheid ter verduidelijking en als handvat bij artikel 7.18 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening" geldt dat het plangebied niet ligt in een brand- of explosieaandachtsgebied en is de inschatting dat de ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een situatie met een verhoogd groepsrisico. Hierdoor is een kwalitatieve verantwoording van het groepsrisico voldoende en is een groepsrisicoberekening niet vereist.

48/128

(Aanvullende) aandachtsgebieden langs niet-basisnet wegen De voorgenomen ontwikkeling ligt niet in een aandachtsgebied van de aangewezen wegen uit de provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland. Risico's anders dan gevaarlijke stoffen Op basis van artikel 5.2 van het Bkl wordt in een omgevingsplan voor risico's van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio's, rekening gehouden met het belang van:  het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan;  de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en  de geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van die wet. Deze instructieregel is 'vertaald' in de artikelen 22.13 tot en met 22.15 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege (de bruidsschat). Deze artikelen bevatten regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid die een toereikende bluswatervoorziening, de bereikbaarheid van bouwwerken voor hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen waarborgen. Daarnaast blijkt aan de hand van de kaarten en data van het Interprovinciaal Overleg (IPO) 2023, dat er in het plangebied geen kwetsbare (natuur)gebieden voor natuurbrand aanwezig zijn.

Uit kaarten van Rijkswaterstaat (2022) blijkt dat er ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving sprake is van een kleine kans tot overstroming: 1 op de 300 jaar tot 1 op de 3.000 jaar. Gezien deze kleine kans is nader onderzoek niet benodigd en wordt het risico aanvaardbaar geacht. Verantwoording groepsrisico In het kader van het wettelijk vooroverleg zal voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd worden aan de veiligheidsregio. Dit advies zal verwerkt worden in deze paragraaf. Voor de ontwikkeling is vanwege risico's van branden, rampen en crises (artikel 5.2, Bkl) en de ligging in het gifwolk aandachtsgebied ingegaan op de bestrijdbaarheid van calamiteiten, de bereikbaarheid van het plangebied en de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen.

Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Galileilaan. Via deze weg kan het regionale wegennet snel bereikt worden. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zo kan een mogelijke brand via meerdere aanvalswegen worden geblust. Het wegennetwerk biedt daarnaast vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Verder zijn de regels uit de bruidsschat van toepassing voor een toereikende bluswatervoorziening, de bereikbaarheid van bouwwerken voor hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen.

49/128

Zelfredzaamheid In de beoogde situatie zal ter plaatse van het plangebied een woongebied zijn met een gezondheidscentrum. De aanwezige personen zullen over het algemeen zelfredzaam zijn. Sommige patiënten en aanwezige gehandicapten, kinderen en ouderen worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden. Het maatgevende scenario is een incident met toxische stoffen. Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Bij dit scenario is zelfredzaamheid alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Mechanische ventilatie dienen dan ook conform artikel 4.124, lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) handmatig uitgeschakeld kunnen worden. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen.

De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd door middel van het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Conclusie Er wordt voldaan aan de instructieregels uit het Bkl en de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening omtrent omgevingsveiligheid. De ontwikkeling is niet in strijd met de ETFAL omdat het gebied geschikt is voor woningbouw en gezondheidscentrum op het gebied van omgevingsveiligheid. Naast de eisen uit het Bbl is het niet nodig om aanvullende (bouw)eisen te stellen vanwege een omgevingsveiligheidsrisico.

4.15 Trillinghinder 4.15.1 Toetsingskader Net als geluid kunnen trillingen een nadelige invloed hebben op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Met uitzondering van de trillinghinder veroorzaakt ten gevolge van milieubelastende activiteiten van bedrijven zijn er geen wettelijke normen vastgelegd om trillinghinder te beperken. Het wettelijk kader beperkt zich tot de instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), waar in het omgevingsplan in ieder geval rekening mee dient te worden gehouden.

50/128

Het wettelijk kader laat onverlet dat gemeenten in het omgevingsplan met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ook in andere gevallen een afweging maken over de verenigbaarheid van activiteiten die trillingen veroorzaken met functies die trillingen ondervinden. Dat kan betekenen dat voldoende afstand wordt gehouden tussen die activiteiten en die functies, of dat er regels worden gesteld over de activiteiten. In aanvulling op het wettelijk kader kan trillinghinder o.a. ten gevolge van doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen in het omgevingsplan worden geregeld. Voor spoortrillingen is in 2019 een handreiking opgesteld in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Uit deze Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen volgt onder meer dat de gebruikelijk gehanteerde afstand waarbinnen trillinghinder door spoor wordt getoetst, een zone is tot 100 meter van het spoor. Wanneer klachten, bodemopbouw en/of het treinbeeld daartoe aanleiding geven moet een zone van 250 meter worden aangehouden. De afstand van 100 meter van trillinggevoelige gebouwen tot een spoorweg wordt in principe ook in Nissewaard aangehouden voor de afweging of nader trilling onderzoek noodzakelijk is.

Met een dergelijk onderzoek kan, op basis van de eerdergenoemde SBR-richtlijn deel B 'hinder voor personen in gebouwen', een oordeel gegeven worden over de aanvaardbaarheid van de functie op de betreffende locatie. 4.15.2 Planlocatie De ontwikkeling voorziet in de realisatie van trillingsgevoelige gebouwen. In de directe omgeving van de locatie bevinden zich echter geen spoorwegen of andere bronnen die relevante trillingshinder kunnen veroorzaken. Ook zijn er geen (bedrijfs)activiteiten aanwezig waarvan trillingen tot hinder kunnen leiden bij de beoogde functies. Op basis hiervan is nader onderzoek naar trillinghinder niet noodzakelijk. 4.15.3 Conclusie Voor het aspect trilling wordt er voldaan aan de geldende instructieregels, er is geen onderzoek noodzakelijk zodoende is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.16 Verkeersgeneratie, - afwikkeling en parkeren Verkeer en parkeren maakt onderdeel uit van de evenwichtige functietoedeling aan locaties. In de motivering moet – naast het aspect parkeren voor zowel auto's als fietsen – aandacht worden besteed aan de verkeersgeneratie en –veiligheid. In deze paragraaf wordt aangegeven hoe binnen het planvoornemen hier mee wordt omgegaan. Uitgangspunt bij beoordeling: STOMP principe In beginsel worden de aspecten verkeer en parkeren beoordeeld conform het STOMP principe. STOMP staat voor: Stappen, Trappen, Openbaar Vervoer, Mobility as a Service (MaaS) en ten slotte de Privéauto. Het STOMP principe gaat ervanuit dat de voetgangers en fietsers de belangrijkste verkeersdeelnemers zijn die binnen de ontwikkeling gefaciliteerd dienen te worden, daarna volgt het openbaar vervoer en de deelmobiliteitsvoorzieningen en als laatste wordt de privéauto gefaciliteerd. Het toepassen van het STOMP principe draagt bij aan een duurzame gebiedsontwikkeling, daarom is dit principe belangrijk om mee te nemen in de beoordeling.

51/128

Toetsingskader Een toevoeging of wijziging van functies op locaties zorgt vaak voor een verandering van de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie van een gebied. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond of sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's en fietsen en wat het effect is op de bereikbaarheid en de verkeersafwikkeling. Er mag geen onaanvaardbaar effect op de omgeving optreden. De Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving stellen geen regels op dit gebied. De omgevingsvisies van provincie Zuid Holland en het “Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nissewaard, houdende beleidsregels voor de bepaling van voldoende parkeergelegenheid bij besluiten over omgevingsvergunningen” (vanaf nu: het parkeerbeleid) gaan wel op deze aspecten in. Om te bepalen wat de effecten van de activiteit op de verkeersaantrekkende werking van het projectgebied zijn, kan gebruik worden gemaakt van de kengetallen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW) (publicatie 744). Deze kengetallen zijn algemeen erkend en geven een indicatie van de met de ontwikkeling gepaard gaande extra verkeersgeneratie. Aangezien het richtlijnen betreft, kan er onderbouwd worden afgeweken.

Daarvoor is specifiek op de ontwikkeling van toepassing zijnde toegesneden informatie van belang. De ontwikkeling is getoetst aan de volgende normen:  Omgevingsverordening Zuid Holland 7.45d, e, f (Hierna: Omgevingsverordening).  Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nissewaard, houdende beleidsregels voor de bepaling van voldoende parkeergelegenheid bij besluiten over omgevingsvergunningen (Hierna: Parkeernormennota). Anders dan in de nota is voorgeschreven is de parkeernorm voor auto's in overleg met de gemeente gesteld op 1,4 parkeerplaats per woning  Bestemmingsplan 'Parkeren en laden & lossen'. Waar geen normen gelden is de ontwikkeling getoetst aan de richtlijnen uit:  Parkeerkencijfers 2024 (CROW-publicatie 744)  Fietsparkeerkencijfers 2025  Leidraad Fietsparkeren (CROW-publicatie 741) ontsluiting locatie In figuur 4.3 is de ontsluiting van het plangebied weergegeven. Voetgangers De ontwikkeling is centraal gelegen in de wijk Sterrenkwartier. Het Sterrenkwartier kent een aantal voorzieningen, die vanaf de ontwikkeling te voet bereikbaar zijn. Vlak ten noorden van de ontwikkeling is een buurtwinkelcentrum gevestigd waar 2 supermarkten, een bakkerij, afhaalrestaurant en enkele kleinere detailhandelszaken zijn te vinden. Het plangebied ligt direct naast een park, waar gerecreëerd en gesport kan worden.

Ook wordt er in de directe nabijheid van de ontwikkeling basisonderwijs aangeboden. De voorzieningen die er zijn, zijn via veilige voetpaden te bereiken. Alle straten in de omgeving zijn van trottoirs voorzien. Voor de basisschool en het park hoeft geen straat worden overgestoken. Om het winkelcentrum te bereiken moet de planetenlaan worden overgestoken. Voetgangers hebben hiervoor de beschikking over een voetgangersoversteekplaats in de vorm van een zebrapad.

52/128

Deze is bovendien op een plateau uitgevoerd, waardoor de snelheid van het autoverkeer wordt geremd, en er geen hoogteverschil overbrugd hoeft te worden. Al met al zijn de voetgangersfaciliteiten goed, en is voor een aantal dagelijkse bestemmingen lopen een relevante vervoerswijze. Fietsers Spijkenisse is zo compact, en de ontwikkeling ligt zo centraal in Spijkenisse dat zo goed als alle voorzieningen en arbeidsplaatsen binnen 5 kilometer fietsafstand van de ontwikkeling gelegen zijn. Spijkenisse heeft een uitgebreid netwerk van vrijliggende fietspaden, soms gelegen naast gebiedsontsluitingswegen, maar ook vaak onafhankelijk gelegen. De meeste voorzieningen zijn in het centrum van Spijkenisse gevestigd, dat binnen 2 kilometer fietsen van de ontwikkeling is gelegen. Fietsers naar het centrum kunnen gebruik maken van de vrijliggende fietspaden Duikerhoek, Antonius van der Nootstraat en Marrewijkpad, waarmee een veilige een aangename route wordt geboden. Er moeten op deze route 2 gebiedsontsluitingswegen worden overgestoken zonder voorrang, de Planetenlaan en de Hekelingseweg. De intensiteit op deze wegen maakt dat de oversteekbaarheid acceptabel is. Op de Hekelingseweg wordt de fietser bij het oversteken geholpen door een middeneiland. Kanttekening is dat de Van der Nootstraat van tegels in plaats van asfalt is voorzien, wat de route minder comfortabel maakt dan mogelijk is.

Fietsers naar bestemmingen aan de zuidkant van het centrum, zoals het ziekenhuis, metro- en busstation of middelbare school ISG De Ring van Putten maken gebruik van de Planetenlaan. Deze weg is niet heel veilig. De maximumsnelheid op de Planetenlaan is 50 km/u, terwijl er geen aparte fietsinfrastructuur is. Er zijn slechts fietssuggestiestroken aanwezig. Een andere belangrijke bestemming is de dichtstbijzijnde metrohalte Heemraadlaan. De route hiernaartoe is ongeveer 800 meter lang en gaat over de Galileilaan en Saturnusstraat, welke erftoegangswegen zijn met een maximumsnelheid van 30km/u en een lage intensiteit aan gemotoriseerd verkeer hebben. Vanaf de Saturnusstraat kunnen fietsers gebruik maken van een vrijliggend fietspad onder de Heemraadlaan door en dan direct naar de metrohalte. Bij de metrohalte zijn fietsenstallingsvoorzieningen aanwezig. Al met al is de ontsluiting van het plangebied per fiets erg goed. Openbaar Vervoer Spijkenisse is aangesloten op het metronetwerk van groot Rotterdam. Vanaf de dichtstbijzijnde halte Heemraadlaan gaan overdag elke 5 minuten via 2 verschillende routes metro's naar Rotterdam. Het centrum van Rotterdam is met de metro in 30 minuten bereikbaar. Steden als Hoogvliet en Schiedam zijn nog sneller bereikbaar. Het busstation In het centrum van Spijkenisse is het centrale busstation voor heel Voorne-Putten.

Busdiensten gaan naar plaatsen zoals Brielle en Hellevoetsluis. Ook gaan er bussen naar Goeree-Overflakkee en zelfs tot het Zeeuwse Renesse. De ontwikkeling is daarmee goed ontsloten met het openbaar vervoer, mits voor het voortransport gebruik gemaakt kan worden van de fiets. De loopafstand naar metro Heemraadslaan (bijna een kilometer) en naar het busstation in het centrum (ongeveer 1,5 kilometer) is voor veel mensen te ver. Dichterbij is alleen de busdienst 'Spijkhopper' beschikbaar. Dit is een busdienst op afroep, welke minimaal 30 minuten voor aanvang van de gewenste rit telefonisch besteld moet worden. MaaS - deelvervoer In Spijkenisse is 1 deelauto van Greenwheels beschikbaar, welke gestationeerd is bij metro Heemraadslaan. Deelvervoer speelt daarmee een zeer beperkte rol in de ontsluiting van het plangebied.

53/128

Auto Via de Galileilaan is in ongeveer 300 meter de Heemraadlaan bereikbaar. Via deze weg, en de in het verlengde ervan gelegen Baljuwlaan, N493 en N218 is in ongeveer 8 minuten en 5 kilometer het nationale hoofdwegennet in de vorm van de A15 bereikbaar. Automobilisten van en naar het centrum en het noorden van Spijkenisse, en verder over de Spijkenisserbrug naar Hoogvliet, zullen vaker de Planetenlaan en de Hekelingseweg gebruiken. De Planetenlaan is een 'grijze weg'. De maximumsnelheid is 50 km/u, maar de weg is niet ingericht als een gebiedsontsluitingsweg. Er zijn bijvoorbeeld geen fietsvoorzieningen (anders dan fietssuggestiestroken), de weg is met een elementenverharding geplaveid, en er zijn veel erftoegangen en parkeervoorzieningen. Het plangebied is goed met de auto bereikbaar. Kanttekening is dat de wegen van en naar Spijkenisse in de spitsen veel congestie kennen.

Figuur 4.3: Ontsluiting plangebied.

54/128

parkeren Auto Om te bepalen of er in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien is het programma vermenigvuldigd met de bijbehorende parkeernorm. Tabel 4.2 Parkeerbalans Functie

Norm

Woningen

1,4/ woning

programma

Parkeerbehoefte

128

179,2

-waarvan bewoners

1,1

140,8

- waarvan bezoekers

0,3

38,4

Gezondheidscentrum

2,2/ behandelkamer

7

15,4

TOTAAL

194,6

Van de parkeerbehoefte van 194,6 plaatsen komt een deel voor dubbelgebruik in aanmerking. Immers niet elke functie zorgt op hetzelfde moment voor parkeerbehoefte. Er worden in de half verdiepte parkeerkelder 65 parkeerplaatsen gerealiseerd. Deze zijn alleen beschikbaar voor bewoners, en komen dus niet in aanmerking voor dubbelgebruik. De parkeerbehoefte van (194,6-65 =) 129,6 parkeerplaatsen van bewoners en de parkeerbehoefte van de bezoekers van de woningen, en gezondheidscentrum komen wel voor dubbelgebruik in aanmerking. In tabel 4.3 zijn de relevante aanwezigheidspercentages weergegeven, en in tabel 4.4 is de berekening weergegeven van het aantal openbaar toegankelijke parkeerplaatsen dat moet worden gerealiseerd. Te zien is dat de werkdagavond de grootste parkeerbehoefte genereert, met een behoefte van afgerond 101 parkeerplaatsen. Tabel 4.3 Relevante aanwezigheidspercentages categorie

werkdag ochtend

werkdag middag

werkdag avond werkdag nacht zaterdag middag

zaterdag avond

woningen bewoners

50%

50%

90%

100%

60%

80%

woningen bezoekers

10%

20%

80%

0%

60%

80%

gezondheidscent 100% rum

75%

10%

0%

10%

10%

Tabel 4.4 te realiseren openbare parkeerplaatsen categorie

parkeer behoefte

werkdag ochtend

werkdag middag

werkdag avond

werkdag nacht

zaterdag middag

zaterdag avond

woningen bewoners

75,8

37,9

37,9

68,2

75,8

45,5

60,6

woningen bezoekers

30,7

3,8

7,7

30,7

0,0

23,0

30,7

gezondheidscent 15,4 rum

15,4

11,6

1,5

0,0

1,5

1,5

totaal

57,1

57,1

100,5

75,8

70,1

92,2

55/128

129,6

In het plangebied worden 94 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarnaast zijn er langs de oostzijde van de Galileilaan ter hoogte van de ontwikkeling 19 langsparkeerplaatsen aanwezig. Verondersteld kan worden dat een deel hiervan ooit ten behoeve van de gesloopte school zijn gebruikt. De parkeerbehoefte van de oude school bedroeg met zijn 11 leslokalen en een parkeernorm van 0.8 per leslokaal 8.8 parkeerplaatsen. Als deze kunnen worden gesaldeerd met de parkeerbehoefte van de ontwikkeling is dat voldoende om de ontbrekende 7 plaatsen te compenseren. Fiets De parkeernormennota kent geen normen of beleid voor fietsparkeren. Om vast te stellen of fietsparkeren voldoende kwantitatief en kwalitatief is opgelost is daarom gebruik gemaakt van de richtlijnen uit de Fietsparkeerkencijfers van het CROW en de Leidraad Fietsparkeren, ook van het CROW. In tabel 4.5 is de fietsparkeerbehoefte berekend voor de ontwikkeling. Omdat er geen aanwijzingen zijn gevonden dat Spijkenisse een plaats is waar bijzonder veel of weinig van de fiets gebruik wordt gemaakt is het midden van de bandbreedte gekozen. De berekening is apart gemaakt voor bewoners en bezoekers. Berekend is dat er behoefte is aan 428 stallingsplekken voor bewoners en 44 voor bezoekers. tabel Tabel 4.5 Berekening fietsparkeerbehoefte programma

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16731459/2