CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

ETFAL (Ruimtelijke onderbouwing)

Gemeenteraad 11 december 2024, gemeente NissewaardBij agendapunt: Adviesrecht voor de bouw van 124 appartementen gelegen aan de Hoogwerfsingel 1a te Spijkenisse31.134 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Bij de beantwoording van de vraag of een gebied als een bestaand stedelijk gebied kan worden aangemerkt dient te worden beoordeeld of het voorgaande bestemmingsplan reeds een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca mogelijk maakt, of het gebied op grond van het voorgaande plan kan worden beschouwd als bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Daaraan doet niet af dat de

datum referentie

31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0

bebouwing waarin het voorgaande plan voorzag ten tijde van de vaststelling van het nieuwe plan nog niet was gerealiseerd. De gronden binnen het besluitgebied zijn gelegen binnen het ‘bestaand stedelijk gebied’ van Spijkenisse. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ hoeft niet verder doorlopen te worden. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat onderhavige ruimtelijke ontwikkeling is aan te merken als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. De ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ voorziet in een behoefte en vindt plaats binnen ‘bestaand stedelijk gebied’. Daarmee past het initiatief binnen de kaders van de ladder voor duurzame verstedelijking. 3.1.10 Cultureel erfgoed, landschappelijke en stedenbouwkundige waarden Toetsingskader De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen en projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen en projecten zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl zijn een aantal beginselen geformuleerd wat aanzien van de bescherming betreft.

Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Onderzoek en motivering Archeologie Op basis van de Archeologische Waarden- en Beleidskaart van de gemeente Spijkenisse is het besluitgebied gelegen in gebied met een redelijk hoge archeologische verwachting. De archeologische waarden zijn te verwachten vanaf een diepte van 50 cm onder het maaiveld. Grondwerkzaamheden (inclusief heien) die een oppervlakte beslaan van meer dan 200 m² en tevens dieper reiken dan 50 cm beneden het maaiveld dienen te worden getoetst op de noodzaak van archeologisch onderzoek. Voor het plangebied is door Archeologie Rotterdam (BOOR) de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld:

datum referentie

31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0

Op verzoek van de gemeente Nissewaard heeft Archeologie Rotterdam (team Beheer en Beleid) een Programma van Eisen voor de uitvoering van een verkennend en karterend veldonderzoek opgesteld. In juli 2024 heeft ADC ArcheoProjecten op basis van dit Programma van Eisen een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Rapportage van dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hieruit volgt dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Geadviseerd wordt derhalve het besluitgebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Cultuurhistorie De cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland geeft een overzicht van cultuurhistorische kenmerken en waarden in deze provincie. Het is een overzicht op hoofdlijnen, bijvoorbeeld van waardevolle verkavelingspatronen, gebieden met een archeologische verwachtingswaarde of monumentale boerderijlinten. Dit is het schaalniveau waarop de provincie beleid voert. De cultuurhistorische kaart - ook aangeduid als Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) kent 3 verschillende thema's: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. Uit de cultuurhistorische waardenkaart volgt dat het besluitgebied niet is gelegen is in een gebied van provinciaal cultuurhistorisch belang. Ook is er geen cultuurhistorische bebouwing aanwezig.

Zie ook paragraaf 3.2.1 met betrekking tot de kwaliteitskaart van de provincie Zuid-Holland (laag van de beleving). Gelet op de aard en omvang van onderhavig initiatief wordt bovendien geen afbreuk gedaan aan de aanwezige cultuurhistorische waarden in de omgeving. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen belemmering vormen voor onderhavige ontwikkeling.

datum referentie

31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0

3.1.11 Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen Toetsingskader Het Bkl bevat regels voor nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte en het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. Onderzoek en motivering Voor de inrichting van de openbare ruimte is een separaat ontwerp openbare ruimte opgesteld. Dit zal nog verder uitgewerkt worden in een civieltechnisch ontwerp. Het overbruggen van hoogteverschillen (waaronder de entree tot de parkeergarage, de aansluitingen op bestaande wegen en borging van integrale toegankelijkheid) zal hierbij worden meegenomen, evenals het water op straat en de situatie ten aanzien van de omliggende bestaande bebouwing (waaronder fundering op staal).

Ontwerp Callaplein, OZ architecten.

Conclusie De toegankelijkheid van de openbare buitenruimte wordt nader uitgewerkt in een separaat ontwerp. Hieruit volgen geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling. 3.1.12

Overige instructieregels Bkl

Instructieregel

Paragraaf Bkl

Slagschaduw van windturbines

5.1.4.4a

Motivering nvt Landsverdediging Motivering nvt

datum referentie

31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0

5.1.7.2

Rijksvaarwegen

5.1.7.4

Motivering nvt Landelijke fiets- en wandelroutes

5.1.7.6

Motivering nvt Hyperscale datacenters

5.1.7.7

Motivering nvt Voorkomen belemmeringen hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen

5.163

Motivering nvt Lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool

5.165

Motivering nvt Bebouwingscontour houtkap

5.165b

Motivering nvt 3.1.13 Verkeer en parkeren Toetsingskader Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving. Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. De richtlijnen vanuit het CROW zijn met de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven bestaan. De gemeente beschikt over de Nota Parkeernormen parkeerbeleid. Zie ook: https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR682918. Onderzoek en motivering De verkeersgeneratie van functies, het afwikkelen van het verkeer door de gemeente en het voorzien in voldoende parkeergelegenheid bij functies zijn van belang bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Verkeersen parkeeroverlast moet voorkomen worden. Bij nieuwe ontwikkelingen dienen deze onderwerpen op hun gevolgen voor de leefomgeving beoordeeld te worden. Bij het bepalen van de verkeersgeneratie die het planvoornemen met zich meebrengt dienen de kengetallen van het CROW te worden geraadpleegd. De cijfers van het CROW maken onderscheid naar stedelijkheidsgraad en woonmilieu. Het besluitgebied ligt binnen de zone ‘schil centrum’ in een ‘sterk stedelijk’ gebied. In het kader van ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit inzichtelijk te worden gemaakt dat redelijkerwijs in de benodigde parkeerplaatsen duurzaam kan worden voorzien.

Voor het bepalen van de parkeervraag is derhalve aansluiting gezocht bij de gemiddelde parkeernorm zoals deze geldt op basis van CROW-publicatie 381 ‘Kerncijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Verkeer

datum referentie

31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0

Met het plan wordt voorzien in 124 koopwoningen verdeeld over diverse woningtypen en groottes. Op basis van een worst case berekening van de verkeersgeneratie, uitgaande van het gemiddelde binnen de bandbreedte van de kencijfers voor dure koopappartementen binnen de zone ‘rest’ in een ‘sterk stedelijk’ gebied (6,8 mvt/etmaal per woning), zorgt het plan voor een verkeersgeneratie van (6,8 x 124 =) 843,2 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. In de huidige situatie is ter plaatse van het besluitgebied een meubelwinkel aanwezig met een bvo van circa 1.200 m2. Op basis van de CROW-kencijfers voor een ‘woonwarenhuis/woonwinkel’ geldt hiervoor een gemiddelde verkeersgeneratie per 100 m2 bvo van 7,85 mvt/etmaal. Dit levert voor de bestaande situatie een verkeersgeneratie op van (12 x 7,85 =) 94,2 mvt/etmaal. Dit resulteert per saldo in een toename aan verkeersbewegingen als gevolg van onderhavige herontwikkeling van (843,2 – 94,2 =) 749 mvt/etmaal.

De verkeersafwikkeling zal plaatsvinden via de bestaande wegenstructuur, via de Winston Churchilllaan richting het kruispunt met de Groene Kruisweg en vanaf het kruispunt zal het verkeer zich over alle richtingen splitsen. In het uitgevoerde akoestisch onderzoek (zie bijlagen) is op basis van de verkeersgegevens van de gemeente Nissewaard voor de omliggende wegen de verwachte etmaalintensiteit (mvt/etmaal) voor het jaar 2034 berekend (zie bovenstaande uitsnede). Gelet op de aanwezige capaciteit van de omliggende wegen en de beperkte verkeerstoename als gevolg van onderhavige ontwikkeling worden derhalve geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de verkeersafwikkeling. Parkeren De besluitvorming over het benodigd aantal parkeerplaatsen bij de (her)ontwikkeling van locaties of functiewijzigingen vraagt om een uniforme aanpak. Parkeernormen zijn een hulpmiddel bij het realiseren van een duurzaam aanbod aan parkeervoorzieningen. De gemeente Nissewaard hanteert hiervoor de Parkeernormennota 2022. In de parkeernormennota worden de berekeningswijze van de parkeerbehoefte en de parkeernormen voor tal van functies binnen de gemeente Nissewaard beschreven. Op basis van het gemeentelijk parkeerbeleid is sprake van de volgende parkeerbehoefte.

Voor studio’s en kleine appartementen wordt gelet op de grootte de parkeernorm van een kleine eenpersoonswoning (tiny house) van 0,7 (inclusief bezoekersparkeren) gehanteerd. Voor de driekamer appartementen geldt de norm van een goedkope etagewoning van 1,7 parkeerplaats per woning en voor loftwoningen van 1,9 parkeerplaats per woning. Voor de woonwerkruimtes geldt een norm van 1,6 parkeerplaats (per 100 m2 bvo). Dit resulteert in een benodigde parkeercapaciteit van 113,28 (114) parkeerplaatsen. Met het realiseren van 110 parkeerplaatsen in de inpandige parkeergarage zal vrijwel volledig voorzien worden in voldoende parkeerplaatsen in het gebouw. Met betrekking tot parkeren buiten het gebouw, ten behoeve van het restant van de benodigde parkeercapaciteit en de nog nader in te vullen commerciële ruimte in de plint van het gebouw, voert de gemeente Nissewaard op dit moment nog een parkeerdrukmeting uit. De resultaten hiervan zijn nog niet bekend en derhalve nog niet meegenomen in onderhavige onderbouwing. Bovendien is in het ontwerp ruimte gereserveerd voor het realiseren van voldoende fietsenplekken conform de Amsterdamse BouwBrief (=ABB).

datum referentie

31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0

Type Studio >30 m2 2 kmr app tot 50 m2 3 kmr app 68 m2 3 kmr app 78 m2 Woon/werkruimtes (kantoor – zonder baliefunctie) Loft 100m2

Aantal 21 77 13 5 4 (totaal 405 m2)

Parkeernorm 0,7 0,7 1,7 1,7 1,6

Totaal 14,7 53,9 22,1 8,5 6,48

4 124

1,9

7,6 113,28

Conclusie Er wordt voorzien in voldoende ruimte om te kunnen voldoen aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 3.1.14 Duurzaamheid en gezondheid Toetsingskader De bruidsschat kent een artikel over energiebetreffende maatregelen. Hieraan moet worden voldaan. Onderzoek en motivering Duurzaamheid Duurzaamheid is in de Omgevingswet geborgd via artikel 1.3 en 2.1. In artikel 1.3 Ow zijn de maatschappelijke doelen van de wet als volgt verwoord: “Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: • bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en • doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften”. Artikel 2.1 Ow geeft vervolgens aan dat bestuursorganen van een gemeente, provincie, Rijk of Waterschap hun taken en bevoegdheden op grond van deze wet uitoefenen met het oog op de doelen van deze wet, zoals dus ook de belangrijke doelen neergelegd in artikel 1.3 Ow. Artikel 1.3 Ow geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving.

Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling geborgd voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving. Het vergt een in de wet voorziene samenhangende benadering vanaf het begin van de besluitvorming van alle relevante belangen: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen. Het belangrijkste instrument voor duurzame ontwikkelingen is de Omgevingsvisie van de gemeente. In deze visie worden de duurzaamheidsdoelen benoemd. Deze doelen spelen een belangrijke rol bij het afwegen van nieuwe ontwikkelingen. Ook is het mogelijk om in het omgevingsplan maatwerkregels op te nemen met betrekking tot energieprestatie en milieuprestatie bij nieuwbouw van gebouwen en daarbij strengere grenswaarden op te nemen dan de in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) geformuleerde landelijke normen. De omgevingsvisie van de gemeente Nissewaard is nog in ontwikkeling. Naar verwachting wordt deze visie in 2025 ter vaststelling voorgelegd aan de gemeenteraad. Met het Programmaplan Duurzaamheid wordt momenteel invulling gegeven aan de duurzame ambities binnen de gemeente Nissewaard. Dit programmaplan is een lokale uitwerking van Europees, nationaal en regionaal beleid. Duurzaamheid gaat om meer dan alleen het terugdringen van CO2-uitstoot of het minimaliseren van het restafval. Het gaat om bewustwording en het besef dat een

datum referentie

31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0

duurzame manier van leven en ondernemen, tegenwoordig een zeer haalbare en zelfs rendabele toekomst is. De ambities voor 2050 bestaan uit: • Energieneutraal en aardgasvrij: In 2030 is 27% van de energie die in één kalenderjaar wordt verbruikt binnen de gemeente Nissewaard, CO2-neutraal en in eigen beheer opgewekt binnen Voorne-Putten. In 2050 is de gemeente Nissewaard energieneutraal: alle energie die wordt gebruikt is lokaal en op duurzame wijze opgewekt; • Klimaatbestendig en waterrobuust: In 2030 zijn het aantal knelpunten als gevolg van extreem weer in de openbare ruimte minimaal gelijk aan het niveau van 2020, het percentage groen ten opzichte van het percentage verharding in de bebouwde omgeving is toegenomen. In 2050 is de gemeente Nissewaard klimaatbestendig en waterrobuust ingericht: er is minimale overlast door de gevolgen van klimaatverandering, waaronder extreme regenval, hitte en droogte en de stijgende zeespiegel.

Impressiebeelden groenblauwe daktuin. Bron: OZ architecten, 2024.

Met onderhavig plan wordt op concrete wijze een bijdrage geleverd aan de gestelde duurzaamheidsambities van de gemeente Nissewaard. In het ontwerp bevindt zich tussen de woongebouwen een parkeergarage met daarop een groenblauwe daktuin. In het dakpakket is rekening gehouden met waterberging en voldoende gronddekking voor groter groen. Hiermee wordt ingespeeld op toekomstige klimaatverandering (klimaat adaptief bouwen). De woningen worden gasloos opgeleverd en voor het opwekken van energie zullen er op de hogere daken PV panelen (zonnepanelen) geplaatst worden. Rond het gebouw zal een beperkte ruimte voor de bouwwerkzaamheden beschikbaar zijn, daarom zal onderzocht worden welke verschillende prefab methodieken beschikbaar zijn om snel en duurzaam te kunnen bouwen. Klimaat adaptatie Om zorg te dragen voor een duurzame leefomgeving wordt met onderhavige ontwikkeling aandacht besteed aan klimaatadaptatie in de vorm van een groenblauwe daktuin en het opvangen en vasthouden van hemelwater in waterbergende voorzieningen (zie paragraaf 3.1.2). Uit oogpunt van het aspect ‘klimaatadaptie’ wordt het plan daarmee uitvoerbaar geacht. Meer specifiek volgt uit artikel 7.41a van de Omgevingsverordening Zuid-Holland dat in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, uitgewerkt in de volgende thema’s: A.

Wateroverlast door overvloedige neerslag: Een van de klimaateffecten is dat korte maar hevige buien naar verwachting steeds vaker zullen voorkomen. Dit klimaateffect heeft een grote impact in bewoond gebied. Uit de weging van het waterbelang zoals opgenomen in paragraaf 3.1.2 en in de bijlagen volgt dat de omgeving van het besluitgebied gelet op de Klimaateffectatlas gevoelig is voor wateroverlast. Uitgangspunt van het ontwerp is dat er binnen het plan voldoende waterbergend vermogen aanwezig zal zijn om wateroverlast te beperken. Er zal zo sprake zijn van minder afvoer naar het hemelwaterriool/oppervlaktewater en meer mogelijkheid van een natuurlijke verwerking van regenwater;

datum referentie

31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0

B.

Overstroming: Door klimaatverandering stijgt de zeespiegel en neemt de neerslag toe. De overstromingsdieptekaart (https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten) geeft een goed beeld van de blootstelling bij een overstroming. Uit deze kaart volgt dat er binnen het besluitgebied slechts een kleine kans is op het voorkomen van een overstroming; C. Hitte: Verharde gebieden als wegen en huizen warmen overdag op en blijven ’s nachts beduidend warmer dan landelijke gebieden. Dit wordt het stedelijk hitte-eiland effect genoemd. Verharding speelt hierin een belangrijke rol, hoe meer een buurt verhard is des te groter de kans op een hitte-eiland. Andersom vermindert de aanwezigheid van groen het hitte-eiland effect. Groen zorgt voor verdampingskoeling en biedt schaduw. Aandacht voor groen vindt in het plan plaats door middel van een daktuin, waarin ook waterberging kan worden gerealiseerd. Door op het dak een retentielaag met daarop beplanting (sedum, grassen) aan te brengen kan water worden geborgen en vertraagd worden afgevoerd; D. Droogte: Uit de droogtestresskaart behorende bij de Klimaateffectatlas (https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/droogtestress) volgt dat er voor het besluitgebied geen risico aanwezig is op droogtestress. Bovendien geldt dat het water dat in de groenblauwe daken wordt geborgen voor een deel kan worden gebruikt om de beplanting op het dak van water te voorzien.

Hiermee kan droogte binnen de ontwikkeling worden tegengegaan. Gezondheid De Omgevingswet bevat instrumenten die overheden kansen bieden om de leefomgeving op een gezonde manier te beïnvloeden. Door de integrale benadering van de leefomgeving via de instrumenten van de Omgevingswet, kan gezondheid eerder een plek krijgen in de ruimtelijke afweging. Daarmee kan gezondheid een meer sturende rol krijgen. De Omgevingswet bevat de volgende artikelen die ingaan op het thema gezondheid: • In artikel 1.3 staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. • In artikel 3.3 staat dat het bevoegd gezag in de omgevingsvisie rekening moet houden met het voorzorgsbeginsel en andere milieubeginselen. • In artikel 2.1 lid 4 staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. • Over gezondheid in de omgevingsvergunning gaan de artikelen 5.32 en 5.42 lid 4 van de Omgevingswet en de artikelen 8.101 en 8.102 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze artikelen zien op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam of zuiveringtechnisch werk en milieubelastende activiteiten.

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl (paragraaf 5.1.4) een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Ook voldoende groen en speel- en sportvoorzieningen kunnen bijdragen aan (een gevoel van) een gezonde fysieke leefomgeving. In paragrafen 3.1.3 t/m 3.1.8 worden de aspecten luchtkwaliteit, geluid, geur, trillingen en bodem behandeld. Concluderend volgt uit de afzonderlijke behandeling van de gezondheid gerelateerde aspecten van de fysieke leefomgeving een afgewogen evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

datum referentie

31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0

Conclusie Met onderhavig initiatief wordt invulling gegeven aan een duurzame en gezonde leefomgeving. 3.1.15 Milieubelastende activiteiten Toetsingskader Een milieubelastende activiteit is een activiteit die nadelige gevolgen kan veroorzaken voor het milieu. Het Rijk stelt via het Bkl rijksregels op voor milieubelastende activiteiten. Waar dit niet geregeld is door het Rijk, kunnen decentrale overheden aanvullende regels stellen in een omgevingsplan. Onderzoek en motivering Bij het beoordelen of sprake is van balans tussen milieubelastende activiteiten en daarvoor gevoelige functies werd tot 1 januari 2024 veelvuldig gebruik gemaakt van de VNG-handreiking ‘bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. Er wordt gewerkt aan een opvolger van deze handreiking, maar deze is momenteel nog niet beschikbaar. Uitgangspunt van de systematiek van activiteiten en milieuzonering is dat voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies leidt tot balans tussen deze verschillende functies binnen een gebied. Op deze manier kan gestreefd worden naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Omdat de opvolger van de VNG-handreiking ‘bedrijven en milieuzonering’ momenteel nog niet beschikbaar is, zal voor de beoordeling gebruik worden gemaakt van de VNG-handreiking ‘bedrijven en milieuzonering’ uit 2009.

In deze handreiking zijn richtafstanden voor verschillende bedrijfstypen opgesteld welke aanvaardbaar worden geacht ten opzichte van milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals woningen), waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijf)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. In de handreiking zijn bedrijven ingedeeld in verschillende milieucategorieën, waarbij geldt: hoe hoger de milieucategorie, hoe zwaarder de milieubelasting. De richtafstanden tussen bedrijven en milieuhinder gevoelige bestemmingen nemen dus toe naarmate een bedrijf in een hogere milieucategorie wordt ingedeeld. De VNGpublicatie onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. Het besluitgebied ligt in een gebied dat kan worden gekenmerkt als ‘gemengd gebied’. Het besluitgebied wordt naast woningen immers ook omgeven door centrumfuncties, bedrijvigheid en dienstverlening, waarmee sprake is van functiemenging van milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Richtafstanden kunnen derhalve met één afstandstrap verlaagd worden. Het initiatief maakt de realisatie van woningen mogelijk, waardoor ter plaatse gevoelige functies worden toegevoegd.

Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van deze bedrijvigheid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De woningen binnen het besluitgebied bevinden zich nabij de richtafstand van enkele omliggende milieubelastende functies. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van. Hierbij is gemeten vanaf de grens van het besluitgebied tot de grens van de milieubelastende functie. Uit de tabel is af te lezen dat voor alle omliggende milieubelastende functies aan de richtafstanden kan worden voldaan. Een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen is daarmee gewaarborgd. Omgekeerd betekent dit ook dat onderhavige ontwikkeling omliggende bedrijven niet in hun bedrijvigheid belemmert. Bovendien geldt dat de bestaande tussenliggende woningen maatgevend zijn voor omliggende hindergevende milieubelastende activiteiten. Vanwege het beëindigen van de huidige bedrijvigheid / milieubelastende activiteit ter plaatse van de Hoogwerfsingel 1a vindt overigens een verbetering van het woon- en leefklimaat plaats voor de bestaande omliggende woningen.

datum referentie

31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0

Milieubelastende functie

Locatie

Gemengd* Centrum Bedrijf Dienstverlening Bedrijf (nutsvoorziening)

Max. milieucategorie 1 2 2 2 2

Hoogwerfsingel 2 Callaplein 1 Cosmeastraat 36 Winston Churchilllaan 25 Winston Churchilllaan achter nr. 25 * wordt beëindigd als gevolg van de beoogde ontwikkeling HWS II.

Richtwaarde VNG (gemengd gebied) 0 meter 10 meter 10 meter 10 meter 10 meter

Afstand tot besluitgebied 20 meter 20 meter 40 meter 45 meter 60 meter

Conclusie Binnen het besluitgebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat verzekerd. Het initiatief belemmert omliggende milieubelastende activiteiten niet in hun bedrijfsvoering. 3.1.16 Natuur Toetsingskader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Onderzoek en motivering Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is in mei 2024 door Veldbiologische Werken een ‘Quickscan Omgevingswet Fysieke Leefomgeving – natuur’ uitgevoerd. Voor het aspect Fysieke leefomgeving – natuur dient formeel aangetoond te worden dat er met de activiteit geen beschermde natuur en/of flora en fauna wordt geschaad of gedood. Om aantoonbaar te maken of in het plangebied beschermde flora- en fauna aanwezig is of mogelijk aanwezig kan zijn, is de quickscan een eerste opname, het verkennend onderzoek.

Met de quickscan wordt tevens een advies gegeven ten aanzien van ecologisch waardevolle componenten in het plangebied en mogelijkheden om deze te consolideren en te versterken. Rapportage van de uitgevoerde quickscan is als bijlage toegevoegd. Gebiedsbescherming Natura 2000 Het besluitgebied valt buiten de begrenzing van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Oude Maas’ ligt op een afstand van circa 2 km. Significante negatieve effecten op Natura-2000 gebied kunnen zijn: oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, verstoring door trilling, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en beschadiging van beschermde flora en fauna. Afgaande op de huidige inrichting en het ontbreken van biotoop voor beschermde soorten en waarnemingen binnen of nabij het besluitgebied van kernsoorten, icoonsoorten of doelsoorten voor beschermde natuur heeft het besluitgebied vooralsnog geen kernwaarden die aansluiten bij of ondersteunend zijn aan de (kern)waarden van het Natura-2000 gebieden. Nader onderzoek naar significant negatieve effecten hoeft niet te worden uitgevoerd in een passende beoordeling, echter geldt dit niet voor de emissie van stikstof.

Er dient een stikstofberekening te worden gemaakt voor de voorgenomen sloopactiviteiten en nieuwbouw en er dient een emissiereductieplan opgesteld te worden waarin aantoonbaar wordt hoe de emissie van materieel en materiaal wordt gereduceerd (Emissiereductieplicht Bbl). Op het aspect stikstof wordt nader ingegaan in paragraaf 3.1.16. Gebiedsprofielen Provincie Zuid-Holland

datum referentie

31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0

Binnen de Provincie Zuid-Holland is sprake van Groenblauwe zones en Gebiedsprofielen, deze zijn ruimtelijk gezien verbonden met het Nederlands NatuurNetwerk. Zowel het Nederlands NatuurNetwerk als de Groenblauwe zones en Gebiedsprofielen kent kernkwaliteiten welke zijn vastgelegd. Deze kernkwaliteiten mogen niet worden geschaad of benadeeld. De kernkwaliteiten kunnen ook worden versterkt. In de Omgevingsverordening van de Provincie omschrijft zij welke regels de Provincie Zuid-Holland hanteert om diens Omgevingsbeleid te waarborgen. Voor het besluitgebied en het direct omliggende gebied zijn geen gebiedsprofielen bekend of toegekend die kenmerkend zijn voor de Provincie Zuid-Holland. Direct nabij het besluitgebied ligt geen Nederlands Natuurnetwerk. Binnen Spijkenisse en binnen de wijk Hoogwerf liggen verschillende aangewezen gebieden voor de groenblauwe zone. Dit groenblauwe netwerk en omwonenden werken actief aan het behouden van de groenblauwe natuur. Binnen of zeer nabij het besluitgebied liggen geen Groenblauwe zones die van toepassing zijn.

Soortenbescherming Uit de bevindingen van het veldonderzoek, het literatuur- en bronnenonderzoek en toetsing van de resultaten van dit onderzoek aan de Omgevingswet en de Omgevingsverordening Zuid-Holland, blijkt dat bij uitvoering van de voorgenomen ingrepen mogelijk verstoring, schade en/of vernietiging kan worden veroorzaakt aan verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten. Voor zover noodzakelijk zal nader vleermuizenonderzoek worden uitgevoerd tijdens de procedure op de daartoe gezette tijden en overeenkomstig de geldende protocollen. Indien hieruit de aanwezigheid van vleermuizen blijkt, zal op basis van een mitigatieplan met mitigerende maatregelen of het opstellen van een gebiedsgericht soortenmanagementplan (SMP) de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd moeten worden. De aanwezigheid van andere beschermde faunasoorten en beschermde flora (vaatplanten) is redelijkerwijs uit te sluiten. Er wordt geadviseerd om zorgplicht toe te passen t.a.v. broedende vogels en vrijgestelde zoogdieren. Houtopstanden Er worden geen bomen in houtopstand gekapt, of struweel verwijderd. Stikstof Met de invoering van de Omgevingswet is de Wet natuurbescherming komen te vervallen. Dit houdt in dat het beschermen van natuurwaarden nu onder andere terechtkomt in het Omgevingsplan.

Bij een wijziging van een omgevingsplan moet een afweging gemaakt worden over een Natura 2000-activiteit. Hieronder wordt het volgende verstaan: “activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied”. Middels een AERIUS-berekening dient aangetoond te worden of er in de realisatie- en gebruiksfase sprake is van significante stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. In 2024 is door De Essentie een voortoets stikstof en berekening stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000gebieden uitgevoerd. Rapportage van dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Uit de berekeningen volgt dat zowel in de bouwfase als in de gebruiksfase er geen sprake is van significante stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Gebaseerd op deze resultaten geldt er geen vergunningsplicht. Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het plan. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

datum referentie

31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0

3.1.17 M.e.r. Toetsingskader Onderdeel van de motivering van een BOPA-aanvraag, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Of een besluit over een project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Onderzoek en motivering Onderzocht dient te worden of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Op basis van een projectmer-beoordeling (zie bijlage) dient de gemeente een separaat besluit te nemen omtrent het al dan niet opstellen van een milieueffectrapportage en het doorlopen van een m.e.r.-procedure. Gelet op de aard en omvang van het planvoornemen zullen de potentiële effecten, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, dusdanig beperkt zijn dat deze geen belangrijke nadelige milieugevolgen hebben die het doorlopen van een m.e.r.procedure noodzakelijk maken. Conclusie Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten, er is geen milieueffectrapportage benodigd. 3.1.18 Welstand Toetsingskader Onder de Omgevingswet loopt het welstandstoezicht via het omgevingsplan (artikel 4.19 Omgevingswet). In het omgevingsplan kan de gemeente regels opnemen over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken.

Als de regels over het uiterlijk van de bouwwerken uitleg nodig hebben, moet de gemeenteraad beleidsregels vaststellen voor de beoordeling of een bouwwerk aan de regels voldoet. In het omgevingsplan kan vervolgens naar deze beleidsregels verwezen worden. Artikel 22.29 lid 1 onder b van de bruidsschat bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets. Beoordeling en conclusie De ‘Welstandsnota Nissewaard 2017’ bevat de basisvoorwaarden, waaraan de bouwaanvragen op welstandaspecten getoetst zullen worden. In 2018 is deze nota herzien. In de welstandsnota staat beschreven aan welke kwaliteitscriteria een bouwwerk moet voldoen. De kwaliteitscriteria gaan over het uiterlijk en de verschijningsvorm van een gebouw. Kleine plannen worden ambtelijk getoetst aan sneltoetscriteria en wanneer een bouwwerk niet aan de sneltoetscriteria voldoet wordt het alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie. Grote of afwijkende plannen worden getoetst door de welstandscommissie.

Wanneer het bouwwerk of de omgeving een monumentale beschermde status heeft wordt er getoetst door de erfgoedcommissie. In bijzondere gevallen kan de welstandscommissie of erfgoedcommissie op basis van de architectonische kwaliteit van het voorstel gemotiveerd afwijken van de toetsingscriteria. Het voorliggende plan is in een vooroverleg met de welstandscommissie besproken. De commissie heeft waardering uitgesproken voor het zorgvuldig ontworpen woongebouw met parkeergarage. Voor de verdere uitwerking zijn enkele aandachtspunten geformuleerd. Het plan wordt op basis van de beoordeling van 30 april 2024 aangehouden en zal na verdere uitwerking van het ontwerp opnieuw beoordeeld worden.

datum referentie

31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0

3.1.19 Windhinder en bezonning Toetsingskader De aspecten windhinder en bezonning zijn aspecten van de fysieke leefomgeving. Hierdoor vormt het onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Omgevingswet) in het omgevingsplan. De rijksoverheid heeft voor deze aspecten van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen. Daarbij kan de gemeente gebruikmaken van alle mogelijkheden van het instrument omgevingsplan. Beoordeling Windhinder Er bestaat geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Het inpassen van de nieuwbouw zal echter leiden tot een wijziging van het lokale windklimaat. Dit kan zorgen voor een situatie die als onprettig of gevaarlijk wordt ervaren. Daarnaast vragen de functies van de gebouwen en het verwachte gebruik van de openbare buitenruimte om een acceptabel comfortniveau ten aanzien van wind. Het is dan ook noodzakelijk gelet op de hoogte van de beoogde nieuwbouw het windklimaat inzichtelijk te maken, zodat mogelijke knelpunten kunnen worden aangepakt. De normstelling betreffende het windklimaat in de openbare ruimte vindt haar oorsprong in NEN 8100:2006. In april 2024 is door Actiflow een CFD-onderzoek naar windhinder en windgevaar uitgevoerd voor de beoogde ontwikkelingen Hoogwerfsingel I en II.

Rapportage van dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Uit de resultaten blijkt dat er in de toekomstige situatie een sterk gevarieerd windklimaat zal optreden op en rondom de Hoogwerfsingel I en II. De optredende condities rondom de nieuwbouw worden gekenmerkt door windhinderklassen A en B (matig tot goed voor iedere activiteit) tot en met windhinderklasse D (matig geschikt voor de activiteit doorlopen). Rondom de ontwikkeling Hoogwerfsingel I heerst aan de noord- en oostgevel een windluw windklimaat met voornamelijk windhinderklasse A. Halverwege de oostgevel is er een kleine zone met klasse B en C, deze wordt veroorzaakt doordat de wind stroomt door de open parkeergarage de Anjerstraat in. Aan de zuid- en westgevel van Hoogwerfsingel I is er een windrijker klimaat met een grote zone met klasse B en in de Winston Churchilllaan grote zones met klasse C, goed geschikt voor de activiteit doorlopen, maar matig voor de activiteit slenteren. Ook nabij de zuidoosthoek is een zone met windhinderklasse C te vinden. Rondom zowel Hoogwerfsingel I als II is geen risico op windgevaar gevonden. Bezonning Met bezonning wordt gedoeld op voldoende zon op de gevel en de schaduwwerking van gebouwen. Voor bezonning bestaat geen wet- en regelgeving.

Gelet op de hoogte van de beoogde nieuwbouw is in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties een bezonningstudie uitgevoerd. Rapportage van deze bezonningstudie is in de bijlagen opgenomen. In deze bezonningsstudie wordt de huidige situatie op maatgevende data en tijdstippen vergeleken met de beoogde situatie. Hierin vormt de ‘lichte TNO-norm’, de meest gebruikte norm in bezonningsstudies, het uitgangspunt. De gemeente Nissewaard heeft geen eigen bezonningsbeleid. Uit de bezonningstudie volgt dat de ontwikkeling van de Hoogwerfsingel I significante impact heeft op de hoeveelheid bezonningsuren op de bestaande bebouwing. Op meerdere plekken komt in de nieuwe situatie minder dan 2 uur zon op de vensterbank op het maatgevend moment van 19 februari, terwijl dit in de huidige situatie wel het geval was. Enkele woningen in het woonzorgcentrum aan de Winston Churchilllaan en verschillende woningen in het appartementenblok aan de Anjerstraat voldoen in de nieuwe situatie niet aan de lichte TNO-norm. Gelet op het urgente belang van de bouw van betaalbare woningen wordt overwogen dat onderhavige ontwikkeling ondanks de veroorzaakte schaduwwerking voor een beperkt aantal woningen desondanks tóch aanvaardbaar is.

datum referentie

31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0

Conclusie De aspecten windhinder en bezonning vormen geen belemmering voor het woningbouwplan. 3.1.20 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant: A. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; B. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; C. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; D. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; E. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico’s met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling en conclusie Ter plaatse van het besluitgebied zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Ten behoeve van de toekomstige stroomvoorziening is overleg gevoerd met Stedin. Hieruit volgt dat er capaciteit beschikbaar is. Een KLIC melding is uitgevoerd en levert met wat omleggingen geen problemen op. Het aspect kabels en leidingen staat daarmee de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

3.1.21 Beperkingsgebieden Toetsingskader Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. De beperkingen kunnen een vergunningplicht inhouden, of bestaan uit algemene regels. Beoordeling en conclusie Het besluitgebied is niet gelegen in een beperkingengebied waarvoor regels gelden die gevolgen hebben voor onderhavige ontwikkeling.

datum referentie

31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0

3.2 Provincie Deze paragraaf geeft weer welke regels van de provincie relevant zijn. Thema Vaarwegbeheer Motivering nvt Wegbeheer Motivering nvt Ruimtelijke kwaliteit Motivering: zie paragraaf 3.2.1 en 3.2.2 Stiltegebied Motivering nvt Grondwaterbescherming Motivering nvt Stortplaatsen Motivering nvt

Paragraaf ZHOV 7.1.4

Relevant? Ja / Nee

7.1.5

Ja / Nee

7.3.7

Ja / Nee

7.5.2

Ja / Nee

7.5.3

Ja / Nee

7.5.6

Ja / Nee

3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Toetsingskader Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. De Omgevingsvisie is nadien een aantal keer herzien/gewijzigd. Provinciale Staten hebben op 1 april 2023 de laatste wijziging doorgevoerd in de Omgevingsvisie Zuid-Holland. De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie ZuidHolland. Het Omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. De provincie ZuidHolland heeft in de Omgevingsvisie zeven richtinggevende ambities geformuleerd. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten; Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor; Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen; Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland; Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving; Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit; Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving.

De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Beoordeling De provinciale ambities zijn vertaald in beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. Voor de beoogde ontwikkeling zijn de volgende opgaven relevant:

datum referentie

31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0

Verstedelijking De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. De provincie hanteert de volgende uitgangspunten voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen: • Bouw naar behoefte; • Bouw primair binnen bestaand stads- en dorpsgebied; • Bouw georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer; houdt rekening met de gevolgen van de ontwikkeling voor de bereikbaarheid; versterk de langzaam vervoersrelaties; • Bouw voldoende betaalbare woningen; • Benut het netwerk van stedelijke centra en knooppunten; • Bouw toekomstbestendig; houd rekening met bodemdaling en klimaatadaptatie en -mitigatie, vitale dorpen en verstedelijking, functiemenging en meervoudig ruimtegebruik, economische toplocaties, gezonde verstedelijking, energietransitie, circulair en natuurinclusief bouwen; • Realiseer in samenhang met het stedelijk netwerk robuuste en klimaatadaptieve recreatie- en natuurgebieden. Als een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ doorlopen.

Toepassing is ook van provinciaal belang. Naast de locaties voor mogelijke uitbreiding zijn er veel kansen voor inbreiding en verdichting in de bestaande kernen. Specifiek zijn er kansen op de volgende drie locaties: 1) in naoorlogse wijken, 2) in de nabijheid van hoogwaardige openbaar vervoersknooppunten en 3) functiemenging op locaties met detailhandel, kantoren en bedrijven. Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied gerealiseerd kunnen worden, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten. Het besluitgebied is gelegen binnen het bestaand stadsgebied van Spijkenisse. Met onderhavige ontwikkeling is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik van de bestaande bebouwde ruimte door middel van verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Het plan is hiermee passend binnen de provinciale uitgangspunten voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen en voldoet daarbij aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ (zie hiervoor paragraaf 3.1.9). Ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit.

In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). De essentie van ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten aan toevoegen die te maken hebben met de samenleving van vandaag. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkelingen: inpassing, aanpassing en transformatie. Met het woningbouwplan is sprake van ‘inpassing’ binnen bestaand stadsgebied. De ontwikkeling is gebiedseigen,

datum referentie

31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0

voorziet geen wijzigingen op structuurniveau en is passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. Gelet op het ontwerp (zie paragraaf 2.2) wordt een hoogwaardige, duurzame en toekomstbestendige woonlocatie gerealiseerd waarbij met respect wordt omgegaan met de huidige identiteit van het gebied. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Kwaliteitskaart De kwaliteitskaart is voor de provincie Zuid-Holland een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen. De kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van ZuidHolland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De kwaliteitskaart biedt een middel om vroeg in het planproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. Het verbinden van nieuwe ontwikkelingen aan de bestaande gebiedskenmerken vormt hierbij uitgangspunt.

Laag van de ondergrond Het besluitgebied is gelegen binnen de aanduiding ‘Rivierdeltacomplex – jonge zeeklei’. Hiervoor geldt het richtpunt dat ontwikkelingen bijdragen aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. Gelet op de ligging van het besluitgebied binnen bestaand stedelijk gebied staat onderhavige woningbouwontwikkeling het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen niet in de weg.

datum referentie

31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0

Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het besluitgebied is gelegen binnen de aanduiding ‘Rivierdeltalandschappen’. De drie eilanden GoereeOverflakkee, Hoeksche Waard en Voorne-Putten hebben elk een eigen karakter. Dit karakter wordt mede gevormd door de verschillen in afstand tot en de verbinding met het stedelijk gebied, de landschappelijke opbouw van de eilanden zelf en de aard van het omringende water. Versterken van het deltakarakter en vergroten van de diversiteit van karakters van de eilanden draagt bij aan het behoud van diversiteit in de Delta. Een opgave is het om de recreatieve gebruikswaarde van de eilanden te vergroten in combinatie met een gebiedsspecifieke, in de omgeving passende inrichting. Ontwikkelingen aan de rand van de eilanden dienen bij te dragen aan het versterken van het stoere deltakarakter en passen bij de maat en schaal van dijk en open wateren. Ontwikkelingen worden benaderd in het licht van het eiland als geheel, waarbij bijvoorbeeld in Voorne-Putten en Hoeksche Waard een duidelijk verschil zit tussen de ‘dynamische’ noordrand en het ‘luwe’ zuiden. Het besluitgebied ligt binnen de dynamische noordrand van Voorne-Putten. De woningbouwontwikkeling wordt als passend beschouwd binnen de bestaande stedelijke structuur en doet gelet op de aard en omvang geen afbreuk aan het bestaande karakter van Voorne-Putten.

Laag van de stedelijke occupatie Het besluitgebied is gelegen binnen de aanduiding ‘steden en dorpen’. Ten aanzien van dit plan zijn hierbij de volgende richtpunten relevant: • Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. • Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. • Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. • Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur.

datum referentie

31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0

De woningbouwontwikkeling wordt als passend beschouwd binnen de bestaande stedelijke structuur en identiteit van het gebied. De toegepaste architectuur van HWS I vormt een eigentijdse vertaling van de omliggende wederopbouwarchitectuur (zie ook paragraaf 2.2 voor een nadere toelichting op het ontwerp en relatie met de directe omgeving). In paragraaf 3.1.18 wordt nader getoetst aan het aspect welstand en de ‘Welstandsnota Nissewaard 2017’. De welstandscommissie heeft waardering uitgesproken voor het zorgvuldig ontworpen woongebouw met parkeergarage.

Laag van de beleving De vierde laag bestaat uit de beleving van Zuid-Holland en betreft plekken van cultuurhistorische waarde, maar gaat ook over het zorgdragen voor een recreatief toegankelijke provincie met een heldere groenstructuur als basis. Binnen het besluitgebied liggen geen waarden of aanduidingen zoals weergegeven op de laag van beleving. Conclusie Het planvoornemen is passend binnen de uitgangspunten van de provinciale Omgevingsvisie en sluit aan bij de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart.

datum referentie

31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0

3.2.2

Instructieregels provincie (TAM-omgevingsverordening Zuid-Hollandse Omgevingsverordening) Toetsingskader De Omgevingsverordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid. Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke omgevingsplannen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving is artikel 8.0b, eerste lid, onder b, is geregeld dat provinciale instructieregels op grond van artikel 2.22 van de Omgevingswet, dus afdeling 7.3, ook van toepassing zijn bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De bepalingen uit de volgende paragrafen zijn relevant ten aanzien van onderhavig woningbouwplan: § 7.3.6a Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen Artikel 7.41a (risico’s van klimaatverandering) 1. In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte; alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling. 2. Voor zover risico’s aan de orde zijn wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico’s. Artikel 7.41aa (toekomstbestendig bouwen van woningen) 1.

Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met 12 woningen of meer mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden en kansen voor toekomstbestendig bouwen.

datum referentie

31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0

2.

De volgende aspecten van toekomstbestendig bouwen worden in onderlinge samenhang betrokken: a. de risico’s van klimaatverandering; b. de energiehuishouding van de gebouwen, met name het gebruik en de opwekking van energie; c. de toepassing van circulaire of biobased grondstoffen of producten; d. de mogelijkheden om de emissies van NOx en CO2 te beperken in de bouw- en gebruiksfase; e. het reduceren van drinkwatergebruik door waterbesparende maatregelen te treffen; f. het versterken van de biodiversiteit; en g. het realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving.

§ 7.3.7 Ruimtelijke kwaliteit Artikel 7.43 (definitie soort ruimtelijke ontwikkeling) Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: a. inpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied; b. aanpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau; c. transformeren: de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Artikel 7.43a (borgen ruimtelijke kwaliteit) 1. Een omgevingsplan laat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toe als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2. In een omgevingsplan wordt voor het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit rekening gehouden met: a. de beschermingscategorie en het gebiedstype; b. het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren; c. de relevante richtpunten genoemd in bijlage IX, onder A. 3. Voor de gebiedstypen, bedoeld in artikel 7.42, vierde en vijfde lid, zijn de artikelen 7.43h, 7.43i, 7.43j, 7.43k, 7.43l, 7.43m en 7.43n van toepassing tenzij een zwaarwegend openbaar belang aan de toepassing van die artikelen, uitgezonderd artikel 7.43l, in de weg staat.

§ 7.3.8 Stedelijke ontwikkelingen Artikel 7.44 (afgestemde regionale behoefte) Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor wonen, bedrijventerreinen of kantoren mogelijk maakt houdt rekening met de op de behoefteramingen van gedeputeerde staten gebaseerde regionale afgestemde behoefte aan deze ontwikkeling. De regionaal afgestemde behoefte kan blijken uit een geheel of gedeeltelijke instemming met regionale bestuurlijke afspraken door gedeputeerde staten of uit een door gedeputeerde staten openbaar gemaakt document. Artikel 7.45 (ladder voor duurzame verstedelijking) 1. Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt gaat in de motivering in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 2. Als over de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd of die door gedeputeerde staten zijn vastgesteld, dan kan de motivering van de behoefte, bedoeld in artikel 5.129g, tweede lid, onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken.

datum referentie

31 oktober 2024 240422_AdB_BOPA_0001_v3.0

Artikel 7.45b (dichtheid en verscheidenheid woningbouw) 1. Een omgevingsplan voor een stedelijke ontwikkeling met de functie wonen houdt rekening met een zo hoog mogelijke woningdichtheid en draagt bij aan een goede woon- en leefomgeving. 2. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerst lid, betrekt de mogelijkheden voor gevarieerde woningtypen bij het toelaten van woningbouw. Artikel 7.45c (bereikbaarheid) Een omgevingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid. Artikel 7.45f (parkeernorm sociale huur) 1. Een omgevingsplan dat voorziet in nieuwe sociale huurwoningen hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per sociale huurwoning. 2. In afwijking van het eerste lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als er op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren zijn vastgesteld. Artikel 7.45h (functiemenging en meervoudig ruimtegebruik) Een omgevingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor de functies wonen of bedrijven, houdt rekening met de mogelijkheden voor functiemenging en meervoudig ruimtegebruik. § 7.3.8a Wonen Artikel 7.47a (voldoende sociale huurwoningen) 1.

Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met 12 woningen of meer mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen, zijnde huurwoningen met een aanvangsprijs onder de grens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, die minimaal 25 jaar in stand worden gehouden en via een woonruimteverdeelsysteem worden verhuurd. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan 30% sociale huurwoningen of wat hierover is vastgelegd in de afgestemde regionale behoefte als bedoeld in artikel 7.44. 2. Een omgevingsplan als bedoeld in het eerste lid gaat in de motivering in op: a. welke wijze de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in voldoende sociale huurwoningen en hoe die stedelijke ontwikkeling bijdraagt aan het streven naar minimaal 30% sociale huur in de woningvoorraad per gemeente; b. het aandeel sociale huurwoningen in de woningvoorraad van de gemeente en het effect van de stedelijke ontwikkeling op dit aandeel; en c. het aandeel sociale huurwoningen in de woningvoorraad in bezit bij corporaties en het effect van de stedelijke ontwikkeling op dit aandeel. 3. Als over het aandeel sociale huurwoningen in een nieuwe stedelijke ontwikkeling regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd, dan kan de motivering bedoeld in het tweede lid, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14807310/2