CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering BOPA ontwikkeling Molenwei definitief

Gemeenteraad 9 oktober 2024, gemeente NissewaardBij agendapunt: Adviesrecht vervangende nieuwbouw 125 woningen Molenwei te Spijkenisse22.971 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De vergunningplicht is geregeld in artikel 5.1 tweede lid Ow en in het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal) in de paragrafen § 11.2.2 (omgevingsvergunning soorten vogelrichtlijn), § 11.2.3 (omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn), § 11.2.4 (omgevingsvergunning andere soorten) en § 11.2.5 (overige bepalingen omgevingsvergunning). In deze paragrafen worden vergunningplichtige en vergunningvrije activiteiten aangewezen. In ieder geval geldt de specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit. Deze zorgplicht komt er samengevat op neer dat maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 11.27 Bal).

38/87

Toetsing Onderzoek groenstrook Om inzicht te krijgen in het mogelijke voorkomen van beschermde soorten is in juni 2023 een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het rapport van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2. Hieruit blijkt dat negatieve effecten op beschermde soorten niet uit te sluiten zijn. Het gaat om vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (Boomvalk, Sperwer en Ransuil) en boombewonende vleermuizen (Ruige dwergvleermuis, Rosse vleermuis en Watervleermuis). Als de bomenrij aan de noordzijde behouden blijft en er geen langdurige werkzaamheden binnen 25 meter van deze bomenrij plaatsvinden zullen jaarrond beschermde nesten en verblijfplaatsen van vleermuizen niet worden vernield en/of verstoord. In dat geval is vervolgonderzoek naar deze soortgroepen niet noodzakelijk. Indien hier niet aan kan worden voldaan is vervolgonderzoek noodzakelijk naar deze beschermde soorten. Er wordt nader onderzoek verricht naar het voorkomen van vleermuizen in de bomenrij. Dit onderzoek loopt tot en met juni 2024. Dit onderzoek zal moeten uitwijzen of een omgevingsvergunning nodig is voor een flora & fauna activiteit. Als dit het geval is, is de verwachting dat deze verleend kan worden en aan hierin gestelde voorschriften voldaan kan worden. Onderzoek woningen Maasdelta heeft voor het woningbezit in Spijkenisse en Maassluis een Soortenmanagementplan (SMP) op laten stellen.

Ook Molenwei is hier onderdeel van. In de bebouwing binnen Molenwei zijn nestlocaties van huismussen en gierzwaluwen aangetroffen. Om deze bebouwing te mogen slopen, is een ontheffing op basis van de Wet natuurbescherming nodig. Met het SMP is een generieke ontheffing aangevraagd. Dit SMP is opgenomen in bijlage 3. De ontheffing is verleend op 10-10-2023 (bijlage 4). Op basis van het SMP is een ecologisch werkprotocol opgesteld voor Molenwei (bijlage 5). In dit protocol staat de werkwijze voor het ongeschikt maken van bebouwing voor vleermuizen, huismussen en gierzaluwen en het realiseren van tijdelijke voorzieningen en permanente verblijfsplaatsen voor de soorten. De tijdelijke voorzieningen zijn reeds getroffen. Dit bestaat uit de volgende tijdelijke voorzieningen:  72 vleermuiskasten  74 gierzwaluwkasten  72 huismuskasten Voor het plaatsen van de permanente voorzieningen wordt momenteel een aanpak opgesteld. Conclusie Er wordt voldaan aan de geldende natuurwetgeving. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

39/87

5.7

Ecologie: gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden Een BOPA-activiteit kan gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. Denk hierbij aan de depositie van stikstof in een Natura 2000-gebied maar ook aan andere gevolgen, bijvoorbeeld door geluid en licht die door de activiteit worden veroorzaakt. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de BOPA-activiteit significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. In veel gevallen kan worden volstaan met een voortoets. Als uit de voortoets blijkt dat de activiteit (al dan niet in combinatie met andere plannen of projecten) significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, zal een passende beoordeling moeten plaatsvinden. In dat geval zal een omgevingsvergunning voor een Natura 2000activiteit nodig zijn. In praktijk bestaat de voortoets in veel gevallen uit een Aerius-berekening waaruit zal moeten blijken dat de stikstofdepositie op een stikstofoverbelast Natura 2000-gebied in ieder geval niet toeneemt (0,00 mol/ha/j) of afneemt. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Een BOPA-activiteit kan ook gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld.

Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen (paragraaf 7.3.16). Bij het beoordelen van de gevolgen van de BOPA-activiteit op NNN-gebieden, zal moeten worden aangetoond dat:  de kwaliteit en oppervlakte van het Natuurnetwerk niet achteruitgaan;  de samenhang tussen de gebieden van het Natuurnetwerk wordt behouden; en  als binnen het natuurnetwerk activiteiten worden toegelaten, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurnetwerk, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven. Houtopstanden (bos) Mocht de BOPA-activiteit gevolgen hebben voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (dat wil zeggen: er moeten bomen worden geveld), gelden rijksregels uit het Bal. Bij vellen hoort een herplantingsplicht maar hierop bestaan uitzonderingen (zie artikel 11.111 Bal). Als de rijksregels voor vellen van toepassing zijn, is het vellen van houtopstanden verboden zonder eerst een melding te doen. Toetsing Gebiedsontwikkeling Er zijn geen instructieregels opgenomen in het Bkl voor het aspect ecologie. Het projectgebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Krammer-Volkerak ligt op circa 17 kilometer.

Het projectgebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)-netwerk. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN bevindt zich op een afstand van circa 770 meter (zie onderstaande afbeelding).

40/87

Figuur 5.6.1 Projectgebied (zwart omcirkeld) t.o.v. Natura 2000-gebieden

41/87

Figuur 5.6.2 Projectgebied (zwart omcirkeld) t.o.v. Natuurnetwerk Nederland-gebieden Stikstof Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op NNN- en Natura 2000-gebied op voorhand uitgesloten. Voor het onderzoeken van de mogelijke effecten op het nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied voor de realisatie- en gebruiksfase zijn AERIUSberekeningen uitgevoerd (zie bijlage 6). Uit de berekeningen blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de realisatie- en gebruiksfase van de ontwikkeling. Geconcludeerd kan worden dat er geen vergunning nodig is voor een Natura 2000-activiteit.

42/87

5.8

Luchtkwaliteit

Als een BOPA betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 µg/m3 of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering. Toetsing De ontwikkeling betreft de realisatie van woningen.

Artikel 5.51 (lid 1b en 1c) van het BKL is relevant, omdat de ontwikkeling voor een toename van de verkeersintensiteit veroorzaakt op de wegen en omdat de gemeente Nissewaard volgens de Omgevingsregeling in een aandachtsgebied zit voor zowel stikstofdioxide als fijnstof. In Artikel 5.53 van het Bkl staat dat aangetoond moet worden dat de activiteit niet leidt tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als fijnstof. Echter, in artikel 5.54 staat dat de realisatie van (maximaal 1.500) woningen standaardgevallen zijn die niet in betekenende mate luchtkwaliteit bijdragen. In de beoogde situatie worden 125 woningen gerealiseerd. De beoogde ontwikkeling valt onder de grens van 1.500 woningen. Met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit is de beoogde ontwikkeling in overeenstemming met de instructieregels van het Bkl. Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In artikel 2.4 en 2.5 van het Bkl staan de ten hoogste toelaatbare omgevingswaarden benoemd. De gemeente Nissewaard heeft nog geen Omgevingsvisie.

Ook geldt er geen provinciale omgevingsverordening ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. De landelijke wettelijke norm geldt als maximum. In de onderstaande figuur is een uitsnede opgenomen van de CIMLK viewer (2023) waarop te zien is waar het relevante toetspunt zich bevindt ten opzichte van het projectgebied. In Tabel 5.8.1 zijn voor het dichtstbijzijnde toetspunt en de meest actuele monitoringsronde de omgevingswaarden in beeld gebracht voor de meest relevante luchtverontreinigende stoffen.

43/87

Figuur 5.8.1 Uitsnede CIMLK viewer Tabel 5.8.1

concentratie

Toetspunt: Groene Kruisweg Monitoringsronde: 2023 Monitoringsjaar

NO2-concentratie

PM10-concentratie

PM10overschrijdingsdagen

PM2,5-concentratie

2025

21,8

15,4

6

8,0

2030

19,1

6

7,3

Ten hoogst toelaatbaar (art. 2.4 en 2.5 BKL)

14,7 3

3

40 0 µg/m 40 0 µg/m 35 dagen per kalenderjaargemiddel kalenderjaargemiddel kalenderjaar de de

25 µg/m3 kalenderjaargemiddel de

Uit de tabel blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen aan de projectlocatie toe te delen. GGD advies De GGD adviseert om gevoelige bestemmingen, waaronder woningen, op tenminste 25 meter van een drukke binnenstedelijke weg (meer dan 10.000 voertuigen per etmaal) te plaatsen. De Schenkelweg en de Groene Kruisweg zijn beiden drukke binnenstedelijke wegen en bevinden zich op een afstand van meer dan 25 meter tot aan de eerste woonblokken. Ondanks de afstand van meer dan 25 meter, blijft een gezond binnenmilieu belangrijk voor de gezondheid. De GGD adviseert een luchttoevoer van de mechanische ventilatie aan de schoonste zijde. Dit geldt ook voor het openen van ramen en/of roosters, wat aan de schoonste zijde moet worden geplaatst. De locatie inblaas is aangegeven in figuur 5.8.2 met een cirkel en bevind zich altijd op de achterste helft van de woning. De oriëntatie van het woonblok bepaald of dit dan ook de schoonste zijde is. Dit zou per blok verschillen

44/87

Te openen ramen zijn vereist bij iedere verblijfsruimte en komen daarmee dus ook voor aan de niet-schone zijde. Roosters zijn er niet, omdat er mechanisch wordt geventileerd. De dakramen zijn met opzet gesitueerd aan de schaduwzijde, zodat de zonzijde beschikbaar blijft voor PV panelen. De schaduwzijde is voor dit project tevens de zijde van de Schenkelweg en daarmee niet de schoonste. Alle belangen afgewogen is dit de meest optimale indeling.

Figuur 5.8.2: Aangegeven locaties inblaas. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

45/87

5.9

Geluid

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, lid 3, onder b en c Ow) stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Toetsing In bijlage 7 is het akoestisch onderzoek toegevoegd.

Hieruit blijkt dat:  voor een deel van de nieuwe woningen de standaardwaarde voor gemeentewegen wordt overschreden, maar de grenswaarde niet;  diverse maatregelen (bron- en overdracht) zijn onderzocht om de geluidbelasting te verminderen. Er is bestuurlijk draagvlak voor de maatregel om de wettelijke snelheid op de Groene Kruisweg te verlagen van 80 km/uur naar 50 km/uur. Omdat besluitvorming hierover verwacht wordt na het vaststellen van de BOPA is hier voor het gecumuleerd geluid en het gezamenlijk geluid nog niet op geanticipeerd;  voor de nieuwe woningen de voorkeursgrenswaarde voor industrieterreinen wordt overschreden, maar de maximale ontheffingswaarde niet;  voor de woningen met een overschrijding van de standaardwaarde kan het geluid aanvaardbaar worden geacht en toegelaten omdat de meeste woningen over een geluidluwe zijde beschikken en het gecumuleerde geluid overwegend als redelijk wordt beoordeeld;  maatregelen om de geluidbelasting vanwege industrieterrein Botlek-Pernis te reduceren niet mogelijk zijn, waardoor het laten vaststellen van een hogere waarde van 51 dB(A) voor 6 woningen nodig is. In het gecumuleerde geluid is sprake van een relevante bijdrage van industrielawaai en wordt overwegend als redelijk beoordeeld. De aanwezigheid van een geluidluwe gevel is onderzocht. Niet alle woningen waarop de standaardwaarde wordt overschreden beschikken hierover.

Ook na de voorgenomen verlaging van de wettelijke snelheid op de Groene Kruisweg blijft dit het geval. Omdat het merendeel van de woningen wel over een geluidluwe gevel zal beschikken en omdat er sprake is van voldoende leefomgevingskwaliteit voor de toekomstige bewoners wordt voorgesteld af te wijken van het aspect geluidluwe gevel voor deze woningen. GGD Advies De GGD adviseert om geluidgevoelige ruimte aan de zijde van de geluidluwe gevel te realiseren. Bij de uitwerking van het ontwerp is gestreefd naar het realiseren van geluidgevoelige ruimten aan de geluidluwe gevel (akoestisch optimale indeling). Op de begane grond geldt dat de woningen aan de voorzijde een keuken hebben en aan de achterzijde een woonkamer. Beide zijn verblijfsruimte en daarmee geluidgevoelig. Dit kan niet anders worden ingedeeld. Op de

46/87

eerste verdieping geldt dat de woningen aan zowel de voorzijde als aan de achterzijde slaapkamers hebben. Bij sommige grenst de badkamer en techniekruimte nog aan de gevel. Verblijfsruimtes hebben een spuimogelijkheid en daglicht nodig dus dienen aan een gevel gesitueerd te zijn. Een herindeling zou ten koste gaan van de kwaliteit van de slaapkamers. Een herindeling van de woningen blijkt dus niet doelmatig. Conclusie Het gezamenlijk geluid Lg ten behoeve van het berekenen van de benodigde gevelgeluidwering is weergegeven in bijlage 6 van het akoestisch onderzoek. Het gezamenlijk geluid is op de meeste woonblokken lager dan het cumulatieve geluid. Het gezamenlijk geluid volgens bijlage 6 van het akoestisch onderzoek wordt vastgelegd in de voorschriften bij de omgevingsvergunning. Voor het aspect industrielawaai wordt een besluit hogere waarden genomen.

5.10 Geur In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:  geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2);  geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3);  geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4);  geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Bal. In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het Bkl staan beoordelingsregels voor deze activiteiten. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Toetsing Binnen het projectgebied wordt geen geurhinder verwacht vanuit andere bedrijven.

47/87

5.11 Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het PR gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico (GR) is sprake van 'aandachtsgebieden'.

Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het GR is onder de Ow optioneel; het is niet meer verplicht om het GR te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:  beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl;  veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl;

48/87

 

veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).

Toetsing In artikel 5.2 van het Bkl staan instructieregels opgenomen m.b.t. risico's van branden, rampen en crises en het voorkomen, beperken en bestrijden ervan. Daarnaast staat in dit artikel dat de personen de mogelijkheid moeten hebben om zich in veiligheid te brengen en hulp te krijgen. Uit de informatie op de signaleringskaart blijkt dat het projectgebied zich buiten de aandachtsgebieden (gifwolkaandachtsgebieden, brandaandachtsgebieden en explosieaandachtsgebieden) van een buisleiding, spoor, vaarroute, weg en risicovolle inrichting bevindt, zie onderstaande figuur. Met de beoogde ontwikkeling worden geen risicovolle inrichtingen gerealiseerd. Er wordt voldaan aan de instructieregels van het Bkl.

Figuur 5.11.1 Uitsnede signaleringskaart, projectgebied zwart omkaderd

5.12 Trilling Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Toetsing Het projectgebied is gelegen in een woonwijk. Het dichtstbijzijnde spoor bevindt op een grote afstand. Er wordt geen trillingshinder verwacht.

49/87

5.13 Cultureel erfgoed Onder cultureel erfgoed valt: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Ow opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart.

Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Toetsing Cultuurhistorie In de omgevingsvisie wordt het plangebied gekenmerkt als het 'continueren van het bestaande cultuurhistorisch karakter'. Dat betekent dat de identiteit en kwaliteit van de oorspronkelijke ruimtelijke opbouw en de karakteristiek in zijn geheel behouden moet blijven. Daarnaast is het gebied in de welstandsnota aangewezen als themagebied van 'Het nieuwe bouwen' (CIAM), ook een cultuurhistorisch aspect. Dat is in de huidige opzet te zien door de aanwezige strokenverkaveling in plaats van gesloten bouwblokken. Op enkele plekken in de wijk liggen de (korte) blokken iets terug ten opzichte van de straat en hebben ze een kleine hoekverdraaiing ten opzichte van de weg-as. Hierdoor ontstaat ruimte voor openbaar groen aan de straat. Deze hoofdopzet met de positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing komt in versterkte vorm terug in het nieuwe plan.

Het nieuwe plan heeft grotendeels dezelfde bebouwingsstructuur als het bestaande plan, en blijft daardoor herkenbaar als de Molenwei. Door de verdraaiing van de zuidelijke blokken en het 'openen' van de wijk richting de Vierambachtenboezem wordt een eigentijdse laag aan dit cultuurhistorisch principe toegevoegd. Op architectonisch niveau wordt het gebied gekenmerkt door de enerzijds rijke detaillering uit de jaren '30, maar voor een groter deel de meer sobere architectuur uit de jaren 50. Deze simpele en ingetogen van de architectuur van de Delftse school is het leidende principe voor de architectonische uitwerking van het nieuwe plan.

50/87

Met het stedenbouwkundig plan (bijlage 9) is beoogd de zone langs de Vierambachtenboezem, met het gemaal aan de kop en daarachter de Molen, te activeren. Hoewel beide gebouwen geen monumentenstatus hebben geeft het beeld van deze gebouwen wel een bepaalde identiteit aan de boezem. Deze identiteit wordt in het nieuwe plan versterkt. Twee wat grotere blokken, die refereren aan de grotere blokken van gemaal en molen, staan losjes langs het water in een ruime strook openbaar groen. In de architectuur van deze blokken wordt ook deels verwezen naar het gemaal. Archeologie Ter plaatse van het projectgebied geldt een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie -2'. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk voor bodemingrepen die groter zijn dan 200 m 2 en dieper reiken dan 0,8 m -mv. Hiervan is sprake en daarom is een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 8. Voor het gehele plangebied geldt een onbekende archeologische verwachting voor vindplaatsen uit het Mesolithicum, Neolithicum en Bronstijd. Deze vindplaatsen kunnen aangetroffen worden op rivierduinen van de Formatie van Boxtel en onder het veen gelegen stroomgordelafzettingen van de Formatie van Naaldwijk (Laagpakket van Wormer) en/of Formatie van Echteld.

De verwachte vindplaatsen - voornamelijk kleine kampementen kenmerken zich door het voorkomen van onder meer haardkuilen, vuursteen, houtskool en (verbrand) bot. Voor het gehele plangebied geldt een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de Ijzertijd en de Romeinse tijd in de top van het veen (Formatie van Nieuwkoop) of op klei (Formatie van Echteld). De aanwezigheid van vindplaatsen uit deze periode is sterk afhankelijk van de mate van gaafheid van het veen. Voor vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen geldt een middelhoge verwachting. Voor de Nieuwe Tijd geldt een hoge verwachting. Afhankelijk van de mate van moderne verstoring kunnen mogelijk nog resten van bebouwing, percelering etc. aanwezig zijn. Het veldonderzoek heeft uitgewezen dat binnen 5,0 m -mv geen afzettingen aanwezig zijn van vóór de Ijzertijd. De verwachting voor resten in de top van het Hollandveen komt te vervallen omdat dit niveau is verdwenen door erosie. In de top van het Duinkerke I afzettingen is het wel mogelijk om resten aan te treffen uit met name de Romeinse tijd. De aanwezigheid van een geul in het noorden van het plangebied betekent dat het gebied mogelijk geschikt was voor onder ander bewoning. In de Middeleeuwen was het plangebied gelegen in een nat landschap, dat niet geschikt was voor bewoning.

In de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kon er wel weer gewoond worden, maar de top van deze afzettingen is verdwenen bij het bouwrijp maken van de wijk in de 20e eeuw. Enkel wanneer bodemingrepen dieper dan 2,0 meter onder NAP worden gedaan, dient nader onderzoek te worden uitgevoerd. Dit is enkel van toepassing voor de plekken waar het riool wordt vervangen. Voor de ingrepen in dit gebied, wordt een nader archeologisch onderzoek uitgevoerd. Conclusie Het aspect cultureel erfgoed vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

51/87

5.14 Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving:  regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2);  regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal);  regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4);  maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik.

Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Toetsing De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van woningen. Hierbij wordt een bouwactiviteit toegelaten op een bodemgevoelige locatie. De beoogde ontwikkeling is volgens artikel 5.89i van het Bkl een bodemgevoelig. In artikel 5.89i staat dat een omgevingsplan waarden bevat voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Deze waarden staan vermeld in de bruidsschat artikel 22.30. Door IDDS is een milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is getoetst aan de Wet bodembescherming (Wbb). Het rapport van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 10. Uit dit onderzoek blijkt dat de bodem bestaat uit klei en zand. De bodem ter plaatse van de Molenwei is sterk verontreinigd met koper, lood, nikkel, zink en PAK. Dit betekent dat niet wordt voldaan aan de toelaatbare waarde. Op basis van het historisch gebruik van de locatie zijn de aangetoonde verontreinigingen niet vreemd en liggen in lijn der verwachting. Er is sprake van een immobiele heterogene verontreinigingssituatie. Tevens zijn sterke verontreinigingen met diverse zware metalen aangetoond ter plaatse van een gedempte sloot.

De onderzoeksresultaten geven hiermee aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek. Voor gevallen van ernstige bodemverontreiniging geldt, vanuit voornoemde wetgeving, een saneringsnoodzaak (artikel 5.89k Bkl). Nader bodemonderzoek Op basis van het verkennend bodemonderzoek, is nader bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 11. Hier is onderzocht wat de omvang is en de mate van meerdere verontreinigingen met diverse zware metalen en/of PAK aan de Schoestraat en Kaarstraat. Hieruit blijkt het volgende:  De grond aan de Schoestraat is plaatselijk sterk verontreinigd met koper, lood, nikkel en zink. Er is hier sprake van een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem;  De aangetoonde sterke verontreiniging met PAK tijdens het verkennend onderzoek is niet terug gevonden

52/87

rondom boring 09. Er is hiermee geen sprake van een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem en er is vanuit de Wet bodembescherming daarmee geen saneringsnoodzaak; De grond aan de Schoestraat is plaatselijk sterk verontreinigd met koper. Er is hier sprake van een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem.

Met betrekking tot de sterke verontreinigingen met koper, zink, nikkel en PAK in de grond is er vanuit het omgevingsplan sprake van een saneringsnoodzaak. Figuur 5.14.1 geeft de verontreinigingscontouren weer. Het advies is om op basis van de inrichtingsplannen, de meest economisch efficiënte saneringsmaatregelen te treffen om de toekomstige herinrichtingsplannen mogelijk te maken. Momenteel wordt het saneringsonderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek wordt ook een PFAS-onderzoek meegenomen en wordt het loodgehalte gecontroleerd.

Figuur 5.14.1: Verontreinigingscontouren Schoestraat en Kaarstraat (bron: nader bodemonderzoek IDDS)

5.15 Water Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Daarnaast kan de weging van het waterbelang ook nodig zijn bij andere instrumenten. De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:  watercompensatie in verband met toenemende verharding;  waterkwaliteit, bebouwing niet wenselijk in verband met waterwinning;  bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken;  waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater, (Industriële) lozingen en of lozing oppervlaktewater.

53/87

Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Aanvullende instructieregels Voor een aantal specifieke Rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Deze zijn:  bescherming van primaire waterkeringen, artikel 5.38 Bkl;  behoud waterveiligheid kust, artikel 5.40 van het Bkl;  behoud waterveiligheid grote rivieren, artikel 5.46 van het Bkl;  IJsselmeergebied, artikel 5.49 van het Bkl. Een BOPA moet ook worden getoetst aan de instructies van de omgevingsverordening van het waterschap en de provincie. De gemeente of initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de uitwerking, mogelijke effecten en de te nemen maatregelen om aan te tonen dat wordt voldaan aan de normen. De gemeenten kunnen strengere normen opnemen in het omgevingsplan. Dit is altijd maatwerk en gebiedsafhankelijk. Toetsing Het projectgebied bevindt zich in het beheergebied van Hollandse Delta. Volgens artikel 5.37 van het Bkl dient rekening gehouden te worden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Veiligheid en waterkeringen Zoals in de onderstaande figuur te zien is, ligt een deel van het projectgebied in de beschermingszone van een waterkering. De tuinen van de oostelijke huizen liggen binnen deze beschermingszone.

Binnen de beschermingszone zijn er beperkingen om de stabiliteit en veiligheid van de waterkering te borgen. Hier zal een vergunning bij het hoogheemraadschap voor worden aangevraagd.

Figuur 5.15.1 Uitsnede legger Hollandse Delta met het projectgebied zwart omkaderd

54/87

Waterkwantiteit Ten zuiden van het projectgebied loopt een waterloop, zie onderstaande figuur. Deze watergang is aangesteld als kader richtlijn water (KRW). De beschermingszone van deze watergang bedraagt 5 meter. Werkzaamheden binnen deze beschermingszone zijn vergunningplichting. De werkzaamheden vinden plaats buiten de beschermingszone van deze watergang.

Figuur 5.15.2 Uitsnede legger Hollandse Delta met het projectgebied zwart omkaderd Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 1.500 m2 in landelijk gebied en 500 m2 in stedelijk gebied dient er volgens het huidige beleid van waterschap Hollandse Delta 14% van de toename aan functioneel open water gerealiseerd te worden als compensatie. Het projectgebied bevindt zich in een stedelijk gebied. In de onderstaande tabel is de toename van verharding uitgewerkt. De afname aan verharding bedraagt in de beoogde situatie 1577,5 m2. Er is geen watercompensatie benodigd.

55/87

Tabel 5.15.1 verharding huidige en toekomstige situatie

In het ontwerp van buitenruimte bij de nieuwbouw is rekening gehouden met de uitkomsten van de stresstest 'hevige regenval'. Het functioneel rioolontwerp voorziet in voldoende berging en afwatering, met op een enkele plek nog een uitwerkingspunt (voornamelijk daar waar het maaiveld wat lager ligt in de huidige situatie). Hiervoor zijn voldoende mogelijkheden binnen het huidige ontwerp. In overleg met de gemeente worden de uitwerkingen nader onderzocht binnen het functioneel rioolontwerp en het Inrichtingsplan Openbare Ruimte (IPOR), evenals dat de mogelijkheden worden beoordeeld op klimaatadaptatie in brede zin. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.

Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:  Hemelwater vasthouden voor benutting;  (In-) filtratie van afstromend hemelwater;  Afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater;  Afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Klimaatadaptatie Uit de onderstaande figuur kan worden afgeleid dat er een kleine kans bestaat op overstroming binnen het projectgebied (op een klein deel van het projectgebied 1x per 100.000 jaar en op een groot deel van het plangebied 1x per 1000 jaar). Doordat een deel van het projectgebied groen karakter krijgt is de kans op wateroverlast bij hevige neerslag en hittestress klein.

56/87

Figuur 5.15.3 Kans op overstroming (projectgebied zwart omcirkeld) Water en Bodem sturend De Kamerbrief 'Water en Bodem sturend' is voor dit plangebied zeer beperkt van toepassing. De kamerbrief is vooral van toepassing op uitleglocaties en, vanuit de geest van de brief, bij grootstedelijke verdichtingsopgaves. De herontwikkeling van de Molenwei ziet echter op vrijwel hetzelfde programma als de huidige bebouwing, met uiteindelijk minder verhard oppervlak. Het plan is daarmee vooral geënt op de huidige situatie en de optimalisatie daarvan waar mogelijk met betrekking tot water, bodem, hitte en biodiversiteit en natuurinclusiviteit. De maatlat 'Groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving' (zie https://klimaatadaptatienederland.nl/hulpmiddelen/overzicht/maatlat-groene-klimaatadaptieve-gebouwdeomgeving) wordt daarnaast gebruikt bij het maken van keuzes in het Inrichtingsplan Openbare Ruimte (IPOR) in samenwerking tussen gemeente en initiatiefnemer. De basis van het IPOR is de Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (LIOR) van gemeente Nissewaard, waarin verschillende ontwerpprincipes en uitwerkingsdetails al door de gemeente zijn afgewogen en opgenomen. Ook in het ontwerp van de bebouwing is rekening gehouden met de maatlat. Biodiversiteit en natuurinclusiviteit In Molenwei wordt meer groen toegevoegd door de noord-zuid gerichte groene loper in het midden van de wijk.

Daarnaast wordt de groenstructuur langs de Groene Kruisweg behouden. De groene loper vormt een verbinding tussen die groenstrook en de groen-blauwe structuur langs de Vierambachtsboezem. Het toevoegen van groen en de versterking van de groenstructuur draagt bij aan de biodiversiteit. De oostwest gerichte groene informele route voegt veel groen toe; hier worden vogelbosjes opgenomen met veel bessendragende beplanting. Daarnaast bouwen we natuurinclusief, met nestkasten voor al aanwezige vogel- en vleermuissoorten volgens de afspraken uit het Soorten Management Plan (SMP).

57/87

Droogte In het kader van droogte is het vasthouden van water van belang. Door het toevoegen van meer onverhard oppervlakte is er meer mogelijkheid voor water om in de bodem te infiltreren. Daarnaast wordt op meerdere plekken een straatprofiel toegepast met tussen de straat en de stoep groenstroken ten behoeve van wateropvang. Het vergroten van infiltratie mogelijkheden en het opvangen van water ten behoeve van infiltratie komt ten goede van de grondwatervoorraad, wat een bijdrage levert aan het tegengaan van droogte. Bodemdaling Op deze locatie zijn geen problemen, zoals funderingsproblemen ten gevolge van bodemdaling bekend. Er zijn geen extra maatregelen opgenomen. Om overlast te voorkomen bij de bestaande woningen langs de Schenkeldijk wordt een hydrologische berekening uitgevoerd van de effecten op de grondwaterstand. Hitte De meest bepalende factoren in hittestress zijn het aandeel bebouw oppervlak, verhard oppervlak en groen oppervlak. Door de transformatie van Molenwei wordt het aandeel bebouwd en verhard oppervlak verminderd en wordt het groen oppervlak vermeerderd. Ook worden er circa 20 bomen meer toegevoegd ten opzichte van de huidige situatie. Door het toepassen voor ruw gras en beplanting in grotere hoogtes, o.a. vogelbosje, komt er meer schaduw waardoor water langer in de bodem wordt vastgehouden. Neveneffect is dat er minder verdamping is, en dus minder droogte.

Ook draagt het toevoegen van bomen langs het voetpad bij aan schaduw. Ten zuiden van het centrale pleintje komt een boom van de 1e orde met veel blad die in de zomer zorgt voor schaduw op het pleintje. Deze ingrepen dragen bij aan de vermindering van hittestress. Daarnaast worden de woningen voorzien van bodemwarmtebronnen. Hittestress in huis wordt hiermee vermindert, gebruik makend van de koelende werking van de lagere bodemtemperatuur in de zomer. Gevolgbeperking overstromingen De wijk Molenwei ligt niet buitendijks en is daarmee geen specifiek overstromingsgevoelig gebied. Zoals aangegeven is er volgens de klimaateffectatlas een kleine kans op een overstroming met een diepte tussen 0,5 en 1,5 meter. Gelet op deze kleine kans worden er geen specifieke maatregelen genomen. Wel wordt door voldoende verschil in hoogte tussen het aanlegpeil en straatpeil, gezorgd dat water niet direct in woningen kan stromen in het geval van wateroverlast. Wateroverlast De groene loper vormt het groene hart van de wijk. Door de aanleg van dit groene gebied wordt het vasthouden en vertraagd afvoeren van hemelwater versterkt. Naast de aanleg van de groene loper, worden ook de straatprofielen zo groen mogelijk aangelegd. Daardoor is er in totaal een afname van 1577,5 m2 aan verhard oppervlak. Door deze afname is er meer onverhard oppervlak wat de infiltratie in de bodem versterkt.

In de uitwerking van het functioneel ontwerp blijkt dat bij klimaatbuiten van 70 en 90 mm in een uur er toch 'een water op straat situatie' ontstaat. Een oplossing hirevoor wordt nader onderzocht en uitgewerkt binnen het functioneel rioolontwerp en het Inrichtingsplan Openbare Ruimte.

58/87

5.16 Gezondheid Doel van de Ow is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden moet worden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Toetsing Een aantal van de omgevingsaspecten in dit hoofdstuk heeft een gezondheidscomponent. Uit de voorgaande paragrafen wordt duidelijk dat binnen het projectgebied sprake is van een relatief hoge milieubelasting die van invloed kan zijn op de gezondheidssituatie. Daarbij gaat het in het bijzonder om het aspect geluid. Rekening houdend met de in dat kader te treffen maatregelen en in de acht te nemen randvoorwaarden zoals die zijn beschreven in paragraaf 5.9, is de beoogde ontwikkeling vanuit gezondheidsoogpunt aanvaardbaar. Bij de genoemde omgevingsaspecten gaat het vooral om gezondheidsbescherming. Vanuit het oogpunt van gezondheidsbevordering is van belang dat er in de directe omgeving van het projectgebied veel groen en wandel- en fietspaden aanwezig zijn. Door de herstructurering van de wijk komt er meer ruimte voor groen en wandelpaden wat de gezondheid bevordert. Hiermee nodigt de omgeving van het projectgebied uit tot bewegen.

Daarnaast zijn ook alle benodigde voorzieningen op loop- en fietsafstand aanwezig, wat vanuit gezondheidsoogpunt positief wordt beoordeeld.

59/87

60/87

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch niet evident onuitvoerbaar is. Dit houdt in dat: 1. de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar mag zijn en 2. als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, het kostenverhaal verzekerd moet zijn.

6.1

Financiële uitvoerbaarheid

De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op de ontwikkeling van 125 sociale huurwoningen door Maasdelta. De initiatiefnemer realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De initiatiefnemer heeft aan de gemeente voldoende aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling financieel uitvoerbaar is. Daarmee is aan de eerste vereiste voldaan.

6.2

Kostenverhaal

Indien de BOPA nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk maakt is kostenverhaal aan de orde. Kostenverhaalplichtige activiteiten zijn opgenomen in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Onderstaande activiteiten zijn kostenverhaalplichtig: a. de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie; b. de bouw van een of meer hoofdgebouwen anders dan gebouwen met een woonfunctie; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woonfunctie; d. de bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder b is, met ten minste 1.000 m² brutovloeroppervlakte; e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een woonfunctie tot gebouwen met een woonfunctie, mits het ten minste tien woonfuncties betreft; of f. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze gebruiksfuncties, mits de cumulatieve bruto-vloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m² bedraagt. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op de realisatie van 125 woningen.

De bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie is op grond van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit aangewezen als kostenverhaalplichtige activiteit. Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd. Tussen initiatiefnemer en de gemeente is een overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal voor de ontwikkeling van de woningen verzekerd is. Het toevoegen van kostenverhaalvoorschriften in de vergunning is daarmee niet noodzakelijk. Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.

61/87

62/87

Hoofdstuk 7

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Het bevoegd gezag mag alleen een omgevingsvergunning voor een BOPA verlenen als aan de beoordelingsregels uit afdeling 8.1 van het Bkl wordt voldaan. Zo wordt de vergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl). In dit kader vindt in hoofdstuk 4 van deze motivering een toets aan de relevant Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid plaats. Hieruit volgt dat de ontwikkeling niet in strijd is met het relevante beleid. Er is in Nederland een grote vraag naar woningen, maar het aanbod is beperkt. Daarbij is vooral de vraag naar betaalbare woningen groot. Om aan te sluiten bij die behoefte streven Rijk, provincie en gemeenten ernaar dat tweederde van de nieuwe woningen betaalbaar zijn: op landelijk, provinciaal en regionaal niveau. In dit project wordt gelet op de grote behoefte aan betaalbare woningen ingezet op het vervangen van verouderde sociale huurwoningen en het toevoegen van sociale huurwoningen. Daarnaast moet in elk geval worden getoetst aan de instructieregels voor het omgevingsplan uit hoofdstuk 5 van het Bkl (artikel 8.0b, eerste lid, sub a van het Bkl) en de instructieregels in de verordening van de provincie voor het omgevingsplan (artikel 8.0b, eerste lid, sub b van het Bkl).

In hoofdstuk 5 van deze motivering is in de beoordeling van de gevolgen van het initiatief voor de fysieke leefomgeving beoordeeld of en hoe aan deze instructieregels wordt voldaan. Hieruit volgt dat de ontwikkeling niet in strijd is met het relevante beleid en dat er wordt voldaan aan de instructieregels. Bij de diverse omgevingsaspecten is een afweging gemaakt waarbij geconcludeerd is dat de ontwikkeling niet leidt tot negatieve effecten op de fysieke leefomgeving en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

63/87

64/87

BIJLAGEN

66/87

Bijlage 1 Participatieverslag

67/87

68/87

Participatieverslag nieuwbouw Molenwei Nissewaard Datum: Van: Betreft:

4 april 2024 Vastgoedontwikkeling Maasdelta Participatieverslag nieuwbouw Molenwei Nissewaard

Aanleiding project en doel participatieverslag Maasdelta is voornemens om in de buurt “Molenwei” in Spijkenisse 112 woningen te slopen, en hiervoor ca. 125 woningen terug te bouwen. Voor de nieuwbouw wordt een BOPA-procedure doorlopen. Onderdeel van deze procedure is een participatieverslag van hetgeen aan participatie/communicatie over de planvorming heeft plaatsgevonden tot aan indiening van de aanvraag van de BOPA. De planvorming voor deze locatie is actief in voorbereiding sinds 2022. Maasdelta heeft in oktober 2022 het besluit genomen voor de sloop- en nieuwbouw van het eigen bezit in de Molenwei. Hieraan voorafgaand heeft overleg plaatsgevonden met de gemeente over de hoofdlijnen voor eventuele nieuwbouw. Vanaf oktober 2022 is actief met de gemeente overlegd over de voorbereiding van de sloop/nieuwbouw, de bijbehorende RO-procedure en de daarbij behorende communicatie met de omgeving. In dit participatieverslag is opgenomen wat er vanaf oktober 2022 tot de indiening van de BOPA-aanvraag is gedaan aan (omgevings)communicatie. Omgeving De Molenwei in Spijkenisse is gelegen tussen de Groene Kruisweg en het centrum van Spijkenisse. De buurt ligt relatief dichtbij de ontsluitingswegen en dichtbij de historische molen ‘Nooitgedacht’ en het oude gemaal ‘De Leeuw van Putten’. 60% van de woningvoorraad in de buurt ‘Molenwei’ zijn huurwoningen van Maasdelta.

Dit zijn 112 woningen welke gebouwd zijn in de periode van 1950 tot en met 1953. De overige woningvoorraad is particulier bezit. Langs de randen van de buurt liggen nog enkele panden welke in gebruik zijn als bedrijfsgebouw. Het witte gebied in de foto hieronder betreft de 112 woningen van Maasdelta.

Projectgebied “Molenwei Spijkenisse”

Pagina 1 van 6

Het roze gebied hieronder betreffende de direct omwonenden van het plangebied die direct uitkijken op het plangebied. In de communicatie over de planvorming zijn deze bewoners direct geïnformeerd.

Directe omgeving/omwonenden project “Molenwei Spijkenisse”

Projectuitgangspunten Maasdelta heeft vanaf het begin van het project enkele uitgangspunten gehanteerd, die van invloed zijn op de mate van participatie en vorm van communicatie. Deze zijn hier toegelicht. In het volgende hoofdstuk staat hoe de communicatie verder is vormgegeven. 1. Al meerdere jaren was bij de prestatieafspraken besproken en in de begroting van Maasdelta opgenomen dat een grote ingreep in de Molenwei nodig was. De energielabels en kwaliteit van de woningen voldoen niet meer aan de maatstaven van deze tijd. Niets doen is geen optie. 2. Maasdelta heeft zelf het besluit genomen om de optie sloop/nieuwbouw verder uit te werken. Grootschalige renovatie is (technisch) wel mogelijk, maar brengt behoorlijke en ongewenste risico’s (technisch en financieel) met zich mee die niet zijn te verantwoorden met maatschappelijk geld. Daarnaast neemt de leefkwaliteit ook verder toe met sloop/nieuwbouw t.o.v. renovatie. Maasdelta heeft dit besluit genomen, en heeft hierover uitgebreid met bewoners over gecommuniceerd. 3. Bij de sloop/nieuwbouw is ‘buurtvernieuwing’ als leidend thema gekozen. De buurt moet straks weer aanvoelen als de Molenwei, en liefst nog wat beter. Dit thema is gekozen in overleg met de gemeente, uitgaande van de omschreven kwaliteit in de Omgevingsvisie: a.

Molenwei als plek met ‘continuïteit van cultuurhistorisch karakter’, en tegelijk als plek voor ‘Gezond wonen, ook in bestaande wijken’. b. Aan initiatiefnemers wordt gevraagd om hier bij planvorming rekening mee te houden. Het gaat dan om continuïteit van karakter: in het centrum bevinden zich diverse Pagina 2 van 6

4.

5.

6.

7. 8.

structuren die op zichzelf geen monumentale waarde hebben maar qua opzet en samenhang wel typerend zijn voor een bepaalde tijdsperiode. Ruimtelijke ontwikkelingen respecteren en/of putten inspiratie uit de kenmerken van deze structuren en het specifieke tijdsbeeld. Dit thema is niet verder met de omgeving besproken, maar als leidend principe wel verder uitgewerkt door het betrokken stedenbouwkundig bureau (Bureau Wissing). Toetsing hierop heeft tussendoor ambtelijk telkens plaatsgevonden. Het is straks aan de Welstand om hierover een advies te geven of dit voldoende/goed is uitgewerkt. De buurtvernieuwing komt ook terug in het nieuwbouwprogramma: ook hier is vooraf door Maasdelta, in overleg met de gemeente, gekozen voor behoud en verbetering van de huidige situatie. Enerzijds is er behoefte aan voldoende betaalbare woningen, anderszijds is er ruimte om wat meer te differentiëren in het woningaanbod binnen de bereikbare huur (sociaal en middenhuur). Daarnaast is er ook ruimte voor een kleine verdichting door het toepassen van andere woningtypes en het optimaliseren van de (openbare) ruimte: het aantal woningen kan van 112 naar ca. 125 worden verhoogd. Daarbij is hoogbouw / gestapelde bouw hoger dan 3 lagen ongewenst vanuit de ‘buurtvernieuwing’. Het programma wordt gebouwd voor de bereikbare huur. Er komen geen koopwoningen.

Dit stelt voorwaarden aan de (on)mogelijkheden voor de nieuwbouw: de woningen moeten betaalbaar blijven. In de verhuring krijgen uitverhuizende huurders als eerste de kans om weer terug te keren in de nieuwbouw. Maasdelta maakt echter geen maatwerkproducten voor de terugkerende huurders. Het programma is door Maasdelta bepaald op basis van haar vastgoedstrategie. Er wordt in de planuitwerking opgehaald bij belanghebbenden welke verbeteringen mogelijk zijn en of deze zijn in te passen in de nieuwe plannen. De volledige vernieuwing past niet binnen het huidige bestemmingsplan (voornamelijk qua bouwvlakken en bouwhoogtes). Hiervoor is een ruimtelijke procedure nodig waarbij de gemeente besluitvormend is.

Belanghebbenden Vanuit de context van het project is gekeken naar de mogelijke belanghebbenden. Deze belanghebbenden zijn vanuit initiatiefnemer Maasdelta Groep beredeneerd. De volgende belanghebbenden zijn meegenomen in de opzet van de participatie/communicatie: 1. Huidige bewoners 2. SHS (Stichting Huurdersraad Spijkenisse) 3. Direct omwonenden (rest Molenwei en stukje Voorstraat) 4. Gemeenteraad (commissies en raad) 5. College van B&W 6. Welstandscommissie 7. Inwoners van Spijkenisse Participatieladder Er is bewust voor gekozen om met een vast team van goede adviseurs te werken aan de planvorming. Bureau Wissing heeft het stedenbouwkundig plan gemaakt, houdt de supervisie op de kwaliteit van de woningen en maakt het Inrichtingsplan openbare ruimte. Geo Infra werkt alle civieltechnische onderdelen uit. Rho Adviseurs begeleid de BOPA-aanvraag en coördineert alle onderzoeken. Aannemer Dura Vermeer werkt samen met architect HDK Architecten het ontwerp van de woningen verder uit. Samen met de gemeente is het project zorgvuldig uitgewerkt, met zoveel mogelijk oog voor alle belangen van de belanghebbenden. Gelet op de uitgangspunten van het project, is gekomen tot onderstaande participatieladder voor de belanghebbenden bij het project Molenwei. De focus ligt daarbij op het helder ‘informeren’ en in beperkte mate ‘raadplegen’ van de meeste belanghebbenden.

De Welstandscommissie en de Pagina 3 van 6

gemeenteraad (adviesrecht) hebben een formele adviesrol aan het college van B&W. Alleen het college heeft daarmee een besluitvormende rol.

College B&W

Welstandscommissie, Gemeenteraad Bewoners, SHS, oud-bewoners en Raadscommissie Bewoners, omwonenden en overige inwoners van Spijkenisse

Participatieladder bij project “Molenwei Spijkenisse”

Participatieproces Vanaf oktober 2022 is actief gecommuniceerd over het sloop/nieuwbouwplan. Daarna zijn de volgende communicatiemomenten geweest per belangengroep: 1. Huidige bewoners (huurders Maasdelta) a. Oktober 2022: informatieverstrekking per brief over het voornemen om de buurtvernieuwing uit te voeren met sloop/nieuwbouw. b. Januari 2023: informatieverstrekking per brief met nadere uitleg over de sloopplannen en de uitwerking van de nieuwbouw c. Juni 2023: informatieverstrekking per brief: bevestiging van de planning van het sloopbesluit, en uitnodiging voor een informatiebijeenkomst in juni 2023. d. Juni 2023: informatiebijeenkomsten voor alle bewoners van de Maasdelta-woningen uit de Molenwei: bijeenkomsten waarin een toelichting wordt gegeven op de sloop- en nieuwbouwplannen, de Herhuisvestingsregeling en waar ruimte is voor vragen. e. Augustus t/m september 2023: individuele gesprekken met bewoners uit sloopfase 1 over begeleiding naar een nieuwe woning. f. Nog volgend: huurders worden ook geïnformeerd zodra meer bekend is over het nieuwbouwprogramma en de mogelijkheid van terugkeer. Dit volgt tegelijkertijd of na vaststelling van de BOPA-vergunning. g. Oktober t/m november 2024: individuele gesprekken met bewoners uit sloopfase 2 over begeleiding naar een nieuwe woning. 2. Oud-bewoners Molenwei a.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14517735/3