CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport Uitvoeringskosten Klimaatakkoord decentrale overheden (bureau AEF 22-9-2020)

Commissie Bestuur 13 april 2021, gemeente NissewaardBij agendapunt: Nr. 4: Brief van de Provincie Zuid Holland; Onderzoek naar de financiële en beleidsvrije ruimte van gemeenten in Zuid-Holland, rapport Berenschot “Roeien met te korte riemen”. Op verzoek van de heer Verhoog en mevrouw Vonk Noordegraaf42.865 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Paragraaf 4.8 gaat in op materiële ICT-kosten. 7.3 Juridische zaken Uit het onderzoek blijkt dat er soms steun van juristen nodig is om de bovengenoemde primaire processen uit te voeren. Verschillende taken kennen een juridische component,

50

Voor een beleidsmedewerker in schaal 11 is dit een opslag van 27% op de loonkosten inclusief sociale lasten, pensioenen en dergelijke. Zie: Ministerie van BZK (2019) Handleiding Overheidstarieven 2020. Link, p. 6

44

zoals plannen en besluiten waar bezwaar en beroep tegen open staat en inzet van het ruimtelijk instrumentarium (straks de Omgevingswet). Waar deze juristen uitvoerend werk doen, is dat al in de ramingen opgenomen. Maar soms doen beleids- of projectmedewerkers het uitvoerend werk en geeft de juridische afdeling advies. Daarvoor ramen we enige extra capaciteit. Het gaat om gespecialiseerde medewerkers, gemiddeld in schaal 11,5. Bij kleinere gemeenten is de onzekerheid groot omdat het onderscheid tussen ‘uitvoerend’ werk en stafondersteuning daar vager is. - G4-gemeenten: 0,5 fte per gemeente per jaar - G40-gemeenten: 0,5 fte per gemeente per jaar - middelgrote gemeenten: 0,1 – 0,2 fte per gemeente per jaar - kleine gemeenten: 0,05 – 0,1 fte per gemeente per jaar 7.4 Financiën en control Een groot deel van het Klimaatakkoord wordt projectmatig uitgevoerd, bijvoorbeeld in wijkprojecten. Veel gemeenten krijgen met zo veel projecten te maken dat de gebruikelijke ondersteuning van de financiële afdeling niet meer toereikend is voor een overkoepelend beeld. Daarom ramen we enige aanvullende capaciteit voor projectcontrollers. Hun salarisschaal is in de uitvraag getoetst en naar aanleiding daarvan vastgesteld op schaal 10.

- G4-gemeenten: 0,5 fte per gemeente per jaar - G40-gemeenten: 0,5 fte per gemeente per jaar - middelgrote gemeenten: 0,1 – 0,2 fte per gemeente per jaar - kleine gemeenten: 0,05 – 0,1 fte per gemeente per jaar Voor de kleinste gemeenten worden weinig meerkosten voorzien omdat het daar veel minder complex is om een overkoepelend financieel beeld op te stellen. Rechtstreekse financiële steun is al bij de primaire taken meegerekend. 7.5 Implementatiekosten Verreweg de belangrijkste implementatiekosten zijn de wervingskosten van nieuwe medewerkers. Gemeenten hebben in dieptestudies en de bijeenkomst benadrukt dat ze snel veel nieuwe medewerkers moeten werven en daarbij allemaal in dezelfde vijver vissen. In eerder onderzoek hebben we als uitgangspunt gehanteerd dat de wervingskosten van een medewerker gemiddeld 15% - 25% van een jaarsalaris zijn. Het Centraal Planbureau heeft dat in een certificeringrapport onderschreven.51 We berekenen deze wervingskosten door een opslag van 15 – 25% op de stijging ten opzichte van het vorige jaar van het alle personele kosten (de kosten van taak 1.1 tot en met 7.4, maar niet de opslag voor overhead en uiteraard ook niet de materiële kosten). Om ook voor het jaar 2022 een stijging ten opzichte van het jaar ervoor te berekenen, gaan we uit van € 75 miljoen kosten in 2021 (de helft van de € 150 miljoen die voor 2020 en 2021 samen is afgesproken).

Uit het onderzoek komen geen andere substantiële implementatiekosten naar voren. Dat komt vooral omdat de taken geleidelijk opbouwen, een traject dat nu al jaren gaande is. Bovendien omvatten de taken veel beleidswerk, waarbij geen inrichting van machines, gebouwen of uitvoeringsprocessen nodig is.

51

CPB (2019) Certificering raming nieuwe inburgeringswet. Link

45

4.8

Materiële kosten Materiële kosten omvatten de uitgaven die gemeenten nodig hebben voor hun eigen werkprocessen; vaak beleidsontwikkeling. Niet alle fysieke kosten rondom het Klimaatakkoord tellen we als materiële kosten. Investeringskosten (bijvoorbeeld kosten van grond-, weg- en waterwerken) nemen we zoals beschreven in paragraaf 1.2 niet mee. Inhuur van capaciteit nemen we mee in de personele kosten van paragraaf 4.1 tot en met 4.7. De materiële kosten zijn niet eenvoudig te ramen. Dat komt omdat gemeenten onderling verschillen in het materiaal dat ze inzetten, het ritme waarin ze dat doen en de definities die ze hanteren. Dat maakt hun schattingen onderling lastig vergelijkbaar. Bovendien is er veel inhoudelijke onzekerheid over welke materialen extra nodig gaan zijn. Daarom hanteren we een aantal stelposten met relatief grote bandbreedtes. Die stelposten omvatten ook eenmalige of repeterende kosten. Die worden in dit onderzoek als het ware afgeschreven. Op basis van dieptestudies en de bijeenkomst zien we voor gemeenten vijf substantiële groepen materiële kosten: communicatiematerialen, technisch onderzoek, registratiesystemen, beleidsonderzoek en camera’s voor handhaving in Zero-Emissie zones. Communicatiematerialen Gemeenten maken materiële kosten voor communicatiecampagnes.

Dat raakt aan veel verschillende taken, waaronder de wijkaanpak, gemeentebrede communicatie, verduurzaming van overige utiliteitsbouw, stimulering van deelconcepten, aanpak van voedselverspilling en participatietrajecten rondom elektriciteit. De kosten voor al die afzonderlijke taken vatten we hieronder samen. Bij communicatiematerialen valt te denken aan websites, flyers, banners, uitnodigingen, nieuwsbrieven, posters, filmpjes, artikelen, infographics, ludieke acties, animaties, interviews, magazines, et cetera. Afgezien van leveringskosten rekenen we ook de kosten van ontwerp mee, afgeschreven over een periode van vier jaar. Bovendien zijn er kosten voor (participatie)bijeenkomsten: voorlichtingsavonden, informatiemarkten en dergelijke, met kosten voor locatie en enige catering. We ramen als stelpost voor deze kosten samen: - G4-gemeenten: € 200.000 – € 270.000 per gemeente per jaar - G40-gemeenten: € 60.000 – € 90.000 per gemeente per jaar - middelgrote gemeenten: € 30.000 – € 40.000 per gemeente per jaar - kleine gemeenten: € 15.000 – € 25.000 per gemeente per jaar Technisch onderzoek Technisch onderzoek is een brede categorie van externe onderzoeksproducten door technisch specialisten.

Daarbij valt te denken aan: - Onderzoek naar de technische haalbaarheid en opbrengst van warmtebronnen - Onderzoek naar de technische inpasbaarheid van laadpalen - Omgevingsonderzoek52 bij disruptieve projecten zoals windmolenparken - Haalbaarheidsonderzoek naar de aanleg van warmtenetten - Behoefteonderzoek naar laadinfrastructuur - Onderzoek naar de energiebehoefte van de gebouwde omgeving - Inventarisatie energiebesparingsmogelijkheden in eigen en maatschappelijk vastgoed - Allerlei kleinere onderzoeken, variërend van de netcapaciteit van bedrijventerreinen tot afstudeeronderzoek naar mogelijkheden om energieneutrale nieuwbouw af te dwingen. 52

Bijvoorbeeld luchtonderzoek, watertoets, bodemonderzoek, flora- en faunaonderzoek en archeologisch onderzoek

46

Deze onderzoeken zijn zeker niet allemaal elk jaar nodig in elke gemeente. Soms kunnen gemeenten samenwerken. Zo kost een onderzoek naar de regionale energiebehoefte al snel een ton, maar de kosten daarvan kunnen verdeeld worden over meerdere gemeenten en kunnen worden afgeschreven over verschillende jaren. Toch is het aantal verschillende onderzoeken groot, en zijn de kosten van technisch specialisten hoog. Dat geeft aanzienlijke kosten. - G4-gemeenten: € 350.000 – € 450.000 per gemeente per jaar - G40-gemeenten: € 160.000 – € 220.000 per gemeente per jaar - middelgrote gemeenten: € 50.000 – € 70.000 per gemeente per jaar - kleine gemeenten: € 25.000 – € 35.000 per gemeente per jaar We kunnen het tijdsverloop van deze kosten niet goed voorspellen. De beste inschatting is een redelijk constant verloop: in de eerste jaren zijn er enkele, relatief grote, onderzoeken nodig voor het opstellen van plannen. Na enkele jaren neemt die behoefte af, maar komen er steeds meer onderzoeken naar de specifieke situatie in één wijk. Registratiesystemen ICT-systemen spelen geen hele grote rol in de uitvoering van het Klimaatakkoord, maar registratiesystemen zijn een uitzondering. De grotere gemeenten geven aan dat zij zoveel activiteiten hebben (met bijvoorbeeld tientallen wijkuitvoeringsplannen tegelijk), dat aparte registratiesystemen nodig zijn om de uitvoering te coördineren.

De kosten daarvan worden geraamd op een ton voor de G4. Voor de G40 kan dat waarschijnlijk niet veel goedkoper. Dergelijke gespecialiseerde ICT valt niet onder de opslag voor overhead, zie paragraaf 7.2. De kleinere gemeenten hebben deze uitgaven niet genoemd. Dat komt waarschijnlijk omdat zij op veel kleinere schaal opereren. Dan is coördinatie minder complex en makkelijker uit te voeren met bestaande (projectmanagement) software. We ramen de volgende jaarlijkse kosten, waarbij systemen worden afgeschreven over een periode van vijf jaar. - G4-gemeenten: € 20.000 per gemeente per jaar - G40-gemeenten: € 15.000 per gemeente per jaar - middelgrote gemeenten: € 0 per gemeente per jaar - kleine gemeenten: € 0 per gemeente per jaar Beleidsonderzoek Naast technisch onderzoek is er bij gemeenten ook enig extern beleidsonderzoek nodig. Dit soort onderzoek brengt in kaart hoe beleid van de gemeente rondom het Klimaatakkoord zich kan verhouden tot andere partners of andere beleidsdomeinen. Dit onderzoek is eerder beleidsmatig of organisatorisch dan technisch-wetenschappelijk. Hoewel deze materiële kosten dichter aanliggen tegen het werk van beleidsmedewerkers zelf, geven gemeenten consequent aan dat sommige onderzoeksproducten daar een noodzakelijke aanvulling op zijn. Juist in een context waar verschillende partijen met elkaar samenwerken is soms onafhankelijk extern onderzoek nodig.

- G4-gemeenten: € 70.000 - € 100.000 per gemeente per jaar - G40-gemeenten: € 25.000 - € 35.000 per gemeente per jaar - middelgrote gemeenten: € 12.500 - € 17.500 per gemeente per jaar - kleine gemeenten: € 4.000 - € 8.000 per gemeente per jaar Camera’s in zero emissies zones De 30 tot 40 grootste gemeenten krijgen zero-emissieszones. Voor het handhaven van deze zones is er behalve personele capaciteit (zie paragraaf 4.3) ook materiaal nodig. Uit

47

dieptestudies komt naar voren dat toezicht met camera’s de meest realistische en meest efficiënte manier is om dit toezicht in te richten. De kosten ervoor baseren we op een begroting van één van de G4-gemeenten. Die raamde 1,6 miljoen voor de aanschaf van 61 camera’s. We gaan er vanuit dat deze kosten over vijf jaar worden afgeschreven en dat de jaarlijkse onderhoudskosten 10% van de aanschafprijs zijn. In lijn met het gemiddeld drie keer zo lage inwoneraantal, ramen we voor de G40 drie keer minder camera’s. Middelgrote en kleine gemeenten krijgen de zones (en dus camera’s) niet. - G4-gemeenten: € 480.000 per gemeente per jaar - G40-gemeenten: € 160.000 per gemeente per jaar - middelgrote gemeenten: € 0 per gemeente per jaar - kleine gemeenten: € 0 per gemeente per jaar Verduurzaming eigen materiaal De kosten van het verduurzamen van het eigen vastgoed en de eigen mobiliteit kunnen ook als materiële kosten worden gezien; ze verhogen de bedrijfsvoeringskosten van gemeenten. Dit zijn echter ook investeringen; ze verdienen zichzelf voor een deel terug. In dit onderzoek hebben we niet kunnen nagaan in hoeverre deze uitgaven zichzelf terug verdienen. Uit de dieptestudies kwam daar ook geen consistent beeld uit naar voren. Daarom ramen we voor nu geen materiële kosten. Daarbij speelt dat deze uitgaven niet alleen maar uit het Klimaatakkoord voortkomen.

Ook als er geen Klimaatakkoord was geweest, zouden er bijvoorbeeld meer elektrische leaseauto’s komen. Veel gemeenten doen dat zelfs nu al.

4.9

Tijdspad Elk van deze taken wordt in de periode 2022 – 2030 uitgevoerd door gemeenten. Maar niet alle taken worden in alle jaren (met dezelfde intensiteit) uitgevoerd. Met behulp van de resultaten van verkennende interviews, dieptestudies en de uitvraag hebben we een raming opgesteld van de jaren waarin deze taken worden uitgevoerd. De onderstaande figuur geeft de uitkomsten hiervan weer. Daarbij betekent een ‘1’ dat een taak in dat jaar met de reguliere, structurele intensiteit wordt uitgevoerd. 53 Een veelvoud daarvan betekent dat een taak intensiever of minder intensief wordt uitgevoerd; zo wil een ‘2’ zeggen dat een taak in dat jaar 2 keer zoveel inzet vraagt. Een ‘-‘ betekent dat een taak in dat jaar niet wordt uitgevoerd. Taak

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

1.1 Monitoren herijken RES

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1.2 Vergoeden planschade

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

2.1 Opstellen WUP

0,5

1,0

1,0

1,0

1,0

1,1

1,2

1,2

1,2

2.2 Uitvoeren WUP

0,2

0,4

0,6

0,8

1,0

1,3

1,5

1,6

1,7

2.3 Corporaties VvE’s

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

2.4 VTH

-

-

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

2.5 Communicatie

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

2.6 Eigen vastgoed

1,0

1,0

1,0

1,0

-

-

-

-

-

53

Bij taken 2.1, 2.2, 6.1 en 6.2 is een ‘1’ de gemiddelde inzet over de periode 2022 – 2030.

48

2.7 Maatsch. vastgoed

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

2.8 Overige utiliteitsbouw

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

2.9 Transitievisie warmte

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

3.1 Onderzoek laadinfra

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

-

-

-

-

3.2 Aanbesteding laadinfra

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

-

-

-

-

3.3 Regionaal programma

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

3.4 Vormgeven ZE-zones

1,0

1,0

1,0

1,0

-

-

-

-

-

3.5 Handhaven ZE-zones

-

-

-

-

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

3.6 Aanpassen infra

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

3.7 Deelconcepten

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

3.8 Eigen mobiliteit

1,0

1,0

1,0

-

-

-

-

-

-

3.9 Inkopen GGW

1,0

1,0

1,0

0,5

-

-

-

-

-

3.10 Handhaven CO2-norm

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

4.1 CO2-besparingsplicht

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

5.1 Veenweidegebied

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

5.2 Landbouwbedrijven

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

5.3 Vergroten natuur

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

5.4 Voedselverspilling

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

6.1 Zonneweides

0,5

1,0

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

1,0

1,0

6.2 Windmolenparken

0,2

0,5

0,7

1,0

1,2

1,3

1,3

1,3

1,4

7.1 HR (personeelszaken)

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

7.2 Facilitair en ICT

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

7.3 Juridische zaken

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

7.4 Financiën en control

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

7.5 Implementatie

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

Materiële kosten

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

De meest opvallende punten in het tijdspad zijn: - Voor de meeste taken ramen we constante inzet (alle jaren een ‘1’). Dat betekent dat de inzet daar tussen 2022 en 2030 stabiel blijft.54 - De intensiteit van de wijkaanpak volgt de cijfers zoals beschreven in paragraaf 4.2. De benodigde inzet daar neemt snel toe. Zo vraagt het uitvoeren van wijkuitvoeringsplannen in 2030 (wanneer alle gemeenten op stoom zijn) meer dan acht keer zoveel inzet als in 2022 (wanneer alleen de koplopers al in de uitvoeringfase zitten). 55 - Voor het stimuleren van zonneweides en windmolenparken volgen we de cijfers zoals beschreven in paragraaf 4.6. De verwachting is dat die inzet de eerste jaren snel toeneemt: gemeenten beginnen dan elk jaar nieuwe projecten, terwijl het even duurt voordat ze die afronden. Daarna stabiliseert de inzet.

54

Strikt gezien ramen we deze kosten allemaal vanaf 1 januari 2022. In de praktijk zullen sommige kosten iets eerder en sommige kosten iets later beginnen. Sommige koplopers maken deze kosten nu al. Een belangrijk aandachtspunt zijn de implementatierisico’s: als gemeenten er niet in slagen om op tijd de processen in te richten en voldoende personeel te werven, beginnen de kosten ook later, zie paragraaf 7.3.

55

Overigens zet deze groei zich niet eindeloos door. Rond 2030 stabiliseert de groei. Cijfers over de jaren daarna zouden (zoals we er nu tegenaan kijken) een veel vlakkere ontwikkelingen kennen.

49

- Het verduurzamen van het eigen vastgoed en mobiliteit kan na een aantal jaar

intensievere inzet naar verwachting in het reguliere proces worden geborgd. We doen daarbij de assumptie dat dit volgens hetzelfde tijdspad verloopt als bij waterschappen (waar het tijdspad in de uitvraag getoetst is). - De aanbestedingen van laadinfrastructuur en zero-emissie vervoer zijn (in de vorm waarin ze nu in het Klimaatakkoord staan beschreven) tijdelijke taken. - De inzet is een gemiddelde voor alle provincies samen. In de praktijk kunnen er grote onderlinge verschillen zijn. Als de ene provincie net aan een groot windmolenpark werkt, en de andere niet, dan scheelt dat aanzienlijk in inzet. Samengevat stijgt de totale inzet van gemeenten over tijd. De inzet rond de wijkaanpak (en in mindere mate zon en wind) blijft tot 2030 toenemen. Dat weegt ruimschoots op tegen enkele andere taken waar de inzet na de eerste jaren afneemt. Leereffecten en aanloopeffecten Het is denkbaar dat gemeenten na verloop van tijd dezelfde taken efficiënter kunnen uitvoeren. Dan kunnen ze toe met minder capaciteit. Dit soort leereffecten hebben we echter niet kunnen ramen; er is geen bronmateriaal op basis waarvan we dergelijke effecten nu al kunnen kwantificeren en uit interviews komt ook niet eenduidig naar voren dat dit soort leereffecten in vergelijkbare situaties altijd optreden.56 Het is niet onaannemelijk dat er na verloop van tijd leereffecten ontstaan, maar daar is nu geen zicht op.

Omgekeerd is in de cijfers ook geen aanloopeffect geraamd, waarbij overheden in het begin een taak nog niet kunnen uitvoeren. Zo zijn onze ramingen voor structurele inzet voor de wijkaanpak lager dan wat koplopers in 2020 in de praktijk inzetten voor de 27 eerste aardgasvrije wijken. Ook hier geldt dat uit het onderzoek niet eenduidig naar voren komt dat deze in 2022 onvermijdelijk zijn; zeker omdat veel taken al sinds 2020 (of eerder) gelden.

4.10

Samenvatting De onderstaande tabel geeft een samenvatting van de inzet57 en uitvoeringskosten, voor 2024. We gebruiken 2024 als peiljaar omdat het een jaar is waar vrij veel taken op een gemiddeld niveau worden uitgevoerd. In andere jaren is er andere inzet. De inzet en kosten per gemeente zijn een gewogen gemiddelde van alle gemeenten.58 Op basis daarvan komen we tot de totale (macro)kosten voor alle Nederlandse gemeenten samen. Let op: de (gemiddelde) cijfers per gemeente zijn enkel bedoeld als tussenstap naar macrocijfers. Ze zijn niet per se representatief voor welke individuele gemeente dan ook, want geen enkele gemeente is ‘gemiddeld’ of ‘doorsnee’.

56

Tenzij ze taakstellend worden opgelegd, maar dit onderzoek redeneert vanuit de taak en niet vanuit het beschikbare budget.

57

Bij taken 2.1, 2.2, 6.1 en 6.2 gaat het om de totale inzet per gemeente. Dat is gebaseerd op een gewogen gemiddelde van 1,3 – 1,9 wijkuitvoeringsplannen opstellen tegelijkertijd, 1,3 – 1,9 wijkuitvoeringsplannen uitvoeren tegelijkertijd, 3,0 – 4,5 zonneweides tegelijkertijd en 0,9 – 1,4 windmolenparken tegelijkertijd.

58

Een gewogen gemiddelde betekent in dit geval dat de cijfers van de G4 vier keer meetellen, die van de G40 veertig keer, die van middelgrote gemeenten 87 keer en die van kleine gemeenten 224 keer.

50

Samenvatting uitvoeringkosten gemeenten (voor 2024) Taak

Inzet per gemeente

Schaal

1.1 Monitoren herijken RES

0,3 – 0,4 fte

Schaal 11

€ 34 k – 50 k

€ 12,1 – 17,9 mln

1.2 Vergoeden planschade

0 fte

Schaal 10

€0

€0

2.1 Opstellen WUP

1,3 – 2,4 fte

Schaal 11

€ 155 k – 277 k

€ 55,1 – 98,6 mln

2.2 Uitvoeren WUP

2,6 – 4,1 fte

Schaal 10,5

€ 280 k – 442 k

€ 99,0 – 156,0 mln

2.3 Corporaties VvE’s

0,5 – 0,8 fte

Schaal 11

€ 61 k – 91 k

€ 21,5 – 32,3 mln

0 fte

Schaal 9

€0

€0

2.5 Communicatie

1,5 – 1,9 fte

Schaal 9

€ 149k – 182 k

€ 52,9 – 64,6 mln

2.6 Eigen vastgoed

0,3 – 0,4 fte

Schaal 10

€ 28 k – 43 k

€ 9,9 – 15,4 mln

2.7 Maatsch. vastgoed

0,5 – 0,7 fte

Schaal 11

€ 59 k – 80 k

€ 20,9 – 28,3 mln

2.8 Overige utiliteitsbouw

0,4 fte

Schaal 11

€ 47 k

€ 16,5 mln

2.9 Transitievisie warmte

0,4 – 0,5 fte

Schaal 11

€ 41 k – 53 k

€ 14,4 – 18,9 mln

3.1 Onderzoek laadinfra

0,2 – 0,3 fte

Schaal 10

€ 21 k – 32 k

€ 7,6 – 11,3 mln

3.2 Aanbesteding laadinfra

0 – 0,1 fte

Schaal 10

€ 4 k – 13 k

€ 1,5 – 4,5 mln

3.3 Regionaal programma

0 – 0,2 fte

Schaal 11

€ 4 k – 25 k

€ 1,3 – 8,8 mln

3.4 Vormgeven ZE-zones

0,3 – 0,5 fte

Schaal 11

€ 36 k – 57 k

€ 9,9 – 20,1 mln

3.5 Handhaven ZE-zones59

0 fte

n.v.t

€0

€0

3.6 Aanpassen infra

0,3 fte

Schaal 11

€ 29 k

€ 10,4 mln

3.7 Deelconcepten

0,3 fte

Schaal 11

€ 37 k

€ 13,0 mln

3.8 Eigen mobiliteit

0,2 – 0,3 fte

Schaal 10

€ 22 k – 31 k

€ 7,9 – 11,2 mln

3.9 Inkopen GGW

0,4 – 0,5 fte

Schaal 10

€ 42 k – 51 k

€ 14,9 – 18,3 mln

3.10 Handhaven CO2-norm

0,01 fte

Schaal 9

€1k

€ 0,4 mln

4.1 CO2-besparingsplicht

0,1 fte

Schaal 9

€ 11 k

€ 3,8 mln

5.1 Veenweidegebied

0,1 fte

Schaal 10

€ 6 k – 12 k

€ 2,2 – 4,4 mln

5.2 Landbouwbedrijven

0,7 – 0,8 fte

Schaal 11

€ 75 k – 91 k

€ 26,6 – 32,5 mln

5.3 Vergroten natuur

0,3 – 0,5 fte

Schaal 10

€ 28 k – 55 k

€ 10,0 – 19,6 mln

5.4 Voedselverspilling

0,2 – 0,3 fte

Schaal 10

€ 17 k – 28 k

€ 6,1 – 9,8 mln

6.1 Zonneweides

0,9 - 1,3 fte

Schaal 10,5

€ 97 k – 146 k

€ 33,6 – 50,3 mln

6.2 Windmolenparken

0,5 – 1,0 fte

Schaal 10,5

€ 57 k – 107 k

€ 20,3 – 38,1 mln

7.1 HR (personeelszaken)

0 fte

n.v.t.

€0

€0

7.2 Facilitair en ICT

0 fte

n.v.t.

€0

€0

7.3 Juridische zaken

0,1 – 0,2 fte

Schaal 11,5

€ 14 k – 21 k

€ 5,1 – 7,5 mln

7.4 Financiën en control

0,1 – 0,2 fte

Schaal 10

€ 12 k – 18 k

€ 4,3 – 6,4 mln

7.5 Implementatie

n.v.t.

n.v.t.

€ 8 k – 14 k

€ 3,0 – 5,1 mln

Materiële kosten

n.v.t.

n.v.t.

€ 117 k – 141 k

€ 41,6 – 50,0 mln

2.4 VTH

59

Kosten per gemeente

Kosten totaal

De (nieuwe) zero-emissiezones worden van kracht in 2025. In het jaar 2024 zijn de handhavingskosten daarom nog € 0. Vanaf 2025 gaat het om 1 fte in schaal 7 voor elk van 34 gemeenten; dat is € 82.171 per betreffende gemeente en € 2,8 miljoen landelijk. Maar vanaf dat jaar zijn er geen kosten meer voor taak 3.4 (het vormgeven van de zones).

51

De taken die de grootste capaciteit van gemeenten vragen zijn het opstellen en uitvoeren van wijkuitvoeringsplannen (taken 2.1 en 2.2). Samen zijn deze taken verantwoordelijk voor ongeveer een derde van de totale benodigde inzet. Gecombineerd met het verzorgen van gemeentebrede communicatie (taak 2.5) en het stimuleren van zonneweides en windmolenparken (taken 6.1 en 6.2), vragen deze vijf taken meer dan de helft van de totale hoeveelheid benodigde fte. Tegelijkertijd speelt ook het grote aantal verschillende taken een rol. Er zijn 19 taken met een kleine inzet van hooguit 0,5 fte. Hun gezamenlijke inzet telt echter op tot 4,1 – 5,6 fte, meer dan de grootste individuele taak. In onderstaande figuur zijn de jaarlijks benodigde extra uitvoeringslasten voor gemeenten weergegeven. De lijn in de grafiek geeft het midden van de bandbreedte weer, met de onzekerheidsmarge aan beide kanten.60

De uitvoeringskosten nemen naar verloop van tijd toe. Dat komt vooral omdat gemeenten aan steeds meer wijken tegelijk werken. Dat weegt sterk mee in de totale kosten.

60

Let op: De onzekerheidsmarge geeft alleen de onzekerheid van in de toekomst kijken binnen de huidige uitgangspunten en assumpties weer. Er is niet in verwerkt dat het steeds onwaarschijnlijker wordt dat die uitgangspunten en assumpties (blijven) kloppen. De bandbreedte neemt toe omdat het aandeel van taken met veel onzekerheidsmarge toeneemt.

52

5 Kosten voor provincies

Hoofdstuk 3 beschrijft welke taken provincies krijgen naar aanleiding van het Klimaatakkoord. Dit hoofdstuk geeft een analyse van de inzet die daarvoor nodig is. We bespreken eerst per proces de personele kosten per pijler en daarna de materiële kosten.

5.1

Overkoepelende taken 1.1 Monitoren en herijken RES Het aantal RES-regio’s dat binnen een provincie valt, varieert tussen de 1 en 7. Op één uitzondering na valt iedere RES-regio binnen één provincie. Iedere RES waaraan een provincie deelneemt moet worden gemonitord en herijkt. De herijkingen vinden eens in de twee jaar plaats en de monitoring is een continu proces dat onder andere bestaat uit overleg voeren met medeoverheden en het rapporteren over de voortgang van de gemaakte afspraken. Provincies werken op twee niveaus om deze taak uit te voeren. Enerzijds is er de inzet om de link met taken van de provincie zelf te bewaken. Dat deel wordt complexer naarmate de provincie bij meer verschillende RES’en betrokken is. Anderzijds leveren provincies capaciteit aan de RES-regio, waar naar verwachting regionale teams van 5 – 10 fte structureel ingezet blijven op regionaal niveau. Hun kosten worden verdeeld over gemiddeld twaalf gemeenten en de provincie.61 Bij sommige RES’en treden provincies voornamelijk op in een toetsende rol, in andere RES’en hebben ze een coördinerende rol. Ook de inzet puur voor de provincie zelf verschilt per provincie. Zo zijn sommige provincies bijvoorbeeld al bezig met systeemstudies die knelpunten in het elektriciteitsnet in beeld brengen. Tot slot is de benodigde inzet voor het herijken ook afhankelijk van wat er nodig is om tot een vervolg te komen.

Als er opnieuw met stakeholders gesproken moet worden, kan dat een relatief grote capaciteit vragen. - De taak wordt uitgevoerd door beleidsmedewerkers in schaal 11,5 en vergt 0,9 – 1,3 fte per jaar per RES waar een provincie aan bijdraagt. In de praktijk is het overigens niet zeker dat de structurele capaciteit van RES-regio’s via de boekhouding van gemeenten en provincies loopt. De regio’s worden nu rechtstreeks gefinancierd. Dit bekostigingsvraagstuk is echter buiten scope van dit onderzoek en dus moeten we het wel toerekenen aan ofwel gemeenten, ofwel provincies, ofwel waterschappen.

61

Daarbij rekenen we de provincie een dubbel zo groot deel toe als elke gemeente: twee veertiende deel. Daar komt de inzet puur gericht op de taken van de provincie zelf bovenop.

53

1.2 Vergoeden planschade Het uitvoeren van de taken uit het Klimaatakkoord, zoals bijvoorbeeld het aanleggen van windparken of zonneweides, kan leiden tot een daling in waarde van bepaalde eigendommen. Deze planschade dient vergoedt te worden, wat extra inzet van verschillende medewerkers vereist. Uit de dieptestudies is gebleken dat provincies niet inschatten dat er structureel sprake capaciteit nodig is voor het vergoeden van planschade. Aanvragen op basis van het Provinciaal Inpassingsplan (PIP’s) komen weleens voor, zeker bij windparken, maar van planschade is eigenlijk nooit sprake. Indien planschade toch voorkomt, komt dit meestal terecht bij de projectontwikkelaar. Daarom ramen we geen extra benodigde inzet voor deze taak. - De taak vergt 0 fte per provincie per jaar

5.2

Gebouwde omgeving 2.1 Ontwikkelen warmtebronnen en -netten Om te kunnen voldoen aan de eisen van het Klimaatakkoord moeten er nieuwe warmtebronnen worden ontwikkeld. Dit omvat onder andere de levering van restwarmte, het ontwikkelen van geothermische bronnen en het ontwikkelen van aquathermie. Tegelijk moeten er distributienetten worden ontwikkeld om deze warmte te transporteren. 62 Provincies hebben hierin een coördinerende rol. Zeker wanneer warmtenetten over gemeentegrenzen heen lopen. Uit dieptestudies komt naar voren dat provincies voor deze taak beleidsinzet nodig hebben om afspraken te maken met leveranciers, omgevingsonderzoeken uit te voeren, en vergunningen te verlenen. Er is momenteel nog weinig bekend over de mogelijkheden van de verschillende warmtebronnen, zeker aquathermie en geothermie. Ook is het onzeker hoe de inhoud van deze taak exact vorm krijgt na invoering van de Warmtewet 2.0. De benodigde capaciteit is getoetst in de uitvraag. Hoewel veel provincies de uitkomsten van de dieptestudies herkenden, hanteren we vanwege de bovenstaande onzekerheden toch een onzekerheidsmarge van 15%. - De taak wordt uitgevoerd door beleidsmedewerkers in schaal 11 en vergt 2,6 – 3,5 fte per provincie per jaar. Sommige provincies kiezen ervoor om veel meer capaciteit in te zetten voor deze taak. Zij kiezen ervoor om gemeenten zwaar te ondersteunen in de gebouwde omgeving.

Strikt gezien is dit een taak van gemeenten. Meer inzet van provincies (en eventueel dan minder van gemeenten) is een meekoppelkans, zie paragraaf 7.3. 2.2 Verduurzamen eigen vastgoed Van overheden wordt gevraagd dat zij het goede voorbeeld geven en vooroplopen met het verduurzamen van hun eigen vastgoed. Het eigen vastgoed van provincies dat verduurzaamd moet worden, is in veel gevallen beperkt tot het provinciehuis. Er zijn echter ook andere gebouwen die tot het eigen vastgoed van een provincie worden gerekend, zoals kastelen of

62

In de praktijk werken provincies soms ook mee aan andersoortige netten, zoals netten voor CO2-opslag of -distributie. Die taak staat echter niet letterlijk in het Klimaatakkoord als taak voor provincies genoemd en rekenen we niet mee.

54

bunkers. Ook deze dienen verduurzaamd te worden. Dat kan van sommige provincies vrij veel inzet vragen. De personele inzet hiervan raakt twee groepen. Enerzijds is er een beleidsmatige kant om te bepalen welk vastgoed het eerst wordt verduurzaamd en hoe het effect van eventuele verbouwingen kan worden beperkt. Dit is werk voor (junior) beleidsmedewerkers. Anderzijds is er een uitvoerende kant die meestal bij de afdeling facility ligt. We verwachten dat hun extra inzet tot en met 2025 nodig is. De gemiddelde schaal van de twee groepen is schaal 10. De benodigde capaciteit voor deze taak is afhankelijk van de hoeveelheid eigen vastgoed dat een provincie in bezit heeft. Op enkele uitschieters na blijkt er echter een vrij uniforme inschatting uit de uitvraag naar voren te komen. Omdat het eigen vastgoed van provincies in een paar jaar verduurzaamd kan worden, rekenen we deze taak mee tot en met 2025. - De taak wordt uitgevoerd door medewerkers in schaal 10 en vergt 0,8 – 1,1 fte per provincie per jaar.

5.3

Mobiliteit 3.1 Aanwijzen locaties snellaadinfra Zowel in stedelijke gebieden als langs provinciale wegen moet er een infrastructuur van laadpalen voor elektrische voertuigen tot stand worden gebracht. Om de geschikte locaties hiervoor te bepalen is allereerst onderzoek en overleg met marktpartijen nodig. Daarna worden er plannen gemaakt voor de plaatsing van laadinfrastructuur en deze worden geïntegreerd met andere vormen van laden. Dit is een tijdelijke taak die na verloop van tijd voltooid is. Op basis van de dieptestudies verwachten we dat deze taak gemiddeld in 2027 afgerond is. Uit de dieptestudies kwamen uiteenlopende schattingen naar voren over de capaciteit die dit van provincies vraagt. Het is ook denkbaar dat provincies hierin een verschillende opgave hebben; bijvoorbeeld meer werk voor dunbevolkte provincies met minder private snellaadlocaties in de buurt van provinciale wegen. De best onderbouwde schatting is voorgelegd aan de andere provincies in de online uitvraag en is daar goeddeels bevestigd. Voor de raming volgen we het gemiddelde van de (onderbouwde) uitvraagresultaten. - De taak wordt uitgevoerd door beleidsmedewerkers in schaal 11,5 en vergt 0,7 – 0,9 fte per provincie per jaar. 3.2 Aanbesteden laadpunten Het fysiek aanleggen van laadinfrastructuur wordt in principe uitgevoerd door marktpartijen.

Provincies zijn verantwoordelijk voor aanbesteding van het recht om langs provinciale wegen laadinfrastructuur aan te leggen.63 Dan ontstaan uitvoeringskosten rondom het traject van aanbesteding en contractering. Ook aansturing van de marktpartij rekenen we tot deze taak. De Nationale Agenda Laadinfrastructuur werkt op dit punt de tekst uit het Klimaatakkoord verder uit. Daarin staat dat provincies met gemeenten moeten aanbesteden in negen samenwerkingsregio’s. Voor de meeste provincies zit daar de meeste inzet.

63

De kosten of opbrengsten van deze ‘concessie’ zijn geen uitvoeringskosten en rekenen we niet mee. De kosten van het aanbestedings- en contracteringstraject zelf zijn wel uitvoeringskosten en zijn niet door te belasten aan de exploitant.

55

Hoewel er grote verschillen zullen zijn tussen provincies, maakt de samenwerking dat er gemiddeld per provincie ongeveer evenveel werk nodig is als voor taak 3.1, ondanks dat deze taak meer uitvoerend werk omvat.64 - De taak wordt uitgevoerd door senior inkopers in schaal 11 en vergt 0,6 – 0,7 fte per provincie per jaar. 3.3 Inzetten eigen infra voor energieopwekking Waar mogelijk wordt er van provincies verwacht dat ze hun infrastructuur inzetten voor het opwekken van energie. Dit vraagt een intensievere samenwerking met netbeheerders. In sommige gevallen kan het ook nodig zijn om de eigen infrastructuur aan te passen om energieopwekking te faciliteren. Provincies geven aan dat de benodigde capaciteit voor deze taak afhangt van de partij die de uitvoering op zich neemt. Dit kan de provincie zelf zijn, maar het kan ook aan marktpartijen overgelaten worden. Wij gaan er vanuit dat de provincie de uitvoering aan de markt laat en zelf alleen beleid ontwikkelt. Als een provincie zelf de rol van marktpartijen overneemt, rekenen we de uitvoeringskosten niet mee. De mate waarin provincies nu al bezig zijn met deze taak verschilt behoorlijk, maar de inschatting van de benodigde capaciteit bleek vrij uniform: een halve dag in de week. - De taak wordt uitgevoerd door beleidsmedewerkers in schaal 11 en vergt 0,1 fte per provincie per jaar.

3.4 Klimaatneutraal inkopen Grond-, Weg-, en Waterwerken Om uiteindelijk zo klimaatneutraal en circulair mogelijk te kunnen werken moeten gemeenten hun proces voor het inkopen van grond-, weg- en waterwerken (GGW) aanpassen. Deze transformatie vraagt extra capaciteit met specifieke kennis hoe de nieuwe wensen en eisen in aanbesteding- en inkoopprocedures kunnen worden verwerkt. Als deze overgang eenmaal is gerealiseerd, zal het nieuwe inkoopproces zelf geen extra capaciteit vragen ten opzichte van de huidige methode van inkopen. In navolging van de resultaten bij de gemeenten (zie paragraaf 4.3) verwachten we dat dit gemiddeld halverwege 2025 zo ver is. Uit de dieptestudies komt naar voren dat provincies de extra capaciteit niet hoog inschatten; aanzienlijk lager dan gemeenten en waterschappen. Dat kan ermee te maken hebben dat provincies al langer met deze transitie bezig zijn en medewerkers in een iets hogere schaal hebben. Mogelijk speelt ook de inhoud en het aantal betreffende aanbestedingen een rol: Provincies hebben grotere, maar een klein aantal en minder uiteenlopende aanbestedingen. - De taak wordt uitgevoerd door inkopers in schaal 11 en vergt 0,2 fte per provincie per jaar. 3.5 Inrichten en versterken regionaal mobiliteitsplatform In het Klimaatakkoord is afgesproken om samenwerkingsregio’s in te richten.

Provincies zijn verantwoordelijk voor (een versnelling van) deze regionale mobiliteitsplatforms. Het inrichten van deze verbanden wordt als aparte taak gezien. Hun uitvoerend werk valt onder taken 3.1, 3.2 en 3.6. Onze assumptie is dat de inrichtingsfase tot en met 2025 duurt. Daarna is de assumptie dat versterking en borging de helft van capaciteit van de inrichtingsfase vergt.

64

Bijvoorbeeld: als drie provincies samenwerken en elk 0,4 fte beschikbaar stellen, is dat samen meer dan 1 fte voor inkoop. Er zijn echter ook regio’s met slechts één provincie; daar is iets meer capaciteit nodig.

56

Uit de dieptestudies is gebleken dat provincies deels wel gebruik kunnen maken van bestaande organisaties en contacten, maar dat de taak vrij intensief is: het vraagt specifieke inzet om ad hoc verbanden tot een structureel platform om te vormen. De Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) is een voorbeeld. In andere regio’s is verdere inrichting nodig om de samenwerking te verbeteren. Het platform in de regio Gelderland/Overijssel, bijvoorbeeld, gaat uit van 4 fte vast in dienst en doorgaans ongeveer eventueel inhuur. 65 We gaan ervanuit dat de helft tot een kwart van deze capaciteit nodig is voor inrichting en versterking. - De taak wordt uitgevoerd door beleidsmedewerkers in schaal 11 en vergt 1,0 – 2,0 fte per provincie per jaar. De platforms gaan zich vooral bezig houden met laadinfrastructuur, maar ook met andere zaken. De noordelijke provincies gaan bijvoorbeeld dieseltreinen uitfaseren. Mogelijk dient (inrichting van) de platforms daarom meer doelen dan het Klimaatakkoord alleen. Dan kan het ook uit meerdere bronnen bekostigd worden. 3.6 Opstellen regionaal programma emissieloos In het Klimaatakkoord staat dat provincies in samenwerking met gemeenten regionale programma’s opstellen waarin afspraken worden gemaakt over zoveel mogelijk emissieloos vervoer in 2030. Provincies hebben de regie en zullen meestal penvoerder van het programmaplan zijn.

Voor deze regierol (in feite een uitbreiding van hun huidige rol) ramen op basis van de dieptestudies 0,5 fte (extra) per provincie. Capaciteit voor uitvoering van het plan ligt bij andere taken: 3.7, 3.8 en 3.9. Een aantal provincies wil in het programma ook het elektrificeren van regionale dieseltreinlijnen opnemen, maar dat proces gaat buiten het Klimaatakkoord om dus de inzet daarvan rekenen we niet mee. - De taak wordt uitgevoerd door beleidsmedewerkers in schaal 11 en vergt 0,5 fte per provincie per jaar. 3.7 Faciliteren zero-emissie bus- en doelgroepenvervoer In het Klimaatakkoord is afgesproken dat provincies verder werken aan de verdere uitrol en opschaling van zero-emissie bussen en zero-emissie doelgroepenvervoer. De assumptie hier is dat provincies de concessieverlenende overheid zijn. Waar andere overheden concessies verlenen, gelden de kosten van onderstaande inzet naar rato voor de betreffende overheden. Uit dieptestudies komt naar voren dat het ‘verder werken’ de komende jaren betekent dat provincies hun inkoop- en contractering aanpassen, zodat bijvoorbeeld in 2025 alle nieuw instromende OV-bussen zero-emissie zijn. Ook moeten ze waar nodig extra laadplatforms speciaal voor bussen faciliteren. Wel kunnen de kennis en ervaring van busvervoer goed worden toegepast bij doelgroepenvervoer en vice versa.

De inzet van beleidsmedewerkers en inkopers rekenen we toe aan deze taak. De technische kennis die hierbij nodig is, kopen de provincies in als onderzoeksproduct en staat vermeld als materiële kostenpost in paragraaf 5.8. - Voor deze taak ramen we gemiddeld schaal 11 en 1,0 fte per provincie per jaar. 65

Daarbij is twee provincies per regio het gemiddelde. Er zijn ook regio’s met drie of juist maar één provincie.

57

De plannen voor zero-emissie bussen en doelgroepenvervoer zijn niet nieuw: ze zijn al vastgelegd in bestuursakkoorden in 2016 en 2018.66 Provincies komen nu in een nieuwe fase met minder nadruk op visievorming en meer op concrete aanpassing van contracten en laadinfrastructuur. Verder werken aan zero-emissie vervoer staat dan ook in het Klimaatakkoord en is dus opgenomen op de lijst van taken, die met de klankbordgroep is afgestemd. 3.8 Stimuleren deelconcepten Zowel gemeenten als provincies worden geacht om deelconcepten te stimuleren en te faciliteren. Dit vraagt overleg met partners, een duidelijke visie en eventueel vergunningen. Het ramen van extra capaciteit vanwege het Klimaatakkoord is niet eenvoudig. Provincies werken gemeenten al langer aan vergelijkbare (maar niet precies dezelfde) activiteiten. Deelconcepten zijn vaak onderdeel van een Mobility as a Service (MaaS) aanpak, die verder buiten het Klimaatakkoord staat. Deelconcepten dienen dan ook verschillende doelen: naast CO2reductie kunnen ze bijvoorbeeld ook de doorstroming verbeteren. Daarom rekenen we alleen nieuwe, specifieke projecten mee waar deelconcepten (vooral) klimaatdoelen dienen. Uit de dieptestudies kwamen vrij grote verschillen in aanpak en inzet naar voren. Sommige provincies focussen op deelfietssystemen; anderen stimuleren elektrische deelauto’s.

Mogelijk komen die voort uit verschillende plaatselijke omstandigheden en is in elke provincie een andere aanpak en inzet nodig. De taak is uitgevraagd in de uitvraag; we nemen het (geschoonde) landelijk gemiddelde van goed onderbouwde schattingen over. Dat kan recht doen aan plaatselijke verschillen. - De taak wordt uitgevoerd door beleidsmedewerkers in schaal 11 en vergt 1,0 – 1,4 fte per provincie per jaar. Omdat deelconcepten meerdere doelen dienen, is het mogelijk dat een deel van deze inzet al bekostigd is vanuit andere geldstromen; maar we kunnen niet ramen welk deel dat is. 3.9 Verduurzamen eigen mobiliteit Provincies moeten maatregelen treffen om de eigen mobiliteit te verduurzamen. Hierbij gaat het met name om het uitwerken van een visie op verduurzaming van eigen mobiliteit en het aanschaffen van duurzame voertuigen. Dit is een tijdelijke taak. Uit de dieptestudies is gebleken dat deze taak nauwelijks extra inzet vraagt van provincies. In tegenstelling tot gemeenten (reinigingswagens) en waterschappen (onderhoudswagens) hebben provincies een vrij klein eigen wagenpark. Bij het aanschaffen van dienstauto’s is het nauwelijks van belang of deze elektrisch zijn of niet. De personele inzet hiervan raakt twee groepen. Enerzijds is er een beleidsmatige kant om te bepalen welke vorm van mobiliteit het eerst wordt verduurzaamd en hoe dit raakt aan arbeidsvoorwaarden.

Dit is werk voor (junior) beleidsmedewerkers of HR-medewerkers. Anderzijds is er een uitvoerende kant die meestal bij de afdeling wagenparkbeheer ligt. De gemiddelde schaal van de twee groepen is schaal 10. - De taak wordt uitgevoerd door medewerkers in schaal 10 en vergt 0 – 0,2 fte per provincie per jaar.

IPO e.a. (2016) Bestuursakkoord Zero Emissie Regionaal Openbaar Vervoer Per Bus. Link. en Ministerie van IenW e.a. (2018) Bestuursakkoord Zero Emissie Doelgroepenvervoer. Link 66

58

3.10 Aanpakken onderwijstijden en hyperspits Om de (regionale) hyperspits aan te pakken, inventariseren provincies onder andere de mogelijkheden rondom de inrichting van onderwijstijden. Hiervoor is overleg nodig met partners zoals de Rijksoverheid, de NS of andere vervoerders. Ook moet er overleg worden gevoerd met onderwijsinstellingen. Tijdens de looptijd van het onderzoek is het zicht op deze taak sterk veranderd. Door de coronacrisis zijn provincies nu al intensief aan de slag met het veranderen van onderwijstijden. Daarom ramen we de benodigde inzet in een grote bandbreedte die begint bij 0 fte. De bovenkant van de bandbreedte omvat alle inzet die voor deze taak nodig is, ook als die deels andere doelen (zoals doorstroming of aanpak van de coronacrisis) dient. - De taak wordt uitgevoerd door beleidsmedewerkers in schaal 11 en vergt 0 – 0,5 fte per provincie per jaar. 3.11 Handhaven CO2-norm mobiliteit Het Klimaatakkoord beschrijft de invoering van een normstellende regeling om de effecten van werkgerelateerd verkeer en logistiek terug te dringen. Provincies zijn samen met gemeenten het beoogd bevoegd gezag om toezicht te houden op de naleving van deze norm. In de praktijk zullen zij deze taak bij omgevingsdiensten beleggen, zo verwacht ook het Klimaatakkoord, die toezicht houden op bedrijven met 100 werknemers of meer.

Omdat deze taak ver van gemeenten af staat, is de raming opgesteld samen met omgevingsdiensten. Zoals beschreven in paragraaf 4.3 ramen we voor deze taak gemiddeld 404 uur extra inzet per omgevingsdienst; elfduizend uur in totaal. Daarvan rekenen we de helft toe aan provincies.67 Dat delen we door 1.385 uur effectieve inzet per fte en door de twaalf provincies. - De taak wordt uitgevoerd door medewerkers van de omgevingsdienst in schaal 9 en vergt 0,4 fte per provincie per jaar

5.4

Industrie 4.1 Handhaven verbreding energiebesparingsplicht Bedrijven zijn wettelijk verplicht om energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of korter door te voeren. Provincies zijn het bevoegd gezag voor het verlenen van vergunningen hiervoor, het toezicht houden hierop en het handhaven hiervan bij grotere bedrijven. In de praktijk delegeren provincies deze taak naar omgevingsdiensten. Momenteel kan energiebesparing bij categorie C-bedrijven (bedrijven die een omgevingsvergunning milieu moeten hebben) alleen afgedwongen worden via een vergunningverlening, maar dit gaat onder de algemene regels vallen. De verwachting is dat hiervoor een Best Beschikbare Technieken (BBT) toets nodig zal zijn. Voor omgevingsdiensten is dit een relatief kleine uitbreiding omdat ze toch al controles uitvoerden, vaak door medewerkers van de omgevingsdienst in schaal 9. Theoretisch is de benodigde extra inzet dus beperkt: - De taak wordt uitgevoerd door medewerkers van de omgevingsdienst in schaal 9 en vergt 1,0 fte per provincie per jaar.

Bij gebrek aan preciezere cijfers gaan we er vanuit dat voor de helft van de gevallen een provincie het bevoegd gezag is en voor de helft van de gevallen een gemeenten. 67

59

In de praktijk geven omgevingsdiensten aan dat ze onvoldoende middelen hadden om de energiebesparingsplicht te kunnen handhaven. In dat geval zou de bovenstaande raming ook onvoldoende zijn. Het is niet aan ons om deze uitgangssituatie verder te onderzoeken, maar het is wel een implementatierisico. 4.2 Verlenen vergunningen CO2-maatregelen Deze taak omvat de vergunningverlening voor maatregelen die erop gericht zijn om aan de CO2-besparingsplicht te voldoen. Bij grote complexe bedrijven zoals chemiebedrijven kan het doorvoeren van deze maatregelen op zichzelf al gevaarlijk zijn, en dus vergunningsplichtig. Provincies geven aan dat ze het onwenselijk vinden om deze kosten door te berekenen in leges. Dat is een breed gedragen beeld dat lokaal beleid overstijgt. Niettemin is uitvoering van deze taak relatief zeldzaam. Er zijn niet veel bedrijven waarin de maatregelen zelf zo complex zijn dat ze vergunningsplichtig zijn. We gaan er vanuit dat dit speelt bij circa 1.600 bedrijven in Nederland68 en dat dergelijke maatregelen eens in de vier jaar worden doorgevoerd. Het als bij taak 3.11 schatten we dat 16% koploper is en slechts 0,5 uur verificatie vergt, 68% volger is en 8 uur voor toezicht via briefwisseling vergt, en 16% achterblijver is met 16 uur handhaven. Dat is samen ruim 3.200 uur voor alle provincies samen.

- De taak wordt uitgevoerd door medewerkers van de omgevingsdienst in schaal 10 en vergt 0,2 fte per provincie per jaar. 4.3 Inpassen warmtenetten in infrastructuur Bij het inrichten van warmtenetten neemt de industriesector een bijzondere plek in. Industrie is vaak een leverancier van warmte, en wordt er soms zelf op aangesloten. Deze taak verschilt daarom van het aansluiten van de gebouwde omgeving (vooral woningen).69 In het Klimaatakkoord is afgesproken dat provincies verantwoordelijk zijn voor inpassing van warmtenetten die warmte leveren aan de industrie. Zij hebben daarmee een regierol. Provincies geven aan dat er behoefte is aan een integraal zicht op de totale infrastructuur. Dat vraagt specifieke beleidscapaciteit. Samenwerking met de beleidsmedewerkers voor de gebouwde omgeving (geraamd bij taak 2.1) is mogelijk, maar toch is er een aparte contactpersoon voor de industrie nodig; die medewerker heeft andere kennis. - De taak wordt uitgevoerd door beleidsmedewerkers in schaal 11 en vergt 1,0 fte per provincie per jaar. In die toekomst zou deze taak groter kunnen worden als bijvoorbeeld waterstof een grotere rol gaat spelen. Voor nu nemen we dergelijke technologische ontwikkelingen nog niet mee.

5.5

Landbouw en natuur 5.1 Uitvoeren en monitoren programma veenweidegebied Als in de zomer de grondwaterstand van veenweidegebieden zakt, ontstaat oxidatie van het veen. Dit leidt tot bodemdaling en emissie van gassen als koolstofdioxide, stikstofgassen en methaan. In het Klimaatakkoord zijn afspraken gemaakt om dit tegen te gaan. Dat kan 68

Dit is het aantal bedrijven in Nederland met 500 medewerkers of meer (CBS, 2020, link). In de praktijk zullen er ook kleinere bedrijven zijn waar deze taak toch speelt, of grotere bedrijven waar de taak niet speelt.

69

Om dubbeltelling te voorkomen, rekenen we inzet om warmtenetten naar de industrie te coördineren altijd mee bij taak 4.3, en inzet om warmtenetten (over gemeentegrenzen heen) naar andere gebouwen de coördineren mee bij taak 2.1.

60

bijvoorbeeld door het grondwaterpeil te verhogen; maar dat betekent wel dat de grond minder geschikt wordt voor bijvoorbeeld landbouw. Provincies krijgen naar alle waarschijnlijkheid een grote rol bij de aanpak van veenweidegebieden. Hun precieze aanpak is nog onzeker. Die taken worden bepaald in een nationaal programma veenweide en regionale veenweidestrategieën. Voor het nationale programma is nu alleen de eerste fase (tot en met 2022) al in detail uitgewerkt 70 en de regionale veenweidestrategieën zijn nu niet gereed. Dat maakt de ramingen vrij onzeker. Uit de dieptestudies komt naar voren dat de programma’s veel inzet vergen. Enerzijds is er een uitvoerende kant: met boeren overleggen, hen helpen bij het herbestemmen van grond, en soms uitkoopregelingen. Dat vraagt inzet van medewerkers grondzaken, bedrijfscoaches, aan- en verkopers van gronden, en juristen. Anderzijds is er een beleidsmatige kant: programmamanagement, projectleider, beleid en communicatie, met regelmatige inzet van specialisten op gebied van bodemdaling, gasemissies en ruimtelijke ordening. Op dit moment gaan we er vanuit dat provincies het grootste deel van deze capaciteit voor hun rekening nemen. Dan gaat het om veel inzet, ook omdat er veel uitvoerend werk is.

Op basis van de dieptestudies en de uitvraag komen we tot de volgende raming: - De taak wordt uitgevoerd door een combinatie van beleidsmedewerkers en bedrijfscoaches, gemiddeld in schaal 10 en vergt 10 – 12 fte per provincie met veenweidegebied, per jaar. De aanpak van veenweide dient niet alleen de Klimaatdoelen, maar ook het tegengaan van stikstofuitstoot en bodemdaling. Het is dus denkbaar dat deze uitvoeringskosten ook deels vanuit andere geldstromen worden gefinancierd, maar dat is niet in scope van dit onderzoek. Ook de programmagelden (bijvoorbeeld voor aankoop van grond) zijn buiten scope. Voor de aanpak van veenweide is ook technisch onderzoek nodig (schattingen zijn circa € 40.000 gemiddeld per jaar per provincie). Er is al een landelijk onderzoeksbudget beschikbaar (in elk geval tot en met 2023) dus we nemen deze kosten niet mee als materiële kostenpost, met als assumptie dat er ook een regeling voor na 2023 komt. 5.2 Ondersteunen landbouwbedrijven Provincies en gemeenten ondersteunen landbouwbedrijven bij het verduurzamen van hun werkzaamheden. Hiervoor kan het ruimtelijk instrumentarium worden ingezet. Er wordt bijgedragen aan de sloop van stallen op locaties die meedoen aan de stoppers- en saneringsregelingen. Ook het verlenen van vergunningen aan de zuivelsector en glastuinbouw voor klimaatmaatregelen valt onder deze taak.

Afhankelijk van het type landbouwbedrijven in een provincie vergt deze taak meer of minder capaciteit. Veel provincies zetten enkele bedrijfscoaches in die in gesprek gaan met eigenaren van landbouwbedrijven. Omdat zij meerdere thema’s bespreken, waaronder het klimaat, rekenen we hun inzet beperkt toe aan deze taak. De schattingen van provincies over de hoeveelheid capaciteit voor deze taak lopen sterk uiteen. Dat weerspiegelt waarschijnlijk verschillende omstandigheden in het land: provincies met relatief weinig landbouwbedrijven hebben minder capaciteit nodig. De uitkomsten uit de

70

Ministerie van LNV (2020) Kamerbrief over inzet en maatregelen in de veenweidegebieden. Link

61

dieptestudies zijn daarom getoetst in de uitvraag en op basis daarvan iets naar beneden bijgesteld. - De taak wordt uitgevoerd door een combinatie van beleidsmedewerkers en bedrijfscoaches, gemiddeld in schaal 10,5 en vergt 3,6 – 4,8 fte per provincie per jaar. 5.3 Voeren van klimaatgericht natuurbeleid Door samen te werken met terreinbeheerders spannen provincies zich in om extra bos aan te planten. Ook moet de potentie voor de ontwikkeling van natuur en landschapselementen in combinatie met stedelijke ontwikkeling, energie en biodiversiteit in beeld worden gebracht. Een groot deel van deze taak zal bestaan uit het uitwerken van de bossenstrategie, waarbij het waarschijnlijk verplicht wordt om gekapte natuur te vervangen. Dit is nu nog niet verplicht, zolang deze wordt veranderd in een nieuw soort natuur. Voor de uitvoeringskosten van deze taak kijken we alleen naar de extra beleidscapaciteit op het provinciehuis. De inzet van uitvoerende terreinbeheerders ligt meestal bij aparte beheerstichtingen. De subsidies aan deze organisaties zijn niet in scope van dit onderzoek. Daarmee is de extra capaciteit bij provincies (waar al vrij veel beleidscapaciteit voor natuur was) niet veel groter dan die van een G4-gemeente (waar deze capaciteit nog moet worden opgebouwd). De uitkomsten van de dieptestudies zijn voorgelegd aan alle andere provincies in de uitvraag.

Daar werden deze uitkomsten breed herkend. - De taak wordt uitgevoerd door beleidsmedewerkers in schaal 11 en vergt 2,0 – 2,7 fte per provincie per jaar.

5.6

Elektriciteit In tegenstelling tot bij gemeenten, ramen we de inzet van provincies niet per project, maar voor de provincie als geheel. Dat komt omdat provincies vaker betrokken zijn in een coördinerende rol, die verschillende individuele projecten op elkaar afstemt. 6.1 Stimuleren zonneweides Om de doelen uit het Klimaatakkoord te halen moet er veel meer duurzame energie worden opgewekt. Bij zonneweides zullen gemeenten meestal het bevoegd gezag zijn, maar ook de provincie speelt hier een rol, bijvoorbeeld als grootschalige zonneweides over gemeentegrenzen heen lopen. Bij dergelijke projecten komt altijd een participatietraject kijken en moeten er afspraken gemaakt worden met belanghebbenden. Er moeten plannen gemaakt worden, aanbestedingen gedaan worden en vergunningen verleend worden. Als het project in ontwikkeling is, is er ook begeleiding nodig vanuit de provincie. In de dieptestudies hebben provincies aangegeven dat ze ook veel kleine, lokale initiatieven ondersteunen. Participatietrajecten zijn vooral een taak bij initiatieven uit de commerciële hoek, niet zozeer bij deze lokale initiatieven. Ook is aangegeven dat er waarschijnlijk een structurele capaciteit nodig is, waarmee continu lopende projecten kunnen worden voorbereid, uitgevoerd en begeleid.

- De taak wordt uitgevoerd door projectleiders en programmacoördinators in schaal 11 en vergt 1,6 – 2,2 fte per provincie per jaar.

62

6.2 Stimuleren windparken Bij windmolenparken zullen provincies vaker het bevoegd gezag zijn dan bij zonneweides. Toch is de verwachting dat de meeste inzet van provincies zich gaat richten op programmamanagement waarbij meerdere projecten op elkaar worden afgestemd, omdat de aantallen kleine windprojecten vrij groot zijn (zie paragraaf 4.6). Uit de dieptestudies komt naar voren dat de participatietrajecten bij windparken ingewikkelder zijn dan die van zonneweides. Daar staat echter tegenover dat er meer zonneweides komen dan windmolenparken (zie paragraaf 4.6). We ramen alleen extra inzet, bovenop de capaciteit die provincies in 2018 al hadden. De uitkomsten van de dieptestudies zijn gevalideerd in de uitvraag bij andere provincies. - De taak wordt uitgevoerd door projectleiders en programmacoördinators in schaal 11 en vergt 1,6 – 2,2 fte per provincie per jaar.

5.7

Ondersteunende processen De kosten van ondersteunende processen zijn grotendeels verwerkt met een opslag op de personeelstarieven. Zoals beschreven in paragraaf 2.4 kennen de HOT-tarieven een standaardopslag voor overhead; een vast bedrag van € 19.800 per medewerker. 71 In deze paragraaf verkennen we of er ergens meer of minder kosten zijn dan waar deze standaardopslagen rekening mee houden. 7.1 HR Uit het onderzoek komen geen signalen naar voren dat er bijzondere kosten rond het thema HR ontstaan die nog niet in de standaardopslagen zijn meegerekend. 7.2 Facilitair en ICT Uit het onderzoek komen geen signalen naar voren dat er bijzondere kosten rond facilitaire zaken of ICT ontstaan die nog niet in de standaardopslagen zijn meegerekend. Alle personele inzet komt normaal van beleidsmedewerkers die vanaf reguliere werkplekken op het provinciehuis werken. 7.3 Juridische zaken Uit het onderzoek blijkt dat er soms steun van juristen nodig is om de bovengenoemde primaire processen uit te voeren. Verschillende taken kennen een juridische component, zoals plannen en besluiten waar bezwaar en beroep tegen open staat en inzet van het ruimtelijk instrumentarium (straks de Omgevingswet). Waar deze juristen uitvoerend werk doen, is dat al in de ramingen opgenomen. Maar soms doen beleids- of projectmedewerkers het uitvoerend werk en geeft de juridische afdeling advies.

- Deze taak wordt uitgevoerd door gespecialiseerde juristen waarvoor we gemiddeld schaal 11,5 rekenen en vergt 0,8 – 1,0 fte per provincie per jaar. 7.4 Financiën en control Uit het onderzoek komen geen signalen naar voren dat er bijzondere kosten rond financiën en control ontstaan die nog niet in de standaardopslagen zijn meegerekend. Net als gemeenten zullen ook provincies vaak projectmatig werken, maar provincies in de dieptestudies hebben niet aangegeven dat daarvoor meer capaciteit aan projectcontrolling nodig is dan er al in de standaardopslag verwerkt is. 71

Voor een beleidsmedewerker in schaal 11 is dit een opslag van 27% op de loonkosten inclusief sociale lasten, pensioenen en dergelijke. Zie: Ministerie van BZK (2019) Handleiding Overheidstarieven 2020. Link, p. 6

63

7.5 Implementatiekosten Verreweg de belangrijkste implementatiekosten zijn de wervingskosten van nieuwe medewerkers. Net als bij gemeenten hanteren we als uitgangspunt dat de wervingskosten van een medewerker gemiddeld 15% - 25% van een jaarsalaris zijn, zie paragraaf 4.7. We berekenen deze wervingskosten door een opslag van 15 – 25% op de stijging ten opzichte van het vorige jaar van het alle personele kosten (de kosten van taak 1.1 tot en met 7.4, maar niet de opslag voor overhead en uiteraard ook niet de materiële kosten). Uit het onderzoek komen geen andere substantiële implementatiekosten naar voren. Dat komt vooral omdat de taken geleidelijk toenemen. Bovendien omvatten de taken veel beleidswerk, waarbij geen inrichting van machines, gebouwen of uitvoeringsprocessen nodig is.

5.8

Materiële kosten Materiële kosten omvatten de uitgaven die provincies nodig hebben voor hun eigen werkprocessen; vaak beleidsontwikkeling. Inhuur van telt niet als materiële kosten (die nemen we mee in de personele kosten van paragraaf 5.1 tot en met 5.7) maar inkoop van onderzoeksproducten wel. Net als bij gemeenten (zie paragraaf 4.8) zijn de materiële kosten van provincies moeilijk te ramen, door de grote onderlinge verschillen in definities en inhoudelijk aanpak. Daarom hanteren we een aantal stelposten met relatief grote bandbreedtes. Die stelposten omvatten ook eenmalige of repeterende kosten, die over een aantal jaar worden afgeschreven. Op basis van dieptestudies en de bijeenkomst zien we voor provincies we vier groepen materiële kosten: Onderzoek energiebehoefte, omgevingsonderzoek, procesbegeleiding bij inkoop en beleidsonderzoek. Voor provincies komt niet uit de dieptestudies naar voren dat een budget voor communicatiemiddelen noodzakelijk is. Provincies communiceren veel minder rechtstreeks met burgers dan gemeenten doen - niet in dezelfde orde van grootte als het energieloket van gemeenten bijvoorbeeld.72 Vergaderkosten en andere materiële kosten voor bestuurlijk overleg vallen onder de opslag voor overheadkosten. Ook de kosten voor onderzoek naar energiebronnen rekenen we alleen aan gemeenten toe.

Onderzoek energiebehoefte Provincies doen technisch onderzoek naar de energiebehoefte. Dit is nodig voor het actualiseren van RES’en. De assumptie hier is dat er elke twee jaar een onderzoek van € 100.000 tot € 140.000 nodig is naar de energiebehoefte. Daarbij gaan we er vanuit dat provincies de helft van deze kosten dragen; de andere helft ligt bij gemeenten in de regio. Let op: we ramen deze kosten per RES-regio (soms meer dan één per provincie) en schrijven de kosten af over twee jaar. - € 25.000 – € 35.000 per RES-regio per jaar.

72

De kosten daarvan rekenen we altijd aan gemeenten toe, ook als gemeenten in de praktijk samenwerken met de provincie, omdat de taak van het energieloket volgens het Klimaatakkoord bij gemeenten ligt.

64

Omgevingsonderzoek Provincies zijn ook verantwoordelijk voor omgevingsonderzoek. Dit geeft een ruimtelijke onderbouwing bij ingrijpende wijzigingen in de ruimte, bijvoorbeeld grotere windmolenparken of de aanleg van warmtenetten die gemeentegrenzen overstijgt. Te denken valt aan luchtonderzoek, watertoets, bodemonderzoek, flora- en faunaonderzoek en archeologisch onderzoek. De verwachting op basis van de dieptestudies is dat omgevingsonderzoek relatief hoge kosten met zich meebrengt. Het kan om relatief grote onderzoeken gaan die echter niet elk jaar in elke provincie nodig zijn. Dat maakt ze ook moeilijk te ramen, te meer omdat provincies nog niet ervaren zijn in het werken met de Omgevingswet. Wij ramen een stelpost met een relatief grote onzekerheid per jaar voor het gemiddelde over de periode 2022 – 2030. In werkelijkheid zullen de kosten voor een provincie jaarlijks wisselen, en kunnen ze ook gemiddeld hoger of lager uitpakken. - € 120.000 – € 180.000 per provincie per jaar. Procesbegeleiding bij inkoop busvervoer Bij het inkopen van zero-emissie busvervoer (taak 3.7) is specialistische kennis nodig. In dieptestudies hebben beleidsmedewerkers en inkopers van de provincies aangegeven dat ze niet alle technische kennis hebben om zero-emissie goed als inkoopeis bij de aanbesteding van het vervoer op te nemen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9995904/1