ETFAL (ruimtelijke onderbouwing)
Tekst van het document
Later werd gezorgd voor drooglegging en werd de nabijliggende Vierambachtenboezem aangelegd voor ontwatering. Op de locatie zijn nu enkele verouderde bedrijfspanden, een parkeerterrein en een grotendeels leegstaande KPN-centrale gevestigd. Rijkdom en beschikbaarheid natuurlijke hulpbronnen De locatie is niet bestemd als waterwingebied en wordt niet benut voor het gebruik van andere natuurlijke hulpbronnen. Tevens wordt er in de bestaande situatie geen gebruikgemaakt van natuurlijke hulpbronnen. Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is een analyse gedaan naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Echter, behalve gebieden die op grond van de richtlijn als gevoelig worden beschouwd, zijn er ook gebieden waar krachtens nationale en provinciale regels in het kader van deze vormvrije m.e.r.beoordeling rekening mee dient te worden gehouden. Het resultaat van de analyse wordt hierna beknopt gepresenteerd. In de navolgende tabel is de toetsing opgenomen aan alle typen gebieden zoals genoemd in bijlage III van de Richtlijn. Type gebied
Juridisch kader
Relevantie voor de activiteit
Wetlands
Conventie van Ramsar
In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen aangewezen Wetlands aanwezig.
Kustgebieden
Berggebieden en bosgebieden
Het plangebied is niet gelegen in een kustgebied. Wet natuurbescherming
Het besluitgebied is niet gelegen in een bergen bosgebied.
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
25
Reservaten en natuurparken:
Nationale Landschappen zijn benoemd in de Nota Ruimte Nationale Parken zijn onderdeel van het NNN.
Het plangebied ligt niet in een Nationaal Landschap. Het besluitgebied ligt niet in een Nationaal Park / maakt geen onderdeel uit van NNN.
Speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn)
Wet natuurbescherming
In de omgeving van het besluitgebied liggen Natura 2000gebieden (zie verder onder deze tabel).
Gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden
Europese milieurichtlijnen (o.a. kaderrichtlijn Luchtkwaliteit, kaderrichtlijn water)
Het plangebied ligt niet in gebieden waar basis van communautaire wetgeving reeds normen worden overschreden.
-
nationale landschappen nationale parken
Gebieden met hoge bevolkingsdichtheid Landschappen van -
historisch belang cultureel belang beschermd stads- en dorpsgezicht archeologisch belang
Het plangebied is niet gelegen in een gebied met hoge bevolkingsdichtheid. - Verdrag van Valletta Monumentenwet - Gemeentelijk landschapsontwikkelingsplan
In het plangebied zijn geen historische bouwwerken, monumentale panden of structuren met een cultuurhistorische of beeldbepalende waarde te benoemen. Het plangebied heeft op basis van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013’ een lage archeologische Verwachtingswaarde.
Tabel 5.1: Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn
Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu speelt hier niet direct. Zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn, komen niet voor in de directe nabijheid van het plangebied. Op voorhand kan niet worden gesteld dat geen sprake is van negatieve milieueffecten op het Natura 2000 gebied. Daarom wordt in paragraaf 5.9 nader ingegaan op het aspect natuur. Naast de gebiedstypen die specifiek zijn genoemd in bijlage III van de Richtlijn, is getoetst aan de gevoelige gebieden op grond van overig nationale of provinciale wetgeving of beleid.
Type gebied
Juridisch kader
Relevantie voor de activiteit
Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur)
Provinciale omgevingsverordening
Het besluitgebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Gebied geschikt voor beschermde soorten
Wet natuurbescherming
Het besluitgebied is mogelijk geschikt voor beschermde soorten. In paragraaf 5.9 is dit aspect daarom nader onderzocht.
Weidevogelgebied en ganzenfoerageergebied
Provinciale omgevingsverordening
Het besluitgebied ligt niet in een beschermingsgebied voor weidevogels en ligt ook niet in de nabijheid van een dergelijk gebied.
Stiltegebied
Wet milieubeheer en Provinciale omgevingsverordening
Het besluitgebied is niet gelegen in een stiltegebied
Bodembeschermingsgebied
Provinciale omgevingsverordening
Het besluitgebied is niet gelegen in een bodembeschermingsgebied.
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
26
Grondwaterbeschermingsgebied
Provinciale omgevingsverordening
Het besluitgebied is niet gelegen in een grondwater-beschermingsgebied.
Tabel 5.2: Overzicht overige gevoelige gebieden
5.1.4 Kenmerken van de effecten Voor de beoogde ontwikkeling zijn in het kader van het de in voorbereiding planologische procedure reeds meerdere omgevingsaspecten beoordeeld en/of onderzocht. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende milieuaspecten en overige haalbaarheidsaspecten die van belang zijn. Hieronder worden de belangrijkste resultaten samengevat. Uit de beoordeling van deze aspecten volgt in algemene zin dat er in het kader van de ontwikkeling geen sprake is van een grensoverschrijdend effect. De effecten van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase zijn beperkt qua intensiteit en complexiteit (er worden geen vervolgeffecten of indirecte effecten verwacht). Ook is er geen sprake van onomkeerbare effecten. Bodem Nieuwe woningen vormen geen bodembedreigende functie, waardoor het uitvoeren van een MER niet noodzakelijk is. Geluid De nieuwe woningen leiden niet tot een toename van geluidsbelasting ter plaatse van bestaande gevoelige functies. Daarom is het uitvoeren van een MER voor geluid niet noodzakelijk. Geur In het plangebied worden geen nieuwe geurbronnen toegevoegd, waardoor het uitvoeren van een MER niet noodzakelijk is. Verkeer De afwikkeling van het verkeer als gevolg van de ontwikkeling leidt niet tot de noodzaak tot het nemen van maatregelen. Binnen het plangebied wordt voorzien in voldoende parkeermogelijkheid.
Er worden geen negatieve (milieu)effecten verwacht op het gebied van doorstroming, veiligheid en parkeervoorzieningen. Gezien de kenmerken van het potentiële effect is het uitvoeren van een MER niet noodzakelijk. Externe veiligheid De nieuwe woningen vormen geen relevante risicobronnen, waardoor het uitvoeren van een MER niet noodzakelijk is. Er zijn in de directe omgeving geen risicobronnen gelegen waarvoor een groepsrisicoberekening nodig is. Er wordt rekening gehouden met de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij het ontwerp van de woningen. Water Het plan heeft geen negatieve effecten op de waterhuishoudkundige situatie in en rondom het plangebied. Er wordt een extra rioleringsbuis in het plan aangelegd. Deze wordt gekoppeld aan Pleintje Versteeg, zodat de afvoercapaciteit daar verbetert. Gezien de kenmerken van het potentiële effect is het uitvoeren van een MER niet noodzakelijk. Luchtkwaliteit Het project draagt niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging. Om deze reden is het niet noodzakelijk onderzoek naar het effect op de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen. Het aspect luchtkwaliteit
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
27 leidt niet tot nadelige effecten voor het milieu. Gezien de kenmerken van het potentiële effect is het uitvoeren van een MER niet noodzakelijk. Omliggende activiteiten Omliggende bedrijven en functies worden niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering (zie ook paragraaf 5.7). Dit aspect vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van de ontwikkeling en gezien de kenmerken van het potentiële effect is het uitvoeren van een MER niet noodzakelijk. Natuur en ecologie De ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op beschermde soorten of Natura 2000-gebied. Er is er geen sprake is van een gevoelig gebied en er geen sprake is van significante effecten, behoeft geen m.e.r.-beoordeling gemaakt te worden. 5.1.5 Conclusie De mogelijke milieueffecten zijn weloverwogen beoordeeld. Waar mogelijk worden maatregelen genomen om mogelijke aanzienlijke effecten te voorkomen of te beperken. Er kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van de ontwikkeling die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen aanzienlijke negatieve effecten verwacht worden. Bovenstaande paragrafen vormen de m.e.r.-beoordeling, op basis waarvan het bevoegd gezag een m.e.r.beoordelingsbesluit dient te nemen.
De m.e.r.-beoordelingsbeslissing vormt uiteindelijk een bijlage bij de vergunning.
5.2
Laddertoets
5.2.1 Kader Onder de Omgevingswet is in het Besluit kwaliteit leefomgeving de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van de nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hierbij wordt gebruikgemaakt van de Ladder voor duurzame verstedelijking. In artikel 5.129g van het Bkl wordt de Ladder als volgt omschreven: 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3.
Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
28
4.
b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Uit jurisprudentie volgt dat het toevoegen van meer dan 11 woningen wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. 5.2.2 Onderzoek Hoewel voorliggende BOPA enkel voorziet in zeven rijwoningen en veertien appartementen, wordt in de laddertoets de volledige ontwikkeling van de Vredehoflocatie beschouwd. Locatiekeuze De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats binnen het bestaand stedelijk gebied van Spijkenisse, op een locatie waar de gemeente in haar omgevingsvisie heeft aangegeven graag woningbouw te ontwikkelen. In de directe omgeving zijn veel stedelijke functies gelegen. De locatiekeuze behoeft dan ook geen verdere onderbouwing in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Onderbouwing behoefte Gemeente Nissewaard maakt onderdeel uit van de woningdealregio Rotterdam. Voor deze woningdealregio is in september 2023 door de provincie een gewenste woningvoorraadtoename voor de periode 2023 tot en met 2032 vastgesteld van 71.000 woningen. In het Regioakkoord staat een beoogde netto bouwproductie benoemd van 3.760 woningen voor Nissewaard in de periode 2021-2030. De ontwikkeling van de Vredehoflocatie draagt hier aan bij met in totaal 218 woningen.
De gemeente Nissewaard heeft in haar woonvisie onder andere opgenomen dat er woningen moeten worden gerealiseerd die passen bij de huidige bevolking van de gemeente, daarom richt de gemeente zich op de ontwikkeling van woningen voor ouderen (levensloopbestendig) en het toevoegen van middeldure en duurdere koopwoningen om stellen en gezinnen met lokale binding de kans te geven binnen de eigen omgeving hun wooncarrière voort te zetten. Bovenstaande geldt met name voor de kernen van de gemeente. De nadruk ligt hierbij ook op de doorstroommogelijkheden die dit biedt aan deze groepen, waardoor starters makkelijker een betaalbare koopwoning kunnen vinden. Specifiek voor Spijkenisse heeft gemeente Nissewaard ook doelstellingen opgenomen, zie paragraaf 4.3.4. Voorgenomen ontwikkeling kan bijdragen aan veel van deze doelstellingen en voorziet daarbij concreet in de woningbehoefte zoals deze door gemeente Nissewaard is opgesteld. Fase 1 Fase 1 voorziet in totaal in veertien koopappartementen en zeven rijwoningen in het koopsegment. De rijwoningen vallen in het middeldure koopsegment en krijgen een von-prijs tot aan de geldende NHG-grens. Bij de appartementen wordt een verdeling gemaakt in verschillende categorieën, variërend tussen betaalbare en middeldure koopappartementen.
De ontwikkeling voldoet met bovenstaande verdeling aan de ambitie van de gemeente Nissewaard om vooral middeldure en duurdere koopwoningen te realiseren om stellen en gezinnen met lokale binding de kans te geven binnen de eigen omgeving hun wooncarrière voort te zetten.
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
29 In de regionale woondeal is geen specifieke doelstelling opgenomen voor goedkope koopwoningen. Wel is opgenomen dat er vanaf 2025 2/3e van de nieuwe woningen in het betaalbare segment moeten vallen. Met de realisatie van betaalbare koopwoningen in combinatie met de (middel)dure koopwoningen draagt Fase 1 van de ontwikkeling van de Vredehof bij aan de doelstellingen uit de woondeal. Daarnaast draagt het plan bij aan de gemeentelijke ambitie om meer mogelijkheden te bieden voor starters om een woning te kopen. Ofwel op de doordat starters één van de betaalbare woningen kunnen kopen, ofwel doordat elders goedkope koopwoningen vrijkomen bij doorstroom van gezinnen naar de (middel)dure woningen die in fase 1 worden ontwikkeld. Vredehof algemeen Fase 1 van de ontwikkelingen op de Vredehoflocatie vormt een relatief klein onderdeel van de totale ontwikkeling. Het gaat om de ontwikkeling van twee van de zeven blokken. In Fase 1 worden geen (sociale) huurappartementen gerealiseerd. Dit zal bij latere fases wel het geval zijn. Voor de gehele ontwikkeling van de locatie wordt onder andere uitgegaan van huurappartementen (sociaal + middenhuur) en nog ruim 120 koopappartementen in diverse prijscategorieën.
Hiervoor zal later een uitgebreidere ladderonderbouwing worden opgesteld in de volgende fases van de ontwikkeling, wanneer nadere gegevens bekend zijn over de precieze uitsplitsing naar verschillende categorieën. De totale ontwikkeling aan de Vredehoflocatie houdt zodoende ook rekening met de doelstellingen voor een goed hoeveelheid en spreiding van sociale huurwoningen in de regio. 5.2.3 Conclusie Op basis van de grote woningbehoefte in de regio en in de gemeente Nissewaard en het feit dat wordt ontwikkeld in bestaand stedelijk gebied, kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
5.3
Mobiliteit
5.3.1 Kader Op basis van de Omgevingswet dient de aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid te worden onderbouwd. 5.3.2 Verkeersstructuur en ontsluiting Voor de ontwikkeling van de Vredehof worden zo min mogelijk ontsluitingen en wegen voor autoverkeer voorzien, om te zorgen voor een aangenaam woon- en leefklimaat waar de voetganger en de fietser centraal staan. Het totale projectgebied voorziet dan ook in de aanleg van voornamelijk langzaamverkeerverbindingen tussen de verschillende blokken en over het gehele terrein. De bestaande wegenstructuur van de Vredehofstraat, de Groene Kruisstraat en de Tweede Kooistraat blijft in tact, zoals ook te zien is in afbeelding 5.1. Fase 1 De woningen van Blok E worden ontsloten via de Groene Kruisstraat voor autoverkeer. Aan de zuidkant wordt een parkeerterrein gerealiseerd voor deze woningen. Daarnaast wordt aan deze zijde ook de entree gesitueerd voor voetgangers. De woningen van Blok F liggen direct aan de Groene Kruisstraat en Tweede Kooistraat en maken qua parkeren eveneens gebruik van de parkeerplaatsen aan de achterzijde.
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
30
Afbeelding 5.1: ontsluiting en parkeren Fase 1.
5.3.3 Verkeersgeneratie Deze BOPA maakt in totaal de 21 woningen mogelijk die in de eerste fase van de ontwikkeling worden gebouwd. Het gaat daarbij om zeven rijwoningen en een blok met 14 appartementen. Op basis van het toekomstige programma is de verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling berekend, gebruikmakend van de cijfers uit de CROW-publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024’. De verkeersaantrekkende werking van het nieuwe programma is bepaald op basis van het gebiedstype sterk stedelijk, schil centrum. Hierbij is conform gemeentelijk beleid de gemiddelde CROW-norm gebruikt. Gebouw
Type woning
CROW-categorie
Blok E
Duur koopappartement Middelduur koopappartement Betaalbaar koopappartement Eengezinswoning
Koop, appartement, > 100 m2 bvo Koop, appartement, 75100 m2 bvo Koop, appartement, < 75 m2 bvo Koop, huis, tussen / hoek
Blok F
Gemiddeld kencijfer 6,8
Aantal
Verkeersgeneratie
3
20,4
5,1
6
30,6
4,3
5
21,5
6,8
7
47,6
21
120,1
Totaal fase 1
Uit bovenstaande berekening blijkt dat de verkeersgeneratie voor fase 1 circa 120 verkeersbewegingen bedraagt. De totale verkeersgeneratie van de gehele Vredehof ontwikkeling bedraagt circa 1.000 verkeersbewegingen, zonder rekening te houden met de verkeersgeneratie van het bestaande gebruik. Het aantal verkeersbewegingen op de Vredehofstraat ligt tussen de 2.000 en de 2.500 per dag. De Vredehofstraat takt aan op de Hekelingseweg, welke een verkeersgeneratie kent van tussen de 4.500 en 5.000 verkeersbewegingen per dag. De eventuele extra verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande verkeersbewegingen zijn daarom acceptabel ten opzichte van de bestaande verkeersintensiteit op de omliggende wegen rondom het projectgebied. De verkeersproductie leidt niet tot belemmeringen.
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
31 5.3.4 Parkeren Op basis van de gemeentelijke parkeernota dient het totale aantal te realiseren parkeerplaatsen te worden bepaald. In overleg met de gemeente is er voor gekozen om af te wijken van de parkeernota. Voor de koopappartementen en de rijwoningen wordt gerekend met het normautobezit van 1,3 per woning (inclusief bezoekersparkeren). Dit betekent dat er voor de rijwoningen in fase 1 9,1 parkeerplaatsen benodigd zijn. Voor de appartementen zijn 18,2 parkeerplaatsen benodigd. Het toekomstige parkeerterrein tussen blok E en F biedt plaats voor 21 parkeerplaatsen. Deze 21 parkeerplaatsen voldoen voor de nieuwe bewoners. Het bezoekersgedeelte van 6,3 parkeerplaatsen wordt in de omliggende straten alsmede de parkeergarage Boekenberg opgevangen. Voor de overige fases wordt het parkeren opgelost middels parkeergarages onder Blok A, B en D en een parkeerkoffer tussen blok A en D. Daarnaast worden er voor de middenhuur appartementen parkeerplaatsen gehuurd in parkeergarage Boekenberg. 5.3.5
Conclusie Het aspect mobiliteit heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.4
Bodemkwaliteit
5.4.1
Kader Op grond van de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moeten in het gemeentelijk omgevingsplan regels worden opgenomen die eisen stellen aan de kwaliteit van de bodem waaraan moet worden voldaan om bouwactiviteiten op een bodemgevoelige locatie toe te kunnen staan. In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het projectgebied in kaart te worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan.
5.4.2 Onderzoek Verkennend bodemonderzoek Door ATKB is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor de gehele Vredehoflocatie, inclusief het voorliggende projectgebied voor fase 1. Dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 4.
Afbeelding 5.2: Onderzoekslocaties gearceerd en genummerd. Het groene gebied 1 (fase 1) is het gebied waar deze BOPA betrekking op heeft. (Bron: ATKB).
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
32 Op basis van de verkregen resultaten uit het onderzoek wordt de bodemkwaliteit op de locaties ‘Fase 3’ geschikt geacht voor het voorgenomen gebruik, namelijk wonen. Fase 1 voldoet grotendeels ook, echter is er nog inpandig onderzoek nodig. Ter plaatse van fase 2 (gebied 2) is PFAS boven de hergebruiksnorm aanwezig in de bovengrond. Bij afvoer van deze grond moet deze aangeboden worden bij een erkend verwerker. Nader onderzoek wordt in het kader van de doelstelling van het onderzoek geadviseerd en noodzakelijk geacht voor fase 1 (afbeelding 5.2). Het nader onderzoek dient inzicht te geven in huidige situatie van de minerale olieverontreiniging als gevolg van het voormalige tankstation met ondergrondse tanks ter plaatse. Verhardings- en funderingsonderzoek Vredehofstraat 15 De aanleiding voor een verhardings- en funderingsonderzoek aan de Vredehofstraat 15 is de aanwezigheid van een asfaltverharding en onderliggende funderingslaag. Dit onderzoek is door ATKB uitgevoerd. De gehele rapportage is bijgevoegd als bijlage 5. Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt dat het asfalt (DAB en OAB) op basis van HPLC-onderzoek nietteerhoudend is. Het asfalt wordt geschikt geacht voor hergebruik. De aanwezige puinfundering voldoet indicatief aan de kwaliteitseisen voor toepassing in het kader van het Besluit bodemkwaliteit als niet-vormgegeven bouwstof.
Bij het indicatief asbestonderzoek van de aanwezige puinfundering is geen asbest aangetoond. Dit kan enkel gezien worden als aanwijzing, om vast te stellen of asbest aanwezig is in de funderingslaag is onderzoek conform de NEN 5897 nodig. Aanbevolen wordt om een (financiële/milieuhygiënische) afweging te maken tussen het wel of niet verwijderen van de fundering. Indien de fundering niet op de locatie hergebruikt kan worden, wordt aanbevolen om de fundering af te voeren naar een erkend verwerker of een partijkeuring conform de BRL SIKB 1000, Protocol 1002 uit te voeren. Verkennend- en nader bodemonderzoek en verkennend asbest en Waterbodemonderzoek Als aanvulling op de door ATKB uitgevoerde onderzoeken is door Tritium Advies in juli 2024 een Verkennend- en nader bodemonderzoek en een verkennend asbest en Waterbodemonderzoek uitgevoerd. De gehele rapportage is te raadplegen in bijlage 9. Hieronder worden de conclusies en aanbevelingen uit dit onderzoek weergegeven. Verkennend bodem- en asbestonderzoek Zintuiglijk zijn plaatselijk in de grond bijmengingen aangetroffen met puin, baksteen en kolengruis. Tevens is ter plaatse van twee boringen een zwakke olie-waterreactie waargenomen. Zintuiglijk is op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal waargenomen. In de grond is in één inspectiegat aan asbest aangetoond. In alle overige inspectiegaten is geen asbest aangetoond.
Voor het vaststellen van de aard en omvang van deze aangetoond verontreiniging met asbest wordt geadviseerd om ter plaatse van de asfaltverharding, aan de oostzijde van de onderzoekslocatie een nader asbestonderzoek uit te voeren. Waterbodemonderzoek De aanwezige sliblaag is beoordeeld als matig verontreinigd conform het toetsingskader ‘toepassen in oppervlaktewater’. De bepalende parameter is chloordaan (o.b.v. verhoogde rapportagegrens). Verder blijkt dat de sliblaag toepasbaar is op de landbodem (klasse industrie) en verspreidbaar op het aangrenzend perceel. De vaste waterbodem, bestaande uit veen, is licht verontreinigd conform het toetsingskader ‘toepassen in oppervlaktewater’. De veenlaag is op de landbodem toepasbaar als klasse wonen en eveneens verspreidbaar op het aangrenzend perceel.
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
33 5.4.3 Conclusie De onderzoeksresultaten vormen mogelijk een belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen. Geadviseerd wordt om nader onderzoek uit te voeren naar de aangetoonde bodemverontreinigingen met asbest, minerale olie, lood en zink. Op basis van de resultaten van het nader onderzoek kan worden vastgesteld welke (eventuele) vervolgstappen nodig zijn om de locatie geschikt te maken voor het beoogde gebruik. Dit nader onderzoek zal worden uitgevoerd voordat de bouwwerkzaamheden starten. Eventuele hieruit volgende maatregelen zullen worden genomen. Het aspect bodem heeft daarmee geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.5
Water en klimaatadaptatie
5.5.1
Kader Voor een duurzame en hoogwaardige toekomst van de fysieke leefomgeving moet het belang van watersystemen worden betrokken bij ruimtelijke ontwikkelingen. Bouw- en herinrichtingsprojecten kunnen grote gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterveiligheid. Door de mogelijke effecten in kaart te brengen en het waterbelang mee te nemen in het project, kunnen problemen met water worden voorkomen. Europees en rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hadden de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Zij ontwikkelden dit samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig.
In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo wordt al in de geest van de Omgevingswet gewerkt. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma invulling aan de Europese richtlijnen voor water. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij wordt gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast worden de raakvlakken laten zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat Nederland nu en in de toekomst te wachten staat.
Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen.
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
34 De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten.
Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2027 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2027 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2027 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn.
Waterbeheer 21e eeuw In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Water en bodem sturend Voldoende en schoon water en een gezonde bodem. Het is van groot belang voor iedereen in ons land. Het kabinet wil bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Dat heeft de ministerraad besloten, op voorstel van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Daarom zijn er diverse structurerende keuzes gemaakt. Veel van deze keuzes zijn randvoorwaarden waarmee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen. Er is een grote en urgente maatschappelijke behoefte om voldoende woningen te bouwen, en in aanloop daarnaar toe locaties te vinden die ook in lijn staan met de verstedelijkingsstrategie van Zuid-Holland. Beleid waterbeheerder
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
35 Waterschap Hollandse Delta – Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma (WBP) van Waterschap Hollandse Delta zijn de doelen beschreven die het waterschap tijdens de planperiode 2022-2027 wilt bereiken voor de primaire taken waterveiligheid, watersysteem, waterketen en wegen. De doelen voor deze planperiode zijn afgeleid uit de ambities voor de langere termijn (2050). Deze ambities worden, nog meer dan voorheen, beïnvloed door de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd, waar het waterschap voor staat. Het omgaan met de gevolgen van een veranderend klimaat én het tegengaan van verdere klimaatverandering springen hierbij het meest in het oog. Behalve de ambities voor de lange termijn en de doelen die het waterschap in 2027 bereikt wil hebben, gaat het Waterbeheerprogramma ook in op de strategie om te komen tot realisatie van deze doelen. De doelen voor 2027 en de strategie vormen de basis voor de concreet uit te voeren maatregelen. De maatregelen zelf maken geen deel uit van dit Waterbeheerprogramma, maar worden elk jaar opnieuw in het kader van de reguliere planningen controlcyclus bepaald. Beleid gemeente Gemeentelijk Watertakenplan / Rioleringsplan (GRP) 2021-2025 Nissewaard De gemeente geeft een zorgplicht voor stedelijk afvalwater, voor afvloeiend hemelwater en voor een inspanningsverplichting voor grondwatermaatregelen.
Dit beleidsplan geeft aan hoe de gemeente Nissewaard met deze drie zorgplichten omgaan en hoe ze de toekomst zien van Nissewaard en de gemeentelijke watertaken. De komende planperiode 2021-2025 worden de nodige onderzoeken uitgevoerd om voldoende inzicht te krijgen en maatregelen goed te onderbouwen. Voorbeelden hiervan zijn inspecties van de riolen en gemalen, NENkeuringen om aan de veiligheidseisen te voldoen, wijkgerichte berekeningen van het functioneren, optimalisatieonderzoek en onderzoeken naar foutaansluitingen. Meten = weten, dus worden er metingen uitgevoerd om inzicht te krijgen in het werkelijke functioneren. Ook wordt de toepassing van groene daken en gevels onderzocht en de juiste inzet van een subsidieregeling hiervoor.
5.5.2 Onderzoek Bestaande en toekomstige situatie oppervlaktewatersysteem Het projectgebied bestaat in de huidige situatie voornamelijk uit verharding en bebouwing. Er bevinden zich geen oppervlaktewateren of kunstwerken in het projectgebied. zie afbeelding 5.3).
Afbeelding 5.3: Uitsnede leggerkaart waterschap Hollandse Delta.
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
36 Waterkwantiteit en watercompensatie Met het oog op de voorliggende ontwikkeling is beoordeeld met welk oppervlak de verharding zal toenemen. Bij een toename van meer dan 500 m2 is compenserende waterberging door middel van oppervlaktewater benodigd. Het gaat dan om een compensatie van 10% van de toename aan verhard oppervlak. Om problemen met de wateropvang in de gehele transformatie van de Vredehoflocatie te voorkomen, is hiervoor de gehele Vredehoflocatie beschouwd. De bestaande situatie en de toekomstige situatie zijn weergegeven in afbeelding 5.4 en 5.5. In tabel 5.3 en tabel 5.4 is de verharding in de huidige en in de toekomstige situatie berekend. Bij de transformatie van de Vredehoflocatie neemt het verhard oppervlak met 4.495,5 m2 af. Wel zal een deel van een sloot worden gedempt aan de westzijde van het plangebied en neemt dus ook het aanwezig oppervlaktewater binnen de gehele Vredehoflocatie met 122 m2 af. Om hiervoor te compenseren wordt in fase 2 een wadi van 526 m 2 gerealiseerd. VERHARDING HUIDIGE SITUATIE Soort verharding Aantal m2 Bebouwing 4.390 m2 Elementverharding 10.028 m2 Halfverharding 105 m2 Groen 4.732 m2 Water 267 m2
Percentage verhard 100% 100% 50% 0% 0%
Totaal 4.390 m2 10.028 m2 52.5 m2 0 m2 0% 20.936 m2 14.470,5 m2
TOTAALOPPERVLAKTE TOTAALOPPERVLAKTE VERHARD HUIDIGE SITUATIE Tabel 5.3: Overzicht verharding huidige situatie
VERHARDING TOEKOMSTIGE SITUATIE Soort verharding Aantal m2 Bebouwing 4.342 m2 Tuin 465 m2 Elementverharding 4.967 m2 Halfverharding 867 m2 (Grastegels) Groen 6.846 m2 Groen (dak)tuin 1.364 m2 Wadi 526 m2 Water 145 m2
Percentage verhard 100% 50% 100% 50%
Totaal 4.342 m2 232,5 m2 4.967 m2 433,5 m2
0% 0% 0% 0%
0 m2 0 m2 0 m2 0 m2
TOTAAL OPPERVLAK TOEKOMSTIGE SITUATIE TOTAAL VERHARD OPPERVLAK TOEKOMSTIGE SITUATIE AFNAME VERHARDING (14.470,5 – 9.975) Tabel 5.3: Overzicht verharding toekomstige situatie
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
20.936 m2 9.975 m2 4.495,5 m2
37
Afbeelding 5.4: Verharding in huidige situatie (bron: KuiperCompagnons)
Afbeelding 5.5: Verharding in toekomstige situatie (bron: KuiperCompagnons)
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
38 Waterkwaliteit Voor de nieuwbouw van woningen gaan het waterschap en de gemeente uit van een gescheiden rioleringsstelsel. Het tegengaan van riooloverstorten door de afkoppeling van hemelwater van de DWA komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Het ontstaan van (nieuwe) vervuilingsbronnen dient zoveel mogelijk te worden voorkomen om vervuiling van grond- en oppervlaktewater te beletten. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen bij de toekomstige ontwikkeling voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee dienen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink of teerhoudende dakbedekking te worden gebruikt op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Voorliggend plan heeft geen effect op de waterkwaliteit omdat door middel van het toepassen van nietuitloogbare bouwmaterialen, voorkomen wordt dat het hemelwater wordt vervuild. Veiligheid en wateroverlast Zoals blijkt uit de leggerkaart van het waterschap ligt het projectgebied niet binnen of nabij een beschermingszone van een primaire of regionale waterkering. In het omgevingsplan is ook geen beschermende dubbelbestemming opgenomen. Zodoende vormt waterveiligheid geen belemmering voor de ontwikkeling.
Het ontwerp voor Vredehof is er op gericht een klimaatadaptieve omgeving te creëren waarbij water kan worden vastgehouden indien nodig en zo min mogelijk wateroverlast ontstaat. Het gebied wordt zeer groen ingericht, waardoor een vermindering van hitte en hittestress optreedt ten aanzien van de huidige, veelal verharde situatie. Er wordt een extra rioleringsbuis in het plan aangelegd. Deze wordt gekoppeld aan Pleintje Versteeg, zodat de afvoercapaciteit daar verbetert. Volksgezondheid Doordat regenwater gescheiden wordt afgevoerd van het afvalwater, worden (gemengde) riooloverstorten voorkomen en zullen bestaande gemengde overstorten niet verergeren. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente. Het waterschap is verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater. Daarnaast moet de gemeentelijke riolering bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud. Daarnaast zal het beoogde infiltratiesysteem voor de waterberging (zie onder ‘waterkwantiteit’) ook onderhouden moeten worden (regulier onderhouden en schoonmaken). 5.5.3 Conclusie Voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
Er is vanuit het aspect water daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het kader van het vooroverleg wordt een concept van de BOPA aan het Waterschap Hollandse Delta toegestuurd.
5.6
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
5.6.1 Kader Op grond van onder meer het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet rekening worden gehouden met geluid dat door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en locaties wordt afgewenteld. Bij nieuwe ontwikkelingen moet daarom rekening worden gehouden met de geluiduitstraling door individuele activiteiten, activiteiten op een industrieterrein, geluiduitstraling door gemeentewegen, waterschapswegen, provinciale wegen, snelwegen en spoorwegen.
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
39 5.6.2 Onderzoek Door Buro Bouwfysica is een geluidonderzoek uitgevoerd. Het rapport van het geluidonderzoek is bijgevoegd als bijlage 3. Hieronder worden de uitgangspunten en resultaten kort besproken. Het nieuwbouwplan is gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de omliggende gemeentewegen, waaronder de Hekelingseweg, Vredehofstraat, Vredehofplein, Groene Kruisstraat en Marrewijklaan. Daarnaast ligt het nieuwbouwplan binnen de geluidzone van de industrieterrein Botlek-Pernis. Uit het onderzoek blijkt dat voor 3 woningen binnen Vredehof fase 1 sprake is van een overschrijding van de standaardwaarde maar niet van de grenswaarde voor gemeentewegen. Vanwege het gezoneerde industrieterrein Botlek-Pernis (op grond van overgangsrecht getoetst aan grenswaarden Wet geluidhinder) wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Omdat het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen niet doelmatig wordt geacht dient bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied een waarde van het geluid met een maximum van 55 Lden voor gemeentewegen te worden toegestaan.
Gesteld kan worden dat sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties op basis van de onderstaande overwegingen: • Bij slechts een deel van de woningen binnen het nieuwbouwplan is sprake van een overschrijding van de standaardwaarde maar kan zonder aanvullende maatregelen worden voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid (aanwezigheid geluidluwe gevel, geluidluwe buitenruimte en meerdere verblijfsruimten gelegen aan geluidluwe zijde). • Via de werking van het Bbl wordt een goede geluidwering van de gevel geborgd. Deze karakteristieke geluidwering dient te worden afgestemd op het gezamenlijke geluid en het heersend spectrum minus de toegestane binnenwaarde van 33 dB voor nieuwbouw. Bij de aanvraag omgevingsvergunning dienen deze maatregelen in detail te worden onderbouwd.
•
Het indirecte akoestische effect van fase 1 van het nieuwbouwplan leidt niet tot een significante toename van de waarde van het geluid in de directe omgeving. Na de realisatie van Vredehof fase 2 en 3 (de eindsituatie) is wel sprake van een significante toename van de waarde van het geluid ter plaatse van de gevels van de woning aan het Vredehofplein 1. Door de bestaande klinkerbestrating op de Groene Kruisstraat vanaf de Vredehofstraat tot aan inrit van de nieuwe parkeervoorziening voor fase 1 te vervangen door een stille elementenverharding wordt de toename van de waarde van het geluid zoveel mogelijk beperkt.
5.6.3 Conclusie Het aspect geluid heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.7
Geluid door activiteiten
5.7.1 Kader Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. De gemeente dient ervoor te zorgen dat het omgevingsplan in ieder geval de regels staan die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Omgevingswet). Dit kan de gemeente onder andere bereiken door: - de ordening van de locaties van activiteiten ten opzichte van elkaar(bijvoorbeeld afstand tussen een woning en een bedrijf)
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
40 het stellen van regels aan activiteiten op een locatie (bijvoorbeeld via waarden voor geluidimmissie of preventieve maatregelen) De regels aan activiteiten op een locatie in het omgevingsplan voldoen aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op basis van de instructieregels van paragraaf 5.1.4.2 Bkl bevat het gemeentelijk omgevingsplan regels die geluidgevoelige gebouwen beschermen tegen geluid door activiteiten. Het gaat om geluid van alle aan een locatie toe te delen activiteiten behalve het wonen. -
Bij elke aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (artikel 5.59, lid 1 Bkl). Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten samen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Door het opnemen van de standaardwaarden uit artikel 5.65 Bkl in het omgevingsplan voldoet de gemeente in principe aan de eis van aanvaardbaarheid van artikel 5.59, lid 2 Bkl. De standaardwaarden uit dit artikel zijn gebaseerd op de algemene geluidnormen uit het Activiteitenbesluit. Niet op alle locaties leiden de standaardwaarden voor een activiteit tot het gewenste evenwicht tussen beschermen en benutten. De gemeente kan dan gemotiveerd kiezen voor andere waarden. Daarnaast kan de gemeente kiezen voor afwijkende standaardwaarden voor bedrijventerreinen (5 dB hoger) en voor agrarische gebieden (5 dB lager). Eis hierbij blijft aanvaardbaar geluid op geluidgevoelige gebouwen. De gemeente kan het gewenste evenwicht ook bereiken door bijvoorbeeld het opleggen van preventieve maatregelen. Dit in aanvulling op de waarde of in de plaats van de waarde.
Milieuzonering nieuwe stijl Het ''groene'' boekje Bedrijven- en milieuzonering van de VNG is jarenlang gebruikt als (semi-juridische) leidraad in bestemmingsplannen om daarmee milieucategorieën toe te kennen aan bedrijven. De toekenning van deze (algemene) categorieën geeft echter niet altijd een goed beeld van de daadwerkelijke milieubelasting van een bedrijf. Het ene milieucategorie 3.1-bedrijf kan namelijk veel meer hinder veroorzaken dan een ander milieucategorie 3.1-bedrijf, terwijl ze beiden in dezelfde milieucategorie voorkomen. Al in 2017 heeft het bestuur van de VNG mede daarom aangegeven dat de huidige publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' niet meer wordt onderhouden of geactualiseerd. De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Het maatschappelijk doel hierbij is 'ruimte voor ontwikkeling en waarborgen voor kwaliteit'. Gelet op dit doel is het logisch dat in de Omgevingswet het ruimtelijk spoor en het milieuspoor worden geïntegreerd. Onder de Omgevingswet wordt het gebruikelijk en noodzakelijk om concrete milieunormen op te nemen in het omgevingsplan. 5.7.2 Onderzoek In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is onderzocht welke bedrijven zich in en rondom het projectgebied bevinden. Dit is in eerste instantie uitgezocht voor de gehele Vredehoflocatie.
Hieronder worden kort de verschillende bedrijven benoemd. Er kan vanwege de locatie dicht bij het centrum van Spijkenisse en de daarbijbehorende diversiteit aan toegestane activiteiten uit worden gegaan van een sterke mate van functiemenging.
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
41
Afbeelding 5.7: Bedrijven rondom Vredehof-Fase 1. Fase 1 is indicatief rood gemarkeerd.
In afbeelding 5.7 is een aantal nabijgelegen bedrijven inzichtelijk gemaakt. Hieronder worden die bedrijven genummerd beschreven.
1. Voor het perceel 6431 geldt de bestemming ‘Dienstverlening’, in het bestemmingsplan ‘Centrum 2012’ gedefinieerd als ‘het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting’. In de praktijk bevindt zich hier het kantoor van het aan de overzijde gevestigde ‘Vredehofhuis’, waar gespecialiseerde zorg wordt geboden voor mensen met dementie. In de huidige situatie bevindt deze activiteit zich al direct naast woonfuncties, waardoor geen hinder wordt verwacht op de toekomstige woningen. De toekomstige woningen zorgen andersom ook niet voor meer hinder op het Vredehofhuis dan in de huidige situatie het geval is.
2. Voor perceel 6486 en de noordelijke helft van perceel 8616 geldt een maatschappelijke bestemming, in het bestemmingsplan ‘Centrum 2012’ gedefinieerd als ‘het verlenen van diensten in de medische, sociale, educatieve, culturele, religieuze en administratieve sfeer en andere vormen van dienstverlening, die een min of meer openbaar karakter hebben, met uitzondering van een seksinrichting.´ Het gebouw is op dit moment in gebruik als hospice. Het hospice is voornemens de huidige locatie te verlaten en in 2025 te verhuizen naar elders in Spijkenisse. Op termijn zal hier ook een deel van de transformatie van de Vredehoflocatie plaatsvinden.
3. Ten noordoosten, op de percelen 9457, 543 en 9465 is een juwelier met eigen atelier gevestigd middels de omgevingsvergunning ‘Vredehofplein 7 Spijkenisse’. Op de locatie waar het nieuwe blok E wordt gerealiseerd was al een bouwvlak met de bestemming ‘Wonen’ aanwezig voordat de omgevingsvergunning voor de juwelier werd afgegeven. Daarnaast vinden de activiteiten alleen inpandig plaats, waardoor geen hinder wordt verwacht op de toekomstige woningen.
4. Op het kadastrale perceel 6850 geldt tevens de bestemming ‘Maatschappelijk’. Het pand is op dit moment in gebruik door het ‘Vredehofhuis’ (zie ook onder 1). De afstand tot de grens van de bestemming bedraagt circa 20 meter. In de huidige situatie bevindt deze activiteit zich al direct naast woonfuncties, waardoor geen hinder wordt verwacht op de toekomstige woningen. De toekomstige woningen zorgen andersom ook niet voor meer hinder op het Vredehofhuis dan in de huidige situatie het geval is.
5. Op het kadastrale perceel 4156 geldt een horecabestemming. De richtafstand in gemengd gebied is hiervoor 10 meter. De afstand tot deze bestemming bedraagt circa 50 meter, waardoor geen hinder wordt verwacht.
6. Op de percelen 4288, 4290 en 1793 geldt de bestemming Bedrijf-1 met functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – autoherstelbedrijf’. Blok D zal op zo’n 25 meter afstand worden gerealiseerd. Het woonzorgcentrum dat hierboven is besproken grenst echter al direct aan het garagebedrijf. Daarmee is dit
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
42 woonzorgcentrum maatgevend richting het autoherstelbedrijf en zal de nieuwe woningbouw geen belemmering vormen voor het autoherstelbedrijf.
7. De bestaande begraafplaats bevindt zich op perceel 5420. De begraafplaats maakt integraal onderdeel uit van de transformatie van het projectgebied. Het zal in de toekomst mogelijk een functie krijgen als openbaar toegankelijke gedenk- en natuurtuin. Daarnaast zal er voldoende afstand worden gehouden tussen de begraafplaats en de toekomstige woningen.
8. Voor de percelen 9117, 8817 en 3726 en de zuidelijke helft van perceel 8816 geldt de bestemming detailhandel. Deze panden staan grotendeels leeg, met uitzondering van een winkel voor bruidskleding aan de Vredehofstraat. De panden zullen worden gesloopt en plaatsmaken voor de transformatie van de Vredehoflocatie.
9. Direct naast Vredehofstraat 23A is een parkeerterrein gevestigd. Dit parkeerterrein zal in fase 2 en 3 worden vervangen door een parkachtige omgeving. Het parkeren wordt elders opgelost, bijvoorbeeld in de ondergrondse parkeergarage en een aantal parkeerkoffers. Dit parkeerterrein levert dus geen belemmeringen op voor de ontwikkeling.
10. KPN-gebouw en antennemast Centraal in het volledige transformatiegebied aan de Vredehofstraat ligt op de percelen 9108 en 9109 een gebouw van KPN. De gronden die zijn aangewezen met deze bestemming zijn bedrijven zoals genoemd in de VNG-publicatie onder milieucategorieën 1 en 2, met uitzondering van geluidszoneringsplichtige inrichtingen. Daarnaast geldt voor een klein gedeelte van de bestemming de aanduiding antennemast. Hier is een antenne van Towerlink gevestigd. De woningen in fase 1 van de ontwikkeling zijn op zeer ruime afstand gelegen van de antennemast. Daarnaast wordt de antennemast in de volgende fases van het planverplaatst. In de plannen voor latere fases van de ontwikkeling op de Vredehoflocatie is rekening gehouden met het KPN-gebouw. Bij de transformatie van de Vredehoflocatie zal een deel van het gebouw worden gesloopt. Het andere deel van het gebouwkrijgt een andere aankleding, door middel van een hoog hekwerk met beplanting. 5.7.3 Conclusie Het aspect geluid door activiteiten heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.8
Omgevingsveiligheid
5.8.1 Kader Op grond van artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet in het gemeentelijk omgevingsplan rekening worden gehouden met het belang van het voorkomen, beperken, bestrijden, vluchten en geneeskundige hulpverlening van of in geval van branden, rampen en crises. In de instructieregel is voor zover deze branden, rampen en crises samenhangen met de opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, vuurwerk, explosieven en windturbines een gedetailleerde uitwerking gegeven. Voor de nadelige gevolgen voor de externe veiligheid, die met deze activiteiten binnen het projectgebied kunnen samenhangen, wordt in de instructieregel een systeem van het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden gehanteerd. Bij nieuwe ontwikkelingen moet een plaatsgebonden risico van 10 -6 in acht worden genomen. Dit houdt in dat met de regels in het omgevingsplan moet worden geborgd dat het risico op het overlijden van een onbeschermd persoon wordt beperkt tot één geval in één miljoen jaar. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het overlijden van een groep van tien personen of meer door een ongewenste gebeurtenis binnen een aandachtsgebied. Aandachtsgebieden zijn gebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden. De aandachtgebieden zijn onder te verdelen in:
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
43 •
•
•
Brandaandachtsgebieden (BAG) Een BAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 bedraagt. Explosieaandachtsgebied (EAG) Een EAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot: 1. een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (een BLEVE: Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion), de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is, en 2. een explosie, anders dan onder a, waarvan de overdruk ten hoogste 10 kPa is. Gifwolkaandachtsgebied (GAG) Een GAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling aan ten hoogste de bij ministeriële regeling bepaalde vastgestelde concentratie van een gevaarlijke stof. Als het GAG groter is dan 1,5 km wordt het GAG tot deze afstand begrensd in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. De volledige GAG is verder wel relevant voor bijvoorbeeld crisiscommunicatie en kan dus niet beschouwd worden als niet relevant.
5.8.2 Onderzoek Voor de beoordeling of in de omgeving van het projectgebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Afbeelding 5.8 toont een uitsnede van deze kaart. Uit de kaart blijkt dat in de directe omgeving van de planlocatie geen risicobronnen aanwezig zijn. Op grotere afstand zijn echter de volgende risicobronnen gelegen, waarvan het invloedsgebied reikt tot aan de planlocatie:
• • • • •
De Rijke Northern Europe B.V. Pro Delta Environmental Support B.V. Transportroute gevaarlijke stoffen N493 Groene Kruisweg/Hartelweg Transportroute gevaarlijke stoffen A15 Transportroute Havenspoortlijn/Betuweroute
Afbeelding 5.8: Uitsnede risicokaart (projectgebied is globaal rood omcirkeld) (bron: Atlas voor de Leefomgeving).
Inrichtingen Op het industrieterrein Halfweg bevinden zich de bedrijven: 'De Rijke Northern Europe B.V.' en 'Pro Delta Environmental Support B.V.'. Beide bedrijven houden zich bezig met de opslag van koopmansgoederen en gevaarlijke stoffen. Het risico wordt voornamelijk veroorzaakt door een loodsbrand waarbij stikstofhoudende stoffen zijn betrokken. Deze bedrijven bevinden zich op circa 2,3 km ten noordwesten van het projectgebied.
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
44 In het document: 'Inventarisatie risicobronnen, gemeente Spijkenisse' (DCMR, 2012) is gesteld dat het invloedsgebied van De Rijke Northern Europe B.V en Delta Environmental Support B.V. respectievelijk 7520 en 2655 meter bedragen. Het groepsrisico-aandachtsgebied is voor beide bedrijven volgens regionale uitgangspunten vastgesteld op 1500 meter. In bovengenoemd document is tevens bepaald dat bij ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied tussen het GR-aandachtsgebied en het invloedsgebied geen berekening van het groepsrisico hoeft te worden uitgevoerd en er ook geen volledige verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is. Wel dient er een beschrijving te worden gegeven van de aspecten 'zelfredzaamheid' en 'bestrijdbaarheid'. Transport gevaarlijke stoffen Er ligt in de directe omgeving van het projectgebied (binnen 200 meter) geen hoofdvaarweg, spoorbaan of rijksweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ook bevindt zich in of nabij het projectgebied geen buistransportleiding met een PR 10-6 contour. De transportroute gevaarlijke stoffen N493 Groene Kruisweg bevindt zich op circa 450 meter ten noorden van het projectgebied. Op het westelijke gedeelte van de Groene Kruisweg tot de kruising met de Hartelweg vindt vervoer van meerdere categorieën gevaarlijke stoffen plaats, waaronder zeer toxisch gas.
Op het gedeelte vanaf de Hartelweg tot aan het lpg-station aan de tramdijk 5 vindt enkel vervoer van LPG plaats naar dit tankstation. LPG heeft een invloedsgebied van 355 meter, waardoor het projectgebied buiten het invloedsgebied voor dit weggedeelte valt. Wel bevindt het projectgebied zich binnen het invloedsgebied van het eerstgenoemde weggedeelte Groene Kruisweg/ Hartelweg. De toxische gassen die over deze wegen vervoerd worden hebben een invloedsgebied van meer dan vier km. De rijksweg A15 en de havenspoorlijn (onderdeel van de Betuweroute) bevinden zich circa 2,3 km ten noorden van het projectgebied. Ook hier worden o.a. zeer toxische gassen vervoerd, waardoor het invloedsgebied van meer dan vier km tot aan het projectgebied reikt. Er dient daarom een beschrijving gegeven te worden van de aspecten 'zelfredzaamheid' en 'bestrijdbaarheid'. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen.
In het projectgebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals kinderen van 0 tot 4 jaar, ouderen, gehandicapten of gevangenen. Het maatgevende scenario voor zowel beide bedrijven als de transportroutes is een toxische wolk. Tijdens een brand bij een inrichting met gevaarlijke stoffen of een incident met een ketelwagon op het spoor of tankwagen op de weg kan een wolk met giftige stoffen vrijkomen en zich verspreiden in de omgeving. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario. Mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding en beperking van rampen Risicocommunicatie naar de toekomstige bewoners is zeer belangrijk. Bij aankoop van een woning of het sluiten van een huurcontract kunnen de bewoners op de externe veiligheidsrisico's gewezen worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. Het is wellicht wenselijk om een kettingbepaling af te dwingen, zodat toekomstige bewoners ook van de situatie op de hoogte zijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht. Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) wordt ingezet.
In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
45 geadviseerd bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen in gebouwen toe te passen waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden. Daarnaast dient aandacht te worden gevraagd voor de detaillering van gevels, ramen en kozijnen, zodat deze goed luchtdicht zijn uitgevoerd volgens de normen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Het is belangrijk om tijdens de bouw te controleren of dit goed wordt uitgevoerd. Aangezien het toepassen van een afsluitbare mechanische ventilatie niet kan worden afgedwongen, dient hierover actief gecommuniceerd te worden de initiatiefnemer van het bouwproject. 5.8.3 Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.