CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport Uitvoeringskosten Klimaatakkoord decentrale overheden (bureau AEF 22-9-2020)

Commissie Bestuur 13 april 2021, gemeente NissewaardBij agendapunt: Nr. 4: Brief van de Provincie Zuid Holland; Onderzoek naar de financiële en beleidsvrije ruimte van gemeenten in Zuid-Holland, rapport Berenschot “Roeien met te korte riemen”. Op verzoek van de heer Verhoog en mevrouw Vonk Noordegraaf42.865 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Deze kennis is zo specialistisch dat AEF die ziet als onderzoeksproduct, niet als inhuur. De kosten daarvoor worden geraamd op € 50.000 per jaar. Dat is een gemiddelde over de vier jaar dat taak 3.7 speelt. Waarschijnlijk zijn er binnen die periode pieken en dalen. - € 50.000 per provincie per jaar. Beleidsonderzoek Naast technisch onderzoek is er bij provincies ook enig extern beleidsonderzoek nodig. Dit soort onderzoek brengt in kaart hoe beleid van de provincie rondom het Klimaatakkoord zich kan verhouden tot andere partners of andere beleidsdomeinen. Dit onderzoek is eerder beleidsmatig of organisatorisch dan technisch-wetenschappelijk. Hoewel deze materiële kosten dichter tegen het werk van beleidsmedewerkers zelf aanliggen, is het aannemelijk dat sommige onderzoeksproducten daar een noodzakelijke aanvulling op zijn. Onze assumptie is dat de kosten van beleidsonderzoek voor provincies gelijk zijn aan die van een G4-gemeente. Daarmee zijn dit voor provincies de grootste materiële kosten. Dat is aannemelijk. Provincies bewegen zich steeds in een context waar verschillende partijen met elkaar samenwerken. Juist in die context is soms onafhankelijk extern onderzoek nodig. - € 70.000 - € 100.000 per provincie per jaar Verduurzaming eigen materiaal De kosten van het verduurzamen van het eigen vastgoed en de eigen mobiliteit kunnen ook als materiële kosten worden gezien.

Zo geeft het isoleren van het provinciehuis bedrijfsvoeringskosten. Dit zijn echter ook investeringen. Bijvoorbeeld: door een lagere gasrekening verdient het isoleren zichzelf (voor een deel) terug. In dit onderzoek hebben we niet kunnen nagaan in hoeverre deze uitgaven zichzelf terugverdienen. Uit de dieptestudies kwam daarover geen consistent beeld naar voren. Daarom ramen we voor nu geen materiële kosten. Daarbij speelt dat het hier ook om marktontwikkelingen gaat die ook zonder het Klimaatakkoord zouden optreden.

65

5.9

Tijdspad Met behulp van de resultaten van verkennende interviews, dieptestudies en de uitvraag hebben we een raming opgesteld van de jaren waarin deze taken worden uitgevoerd. De onderstaande figuur geeft de uitkomsten hiervan weer. Daarbij betekent een ‘1’ dat een taak in dat jaar met de reguliere, structurele intensiteit wordt uitgevoerd. Een veelvoud daarvan betekent dat een taak intensiever of minder intensief wordt uitgevoerd; zo wil een ‘2’ zeggen dat een taak in dat jaar 2 keer zoveel inzet vraagt. Een ‘-‘ betekent dat een taak in dat jaar niet wordt uitgevoerd. Taak

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

1.1 Monitoren herijken RES

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1.2 Vergoeden planschade

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

2.1 Warmtebronnen

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

2.2 Eigen vastgoed

1,0

1,0

1,0

1,0

-

-

-

-

-

3.1 Aanwijzen locatie infra

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

-

-

-

-

3.2 Aanbesteding laadinfra

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

-

-

-

-

3.3 Infra voor opwekking

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

3.4 Inkopen GGW

1,0

1,0

1,0

0,5

-

-

-

-

-

3.5 Regionaal platform

1,0

1,0

1,0

1,0

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

3.6 Emissieloos 2030

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

3.7 ZE-busvervoer

1,0

1,0

1,0

1,0

-

-

-

-

-

3.8 Deelconcepten

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

3.9 Eigen mobiliteit

1,0

1,0

1,0

-

-

-

-

-

-

3.10 Hyperspits

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

3.11 Handhaven CO2-norm

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

4.1 Energiebesparingsplicht

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

4.2 Vergunningen maatregel

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

4.3 Inpassen warmtenetten

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

5.1 Veenweidegebied

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

5.2 Landbouwbedrijven

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

5.3 Natuurbeleid

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

6.1 Zonneweides

0,5

1,0

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

1,0

1,0

6.2 Windmolenparken

0,2

0,5

0,7

1,0

1,2

1,3

1,3

1,4

1,4

7.1 HR (personeelszaken)

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

7.2 Facilitair en ICT

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

7.3 Juridische zaken

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

7.4 Financiën en control

1,0

1,0

-

-

-

-

-

-

-

7.5 Implementatie

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

Materiële kosten

1,0

1,0

1,0

1,0

0,9

0,9

0,9

0,9

0,9

De meest opvallende punten in het tijdspad zijn:

66

- Voor de meeste taken ramen we constante inzet (overal een ‘1’). Dat maakt het

kostenverloop relatief stabiel.73 - Het verduurzamen van het eigen vastgoed en mobiliteit kan na een aantal jaar intensievere inzet naar verwachting in het reguliere proces worden geborgd. We doen daarbij de assumptie dat dit volgens hetzelfde tijdspad verloopt als bij waterschappen (waar het tijdspad in de uitvraag getoetst is). - De aanbestedingen van laadinfrastructuur en zero-emissie vervoer zijn (in de vorm waarin ze nu in het Klimaatakkoord staan beschreven) tijdelijke taken. - Voor het stimuleren van zonneweides en windmolenparken doen we de assumptie dat de inzet van provincies hetzelfde verloopt als die van gemeenten. - De inzet is een gemiddelde voor alle provincies samen. In de praktijk kunnen er grote onderlinge verschillen zijn, zeker in individuele jaren. Als de ene provincie net aan een groot windmolenpark werkt, en de andere niet, dan scheelt dat aanzienlijk in inzet. Leereffecten en aanloopeffecten Net als bij gemeenten (zie paragraaf 4.9) kunnen we ook bij provincies geen leereffecten ramen. Het is niet onaannemelijk dat er na verloop van tijd leereffecten ontstaan, maar dat is op basis van dit onderzoek ook niet zeker. Er is geen bronmateriaal beschikbaar om dergelijke effecten te kwantificeren. Omgekeerd is in de cijfers ook geen aanloopeffect geraamd, omdat niet eenduidig uit het onderzoek naar voren komt dat deze onvermijdelijk zijn.

5.10

Samenvatting De taken van provincies zijn (nog meer dan bij gemeenten het geval is) gericht op beleidsontwikkeling en samenwerking met andere partijen. Dat zijn taken waarvan de inzet moeilijker te ramen is; provincies zijn immers ook afhankelijk van de inzet van hun partners, en de onderlinge taakverdeling staat op dit moment nog niet vast. Tegelijkertijd is de invulling van taken bij provincies minder onzeker, omdat provincies veel minder dan gemeenten afhankelijk zijn van wet- en regelgeving die nog ontwikkeld moet worden. De onderstaande tabel geeft een samenvatting van de inzet 74 en uitvoeringskosten voor 2024. We gebruiken 2024 als peiljaar omdat het een jaar is waar vrij veel taken op een gemiddeld niveau worden uitgevoerd. In andere jaren is er andere inzet. De inzet en kosten per provincie zijn een gemiddelde van alle provincies. Op basis daarvan komen we tot de totale (macro)kosten voor alle Nederlandse provincies samen. Let op: de (gemiddelde) cijfers per provincie zijn enkel bedoeld als tussenstap naar macrocijfers. Ze zijn niet per se representatief voor welke individuele provincie dan ook, want geen enkele provincie is ‘gemiddeld’ of ‘doorsnee’.

73

Strikt gezien ramen we deze kosten allemaal vanaf 1 januari 2022. In de praktijk zullen sommige kosten iets eerder en sommige kosten iets later beginnen. Sommige koplopers maken deze kosten nu al. Een belangrijk aandachtspunt zijn de implementatierisico’s: als provincies er niet in slagen om op tijd de processen in te richten en voldoende personeel te werven, beginnen de kosten ook later, zie paragraaf 7.3.

74

Bij taak 1.1 gaat het om de totale inzet per provincie. Dat is gebaseerd op een gemiddelde van 2,6 RES-regio’s in een provincie. Ook voor taak 5.1 is een gewogen gemiddelde genomen van provincies die al dan niet in veenweidegebied liggen.

67

Samenvatting uitvoeringkosten provincies (voor 2024) Taak

Inzet per provincie

Schaal

Kosten per provincie

Kosten totaal

1.1 Monitoren herijken RES

2,4 – 3,2 fte

Schaal 11,5

€ 289 k – 391 k

€ 3,5 – 4,7 mln

1.2 Vergoeden planschade

0 fte

Schaal 10

€0

€0

2.1 Ontwikkelen bronnen

3,0 – 4,1 fte

Schaal 11

€ 346 k – 468 k

€ 4,2 – 5,6 mln

2.2 Eigen vastgoed

0,8 – 1,1 fte

Schaal 10

€ 84 k – 113 k

€ 1,0 – 1,4 mln

3.1 Locaties snellaadinfra

0,7 – 0,9 fte

Schaal 11,5

€ 80 k – 108 k

€ 1,0 – 1,3 mln

3.2 Aanbest. Laadpunten

0,6 – 0,7 fte

Schaal 11

€ 69 k – 74 k

€ 0,8 – 0,9 mln

3.3 Eigen infra inzetten

0,1 fte

Schaal 11

€ 11 k

€ 0,1 mln

3.4 Inkopen GWW

0,2 fte

Schaal 11

€ 23 k

€ 0,3 mln

1,0 – 2,0 fte

Schaal 11

€ 114 k – 229 k

€ 1,4 – 2,7 mln

3.6 Reg. Progr. Emissieloos

0,5 fte

Schaal 11

€ 57 k

€ 0,7 mln

3.7 ZE busvervoer

1,0 fte

Schaal 11

€ 114 k

€ 1,4 mln

3.8 Deelconcepten

1,0 – 1,4 fte

Schaal 11

€ 115 k – 156 k

€ 1,4 – 1,9 mln

3.9 Eigen mobiliteit

0 – 0,2 fte

Schaal 10

€ 0 k – 21 k

€ 0 – 0,2 mln

3.10 Hyperspits/onderwijs

0 – 0,5 fte

Schaal 11

€ 0 k – 57 k

€ 0 – 0,7 mln

3.11 Handhaven CO2-norm

0,4 fte

Schaal 9

€ 34 k

€ 0,4 mln

4.1 Energiebesp. plicht

1,0 fte

Schaal 9

€ 96 k

€ 1,2 mln

4.2 Vergunningen maatregel

0,2 fte

Schaal 10

€ 21 k

€ 0,2 mln

4.3 Warmtenetten

1,0 fte

Schaal 11

€ 114 k

€ 1,4 mln

5.1 Veenweidegebied

6,4 – 8,6 fte

Schaal 10

€ 660 k – 893 k

€ 7,9 – 10,7 mln

5.2 Landbouwbedrijven

3,6 – 4,8 fte

Schaal 10,5

€ 388 k – 525 k

€ 4,7 – 6,3 mln

5.3 Klimaatgericht beleid

2,0 – 2,7 fte

Schaal 11

€ 225 k – 304 k

€ 2,7 – 3,6 mln

6.1 Zonneweides

1,8 – 2,4 fte

Schaal 11

€ 202 k – 273 k

€ 2,4 – 3,3 mln

6.2 Windmolenparken

1,2 – 1,6 fte

Schaal 11

€ 132 k – 179 k

€ 1,6 – 2,1 mln

7.1 HR (personeelszaken)

0 fte

n.v.t.

€0

€0

7.2 Facilitair en ICT

0 fte

n.v.t.

€0

€0

7.3 Juridische zaken

0,8 – 1,0 fte

Schaal 11,5

€ 97 k – 121 k

€ 1,2 – 1,5 mln

7.4 Financiën en control

0 fte

n.v.t.

€0

€0

7.5 Implementatie

n.v.t.

n.v.t.

€5k–8k

€ 0,05 – 0,09 mln

Materiële kosten

n.v.t.

n.v.t.

€ 324 k – 396 k

€ 3,9 – 4,7 mln

3.5 Reg. Mobiliteitsplatf.

De grootste capaciteit hebben provincies nodig voor het uitvoeren en monitoren van het programma veenweidegebied (taak 5.1). Dit is echter maar een taak voor de helft van de provincies. De taken waarmee alle provincies te maken krijgen die de grootste inzet vragen zijn het ondersteunen van landbouwbedrijven (taak 5.2), het voeren van klimaatgericht natuurbeleid (taak 5.3) en het monitoren en herijken van RES’en. De voornaamste reden van de benodigde capaciteit voor deze laatste taak is het feit dat er vaak meerdere RES-regio’s in een provincie liggen. In onderstaande figuur zijn de jaarlijks benodigde extra uitvoeringslasten voor provincies weergegeven, inclusief onzekerheidsmarge.

68

De inzet van provincies loopt naar verwachting iets terug na verloop van tijd. Dat komt een aantal taken na 2025 voltooid zijn of geen extra inzet bovenop de huidige formatie meer vragen, zie paragraaf 4.9.

69

6 Kosten voor waterschappen

Hoofdstuk 3 beschrijft welke taken waterschappen krijgen naar aanleiding van het Klimaatakkoord. Dit hoofdstuk geeft een analyse van de inzet die daarvoor nodig is. We bespreken eerst per proces de personele kosten per pijler en daarna de materiële kosten.

6.1

Overkoepelende taken 1.1 Meewerken aan monitoring en herijking RES Het werkgebied van waterschappen beslaat vaak meerdere RES-regio’s. In de meeste gevallen werken waterschappen dan ook mee aan meerdere RES’en. Desondanks ligt het zwaartepunt voor het opstellen van de RES bij gemeenten en provincies. Capaciteit voor de staande organisatie van een RES-regio rekenen we dan ook toe aan provincies en gemeenten, maar niet aan waterschappen. Waterschappen hebben wel een adviserende rol en voorzien provincies en gemeenten van informatie. Veel waterschappen zien kennisontwikkeling en -deling echter als kerntaak en niet als (volledig) nieuwe taak vanuit het Klimaatakkoord. Meewerken aan herijking vraagt eens per twee jaar meer capaciteit (als de RES bijna herijkt wordt). In de tussentijd is minder capaciteit nodig. Hieronder rapporteren we het gemiddelde over die tijd. Waterschappen hebben ook minder werk aan monitoring. Het beschikbaar stellen van terreinen, groen gas en aquathermie ramen we hieronder apart. De dieptestudie-uitkomsten zijn in de uitvraag voorgelegd aan de andere waterschappen. We nemen de gemiddelde uitkomst van de uitvraag over, met 15% onzekerheid. Daarmee is verdisconteerd dat sommige waterschappen aan meer dan één RES meewerken. - Deze taak wordt uitgevoerd door beleidsmedewerkers in schaal 11 en vergt gemiddeld 0,6 – 0,8 fte per jaar.

6.2

Gebouwde omgeving 2.1 Ontwikkelen warmtebronnen en -netten Onder deze taak verstaan we het verkennen van de mogelijkheden voor waterschappen om bij te dragen aan de ontwikkeling van warmtebronnen- en netten.75 De benodigde inzet is

75

Ook specifieke projecten voor geothermie en WKO kunnen onder deze taak vallen. Dat komt omdat we inzet van waterschappen voor geothermie en WKO niet als aparte taak zien (in tegenstelling tot biogas, groen gas en aquathermie). In de praktijk blijken waterschappen echter beperkte inzet rond geothermie en aquathermie te verwachten.

70

uitgevraagd in de uitvraag. Veel waterschappen verwachten voor deze visievorming vrij weinig capaciteit nodig te hebben. De grootste rol voor de ontwikkeling van nieuwe warmtebronnen en -netten ligt bij gemeenten en provincies. De rol van een waterschap is hier met name om mee te denken over de mogelijkheden en bij te dragen aan beleidsontwikkeling. Verder komen waterschappen in beeld wanneer de aanleg van nieuwe warmtebronnen de grond van een waterschap kruist. - Deze taak wordt uitgevoerd door beleidsmedewerkers in schaal 11 en vergt 0,5 – 0,7 fte per waterschap per jaar. De grootste rol voor waterschappen ligt in de ontwikkeling van biogas en aquathermie. De inzet daarvoor zien we als aparte taken. Die worden besproken bij 2.2 en 2.3. 2.2 Inzetten van biogas en groen gas voor warmte Bij de waterbeheerprocessen van waterschappen kan biogas of groen gas vrij komen. Waterschappen kunnen deze gassen beschikbaar stellen als (duurzame) energiebron. Dat vraagt onderzoek, visievorming, afstemming met potentiële partners zoals energiebedrijven, en uitvoeringsbeleid. Als het echt tot projecten komt, ontstaat er ook contract- en beheermanagement. 76 Op korte termijn verwachten waterschappen echter nog maar een beperkt aantal projecten, en dus een beperkte inzet. Wel doen waterschappen onderzoek naar de potentie van deze energiebronnen.

Dat betekent dat waterschappen hier de komende jaren nog redelijk veel tijd in zullen investeren, maar dat de tijdsinvestering na 2025 onzekerder is. Het is immers nog onzeker hoe deze technologie zich gaat ontwikkelen. - Deze taak wordt uitgevoerd door meerdere medewerkers (vooral beleidsmedewerkers) gemiddeld in schaal 11 en vergt 1,0 fte per waterschap per jaar. 2.3 Inzetten aquathermie voor warmte Aquathermie is het winnen van warmte of koude uit (afval)water. Dat kan voor de gebouwde omgeving, maar ook voor glastuinbouw een veelbelovende techniek zijn. Net als bij biogas en groen gas vraagt dit onderzoek, visievorming, afstemming met potentiële partners en uiteindelijk contractmanagement. Op dit moment is de potentie van aquathermie nog onbekend. Waterschappen doen onderzoek naar de mogelijkheden om aquathermie in te zetten als nieuwe energiebron. Momenteel gaat daar vrij veel capaciteit in zitten, en is de geschatte tijdsinvestering voornamelijk inzet op ontwikkeling van (uitvoerings)beleid en onderzoek. We ramen voor deze taak geen inzet voor het verlenen van vergunningen (wat in leges kan worden doorberekend) of samenwerking met energiebedrijven. Uit dieptestudies blijkt dat de potentie nog te onzeker is om daar schattingen voor te maken. De onderstaande raming is getoetst in de uitvraag.

Als in de komende jaren blijkt dat aquathermie geschikt is en op grote schaal ingezet kan worden is de huidige raming vrijwel zeker te laag. Als aquathermie toch niet zo veelbelovend uitpakt als nu wordt gedacht, zal de inzet over een aantal jaar afnemen, maar dat kunnen we nu nog niet ramen.

76

De kosten of opbrengsten van contracten zijn geen uitvoeringskosten en rekenen we niet mee. De kosten van het aanbestedings- en contracteringstraject zelf zijn wel uitvoeringskosten (en kunnen niet worden doorbelast aan de exploitant).

71

- De taak wordt uitgevoerd door beleidsmedewerkers in schaal 11 en vergt 0,6 – 0,8 fte per waterschap per jaar.

2.4 Verduurzamen eigen vastgoed Van overheden wordt gevraagd dat zij het goede voorbeeld geven en vooroplopen met het verduurzamen van hun eigen vastgoed. Het eigen vastgoed van waterschappen dat verduurzaamd moet worden bestaat typisch uit kantoren, pompgebouwen en installaties. De personele inzet hiervan raakt twee groepen. Enerzijds is er een beleidsmatige kant om te bepalen welk vastgoed het eerst wordt verduurzaamd en hoe het effect van eventuele verbouwingen kan worden beperkt. Dit is werk voor (junior) beleidsmedewerkers. Anderzijds is er een uitvoerende kant die meestal bij de afdeling facility ligt. De gemiddelde schaal van de twee groepen is schaal 10. Deze aantallen zijn gevalideerd in de online uitvraag bij alle waterschappen en daaruit zijn geen aanpassingen voortgekomen. De benodigde capaciteit voor deze taak is afhankelijk van de hoeveelheid eigen vastgoed dat een waterschap in bezit heeft. Het eigen vastgoed van waterschappen kan binnen een paar jaar verduurzaamd worden. We ramen de kosten voor verduurzaming van eigen vastgoed daarom tot 2025. - De taak wordt uitgevoerd door medewerkers in schaal 10 en vergt 0,5 – 0,75 fte per waterschap per jaar.

6.3

Mobiliteit 3.1 Klimaatneutraal inkopen van Grond-, Weg- en Waterwerken Het klimaatneutraal inkopen van grond- weg- en waterwerken (GGW) vergt een verandering in het inkoopproces op de afdelingen die daar verantwoordelijk voor zijn. Deze transformatie vraagt extra capaciteit voor het opdoen van specifieke kennis en het verwerken van de nieuwe wensen en eisen in aanbesteding- en inkoopprocedures. De verandering zelf vergt capaciteit, maar als de inkoopafdeling deze veranderingen eenmaal heeft doorgevoerd, zou deze manier van inkopen geen extra tijd meer moeten kosten. In navolging van de resultaten bij de gemeenten (zie paragraaf 4.3) verwachten we dat dit gemiddeld halverwege 2025 kan.77 Veel waterschappen zijn al (deels) overgestapt op klimaatneutrale inkoop en verwachten de volledige transitie met beperkte capaciteit te kunnen maken. - De taak wordt uitgevoerd door inkopers in schaal 10 en vergt 0,7 – 1,0 fte per waterschap per jaar. 3.2 Verduurzamen eigen mobiliteit Waterschappen moeten maatregelen nemen om de eigen mobiliteit te verduurzamen. Hierbij gaat het met name om het uitwerken van een visie op verduurzaming van eigen mobiliteit, het aanschaffen van duurzame voertuigen en het toezicht houden op naleving van de normstellende regeling voor CO2-reductie.

77

Deze assumptie wijkt af van de van de ervaring van Rijkswaterstaat, dat structureel meer capaciteit nodig heeft. We gaan er echter vanuit dat de inkoopprocedures daar complexer zijn en dat waterschappen hun extra capaciteit kunnen afbouwen.

72

In de online uitvraag konden waterschappen aangeven hoeveel tijd ze verwachten nodig te hebben voor volledige verduurzaming van hun wagenpark. De gemiddelde verwachting was dat de (extra) personele inzet hiervoor in 2024 goeddeels kan worden afgerond. In de praktijk hoeft dan nog niet het hele wagenpark emissieloos te zijn, maar is er geen dan geen extra capaciteit bovenop het reguliere proces meer nodig. Waterschappen hebben een vrij groot wagenpark dat onderhouden moet worden. De verduurzaming van mobiliteit als beleidsterrein is echter al goed gevorderd. Er is enige capaciteit nodig van (junior) beleidsmedewerkers, HR-medewerkers en afdeling wagenparkbeheer, maar die is beperkt. - De taak wordt uitgevoerd door medewerkers in gemiddeld schaal 10 en vergt 0,2 – 0,8 fte per waterschap per jaar.

6.4

Industrie De pijler industrie pakt voor waterschappen anders uit dan voor gemeenten en provincies. Waterschappen houden niet zozeer toezicht op de industrie; deels zijn ze zelf industrie, in de zin dat ze verantwoordelijk zijn voor installaties met een grote energiebehoefte en emissies. 4.1 Reduceren energiebehoefte installaties Waterschappen zijn net als andere organisaties verplicht maatregelen te treffen om hun CO2uitstoot te reduceren. Hun zuiveringsinstallaties en gemalen hebben veel energie nodig om te functioneren. Deze taak omvat onderzoek, (interne en externe) afstemming en het opstellen en onderhouden van uitvoeringsbeleid rond het reduceren van de energiebehoefte. 78 Waterschappen hebben aangegeven dat inzet op deze taak voornamelijk zit in onderzoek naar de mogelijkheden om energiebehoefte van deze installaties te reduceren. Eerste schattingen van de benodigde inzet zijn voorgelegd aan alle waterschappen in de uitvraag. Wij nemen de gemiddelde uitkomst over van de onderbouwde reacties. - De taak wordt uitgevoerd door projectleiders in schaal 11 en vergt 0,7 – 1,0 fte per waterschap per jaar. 4.2 Reduceren emissies waterzuivering Ook met het reduceren van emissies van waterzuivering kunnen waterschappen bijdragen aan de opgave van het Klimaatakkoord.

Het verschil met taak 4.1 is dat het hier niet gaat om de benodigde energie voor de processen (de ‘input’), maar om gassen die tijdens waterzuiveringsprocessen vrijkomen, bijvoorbeeld uit slib (de ‘output’) van het zuiveringsproces. Waterschappen hebben aangegeven dat aandacht voor deze emissies belangrijk is, omdat er in het waterzuiveringsproces behoorlijk veel broeikasgassen vrij komen. De capaciteitsraming voor deze taak is gebaseerd op uitvraagresultaten. Die zijn vrijwel hetzelfde als voor taak 4.1. - De taak wordt uitgevoerd door projectleiders in schaal 11 en vergt 0,7 – 1,0 fte per waterschap per jaar. Reductie van CO2-uitstoot kan ook om specifiek onderzoek vragen dat waterschappen extern moeten inkopen. Deze kosten zijn opgenomen in paragraaf 6.8. Dit geldt voor taak 4.1 en 4.2. 78

De daadwerkelijke aanpassing van installaties (bijvoorbeeld inzet van de technische dienst) en de materiële kosten voor nieuwe onderdelen of machines zien we als investeringskosten en rekenen we niet mee. De taak omvat alleen de beleidsmatige kant.

73

6.5

Landbouw en natuur 5.1 Uitvoeren en monitoren programma veenweidegebied Het grondwaterpeil van veenweidegebieden is een belangrijk onderwerp in de veenweideprogramma’s. Waterschappen zijn verantwoordelijk voor dit grondwaterpeil. Daarmee worden waterschappen betrokken bij deze programma’s. Zoals beschreven in paragraaf 5.5 is nog onzeker hoe de precieze aanpak van de veenweidegebieden eruit komt te zien. Ook de taakverdeling is nog onzeker. Voor nu gaan we er vanuit dat provincies de grootste rol gaan spelen. Zij verzorgen bedrijfscoaches, aan- en verkoop van gronden en overkoepelend programmamanagement. Waterschappen zijn dan vooral verantwoordelijk voor (deel)projecten die het grondwaterpeil betreffen. Daarbij verzorgen ze peilbesluiten, participeren ze in gebiedsprocessen en onderzoeksprogramma’s en verzorgen ze de communicatie over hun (deel)project. In de praktijk zou de taakverdeling anders kunnen uitpakken; paragraaf 7.4 gaat hier verder op in. De schattingen van waterschappen met veenweidegebied over de benodigde capaciteit lopen sterk uiteen. Dat komt ook omdat het ene waterschap veel meer veenweidegebied heeft dan het andere. We hebben de benodigde capaciteit uitgevraagd in dieptestudies en nemen het (geschoonde) gemiddelde over. Achter dit landelijk gemiddelde gaat schuil dat sommige waterschappen met veel veenweide tot wel 3 fte ramen.

- De taak wordt uitgevoerd door beleidsmedewerkers en projectleiders, gemiddeld in schaal 10,5 en vergt 1,1 – 1,5 fte per waterschap per jaar. 5.2 Verkennen potentie groen op eigen grond In het Klimaatakkoord is afgesproken dat partijen (ook waterschappen) nagaan of er ruimte is voor meer bomen (of ander ‘groen’) op hun eigen gronden. Op die manier kunnen de waterschappen bijvoorbeeld bijdragen aan de opgave om meer bomen te realiseren. In de dieptestudies gaven waterschappen aan dat deze taak naast beleidscapaciteit ook meer uitvoerende capaciteit vergt van terreinbeheerders. Die rekenen we hier ook mee.79 In de uitvraag hebben de meeste waterschappen echter aangegeven dat ze over het algemeen grote verschillen in ambitie hebben met betrekking tot dit thema. Waterschappen die al onderbouwde schattingen kunnen doen, hebben aangegeven hier gemiddeld 1,25 fte aan capaciteit voor nodig te hebben. We hanteren een onzekerheidsmarge van 15%. - De taak wordt uitgevoerd door beleidsmedewerkers in schaal 9 en vergt 1,1 – 1,5 fte per waterschap per jaar.

6.6

Elektriciteit 6.1 Beschikbaar stellen eigen grond voor duurzame energie De gronden die waterschappen in bezit hebben, zijn vaak erg geschikt voor het plaatsen van windmolens of zonneweiden. Deze gronden liggen namelijk vaak in open gebied en zijn goed afgebakend. Wel dient op deze gronden extra onderzoek te worden gedaan omdat rekening moet worden gehouden met de andere functies van deze gebieden. Dit vraagt beleidscapaciteit voor afstemming met energiebedrijven en inpassing in andere functies.

79

Provincies verstrekken vaak subsidies voor groenbeheer. Die subsidies zijn hier buiten scope. Bij waterschappen echter staan groenbeheerders vaak op de loonlijst van het waterschap zelf, dus hun inzet rekenen we mee als uitvoeringskosten.

74

Waterschappen kunnen op verschillende manieren gebruik maken van hun grond voor het opwekken van duurzame energie. De meeste waterschappen gaan alleen reactief in op verzoeken van marktpartijen. In dit geval hebben waterschappen 0,25 fte nodig om grond beschikbaar te stellen. Er zijn ook waterschappen die zelf proactief partners zoeken voor duurzame energieprojecten. In dat geval is aan de start van het traject iets meer capaciteit nodig. 80 - De taak wordt uitgevoerd door beleidsmedewerkers in schaal 11 en vergt 0,25 – 0,5 fte per waterschap per jaar. Bovenstaande betreft de personele capaciteit. Onderzoekskosten voor het onderzoek naar de mogelijkheden in het betreffende gebied zijn opgenomen in paragraaf 6.8. 6.2 Verlenen vergunningen voor duurzame energie Voor duurzame energieprojecten zijn vergunningen nodig die energiebedrijven het recht geven om de projecten uit te voeren. Ook specifieke afspraken over het gebruik van grond rekenen we tot deze taak. Waterschappen geven unaniem aan dat het onwenselijk en contraproductief is om de uitvoeringskosten van deze taak via leges door te belasten aan energiebedrijven. Daarom zien we deze taak als gevolg van het Klimaatakkoord. Waterschappen verschillen in hun verwachting van de capaciteit die nodig is voor vergunningverlening.

Dit is met name afhankelijk van de verwachting of er veel of weinig initiatieven vanuit gemeenten komen om op grondgebied van het waterschap duurzame energie op te wekken. Elke aanvraag is maatwerk, dus het aantal aanvragen beïnvloedt sterk de benodigde capaciteit. De belangrijkste afweging (bij afspraken en bij het al dan niet verlenen van een vergunning) heeft betrekking op afspraken over lokaal eigenaarschap - De taak wordt uitgevoerd door vergunningverleners in schaal 9 en vergt 0,6 – 0,8 fte per waterschap per jaar. 6.3 Organiseren van communicatie en participatie Als andere partijen energieprojecten beginnen op de gronden van een waterschap, ligt de primaire verantwoordelijkheid voor communicatie en participatie bij het betreffende energiebedrijf (soms samen met de gemeente of provincie). Wel zullen waterschappen in dat geval actief meedenken en afstemming zoeken met andere partijen. Ook zullen de waterschappen proberen hun inwoners en bedrijven te informeren. Waterschappen verwachten niet dat hier veel capaciteit voor nodig zal zijn. We ramen daarom gemiddeld een halve tot hooguit één dag per week per waterschap. - De taak wordt uitgevoerd door communicatiemedewerkers en participatiebegeleiders in schaal 9 en vergt 0,1 – 0,2 fte per waterschap per jaar.

6.7

Ondersteunende processen De kosten van ondersteunende processen zijn grotendeels verwerkt met een opslag op de personeelstarieven. Zoals beschreven in paragraaf 2.4 kennen de HOT-tarieven een standaardopslag voor overhead; een vast bedrag van € 19.800 per medewerker.81

80

Als waterschappen nóg verder gaan en zelf grootschalig zonneweides of windmolens in eigen beheer plaatsen (ze zijn dan als het ware zelf het energiebedrijf), zien we dat als lokaal beleid. Lokaal beleid is buiten de scope en rekenen we niet mee.

81

Voor een beleidsmedewerker in schaal 11 is dit een opslag van 27% op de loonkosten inclusief sociale lasten, pensioenen en dergelijke. Zie: Ministerie van BZK (2019) Handleiding Overheidstarieven 2020. Link, p. 6

75

In deze paragraaf verkennen we of er voor waterschappen ergens meer of minder kosten zijn dan waar deze standaardopslagen rekening mee houden. 7.1 HR Uit het onderzoek komen geen signalen naar voren dat er bijzondere kosten rond het thema HR ontstaan die nog niet in de standaardopslagen zijn meegerekend. 7.2 Facilitair en ICT Uit het onderzoek komen geen signalen naar voren dat er bijzondere kosten rond facilitaire zaken of ICT ontstaan die nog niet in de standaardopslagen zijn meegerekend. Alle personele inzet komt normaal van beleidsmedewerkers die vanaf reguliere werkplekken op het kantoor van het waterschap werken. 7.3 Juridische zaken Uit het onderzoek blijkt dat er soms steun van juristen nodig is om de bovengenoemde primaire processen uit te voeren. Verschillende taken kennen een juridische component, zoals plannen en besluiten waar bezwaar en beroep tegen open staat en inzet van het ruimtelijk instrumentarium (straks de Omgevingswet). Waar deze juristen uitvoerend werk doen, is dat al in de ramingen opgenomen. Maar soms doen beleids- of projectmedewerkers het uitvoerend werk en geeft de juridische afdeling advies of wordt specifieke juridische kennis ingekocht. - Deze taak wordt uitgevoerd door gespecialiseerde juristen waarvoor we gemiddeld schaal 11,5 rekenen en vergt 0,5 fte per waterschap per jaar.

7.4 Financiën en control Uit het onderzoek komen geen signalen naar voren dat er bijzondere kosten rond financiën en control ontstaan die nog niet in de standaardopslagen zijn meegerekend. Net als gemeenten zullen ook provincies vaak projectmatig werken, maar waterschappen in de dieptestudies hebben niet aangegeven dat daarvoor meer capaciteit aan projectleiding nodig is dan er al in de standaardopslag verwerkt is. 7.5 Implementatiekosten Uit het onderzoek komen geen substantiële implementatiekosten naar voren. Dat komt vooral omdat de taken geleidelijk toenemen in een traject dat nu al jaren gaande is. Bovendien omvatten de taken veel beleidswerk, waarbij geen inrichting van machines, gebouwen of uitvoeringsprocessen nodig is.

6.8

Materiële kosten Materiële kosten omvatten de uitgaven die waterschappen nodig hebben voor hun eigen werkprocessen; vaak beleidsontwikkeling. Inhuur van personeel (per uur) telt niet als materiële kosten (die nemen we mee in de personele kosten van paragraaf 6.1 tot en met 6.7) maar inkoop van onderzoeksproducten wel. Dat moeten wel onderzoeksproducten zijn die elk waterschap afzonderlijk nodig heeft voor uitvoering van de taken vanuit het Klimaatakkoord. Fundamenteler onderzoek, of onderzoek door landelijke instellingen namens alle waterschappen, rekenen we niet mee. Ook onderzoek ten behoeve van investeringen in verduurzaming van installaties telt niet mee. Net als bij gemeenten en provincies hanteren we stelposten met relatief grote bandbreedtes. Die stelposten omvatten ook eenmalige of repeterende kosten, die over een aantal jaar

76

worden afgeschreven. Op basis van dieptestudies en de bijeenkomst zien we voor waterschappen twee materiële kosten: technisch onderzoek en ecologisch onderzoek. Technisch onderzoek Net als bij gemeenten, hanteren we bij waterschappen een brede stelpost voor technisch onderzoek. Daar valt wel onderzoek met een ander karakter onder: meer gericht op de opwek van warmte en minder op de distributie ervan. Het belangrijkste voorbeeld bij waterschappen is het opstellen van warmtekaarten. Die brengen in kaart welke waterstromen in het gebied welke temperatuur hebben. Dat is een noodzakelijke randvoorwaarde voor het verkennen van de mogelijkheden van aquathermie. Dergelijk onderzoek moet eens in de twee jaar worden herijkt. - € 40.000 per waterschap per jaar. Ecologisch onderzoek Om beleid te kunnen maken rond geothermie, de aansluiting op warmtenetten en het beschikbaar stellen van gronden voor zonneweides of windmolens, is onderzoek nodig dat in kaart brengt wat de ecologische gevolgen van dit soort maatregelen zijn. Dat onderzoek is niet elk jaar in elk waterschap nodig, maar als het nodig is, dan is het ook kostbaar. De meest realistische schatting lijkt ons eens per drie jaar een onderzoek van een ton, gemiddeld over het land. - € 33.000 per waterschap per jaar.

Verduurzaming eigen materiaal De kosten van het verduurzamen van het eigen vastgoed en de eigen mobiliteit kunnen ook als materiële kosten worden gezien. Die verdienen zichzelf deels terug. In dit onderzoek hebben we niet kunnen nagaan in hoeverre deze uitgaven zichzelf terug verdienen. Uit de dieptestudies kwam daar ook geen consistent beeld uit naar voren. Daarom ramen we voor nu geen materiële kosten. Daarbij speelt dat het hier ook om marktontwikkelingen gaat die ook zonder het Klimaatakkoord zouden optreden.

6.9

Tijdspad Met behulp van de resultaten van verkennende interviews, dieptestudies en de uitvraag hebben we een raming opgesteld van de jaren waarin deze taken worden uitgevoerd. Onderstaande figuur geeft de uitkomsten hiervan weer. Daarbij betekent een ‘1’ dat een taak in dat jaar met de reguliere, structurele intensiteit wordt uitgevoerd. Een veelvoud daarvan betekent dat een taak intensiever of minder intensief wordt uitgevoerd; zo wil een ‘2’ zeggen dat een taak in dat jaar 2 keer zoveel inzet vraagt. Een ‘-‘ betekent dat een taak in dat jaar niet wordt uitgevoerd. Taak

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

1.1 Meewerken RES

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

2.1 Warmtebronnen

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

2.2 Biogas en groen gas

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

2.2 Aquathermie

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

2.4 Eigen vastgoed

1,0

1,0

1,0

1,0

-

-

-

-

-

3.1 Inkopen GGW

1,0

1,0

1,0

1,0

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

77

3.2 Eigen mobiliteit

1,0

1,0

1,0

-

-

-

-

-

-

4.1 Energie installaties

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

4.2 Emissies zuivering

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

5.1 Veenweidegebied

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

5.2 Groen op eigen grond

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

6.1 Beschikbare grond

0,5

1,0

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

1,0

1,0

6.2 Vergunningen DE

-

-

-

-

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

6.3 Participatie

0,5

1,0

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

1,0

1,0

7.1 HR (personeelszaken)

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

7.2 Facilitair en ICT

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

7.3 Juridische zaken

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

7.4 Financiën en control

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

7.5 Implementatie

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

Materiële kosten

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

De meest opvallende punten in het tijdspad zijn: - Voor de meeste taken ramen we constante inzet (alle jaren een ‘1’). Dat betekent dat de inzet daar tussen 2022 en 2030 stabiel blijft.82 - Voor het beschikbaar stellen van eigen grond voor windmolens (taak 6.1) volgen we de assumptie dat de inzet het tijdspad van het stimuleren van windmolens door gemeenten volgt. Bij het verlenen van vergunningen volgen we de assumptie dat deze vergunningverlening pas in de tweede helft van de tijdsperiode op gang komt. - Het verduurzamen van het eigen vastgoed en mobiliteit kan na een aantal jaar intensievere inzet naar verwachting in het reguliere proces worden geborgd. Deze inzet is gevalideerd in de uitvraag onder waterschappen. - De inzet is een gemiddelde voor alle waterschappen samen. In de praktijk kunnen er grote onderlinge verschillen zijn. Als het ene waterschap net aan een groot aquathermie project werkt, en het andere niet, dan scheelt dat aanzienlijk in inzet. - Rond groen gas (2.2) en aquathermie (2.3) ramen we een constante inzet. Technologische ontwikkelingen kunnen dat veranderen. Als bijvoorbeeld aquathermie snel opkomt, neemt de inzet op die taak snel toe. Dat kunnen we nu nog niet ramen. Al met al daalt de inzet van waterschappen licht over tijd. Dat komt omdat na verloop van tijd een aantal taken (weer) door de huidige formatie kunnen worden opgevangen.

6.10

Samenvatting Onderstaande tabel geeft een samenvatting van de inzet 83 en uitvoeringskosten voor 2024. We gebruiken 2024 als peiljaar omdat het een jaar is waar vrij veel taken op een gemiddeld niveau worden uitgevoerd. In andere jaren is er andere inzet. De inzet en kosten per

82

Strikt gezien ramen we deze kosten allemaal vanaf 1 januari 2022. In de praktijk zullen sommige kosten iets eerder en sommige kosten iets later beginnen. Sommige koplopers maken deze kosten nu al. Daar geldt wel het implementatierisico dat waterschappen op tijd klaar moeten zijn, zie paragraaf 7.3.

83

Bij taak 1.1 gaat het om de totale inzet per waterschap. Dat is gebaseerd op een gemiddelde van 2,9 RES-regio’s in een waterschap.

78

waterschap zijn een gemiddelde van alle waterschappen. Op basis daarvan komen we tot de totale (macro)kosten voor alle Nederlandse waterschappen samen. Let op: de (gemiddelde) cijfers per waterschap zijn enkel bedoeld als tussenstap naar macrocijfers. Ze zijn niet per se representatief voor welk individuele waterschap dan ook, want geen enkel waterschap is ‘gemiddeld’ of ‘doorsnee’. Samenvatting uitvoeringkosten waterschappen (voor 2024) Taak

Inzet per waterschap

Schaal

Kosten per waterschap

Kosten totaal

1.1 Monitoren herijken RES

0,6 – 0,8 fte

Schaal 11

€ 71 k – 97 k

€ 1,5 – 2,0 mln

2.1 Ontwikkelen bronnen

0,5 – 0,7 fte

Schaal 11

€ 60 k – 81 k

€ 1,3 – 1,7 mln

1,0 fte

Schaal 11

€ 114 k

€ 2,4 mln

2.3 Inzet aquathermie

0,6 – 0,8 fte

Schaal 11

€ 72 k – 97 k

€ 1,5 – 2,0 mln

2.4 Eigen vastgoed

0,5 – 0,8 fte

Schaal 10

€ 52 k – 78 k

€ 1,1 – 1,6 mln

3.1 Inkopen GWW

0,7 – 1,0 fte

Schaal 10

€ 74 k – 104 k

€ 1,5 – 2,2 mln

3.2 Eigen mobiliteit

0,2 – 0,8 fte

Schaal 10

€ 21 k – 83 k

€ 0,4 – 1,7 mln

4.1 Reductie energie

0,7 – 1,0 fte

Schaal 11

€ 84 k – 114 k

€ 1,8 – 2,4 mln

4.2 Reductie emissies

0,7 – 1,0 fte

Schaal 11

€ 85 k – 115 k

€ 1,8 – 2,4 mln

5.1 Veenweidegebied

1,1 – 1,5 fte

Schaal 10,5

€ 122 k – 166 k

€ 2,6 – 3,5 mln

5.2 Groen op eigen grond

1,1 – 1,5 fte

Schaal 9

€ 103 k – 139 k

€ 2,2 – 2,9 mln

6.1 Energie op eigen grond

0,3 – 0,6 fte

Schaal 11

€ 32 k – 63 k

€ 0,6 – 1,3 mln

0 fte

Schaal 9

€0

€0

6.3 Comm. en participatie

0,1 – 0,2 fte

Schaal 9

€ 11 k – 21 k

€ 0,2 – 0,4 mln

7.1 HR (personeelszaken)

0 fte

n.v.t.

€0

€0

7.2 Facilitair en ICT

0 fte

n.v.t.

€0

€0

7.3 Juridische zaken

0,5 fte

Schaal 11,5

€ 61 k

€ 1,3 mln

7.4 Financiën en control

0 fte

n.v.t.

€0

€0

7.5 Implementatie

n.v.t.

n.v.t.

€ 0,5 k – 0,8 k

€ 10 k – 16 k

Materiële kosten

n.v.t.

n.v.t.

€ 73 k

€ 1,5 mln

2.2 Inzet biogas

6.2 Vergunningen

Waterschappen geven aan de ze de grootste extra capaciteit nodig hebben voor het uitvoeren en monitoren van het programma veenweidegebied (taak 5.1) en het verkennen van de potentie van groen op eigen grond (5.2).

79

In onderstaande figuur zijn de jaarlijks benodigde extra uitvoeringslasten voor provincies weergegeven, inclusief onzekerheidsband.

De geraamde uitvoeringskosten voor waterschappen lopen na de eerste jaren licht terug. Dat komt omdat opgaven zoals de verduurzaming van eigen vastgoed en mobiliteit dan aflopen. In de praktijk zal de inzet afhankelijk zijn van de ontwikkeling van aquathermie en andere projecten.

80

7 Beschouwing ramingen

De vorige hoofdstukken beschreven hoeveel extra capaciteit taken van het Klimaatakkoord vragen. In dit hoofdstuk geven we daar een inhoudelijke beschouwing bij. U leest over kostendrijvers, implementatierisico’s, meekoppelkansen.

7.1

Kostendrijvers Het Klimaatakkoord vraagt (met enkele uitzonderingen) van alle gemeenten, van alle provincies en van alle waterschappen dezelfde activiteiten. Wel kunnen omgevingsfactoren een rol spelen. Dat zijn dan kostendrijvers: factoren die maken dat sommige overheden een hogere of lagere inzet nodig hebben dan andere. Dat kan interessant zijn, bijvoorbeeld bij het later opstellen van een model voor bekostiging.84 In de dieptestudies en de bijeenkomst zijn verschillende mogelijke kostendrijvers genoemd. We kunnen die echter nu nog moeilijk hard maken. Dat komt omdat er nog geen harde (realisatie)cijfers beschikbaar zijn. De best beschikbare cijfers zijn de uitvraagresultaten: die gaan na of overheden die op bepaalde factoren van elkaar verschillen, ook verschillende kosten verwachten. Hieronder geven we daar een analyse van. Echter, de uitvraag-resultaten kennen veel onzekerheid; respondenten kijken verschillend naar de toekomst. De verschillen in verwachtingen binnen groepen zijn daardoor vaak te groot om de verschillen tussen groepen goed in beeld te brengen.

Kostendrijvers voor gemeenten In de dieptestudies en de bijeenkomst zijn als mogelijke kostendrijvers genoemd: - Inwoneraantal: Meer inwoners betekent meer stakeholders voor participatie, meer behoefte aan elektriciteit en laadinfra, en is een indicator85 voor meer utiliteitsbouw, woningen, en een grotere ambtelijke organisatie met meer eigen vastgoed en mobiliteit. - Oppervlakte: Meer oppervlakte betekent meer kans op elektriciteits- of natuurprojecten in de gemeente en is een indicator voor meer landbouwbedrijven. - Bevolkingsdichtheid: Een hogere bevolkingsdichtheid betekent minder beschikbare ruimte, waardoor ruimtelijke aanpassingen arbeidsintensiever zijn.

84

Dit rapport stelt zelf geen verdeelmodel op. Ons onderzoek kijkt immers enkel naar de kosten, niet naar de inkomsten die daar tegenover staan. Wel kan een beeld van relevante kostendrijvers input zijn voor een dergelijk model.

85

Het aantal utiliteitsgebouwen, het aantal woningen en de omvang van de eigen organisatie kunnen ook zelfstandige kostendrijvers zijn. Maar ze hangen zo nauw samen met het aantal inwoners dat dan dubbeltelling dreigt. Die kunnen we hier niet van elkaar isoleren. Daarom beschouwen we inwoneraantal hier als indirecte indicator van deze factoren.

81

- Mogelijkheid van warmtenetten: Warmtenetten aanleggen vraagt meer technische kennis maar minder voorlichting dan ‘all electric’ oplossingen stimuleren.

- Leeftijd van de woningvoorraad: Hoe ouder de woningen, hoe minder duurzaam deze woningen zijn en hoe complexer het is om ze klimaatneutraal te maken.

- Aandeel corporatiebezit: Meer corporatiebezit betekent minder verschillende eigenaren om mee te overleggen (taak 2.2) maar wel meer inzet bij deze corporaties (taak 2.3).

- Dominant type landbouwbedrijven: Het Klimaatakkoord vraagt om arbeidsintensievere ondersteuning van varkenshouders (en glastuinbouwers) dan van melkveehouders.

Dit zijn eerste – kwalitatieve – beelden. Zoals hierboven beschreven, kunnen we die beperkt kwantitatief toetsen. We kunnen de resultaten alleen op basis van de uitvraag analyseren. Toch geeft de analyse op twee van de bovenstaande factoren al enige kwantitatieve onderbouwing. Ten eerste blijkt de verwachte inzet voor de acht uitgevraagde taken samen te hangen met het aantal inwoners. Dat bleek al in hoofdstuk 4. Voor de middelgrote gemeenten werd bijvoorbeeld meer capaciteit geraamd dan voor de kleine gemeenten. Maar ook binnen de categorieën speelt dit effect een rol. In onderstaande figuur is de verwachte capaciteit (in fte) voor acht taken samen afgezet tegen het inwoneraantal.86 Aan de trendlijn in de figuur is te zien dat het aantal fte toeneemt bij meer inwoners.

Ten tweede laat de analyse ook zien dat het type boerenbedrijven een rol speelt: gemeenten met relatief veel varkenshouders verwachten inderdaad hogere kosten te maken. Het effect op de macrokosten is echter relatief klein, omdat dit alleen een kostendrijver is bij taak 6.1. Op de andere genoemde kostendrijvers komt er uit analyse van de uitvraagresultaten geen duidelijk patroon naar voren. In de grafieken hieronder staan bijvoorbeeld de uitslagen voor oppervlakte en bevolkingsdichtheid van gemeenten. De vlakke trendlijnen laten zien dat er

86

Het weergegeven cijfer R2 is de zogenaamde verklaringsgraad. Bij een verklaringsgraad van 0 is er geen verband tussen het aantal ingeschatte fte en het inwonertal, bij een verklaringsgraad van 1 is er een maximale correlatie tussen de twee. De verklaringsgraad geeft dus een indicatie van het verband tussen twee grootheden, maar is er geen uitgebreide statistische analyse uitgevoerd.

82

nauwelijks verband is tussen de verwachte capaciteit voor de acht uitgevraagde taken en de oppervlakte of bevolkingsdichtheid van een gemeente. Ook voor de leeftijd van de woningvoorraad, het aandeel corporatiebezit, de mogelijkheid van warmtebronnen en steun van de provincie laat de analyse geen duidelijk verband zien. Dit betekent niet dat het verband niet bestaat; we kunnen het alleen niet hard maken. Kostendrijvers voor provincies Omdat de provincies onderling vrij verschillend zijn, is het aannemelijk dat de benodigde capaciteit per provincie verschilt. In de dieptestudies en in de bijeenkomst zijn een aantal voorstellen gedaan voor factoren waardoor provincies meer of minder capaciteit nodig hebben voor bepaalde taken. Deze mogelijke kostendrijvers zijn: - Inwoneraantal: Meer inwoners betekent meer participatie, meer behoefte aan elektriciteit en laadinfra, en is een indicator voor een grotere ambtelijke organisatie. - Het aantal RES’en waar een provincie aan deelneemt: Hoe meer RES’en, hoe meer overlegtafels waar de provincie vertegenwoordigd moet zijn. - Het oppervlak van de provincie: Meer oppervlak betekent meer kans op elektriciteitsprojecten en is een indicator87 voor de omvang van het wegennet en natuurprojecten. - De aanwezigheid van veenweidegebied: De relatief grote inzet voor veenweideprogramma’s geldt alleen voor provincies met veenweide.

Kwantitatieve analyse van de uitvraag-resultaten is bij provincies (nog) minder goed mogelijk omdat het aantal provincies klein is. Zo komt er bijvoorbeeld geen duidelijke relatie tussen de oppervlakte van een provincie en de benodigde inzet voor snellaadinfrastructuur naar voren. Ook met het inwoneraantal is geen duidelijk kwantitatief verband. Waarschijnlijk komt dat door het beperkt aantal meetpunten. Wel speelt uiteraard dat provincies die geen veenweide hebben, geen veenweideprogramma hoeven uit te voeren. Omdat deze taak een grote inspanning vraagt, kan het nuttig zijn om de inzet voor deze taak later gedetailleerder in kaart te brengen. Wellicht zijn het percentage veenweidegebied of het soort veenweide relevant. Hier hebben we niet specifiek naar gevraagd in de uitvraag. Bij het aantal RES’en is het beeld dat provincies voor elke RES meer capaciteit nodig hebben. De eerste RES vergt de meeste capaciteit want daarbij wordt basiskennis ontwikkeld. Elke additionele RES vergt enige extra capaciteit. Kostendrijvers voor waterschappen Net als bij provincies en gemeenten, bestaan er ook grote verschillen tussen waterschappen. In de dieptestudies en in de bijeenkomst zijn een aantal voorstellen gedaan voor factoren waardoor waterschappen meer of minder capaciteit nodig hebben voor bepaalde taken.

Deze mogelijke kostendrijvers zijn: - Het aantal RES’en waar een waterschap aan deelneemt: Hoe meer RES’en, hoe meer overlegtafels waar het waterschap vertegenwoordigd moet zijn. - Inwoneraantal: Meer inwoners betekent meer behoefte aan waterzuivering en is een indicator voor een grotere ambtelijke organisatie. - Oppervlak eigen terrein: Hoe meer eigen terrein hoe meer kans dat het waterschap wordt benaderd voor duurzame elektriciteitsprojecten op dat terrein.

87

De omvang van het wegennet hangt nauw samen met van de oppervlakte van de provincie. Die kunnen we hier niet van elkaar isoleren. Datzelfde geldt voor het aantal inwoners en de omvang van de eigen ambtelijke organisatie.

83

Bij de 21 waterschappen is kwantitatieve analyse iets beter mogelijk dan bij de 12 provincies. De analyse laat zien dat waterschappen aangeven dat ze meer capaciteit nodig hebben als ze aan meerdere RES’en meewerken. Dat maakt het aantal RES’en waar een waterschap aan deelneemt een relevante kostendrijver. Op de andere genoemde kostendrijvers komt er uit de analyse van de uitvraag-resultaten geen duidelijk patroon naar voren. In de grafieken hieronder staan bijvoorbeeld de relatie tussen het aantal inwoners van een waterschap en de verwachtte inzet voor het ontwikkelen van warmtebronnen en het verlenen van vergunningen voor duurzame energie. Aan de spreiding van de punten ten opzichte van de trendlijn is te zien dat er geen duidelijk verband

bestaat. Een vergelijkbare analyse van het oppervlak van het eigen terrein van waterschappen laat ook geen duidelijk patroon zien. Maar zoals eerder beschreven: als we een verband nu nog niet kunnen kwantificeren, betekent het niet per se dat het niet bestaat. Samenvatting Samengevat zijn er al eerste beelden van kostendrijvers. Toch zijn die nu nog maar beperkt hard te maken. Dat komt omdat er nog geen cijfers van de daadwerkelijke realisatie beschikbaar zijn. Cijfers van verwachtingen kennen vaak teveel onzekerheid voor een goede kwantitatieve analyse van kostendrijvers.

7.2

Implementatierisico’s In hoofdstukken 4, 5 en 6 kunt u lezen welke inzet en kosten de nieuwe taken van decentrale overheden vragen. Een uitgangspunt daarbij is dat gemeenten, provincies en waterschappen hun taken goed kunnen uitvoeren. In de praktijk zijn er uitvoerings- en implementatierisico’s. We schetsen vier belangrijke risico’s. Beschikbaarheid van personeel en kennis Ten eerste wordt het een uitdaging om voldoende medewerkers met voldoende kennis te vinden. Zowel gemeenten, provincies als waterschappen merken dat op. Om alle taken van het Klimaatakkoord uit te voeren, hebben de decentrale overheden duizenden fte nodig.88 Op dit moment zijn er niet genoeg gekwalificeerde mensen beschikbaar om al dat werk uit te voeren. Dat betekent dat er nieuwe medewerkers moeten worden opgeleid en ingewerkt. Er is een risico dat dit niet snel genoeg gaat. Dan kunnen vacatures niet worden ingevuld, of alleen door medewerkers die (nog) niet alle competenties hebben. 88

Een deel daarvan werkt nu ook al aan die taken. Zij zijn alvast begonnen aan de taken uit het Klimaatakkoord, (voorlopig) betaald uit tijdelijke middelen of uit eigen geld. Maar een ander deel is echt nieuw.

84

Daarbij speelt het risico dat overheden elkaar gaan beconcurreren. Zo krijgen bijvoorbeeld alle gemeenten tegelijkertijd nieuwe taken.89 Vooral kleinere gemeenten vrezen dat ze in de zoektocht naar goed gekwalificeerde medewerkers concurrentie van grotere gemeenten ondervinden. Overheden zullen goed moeten samenwerken en kennis moeten delen om dit risico in te perken. In de specifieke situatie van omgevingsdiensten speelt een extra risico. Sommige omgevingsdiensten geven aan dat ze nu al niet de capaciteit hebben om toezicht op de energiebesparingsplicht in de huidige vorm uit te voeren. Zelfs als dat wordt opgelost, betekent het dat ze een extra grote stap moeten zetten om voldoende capaciteit te werven bij de verbreding naar de CO2-besparingsplicht. Afhankelijkheid van partners Ten tweede opereren de decentrale overheden niet alleen. Ze werken nadrukkelijk samen met andere partijen, zoals energiebedrijven en woningcorporaties. De decentrale overheden zijn afhankelijk van hun medewerking om alle taken goed te kunnen uitvoeren. Daarbij speelt dat ook die partners op zoek gaan naar personeel. Zo hebben grote woningcorporaties óók beleidsmedewerkers nodig met kennis van de duurzaamheidsopgave. Het is de vraag of zij allemaal in staat zullen zijn om voldoende personeel te vinden dat het goede gesprek met de decentrale overheden kan voeren.

Verdeling over individuele gemeenten, provincies en waterschappen Ten derde speelt de verdeling van bekostiging. Gemeenten bijvoorbeeld hebben in de decembercirculaire van 2019 gelden voor de jaren 2020 en 2021 gekregen. 90 Sommige gelden werden gelijk verdeeld: Amsterdam en Schiermonnikoog kregen evenveel. Andere gelden werden (deels) verdeeld naar aantal inwoners. Dat doet niet altijd recht aan de kosten die gemeenten moeten maken. Toen ging het om een relatief klein bedrag per gemeente. Naarmate het meer budget betreft, wordt het steeds problematischer als een overheid een bedrag krijgt dat geen recht doet aan de kosten die de ze maken. Een beetje te veel of te weinig is immers minder erg dan honderdduizenden euro’s. Daarom zijn er passende verdeelsleutels nodig. Het wordt echter niet gemakkelijk om die verdeelsleutels op te stellen. Paragraaf 7.1 beschreef dat het effect van de belangrijkste kostendrijvers nog beperkt hard te maken is. Afhankelijkheid van technologie, maatschappij en beleid Technologische ontwikkelingen kunnen de vraag en het aanbod van sommige diensten veranderen. Dan verandert ook de inzet op bepaalde taken. Als zero-emissie vervoer zich sneller ontwikkelt, kan dat decentrale overheden meer uitvoeringskosten geven. Maar als zon- en windparken steeds krachtiger worden, daalt het benodigde aantal projecten.

En hoe gaan andere technieken zich ontwikkelen? Op dit moment hebben we geen signalen dat het nodig is om uitvoeringskosten voor waterstof te ramen, maar dat kan vóór 2030 veranderen. Bij uitvoering van het Klimaatakkoord hebben decentrale overheden enig draagvlak nodig. Maatschappelijke ontwikkelingen bepalen dat draagvlak. Minder draagvlak vraagt om inzet rond participatie, communicatie en juridische zaken. Een ander voorbeeld is de vraag naar 89

Daarom is het beschikbaarheidsrisico van personeel ook niet op te lossen door simpelweg hogere salarisschalen te ramen. Ook met hogere salarisschalen beconcurreren de overheden elkaar nog steeds, alleen dan tegen hogere kosten.

90

Ministerie van BZK (2019) Gemeentefonds: Decembercirculaire 2019, p. 16 Link

85

elektriciteitsprojecten: komt er een voorkeur voor zonne- of juist voor windenenergie? Bovendien is de uitvoering ook afhankelijk van de politieke kleur van het lokale bestuur. De komende jaren wordt veel beleid en wet- en regelgeving nog verder uitgewerkt. Decentrale overheden zijn daarvan afhankelijk. Er moet een warmtewet komen en regionale strategieën voor elektriciteit (de RES’en), veenweide en emissieloos vervoer. Zonder die stukken kunnen overheden niet verder. Overigens bepaalt de inhoud van die programma’s ook de kosten. Financieel effect De bovenstaande risico’s beïnvloeden de uitvoeringskosten. Goede sturing en samenwerking kan wel de kans verkleinen dat deze risico’s werkelijkheid worden. Overigens zou dat niet per se tot hogere kosten leiden. In veel gevallen zullen deze risico’s namelijk tot vertraging in de uitvoering leiden. Dan worden de kosten op korte termijn juist lager. Later is er dan wel een inhaalslag nodig om de doelen uit het Klimaatakkoord alsnog te halen.

7.3

Meekoppelkansen Meekoppelkansen zijn mogelijkheden om taken slim in samenhang met elkaar uit te voeren. Zo kunnen win-win situaties ontstaan. In dit onderzoek hebben we verkend wat de belangrijkste meekoppelkansen zijn. Niet in alle samenhang zien we direct meekoppelkans. Van sommige samenwerking staat al vast dat deze effectief is. Die wordt nu al van overheden verwacht. In de ramingen gaan we daar ook al vanuit.91 Meekoppelkansen zijn nieuwe ideeën om de samenhang (nog) verder te brengen, maar die nu nog niet bewezen effectief of wijdverspreid zijn. Het benutten van deze meekoppelkansen heeft verschillende voordelen. Een van de overkoepelende voordelen die wordt genoemd van het slim benutten van meekoppelkansen is dat het kan bijdragen aan het draagvlak voor de energietransitie. Ook kan het benutten van meekoppelkansen de efficiency verhogen en zo kosten besparen. Deze financiële kansen schetsen we alleen kwalitatief: we hebben ze niet doorgerekend in de kostenramingen. 92 Meekoppelkansen zijn in te delen in grofweg drie categorieën: - Verschillende taken uit het Klimaatakkoord aan elkaar koppelen - Verschillende bestuurslagen aan elkaar koppelen - Verschillende domeinen aan elkaar koppelen Koppeling tussen verschillende taken uit het Klimaatakkoord In de eerste plaats kan een decentrale overheid verschillende taken uit het Klimaatakkoord met elkaar verbinden.

We hebben in het onderzoek verschillende mogelijke meekoppelkansen op dit vlak voorbij horen komen. Een voorbeeld van dit soort meekoppelkansen heeft betrekking op communicatie met bewoners. Gemeenten, provincies en waterschappen gaan veel participatietrajecten starten over nieuwe initiatieven (zoals warmtenetten, elektriciteitsprojecten en laadinfrastructuur).

91

Er is bijvoorbeeld consensus dat regionaal aanbesteden van laadpalen beter werkt dan elke gemeente en provincie voor zichzelf. Die samenwerking is al afgesproken in de Nationale Agenda Laadinfrastructuur.

92

Daarbij speelt ook dat de financiële voordelen van meekoppelkansen vaak betrekking hebben op investeringskosten. Die zijn buiten scope van dit onderzoek. Het is zelfs mogelijk dat meekoppelkansen die de investeringskosten doen dalen, de uitvoeringskosten juist (iets) doen stijgen.

86

Contact in die trajecten kan ook gebruikt worden om burgers voorlichting te geven over de mogelijkheden om hun huis te verduurzamen.93 Andersom kan voorlichting over verduurzaming ook gebruikt worden voor draagvlak. Daarbij is het wel belangrijk om de koppeling te leggen met zaken die op individueel niveau voor burgers interessant zijn, zoals het vergroenen van een wijk. De koppeling van de aanleg van een warmtenet met bijvoorbeeld de vervanging van riolering kan wellicht financieel een kans zijn, maar draagt minder bij aan het vergroten van draagvlak omdat bewoners er op individueel niveau minder direct voordeel van ervaren. Een andere kans is het koppelen van beleidsdocumenten. Zo kunnen de transitievisie warmte en de RES op elkaar worden afgestemd. Daarin kan ook de link met stimulering van duurzame mobiliteit worden verkend. Dat geldt ook voor maatregelen die de industrie neemt, zeker als het om eigen opwek gaat. Tenslotte liggen er kansen waar de bestemming van gronden verandert. Bij uitkoop van bedrijven op veenweide bijvoorbeeld kan er worden gezocht naar nieuwe mogelijkheden, bijvoorbeeld extra groen (zelfs bij een hoog grondwaterpeil). Koppeling tussen verschillende bestuurslagen Verschillende decentrale overheden werken op dit moment al samen in de uitvoering van verschillende taken die in het Klimaatakkoord zijn opgenomen.

Op welke vlakken er wordt samengewerkt verschilt sterk per regio en is afhankelijk van waar beleid op gevoerd wordt. In de dieptestudies en validatiesessie zijn meerdere interessante voorbeelden genoemd. Sommige gemeenten zien een rol voor provincies in kennisdeling. Als provincies kennisdeling en ontwikkeling van specialistische kennis verzorgen, hoeven gemeenten niet allemaal zelf het wiel uit te vinden. Verschillende provincies hebben al plannen in die richting. Zowel provincies als gemeenten verwachten dat dit op de lange termijn financieel voordeel kan opleveren. Net als veel mogelijke kostendrijvers kunnen we nog niet hard maken op basis van analyse van de uitvraagresultaten. Nauwe samenwerking kan helpen om taken te koppelen die bij verschillende overheden zijn belegd. Zo zijn provincies vaak trekker van de uitrol van laadinfrastructuur en voeren gemeenten beleid op de verduurzaming van bedrijventerreinen. Deze taken kunnen het best in samenhang uitgevoerd worden. Een ander voorbeeld is dat waterschappen aquathermiebronnen ontsluiten, provincies de aanleg van warmtenetten over gemeentegrenzen heen coördineren, en gemeenten de uiteindelijke toevoer van warmte naar woonwijken begeleiden. Koppeling tussen taken uit het Klimaatakkoord en andere domeinen De taken van het Klimaatakkoord hangen vaak nauw samen met het beheer van de ruimtelijke omgeving.

Een vaak genoemd voorbeeld is de aanpassing van ondergrondse infrastructuur, zoals riolering, bij de uitvoering van renovatieprojecten. Of, in lijn daarmee, de aanleg van een warmtenet combineren met herinrichting van de openbare ruimte. Ook met andere domeinen liggen er meekoppelkansen. In wijken kan de energietransitie benut worden om tal van andere zaken aan te pakken. Omdat een gemeente intensief contact moet hebben met bewoners van een wijk die in transitie is, kan een koppeling gemaakt

93

Overigens kunnen verschillende mogelijkheden voor verduurzaming ook aan elkaar gekoppeld worden. Een gemeente kan bewoners die een aanvraag doen voor de stimuleringsregeling van een groen dak (sedumdak), ook advies geven over de mogelijkheden om de isolatie van hun woning te verbeteren.

87

worden met de aanpak van armoede, zorg en welzijn. Een voorbeeld kan zijn dat het energieloket sociale knelpunten in de wijk doorgeeft aan het sociaal wijkteam. Verschillende gemeenten hebben aangegeven dat het besef dat de energietransitie ook kansen biedt in het sociaal domein er nog onvoldoende is. Ook zien zij grote hindernissen omtrent samenwerking binnen de gemeente met deze domeinen omdat deze taken bij verschillende afdelingen belegd zijn. Meekoppelkansen voor provincies lijken met name te liggen op het gebied van landbouw. Zo wordt in een provincie op dit moment een coach ingezet die met boeren om tafel gaat en zes thema’s met hen bespreekt, waarvan er één het Klimaatakkoord betreft. Verduurzaming kan bijvoorbeeld gekoppeld worden aan stikstofbeleid. Financieel effect De financiële effecten van meekoppelkansen zijn nog te onzeker om te ramen. Daarbij speelt ook dat meekoppelkansen vaak eerder de investeringskosten reduceren dan de uitvoeringskosten. Aanleg van een warmtenet combineren met onderhoud van de riolering scheelt bijvoorbeeld graafmachines, maar niet beleidsambtenaren. Met name gemeenten hebben aangegeven dat het benutten van meekoppelkansen op korte termijn soms juist meer beleidscapaciteit vergt. Binnen een gemeente moeten verschillende afdelingen nauwer samenwerken en plannen moeten op elkaar worden afgestemd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9995904/1