ETFAL (Ruimtelijke onderbouwing)
Tekst van het document
Artikel 7.47b (voldoende betaalbare woningbouw) 1. Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende betaalbare woningbouw. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan 2/3 betaalbare woningbouw of wat hierover is vastgelegd in de afgestemde regionale behoefte als bedoeld in artikel 7.44. 2. Een omgevingsplan als bedoeld in het eerste lid gaat in de motivering in op welke wijze de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in voldoende betaalbare woningbouw en hoe die stedelijke ontwikkeling bijdraagt aan 2/3 betaalbare woningbouw.
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
3.
Als over het aandeel betaalbare woningbouw regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd, dan kan de motivering bedoeld in het tweede lid, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken.
Beoordeling § 7.3.6a Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen Artikel 7.41a (risico’s van klimaatverandering) In de uitwerking van het ontwerp wordt rekening gehouden met de risico’s van klimaatverandering. Dit is nader uitgewerkt in de planbeschrijving in paragraaf 2.2 en in paragraaf 3.1.14 (ten aanzien van duurzaamheid en klimaat adaptief bouwen). Artikel 7.41aa (toekomstbestendig bouwen van woningen) Het plan maakt de realisatie van in totaal 124 woningen mogelijk waardoor de mogelijkheden en kansen voor toekomstbestendig bouwen betrokken dienen te worden. Bij toekomstbestendig bouwen gaat het erom dat voor de inwoners op dit moment een gezonde en veilige woonomgeving wordt gecreëerd en dat deze woonomgeving ook duurzaam is, zodat wordt voorzien in de behoefte van toekomstige generaties. Om dit te bereiken is het nodig om klimaatadaptief, circulair/biobased, met gunstige invloed op het totale energiesysteem, emissieloos, natuurinclusief en gezond en veilig te bouwen. In de omgevingsverordening zijn geen bouwregels voor de (concrete bouwactiviteit) opgenomen. Daarvoor gelden landelijke en gemeentelijke regels. Met de opgenomen instructieregels voor het omgevingsplan wil de provincie stimuleren dat in de planvormingsfase al nagedacht wordt op welke wijze de bouw van woningen toekomstbestendiger kan worden gemaakt, meer dan door alleen te voldoen aan de huidige (bouw)regels.
Bij het ontwerp van het woningbouwplan HWS I is derhalve op integrale wijze met de afzonderlijke duurzaamheidsthema’s rekening gehouden. Door middel van een groenblauw ingerichte daktuin op de parkeergarage, met ruimte voor groter groen, biodiversiteit en waterberging, wordt beoogd wateroverlast te voorkomen, hittestress te beperken en droogte tegen te gaan. De woningen worden gasloos opgeleverd en voor het opwekken van energie zullen er op de hogere daken PV panelen (zonnepanelen) geplaatst worden. Gelet op de beperkt beschikbare ruimte rondom het gebouw voor de benodigde bouwwerkzaamheden wordt onderzocht welke verschillende prefab methodieken beschikbaar zijn om snel en duurzaam te kunnen bouwen. In paragraaf 2.2 is nader toegelicht op welke wijze toekomstbestendig bouwen in het ontwerp is opgenomen. Paragraaf 3.1.14 gaat verder in op het aspect duurzaamheid. § 7.3.7 Ruimtelijke kwaliteit Artikel 7.43 (definitie soort ruimtelijke ontwikkeling) Met het woningbouwplan is sprake van ‘inpassen’ binnen bestaand stadsgebied. De ontwikkeling is gebiedseigen, voorziet geen wijzigingen op structuurniveau en is passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van het gebied.
Artikel 7.43a (borgen ruimtelijke kwaliteit) Gelet op het ontwerp wordt een hoogwaardige, duurzame en toekomstbestendige woonlocatie gerealiseerd waarbij met respect wordt omgegaan met de huidige identiteit van het gebied. De ruimtelijke kwaliteit zal verbeteren (zie ook paragraaf 2.2). Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. § 7.3.8 Stedelijke ontwikkelingen Artikel 7.44 (afgestemde regionale behoefte) De woningbouwontwikkeling is regionaal binnen Voorne-Putten afgestemd.
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
Artikel 7.45 (ladder voor duurzame verstedelijking) Met het plan is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling is regionaal afgestemd en in paragraaf 3.1.9 is aangetoond dat het initiatief passend is binnen de kaders van de ladder voor duurzame verstedelijking. Artikel 7.45b (dichtheid en verscheidenheid woningbouw) Met het plan wordt gelet op het ontwerp (zie paragraaf 2.2) rekening gehouden met een hoge woningdichtheid en een variatie in woningtypen (zie paragraaf 3.4.4). Bovendien draagt het bij aan een goede woon- en leefomgeving, zoals volgt uit de beoordeling van de verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving in hoofdstuk 4. Artikel 7.45c (bereikbaarheid) Zie paragraaf 3.1.13 ten aanzien van de bereikbaarheid van het besluitgebied. Geconcludeerd wordt dat de locatie goed bereikbaar is voor de diverse modaliteiten. Artikel 7.45f (parkeernorm sociale huur) Het plan maakt geen sociale huurwoningen mogelijk. Artikel 7.45h (functiemenging en meervoudig ruimtegebruik) Met het plan is er gelet op de grote woningbehoefte voor gekozen om alleen woningen mogelijk te maken. § 7.3.8a Wonen Artikel 7.47a (voldoende sociale huurwoningen) Met het plan wordt conform regionale bestuurlijke afspraken niet voorzien in sociale huurwoningen.
Uitgangspunt van de gemeente Nissewaard is dat op gemeentelijk niveau voorzien wordt in voldoende sociale huurwoningen en niet per woningbouwplan afzonderlijk. Artikel 7.47b (voldoende betaalbare woningbouw) Met het plan wordt ruimschoots voorzien in voldoende betaalbare woningbouw (zie ook paragraaf 3.4.4). Onder voldoende wordt verstaan 2/3 betaalbare woningbouw. Van de in totaal 124 appartementen en woonwerkruimtes vallen 98 woningen in het goedkope segment (79%), 13 in het betaalbare segment (10,5%) en 13 in de vrije sector (10,5%). Conclusie Het planvoornemen is passend binnen de instructieregels van de provincie. 3.3 Waterschap Het waterschap kan via de waterschapsverordening bepalen dat een initiatiefnemer voor een activiteit een omgevingsvergunning moet aanvragen of een melding moet doen. Het kan daarbij gaan om onderstaande activiteiten. Tabel 3.4 – Overzicht relevante regels waterschap Activiteit
Relevant?
Lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam
Ja / Nee
Motivering nvt Lozingsactiviteit op een rioolwaterzuiveringsinstallatie Motivering nvt
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
Ja / Nee
Activiteiten in of nabij het oppervlaktewater
Ja / Nee
Motivering nvt Activiteiten in, op of nabij waterkeringen
Ja / Nee
Motivering nvt Het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem
Ja / Nee
Motivering nvt Activiteiten aan, op of nabij wegen in het beheer van het waterschap.
Ja / Nee
Motivering nvt 3.4 Gemeente Een aanvraag voor een BOPA wordt beoordeeld aan de hand van het gemeentelijk beleid. Welke onderwerpen uit het gemeentelijk beleid relevant zijn, hangt allereerst af van de inhoud van de aanvraag en de effecten daarvan op de fysieke leefomgeving. In deze paragraaf wordt de motivering gegeven van de relevante gemeentelijke beleidsdocumenten. 3.4.1 Vigerend bestemmingsplan / Omgevingsplan gemeente Nissewaard Toetsingskader Het gemeentelijke vigerende planologisch kader betreft het bestemmingsplan “Noord”, zoals vastgesteld op 14 juli 2011, en het daaropvolgende bestemmingsplan “Noord, eerste herziening”, zoals vastgesteld op 14 september 2016. Daarnaast is het parapluplan “Parkeren & laden en lossen” in werking. Dit plan, vastgesteld op 17 mei 2023, verankert voor het gemeentelijke grondgebied de parkeernormen zoals opgenomen in de “Parkeernormennota gemeente Nissewaard 2022”. Naast de parkeernormen wordt het aspect ‘laden en lossen’ ook door middel van deze parapluherziening geborgd. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn deze bestemmingsplannen opgenomen in het tijdelijk deel van het “Omgevingsplan gemeente Nissewaard” totdat de gemeente een omgevingsplan heeft vastgesteld waarbij aan alle regels uit de Omgevingswet voor het vaststellen van een omgevingsplan wordt voldaan.
Beoordeling en conclusie Het vigerende planologisch kader staat gelet op de vigerende bestemming en de beoogde functiewijzigingen de voorgenomen ontwikkeling niet toe. De beoogde woningbouwontwikkeling dient door middel van een wijziging van het omgevingsplan of een BOPA-omgevingsvergunning juridisch-planologisch mogelijk gemaakt te worden. 3.4.2 Omgevingsvisie Nissewaard Toetsingskader De Omgevingswet vraagt van alle gemeenten om een omgevingsvisie op te stellen over de toekomst van de gemeente. In Nederland moet elke gemeente voor 2027 een omgevingsvisie hebben. De gemeente Nissewaard wil in 2025 de omgevingsvisie af hebben. Beoordeling en conclusie De omgevingsvisie van de gemeente Nissewaard is momenteel nog in ontwikkeling. Het ruimtelijk beleid voor Spijkenisse wordt beschreven in het “Ontwikkelperspectief Nissewaard naar 2040”. Hieraan wordt navolgend getoetst.
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
3.4.3 Ontwikkelperspectief Nissewaard naar 2040 Toetsingskader De visie voor Nissewaard bevat het ontwikkelingsperspectief voor de komende jaren. Nissewaard heeft te maken met een aantal vraagstukken van sociaaleconomische, maatschappelijke en ruimtelijke aard. Voor nieuwe verstedelijking ligt een sterke basis in de bestaande structuur. Dit biedt verschillende mogelijkheden, zoals de grote woningbouwopgave in heel Zuid-Holland die voor een deel in de voormalige groeikern Spijkenisse kan worden opgelost. Om de genoemde opgaven het hoofd te bieden is dit ontwikkelperspectief opgesteld, in nauwe afstemming met de provincie, waarin voor de korte en lange termijn een visie en kansen worden geformuleerd voor een aantrekkelijke, vitale, toekomstbestendige woon- en werkgemeente in 2040. Beoordeling Met het woningbouwplan wordt invulling gegeven aan de genoemde beleidslijnen en opgaven door middel van verdichting in het bestaande stedelijk gebied en het realiseren van een gedifferentieerd woningaanbod voor jong en oud, inclusief studio’s en kleine appartementen geschikt voor starters en doelgroepen met een laag besteedbaar inkomen. Conclusie Het initiatief is passend binnen het gemeentelijke ontwikkelingsperspectief.
3.4.4 Woonvisie ‘Nissewaard, een plek voor iedereen!’ Toetsingskader De gemeentelijke woonvisie is op 23 september 2020 vastgesteld en komt voort uit een onderzoek naar de woningbehoeften op Voorne-Putten. In deze visie zijn onder meer de gemeentelijke woning ambities beschreven. De gemeente zet in op een duurzaam en solidair leefklimaat. Het doel van de nieuwe Woonvisie is dat het voor iedereen goed wonen is in de gemeente en de woonwensen en woningbehoefte van al onze huidige en toekomstige inwoners zoveel mogelijk binnen onze gemeentegrenzen mogelijk te maken. Daarnaast willen we nieuwe doelgroepen aantrekken voor een toekomst- en schokbestendig Nissewaard. Om dat mogelijk te maken spannen we ons, samen met ontwikkelaars, woningcorporaties en inwoners, in om onze woningvoorraad en woonmilieus meer divers te maken. In de visie wordt onder andere genoemd dat transformatie van leegstaande (winkel)panden op centrale locaties een uitkomst kan bieden voor een vraag naar woningen op dergelijke locaties. Daarnaast geldt dat er aandacht dient te zijn voor middenhuur, die kansrijk is voor zowel starters, scheefwoners in de sociale huur, als ouderen die hun koopwoning willen verkopen. Onder middenhuur wordt een huurprijs van € 752 tot circa € 1.000 verstaan.
Over transformatie van leegstaande (winkel)panden in en rondom het centrum van Spijkenisse wordt genoemd dat dit kansen biedt om in de woonwensen van ouderen, maar ook zeker van jongeren (starters, studenten etc.) tegemoet te komen. Zij stellen vaak een betaalbare woning nabij voorzieningen met een goede OV-bereikbaarheid op prijs. Door in het centrum voorzieningen te concentreren en leegstaande panden te transformeren naar woningen voor een brede groep woningzoekenden, blijft het centrum levendig en een aangename plek om te verblijven. Een levendig stadscentrum voorziet beter in zijn rol als ontmoetingsplek voor iedereen in Nissewaard en creëert door aantrekkingskracht draagvlak voor andere publieksgerichte voorzieningen. De gemeente stimuleert daarnaast de duurzame transitie. Deze duurzame transitie omvat meer dan de energietransitie. Het gaat onder andere om warmtetransitie ‘van het gas af’ en energiebesparing, maar ook om klimaatadaptatiemaatregelen en het gebruik van circulaire bouwprincipes. Waar het gaat om aanpasbaarheid van bestaande woningen doelt de gemeente op bouw- en woontechnische verbeteringen, zoals het levensloopbestendig maken van woningen, het wegwerken van achterstallig onderhoud, en veiligheidsmaatregelen.
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
Beoordeling De woningbouwontwikkeling draagt bij aan de ambities zoals deze zijn geformuleerd in de woonvisie. Er wordt voorzien in het toevoegen van 120 studio’s en appartementen en 4 woonwerkruimtes, die voor zowel eenpersoonshuishoudens als stellen en/of kleine gezinnen geschikt zijn. Daarnaast zijn de appartementen interessant voor ouderen die kleiner willen gaan wonen. Alle woningen betreffen koopwoningen. Hiervan vallen 98 woningen in het goedkope segment (79%), 13 in het betaalbare segment (10,5%) en 13 in de vrije sector (10,5%). Met het plan wordt daarmee overwegend voorzien in goedkope en betaalbare woningen. Conform regionale bestuurlijke afspraken wordt niet voorzien in (sociale) huurwoningen. Uitgangspunt van de gemeente Nissewaard is dat op gemeentelijk niveau voorzien wordt in voldoende (sociale) huurwoningen en niet per woningbouwplan afzonderlijk. In het ontwerp is bovendien rekening gehouden met duurzaamheidsmaatregelen en klimaatadaptie (zie hiervoor paragraaf 3.1.14), waarmee een belangrijke bijdrage wordt geleverd aan de duurzame transitie waar de gemeente Nissewaard voor staat. Conclusie Het initiatief is passend binnen de uitgangspunten van de gemeentelijke woonvisie.
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
4
Uitvoerbaarheid
4.1 Economische uitvoerbaarheid 4.1.1 Financieel economische haalbaarheid In deze paragraaf wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven. Uitgangspunt is dat de kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor rekening komen van de initiatiefnemer. Daar waar nodig zal op basis van artikel 13.18 het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow). Tevens worden voor het in behandeling nemen van en de procesbegeleiding kosten gerekend. Deze bedragen zijn opgenomen in de Legesverordening 2024 van de gemeente Nissewaard. Voor iedere buitenplanse omgevingsplan activiteit wordt een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten op basis van art. 4.5 Awb. 4.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 4.2.1 Participatie Participatie wil zoveel zeggen als het vroegtijdig deelnemen van inwoners en andere belanghebbenden aan besluitvormingsprocessen. Vroegtijdig wil zeggen voorafgaand aan de besluitvorming zelf; dus voordat een ontwerpbesluit is vastgesteld of voordat een aanvraag is ingediend. De gemeente Nissewaard heeft in 2021 de ‘Beleidsnotitie participatie 2021’ vastgesteld.
Met dit participatiebeleid wenst de gemeenteraad in de eerste plaats uitvoering te geven aan haar verplichting ingevolge de Omgevingswet om participatiebeleid te maken voor het vaststellen van de kerninstrumenten omgevingsvisie, omgevingsprogramma en omgevingsplan. Hierbij maakt de gemeenteraad graag van de gelegenheid gebruik om in de tweede plaats richtsnoeren te geven voor verplichte participatie bij aangewezen categorieën buitenplanse opa’s. In de beleidsnotitie is een stappenplan opgenomen voor het doorlopen van het participatietraject. Op 2 maart 2021 heeft reeds voor alle stakeholders uit de gehele omgeving een eerste participatiebijeenkomst plaatsgevonden met betrekking tot de plannen. Deze online informatiebijeenkomst over het initiatief vond vanwege de coronatijd plaats via een livestream. De video hiervan is te downloaden via deze link: https://gofile.me/67szx/92ul9VotC. Tijdens deze participatie betrof het planvoornemen nog een woontoren van 70 meter. Naar aanleiding van de reacties hierop is het ontwerp aangepast. Gedurende het project zijn vervolgens meerdere inloopavonden georganiseerd om bewoners de gelegenheid te geven het nieuwe ontwerp te bekijken en hun mening te geven. Dit leidde tot waardevolle feedback en verdere aanpassingen aan het plan.
Het participatietraject heeft geleid tot een breed gedragen ontwerp, waarbij de gemeente Nissewaard uiteindelijk een positief advies heeft afgegeven voor het plan. Het volledige verslag van het participatietraject is tot slot opgenomen in de bijlagen. 4.2.2 Advies en vooroverleg De resultaten van het bestuurlijk vooroverleg zullen te zijner tijd worden verwerkt in onderhavige motivering. 4.2.3 Vaststellingsprocedure De resultaten van de vaststellingsprocedure zullen te zijner tijd worden verwerkt in onderhavige motivering.
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
5
Conclusie
Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen in hoofdstuk 3. Het initiatief is bovendien niet strijdig met de geldende beleidskaders. Daarnaast is de maatschappelijke uitvoerbaarheid en financiële haalbaarheid van het plan aangetoond in hoofdstuk 4. Concluderend is alles overwegende de ontwikkeling ruimtelijk aanvaardbaar, is met het plan sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en is het mogelijk om het initiatief door middel van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) te vergunnen.
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
Bijlage 1 Project-mer-beoordeling
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
Hoogwerfsingel I Spijkenisse Project-mer-beoordeling
datum projectnummer
30 oktober 2024 240422
Rapport
Aveco de Bondt BV Holten - Amstelveen - Breda - Eindhoven - Nieuwegein
Project-mer-beoordeling
Postbus 64, 7450 AB Holten T +31 88 004 82 12 info@avecodebondt.nl avecodebondt.nl
Hoogwerfsingel I Spijkenisse project projectnummer projectleider
status versie auteur gecontroleerd
BOPA Hoogwerfsingel I, Spijkenisse 240422 Wilrik Hengstmengel
Definitief 2.0 Wilrik Hengstmengel ing. Marcel Volbeda
datum referentie
30 oktober 2024 240422_AdB_RAP_0001_v2.0
Inhoudsopgave 1 1.1 1.2
Inleiding Aanleiding Leeswijzer
1 1 2
2 2.1 2.2 2.3 2.4
Procedurele en inhoudelijke aspecten mer-beoordeling Wet- en regelgeving Toetsing aan de mer-verplichtingen Procedure en betrokken partijen Inhoudelijke eisen aan de project-mer-beoordeling
3 3 3 4 4
3 Planbeschrijving en effectenbeoordeling 3.1 Kenmerken van het project 3.2 Plaats van het project 3.3 Kenmerken van de potentiële effecten 3.3.1 Archeologie en cultuurhistorie 3.3.2 Bodem 3.3.3 Omgevingsveiligheid 3.3.4 Geluid 3.3.5 Geur 3.3.6 Luchtkwaliteit 3.3.7 Natuurgebieden 3.3.8 Flora en fauna 3.3.9 Water 3.3.10 Verkeersgeneratie 3.3.11 Gezondheid
5 5 7 9 9 10 10 11 11 11 12 13 13 14 14
4
16
Conclusies en advies
datum referentie
30 oktober 2024 240422_AdB_RAP_0001_v2.0
1
Inleiding
1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens in Spijkenisse het woningbouwplan Hoogwerfsingel I + II tot ontwikkeling te brengen en het gebied om te vormen naar een aantrekkelijke woonomgeving. Met het plan wordt beoogd de algehele uitstraling en esthetiek van de buurt te verbeteren wat leidt tot een prettigere leefomgeving. Het betreft een moderne ontwikkeling gericht op duurzaamheid en milieuvriendelijkheid wat bijdraagt aan een gezondere omgeving. Het plan HWS I gaat uit van een nieuw appartementencomplex bestaande uit 124 voornamelijk goedkope en betaalbare koopwoningen verdeeld over diverse woningtypen en groottes. Het ontwerp bestaat uit aftrappende hoogbouw in twee richtingen met een lager tussendeel waar een deels ondergrondse parkeergarage wordt gerealiseerd. Op het hoogste punt bestaat dit woonblok uit twaalf bouwlagen. Hiermee wordt aangesloten op bestaande bouwhoogtes in de directe omgeving. De contour van het besluitgebied is onderstaand weergegeven. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zal een ruimtelijke procedure worden doorlopen voor de planologische inpassing van deze woningbouw. Bij de voorbereiding van dit besluit moet beoordeeld worden of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben.
In deze aanmeldnotitie staat de informatie die het bevoegd gezag nodig heeft om te bepalen of de initiatiefnemer een milieueffectrapport (MER) moet maken en welke milieueffectrapportage procedure (mer) van toepassing is.
Uitsnede bestemmingsplan “Noord” van de gemeente Nissewaard ter plaatse van het besluitgebied (aangeduid met rode contour). Bron: Regels op de kaart, 2024.
datum referentie
30 oktober 2024 240422_AdB_RAP_0001_v2.0
P 1/16
1.2 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de wet- en regelgeving omtrent milieueffectrapportages. In hoofdstuk 3 wordt het beoogde plan getoetst aan deze wetgeving en worden de effecten van het plan beschreven. In hoofdstuk 4 worden de conclusies van de mer-beoordeling verwoord in een advies aan het bevoegd gezag.
datum referentie
30 oktober 2024 240422_AdB_RAP_0001_v2.0
P 2/16
2
Procedurele en inhoudelijke aspecten mer-beoordeling
2.1 Wet- en regelgeving De mer-procedure en mer-beoordeling is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in plan- en besluitvorming in te brengen, om zo belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Een merprocedure en mer-beoordeling is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een omgevingsvisie, omgevingsplan of omgevingsvergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van de mer-procedure en merbeoordeling zijn vastgelegd in de Omgevingswet (Ow) en in het Omgevingsbesluit (Ob). 2.2
Toetsing aan de mer-verplichtingen
Is er sprake van een project of van plannen en programma’s? De wet maakt onderscheid tussen milieueffectrapportage voor een project of voor plannen en programma’s. Het verschil zit in het kaderstellende karakter. Als het besluit rechtstreeks activiteiten toestaat die op grond van het Ob mer-(beoordelings)plichtig zijn, dan is sprake van een project-mer(-beoordeling). Als deze activiteiten slechts indirect worden mogelijk gemaakt, bijvoorbeeld omdat daarvoor eerst nog een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit nodig is, is sprake van een kaderstellend plan. In dat geval geldt de plan-mer (beoordeling). In deze situatie ligt een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor. Het besluit over deze omgevingsvergunning staat rechtstreeks activiteiten toe die op grond van het Ob mer-(beoordelings)plichtig zijn. Er is dus mogelijk sprake van een project-mer(-beoordeling). Is er sprake van een project-mer of van een project-mer-beoordeling? Of een besluit over een project mer-(beoordelings)plichtig is kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Ob. In deze bijlage is een tabel opgenomen met 4 kolommen: 1. Projecten 2. Gevallen waarin de mer-plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow) 3. Gevallen waarin de mer-beoordelingsplicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ow) 4.
Besluiten als bedoeld in artikel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit. Behalve de in kolom 4 aangewezen besluiten bepaalt artikel 11.6 lid 3 sub a, b en d van het Ob dat voor alle categorieën projecten ook enkele andere besluiten als mer-(beoordelings-)plichtig besluit hebben te gelden. Hieronder vallen in beginsel de projectbesluiten (als bedoeld in artikel 5.44 van de Ow), de regels in een omgevingsplan die zijn gericht op gemeentelijke projecten van publiek belang als bedoeld in art. 5.55 van de Ow en de besluiten uit artikel 11.8 van het Ob. Onder die laatste categorie valt dus ook de hiervoor besproken situatie waarin in plaats van het omgevingsplan, de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit het project-merbeoordelingsplichtige besluit is. Indien het project of de activiteit voorkomt in kolom 1 en het besluit in kolom 4 dan kan op basis van kolom 2 en 3 afgeleid worden of sprake is van een mer-plicht (kolom 2) of mer-beoordelingsplicht (kolom 3). In deze situatie betreft het project, vanwege de aard van de functiewijziging en de omvang van de bebouwing, een stedelijk ontwikkelingsproject. Een stedelijk ontwikkelingsproject komt voor onder categorie J11 van bijlage V bij het Ob. De omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit is aangewezen als besluit waarvoor een mer-(beoordelingsplicht) geldt.
Bij categorie J11 is kolom 2 niet van toepassing. Kolom 3 wijst ‘aanleg, wijziging of uitbreiding’ aan als gevallen waarin sprake is van de mer-beoordelingsplicht. Hiervan is in deze situatie sprake. Geconcludeerd wordt dus dat sprake is van een project-mer-beoordeling.
datum referentie
30 oktober 2024 240422_AdB_RAP_0001_v2.0
P 3/16
2.3
Procedure en betrokken partijen
Betrokken partijen Bij deze mer-beoordelingsprocedure zijn de volgende partijen aan te merken als initiatiefnemer en bevoegd gezag. Vastgoedontwikkelaar Roozen van Hoppe is de initiatiefnemer van het plan. Het college van de gemeente Nissewaard treedt op als bevoegd gezag. Het college moet immers een besluit nemen over de omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Burgers en andere belanghebbenden hebben geen formele rol in de mer-beoordelingsprocedure, maar wel in de procedure van het besluit (omgevingsvergunning) dat nodig is voor het project waar de mer-beoordeling bij hoort. Procedure De initiatiefnemer van een mer-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen private initiatiefnemers of een initiatiefnemer binnen dezelfde overheidsorganisatie. Voor de mededeling worden eisen gesteld aan de inhoud. In de praktijk staat de informatie vaak in een aparte notitie (onderhavig document). In deze mededeling staat de informatie die het bevoegd gezag nodig heeft om te bepalen of de initiatiefnemer een milieueffectrapport (MER) moet maken. De mededeling en aanvraag kunnen tegelijkertijd, het verzoek om de mer-beoordelingsbeslissing is dan onderdeel van de aanvraag. Het is ook mogelijk om eerst te verzoeken om een mer-beoordelingsbeslissing, en daarna de aanvraag te doen.
Het bevoegd gezag beslist vervolgens over de project-mer-beoordeling (wel/niet een MER maken). Dat is de merbeoordelingsbeslissing. Deze moet binnen 6 weken na ontvangst van de mededeling worden genomen. Er is niet direct bezwaar of beroep mogelijk tegen de mer-beoordelingsbeslissing dat een mer niet nodig is. Er is wel inspraak mogelijk op of bezwaar en beroep tegen het besluit waar de mer-beoordelingsbeslissing bij hoort. Op dat latere moment kan de inhoud van de mer-beoordelingsbeslissing door derden worden betwist. De initiatiefnemer kan wel meteen bezwaar maken of beroep instellen tegen de mer-beoordelingsbeslissing dat een mer wél nodig is. 2.4 Inhoudelijke eisen aan de project-mer-beoordeling De mededeling aan het bevoegd gezag moet een beschrijving bevatten van: • het project: de fysieke kenmerken en de locatie • de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project • wanneer die informatie beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke effecten door verwachte residuen, emissies en productie van afvalstoffen en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen Een initiatiefnemer mag in de mededeling ook een beschrijving opnemen van de kenmerken van het voorgenomen project. En van de voorgenomen maatregelen, om mogelijk aanzienlijke effecten te beperken of te voorkomen.
Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling op grond van de criteria uit bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectrapportage. Hierbij gelden drie thema’s: • de kenmerken van het project; • de plaats van het project; • de kenmerken van de potentiële effecten.
datum referentie
30 oktober 2024 240422_AdB_RAP_0001_v2.0
P 4/16
3
Planbeschrijving en effectenbeoordeling
3.1 Kenmerken van het project Bij het criterium ‘kenmerken van het project’ moet in het bijzonder in overweging worden genomen: A. de omvang en het ontwerp van het gehele project B. de opstapeling van effecten (cumulatie) met andere projecten C. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen D. de productie van afvalstoffen E. verontreiniging en hinder F. het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering G. de risico’s voor de menselijke gezondheid Ad A. de omvang en het ontwerp van het gehele project Het project betreft het realiseren van fase 1 van het woningbouwplan Hoogwerfsingel I + II. Het besluitgebied is gelegen in Spijkenisse Noord en wordt omsloten door de Winston Churchilllaan, Hoogwerfsingel, Anjerstraat en het Callaplein. De gronden binnen het besluitgebied hebben een oppervlakte van circa 1.800 m2 en staan kadastraal bekend als gemeente Spijkenisse, sectie E, perceelnummers 3768 en 5094. Het project Hoogwerfsingel I wordt gerealiseerd op de locatie van de voormalige Crazy Golf, een indoor midgetgolf baan. De huidige functie is een commerciële ruimte met detailhandel “Bank en Beddenoutlet”. Beoogd wordt de gronden binnen het besluitgebied ten behoeve van het wonen planologisch-juridisch toe te staan en in gebruik te nemen, door het realiseren van een appartementencomplex van (op het hoogste punt) 12 verdiepingen.
De grondoppervlakte van de nieuwbouw bedraagt circa 1.650 m2. Hierbij wordt het huidige bedrijfsmatige gebruik omgezet naar een woonfunctie. Onderstaande impressie vormt hierbij het uitgangspunt. Dit ontwerp omvat de realisatie van 124 koopwoningen verdeeld over diverse woningtypen en groottes. De architectuur van Hoogwerfsingel I is een eigentijdse vertaling van de omliggende wederopbouwarchitectuur uit de directe omgeving. Het principe van een sterk raster met gevarieerde invulling van gevels, balkons en loggia’s. Qua materialisatie is de rood-oranje baksteenarchitectuur omarmd, dit principe is als een alzijdige gevel rondom de massa geprojecteerd. Tussen de woongebouwen bevindt zich een parkeergarage met daarop een groenblauwe daktuin en met voldoende parkeerplaatsen om te voorzien in de benodigde parkeerbehoefte van de nieuwe woningen. De parkeergarage is een open structuur met groene invulling dat aansluit op de daktuin. In het dakpakket is rekening gehouden met waterberging en voldoende gronddekking voor groter groen. Hiermee wordt ingespeeld op toekomstige klimaatverandering (klimaat adaptief bouwen).
datum referentie
30 oktober 2024 240422_AdB_RAP_0001_v2.0
P 5/16
Ontwerp woningbouwplan HWS I, OZ architecten, 2024.
Ad B. de opstapeling van effecten (cumulatie) met andere projecten In de omgeving van het projectgebied zijn geen gelijktijdige grootschalige ontwikkelingen bekend die kunnen leiden tot een opstapeling van effecten (cumulatie). Het project HWS II heeft momenteel nog geen formele status, zal pas in een later stadium gerealiseerd worden en wordt derhalve niet meegenomen bij de beoordeling van cumulatieve effecten. Ad C. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen De ontwikkeling van het project legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. Ten behoeve van bouwen woonrijp maken zijn bouwmaterialen en grondverzet nodig. Tijdens de gebruiksfase zal elektriciteit en water nodig zijn. De woningen worden niet op aardgas aangesloten en moeten voldoen aan de laatste eisen qua energieprestatie. Behoudens de reguliere materialen en hulpbronnen ten behoeve van realisatie en onderhoud worden geen natuurlijke hulpbronnen gebruikt in het onderhavige plan. Ad D. de productie van afvalstoffen De productie van afvalstoffen is beperkt tot de bouwafvalstoffen tijdens de realisatie van onderhavig plan en toekomstige huishoudelijke en bedrijfsmatige afvalstoffen afkomstig van woningen. De productie van afvalstoffen vormen naar aard en omvang geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage. Er is geen sprake van productie van afvalstoffen zoals bedoeld in artikel 1.1.
van de Wet milieubeheer.
datum referentie
30 oktober 2024 240422_AdB_RAP_0001_v2.0
P 6/16
Ad E. verontreiniging en hinder In het kader van het bouw- en woonrijp maken en bij de bouw van de woningen kan tijdelijk sprake zijn van verkeers- en/of geluidhinder door bouwverkeer en bouwwerkzaamheden op locatie. Deze situatie is tijdelijk en vormt in principe geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage, tenzij deze emissies tot een aanzienlijk effect leiden. Rond het gebouw zal een beperkte ruimte voor de bouwwerkzaamheden beschikbaar zijn, daarom zal onderzocht worden welke verschillende prefab methodieken beschikbaar zijn om snel en duurzaam te kunnen bouwen. In de gebruiksfase worden ten gevolge van de activiteiten geen belangrijke nadelige effecten verwacht. Verder leidt dit project niet tot onevenredige aantasting van beschermde natuurgebieden. In paragraaf 3.3 zijn eventuele milieugevolgen nader in beeld gebracht en worden de effecten in meer detail beoordeeld. Ad F. het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering Het project voorziet niet in de realisatie van risicobronnen waardoor zware ongevallen en/of rampen kunnen ontstaan. In de omgeving zijn ook geen relevante risicobronnen aanwezig. In paragraaf 3.3 wordt dit nader toegelicht als onderdeel van het aspect omgevingsveiligheid. Extreme weersomstandigheden zoals extreme temperaturen en veel neerslag komen steeds vaker voor door klimaatverandering.
Dit geeft aanleiding tot o.a. meer overstromingen op meer verschillende plaatsen, een hoger waterpeil van oppervlaktewateren en aanhoudende periodes van extreme droogte. In paragraaf 3.3 wordt hier verder op ingegaan als onderdeel van het aspect water. Ad G. de risico’s voor menselijke gezondheid Het project leidt niet tot relevante emissie van gevaarlijke/verontreinigende stoffen die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid. 3.2 Plaats van het project Bij het criterium ‘plaats van het project’ moet de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn in overweging worden genomen: H. het bestaande (en goedgekeurde) grondgebruik I. relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied en de ondergrond ervan. J.
het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met aandacht voor: − wetlands, oeverformaties, riviermondingen − kustgebieden en het mariene milieu − berg- en bosgebieden − reservaten en natuurparken − gebieden die in de Nederlandse wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd − speciale beschermingszones (Natura 2000 gebieden) door de lidstaten aangewezen volgens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn) − gebieden waar de Europese milieukwaliteitsnormen al niet worden gehaald − gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid − landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
datum referentie
30 oktober 2024 240422_AdB_RAP_0001_v2.0
P 7/16
Ad H. het bestaande grondgebruik Het besluitgebied beslaat een totale oppervlakte van circa 1.800 m2 en is in de huidige situatie vrijwel volledig verhard en bebouwd. In de huidige situatie is ter plaatse een meubelwinkel gevestigd. In de huidige planologische situatie vigeert het tijdelijk omgevingsplan van de gemeente Nissewaard, zoals in werking getreden per 1 januari 2024. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de (ruimtelijke) regels uit verschillende vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen, en de rijksregels over activiteiten (aangeduid als de bruidsschat). Op basis van de regels van het vastgestelde bestemmingsplan “Noord” en het daaropvolgende bestemmingsplan “Noord, eerste herziening” kennen de gronden binnen het besluitgebied de bestemming ‘Bedrijf’, met daarbij ten dele de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – sport/recreatie’. Binnen de bestemming ‘Bedrijf’ zijn de gronden hoofdzakelijk bedoeld voor bedrijvigheid, productiegebonden detailhandel en bij deze bestemming behorende voorzieningen, en ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - sport/recreatie’ voor voorzieningen ten behoeve van sport en recreatie. Bovendien geldt een maximum bouwhoogte van 8 meter.
Burgerbewoning is hier niet toegestaan, waardoor een herziening van het planologisch regime dient plaats te vinden om reguliere woningbouw te kunnen laten plaatsvinden.
Zicht op het besluitgebied en directe omgeving vanuit zuidelijke richting. Bron: Cyclomedia Technology BV, 2024.
Ad I. relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) van het gebied Het besluitgebied is in de huidige situatie vrijwel volledig verhard en bebouwd. Door middel van bodemonderzoek is aangetoond dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Om zorg te dragen voor een duurzame leefomgeving wordt aandacht besteed aan klimaat adaptief bouwen in de vorm van een groenblauwe daktuin en het opvangen en vasthouden van hemelwater in waterbergende voorzieningen. Op basis van de ‘Weging van het waterbelang’ (uitgevoerd door Aveco de Bondt in juli 2024) blijkt dat de herontwikkeling uit het oogpunt van een goede waterhuishouding aanvaardbaar en uitvoerbaar is, mits de nodige waterbergingsvoorzieningen worden aangelegd. Door middel van de groenblauw ingerichte daktuin op de parkeergarage, met ruimte voor groter groen, biodiversiteit en waterberging, wordt beoogd wateroverlast te voorkomen, hittestress te beperken en droogte
datum referentie
30 oktober 2024 240422_AdB_RAP_0001_v2.0
P 8/16
tegen te gaan. Het besluitgebied en de omgeving hebben bovendien geen bijzondere rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen, waardoor maar beperkt sprake is van kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen. Ad J. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu Het besluitgebied is niet gelegen in of direct nabij een gebied dat een kwetsbaar natuurlijk milieu vertegenwoordigd of een landschap van historisch, cultureel of archeologisch belang. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 2,0 kilometer afstand van het besluitgebied. 3.3 Kenmerken van de potentiële effecten Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria die besproken zijn in voorgaande paragrafen (de plaats en kenmerken van het project) in het bijzonder in overweging worden genomen: • de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten • de aard van het effect • het grensoverschrijdend karakter van het effect • de intensiteit en de complexiteit van het effect • de waarschijnlijkheid van het effect • de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect • de cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten • de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen De mogelijke milieueffecten worden, indien aan de orde, aan de hand van de verschillende relevante thema’s beschreven.
Het is daarbij niet noodzakelijk dat alle bovengenoemde aspecten aan de orde komen. Hierna wordt ingegaan op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. Voor de rapportages van uitgevoerde milieuonderzoeken en een uitvoerige beschrijving van onderstaande milieuaspecten, wordt echter verwezen naar hoofdstuk 4 van de motivering van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). 3.3.1
Archeologie en cultuurhistorie
Huidige situatie Op basis van de Archeologische Waarden- en Beleidskaart van de gemeente Spijkenisse is het besluitgebied gelegen in gebied met een redelijk hoge archeologische verwachting. De archeologische waarden zijn te verwachten vanaf een diepte van 50 cm onder het maaiveld. In juli 2024 heeft ADC ArcheoProjecten op basis van dit Programma van Eisen een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Uit de cultuurhistorische waardenkaart volgt dat het besluitgebied niet is gelegen is in een gebied van cultuurhistorisch belang. Ook is er geen cultuurhistorische bebouwing aanwezig. Effecten voornemen Onderhavig voornemen heeft geen effecten op archeologische waarden. Op basis van het uitgevoerde archeologisch onderzoek wordt geadviseerd door middel van een selectiebesluit het onderzochte gebied vrij te geven. Cultuurhistorische bebouwing en elementen zijn niet aanwezig. Gelet op de aard en omvang van onderhavig initiatief wordt ook geen afbreuk gedaan aan eventuele aanwezige cultuurhistorische waarden in de omgeving.
datum referentie
30 oktober 2024 240422_AdB_RAP_0001_v2.0
P 9/16
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het project niet leidt tot aanzienlijke nadelige effecten op het gebied van archeologie en cultuurhistorie. 3.3.2
Bodem
Huidige situatie In de huidige situatie hebben de gronden binnen het besluitgebied bedrijfsmatige doeleinden en zijn hoofdzakelijk bedoeld voor bedrijvigheid, productiegebonden detailhandel en voor voorzieningen ten behoeve van sport en recreatie. Effecten voornemen De kwaliteit van de bodem wordt op basis van uitgevoerd bodemonderzoek toelaatbaar geacht voor de realisatie van het project. Vanwege de voorgenomen verwijdering van de asfaltconstructie is bovendien een verhardingsonderzoek uitgevoerd. Hieruit volgt dat het asfalt deels teerhoudend is en dus deels moet worden afgevoerd (niet geschikt voor hergebruik). Gesteld kan worden dat dit de bodemkwaliteit ter plaatse ten goede komt. Daarnaast is uit vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten naar voren gekomen dat het besluitgebied niet verdacht is op ontplofbare oorlogsresten en dat de geplande civieltechnische werkzaamheden op reguliere wijze kunnen worden uitgevoerd. De beoogde woningbouw en het beoogde gebruik van de gronden vormen geen verhoogd risico vormt voor een potentiële bodemverontreiniging. Het project voorziet bovendien niet in de realisatie van milieubelastende activiteiten die een risico vormen voor de kwaliteit van de bodem. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het project niet leidt tot aanzienlijke nadelige effecten voor de kwaliteit van de bodem. 3.3.3
Omgevingsveiligheid
Huidige situatie Het besluitgebied bevindt zich niet binnen of in de buurt van een aandachtsgebied van transportroutes of buisleidingen of voorschriftengebied. Ten aanzien van risicovolle milieubelastende activiteiten ligt het besluitgebied wel binnen de GAG placeholder van van Seveso-inrichting Nijman/Zeetank. De afstand van deze inrichting tot het besluitgebied is circa 1,2 kilometer. De PR 10-6-risicocontour van deze inrichting reikt niet tot het besluitgebied. Nijman/Zeetank heeft een invloedsgebied voor het GR van 575 meter. De exacte contour van het gifwolkaandachtsgebied is momenteel echter nog niet zichtbaar op de risicokaart, omdat er nog discussie bestaat over de aan te houden afstanden. Deze zijn ook nog onvoldoende vastgesteld in het Bkl (Omgevingsregeling). Effecten voornemen Er wordt geen planologisch kader geboden voor de oprichting van risicovolle milieubelastende activiteiten of transportroutes voor gevaarlijke stoffen die mogelijk negatieve effecten hebben op het milieu. Het project voorziet daarmee niet in de realisatie van nieuwe bronnen die een risico vormen voor de omgevingsveiligheid. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het project niet leidt tot aanzienlijke nadelige effecten ten aanzien van de omgevingsveiligheid.
datum referentie
30 oktober 2024 240422_AdB_RAP_0001_v2.0
P 10/16
3.3.4
Geluid
Huidige situatie In de huidige situatie zijn binnen het besluitgebied en in de directe omgeving diverse geluidbronnen aanwezig, zoals omliggende wegen en het industrieterrein Botlek-Pernis. Rondom het besluitgebied is reeds sprake van een bestaande ontsluitingsstructuur. Het plan voorziet niet in de aanleg van een nieuwe wegenstructuur. Effecten voornemen Het project voorziet in de realisatie van geluidgevoelige gebouwen. Ten behoeve van het aspect geluid is in 2024 door Aveco de Bondt akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit volgt dat het geluid door gemeentewegen ten hoogste 60 Lden is. Dit is hoger dan de standaardwaarde van 53 Lden, maar overschrijdt de grenswaarde van 70 Lden niet. Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting door industrieterrein Botlek-Pernis ten hoogste 54 dB(A) bedraagt. Dit is hoger dan de voorkeurswaarde van 50 dB(A), maar wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A). Uit het akoestisch onderzoek volgt bovendien dat het plan niet leidt tot een significant hogere verkeersgeneratie dan de autonome ontwikkeling. Op voorhand is duidelijk dat het verkeer niet met meer dan 40% toeneemt en er geen toename van meer dan 1,50 dB zal optreden. Er is dus geen sprake van significante effecten als gevolg van indirecte effecten door veranderend verkeer.
Ook blijkt uit de resultaten dat toename van het geluid door de gemeentewegen in de autonome ontwikkeling en plansituatie niet hoger is dan 0,1 dB. Gesteld kan worden dat er geen sprake is van een significante toename van het geluid vanwege de nieuwe bebouwing. Conclusie Het project leidt niet tot aanzienlijke nadelige effecten op het gebied van geluid. 3.3.5
Geur
Huidige situatie In de omgeving liggen geen veehouderijen, andere agrarische bedrijven of industriële bedrijven met een bepaalde geuruitstraling. Effecten voornemen Het project voorziet niet in de realisatie van nieuwe bronnen die geurhinder kunnen veroorzaken. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het project niet leidt tot aanzienlijke nadelige effecten op het gebied van geur. 3.3.6
Luchtkwaliteit
Huidige situatie Het besluitgebied is gelegen in een door het Rijk aangewezen aandachtsgebied (artikel 5.51 Bkl) voor zowel stikstofdioxide (NO2) als fijnstof (PM10). Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog dat, bij toevoeging van een nieuw project, de kans bestaat dat de rijksomgevingswaarde wordt overschreden. De luchtkwaliteit in en rondom het besluitgebied voldoet op basis van het CIMLK in de huidige situatie reeds ruimschoots aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit (met name fijnstof en stikstofdioxiden relevant).
datum referentie
30 oktober 2024 240422_AdB_RAP_0001_v2.0
P 11/16
Effecten voornemen Het project voorziet niet in de realisatie van installaties die emissie naar de lucht veroorzaken. Wel leiden de nieuwe woningen tot meer verkeersbewegingen van en naar het besluitgebied. Door middel van een berekening met de geactualiseerde NIBM-tool (versie 24 april 2024) kan op basis van een worst case verkeersgeneratie berekening worden aangetoond dat de toename minder bedraagt dan 1,2 µg/m3, waardoor geconcludeerd wordt dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie NO2 en PM10 en als zodanig ook geen significante bijdrage levert aan de rijksomgevingswaarden.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het project niet leidt tot aanzienlijke nadelige effecten voor de luchtkwaliteit. 3.3.7
Natuurgebieden
Huidige situatie Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Oude Maas’ ligt op een afstand van circa 2 km. Het besluitgebied valt daarmee buiten de begrenzing van een Natura 2000-gebied. Direct nabij het besluitgebied is ook geen Nederlands Natuurnetwerk aanwezig. Binnen Spijkenisse en binnen de wijk Hoogwerf liggen verschillende aangewezen gebieden voor de groenblauwe zone. Binnen of zeer nabij het besluitgebied liggen geen groenblauwe zones die van toepassing zijn. Effecten voornemen Significante negatieve effecten op Natura-2000 gebied kunnen zijn: oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, verstoring door trilling, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en beschadiging van beschermde flora en fauna. Afgaande op de inrichting van het besluitgebied en de binnen het besluitgebied mogelijk aan te treffen flora en fauna en de ligging van het besluitgebied heeft het besluitgebied vooralsnog geen kernwaarden die aansluiten bij of ondersteunend zijn aan de (kern)waarden van Natura-2000 gebieden. Vanwege mogelijke emissie van stikstof is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. Uit de berekening blijkt dat het bouwplan zowel in de realisatiefase als gebruiksfase niet leidt tot een significante toename van stikstofdepositie op Natura2000-gebieden. Er is daarmee geen sprake van vergunningplicht.
Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Binnen de Provincie Zuid-Holland is sprake van Groenblauwe zones en Gebiedsprofielen, deze zijn ruimtelijk gezien verbonden met het Nederlands NatuurNetwerk. Zowel het Nederlands NatuurNetwerk als de Groenblauwe zones en Gebiedsprofielen kent kernkwaliteiten welke zijn vastgelegd. Deze kernkwaliteiten mogen niet worden geschaad of benadeeld. De kernkwaliteiten kunnen ook worden versterkt. In de Omgevingsverordening van de Provincie omschrijft zij welke regels de Provincie Zuid-Holland hanteert om diens Omgevingsbeleid te waarborgen.
datum referentie
30 oktober 2024 240422_AdB_RAP_0001_v2.0
P 12/16
Voor het besluitgebied en het direct omliggende gebied zijn geen gebiedsprofielen bekend of toegekend die kenmerkend zijn voor de Provincie Zuid-Holland. Direct nabij het besluitgebied ligt geen Nederlands Natuurnetwerk. Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ingreep binnen het besluitgebied vallen daarmee redelijkerwijs geen effecten te verwachten die van invloed zijn op de doelstellingen van de Provinciale omgevingsverordening of anderszins Provinciaal natuurbeleid. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het project niet leidt tot aanzienlijke nadelige effecten ten aanzien van natuurgebieden. 3.3.8
Flora en fauna
Huidige situatie Het besluitgebied is vrijwel volledig verhard en bebouwd. Binnen het gebied ontbreekt open grond (op enkele plekken is een dunne humuslaag van bladafval op bestrating aanwezig). Bomen en struweel zijn niet aanwezig. De enige vegetatie binnen het besluitgebied betreft kruiden tussen bestrating en tegen de rand van de bebouwing met enkele algemene soorten. Effecten voornemen Door Veldbiologische Werken is in mei 2024 een Quickscan Omgevingswet Fysieke Leefomgeving - natuur uitgevoerd. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten met een beschermde status aanwezig zijn en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Uit het onderzoek volgt dat bij uitvoering van de voorgenomen ingrepen mogelijk verstoring, schade en/of vernietiging kan worden veroorzaakt aan verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten. Nader onderzoek is noodzakelijk om hierover uitsluitsel te kunnen geven. De aanwezigheid van andere beschermde faunasoorten en beschermde flora (vaatplanten) is redelijkerwijs uit te sluiten. Er wordt geadviseerd om zorgplicht toe te passen t.a.v. broedende vogels en vrijgestelde zoogdieren.
Conclusie Zolang nader onderzoek naar de verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten nog niet is uitgevoerd, kan nog niet geconcludeerd worden dat het project niet leidt tot aanzienlijke nadelige effecten ten aanzien van flora en fauna. Indien uit nader onderzoek de aanwezigheid van vleermuizen blijkt, zal op basis van een mitigatieplan met mitigerende maatregelen of het opstellen van een gebiedsgericht soortenmanagementplan (SMP) de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd moeten worden. 3.3.9
Water
Huidige situatie Het besluitgebied is in de huidige situatie vrijwel volledig verhard en bebouwd. Het terrein rond de bebouwing binnen het besluitgebied is hoofdzakelijk verhard met klinkers en tegels en in gebruik als trottoir en parkeerplaats. Op circa 100m ten zuidwesten ligt een primaire watergang. Op circa 150m in zuidoostelijke richting bevinden zich een aantal secundaire watergangen. Effecten voornemen Uitgangspunt voor de ontwikkeling is een klimaatadaptief plan. Dit betekent dat sprake moet zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling, waarin problemen ten aanzien van watertekorten en -overlast zoveel worden voorkomen. Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is door Aveco de Bondt in 2024 een watertoets (onder de Omgevingswet: ‘Weging van het waterbelang’) uitgevoerd. Hierbij is onderzocht hoe binnen het besluitgebied met
datum referentie
30 oktober 2024 240422_AdB_RAP_0001_v2.0
P 13/16
de waterhuishouding (waterveiligheid, oppervlaktewater, hemelwater, grondwater, waterkwaliteit en afvalwater) dient te worden omgegaan. Uit de weging van het waterbelang volgt dat de herontwikkeling uit het oogpunt van een goede waterhuishouding aanvaardbaar en uitvoerbaar is, mits de nodige waterbergingsvoorzieningen worden aangelegd. Het projectgebied bestaat geheel uit (verhard) dakoppervlak, dus waterberging zal op de daken moeten worden gerealiseerd. De waterbergingsopgave bedraagt circa 90 m3. In deze opgave kan voorzien worden door waterberging op groenblauwe daken te realiseren. Er dient bij de nadere uitwerking rekening te worden gehouden met voldoende draagkracht van de bebouwing, maximaal toelaatbare laagdikte en overige gebruiksfuncties van de daken. Het vuilwater en de lediging van de waterbergingsvoorzieningen kan worden aangesloten op het gescheiden rioolstelsel onder de Anjerstraat en Hoogwerfsingel. Conclusie Geconcludeerd wordt dat op basis van een afgewogen ‘weging van het waterbelang’ sprake is van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Het project leidt niet tot aanzienlijke nadelige milieueffecten. 3.3.10
Verkeersgeneratie
Huidige situatie Het besluitgebied is gelegen aan bestaande ontsluitingswegen. In de huidige situatie vinden hier al verkeersbewegingen plaats. Effecten voornemen Het besluitgebied wordt ontsloten op bestaande ontsluitingswegen. Daarmee voorziet het plan niet in de aanleg van een nieuwe wegenstructuur. Met het plan ontstaat er een worst-case verkeersgeneratie van (per saldo) 749 verkeersbewegingen per etmaal. Gelet op het omliggende wegennetwerk en de beperkte verkeerstoename als gevolg van onderhavige ontwikkeling in relatie tot de nog beschikbare capaciteit van deze wegen, worden geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de verkeersafwikkeling. Uit akoestisch onderzoek van Aveco de Bondt uit mei 2024 volgt bovendien dat is uitgesloten dat wegverkeerslawaai voortvloeiend uit het onderhavige plan een negatief effect heeft op het milieu. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het project niet leidt tot aanzienlijke nadelige milieueffecten. 3.3.11
Gezondheid
Huidige situatie Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Effecten voornemen Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. In voorgaande paragrafen zijn deze aspecten behandeld. Hieruit volgt dat er
datum referentie
30 oktober 2024 240422_AdB_RAP_0001_v2.0
P 14/16
sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dat het aspect gezondheid voldoende is afgewogen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het project niet leidt tot aanzienlijke nadelige milieueffecten.
datum referentie
30 oktober 2024 240422_AdB_RAP_0001_v2.0
P 15/16
4
Conclusies en advies
In navolgende tabel zijn de conclusies van de beoordeling van de potentiële effecten van de ontwikkeling samengevat en is aangegeven of het noodzakelijk is om een milieueffectrapport (MER) op te stellen. (milieu)thema
Conclusie beoordeling potentiële effecten
Opstellen MER noodzakelijk?
Archeologie en cultuurhistorie
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.
Nee
Bodem
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van bodem geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.
Nee
Omgevingsveiligheid
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van omgevingsveiligheid geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.
Nee
Geluid
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van geluid geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.
Nee
Geur
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van geur geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.
Nee
Luchtkwaliteit
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van luchtkwaliteit geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.
Nee
Natuurgebieden
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van natuurgebieden geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.
Nee
Flora en fauna
Zolang aanvullend vleermuis onderzoek nog niet is uitgevoerd, kan nog niet geconcludeerd worden dat het project niet leidt tot aanzienlijke nadelige effecten ten aanzien van flora en fauna.
Water
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van water geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.
Nee
Verkeersgeneratie
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van verkeersgeneratie geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.
Nee
Gezondheid
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van gezondheid geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.
Nee
Op basis van de kenmerken en plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten wordt geconcludeerd dat geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Wanneer er geen aanzienlijke milieueffecten zijn is het conform de wetgeving en de vigerende praktijk niet noodzakelijk om een milieueffectrapport (MER) op te stellen. Geadviseerd wordt om op basis van deze aanmeldnotitie te laten besluiten dat geen milieueffectrapport (MER) nodig is.
datum referentie
30 oktober 2024 240422_AdB_RAP_0001_v2.0
P 16/16
Bijlage 2 Weging van het waterbelang
datum referentie
31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0
Rapport
Aveco de Bondt BV Holten - Amstelveen - Breda - Eindhoven - Nieuwegein Postbus 64, 7450 AB Holten T +31 88 004 82 12 info@avecodebondt.nl avecodebondt.nl
project projectleider contactpersoon status versie
BOPA Hoogwerfsingel, Spijkenisse Wilrik Hengstmengel Wouter de Vries Definitief 2.0
datum referentie
23 juli 2024 240422_AdB_RAP_0001_v2.0
Digitaal in kwaliteitssysteem gecontroleerd
1
ir. Thijs Visser
Aanleiding
In ruimtelijke plannen zoals een BOPA (buitenplanse omgevingsplanactiviteit) dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan, naast duurzaam waterbeheer, de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde weging van het waterbelang. Concreet betekent dit dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin is het wateradvies van de waterbeheerder meegenomen. Het voorliggende document betreft de weging van het waterbelang voor de ontwikkeling van de Hoogwerfsingel I te Spijkenisse.
2
Beleid
Het plangebied is gelegen binnen de provincie Zuid-Holland, de gemeente Nissewaard en in het beheersgebied van waterschap Hollandse Delta. De beleidsuitgangspunten en eventuele raakvlakken met beschermde gebieden van het bevoegd gezag worden in beeld gebracht. 2.1 Provincie Zuid-Holland Vigerend is het Regionaal waterprogramma (RWP) Zuid-Holland 2022-2027 van 9 maart 2022 [1]. Het programma heeft als doel te zorgen voor een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland.