ETFAL (ruimtelijke onderbouwing)
Tekst van het document
5.9
Natuur en ecologie
5.9.1
Kader Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorg dragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Omgevingswet op het thema faunabeheer. De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen. In hoofdstuk 11 van het Bal zijn hiervoor regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. Het Bal biedt ruimte om in afwijking van deze regels maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in hoofdstuk 3 instructieregels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten. Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om de Natura 2000 gebieden in stand te houden en het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan. Op grond van het Bkl dient ook een programma te worden opgesteld om tot een reductie van uitstoot en neerslag van stikstof en natuurverbetering te komen. Dit programma kan gevolgen hebben voor gemeentelijke ruimtelijke procedures. Daarnaast biedt het Bkl de mogelijkheid om een gemeentelijk programma voor de aanpak van stikstof vast te stellen. De provincie kan haar beschermingsdoelstellingen in haar omgevingsverordening in de vorm van instructieregels doorleggen aan gemeenten.
5.9.2 Onderzoek Soortenbescherming In het kader van soortenbescherming is er een quickscan flora en fauna is uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 1. Voor fase 1 van de Vredehof blijkt uit deze quickscan dat geen nader onderzoek voor deze locatie benodigd is. Voor latere fases van de ontwikkeling van Vredehof is wel nader onderzoek benodigd. Voor de volledigheid is dat hieronder weergegeven.
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
46 Nader onderzoek Het volledige onderzoek is bijgevoegd als bijlage 2. Uit de quickscan komt naar voren dat er nadere veldonderzoeken vereist zijn voor enkele locaties in Vredehof fase 2 en fase 3. Het gaat dan om gebruik als verblijfplaats door de huismus (onder pannendaken), vleermuizen (een boom en daken en gevels) en gierzwaluwen (pannendaken). Voor overige flora en faunasoorten is geen nader onderzoek of ontheffing benodigd. Door GroenTeam is in oktober 2021 een rapportage opgesteld met nader onderzoek naar huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen. Uit dit onderzoek blijkt dat, vanwege het aantreffen van nesten van Huismus en Gierzwaluw in pand Vredehofstraat 15b, uitsluitend dit pand nadere maatregelen en voorwaarden vergt. Voor de sloop van dit pand zijn mitigerende en compenserende maatregelen benodigd. Deze maatregelen zullen worden genomen en voor de sloop van dit pand zal een ontheffing worden aangevraagd. De overige panden kunnen zonder belemmering worden gesloopt. De onderzoeken zijn uitgevoerd voor het intreden van de Omgevingswet. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels die te maken hebben met natuurbescherming ongewijzigd over gegaan in de Omgevingswet. Het beschermingsniveau blijft dus hetzelfde en de bevoegdheidsverdeling blijft ook in grote lijnen hetzelfde. De overgang is dus beleidsneutraal.
Dit komt doordat een groot deel van de regels in de huidige Wet natuurbescherming direct voortvloeien uit Europese en internationale verplichtingen, zoals de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn. De Omgevingswet moet ook aan die Europese en internationale verplichtingen voldoen. De resultaten uit de uitgevoerde onderzoeken zoals hierboven beschreven, ook al zijn deze uitgevoerd onder voorgaande wetgeving, bieden dan ook voldoende zekerheid dat de ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor beschermde flora en fauna. Gebiedsbescherming Het projectgebied maakt geen deel uit van een aangewezen Natura 2000 gebied en maakt evenmin onderdeel uit van het NNN of van ‘bijzondere weidevogelgebieden’. De meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000gebieden zijn Krammer-Volkerak, Solleveld & Kapittelduinen en Voornes Duin allen gelegen op circa 16 à 17 km van het projectgebied. Door KuiperCompagnons is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd naar de ontwikkeling van Vredehof Fase 1. De volledige rapportage inclusief berekeningen is te raadplegen in bijlage 8. Uit dit onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitats van Natura 2000-gebieden in de aanleg- en de gebruiksfase van deze nieuwe woningen.
Daarnaast heeft DCMR berekend bij welke aantallen woningen er in Nissewaard geen Aerius-berekening nodig is. In het stedelijk gebied ligt dit aantal (voor niet vrijstaande woningen) op 63. Fase 1 van de ontwikkeling blijft onder deze grens, waardoor een actualisatie van deze berekening niet benodigd is. Geconcludeerd kan worden dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat het aspect stikstofdepositie niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit project. 5.9.3 Conclusie Bij de eerste fase van de ontwikkelingen aan de Vredehof kunnen nadelige effecten op beschermde flora en fauna worden uitgesloten. Geconcludeerd kan worden dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat het aspect stikstofdepositie niet leidt tot belemmeringen
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
47 voor de ontwikkelingen in dit project. Vanuit deze aspecten is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.10 Luchtkwaliteit 5.10.1 Kader Op grond van de artikelen 5.50 en 5.51 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de in artikel 2.4 en 2.5 opgenomen omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht van toepassing op die gevallen waarin de aanleg van een autoweg, een autosnelweg of een tunnelbuis voor het wegverkeer mogelijk wordt gemaakt. Ook als de gemeente in kwestie deel uitmaakt van een van de aangewezen agglomeraties, moeten de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht in acht worden genomen. De gemeente Nissewaard bevindt zich in het aandachtsgebied Rotterdam/Dordrecht voor luchtkwaliteit. 5.10.2 Onderzoek Het project gaat om de realisatie van maximaal 22 woningen. Het behoort hierdoor tot een standaardgeval dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verhoging van de concentratie van stikstofdioxide en fijnstof. Ook als gekeken wordt naar de totale ontwikkeling aan de Vredehofstraat (218 woningen) valt deze nog ruim binnen de waarden van ‘niet in betekende mate’. Van deze standaardgevallen staat vast dat de verhoging maximaal 1,2 µg/m3 bedraagt. De realisatie van het project is daarom nauwelijks van invloed op de kwaliteit van de buitenlucht.
Uit de kaart van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) blijkt dat de waarden van NO2, PM10 en PM2,5 ruim onder de omgevingswaarden blijven zoals benoemd in artikel 2.4 en artikel 2.5 uit het Bkl. In afbeelding 5.9 is een uitsnede weergegeven van de kaart van het CIMLK voor de concentratie NO2 in de omgeving van het projectgebied.
Afbeelding 5.9: uitsnede CIMLK-kaart NO2-concentraties.
5.10.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
48
5.11 Geur 5.11.1 Kader De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het projectgebied zijn toegestaan. Bij nieuwe ontwikkelingen moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het deelprojectgebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het deelprojectgebied, optreedt. In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een instructieregel opgenomen, op grond waarvan in het gemeentelijk omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het projectgebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. 5.11.2 Onderzoek Het project omvat de realisatie van geurgevoelige gebouwen (woningen). In de omgeving van het projectgebied ligt de haven van Rotterdam. Hier zijn verschillende geurbronnen aanwezig. Uit de kaart ‘Geurhinder Nissewaard’ van omgevingsdienst DCMR (zie afbeelding 5.10) blijkt dat het projectgebied ligt in een gebied waar geen geurhinder wordt verwacht. Het projectgebied ligt in een zone waar sprake is van minder dan <0.5 Odour units.
Er zijn daarom vanwege geur geen negatieve effecten op het welzijn en de gezondheid van mensen te verwachten.
Afbeelding 5.10: uitsnede kaart Geurhinder Nissewaard. Het projectgebied is rood omkaderd (bron: DCMR).
5.11.3 Conclusie Het aspect geur heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.12 Trillingen 5.12.1 Kader Op grond van artikel 5.83 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet bij nieuwe ontwikkelingen rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen; het plan moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, met uitzondering van de activiteit wonen. In artikel 5.86 van het Bkl is aangegeven dat hieraan wordt voldaan als aan het omgevingsplan standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen worden verbonden.
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
49 5.12.2
Onderzoek Trillingen door activiteiten Voorgenomen ontwikkeling maakt geen trillingveroorzakende activiteiten mogelijk. Er wordt gebouwd in een bestaande wijk waar bouwactiviteiten tijdelijk invloed kunnen hebben op de leefbaarheid. Tijdens de bouwfase vindt de gebruikelijke communicatie plaats met de omgeving. Deze hinder zal tot een minimum beperkt worden. Voordat gestart wordt met de bouwactiviteiten zal, door een daartoe gespecialiseerd bedrijf, een inventarisatie worden gemaakt van de omgeving. Daarnaast worden op diverse plekken rondom de bouwplaats regulier de effecten als gevolg van mogelijke trillingen, geregistreerd. De routing van materialen en materieel zal in nauwe afstemming met de directe omgeving en met de gemeente voorafgaand aan de bouwactiviteiten worden besproken en vastgelegd in het bouwplaatsprotocol. Trillingen door wegverkeer Binnen en rondom het projectgebied zelf geldt een maximale rijsnelheid van 30 km per uur. Er zullen dan ook geen trillingsniveaus optreden die de standaardwaarden overschrijden.
5.12.3
Conclusie Het aspect trillingen heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.13
Landschap, cultuurhistorie en archeologie
5.13.1
Kader Landschap Onder de Omgevingswet zijn instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in paragraaf 5.1.5: 'Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed'. Daarnaast zijn er beleidskaders vastgelegd, zowel in de provinciale omgevingsvisie als in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Op basis van deze documenten is een beschermingsregime opgenomen voor het behoud en versterken van kenmerkende landschapsstructuren en cultureel erfgoed. Rijksbeleid Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Erfgoedwet deels opgegaan in de Omgevingswet. Het beschermen en beheren van cultureel erfgoed is ook een van de belangen van de Omgevingswet (art 1.2 Ow). In de Omgevingswet staan de regels voor de omgang met de fysieke leefomgeving geïntegreerd. Hierin staan bijvoorbeeld onderdelen uit de Monumentenwet 1988 die tot 1 januari 2024 in het overgangsrecht van de Erfgoedwet waren opgenomen. De bevoegdheden en beschermingsniveaus zijn in grote lijnen gehandhaafd. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet, de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.
Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn regels voor de bescherming van rijksmonumenten en archeologische monumenten. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn regels over het bouwen, verbouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken opgenomen.
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
50 Provinciaal beleid De cultuurhistorische waardenkaart (CHW-kaart) van de provincie Zuid-Holland laat zien welke cultuurhistorische interessante en waardevolle patronen en objecten zich in het projectgebied bevinden. Elke tijdsperiode heeft haar weerslag gehad op de vorming van de gebouwde omgeving. Lijnen, punten en vlakken uit het verleden zijn soms nog afleesbaar in het huidige landschap. De CHW-kaart brengt deze cultuurhistorische waardevolle patronen en objecten in beeld. Gemeentelijk beleid Sinds enkele jaren is het opstellen en uitvoeren van archeologisch beleid een gemeentelijke aangelegenheid. Voordeel is dat de gemeenten zelf een afweging kunnen maken ten aanzien van de gebieden die onderzoeksplichtig zijn, en welke vrijstellingsregimes gehanteerd worden. Daarbij past een eigen archeologiebeleid, met als basis een archeologische waarden- en verwachtingenkaart en een beleidskaart. De Archeologische waarden- en verwachtingskaart geeft een gedetailleerd overzicht van de aanwezige archeologische waarden en de archeologische verwachtingen in de gemeente Nissewaard (zie afbeelding 5.11). 5.13.2
Onderzoek Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Zuid-Holland zijn enkele cultuurhistorische waarden aanwezig. Zo ligt het projectgebied op de grens tussen de kenmerken ‘Voorstraatdorp’ en Voorstraatdorp, 1940-1965. Hierop zijn echter verder geen specifieke eisen vanuit cultuurhistorisch belang toegevoegd. Het projectgebied kent een hoge verwachtingswaarde voor archeologische sporen binnen de waarde ‘0 – 3 meter: Oude Zeeafzettingen met Veen’. Voor de overige archeologische verwachtingscategorieën geldt een lage of geen waarde. Op de archeologische Waarden- en Beleidskaart van de gemeente Nissewaard ligt het projectgebied op de grens van gebieden met een hoge archeologische verwachting (dieper dan 50 cm beneden het maaiveld) en een redelijk hoge archeologische verwachting (dieper dan 50 cm beneden het maaiveld) (zie afbeelding 5.11).
Afbeelding 5.11: Uitsnede Archeologische Waarden- en Beleidskaart.
In het vigerende bestemmingsplan ‘Centrum 2012’ kent het projectgebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie - 3’. Hiervoor geldt dat ingrepen die dieper reiken dan 50 cm beneden het maaiveld en die een oppervlakte groter dan 200 m2 beslaan vergunningsplichtig zijn.
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
51 Bureauonderzoek Archeologie Rotterdam (BOOR) Door Archeologie Rotterdam is een beknopt bureauonderzoek uitgevoerd om een plan van eisen op te stellen voor een verkennend inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen in het projectgebied. Dit bureauonderzoek is opgenomen als bijlage 6 bij deze onderbouwing. Op grond van gemeentelijk beleid, de archeologische verwachting van het gebied, alsmede de bodemverstorende aard van de werkzaamheden die in het kader van de toekomstige ontwikkeling van de nieuwbouw in het projectgebied zullen worden uitgevoerd, is een inventariserend veldonderzoek noodzakelijk. Archeologisch vooronderzoek (Vestigia) Dit inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd door het gecertificeerde bureau Vestigia en opgenomen als bijlage 7 bij deze onderbouwing. Uit het veldonderzoek blijkt dat in meerdere zones in het projectgebied bij het overschrijden van bepaalde verstoringsdieptes archeologische waarden verstoord kunnen worden. Gezien de hoogte van de relevante archeologische niveaus, zal deze maximale verstoringsdiepte naar verwachting bij alle bouwblokken worden overschreden, nog los van ingrepen ten behoeve van wegcunetten en kabels en leidingen etc.
Voor de zones ‘oever kreekgeul deels intact’ en ‘ophogingspakket LME-NT’ wordt vanwege de mogelijke aanwezigheid van archeologische sporen vervolgonderzoek door middel van een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) voorgesteld bij het overschrijden van bepaalde verstoringsdieptes. Enkele delen van het projectgebied zijn pas toegankelijk voor dit onderzoek na het slopen van de bestaande bebouwing (tot het maaiveld). De precieze werkwijze dient vastgelegd te worden in een door de bevoegde overheid (Archeologie Rotterdam/BOOR) op te stellen Programma van Eisen (PvE). Voor de zone ‘ top veen intact’ wordt voorgesteld om een karterend booronderzoek uit te voeren als de verstoringsdiepte van 130 cm onder het maaiveld wordt overschreden. Ook voorafgaand aan een karterend booronderzoek dient door de bevoegde overheid (Archeologie Rotterdam/BOOR) een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld. De overige zones van het projectgebied kunnen vrijgegeven worden voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.13.3
Conclusie Aan BOOR is gevraagd om een PvE op te stellen voor het vervolg van het onderzoek. Dit PvE is inmiddels verstrekt. Vervolgonderzoek zal plaatsvinden na de sloop van de bebouwing. Mochten er uit dit onderzoek vervolgstappen benodigd blijken op het gebied van archeologie dan zullen deze worden genomen. Hiertoe zullen voorschriften worden opgenomen in de vergunning.
5.14
Duurzaamheid
5.14.1 Kader Er is geen wettelijk kader voor ruimtelijke plannen op het gebied van energie, klimaatadaptatie en circulariteit, maar er zijn wel nationale, regionale en lokale doestellingen waarmee aan de doelbijdrage kan worden getoetst. Nationaal klimaatbeleid De afgelopen jaren heeft de nationale overheid haar duurzaamheidsdoelen en de benodigde acties in verschillende documenten en afspraken vastgelegd. In 2013 zijn er afspraken gemaakt met het bedrijfsleven over onder andere besparing en meer duurzame opwekking in het Energieakkoord. In 2015 is er tijdens een VNklimaattop in Parijs een nieuw internationaal klimaatakkoord opgesteld. Het doel hiervan is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de 2 graden Celsius en minimaal 1,5 graden. In 2016 heeft de overheid vervolgens in de Energie-agenda vastgelegd hoe een CO2-arme energievoorziening in 2050 gerealiseerd kan worden. In 2018 zijn deze afspraken verder uitgebreid met een nationale Klimaatwet. Deze stelt dat in 2030 een CO2-reductie van 49% ten opzichte van 1990 gerealiseerd moet zijn. In 2050 moet dit minimaal 95% zijn. In een nationaal klimaatakkoord worden afspraken gemaakt hoe deze doelen gehaald gaan worden. Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het klimaatakkoord gepubliceerd.
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
52 Als onderdeel van het nationale klimaatakkoord is ook afgesproken om op regionaal niveau samen te werken aan de energietransitie. Daarbij gaat het specifiek over lokale duurzame opwekking, besparing en de warmtetransitie. Dit resulteert in dertig regionale energiestrategieën (de RES). De regio's krijgen ondersteuning van het Nationaal Programma RES. Via de RES kan de besluitvorming omtrent de ruimtelijke inpassing van de duurzame energieopwekking en de energie-infrastructuur worden voorbereid in goed overleg met alle maatschappelijke partners en betrokkenen binnen de regio. Wet Voortgang Energie Transitie Op 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) in werking getreden. Deze Wijzigingswet heeft een aantal aanpassingen doorgevoerd in de Gaswet en de Elektriciteitswet. Door de wijziging van de Gaswet mag een netbeheerder geen aardgasaansluiting meer verzorgen voor nieuwbouw. De aansluitplicht is dus vervallen, waarmee nieuwbouw niet meer aangesloten kan worden op het aardgasnet. Energiezuinig bouwen De energiezuinigheid van woningen en utiliteitsgebouwen wordt uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Het Bouwbesluit stelt bepaalde eisen aan de energiezuinigheid van gebouwen en daarmee de EPC-waarde van een gebouw. Voor een woning geldt een eis van 0,4 terwijl voor utiliteitsbouw een variatie aan normen wordt gehanteerd op basis van de functie.
De EPC-eisen zijn vanaf 2021 vervangen door de eisen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG). In het Nationaal Plan voor het bevorderen van bijna-energieneutrale gebouwen wordt een strategie geschetst om te komen tot bijna-energieneutrale gebouwen, zowel bij nieuwbouw als transformatie van bestaande gebouwen. Het grote verschil tussen EPC en BENG is dat bij deze nieuwe eis energiebesparing belangrijker is dan energieopwekking. Waar bij de EPC-eis het nog mogelijk was om energieverliezen met bijvoorbeeld zonnepanelen te compenseren, kan dit met de nieuwe BENG eisen niet meer. Vergunningaanvragen die na 1 januari 2021 worden ingediend moeten voldoen aan deze BENG-norm. 5.14.2
Onderzoek en conclusie Het plan voldoet in ieder geval aan de wettelijke normen en vereisten op het gebied van duurzaamheid. Zo wordt voldaan aan de MPG-eisen en BENG-eisen, en geeft waar mogelijk invulling aan verschillende duurzaamheidskaders. Vanuit dit aspect is daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.15
Overige aspecten Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het projectgebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen, hoogspanningsverbindingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke. De netbeheerder heeft aangegeven dat er voor de 1 e fase geen belemmeringen zijn vanuit het elektriciteitsnet. Voor de volgende fases zal een trafostation nodig zijn. Dit wordt in de desbetreffende ruimtelijke procedures geregeld. Het projectgebied bevindt zich verder niet in de aanwezigheid van straalpaden of andere beschermingszones. Binnen het projectgebied lopen daarnaast geen planologisch relevante kabels of (hoogspannings)leidingen. Er zijn geen overige aspecten die negatieve invloed hebben op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse
53
6 6.1
Maatschappelijke en financiële haalbaarheid
Financiële haalbaarheid In de voorbereidende fase van een BOPA moeten het bevoegd gezag en de initiatiefnemer aandacht besteden aan het verzekeren van de financiële uitvoerbaarheid van de activiteit waarvoor een omgevingsvergunning voor een BOPA wordt aangevraagd. Het uitgangspunt is dat medewerking aan een BOPA alleen aan de orde is als de activiteiten waarvoor vergunning verleend wordt, niet financieel onuitvoerbaar zijn. Het aspect van kostenverhaal speelt daarbij een rol. Met het plan is sprake van een kostenverhaalsplichtige activiteit, namelijk de bouw van gebouwen met een woonfunctie. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is een anterieure overeenkomst gesloten. Met deze overeenkomst is er in het kostenverhaal voorzien. Daardoor is het opstellen van kostenverhaalsvoorschriften is niet noodzakelijk. De initiatiefnemer zal geheel voor eigen rekening en risico overgaan tot de ontwikkeling en realisatie van het plan.
6.2
Participatie In het proces om te komen tot deze woningbouwontwikkeling zijn belanghebbenden op verschillende momenten en manieren betrokken. Als bijlage 10 bij deze BOPA is een participatieverslag opgenomen waarin is opgenomen op welke wijze participatie heeft plaatsgevonden, wat de uitkomsten waren en wat er met deze uitkomsten is gedaan. Daarnaast is een concept van deze onderbouwing aan andere bestuursorganen toegezonden voor een reactie. De benodigde wijzigingen als gevolg van deze consultatie zijn verwerkt.
BOPA Vredehoflocatie – Fase 1, Spijkenisse