Rapport Uitvoeringskosten Klimaatakkoord decentrale overheden (bureau AEF 22-9-2020)
Tekst van het document
4.1
Overkoepelende taken 1.1 Monitoren en herijken RES Het monitoren en regelmatig herijken van de Regionale Energiestrategieën is een taak waar veel verschillende activiteiten voor nodig zijn. De RES’en moeten eens per twee jaar herijkt worden. Zoals besproken in paragraaf 2.4 gaan wij uit van de gemiddelde kosten over die twee jaar. Het monitoren van de uitvoering van de RES is een structureel proces. Gemeenten werken op twee niveaus om deze taak uit te voeren. Enerzijds leveren gemeenten capaciteit aan de RES-regio, waar naar verwachting regionale teams van 5 – 10 fte bezig zullen blijven met herijking op regionaal niveau. 20 Hun kosten worden verdeeld over gemiddeld ongeveer twaalf gemeenten en de provincie. Anderzijds is er lokale inzet, bijvoorbeeld lokale monitoring van de voortgang binnen de gemeente. In de dieptestudies konden veel gemeenten een schatting doen van de benodigde inzet omdat ze nu al werken aan het opstellen van RES’en.
Hun verwachting is dat het monitoren en herijken ongeveer tweederde van capaciteit vraagt die voor het opstellen nodig is, zeker in de eerste jaren.21 De taak wordt uitgevoerd door beleidsmedewerkers in schaal 11.22 - G4-gemeenten: 2 fte per gemeente per jaar - G40-gemeenten: 1 – 1,5 fte per gemeente per jaar - middelgrote gemeenten: 0,4 – 0,5 fte per gemeente per jaar - kleine gemeenten: 0,1 – 0,2 fte per gemeente per jaar 1.2 Vergoeden planschade Er kunnen situaties ontstaan waarin gemeenten vergoedingen moeten uitkeren aan bewoners of eigenaren als gevolg van ruimtelijke aanpassingen. Dat is een arbeidsintensief proces voor verschillende medewerkers (gemiddeld in elk geval schaal 10).
20
We rekenen hun inzet naar rato van aantal inwoners toe aan de deelnemende gemeenten, zie paragraaf 2.4. Het is overigens de vraag of het betreffende geld in de praktijk via de boekhouding van gemeenten loopt, zie ook paragraaf 5.1.
21
Dat komt omdat veel van de communicatie, participatie, onderzoek en besluitvorming op strategisch niveau (ook) tot deze taak wordt gerekend omdat die in het kader van herijking van een RES plaatsvindt. Deze taak is dus anders dan het opstellen van een RES, maar niet per se (veel) kleiner. Individuele projecten vallen wel onder andere taken.
22
Voor de G4 en G40 gemeenten is er ook inzet van goed opgeleide coördinatoren nodig, die hun kennis kunnen delen met de hele regio. Zij werken samen met hun eigen beleidsmedewerkers. Daarom ramen we voor die gemeenten schaal 11,5.
26
Uit de dieptestudies komt echter geen consequent beeld naar voren dat hier inzet voor nodig is. Het Klimaatakkoord omvat geen passages die noodzakelijkerwijs tot planschade leiden. Gemeenten verwachten bijvoorbeeld niet dat er voor laadpalen (of hun verdeelstations) bewoners hoeven te wijken. Bij grote zonneweides of windmolenparken is dat wel mogelijk, maar daar is het vergoeden van planschade in eerste instantie aan de projectontwikkelaar. Daarom ramen we op dit moment geen inzet voor deze taak. Voor de volledigheid wordt de taak wel vermeld; een latere herijking zou kunnen nagaan of er inderdaad geen substantiële inzet rond planschade ontstaat. - Alle gemeenten: 0 fte per gemeente per jaar
4.2
Gebouwde omgeving Aantallen wijken Een groot onderdeel van de pijler gebouwde omgeving is de wijkaanpak. Daarin worden wijkuitvoeringsplannen opgesteld en vervolgens uitgevoerd. We ramen de uitvoeringskosten daarvan per wijk. Daarbij rijst de vraag: wat is een wijk? Met een ‘wijk’ bedoelen we hier het schaalniveau waarop de wijkaanpak wordt uitgevoerd. Dat is normaal gesproken een geografisch afgebakend gebied. De aanleg van warmtenetten richt zich bijvoorbeeld op groepen woningen die dicht bij elkaar liggen. Op dit moment is het nog onzeker wat dat schaalniveau precies wordt. Gemeenten moeten hun opdeling in ‘wijken’ voor de wijkaanpak namelijk veelal nog (definitief) maken. Wel is duidelijk dat die schaal naar verwachting zal afwijken van definities die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) hanteert. Dat komt tot gemiddeld 2.484 woningen per ‘wijk’ (of 581 woningen per ‘buurt’).23 Die definities zijn echter opgesteld op basis van economische of demografische kenmerken; ze zijn niet per se een logische schaal voor de wijkaanpak.
24 De 27 wijken die meedoen aan de eerste tranche van Programma Aardgasvrije Wijken bestaan gemiddeld uit 666 woningen.25 Op basis van die indicatie en input uit de dieptestudies, uitvraag en bijeenkomst, ramen wij dat de wijkaanpak een schaal krijgt van gemiddeld tussen de 650 en 950 woningen per wijk.26 Aan het einde van de periode wordt de schaal wellicht groter, maar dat is nog onzeker en kunnen we nog niet ramen. In het Klimaatakkoord staat dat er in 2030 een ritme moeten zijn bereikt van jaarlijks 200.000 opgeleverde woningen. Uit de uitvraag kwam ook dat een wijkuitvoeringsplan gemiddeld 2 jaar kost om op te stellen en 6 á 7 jaar om uit te voeren. Van daaruit kunnen we terugrekenen hoeveel wijken een gemiddelde gemeente moet starten om de opgave te realiseren. De uitkomst van deze berekening is weergegeven in onderstaande tabel. Het groeipad en de onderlinge verdeling tussen gemeenten zijn gebaseerd op de uitvraag onder gemeenten. 23
Op basis van 3.177 wijken, 13.594 buurten en 7.9 miljoen woningen. Zie: CBS (2020) Kerncijfers wijken en buurten 2004-2020. Link en CBS Statline (2020) Voorraad woningen; gemiddeld oppervlak; woningtype, bouwjaarklasse, regio. Link
24
Bovendien zijn de CBS-definities niet altijd consequent: Volgens de CBS-definitie heeft Tilburg bijvoorbeeld wel 58 ‘wijken’ en 251 ‘buurten’, terwijl het bijna even grote Nijmegen slechts 9 ‘wijken’ en 44 ‘buurten’ telt.
25
Bron: Website Programma Aardgasvrije Wijken (2020) Huidige proeftuinen. Link.
26
De bandbreedte geeft de onzekerheid van de raming weer. Er wordt niet mee bedoeld dat alle wijken tussen de 650 en 950 woningen kennen, maar dat het landelijk gemiddelde zich ergens in die bandbreedte bevindt. Gebieden buiten de bebouwde kom kunnen ook als een ‘wijk’ tellen, net als gebieden met flats die enkele duizenden woningen omvatten.
27
Aantal wijken waar een gemiddelde gemeente start met het wijkuitvoeringsplan Jaar
G4 (4x)
G4 (40x)
Middelgroot (87x)
Klein (224x)
2022 - 2026
3,0 - 4,5 per jaar
0,9 - 1,3 per jaar
0,6 - 0,8 per jaar
0,2 - 0,4 per jaar
2027 - 2030
3,2 – 4,9 per jaar
1,2 - 1,8 per jaar
0,9 – 1,3 per jaar
0,4 – 0,6 per jaar
Doorlooptijd
2 jaar
2 jaar
2 jaar
2 jaar
Het aantal wijken dat een gemeente tegelijkertijd in uitvoering heeft, loopt met dit groeipad snel op. Elk jaar wordt er immers weer in nieuwe wijken gestart, terwijl de doorlooptijd van de uitvoering 6 jaar is. De onderstaande figuur geeft weer hoeveel wijken een gemeente volgens het bovenstaande schema tegelijkertijd in uitvoering heeft. Aantal wijken dat een gemiddelde gemeente tegelijk in uitvoering heeft Jaar
G4 (4x)
G4 (40x)
Middelgroot (87x)
Klein (224x)
2022
3,0 - 4,5 wijken
0,9 - 1,3 wijken
0,6 - 0,8 wijken
0,2 - 0,4 wijken
2023
6,0 – 9,0 wijken
1,8 - 2,7 wijken
1,1 - 1,7 wijken
0,5 - 0,7 wijken
2024
9,0 - 13,5 wijken
2,7 – 4,0 wijken
1,7 - 2,5 wijken
0,7 - 1,1 wijken
2025
12,0 – 18,0 wijken
3,6 - 5,3 wijken
2,2 - 3,3 wijken
1,0 - 1,4 wijken
2026
15,0 - 22,5 wijken
4,5 - 6,7 wijken
2,8 - 4,2 wijken
1,2 - 1,8 wijken
2027
18,2 - 27,3 wijken
5,7 - 8,5 wijken
3,7 - 5,5 wijken
1,6 - 2,4 wijken
2028
21,5 - 32,2 wijken
6,8 - 10,3 wijken
4,6 - 6,9 wijken
1,8 - 2,7 wijken
2029
21,7 - 32,6 wijken
7,2 - 10,7 wijken
4,9 - 7,4 wijken
2,0 - 2,9 wijken
2030
22,0 - 32,9 wijken
7,5 - 11,2 wijken
5,3 - 7,9 wijken
2,1 - 3,2 wijken
Deze cijfers zijn teruggerekend vanuit de veronderstelling dat in 2030 een ritme bereikt is waarmee jaarlijks 200.000 woningen wordt verduurzaamd.27 We kiezen ervoor om te rekenen vanuit het ritme en niet het doel van 1,5 miljoen woningen tot en met 2030.28 Daarin zit wel de assumptie dat alle woningen (woningequivalenten) binnen de wijkaanpak verduurzaamd worden.29 Bij een andere aanpak is het ook denkbaar dat er slechts een deel van de woningen binnen de wijkaanpak wordt verduurzaamd en dat er daarom (tot 2030) minder wijken in de wijkaanpak nodig zijn om toch het beoogde ritme te halen. Dat kunnen we niet ramen, maar in paragraaf 7.4 laten we wel zien wat er gebeurt bij andere assumpties. Hieronder staan per wijk de ramingen voor het opstellen en uitvoeren van wijkuitvoeringsplannen weergegeven.
27
Dat is precies het midden van de bandbreedte. De onzekerheidsmarge loopt van 160.000 tot 240.000 woningen per jaar. We gaan er daarbij vanuit dat in elk jaar van de zes jaar doorlooptijd precies 1/6e van alle woningen aan de beurt komt. Overigens betreffen de streefcijfers uit het Klimaatakkoord alleen woningen. Daarin is verdisconteerd dat er ondertussen ook andere gebouwen worden verduurzaamd.
28
Vanuit het doel van 1,5 miljoen kunnen we niet terugrekenen omdat we het groeipad over de jaren niet weten, en ook niet welk deel ervan in de jaren 2020 en 2021 (buiten scope van het onderzoek) wordt opgeleverd. Bovendien redeneert het onderzoek vanuit de uitvoeringspraktijk (het ritme), zonder te toetsen of outcome-doelen behaald worden, zie bijlage I.
29
Of beter gezegd: dat er net zoveel woningen (woningequivalenten) buiten de wijkaanpak toch verduurzaamd worden als dat er woningen binnen de wijkaanpak niet verduurzaamd worden. ‘Vrijwilligers’ buiten de wijken en ‘dwarsliggers’ binnen de wijken houden elkaar in evenwicht.
28
2.1 Opstellen wijkuitvoeringsplannen Het opstellen van wijkuitvoeringsplannen omvat de brede voorbereiding op de aanpak van een wijk. Dat omvat veel afstemming, communicatie en participatie samen met bewoners. Er bestaat nog veel onzekerheid over hoe wijkaanpak in het werk zal gaan. Dat kwam steeds naar voren in zowel de dieptestudies, de uitvraag als de bijeenkomst. Veel gemeenten geven aan dat ze wettelijke mogelijkheden missen om af te dwingen dat wijken aardgasvrij worden. Het is gemeenten (nog) niet toegestaan om de gaslevering eenzijdig stop te zetten. Tijdens het onderzoek is er een voorstel voor wijziging van de Warmtewet gepubliceerd dat de bevoegdheden van gemeenten uitbreidt30, maar het is nog onzeker hoe en wanneer die bevoegdheden er precies komen. Voorlopig gaan we er daarom vanuit dat de nadruk in de wijkaanpak ligt op het overtuigen van bewoners om zelf veranderingen aan de woning door te voeren. Dat betekent dat het opstellen van een wijkuitvoeringsplan relatief veel inzet vraagt rond communicatie en het betrekken van burgers. Daarnaast is er specifieke inzet nodig in projectcoördinatie, contacten met woningcorporaties en eventueel warmteleveranciers en beleidswerk om meekoppelkansen met andere ontwikkelingen te bewaken. Zoals hierboven beschreven, ramen we op basis van de uitvraag de gemiddelde looptijd van een plan op 2 jaar.
De ramingen gaan over de inzet gemiddeld over die periode. Dit is inzet van projectleiders, beleidsmedewerkers, communicatie- en participatiemedewerkers en soms deskundigen op het gebied van bouw, energie isolatie, financiën en dergelijke. We ramen een gemiddelde inzet in schaal 11 en bij de G4 en G40 gemeenten schaal 11,5.31 Op basis van de uitvraagresultaten ramen we de volgende inzet: - G4-gemeenten: 1,5 – 2,0 fte per gemeente per wijkuitvoeringsplan per jaar - G40-gemeenten: 1,2 – 1,8 fte per gemeente per wijkuitvoeringsplan per jaar - middelgrote gemeenten: 0,9 – 1,4 fte per gemeente per wijkuitvoeringsplan per jaar - kleine gemeenten: 0,8 – 1,1 fte per gemeente per wijkuitvoeringsplan per jaar Bij grotere gemeenten wordt er meer inzet geraamd per wijk dan bij kleine gemeenten. Dit is in lijn met wat gemeenten zelf aangaven in de uitvraag. Ten eerste zijn ‘wijken’ in de grote steden gemiddeld groter32 en ten tweede is de opgave in de grotere steden vaak complexer. Er zijn daar vaak oudere woningen die dichter op elkaar staan, en de bevolking kent relatief veel mondige en relatief veel kwetsbare burgers.33 Het is mogelijk dat de benodigde inzet per wijk naar verloop van tijd omlaag kan. Als zich meer kennis ontwikkelt, kunnen gemeenten de plannen wellicht efficiënter opstellen. Dergelijke leereffecten kunnen we nu echter nog niet ramen.
Paragraaf 4.9 gaat hier verder op in. Bovenstaande cijfers zijn dus (voor nu) de ramingen voor de gemiddelde inzet over de periode 2022 – 2030. Ook aanloopeffecten, waarbij de eerste wijkuitvoeringsplannen juist minder efficiënt worden opgesteld, kunnen we niet (apart) ramen.
30
Ministerie van EZK (2020) Wet collectieve warmtevoorziening internetconsultatie. Link
31
Voor de G4 en G40 gemeenten is er ook inzet van goed opgeleide coördinatoren nodig, die hun kennis kunnen delen met de hele regio. Zij werken samen met hun eigen beleidsmedewerkers. Daarom ramen we voor die gemeenten schaal 11,5.
32
Ter illustratie: in de eerste tranche van Programma Aardgasvrije Wijken, bestaan de deelnemende wijken van de G4gmeenten uit gemiddeld 987 woningen en de wijken van kleine gemeenten gemiddeld uit 554 woningen.
33
Uiteraard zijn er ook middelgrote gemeenten met relatief veel kwetsbare of veel mondige burgers, maar gemiddeld over het hele land weegt dit het sterkst in de grote steden.
29
2.2 Uitvoeren wijkuitvoeringsplannen en begeleiden bewoners Ook bij deze taak speelt de hierboven beschreven onzekerheid over de bevoegdheden die gemeenten krijgen. Deze taak kan om uiteenlopende activiteiten vragen, afhankelijk van het wijkuitvoeringsplan. In sommige wijken kan een warmtenet worden aangelegd en in andere wijken niet. In dat laatste geval moeten bewoners worden gestimuleerd om zelf ‘all electric’ oplossingen aan te leggen. Ook de staat van de woningen speelt een rol, net als de precieze warmtebron, de rol van corporaties en VvE’s in de wijk, enzovoorts. Toch komen uit analyse geen grote kostenverschillen tussen typen wijken naar voren, zie ook paragraaf 7.1. Waarschijnlijk wegen verschillende activiteiten redelijk tegen elkaar op: een warmtenet vraagt bijvoorbeeld meer technische begeleiding en een all electric wijk meer communicatie; per saldo komen beide wijken op dezelfde inzet uit. Ook speelt een waarnemingsprobleem: de onzekerheid over de wijkaanpak in het algemeen is zo groot dat het niet mogelijk is om nu al te differentiëren tussen (sub)typen wijken. Gemeenten geven aan dat er ongeveer twee fte per wijk per jaar nodig is. Dat is iets minder bij kleinere gemeenten en iets meer bij grotere gemeenten, zie ook taak 2.1.
Daarvan is ongeveer één fte gereserveerd voor projectleiding; de andere is voor inzet van specialisten op het gebied van communicatie, participatie, techniek en in sommige scenario’s juristen of bijvoorbeeld persoonlijk adviseurs die in een wijk de deuren langs gaan om advies op maat te geven. We ramen hun inzet gemiddeld op schaal 10,5. De ramingen zijn getoetst in de uitvraag en werden breed herkend. Niettemin hanteren we een onzekerheidsmarge omdat de precieze invulling nog zo onzeker is, afhankelijk van het type wijken dat in de periode 2022-2030 wordt opgepakt en de wettelijke ontwikkelingen. - G4-gemeenten: 2,2 – 2,7 fte per gemeente per wijkuitvoeringsplan per jaar - G40-gemeenten: 1,9 – 2,4 fte per gemeente per wijkuitvoeringsplan per jaar - middelgrote gemeenten: 1,9 – 2,4 fte per gemeente per wijkuitvoeringsplan per jaar - kleine gemeenten: 1,7 – 2,1 fte per gemeente per wijkuitvoeringsplan per jaar Het financieel effect hiervan is groot. Zoals hierboven beschreven, werken G4-gemeenten uiteindelijk aan de uitvoering van meer dan 20 wijken tegelijk. Het is denkbaar dat er tegen die tijd nog minder inzet nodig is,34 maar op dit moment hebben we geen gegevens die daarop wijzen. Deze aantallen zijn het gemiddelde over de doorlooptijd van zes tot zeven jaar. In de dieptestudies is gesuggereerd dat deze inzet min of meer constant blijft over tijd.
Er is al die tijd projectleiding nodig. In het begin wordt die meer ondersteund door participatiespecialisten en op het einde meer door technisch specialisten. Die aanname is echter onzeker. Er zijn immers nog geen ervaringscijfers van wijken die het hele proces hebben doorlopen. Daarnaast speelt net als bij taak 2.1 de mogelijkheid dat er bij latere wijken geleerd wordt van eerdere wijken, waardoor de benodigde inzet per wijk richting 2030 omlaag kan door leereffecten. Dat kunnen we echter nu nog niet ramen, zie ook paragraaf 4.9.
34
In de dieptestudies is wel het vergezicht geschetst dat de wijkaanpak ‘het nieuwe normaal’ kan worden, waarbij Nederlanders het als vanzelfsprekend gaan zien dat er op een dag een brief van de gemeente komt met de aankondiging dat hun wijk binnen bijvoorbeeld 8 jaar van het gas wordt afgesloten. Dan is er wellicht minder inzet nodig.
30
2.3 Samenwerken met woningcorporaties en VvE’s Samenwerking met woningcorporaties en Verenigingen van Eigenaars (VvE’s) omvat de inzet van gemeentebreed opererende beleidsmedewerkers. Dat kan er bijvoorbeeld toe leiden dat corporaties of VvE’s al beginnen met verduurzaming vóórdat zij aan de beurt zijn voor een wijkgerichte aanpak. De samenwerking bij het opstellen en uitvoeren van specifieke wijkuitvoeringsplannen valt onder taak 2.1. Uit de dieptestudies en uitvraag komen grote verschillen tussen gemeenten naar voren. Ten eerste verschilt het aantal en de kwaliteit van deze organisaties heel sterk tussen gemeenten. Ten tweede verschilt de aanpak. Sommige gemeenten werken vooral wijkgericht en nemen het benaderen van VvE’s mee in hun wijkaanpak. Andere gemeenten hebben nu al uitgebreide gemeentebrede voorlichtingsprogramma’s voor alle VvE’s, ongeacht in welke wijk zij zitten. AEF gaat er vanuit dat de geraamde inzet bij taken 2.1 en 2.2 toereikend is om VvE’s en corporaties vooral te begeleiden als onderdeel van de wijkaanpak. De gemeentebrede inzet kan dan relatief beperkt zijn; bijvoorbeeld overleg met enkele grote corporaties en het stimuleren van VvE’s die al stappen willen zetten voordat hun wijk aan de beurt is. Zo voorkomen we dubbeltelling. De hieronder genoemde cijfers zijn een landelijk gemiddelde van gemeenten met meer en minder corporatiebezit en VvE’s.
De taak wordt uitgevoerd door beleidsmedewerkers in schaal 11. - G4-gemeenten: 4,7 – 7,0 fte per gemeente per jaar - G40-gemeenten: 1,4 – 2,1 fte per gemeente per jaar - middelgrote gemeenten: 0,6 – 0,9 fte per gemeente per jaar - kleine gemeenten: 0,3 – 0,4 fte per gemeente per jaar 2.4 Uitvoeren vergunningverlening, toezicht en handhaving Deze taak omvat de vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) rond de verduurzaming van de gebouwde omgeving (zowel wijkgericht als gemeentebreed). Als woningen of utiliteitsbouw worden verduurzaamd, kan dat om VTH vragen. De benodigde extra capaciteit is naar verwachting beperkt. Ten eerste geven gemeenten in de dieptestudies aan dat ze verwachten dat de meeste verduurzaming niet vergunningsplichtig is: een warmtepomp aanleggen vraagt in principe geen vergunning. Ten tweede treedt binnenkort de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) in werking, die het bouw- en woningtoezicht deels privatiseert aan marktpartijen. Ten derde kunnen gemeenten leges heffen. Die kunnen in theorie de (overgebleven35) uitvoeringskosten volledig dekken. 36 Daarom ramen we op dit moment geen uitvoeringskosten voor deze taak. Er zijn wel situaties denkbaar waarin toezicht noodzakelijk is en het contraproductief of onhaalbaar is om die kosten volledig door te belasten in leges. Dan ontstaat werk voor vergunningverleners in schaal 9.
Maar uit de onderzoeksgegevens komt absoluut geen eenduidig beeld naar voren in welke situaties daar sprake van gaat zijn. Daarmee lijkt dit primair een lokale beleidskeuze en is er geen aanleiding om inzet te ramen. - Alle gemeenten: 0 fte per gemeente per jaar
35
Ook onder de Wkb blijven gemeenten toetsen op bestemmingsplan, bouwverordening en veiligheid; bijvoorbeeld voor onderstations bij verzwaringen van het elektriciteitsnet.
36
Overigens geven gemeenten aan dat het niet wenselijk is om de uitvoeringskosten helemaal door te belasten in leges, omdat ze het Klimaatakkoord juist willen stimuleren, maar dat is in principe een lokale beleidskeuze.
31
2.5 Verzorgen gemeentebrede communicatie (inclusief energieloket) Met ‘gemeentebreed’ wordt hier bedoeld dat een activiteit niet op een specifieke wijk gericht is, maar op alle inwoners van de gemeente. Zo stelt het Klimaatakkoord dat er een energieloket onder verantwoordelijkheid van de gemeente moet zijn. Maar ook gemeentebrede programma’s om bijvoorbeeld zonnepanelen op woningen te stimuleren, vallen onder deze taak. Gemeenten verschillen sterk in de communicatie die zij willen bieden. Zo kunnen gemeenten bijvoorbeeld samenwerken en een regionaal energieloket vormen. Het energieloket wordt soms een fysiek en intensief bemenst loket (liefst dichtbij een wijk in transitie, maar toegankelijk voor alle inwoners). Maar er zijn er ook gemeenten waar het loket alleen een website is, of een spreekuur eens in de twee weken op het gemeentehuis. Verder bieden sommige gemeenten informatiebijeenkomsten, advies en verduurzamingspakketten aan. Hoewel de precieze invulling kan verschillen, komt uit de dieptestudies wel naar voren dat er een substantiële gemeentebrede inzet (bovenop de wijkaanpak) nodig is. Dat beeld werd breed bevestigd in de uitvraag. Substantiële inzet voor deze taak zien we daarom niet als lokale keuze, maar noodzakelijk om het Klimaatakkoord goed uit te voeren. De inzet komt grotendeels van communicatiemedewerkers.
Dat is schaal 9 in de meeste gemeenten en schaal 9,5 in de grotere steden.37 - G4-gemeenten: 7,9 – 9,6 fte per gemeente per jaar - G40-gemeenten: 3,8 – 4,6 fte per gemeente per jaar - middelgrote gemeenten: 1,8 – 2,2 fte per gemeente per jaar - kleine gemeenten: 0,9 – 1,1 fte per gemeente per jaar 2.6 Verduurzamen eigen vastgoed Van overheden wordt gevraagd dat zij het goede voorbeeld geven en vooroplopen met het verduurzamen van hun eigen vastgoed, zoals het gemeentehuis. De personele inzet hiervan raakt twee groepen. Enerzijds is er een beleidsmatige kant om te bepalen welk vastgoed het eerst wordt verduurzaamd en hoe het effect van eventuele verbouwingen kan worden beperkt. Dit is werk voor (junior) beleidsmedewerkers. Anderzijds is er een uitvoerende kant die meestal bij de afdeling facility ligt. Beide kanten zijn tijdelijk; op basis van de dieptestudies ramen we tot en met 2025. De gemiddelde schaal van de twee groepen is schaal 10. - G4-gemeenten: 2,5 fte per gemeente per jaar - G40-gemeenten: 0,75 – 1,25 fte per gemeente per jaar - middelgrote gemeenten: 0,5 fte per gemeente per jaar - kleine gemeenten: 0,1 – 0,2 fte per gemeente per jaar Er is ook een kant van materiële kosten bij het verduurzamen van het eigen vastgoed. Paragraaf 4.8 gaat hier verder op in.
2.7 Verduurzamen maatschappelijk vastgoed Maatschappelijk vastgoed omvat gebouwen met een publieke functie, zoals scholen, musea, sportkantines en ziekenhuizen. Er komt een norm voor CO2-arme bouw, en het is aan de eigenaar om daar met steun van de gemeente aan te voldoen. Het verschilt per gebouw en per gemeente hoe groot die steun is. Soms is de gemeente zelf eigenaar van deze gebouwen,
37
Ten eerste liggen salarisschalen in de grote steden gemiddeld hoger. Ten tweede is de doelgroep in de grote steden moeilijker te bereiken, dus moeten zij vaker een beroep doen op specialisten rond gedrag, content en social media.
32
soms heeft de gemeente een subsidierelatie met de eigenaar, en soms heeft ze nauwelijks een formele relatie. Hoe directer de relatie, hoe meer inzet er van de gemeente nodig is. Uit dieptestudies komt naar voren dat een deel van het werk kan worden verricht door de bestaande formatie. Gemeenten hebben al beleidsmedewerkers voor bijvoorbeeld onderwijshuisvesting en sporthuisvesting. Die gaan zich meer op duurzaamheid richten. Tegelijkertijd is er wel extra behoefte aan capaciteit voor voorlichting en begeleiding om eigenaren te stimuleren hun vastgoed (snel) te verduurzamen, gemiddeld in schaal 11. De onderstaande cijfers zijn gevalideerd in de uitvraag. - G4-gemeenten: 3,6 – 4,9 fte per gemeente per jaar38 - G40-gemeenten: 1,1 – 1,5 fte per gemeente per jaar - middelgrote gemeenten: 0,5 – 0,7 fte per gemeente per jaar - kleine gemeenten: 0,3 – 0,5 fte per gemeente per jaar 2.8 Verduurzamen overige utiliteitsbouw Overige utiliteitsbouw omvat alle andere gebouwen die geen woonbestemming hebben, zoals winkels en kantoren. Hoewel dit een groot aantal gebouwen betreft, is de inzet van gemeenten hier aanzienlijk kleiner dan bij woningen. Dat komt omdat in het Klimaatakkoord is afgesproken dat er een duidelijke norm voor CO2-arme utiliteitsbouw komt, waardoor het initiatief hier sterker bij gebouweigenaren komt en minder bij de gemeente.
Bovendien is afgesproken dat het Rijk de communicatie hierover verzorgt. Gemeenten in de dieptestudies zien wel een rol voor (gemeentebreed opererende) beleidsmedewerkers die gebouweigenaren stimuleren en die de afstemming met de wijkaanpak en vergunningverlening, handhaving en toezicht bewaken. Kleinere gemeenten hebben daarmee relatief veel inzet. De taak wordt uitgevoerd door beleidsmedewerkers in schaal 11. - G4-gemeenten: 1 fte per gemeente per jaar - G40-gemeenten: 0,75 fte per gemeente per jaar - middelgrote gemeenten: 0,5 fte per gemeente per jaar - kleine gemeenten: 0,3 fte per gemeente per jaar Een ‘wijkaanpak’ voor bedrijventerreinen is denkbaar maar uit de dieptestudies komen geen voorbeelden van gemeenten die daar (nu al) capaciteit voor ramen. 2.9 Monitoren en herijken transitievisie warmte De transitievisie warmte moet worden gemonitord, en regelmatig worden herijkt.39 Het herschrijven zelf hoeft maar eens in de vijf jaar te gebeuren en vereist dus (gemiddeld over die vijf jaar) maar een beperkte hoeveelheid werk. Monitoring rondom transitievisie warmte vraagt wel substantiële inzet. Veel gemeenten zien de monitoring van de voortgang als een lichte vorm van programmamanagement van de hele pijler gebouwde omgeving. Daarom zijn de verschillen tussen grotere en kleinere gemeenten relatief beperkt.
Ook monitoring van de behoefte aan warmte kost tijd, vergelijkbaar met monitoring van de behoefte aan elektriciteit bij taak 1.1. De taak wordt uitgevoerd door beleidsmedewerkers in schaal 11. - G4-gemeenten: 1,0 – 1,5 fte per gemeente per jaar
38
De verschillen tussen de G4 en andere gemeenten is hier groter dan bij andere taken. De G4-gemeenten zijn gemiddeld drie keer zo groot als de G40-gemeenten, maar realiseren hier minder schaalvoordelen.
39
Het opstellen van de eerste transitievisie is een taak die in 2021 wordt afgerond. De inzet daarvoor rekenen we niet mee.
33
- G40-gemeenten: - middelgrote gemeenten: - kleine gemeenten: 4.3
1,0 – 1,5 fte per gemeente per jaar 0,3 – 0,5 fte per gemeente per jaar 0,25 fte per gemeente per jaar
Mobiliteit 3.1 Onderzoeken energiebehoefte laadinfrastructuur Gemeenten hebben samen met provincies de taak om de lokale behoefte voor laadinfrastructuur in kaart te brengen. Ook het verwerken van de uitkomsten hiervan in een integrale visie laadinfrastructuur, die elke twee jaar opnieuw wordt vastgesteld, rekenen we tot deze taak. Uit de dieptestudies komt naar voren dat gemeenten dat over het algemeen niet zelf kunnen en specialistisch onderzoek inkopen. De kosten van dit soort onderzoek nemen we mee als materiële kosten, zie paragraaf 4.8. De personele kosten van het aanbesteden en begeleiden van dit soort onderzoek, rekenen we wel mee, net als de beleidsmatige kant van afstemming met de netbeheerder, de aanvragers, ondernemers, inwoners en andere overheden. De beleidsmatige kant vraagt structurele inzet. De inzet rond aanbesteding en begeleiding van het onderzoek komt daar bovenop, maar is kleiner omdat gemeenten hierin regionaal kunnen samenwerken. De kosten daarvan rekenen we naar rato van alle inwoners toe aan elke gemeente in de regio en worden ‘afgeschreven’ over de twee jaar totdat er een nieuw onderzoek nodig is. Zo kwamen we tot uitkomsten van de dieptestudies. Die zijn getoetst in de uitvraag. Op basis van de (geschoonde) gemiddelde uitkomsten komen we tot de onderstaande raming. De taak wordt uitgevoerd door beleidsmedewerkers in schaal 11.
- G4-gemeenten: 1,1 – 1,6 fte per gemeente per jaar - G40-gemeenten: 0,6 – 0,9 fte per gemeente per jaar - middelgrote gemeenten: 0,2 – 0,3 fte per gemeente per jaar - kleine gemeenten: 0,1 – 0,2 fte per gemeente per jaar 3.2 Aansluiten bij de regionale aanbesteding voor laadinfrastructuur Het fysiek aanleggen van laadinfrastructuur wordt in principe uitgevoerd door marktpartijen. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor aanbesteding van het recht om (op plekken binnen de gemeente) laadinfrastructuur aan te leggen.40 Dan ontstaan uitvoeringskosten rondom het traject van aanbesteding en contractering. Ook het bijbehorende (plaatsings)beleid, op basis waarvan eisen en wensen voor aanbesteding tot stand komen, rekenen we tot deze taak. De Nationale Agenda Laadinfrastructuur werkt op dit punt de tekst uit het Klimaatakkoord verder uit. Daarin staat dat gemeenten moeten aanbesteden in negen samenwerkingsregio’s. De samenwerkingsregio’s ondersteunen gemeenten bij het opstellen en uitvoeren van een integrale visie en beleid. De personele inzet door de samenwerkingsregio’s rekenen we naar rato terug naar de deelnemende gemeenten. Daar komt de inzet bij gemeenten zelf bovenop. Uit de dieptestudies is gebleken dat aanbesteding vaak in deelgebieden plaatsvindt, soms op de schaal van een wijk. Met name in stedelijk gebied waar de druk op de openbare ruimte 40
De kosten of opbrengsten van deze ‘concessie’ zijn geen uitvoeringskosten en rekenen we niet mee. De kosten van het aanbestedings- en contracteringstraject zelf zijn wel uitvoeringskosten (en kunnen niet worden doorbelast aan de exploitant).
34
hoog is en er veel parkeervraagstukken spelen, is het veel werk voor gemeenten de aanbesteding zo te regelen dat openbare laadinfra goed geplaatst wordt. Ook het aansturen en afstemmen met de marktpartij vraagt veel tijd en zal in de aankomende jaren toenemen. De ervaring van G4-gemeenten is dat deze taak nu al 0,6 fte vergt en snel toeneemt tot gemiddeld 1 fte over de periode 2022 – 2030. Voor kleinere gemeenten is (door het ontbreken van schaalvoordeel) de inzet relatief nog iets hoger, maar ramen we lagere salarisschalen omdat het werk daar minder complex is. Het meeste werk ligt bij inkopers, bijgestaan door juristen en beleidsmedewerkers. We ramen gemiddeld schaal 11,5 voor G4- en G40-gemeenten, schaal 10,5 voor middelgrote gemeenten en schaal 10 voor kleine gemeenten. - G4-gemeenten: 1,0 fte per gemeente per jaar - G40-gemeenten: 0,2 – 0,4 fte per gemeente per jaar - middelgrote gemeenten: 0 – 0,1 fte per gemeente per jaar - kleine gemeenten: 0 – 0,05 fte per gemeente per jaar 3.3 Opstellen regionaal programma emissieloos in 2030 In het Klimaatakkoord staat dat gemeenten in samenwerking met provincies regionale programma’s opstellen waarin afspraken worden gemaakt over zoveel mogelijk emissieloos vervoer in 2030. Deze taak omvat het opstellen van die regionale programma’s en het borgen van de afspraken. De uitvoering ervan valt meestal onder andere taken.
Bij het opstellen van de programma’s hebben de provincies de regie. Gemeenten werken eraan mee en een rol om te overleggen met bestuurlijke en stedelijke partners. Uit dieptestudies komt naar voren dat de meeste gemeenten nog aan het begin van dit traject staan en nog geen goed beeld hebben hoe deze taak eruit gaat zien. Een uitzondering is de zuidvleugel van de Randstad, met Rotterdam, Den Haag en omliggende gemeenten. Op basis van hun ervaringen verwachten we dat het opstellen, afstemmen, onderhouden en borgen van het programmaplan voor middelgrote en kleine gemeenten hooguit driekwart dag in de week kost (0,15 fte). Daar komt nog uitvoering bij. De uitvoering betreft echter meestal taken die we apart hebben gedefinieerd. Het Klimaatakkoord noemt drie typen maatregelen die in de regionale programma’s staan: een duurzaam eigen wagenpark, duurzaam doelgroepenvervoer en stimuleringsmaatregelen voor elektrisch vervoer. Die eerste rekenen we apart mee bij taak 3.8 en de tweede is vooral aan provincies. Het derde, het stimuleren van elektrisch vervoer, kan (deels) door het stimuleren van deelconcepten (taak 3.7), maar uit de dieptestudies komt naar voren dat gemeenten soms iets verder zullen gaan en bijvoorbeeld voorlichtingscampagnes opzetten. De inzet daarvan is meestal klein, in de orde van grootte van 7 dagen elke twee jaar (0,02 fte) voor middelgrote gemeenten.
De taak wordt uitgevoerd door beleidsmedewerkers in schaal 11. - G4-gemeenten: 0,8 – 1,0 fte per gemeente per jaar - G40-gemeenten: 0,2 – 0,5 fte per gemeente per jaar - middelgrote gemeenten: 0 – 0,17 fte per gemeente per jaar - kleine gemeenten: 0 – 0,17 fte per gemeente per jaar Grotere gemeenten hebben iets meer inzet omdat ze directer schakelen met provincies.
35
3.4 Vormgeven zero-emissiezones In de G4 en G40 gemeenten worden zero-emissiezones vastgesteld die met ingang van 2025 voor goederenvervoer zullen gelden. Gemeenten hebben de taak om een voorstel en uitvoeringsplan voor zero-emissiezones uit te werken en voorlichting te verzorgen over de zero-emissiezones. De eerste voorstellen daarvoor moeten al in 2021 gereed zijn, maar uit dieptestudies komt naar voren dat gemeenten tot en met de invoerdatum verwachten inzet nodig te hebben om de precieze uitwerking te finaliseren. We gaan er vanuit dat de zones van kracht worden in alle G4-gemeenten en in 30 van G40gemeenten. In de dieptestudies konden we een goed beeld van deze taak opstellen omdat de betreffende gemeenten nu al aan de zones werken. De G4-gemeenten hebben al zero-emissiezones en onderzoeken momenteel hoe deze uitgebreid moeten worden. G40-gemeenten onderzoeken de impact van zulke zones op de stad en de mogelijkheden om meer draagvlak te creëren door met ondernemers tot alternatieven te komen voor bevoorrading zoals cargobikes en waterstofvoertuigen. Uiteindelijk worden de zones vastgelegd in plaatselijke regelgeving. Dit is vrij intensief werk voor projectteams van meerdere mensen. Het meeste werk ligt bij (junior en senior) beleidsmedewerkers, tegen het einde van het traject bijgestaan door juristen, gemiddeld in schaal 11.
- G4-gemeenten: 3,0 – 4,0 fte per gemeente per jaar - G40-gemeenten: 2,5 – 4,0 fte per gemeente (30 gemeenten) per jaar - middelgrote gemeenten: niet van toepassing - kleine gemeenten: niet van toepassing 3.5 Handhaven zero-emissiezones en CO2-norm We gaan er vanuit dat de (nieuwe) zero-emissiezones vanaf 2025 van kracht worden. Vanaf dat moment zijn de gemeenten verantwoordelijk voor handhaving van een zero-emissiezone. Die taak omvat monitoringsinstrumenten ontwikkelen, toezien op naleving, eventueel sancties opleggen en het handhavingsbeleid periodiek herijken. We rekenen geen inkomsten vanuit boetes, maar ook geen inzet of kosten voor incasso. 41 Uit dieptestudies (ervaringen van de G4 met hun huidige, kleinere zones en verwachtingen van de G40) komt naar voren dat het installeren en monitoren van camera’s de meest efficiënte manier is om de zones te handhaven. Dat brengt grote materiële kosten met zich mee (zie paragraaf 4.8) maar scheelt in personele inzet. Daarom is de verwachting dat alle activiteiten kunnen worden uitgevoerd door 1 fte (verdeeld over meerdere personen). Deze taak wordt in de praktijk vooral uitgevoerd door handhavers, met in enkele gevallen steun van beleidsmedewerkers of juristen. We ramen de inzet gemiddeld in schaal 7. Ook hier rekenen we met alle G4-gemeenten en 30 van de G40-gemeenten.
- G4-gemeenten: 1,0 fte per gemeente per jaar - G40-gemeenten: 1,0 fte per gemeente (30 gemeenten) per jaar - middelgrote gemeenten: niet van toepassing - kleine gemeenten: niet van toepassing
41
Het is onzeker hoeveel boetes er daadwerkelijk worden opgelegd en het is onzeker of deze financiële effecten voor rekening van gemeenten komen. Per saldo kunnen inkomsten uit boetes en kosten voor incasso tegen elkaar opwegen.
36
3.6 Extra aanpassen stedelijke infrastructuur Gemeenten inventariseren de benodigde infrastructuuraanpassingen vanuit het Klimaatakkoord. We rekenen alléén met wijzigingen die direct voortkomen uit taken die samenhangen met het Klimaatakkoord: het aanleggen van laadinfrastructuur, het faciliteren van zero-emissie doelgroepenvervoer, het stimuleren van deelconcepten en het inrichten van zero-emissiezones. Algemene aanpassingen aan de infrastructuur rekenen we niet mee, ook niet als die direct of indirect bijdragen aan CO2-reductie (bijvoorbeeld meer fietspaden). Uit dieptestudies komt naar voren dat gemeenten enige extra aanpassingen aan de infrastructuur verwachten naar aanleiding van bovenstaande taken. Het gaat vooral om het inrichten van specifieke laadpleinen en het inrichten van fysieke locaties waar deelconcepten beschikbaar zijn (bijvoorbeeld het verrijken van P+R’s). Van die twee rekenen we de helft toe aan deze taak; de andere helft zien we als algemeen mobiliteitsbeleid. Voor grotere gemeenten is er relatief veel inzet nodig omdat aanpassingen aan de infrastructuur daar vaker nodig zijn: er wordt gewerkt aan meerdere snellaadpleinen en deelconcepthubs tegelijk, en het aanleggen ervan binnen de omgeving is complex. Uit de dieptestudies kwamen geen verschillen tussen middelgrote en kleine gemeenten naar voren.
De taak wordt uitgevoerd door beleidsmedewerkers in schaal 11. - G4-gemeenten: 2,0 fte per gemeente per jaar - G40-gemeenten: 1,3 fte per gemeente per jaar - middelgrote gemeenten: 0,1 fte per gemeente per jaar - kleine gemeenten: 0,1 fte per gemeente per jaar 3.7 Stimuleren deelconcepten Zowel gemeenten als provincies worden geacht om deelconcepten te stimuleren. Daar delen verschillende gebruikers dezelfde wijze van vervoer. Dat kan bijvoorbeeld met deelfietsen, deelauto’s en apps. Van gemeenten vraagt het stimuleren en faciliteren ervan een goede visie op deelconceptenvervoer, overleg met partners en soms vergunningverlening. Aanpassing van de infrastructuur rekenen we apart mee bij taak 3.6. Het ramen van extra capaciteit vanwege het Klimaatakkoord is niet eenvoudig. Gemeenten werken al langer aan vergelijkbare (maar niet precies dezelfde) activiteiten. Deel-concepten zijn vaak onderdeel van een Mobility as a Service (MaaS) aanpak, die verder los van het Klimaatakkoord staat. Deelconcepten dienen dan ook verschillende doelen: naast CO2reductie kunnen ze bijvoorbeeld ook de doorstroming verbeteren. Daarom rekenen we alleen nieuwe, specifieke projecten mee waar deelconcepten vooral klimaatdoelen dienen. Gemeenten gaven in de dieptestudies aan dat deelmobiliteit van zowel auto’s als tweewielers fors gaat toenemen de aankomende jaren.
De gemeente heeft hier zowel een regierol als een initiërende rol in. Het gaat dan bijvoorbeeld om deelconceptmakelaars, het aanwijzen van deelparkeerplaatsen, stimuleren van gebruik van deelauto’s en het opstellen van regels voor het gebruik deelfietsen en scooters in de openbare ruimte. De taak wordt uitgevoerd door beleidsmedewerkers in schaal 11. - G4-gemeenten: 2,0 fte per gemeente per jaar - G40-gemeenten: 1,0 fte per gemeente per jaar - middelgrote gemeenten: 0,5 fte per gemeente per jaar - kleine gemeenten: 0,1 fte per gemeente per jaar Omdat deze inzet vooral klimaatdoelen, maar daarnaast ook andere doelen kan dienen, is het al bekostigd is vanuit andere geldstromen. We kunnen niet ramen welk deel dat is.
37
3.8 Verduurzamen eigen mobiliteit Gemeenten hebben maatregelen genomen om de eigen mobiliteit te verduurzamen. Hierbij gaat het met name om het uitwerken van een visie op verduurzaming van eigen mobiliteit en het aanschaffen van duurzame voertuigen. Uit dieptestudies blijkt dat dit tijdelijk42 meer capaciteit vraagt, zie paragraaf 6.3. De personele inzet hiervan raakt twee groepen. Enerzijds is er een beleidsmatige kant om te bepalen welke vorm van mobiliteit het eerst wordt verduurzaamd en hoe dit raakt aan arbeidsvoorwaarden. Dit is werk voor (junior) beleidsmedewerkers of HR-medewerkers. Anderzijds is er een uitvoerende kant die meestal bij de afdeling wagenparkbeheer ligt. De gemiddelde schaal van de twee groepen is schaal 10. - G4-gemeenten: 2,0 fte per gemeente per jaar - G40-gemeenten: 1,0 – 1,5 fte per gemeente per jaar - middelgrote gemeenten: 0,2 fte per gemeente per jaar - kleine gemeenten: 0,05 – 0,1 fte per gemeente per jaar 3.9 Klimaatneutraal inkopen Grond-, Weg- en Waterwerken Om uiteindelijk zo klimaatneutraal en circulair mogelijk te kunnen werken moeten gemeenten hun proces voor het inkopen van grond-, weg- en waterwerken (GGW) aanpassen. Deze transformatie vraagt extra capaciteit voor het opdoen van specifieke kennis en het verwerken van de nieuwe wensen en eisen in aanbesteding- en inkoopprocedures. Veel gemeenten staan nu nog aan het begin.
Op basis van een interview met Rijkswaterstaat (dat de transitie naar klimaatneutrale GGW-inkoop al doorlopen heeft) verwachten we dat inkopers enkele jaren extra kennis nodig hebben, en bovendien meer capaciteit omdat inkoopprocedures langer duren vanwege de aanvullende eisen die erin opgenomen worden. Op basis van de ervaring van Rijkswaterstaat en dieptestudies hebben we ramingen opgesteld die in de uitvraag getoetst zijn en op basis daarvan licht bijgewerkt. De taak wordt uitgevoerd door inkopers in schaal 10. - G4-gemeenten: 2,6 – 3,1 fte per gemeente per jaar - G40-gemeenten: 1,1 – 1,4 fte per gemeente per jaar - middelgrote gemeenten: 0,4 fte per gemeente per jaar - kleine gemeenten: 0,3 fte per gemeente per jaar Het is onzeker of deze taak structureel meer capaciteit vergt, of uiteindelijk in het reguliere proces kan worden verwerkt. Gemeenten gaven in de uitvraag aan dat zij verwachten dat vanaf medio 2025 het nieuwe inkoopproces geen extra capaciteit meer vraagt ten opzichte van de huidige methode van inkopen. Dat wijkt af van de ervaring van Rijkswaterstaat, dat structureel meer capaciteit nodig heeft. We gaan er echter vanuit dat de inkoopprocedures daar complexer zijn en dat gemeenten hun capaciteit kunnen afbouwen.
3.10 Handhaven CO2-norm mobiliteit Het Klimaatakkoord beschrijft de invoering van een normstellende regeling de effecten van werkgerelateerd verkeer en logistiek terug te dringen. Gemeenten en provincies zijn het beoogd bevoegd gezag om toezicht te houden op de naleving van deze norm. In de praktijk zullen zij deze taak bij omgevingsdiensten beleggen, zo verwacht ook het Klimaatakkoord, die
42
We doen daarbij de assumptie dat dit volgens hetzelfde tijdspad verloopt als bij waterschappen (waar het tijdspad in de uitvraag getoetst is).
38
toezicht houden op bedrijven met 100 werknemers of meer. Omdat deze taak ver van gemeenten af staat, is de raming opgesteld samen met omgevingsdiensten. Het CBS telde in augustus 2020 in totaal 8.025 bedrijven in Nederland met meer dan 100 werknemers.43 Verdeeld over de 29 omgevingsdiensten is dat gemiddeld 277 per dienst, waarbij we aannemen dat er gemiddeld 200 interessant zijn voor toezicht en dat die allemaal eens in de vier jaar onderwerp van toezicht zijn: dat komt neer op 50 per jaar. Omgevingsdiensten doen als assumptie: - 16% van deze 50 bedrijven is koploper en kost 0,5 uur inzet. - 68% van deze 50 bedrijven is volger en kost 8 uur inzet na een brief - 16% van deze 50 bedrijven is achterblijver en kost 16 uur handhaven Dat is gemiddeld 404 uur extra inzet door medewerkers van de omgevingsdienst in schaal 9. Daarvan rekenen we de helft toe aan provincies en de helft toe aan gemeenten. 44 Als we die inzet naar rato van inwoners aan de categorieën gemeenten terugrekenen, komen we uit op: - G4-gemeenten: 0,15 fte per gemeente per jaar - G40-gemeenten: 0,03 fte per gemeente per jaar - middelgrote gemeenten: 0,01 fte per gemeente per jaar - kleine gemeenten: 0,005 fte per gemeente per jaar
4.4
Industrie 4.1 Handhaven CO2-besparingsplicht Gemeenten zijn het bevoegd gezag bij het handhaven van de CO2-besparingsplicht voor kleinere bedrijven. Een deel van de gemeenten heeft deze taak ondergebracht bij de omgevingsdienst. Deze taak is een uitbreiding van de reeds bestaande energiebesparingsplicht. Bedrijven zijn nu al verplicht om energiebesparende maatregelen te treffen als die zichzelf binnen vijf jaar terugverdienen. In het Klimaatakkoord wordt deze plicht uitgebreid. In de praktijk valt ook het opwekken van energie nu onder deze plicht. Voor gemeenten of omgevingsdiensten is dit een relatief kleine uitbreiding omdat ze toch al controles uitvoerden, vaak door medewerkers van de omgevingsdienst in schaal 9. Theoretisch is de benodigde extra inzet is dus beperkt: - G4-gemeenten: 0,8 fte per gemeente per jaar - G40-gemeenten: 0,3 fte per gemeente per jaar - middelgrote gemeenten: 0,15 fte per gemeente per jaar - kleine gemeenten: 0,05 fte per gemeente per jaar In de praktijk geven omgevingsdiensten aan dat ze onvoldoende middelen hadden om de energiebesparingsplicht te kunnen handhaven. In dat geval zou de bovenstaande raming ook onvoldoende zijn. Het is niet aan ons om deze uitgangssituatie verder te onderzoeken, maar het is wel een implementatierisico, zie paragraaf 7.2.
43
CBS Statline (2020) Bedrijven; bedrijfsgrootte en rechtsvorm. Link
44
Bij gebrek aan preciezere cijfers gaan we er vanuit dat voor de helft van de gevallen een provincie het bevoegd gezag is en voor de helft van de gevallen een gemeente.
39
4.5
Landbouw en natuur 5.1 Aansluiten bij programma veenweidegebied De taken voor gemeenten rond veenweidegebied zijn nog onzeker. Die taken worden bepaald in een nationaal programma veenweide en regionale veenweidestrategieën, en in de jaren daarna worden de strategieën uitgevoerd, zie ook paragraaf 5.4. Ramingen voor die periode zijn dus onzeker. Uit interviews met experts en dieptestudies komt naar voren dat het meest waarschijnlijke scenario is dat provincies het voortouw gaan nemen, ook bij de uitvoering van de strategieën. Ook is het waarschijnlijk dat de strategieën zich vooral op landbouw en landelijke gebieden richten (hoewel ook de gebouwde omgeving deels op veenweidegebied ligt). In dat scenario is de inzet van gemeenten vrij beperkt. Gemeenten denken mee over maatregelen, zoals het verhogen van het grondwaterpeil en het stimuleren van andere vormen van landgebruik. Aangezien de eindverantwoordelijkheid en veel van de uitvoering bij provincies (en waterschappen) ligt, kan echter worden volstaan met de volgende inzet door (junior) beleidsmedewerkers in schaal 10. - G4-gemeenten: Niet van toepassing. - G40-gemeenten: 0,2 - 0,4 fte per gemeente per jaar - middelgrote gemeenten: 0,1 – 0,2 fte per gemeente per jaar - kleine gemeenten: 0,05 fte per gemeente per jaar Deze taak geldt alleen voor gemeenten die betrokken worden bij de programma’s.
Het is nog onbekend welke dat zijn. Onze assumptie is dat dit 120 gemeenten zijn.45 5.2 Ondersteunen landbouwbedrijven Gemeenten hebben een taak om landbouwbedrijven te steunen bij duurzame landbouw. Dat omvat het gebruik van het ruimtelijk instrumentarium. Voor varkenshouders zijn er in het Klimaatakkoord stoppersregelingen aangemerkt en voor glastuinbouw speelt de link met warmtenetten. Daarom verschilt de inzet per gemeente. Gemeenten met veel varkenshouders hebben andere kosten dan gemeenten met veel melkveehouders (zie ook paragraaf 7.1). Voor een goed landelijk gemiddelde maken we daarom gebruik van de uitvraagresultaten. Die zijn goed bruikbaar omdat de hoge respons een goede afspiegeling geeft van de inzet in verschillende typen gemeenten en de uitgevraagde schatting goed onderbouwd zijn. Veel stedelijke gemeenten hebben überhaupt nauwelijks boerenbedrijven. Daarom is de gemiddelde raming voor middelgrote gemeenten hier hoger dan voor de G40. De taak wordt uitgevoerd door beleidsmedewerkers in schaal 11. - G4-gemeenten: niet van toepassing - G40-gemeenten: 0,9 – 1,2 fte per gemeente per jaar - middelgrote gemeenten: 1,0 – 1,2 fte per gemeente per jaar - kleine gemeenten: 0,5 – 0,6 fte per gemeente per jaar
45
Dit aantal volgt uit de assumptie dat tweederde van de gemeenten in Friesland, Groningen, Overijssel, Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht meedoen. Waarschijnlijk doen in werkelijkheid minder gemeenten uit deze provincies mee, maar doen ook enkele gemeenten uit andere provincies mee.
40
Bij het Klimaatakkoord is opgemerkt dat de financiering voor deze taak (deels) al is geregeld via het Regeerakkoord.46 Daarbij speelt dat de varkensregeling meer doelen dient dan het Klimaatakkoord alleen: het gaat ook geurhinder tegen. Het is niet in scope van ons onderzoek om te bepalen voor welk deel deze financiering al is geregeld. 5.3 Vergroten areaal natuur (ook op eigen grond) De taak om het areaal natuur te vergroten, is moeilijk te scheiden van ‘reguliere’ taken die gemeenten al hadden. Weliswaar is er een duidelijke opgave – 1% meer bomen per jaar – maar die opgave kan deels worden bereikt door andere accenten te leggen bij grondexploitaties, klimaatadaptatie, en het ontwerp en onderhoud van de openbare ruimte. Dat kan binnen de reguliere formatie. Tegelijkertijd zijn gemeenten wel voornemens om vaker specifieke natuurprojecten te gaan ondernemen, zoals boomaanplantprojecten, ontwikkeling van stadsregionale parken en bosontwikkeling (in samenwerking met provincies). Dat vraagt vooral om beleidscapaciteit en in sommige gevallen ook om enige beheercapaciteit, gemiddeld in schaal 10.
We gaan ervan uit dat de capaciteit voor dergelijke projecten voor 50% is toe te rekenen aan het Klimaatakkoord en komen dan voor deze taak tot de volgende raming: - G4-gemeenten: 2,0 – 3,0 fte per gemeente per jaar - G40-gemeenten: 1,0 – 2,0 fte per gemeente per jaar - middelgrote gemeenten: 0,3 – 0,6 fte per gemeente per jaar - kleine gemeenten: 0,1 – 0,2 fte per gemeente per jaar 5.4 Aanpakken voedselverspilling Gemeenten die vooroplopen, ondernemen verschillende activiteiten. Zo streven ze naar convenanten met lokale supermarkten en restaurants, faciliteren ze particuliere initiatieven om overschotten naar kwetsbare inwoners te brengen en zetten ze communicatiecampagnes op. Dat is werk voor junior beleidsmedewerkers in schaal 10. Voor deze activiteiten maakt de omvang van de gemeente relatief weinig uit, dus de verschillen tussen grote en kleine gemeenten zijn hier relatief klein. In de praktijk wordt deze taak vaak uitgevoerd in samenhang met circulaire landbouw en economie, korte ketens en soms armoedebeleid. Maar alleen aanpak van voedselverspilling is deel van het Klimaatakkoord en rekenen we mee. - G4-gemeenten: 0,8 – 1,0 fte per gemeente per jaar - G40-gemeenten: 0,4 – 0,5 fte per gemeente per jaar - middelgrote gemeenten: 0,2 – 0,3 fte per gemeente per jaar - kleine gemeenten: 0,1 – 0,2 fte per gemeente per jaar
4.6
Elektriciteit Aantallen projecten De kosten voor (project)begeleiding van zonneweides en windmolenparken hangen af van het aantal projecten. Daarom speelt eerst de vraag om hoeveel extra projecten het gaat. Daarover zijn landelijk nog geen cijfers bekend. We hebben daarom in de uitvraag onder gemeenten gevraagd hoeveel projecten zij denken te starten. De onderstaande tabellen geven een raming gebaseerd op de gemiddelde uitkomsten van de uitvraag, met 20% onzekerheidsmarge naar boven en naar beneden, afgerond op één decimaal.
46
Coalitie Vitalisering Varkenshouderij (2019) Vitalisering Varkenshouderij en het klimaatakkoord. Link
41
Aantal extra zonneweides waar een gemeente jaarlijks mee start Jaar
G4 (4x)
G40 (40x)
Middelgroot (87x)
Klein (224x)
2022 - 2026
1,5 – 2,3 per jaar
1,5 – 2,2 per jaar
1,4 – 2,1 per jaar
1,1 – 1,7 per jaar
2027 - 2030
0,8 – 1,2 per jaar
1,2 – 2,8 per jaar
1,2 – 1,8 per jaar
1,1 – 1,7 per jaar
Doorlooptijd
3 jaar
3 jaar
3 jaar
jaar
Voor windmolenparken gaat het alleen om parken tot 5 Megawatt. Dat zijn de parken waar gemeenten het bevoegd gezag voor zijn. In de onderstaande cijfers van extra projecten is ook verdisconteerd dat gemeenten ook vóórdat het Klimaatakkoord werd gepubliceerd al windmolenprojecten begeleidden.47 Aantal extra windmolenparken waar een gemeente jaarlijks mee start Jaar
G4 (4x)
G40 (40x)
Middelgroot (87x)
Klein (224x)
2022 - 2026
0,6 – 0,9 per jaar
0,4 – 0,6 per jaar
0,2 – 0,4 per jaar
0,2 – 0,3 per jaar
2027 - 2030
0,4 – 0,5 per jaar
0,4 – 0,5 per jaar
0,2 – 0,3 per jaar
0,3 – 0,4 per jaar
Doorlooptijd
5 jaar
6 jaar
6 jaar
5 jaar
De verschillen tussen de verschillende categorieën gemeenten zijn niet groot: gemeenten met meer inwoners starten maar iets meer projecten dan gemeenten met weinig inwoners. Per hoofd van de bevolking hebben ze minder projecten. Dat komt omdat gemeenten met veel inwoners minder ruimte beschikbaar hebben. Wel ramen ze (daarom) meer capaciteit per project; zie hieronder taken 6.1 en 6.2. Net als bij de wijkaanpak ontstaat hier een cumulatief effect over tijd. Uit de uitvraag kwam naar voren dat de doorlooptijd van een windmolenpark gemiddeld 5 of 6 jaar is, en van een zonneweide 2 tot 3 jaar. Dat betekent dat een gemeente meerdere projecten tegelijk in uitvoering heeft. De onderstaande tabel geeft deze aantallen weer voor zonneweides. Aantal extra zonneweides dat een gemiddelde gemeente tegelijk in uitvoering heeft Jaar
G4 (4x)
G4 (40x)
Middelgroot (87x)
Klein (224x)
2022
1,5 - 2,3 zonneweides
1,5 – 2,2 zonneweides
1,4 - 2,1 zonneweides
1,1 - 1,7 zonneweides
2023
3,1 - 4,6 zonneweides
3,0 - 4,4 zonneweides
2,9 - 4,3 zonneweides
2,3 - 3,4 zonneweides
2024
4,6 - 6,9 zonneweides
4,4 - 6,6 zonneweides
4,3 - 6,4 zonneweides
2,3 - 3,4 zonneweides
2025
4,6 - 6,9 zonneweides
4,4 - 6,6 zonneweides
4,3 - 6,4 zonneweides
2,3 - 3,4 zonneweides
2026
4,6 - 6,9 zonneweides
4,4 - 6,6 zonneweides
4,3 - 6,4 zonneweides
2,3 - 3,4 zonneweides
2027
3,9 - 5,8 zonneweides
4,2 - 6,3 zonneweides
4,1 - 6,1 zonneweides
2,3 - 3,4 zonneweides
2028
3,1 - 4,7 zonneweides
3,9 - 5,9 zonneweides
3,8 - 5,8 zonneweides
2,3 - 3,4 zonneweides
2029
2,4 - 3,6 zonneweides
3,7 – 5,5 zonneweides
3,6 - 5,5 zonneweides
2,3 - 3,4 zonneweides
2030
2,4 - 3,6 zonneweides
3,7 – 5,5 zonneweides
3,6 - 5,4 zonneweides
2,3 - 3,4 zonneweides
47
Een factsheet van Nationaal Programma RES (2018, p. 5, link) laat zien dat vóór 2018 het aantal tWh vanuit wind op land toenam met 3 tWH over vier jaar. Na 2018 gaat dit naar verwachting toenemen met 14 tWH over vier jaar. We concluderen dat 21% van de projecten wordt begeleid door de bestaande formatie: 0,084 project per jaar gemiddeld per gemeente. Door de uitvraagresultaten met dat cijfer te verrekenen, kom we op de aantallen extra projecten. Voor zonneweides speelt dit niet: vóór ondertekening van het Klimaatakkoord begeleidden gemeenten niet of nauwelijks zonneweides.
42
De tabel hieronder geeft hetzelfde cijfer weer voor windmolenparken. Aantal extra windmolenparken dat een gemiddelde gemeente tegelijk in uitvoering heeft Jaar
G4 (4x)
G4 (40x)
Middelgroot (87x)
Klein (224x)
2022
0,6 – 0,9 windparken
0,4 - 0,6 windparken
0,2 – 0,4 windparken
0,2 – 0,3 windparken
2023
1,3 – 1,9 windparken
0,8 - 1,2 windparken
0,5 – 0,7 windparken
0,4 – 0,6 windparken
2024
1,9 - 2,8 windparken
1,2 - 1,8 windparken
0,7 – 1,1 windparken
0,6 – 0,9 windparken
2025
2,5 - 3,8 windparken
1,6 – 2,4 windparken
0,9 – 1,4 windparken
0,8 – 1,3 windparken
2026
3,1 – 4,7 windparken
2,0 – 3,0 windparken
1,2 – 1,8 windparken
1,1 – 1,6 windparken
2027
2,9 – 4,3 windparken
2,4 – 3,6 windparken
1,4 – 2,0 windparken
1,1 – 1,7 windparken
2028
2,6 – 3,9 windparken
2,3 – 3,5 windparken
1,3 – 2,0 windparken
1,2 – 1,7 windparken
2029
2,3 – 3,5 windparken
2,3 – 3,4 windparken
1,2 – 1,9 windparken
1,2 – 1,8 windparken
2030
2,1 – 3,1 windparken
2,2 – 3,4 windparken
1,2 – 1,8 windparken
1,3 – 1,9 windparken
Volgens deze raming (gebaseerd op zelfrapportage van de gemeenten) worden er tot 2030 circa 3.800 – 5.800 zonneweides en 1.000 tot 1.500 windmolenparken gestart met gemeenten als bevoegd gezag. Vanuit de energieopgave is dat denkbaar; programma RES verwacht dat er na 2022 nog 13 tWh gerealiseerd hoeft te worden48 en een grove schatting van ons is dat de projecten samen 9,8 tot 14,8 tWh zouden opleveren.49 Weliswaar komt een deel van windprojecten waar de provincie of het Rijk het bevoegd gezag zijn, maar aan de andere kant zullen er onvermijdelijk ook niet-geslaagde projecten tussen zitten. Het is tenslotte de vraag of zoveel projecten niet veel maatschappelijke weerstand oproepen (dat is een implementatierisico, zie paragraaf 7.2). 6.1 Stimuleren zonneweides Het stimuleren van zonneparken vraagt van gemeenten snelle vergunningverlening en projectbegeleiding. Gezien de grote energie-opgave waar Nederland voor staat, is het redelijk te verwachten dat gemeenten die uitvoeringskosten van vergunningverlening niet geheel doorberekenen in leges. De projectbegeleiding betekent inpassing in de ruimtelijke plannen en steun bij participatietrajecten. Ook is er enige capaciteit in de raming verdisconteerd om burgers te stimuleren om zelf te participeren in energiecoöperaties. Het begeleiden van een project is geen fulltime taak, gemiddeld over de looptijd van circa 6 jaar.
Dat komt ook omdat veel werk bij het energiebedrijf ligt. Er zijn gemeenten die ervoor kiezen om zelf energiepartij te worden en de weides in eigen beheer op te zetten, maar dat zien we als lokale beleidskeuze die niet noodzakelijkerwijs uit het Klimaatakkoord volgt. De mix van projectleiders en communicatie ramen we gemiddeld in schaal 10,5. - G4-gemeenten: 0,5 fte per gemeente per zonnepark per jaar - G40-gemeenten: 0,5 fte per gemeente per zonnepark per jaar - middelgrote gemeenten: 0,25 fte per gemeente per zonnepark per jaar - kleine gemeenten: 0,25 fte per gemeente per zonnepark per jaar In dieptestudies schatten de grotere gemeenten de benodigde capaciteit consequent iets hoger in dan kleinere gemeenten. Dat kan ermee te maken hebben dat er in de grote steden 48
Nationaal Programma RES (2019) Factsheet Zon-pv en wind op land, p. 5. Link
49
Uitgaande van 1.000 mWh gemiddeld per zonneweide en 6.000 mWh gemiddeld per windmolenpark, een grove schatting.
43
minder ruimte is, waardoor ruimtelijke inpassing complexer is en er meer mensen in de buurt van de weide wonen, wat meer aandacht voor participatie vraagt. 6.2 Stimuleren windparken Het stimuleren van windparken is qua activiteiten vergelijkbaar met het stimuleren van zonneweides. Ook hier ligt de nadruk op projectbegeleiding en is er een kleine inzet meegerekend om bewoners te stimuleren een energiebedrijf op te zetten. Het meeste projectwerk ligt niet bij een gemeente maar bij de energiepartij. Een verschil is dat windparken gemiddeld gezien iets complexer zijn en meer weerstand oproepen dan zonneweides. Daarom is de raming van de inzet per project hier iets groter. In tegenstelling tot taak 6.1 ramen we hier geen verschillen tussen grotere en kleinere gemeenten: Windmolens worden alleen in landelijke gebieden geplaatst; als grote gemeenten er al projecten mee starten, dan doen ze dat op de dunbevolkte delen van hun grondgebied. - G4-gemeenten: 0,5 – 0,8 fte per gemeente per windmolenpark per jaar - G40-gemeenten: 0,5 – 0,8 fte per gemeente per windmolenpark per jaar - middelgrote gemeenten: 0,5 – 0,8 fte per gemeente per windmolenpark per jaar - kleine gemeenten: 0,5 – 0,8 fte per gemeente per windmolenpark per jaar
4.7
Ondersteunende processen De kosten van ondersteunende processen zijn grotendeels verwerkt in een opslag op de personeelstarieven. Zoals beschreven in paragraaf 2.4 kennen de HOT-tarieven een standaardopslag voor overhead; een vast bedrag van € 19.800 per medewerker. 50 In deze paragraaf verkennen we of er op specifieke punten meer of minder kosten zijn dan waar deze standaardopslagen rekening mee houden. Zo ontstaan er meer kosten als ondersteunende medewerkers rechtstreeks meewerken in het primair proces, en minder kosten als medewerkers in het primair proces niet ondersteund worden. 7.1 HR Uit het onderzoek komen geen signalen naar voren dat er bijzondere kosten rond het thema HR ontstaan die nog niet in de standaardopslagen zijn meegerekend. Gemeenten benadrukken wel dat het werven van voldoende personeel een uitdaging is. Dat beschrijven we in meer detail bij taak 7.5 Implementatiekosten. 7.2 Facilitair en ICT De HOT opslag voor overhead houdt rekening met werkplekkosten voor medewerkers. De meeste personele inzet komt van beleidsmedewerkers die vanaf reguliere werkplekken op het gemeentehuis werken. Ook zijn er geen signalen dat de medewerkers bovengemiddeld veel ICT-ondersteuning nodig hebben. ICT’ers en vooral data-analisten spelen wel een rol bij monitoring, maar hun inzet is een primaire taak (geen bedrijfsvoeringsondersteuning) en al meegerekend bij taken 1.1 en 2.9.