Bijlage 6 - PlanMER windturbinebepalingen lo (61243233.1)
Tekst van het document
Gondelfalen - Afstand van halve rotordiameter; Mastfalen – Tiphoogteafstand; Bladworp – Bladworpafstand bij nominaal toerental en bij overtoeren.
Risico’s door faalscenario’s kunnen inzichtelijk worden gemaakt met behulp van de methodiek van het plaatsgebonden risico (PR). Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die een jaar lang onbeschermd aanwezig is op een plaats in de omgeving van een risicovolle activiteit, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit. Een plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar betekent dan dat de kans op overlijden één op de miljoen is, 10-5 staat voor één op de honderdduizend, etc. Hoe verder weg van de windturbine, hoe kleiner de optredende kansen. Dit neemt af tot nul op een afstand waarop er geen enkel faalscenario meer kan leiden tot schade. Incidenten met ijs Naast het afbreken van windturbineonderdelen kan er ook een risico voor de omgeving ontstaan als gevolg van het naar beneden vallen van ijsbrokken die gevormd kunnen worden tijdens specifieke winterse omstandigheden. Vallende ijsbrokken kunnen letsel aan passanten toebrengen en schade veroorzaken aan gebouwen of ander materieel in de directe omgeving van de windturbine. Er zijn echter systemen en maatregelen beschikbaar waarmee de gevolgen voor de omgeving zijn te beperken. Er zijn geen maatregelen benodigd indien de omgeving niet gevoelig is voor schade door ijsval of ijsworp. Met behulp van detectiesystemen kan de aangroei van ijsvorming worden gedetecteerd.
IJsworp kan worden voorkomen door tijdens de aangroei van ijsvorming de windturbines stil
57
Zie paragraaf 5.3.2 voor uitleg over kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Een windturbine draait lang niet altijd een nominaal vermogen waardoor de kans op een werpafstand voor die situatie wordt overschat. Indien de werpafstand bij nominaal toerental als effectafstand onderdeel uit gaat maken van de normering, kan een nadere beschouwing rekening houdend met de aanwezigheid van een variabel toerental mogelijk resulteren in het optreden van grotere risico’s op kleinere afstanden. 59 De werpafstand bij overtoeren is voornamelijk relevant bij oudere windturbines. Moderne windturbines beschikken over meerdere veiligheidsmaatregelen waardoor verwacht wordt dat de kans van het optreden van bladworp bij overtoeren nagenoeg uitgesloten kan worden. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak geeft in haar adviezen aan de Raad van State aan dat dit type incident onwaarschijnlijk is en niet nader beschouwd hoeft te worden. De Raad van State heeft in zijn uitspraken dit standpunt overgenomen. Het RIVM laat in 2023 nader onderzoek doen naar de nader te beschouwen faalscenario’s van windturbines. Dit PlanMER gaat uit van de huidige rekenregels in de Handleiding Risicobeoordeling Windturbines, wat betekent dat bladworp bij overtoeren onderdeel is van de faalscenario’s in dit planMER. 58
76
Datum: 2 december 2022
te zetten. Voor ijsval kunnen veilige zones worden geïdentificeerd waar het ijs veilig van de bladen kan glijden. Met behulp van bijvoorbeeld het Veiligheidsprotocol IJsafzetting Windturbines van NWEA60 kunnen de risico’s zodanig worden geminimaliseerd dat de risico’s beperkt zijn. De risico's van ijsworp en ijsval hebben daarmee geen verdere significante invloed op de risicobeoordeling van de externe veiligheid van een windturbine. Domino-effecten Wanneer een windturbine faalt kunnen er risico’s ontstaan doordat risicovolle inrichtingen, installaties en infrastructuren in de omgeving beschadigd raken door onderdelen van de windturbine. Deze schade op zichzelf levert een vergroot risico op de omgeving op (zie Figuur 5-2 voor een schematisch voorbeeld). Voor deze zogenoemde domino-effecten is het van belang inzicht te krijgen in de aanwezigheid van risicovolle activiteiten in de omgeving van een windturbine, zoals BRZO bedrijven, andere Bevi-inrichtingen en buisleidingen. Effecten bij plaatsing in bebouwde omgeving of in landelijk gebied Of windturbines een risico veroorzaken is sterk afhankelijk van de omgeving. Zijn er geen kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten aanwezig, dan is er ook geen relevant risico voor deze objecten.
Uit een analyse van de windturbine database van het RIVM versie 01 januari 2022 van de locaties van windturbines in Nederland blijkt dat 372 van de 2.542 windturbines op land geplaatst zijn in de directe nabijheid van bebouwing (zie Figuur 7-9). Dat wil zeggen, binnen een afstand waarop nog relevante faalscenario’s kunnen optreden. In alle gevallen betrof dit windturbines op bedrijventerreinen of in havengebieden. Dit betekent dat circa 15% van de windturbines zich momenteel bevindt in of direct naast een bebouwde omgeving. De overige windturbines zijn geplaatst in landelijk gebied. Als windturbines in een landelijke omgeving worden geplaatst zijn er relatief weinig of geen objecten aanwezig binnen de relevante effectafstanden van een windturbinelocatie. In deze omgevingen zijn de afstanden die aangehouden worden voor bescherming tegen geluidoverlast maatgevend voor de afstand tussen windturbines en geluidgevoelige objecten (circa 300 – 400 meter). Geluidgevoelige objecten zijn in veel gevallen ook kwetsbare objecten. Dit betekent dat de windturbines in een landelijke omgeving vanwege geluidnormen bijna altijd al voldoende afstand hebben uit hoofde van externe veiligheid.
60
Zie: https://www.nwea.nl/wp-content/uploads/2019/04/190415-veiligheidsprotocol-ijsafzetting-windturbines-versie-15.pdf.
77
Datum: 2 december 2022
Figuur 7-9 Weergave verhouding windturbines nabij bebouwde omgeving en landelijke omgeving
Op bedrijven- of haventerreinen zijn echter veelal geen maatgevende geluidgevoelige objecten aanwezig. Dit komt doordat dit enerzijds reeds geluidbelaste objecten zijn (woningen op een geluidgezoneerd bedrijventerrein) of doordat de objecten niet geluidgevoelig zijn (bedrijven / kantoren / hallen). Het aspect geluid is op die locaties dus geen automatische beperking die ervoor zorgt dat aan de benodigde veiligheidsafstanden wordt voldaan. In die gevallen is de externe veiligheid regelgeving dus wel maatgevend. Risicovolle inrichtingen Er gelden in de referentiesituatie geen normen voor de toelaatbaarheid van windturbines in de nabijheid van risicovolle bedrijven. Er kunnen risico’s voor de omgeving optreden als gevolg van vervolgschade aan andere risicovolle bronnen in de omgeving van een windturbine. Als voorbeeld zou een tankopslag met giftige stoffen geraakt kunnen worden door een vallend windturbineonderdeel, waarna er giftige stoffen in een gaswolk vrijkomen die op een veel grotere afstand van de windturbine letsel aan personen kan opleveren. Risicovolle buisleidingen liggen verspreid over Nederland. Risicovolle inrichtingen (zoals BRZO bedrijven of andere Bevi-inrichtingen) zijn veelal gelegen op bedrijventerrein en in havengebieden.
78
Datum: 2 december 2022
In Nederland zijn risicovolle activiteiten ingedeeld in categorieën, met verschillende manieren van het beschermen tegen risico’s. Deze bescherming kan voortkomen uit het hanteren van vaste toetsingsafstanden tot kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten, het hanteren van een beperking van risicocontouren tot inrichtingsgrenzen, of de berekening van de specifieke risico’s. De benadering hangt onder andere af van de mate van risico die een installatie oplevert voor de omgeving. Voor kleinere installaties met een gering risico beperken de eisen zich vaak tot standaardafstanden. Voor grote installaties is een uitgebreide analyse van de specifieke optredende risico’s benodigd in de vorm van een kwantitatieve risicoanalyse (een zogenaamde QRA). Dit betekent dat er per installatie een aparte risicoanalyse uitgevoerd moet worden bij plaatsing van een windturbine. De invloed van een windturbine op een installatie verschilt. Bij installaties met een kleine kans op falen maar met grote effectafstanden kan het risico significant toenemen door (een) windturbine(s). Bij kleinere installaties met beperktere veiligheidseisen kan het additionele risico van een windturbine zorgen voor nagenoeg gelijke risico’s, indien het risico van de eigen installatie maatgevend is voor de bepaling van de risicocontouren. Momenteel ontbreken regels voor deze domino-effecten.
Dit komt aan de orde bij de belangenafweging in de ruimtelijke ordening bij realiseren van windturbines. Een concept circulaire windturbines bij risicovolle bedrijven 61 zou een normstellend afwegingskader voor windturbines in relatie tot risicovolle bedrijven adviseren aan bevoegde gezagen. Deze circulaire is niet ingevoerd in afwachting van dit planMER. Bij het realiseren van een windturbine nabij grote risicovolle inrichtingen geldt in de referentiesituatie dat veelal afstanden worden aangehouden waarbij er enkel nog sprake kan zijn van effecten als gevolg van het faalscenario bladworp bij overtoeren. Dit faalscenario heeft een zeer kleine kans van optreden 62. Bij vrijwel alle risicovolle activiteiten is een dergelijke trefkans verwaarloosbaar te noemen in vergelijking met het reeds aanwezige risico van de installatie zelf. Uitzonderingen hierop zijn bijzondere situaties zoals kerncentrales, chlooropslag of zeer grote chemische installaties. De referentiesituatie bevat geen normen in de vorm van effectafstanden. Wel kan het bevoegd gezag met mogelijk optredende effecten rekening houden in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Er zijn situaties waarbij afgeweken wordt van de minimale plaatsingsafstand 63, waardoor een windturbine wel een significant risico veroorzaakt op een ongeval bij een risicovolle installatie in de omgeving.
Er zijn situaties waar de plaatsingsafstand van plaatsing buiten een tiphoogteafstand of bladworp nominaal toerental vanaf risicovolle activiteiten niet wordt gehanteerd. Dit is veelal bij kleinere risicovolle activiteiten. Dan wordt met behulp van risicoanalyses inzichtelijk gemaakt dat de gevolgen voor de omgeving niet tot extra risico of onaanvaardbaar risico voor kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten en/of groepsrisico’s zorgen. Deze informatie heeft het bevoegd gezag nodig om een goede afweging te kunnen maken over de toename van het risico. Het beoordelingskader hiervoor komt uit de regelgeving die van toepassing is voor de potentieel te raken risicovolle installatie. Buisleidingen Voor buisleidingen is verplicht risico’s als gevolg van windturbines te berekenen. Dit is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (dus met regelgeving voor de buisleiding). Hier geldt dat er bij de risicoberekening van buisleidingen rekening gehouden moet worden met de aanwezigheid van windturbines. De wettelijke bescherming bij de plaatsing van windturbines nabij buisleidingen is in de referentiesituatie echter enkel geregeld via een goede ruimtelijke ordening, vergelijkbaar met de benadering voor risicovolle installaties (zie hierboven). Daarbij wordt de optredende risicovergroting bij de buisleiding als gevolg van de plaatsing van een windturbine inzichtelijk gemaakt.
Toetsing vindt vervolgens voornamelijk plaats door te bekijken of de risicocontouren van de buisleiding groter worden en of er als gevolg van die vergroting kwetsbare objecten binnen de vergrote risicocontour komen te vallen. Het bevoegd gezag maakt uiteindelijk een afweging of de toename van het risico aanvaardbaar is. In enkele gevallen wordt een kleine vergroting van het optredende risico dan geaccepteerd.
61
Circulaire windturbines bij risicovolle bedrijven, 12 mei 2021, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, https://www.internetconsultatie.nl/circulaire_windturbines_bij_risicovolle_bedrijven 62 In dit scenario is de kans dat een (stuk van) een windturbineblad terechtkomt op een specifieke plek ver weg van de windturbine heel erg klein (PR is kleiner dan 1 op 100 miljoen). Met andere woorden: de kans dat een risicovolle installatie die zich buiten de tiphoogte afstand van de windturbine bevindt geraakt wordt, is zo klein dat die kans als verwaarloosbaar mag worden beschouwd. 63 De minimale plaatsingsafstand is ook afhankelijk van de te raken installatie. Zo kan de aanwezigheid van een zeer grote en/of zeer risicovolle installatie ook binnen de werpafstand bij overtoeren een significant onveilige situatie veroorzaken.
79
Datum: 2 december 2022
7.2.3.2 Autonome- en toekomstige ontwikkelingen richting 2050 In de NOVI is het toekomstbeeld geschetst dat in 2050 de omgevingsveiligheid is toegenomen. In vrijwel heel Nederland neemt het basisbeschermingsniveau toe. Dit dankzij sanering van bijvoorbeeld risicovolle situaties en de inzet op preventie en risicobeheersing bij bijvoorbeeld het gebruik van gevaarlijke stoffen. Industriële activiteiten zijn niet gemengd met publieksfuncties of woonbebouwing en ook transportroutes van gevaarlijke chemische stoffen lopen daar niet meer doorheen. Dergelijke industriële activiteiten zijn vooral langs transportroutes en in de havens en industriegebieden geconcentreerd. Dat betekent dat we daarvoor milieuruimte hebben ingericht en terughoudend zijn met het toelaten van andere functies in die gebieden, wat ook zorgt voor meer veiligheid. De volgende autonome en toekomstige ontwikkelingen spelen een rol: • •
De energietransitie; Introductie van geavanceerde materialen met mogelijk nieuwe gezondheidsrisico’s.
Een belangrijke trend met betrekking tot de gezonde leefomgeving is de transitie van fossiele brandstoffen naar duurzame energieopwekking. De vermindering van de uitstoot van broeikasgassen heeft zowel gunstige als ongunstige – maar vaak ook nog onbekende gevolgen voor de veiligheid. Het RIVM doet onderzoek naar de effecten van de energietransitie voor de veiligheid en levert kennis via netwerken en platforms. Zo worden de nieuwe risico’s verkend die gepaard gaan met energietransitie vanuit het perspectief van nationale veiligheid. Ook heeft het RIVM een studie gedaan naar de effecten van het Klimaatakkoord – door het verdwijnen van fossiele bronnen - voor duurzaamheid, gezondheid en veiligheid. De volgende effecten zijn te verwachten: Uitfasering van het gebruik van fossiele energiebronnen zal gepaard gaan met een vermindering van de bijbehorende risico’s in de gehele keten van productie bij de raffinaderijen, grootschalige tankopslag, transport via buisleidingen, weg, water of spoor, tot aan de eindaflevering bij gebruikers. De omvang van de toename van de risico's, die daar tegenover staat als gevolg van de vervanging door andere energiedragers, is nog niet duidelijk. Deze is sterk afhankelijk van de dragers waarvoor wordt gekozen.
Grootschalige energieopslag en omzetting van elektriciteit naar alternatieve brandstoffen is nodig om de onbalans tussen duurzame energieproductie en -vraag te kunnen corrigeren. Daarmee worden nieuwe risicobronnen geïntroduceerd zoals grootschalige batterijsystemen, en opslag en transport van alternatieve brandstoffen, zoals bijvoorbeeld waterstof. Ontwikkelingen met betrekking tot gevaarlijke stoffen zijn onder andere dat bij bedrijven nieuwe gevaarlijke stoffen, en andere, grootschalige inzet van bekende gevaarlijke stoffen (ook in het kader van de energietransitie en de transitie naar een circulaire economie), en cybersecurity issues leiden tot nieuwe veiligheidsrisico’s voor omwonenden. Daarnaast zal de vraag naar transport van gevaarlijke stoffen waarschijnlijk toenemen met de energietransitie, ook op spoor, water en wegen die door dichtbevolkt gebied lopen. Een belangrijke trend die nog niet verminderd lijkt te zijn, is het steeds groter worden van de windturbines zelf. Op het gebied van veiligheid betekent dit dat de effectzones waarbinnen een windturbine een risico kan veroorzaken groter worden als gevolg van het groter worden van de windturbine afmetingen. Dit betekent dat een gelijke mate van risico wordt verdeeld over een groter oppervlak. Hierdoor kan het optredende risico per vierkante meter juist afnemen.
De groei van de PR-contouren neemt daardoor niet in dezelfde snelheid toe als de groei van de afmetingen van een windturbine. In combinatie met een potentiële afname van de faalfrequenties van moderne windturbines betekent dit dat er een steeds grotere afstand ontstaat tussen de ligging van de PR-contouren en de afmetingen van de windturbines. Indien de groei van het windturbineformaat blijft voortzetten, zal er een grotere afstand zijn tussen de ligging van de PR-contouren van een windturbine en de windturbinedimensies.
7.2.3.3 Grensoverschrijdende milieugevolgen In dit planMER zijn ook de mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen beoordeeld per beoordelingscriterium. Voor externe veiligheid geldt dat zowel in België als Duitsland beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten aanwezig zijn bij de grens.
7.2.4 Landschap & Cultuurhistorie 7.2.4.1 Beschrijving huidige situatie De plaatsing van windturbines heeft invloed op landschap en cultuurhistorie. Het introduceren van hoge elementen in een landschap, zoals windturbines, kan de waardering van het landschap negatief beïnvloeden. Als windturbines zichtbaar zijn, ligt de waardering van het landschap binnen 1,5 km van de windturbine met een derde lager dan 80
Datum: 2 december 2022
wanneer er geen windturbine zichtbaar is. Op 2,5 km afstand is de afname van de waardering van het landschap nog een kwart (CLO, 2022). Deze effecten zijn zeer locatie specifiek. Zo speelt de plaatsing van objecten ten opzichte van bestaande landschapsstructuren een rol, evenals in welk landschap (hoog- of laaggewaardeerd) windturbines geplaatst worden. Dit is een beoordeling en afweging die zeer locatie specifiek is. Om landschap en cultuurhistorie te beschermen schetst de NOVI de opgave om cultureel erfgoed en (inter)nationale unieke landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten te ontwikkelen, te behouden, te versterken en te benutten. De rol van het Rijk hierbij is om de (wettelijke) randvoorwaarden te creëren om cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten voor de lange termijn in stand te houden. Deze (wettelijke) randvoorwaarden komen op (inter)nationaal schaalniveau onder andere tot uiting in Unesco Werelderfgoed en waardevolle landschappen. Unesco Werelderfgoed Werelderfgoed is cultureel en natuurlijk erfgoed dat wordt beschouwd als onvervangbaar, uniek en eigendom van de hele wereld. Op basis van het Werelderfgoed-verdrag uit 1972 plaatst Unesco erfgoederen op de Werelderfgoedlijst. Het verdrag heeft als doel om erfgoed dat van unieke en universele waarde is voor de mensheid, beter te kunnen bewaren voor toekomstige generaties.
Gebieden met een Unesco Werelderfgoedstatus zijn van universele waarde en zijn daardoor per definitie ook van nationaal belang. Het behoud van de universele waarde is hierbij het uitgangspunt. Voor alle werelderfgoederen zijn criteria (Outstanding Universal Value of OUV) vastgesteld welke moet worden beschermd. De criteria voor werelderfgoederen zijn (Unesco, sd): I. II.
III. IV. V.
VI.
VII. VIII.
IX.
X.
Het vertegenwoordigt een meesterwerk van menselijk creatief genie; Het stelt een belangrijke interactie van menselijke waarden tentoon, gedurende een tijdspanne of binnen een cultureel gedeelte van de wereld, voor ontwikkelingen in architectuur of technologie, monumentale kunsten, stadsontwerp of landschapsinrichting; Het draagt een unieke of op zijn minste een exceptionele getuigenis van een culturele traditie of een samenleving, welke nog voortleeft of is verdwenen; Het is een bijzonder voorbeeld van een type gebouw of architectonische of technologische samenstelling van een landschap, welke significante stappen in de menselijke geschiedenis voorstelt; Het is een bijzonder voorbeeld van een traditionele menselijke bewoning of landgebruik, welke een cultuur (of culturen) vertegenwoordigt.
Bijzonder wanneer het kwetsbaar is geworden ten gevolge van onomkeerbare veranderingen; Het is direct of zijdelings geassocieerd met gebeurtenissen of levende tradities, met ideeën, of geloof, met artistieke en literaire werken of bijzonder universele betekenis (de commissie beschouwt dit criterium alleen toepasbaar in bijzondere omstandigheden en alleen in verbinding met een ander cultureel of natuurlijk criterium op de lijst); Het vertegenwoordigt natuurlijke fenomenen of gebieden van uitzonderlijke natuurlijke schoonheid en esthetisch belang; Het is bij uitstek een representatief voorbeeld van belangrijke stadia in de geschiedenis van de aarde, met inbegrip van het getuigenis van het leven, van lopende geologische processen in de ontwikkeling van aardvormen of van geomorfische of fysiografische elementen met een grote betekenis; Het is bij uitstek een representatief voorbeeld van aan de gang zijnde ecologische en biologische processen in de evolutie en ontwikkeling van terrestrische, aquatische, kust- en mariene ecosystemen en gemeenschappen van planten en dieren; Het bevat de meest belangrijke habitats voor het in situ behoud van biologische diversiteit, met inbegrip van die waar bedreigde soorten overleven van uitzonderlijke universele waarde vanuit het oogpunt van wetenschap of natuurbehoud.
Werelderfgoederen worden door meerdere beleidskaders beschermd. Op nationaal niveau is de bescherming van de kernkwaliteiten en begrenzing van werelderfgoed opgenomen in het Barro. Dit heeft doorwerking op provinciaal en lokaal planologisch beleid, zoals provinciale omgevingsverordeningen en bestemmingsplannen. Ondanks dat het vaak niet mogelijk is om binnen de grenzen van het werelderfgoed windturbines te plaatsen, kan de ligging van (een) windturbine(s) buiten de grenzen van het Unesco werelderfgoed gebied alsnog een negatieve visuele impact hebben op de kernkwaliteiten. In Tabel 7-1 is de lijst met werelderfgoed uit Nederland opgenomen. Per werelderfgoed is de universele waarde (of OUV) toegevoegd op basis waarvan het werelderfgoed is geselecteerd. In de laatste kolom van de tabel is aangegeven of het werelderfgoed relevant is voor de effectbeoordeling van dit planMER. In Figuur 7-10 is de geografische ligging van Unesco Werelderfgoed in Nederland weergegeven.
81
Datum: 2 december 2022
Tabel 7-1 Lijst met Werelderfgoed Nederland en bijbehorende Outstanding Universal Value (OUV) (UNESCO, sd) Werelderfgoed Universele Relevant voor effectbeoordeling? Nederland waarde (of OUV) Neder-Germaanse Limes (2021)
II, III, IV
NEE: De Limes in Nederland bestaat uit 19 afzonderlijke terreinen, waarbij de terreinen bestaan uit kern- en bufferzones. Kernzones kennen beperkingen in bodemingrepen en zijn beschermd onder de Erfgoedwet en Monumentenwet 1988. Bufferzones kennen beperkingen voor bodemingrepen vanuit de Wro en Barro. De effecten op kern- en bufferzones zijn dermate lokaal dat deze niet meegenomen worden in het planMER op nationaal niveau (zie ook Tabel 6-4 waarin is toegelicht dat archeologie niet wordt meegenomen in dit planMER).
De Hollandse Waterlinies (2021) (Stelling van Amsterdam, in 2021 uitgebreid met de Nieuwe Hollandse Waterlinie)
II, IV, V
JA: Het landschapsontwerp van de Hollandse Waterlinies is een belangrijk criterium voor UNESCO (IV). Speciale aandacht wordt gegeven aan de ‘open zichtlijnen’ tussen en vanaf de forten. Voor de inpassing van de opwek van duurzame energie in de Hollandse Waterlinies is het afwegingskader ‘Energietransitie Hollandse Waterlinies’ opgesteld (Land-id, 2021). Het afwegingskader geeft een beeld van wanneer bepaalde energievormen een significante aantasting van de kernkwaliteiten betekenen. Het kader geeft een zonering waarbinnen dit risico groot is (rode zone) en zones waar dat risico minder groot is (oranje en geel). Het afwegingskader geeft niet aan of een initiatief wel of niet mag, maar geeft inzicht in de haalbaarheid en betekenis van de huidige beleidsregels van Rijk en provincie. In het afwegingskader zijn geen regels voor ‘cumulatie’ opgenomen. Tot slot wordt in het afwegingskader wordt beschreven dat de wijze van bescherming van Unesco verandert van ‘behoud door bescherming’ naar ‘behoud door ontwikkeling’. Op basis van het afwegingskader wordt in dit planMER geconcludeerd dat het invoeren van nieuwe normen voor windturbines effecten kan hebben op de druk op de kernkwaliteiten van de Hollandse Waterlinies. Daarom worden De Hollandse Waterlinies meegenomen in de effectbeoordeling van de varianten.
Specifiek voor de Stelling van Amsterdam is volgens meerdere bestemmingsplannen de bouw van bouwwerken enkel mogelijk, indien de kernkwaliteiten van de Stelling van Amsterdam worden behouden of versterkt. De Stelling van Amsterdam wordt daarom niet meegenomen in de effectbeoordeling.
Koloniën van Weldadigheid (met België) (2011)
II, IV
JA: Het landschapsontwerp van de Koloniën van Weldadigheid is een belangrijk criterium voor UNESCO (IV). Frederiksoord-Wilhelminaoord en Veenhuizen zijn in bestemmingsplannen beschermd als een beschermde dorpsgezichten, maar voor Frederiksoord-Wilhelminaoord is ook een bestemmingsplan "kleinschalige hernieuwbare energie" van toepassing, dat weer mogelijk maakt om windturbines te ontwikkelen.64 Dus is de conclusie dat in de omgeving van deze beschermde dorpsgezichten de ontwikkeling van windturbines niet altijd is uitgesloten.
Van Nellefabriek in Rotterdam (2014)
II, IV
NEE: Dit betreft een gebouw.
Grachtengordel van Amsterdam (2010)
I, II, IV
NEE: Dit betreft stedelijk gebied waarbinnen geen windturbines geplaatst worden.
Waddenzee (met Duitsland en Denemarken) (2009)
VIII, IX, X
NEE: Landschapsontwerp en openheid zijn geen universele waarden waardoor de Waddenzee als Unesco is bestempeld.
Rietveld Schröderhuis in Utrecht (2000)
I, II
NEE: Dit betreft een gebouw.
Droogmakerij De Beemster in NoordHolland (1999)
I, II, IV
JA: Het landschapsontwerp van de Beemster is een belangrijk criterium voor UNESCO (IV). Speciale aandacht wordt gegeven aan de openheid van het landschap. In het bestemmingsplan "Buitengebied Beemster 2012 – Partiële herziening 2021” is vastgelegd dat binnen Droogmakerij de Beemster de bouw van bouwwerken enkel mogelijk is, indien de kernkwaliteiten van de Beemster worden behouden of versterkt. In de omgeving van de Beemster is de ontwikkeling van windturbines wel mogelijk.
64
Zie https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.1701.0000BP000000000585-0001/r_NL.IMRO.1701.0000BP0000000005850001.html#_3_Vantoepassingsverklaring
82
Datum: 2 december 2022
ir. D.F. Woudagemaal bij Lemmer (1998)
I, II, IV
NEE: Dit betreft een gebouw.
De historische binnenstad van Willemstad op Curaçao (1997)
II, IV, V
NEE: Dit betreft stedelijk gebied waarbinnen geen windturbines geplaatst worden. De op te stellen windturbinebepalingen gelden niet op Curaçao.
Windturbines van Kinderdijk-Elshout (1997)
I, II, IV
NEE: Het landschapsontwerp van de Windturbines van Kinderdijk-Elshout is een belangrijk criterium voor UNESCO (IV). Speciale aandacht wordt gegeven aan de openheid van het landschap. In het bestemmingsplan van de Windturbines van Kinderdijk-Elshout is toegelicht dat er, indien er effecten worden verwacht op de OUV van de Windturbines van Kinderdijk-Elshout, een Heritage Impact Assessment (HIA) uitgevoerd dient te worden. Ook is een positief advies nodig van de gemeentelijke monumentencommissie. Zo is op basis van een HIA voor het plaatsen van windturbines op het nabijgelegen terrein van Nedstaal besloten om geen windturbines te plaatsen. Daarmee zijn de Windturbines van Kinderdijk-Elshout in de referentiesituatie voldoende beschermd voor mogelijke effecten van windturbines op de OUV’s.
Schokland en omgeving in de Noordoostpolder (1995)
III, V
JA: Het (cultureel) landschap van Schokland en omgeving in Noordoostpolder is een belangrijk criterium voor UNESCO (V). In Schokland zelf is het volgens de beheersverordening Landelijk gebied (bestemming Cultuurhistorische waardevol gebied (dubbelbestemming)) niet mogelijk om windturbines te plaatsen. In de omgeving van Schokland is deze mogelijkheid wel, waardoor het met name gaat om mogelijke visuele effecten.
Figuur 7-10 Werelderfgoed Nederland (bron: Werelderfgoed)
83
Datum: 2 december 2022
Waardevolle landschappen Sommige landschappen zijn zo waardevol voor Nederland dat ze extra bescherming behoeven. Natuur en landschappelijke kwaliteit moeten behouden blijven en vragen extra aandacht. In de NOVI (Ministerie BZK, 2020) is beschreven dat het Rijk medeverantwoordelijk is voor het beschermen van waardevolle landschappen, zoals het Groene Hart, de Waddenzee, de Zuidwestelijke Delta, de Veluwe, het IJsselmeergebied en de nationale parken (weergegeven in Figuur 7-11). Deze landschappen voldoen aan één of meer van de volgende kenmerken: • • • •
Verhaal: landschappen die afleesbaar en beleefbaar het nationale verhaal van het ontstaan en de ruimtelijke differentiatie van het Nederlandse landschap vertellen; Uniciteit: landschappen die (inter)nationaal unieke landschappelijke kwaliteit, natuurwaarde ofwel cultuurhistorische waarde bezitten; Schaal: landschappen waar de bescherming van kwaliteit een regio of provincie overstijgende opgave is; Bedreiging: landschappen die nu of in de toekomst bedreigd worden door ruimtelijke ontwikkelingen.
Figuur 7-11 Nationale parken (Atlas van de leefomgeving, 2021)
7.2.4.2 Autonome- en toekomstige ontwikkelingen richting 2050 In de NOVI (Ministerie BZK, 2020) is het toekomstperspectief geschetst waarbij de unieke cultuurhistorie, landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten zijn behouden of versterkt (beleidskeuze 4.4). Specifiek voor Unesco Werelderfgoed geldt dat op dit moment op de voorlopige lijst staan: Bonaire National Marine Park (Bonaire), Koninklijk Eise Eisinga Planetarium (Franeker) en het Plantagesysteem (West Curaçao). Dit potentieel werelderfgoed is niet van belang voor de effectbeoordeling van dit planMER. Voor Bonaire en West Curaçao is de op te stellen regelgeving namelijk niet van toepassing en het Eise Eisinga Planetarum betreft een gebouw. Dat betekent dat de nominaties op de voorlopige lijst van toekomstige aanvragen in Nederland niet relevant zijn voor de Doorkijk naar 2050 in Nederland. In algemene zin voor landschap & cultuurhistorie gelden de volgende trends die van belang zijn voor het behouden en versterken van de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten: 84
Datum: 2 december 2022
•
• •
Ruimteclaims door andere functies in Nederland kunnen leiden tot een afname van het areaal en de kwaliteit van waardevolle landschappen. Zo wordt in de NOVI geschetst dat de druk op het landschap toeneemt door ‘verloodsing’65 als gevolg van groei van de economie en het transport, leegstand van agrarische bebouwing, bodemdaling en schaalvergroting van de landbouw. De transitie van fossiele brandstoffen naar duurzame opwekking, waardoor het aantal windturbines op land toeneemt. Maatregelen die voortvloeien uit het Programma ONS Landschap 66. Dit is één van de interdepartementale uitvoeringsprogramma’s onder de NOVI.
7.2.4.3 Grensoverschrijdende milieugevolgen In dit planMER zijn ook de mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen beoordeeld per beoordelingscriterium. Voor Landschap & Cultuurhistorie geldt dat in België in de buurt van de Nederlandse grens één Unesco-site ligt, namelijk de Kolonie van Weldadigheid Wortel, provincie Antwerpen. In Duitsland ligt, net als in Nederland, het Waddengebied als Unesco werelderfgoed. Daarnaast is de kathedraal van Aken Unesco-werelderfgoed, maar dit betreft een gebouw en is daarom niet relevant. In België geldt dat er meerdere beschermde cultuurhistorische landschappen nabij de grens liggen. Deze gebieden kennen uiteenlopende beschermingsregimes en waarden, zoals historische waarde, esthetische waarde en ruimtelijkstructurerende waarde. Enkele voorbeelden van beschermde landschappen nabij de grens zijn de Kalmthoutse Heide (cultuurhistorisch landschap), Domein De Schrieken (landschappelijk geheel), de Stramproyerbroek (cultuurhistorisch landschap) en de Abdij van Postel en de Ronde Put (vastgesteld landschapsatlasrelict).67 In Duitsland ligt de bescherming van cultuurhistorische landschappen primair bij de deelstaten. Deze bestuurslaag is vrij het eigen beleid vorm te geven, en kan daarom onderling nogal verschillen. Er bevinden zich in NoordrijnWestfalen en Nedersaksen meerdere cultuurhistorische landschappen nabij de grens.
68 Enkele voorbeelden in Nedersaksen zijn de Emsmarchen (cultuurlandschap) en de Duitse Waddenzee (Nationaal Park). In NoordrijnWestfalen is Schwalm-Nette (natuurpark en cultuurlandschap) van belang, net als de Maasterrassen (cultuurlandschap).
7.2.5 Natuur 7.2.5.1 Beschrijving huidige situatie Voor de effectbeoordeling van natuur zijn de beschermde waarden onder de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn (Natura 2000-gebied), Natuurnetwerk Nederland, vogels en vleermuizen relevant. Ook de stikstofemissie wordt beoordeeld. Binnen de beschermde natuurgebieden is de achteruitgang van biodiversiteit gemiddeld genomen gestopt, maar deze is nog steeds op een te laag niveau. Kijkend naar de natuur buiten de beschermde natuurgebieden, dan valt het op dat in het (agrarisch) cultuurlandschap nog steeds negatieve trends aanwezig zijn. Zo zijn in agrarische gebieden sinds 1990 de populaties van boerenlandvogels, zoogdieren, en vlinders met 50% afgenomen met uitzondering op enkele soorten (LNV, 2021). Naast de biodiversiteit is ook de achteruitgang van de natuurkwaliteit in natuurgebieden gestopt door het uitgevoerde natuurbeleid. Het gaat hierbij om een gemiddelde; er zijn nog steeds planten- en diersoorten en habitattypen die een neergaande trend vertonen, net zoals er planten- en diersoorten en habitattypen zijn waarmee het beter gaat. Breed herstel over de hele linie blijft echter uit en de gemiddelde kwaliteit van terrestrische ecosystemen is nog relatief laag in vergelijking tot die van een ecosysteem dat intact is.
Buiten de natuurgebieden, in het agrarisch gebied, zet de achteruitgang nog steeds door, bijvoorbeeld bij insecten en boerenlandvogels. De biodiversiteit van aquatische ecosystemen vertoont een licht herstel. Na een dieptepunt van de waterkwaliteit rond 1970, toen veel wateren
65
Onder verloodsing wordt onder andere verstaan de groei en aaneenschakeling van grootschalige opslag- en distributiecentra langs Rijkswegen. Voor meer informatie over het Programma ONS Landschap, zie: https://www.denationaleomgevingsvisie.nl/programma+novex/nationale+programmas/programma+ons+landschap/default.aspx 67 Voor meer informatie over de beschermde (cultuurhistorische) landschappen, zie: https://geo.onroerenderfgoed.be/#zoom=10&lat=6646446.736933575&lon=666834.5943705891 68 Voor meer informatie over de beschermde cultuurhistorische landschappen in Noordrijn-Westfalen en voor Nedersaksen zie: Kulturlandschaften in Nordrhein-Westfalen | Objektansicht (kuladig.de) en Kulturlandschaftsräume und historische Kulturlandschaften landesweiter Bedeutung in Niedersachsen | Nds. Landesbetrieb für Wasserwirtschaft, Küsten- und Naturschutz. 66
85
Datum: 2 december 2022
kampten met zuurstofloosheid, is de waterkwaliteit verbeterd doordat afvalwater wordt gezuiverd en het aantal lozingen is afgenomen. Sinds 2000 is slechts een beperkte verdere verbetering gerealiseerd (PBL; WUR, 2020). Natura 2000-gebied Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden om de biodiversiteit te behouden en te versterken. Daarvoor zijn de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (VHR) opgesteld, waarbij alle EU-lidstaten beschermde gebieden aanwijzen voor specifieke (leefgebieden van) soorten. De Vogelrichtlijn (VR) is gericht op in het wild levende vogelsoorten. De Habitatrichtlijn (HR) is gericht op dier- en plantensoorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. Figuur 7-12 geeft een overzicht van de Natura 2000gebieden in Nederland. Het huidige Natura-2000 areaal beslaat ruim 2 miljoen hectare, waarvan ongeveer 85% zich bevindt op open water, Hiervan behoort ongeveer 570.000 hectare tot het land en de binnenlandse wateren (plassen, rivieren, meren) (CLO, 2020).
Figuur 7-12 Overzicht van de Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland jaartal 2018/2019 (CLO, 2020)
Van 81 Habitatrichtlijnsoorten die in Nederland voorkomen. wordt de Staat van Instandhouding gerapporteerd aan de EU. De Staat van Instandhouding is een percentage dat de mate waarin een bepaalde soort kan voortleven in de natuur aangeeft, en is gebaseerd op vier hoofdaspecten: verspreiding, populatiegrootte, leefgebied, en toekomstperspectief (Sovon, n.d.). Figuur 7-13 laat de trends van zowel de Habitat- als de Vogelrichtlijnen zien als percentage van de aanwezige soorten (CLO, 2022). Ondanks dat het uitgevoerde natuurbeleid een massale achteruitgang van de natuurkwaliteit heeft weten te stoppen, is een breed herstel uitgebleven en is de gemiddelde kwaliteit van terrestrische ecosystemen laag in vergelijking met die van een natuurlijk en onverstoord ecosysteem (WOt Natuur & Milieu, 2022). Momenteel heeft 53% van alle VHR soorten een gunstige (38%) of onbekende (15%) Staat van Instandhouding, terwijl 47% van de gemonitorde soorten een matige tot (zeer) ongunstige Staat van
86
Datum: 2 december 2022
Instandhouding heeft (Pouwels & Henkens, 2020)69. Er zijn verschillende knelpunten die de beoogde Staat van Instandhouding voor de VHR soorten belemmeren (WOt Natuur & Milieu, 2022): • • •
Te weinig plekken waar een habitattype of soort voorkomt; Te kleine plekken waar een habitattype of soort voorkomt; Slechte kwaliteit van de plekken waar een habitattype of soort voorkomt.
Figuur 7-13 (Boven) Trends van soorten van Habitatrichtlijn, (Onder) Trends van soorten van Vogelrichtlijn voor zowel broed als niet-broedvogels (CLO, 2022)
69
Onderlinge Staat van Instanthouding waardes van Habitat en vogelrichtlijn soorten verschillen significant.
87
Datum: 2 december 2022
Natuurnetwerk Nederland Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden in Nederland, zie Figuur 7-12. Het doel van NNN is om natuurgebieden beter met elkaar te verbinden en om zo de achteruitgang van natuurareaal en biodiversiteit te stoppen. Door middel van verwerving, inrichting, en beheer van tussenliggende en aangrenzende landbouwgronden en het vergroten van huidige natuurgebieden wordt geprobeerd dit doel te behalen. In 2020 was er ca. 698.000 hectare in beheer en dus gerealiseerd, wat gelijk staat aan 95% van de beoogde omvang van het NNN (CLO, 2022). Tussen 1 januari 2011 en 1 januari 2021 is er bijna 23.000 ha. verworven of zonder verwerving van functie gewijzigd en is er nog 44.000 ha aan nieuwe natuur bijgekomen (CLO, 2022). Vogels Elke zes jaar voert de unit Wettelijke Onderzoekstaken (WOt) Natuur & Milieu (onderdeel van de WUR) een landelijk onderzoek uit over de status en trends van soorten die onder de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn vallen (WOt, 2020). Van de 271 gerapporteerde vogelsoorten vertoont meer dan de helft een stabiele of positieve ontwikkeling, en de andere helft aan vogelsoorten kent een onzekere, onbekende, of afnemende trend (WOt, 2019).
Bij ruim een derde van de broedvogelsoorten en een vijfde van de trekvogelsoorten is de trend op zowel korte (laatste 12 jaar) als lange (sinds 1980) termijn negatief. Er zijn vele drukfactoren die als oorzaak kunnen gelden voor de negatieve trends van verscheidene vogelsoorten in Nederland, en deze zijn gekwantificeerd en gevisualiseerd in Figuur 7-14. Hierin valt het op dat stedelijke ontwikkeling, (water)beheer, infrastructuur, en landbouw de grootste drukfactoren zijn. Daarnaast wordt een toenemende negatieve impact verwacht voor de toekomst door de gevolgen van de klimaatverandering en de energietransitie (aanleg van windmolenparken en zonneparken).
Figuur 7-14 Drukfactoren van vogelsoorten binnen de Vogelrichtlijn. De drukfactoren hebben scores die per hoofdcategorie zijn gesommeerd voor zowel broed- als trekvogels (WOt, 2019).
Aangezien de status van de soorten binnen de Vogelrichtlijn wordt onderzocht per landschap, is in deze paragraaf per landschap kort samengevat wat de stand van zaken is en gebaseerd op de waarnemingen van de Vogelrapportage van het WOt (2019): • Zee en Kust: Broedvogels hebben een wisselende ontwikkeling in dit landschap, waar op de lange termijn 11 soorten een toename kennen en 9 soorten een afname kennen in populatiegroottes. Met name het verdwijnen en ongeschikt raken van dynamische broedgebieden door recreatiedoeleinden is een prominente drukfactor in dit landschap. Van de 45 trekvogelsoorten heeft het merendeel een positieve of stabiele populatiegrootte en zijn voedselschaarste voor vis/schelpdiereters en areaalafname (m.n. slikplaten voor wadvogels) de grootste drukfactoren. • Duinen: De 10 geregistreerde broedvogels binnen de duingebieden hebben de laatste 12 jaar een wat meer stabielere ontwikkeling meegemaakt; 5 soorten hebben een stabiel of positieve ontwikkeling, en de andere 5 88
Datum: 2 december 2022
•
•
• •
•
soorten een onzekere of afnemende trend. Het dichtgroeien van het duin en groeiende activiteiten omtrent infrastructuur en recreatie in de gebieden rondom de duinen zorgen voor ongunstige leefomstandigheden van de broedvogels. Laag Nederland: Grotendeels is er een stabiele en positieve trend te zie in de moerassen, natte hooilanden, laagvenen en vochtige bossen van Nederland voor zowel de broed- als trekvogels. 38 van de 52 broedvogelsoorten en 25 van de 32 trekvogelsoorten in deze gebieden kent op de lange termijn een stabiele of toenemende trend. Dit is met name te danken aan de natuurontwikkeling en moerasherstel (m.n. langs rivieren en beekdalen). Onnatuurlijk peilbeheer van moerassen en plassen is een van de drukfactoren waaronder vogelsoorten leiden. Ook energietransitie-projecten zoals windparken spelen een rol op de belemmering van vogelsoorten binnen dit gebied, en deze impact zal alleen maar toenemen met het toekomstig perspectief m.b.t. de energietransitie. Hogere zandgronden: Van de 46 karakteristieke broedvogels heeft 50% een stijgende en 35% een dalende trend. Naast de drukfactoren stikstofdepositie, leefgebied versnippering door infrastructuur en pesticidegebruik in de landbouw is ook de groeiende recreatiedruk in de natuurgebieden een stoorfactor voor deze vogels, en met name in het broedseizoen.
Heuvelland: An sich kent het heuvellandschap in Zuid-Limburg geen karakteristieke broedvogelsoorten, aangezien deze zich hebben uitgebreid naar andere landsdelen. Deze soorten, eerst uniek aan dit landschap, kent over een lange termijn een zeer positieve ontwikkeling (6 van de 7 broedvogels). Boerenland: Het boerenlandschap (akkers, weilanden, kleinschalig cultuurland) is belangrijk voor de biodiversiteit in Nederland. Van oudsher vormt het boerenland een belangrijk leefgebied voor 35 broedvogelsoorten. Echter staan er vele broedvogelsoorten onder hoge druk door de intensieve landbouw, en zien we dat er slechts 10 broedvogelsoorten zijn met een stabiele of positieve trend op de lange termijn. Stedelijk gebied: Voor vogelsoorten in het stedelijk gebied laten de trends een gemixt beeld zien. De toename op korte termijn is namelijk groter dan op lange termijn, twee derde van de broedvogels laat een afname zien op de lange termijn. De mens is in het stedelijk landschap zowel een positieve (groeiend milieubewustzijn) als negatieve (verstening van tuinen) factor voor de voortzetting van de stedelijke broedvogels. Daarnaast is er een nieuwe bedreiging in de vorm van de energietransitie. Door de isolatie van oude gebouwen gaan zomer- en winterverblijfsplaatsen van vogels verloren.
Dit vormt een serieuze bedreiging voor soorten die volledig afhankelijk zijn van gebouwen zoals de gierzwaluw. De opkomst van vormen van natuurinclusief bouwen lijkt een kans om te werken aan de verhoging van de biodiversiteit in het stedelijk gebied.
Windturbines op land kunnen een negatief effect hebben op vogels. Volgens Vogelbescherming Nederland (Dotinga, 2020) zijn er drie categorieën waaronder de negatieve effecten van windturbines op vogels kunnen worden verdeeld: • • •
Directe sterfte: Aanvaringen van vogels tegen de windturbine(onderdelen) en het verstoren van hun vlucht door lokale luchtwervelingen, wat kan leiden tot verwondingen of directe sterfte. Verlies van leefgebied: Het voedsel-, rust-, of broedgebied van vogels kan worden verstoord door de aanwezigheid van windturbines en daarmee neemt het leefbaar gebied af. Barrièrevorming: Door grotere groepen windturbineopstellingen kunnen barrières ontstaan waardoor trekroutes worden verstoord en foerageertijden afnemen. Een ander mogelijk effect is een lager broedsucces, aangezien de jonge vogels langer alleen gelaten worden en langer op voedsel moeten wachten.
Overigens zal er ook rekening gehouden moeten worden met de mogelijke effecten van obstakelverlichting op zowel de populatie als leefgebieden van vogelsoorten. Obstakelverlichting is een ver(p)lichting die de windturbines zichtbaar maakt voor vliegverkeer (RVO, 2018). Alle windturbines met een tiphoogte hoger dan > 150 meter moeten obstakelverlichting hebben. Aangezien er al hinder wordt ondervonden door omwonenden van obstakelverlichting, kunnen er mogelijk maatregelen genomen worden om zowel de hinder van de mens als de mogelijke hinder voor vogels te verlagen (RVO, 2018). Denk bijvoorbeeld aan naderingsdetectie, het dimmen van of het gebruiken van minder obstakelverlichting. Naderingsdetectie zorgt ervoor dat de obstakelverlichting alleen aangaat wanneer een vliegtuig de windturbine(s) nadert, en dit wordt gerealiseerd door radar en/of transponderdetectie. Tot nu zijn de twee naderingsdetectiemaatregelen gefocust op enkel vliegtuigen (RVO, 2018). Er is echter nog geen duidelijkheid of obstakelverlichting hinderlijk is voor vogels, en dus is ook niet duidelijk of naderingsdetectie -en dus het beperkt aangaan van obstakelverlichting- positief is voor vogels. In opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft onderzoeksinstituut Sovon een landelijke windenergie gevoeligheidskaart opgesteld voor vogels.
De kaarten laten de reële kans zien waarin in een bepaald gebied vogelsoorten worden verwacht die gevoelig zijn voor de negatieve impacts van windturbines, 89
Datum: 2 december 2022
bijvoorbeeld door aanvaringen of verstoring met als gevolg effecten op de populaties. Figuur 7-15 geeft de gevoeligheidskaart weer van waarin de resultaten van broed- en niet-broedvogels zijn gecombineerd. Hierbij is een relatieve schaal gehanteerd van 1 (weinig risico voor aanwezigheid van gevoelige soorten) tot 100 (hoog risico voor aanwezigheid van gevoelige soorten). Uit de gevoeligheidskaart blijkt dat de nadruk ligt op waterrijke gebieden. Waterarme gebieden komen minder naar voren, omdat deze over het algemeen soortenarmer zijn dan waterrijke gebieden.
Figuur 7-15 Gecombineerde gevoeligheidskaart broedvogels en niet-broedvogels op basis van belangrijke verspreidingsgebieden en vliegbewegingen. (Sierdsema, Foppen, van Els, Kampichler, & Stahl, 2021)
Naast de gevoeligheidskaart voor broed- en niet-broedvogels heeft Sovon op basis van zichtbare landtrek een modellering van de vogeltrek (seizoensgebonden vliegbewegingen) uitgevoerd om te komen tot een treksterktekaart (Figuur 7-16Figuur 7-16). De treksterkte in de verschillende luchtlagen is niet eenvoudig te bepalen. Voor de effecten moet er dan onderscheid worden gemaakt in soort, broedvogel/niet-broedvogel, locatie en eventueel de weersomstandigheden. De zichtbare landtrek overdag speelt zich in veel gevallen af in lagere luchtlagen (<600m) waardoor dit kan leiden tot aanvaringen met windturbines. In de kaart worden de stuwingspunten zichtbaar voor de zichtbare landtrek. Stuwingspunten zijn locaties waar meerdere trekvogels samenkomen. Zo zijn stuwingslijnen langs de kust te zien, evenals twee stuwingspunten in Flevoland en een stuwingspunt bij de Eemshaven. De twee belangrijke trekstromen bevinden zich in het IJsselmeergebied en zuidoost-Nederland. De nachtelijke trekstromen betreffen daarentegen vaak andere soorten in hogere luchtlagen (>600m). Een aanzienlijk deel van de relevante vogels is klein van formaat en vliegt zeker in de nacht vooral als eenling (zangvogels); watervogels in de nacht vliegen evenwel in groepen (Lensink, R, 2018).
90
Datum: 2 december 2022
Figuur 7-16 Treksterkte over Nederland. 1: laagste treksterkte - 5: hoogste treksterkte (Sierdsema, Foppen, van Els, Kampichler, & Stahl, 2021)
Vleermuizen Vleermuizen komen verspreid over heel Nederland voor. Afhankelijk van de vleermuissoort zijn ze te vinden in gebouwen, grotten, bossen of in de buurt van grote wateren (Natuurmonumenten, n.d.). De afgelopen jaren is sprake van een toename van vleermuizen in Nederland. Een recente analyse van het CBS (2020) keek naar de trend van vleermuispopulaties met behulp van de vleermuis-graadmeter. De vleermuizen-graadmeter beschrijft de gemiddelde ontwikkeling van de getelde aantallen van 11 van de 17 soorten vleermuizen die regelmatig in Nederland voorkomen. Van de 11 gemonitorde vleermuissoorten, laten 7 soorten een matige toename zien in populatiegroottes. De baardvleermuis, grootoorvleermuis, en laatvlieger zijn de drie vleermuissoorten die een matige afname kennen in hun populatiegrootte. Tot halverwege de vorige eeuw is het aantal vleermuizen achteruitgegaan en drie soorten zijn zelfs helemaal verdwenen uit Nederland. De acht soorten die vanaf 1986 worden gevolgd laten sindsdien echter allemaal een toename zien. Mogelijke oorzaken hiervoor zijn de verbetering van de kwaliteit van oppervlaktewater, de intensivering van beschermingsmaatregelen en het ouder worden van bossen. De stijgende trend is weergegeven in Figuur 7-17.
91
Datum: 2 december 2022
Figuur 7-17 Trend van vleermuizen, 1986-2020 (CLO, 2021)
Vleermuizen zijn doorgaans actief in schemering en ’s nachts. Globaal gezien is er sprake van een vaste seizoens- of levenscyclus, die per soort kan verschillen (Winkelman, Kistenkas, & Epe, 2008). De meeste vliegbewegingen worden vastgesteld in de lente, de zomer en de herfst (april tot oktober). Vleermuizen bevinden zich dan in de zwermfase met baltsen en paren (half maart-april). Vervolgens begint in april de trek naar zomerkwartieren en in mei-juli is de kraamtijd. Vervolgens is er opnieuw sprake van een zwermfase met baltsen en paren, waarna vleermuizen in winterslaap gaan (half oktober-maart), maar afhankelijk van de soort kunnen vleermuizen nog wel actief zijn, bijvoorbeeld tijdens relatief warme nachten. In tegenstelling tot bij vogels is er bij vleermuizen geen duidelijke noordzuid trek tussen kraamverblijfplaatsen, omdat de meeste soorten kortere afstanden vliegen. Alle soorten vleermuizen zijn beschermd via de Europese Habitatrichtlijn (Bijlage IV en sommige soorten op Bijlage II). Dit betekent dat de staat van instandhouding van vleermuizen gunstig moet zijn/worden en blijven. Echter vinden vleermuizen steeds minder makkelijk een schuilplek waardoor vleermuissoorten steeds kwetsbaarder worden (Natuurmonumenten, n.d.). Daarnaast vormen windturbines een risico voor vleermuizen.
Uit onderzoek (bijvoorbeeld Stahl & Epe (2021) en Winkelman, Kistenkas & Epe (2008)) blijken de volgende mogelijke effecten van windturbines op vleermuizen: • •
• •
Directe sterfte: aanvaringen van vleermuizen tegen rotorbladen en mortaliteit als gevolg van onderdruk die inwendige bloedingen kunnen veroorzaken (barotrauma). Er zijn geen aanwijzingen dat vleermuizen tegen stilstaande objecten (mast) aanvliegen. Aantrekkingskracht: onder specifieke omstandigheden kunnen windturbines een aantrekkende werking hebben door licht, geluid, de windturbine als object en/of aanwezigheid van voedsel. Resultaten van studies die deze aantrekkingskracht onderzoeken zijn niet eenduidig. Deze aantrekkingskracht maakt het inschatten van de risico’s die verbonden zijn aan het effect van windturbines op vleermuizen ingewikkeld (Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, 2021). Verlies van leefgebied en barrièrewerking: indien verblijfplaatsen, foerageergebied of vrije vliegruimte moeten wijken als gevolg van de locatie van een windturbine. Verstoring: het geluid van een windturbine kan een verstorende werking hebben op het jagen of onderlinge communicatie.
Ook voor vleermuizen zal er rekening gehouden moeten worden met de mogelijke effecten van obstakelverlichting op zowel de populatie als leefgebieden. Obstakelverlichting is een ver(p)lichting die de windturbines zichtbaar maakt voor vliegverkeer (RVO, 2018). Alle windturbines met een tiphoogte hoger dan 150 meter moeten obstakelverlichting hebben. Aangezien er al hinder wordt ondervonden door omwonenden van obstakelverlichting, kunnen er mogelijk maatregelen genomen worden om zowel de hinder van de mens als de mogelijke hinder voor vleermuizen te verlagen (RVO, 2018).
92
Datum: 2 december 2022
Huidige maatregelen die worden toegepast in Vlaanderen om effecten op vleermuizen te verminderen zijn het stilleggen van de windturbines wanneer de hoogste vleermuisactiviteit wordt verwacht. Dit is van invloed op de energieproductie van de windturbines. Er worden ook experimentele maatregelen getest die een minder nadelig effect hebben op de energieproductie. Denk aan het afschrikken van vleermuizen met ultrasone geluidsgolven rondom de bewegende rotorbladen en batdetectors die de realtime vleermuisactiviteit monitoren en daarmee de hoeveelheid uren dat de windturbine stilstaat verlaagt (Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, 2021). (RVO, 2018) Maar deze systemen zijn nog in ontwikkeling, en daarom zal verder onderzoek naar de aantrekkingskracht van windturbines op vleermuizen en de daarop werkende maatregelen nodig zijn om zo een optimale situatie te creëren voor enerzijds maximale energieproductie en anderzijds een minimaal effect op vleermuizen. De gevoeligheid van vleermuissoorten voor windturbines is soort specifiek en sterk afhankelijk van kernmerken als vlieghoogte, biotoopvoorkeur, jachttechniek en trekgedrag. Stahl & Epe (2021) lichten toe dat er inmiddels een redelijk consistent beeld is van welke soorten een duidelijk risico lopen slachtoffer te worden van windturbines (Richardson, 2015).
Dit zijn in Nederland met name treksoorten en soorten in bosgebieden, te weten de Rosse Vleermuis, de Bosvleermuis, de Gewone Dwergvleermuis, de Ruige Dwergvleermuis, de Kleine Dwergvleermuis, de Tweekleurige Vleermuis en de Laatvlieger. Ook blijkt uit onderzoek van Winkelman, et al. (2008) dat gegevens uit Europa (en VS) aantonen dat de meeste slachtoffers vallen onder de trekkende en op grotere hoogte foeragerende soorten en de bosgebonden soorten, met een piek gedurende de trek in nazomer en herfst. Stikstofemissie Met stikstofemissie wordt de uitstoot naar lucht, water of bodem verstaan van stikstofdeeltjes vanuit een (emissie) bron. Stikstofoxiden (NOX) en ammoniak (NH3) zijn de meest besproken stikstofdeeltjes (zgn. reactief stikstof), en staan centraal in de huidige stikstofproblematiek. Stikstofoxiden (NOX = NO, NO2, en NO3) zijn vooral afkomstig uit het verkeer (m.n. dieselmotoren) en industrie, terwijl ammoniak voornamelijk afkomstig is uit de landbouwsector (CBS, 2022; RIVM, 2022). De huidige uitstoot van Nederland ligt op dit moment het hoogste van Europa; per hectare stoten we ongeveer 4 keer zoveel uit als het EU-gemiddelde (Milieucentraal, 2022). In 2020 is er 124 kton NH3 uitgestoten en 177 kton NOX (CBS, 2022).
NH3 emissies liggen 1 kton hoger en NOX emissies liggen 25 kton lager dan de aangescherpte emissieplafonds van het vernieuwde Gothenburgprotocol (InfoMil, n.d.). In Tabel 7-2 is het aandeel percentage voor NH3 en/of NOX emissies voor de verschillende emissiebronnen weergegeven. De landbouw is verreweg de meest vervuilende als het aankomt op NH 3, met een aandeel van ongeveer 87% van de totale ammoniakemissie. Dit is grotendeels afkomstig van het mest van het vee waar 54% afkomstig is van rundvee, 17% van varkens, en 11% van pluimvee (CBS, 2022). NOX komt dus vooral vrij bij verbrandingsprocessen. Dit is terug te zien in de bovenstaande aandeelbronnen, waar de industrie, scheepvaart, en wegverkeer de grootste emissiebronnen zijn. Tabel 7-2 Emissie van zowel NH3 als NOx naar aandeel van de emissiebron voor het jaar 2020 (CBS, 2022) Sectorbronnen stikstofemissie Percentage aandeel NH3 Percentage aandeel NOX Landbouw
87,32
7,58
Particulier huishouden
5,34
-
Diensten, afval en water
2,84
-
Wegverkeer
3,04
33,96
Industrie
1,25
12,39
Energiesector
0,15
9,68
Scheepvaart
0,01
13,92
Railverkeer
0
-
Luchtvaart
0
1,3
Overige bronnen
0,05
21,17
De negatieve effecten van zowel NOX als NH3 zijn te merken zodra het terechtkomt in het milieu. Dit wordt ook wel stikstofdepositie genoemd, waar dus het reactieve stikstof neerslaat op de bodem en/of het water (CBS, 2022). Dit kan op twee manieren; reactief stikstof komt naar beneden met regen (natte depositie, NH3 kan reageren tot NH4+), of komt naar beneden d.m.v. zwaartekracht (droge depositie). Met name zal de biodiversiteit hieronder lijden, doordat het 93
Datum: 2 december 2022
overschot aan stikstof zal zorgen voor een verschuiving in plantensoorten (Biomaatschappij, 2020; Milieucentraal, 2022). Dit wordt ook wel vermesting genoemd. Soorten die over het algemeen profiteren van voedselrijke gronden, zullen sneller groeien en verspreiden en op den duur de dominante soort worden in een gebied. Hierdoor zal de competitie van planten die een voedselarme grond prefereren afnemen en zullen die uiteindelijk uit een gebied verdwijnen (Biomaatschappij, 2020; Milieucentraal, 2022). Naast vermesting is ook de verzuring een probleem voor de biodiversiteit, doordat de alsmaar zuurder wordende bodem door de depositie van NH 4+ (door chemische reacties met de zuurbuffers van de grond) zowel plantengroei als het nitrificatieproces remmen (Biomaatschappij, 2020; Milieucentraal, 2022). Emissie energiecentrales Zoals blijkt uit Tabel 7-2 heeft de energiesector in 2020 een aandeel van 9,68% van de totale NOx emissie en 0,15% van de totale NH3 emissie in Nederland. Een groot deel van deze emissie is afkomstig van de grote energiecentrales. In het verleden was steenkool de voornaamste brandstof waarmee gestookt werd. Inmiddels zijn er nog enkele kolencentrales operationeel en wordt een transitie gemaakt naar gas- en biomassagestookte centrales. In Tabel 7-3 is de geregistreerde emissie over 2020 van enkele van deze centrales weergegeven.
De weergegeven emissies zijn afkomstig uit de bedrijfsrapporten van emissieregistratie.nl70. Tabel 7-3 Geregistreerde stikstofemissies energiecentrales voor het jaar 2020. Centrale Emissievracht NOx (als Emissievracht NH3 NO2) [kg/jaar] [kg/jaar]
Brandstof
Amercentrale, Geertruidenberg
753.500
3.521
Steenkool/biomassa/houtgas
Eemshavencentrale, Eemshaven
783.600
--
Steenkool/biomassa
Unipercentrale, Maasvlakte
1.005.000
--
Steenkool/biomassa
RWE Generation, Moerdijk
133.400
--
Aardgas
Eemscentrale, Eemshaven
565.500
--
Aardgas
Magnumcentrale, Eemshaven
630.900
21.940
Aardgas
Uit bovenstaande tabel blijkt dat de energiecentrales een grote hoeveelheid stikstofoxiden emitteren. Een groot deel van de Nederlandse energie wordt opgewekt met de energiecentrales. Energie die opgewekt is met windturbines, is opgewekt zonder dat daarbij stikstof uitgestoten wordt. In 2020 bedroeg het opgesteld vermogen windturbines volgens het CBS71 4.235 MW, waarmee 8.953 miljoen kilowattuur stroom is opgewekt. Bij een emissiefactor van 0,49 g NOx /kWh (grijze stroom72) zou hiermee 4.387 ton NOx-emissie vermeden zijn.
7.2.5.2 Autonome- en toekomstige ontwikkelingen richting 2050 In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving en natuur in Nederland voor het jaar 2050 (Ministerie BZK, 2020). Geschetst wordt dat Nederland in de toekomst meer ruimte voor natuur kent, door natuur- en landschapswaarden sterker te integreren met andere ontwikkelingen. Bij nieuwe bouw- en ontwikkelopgaven is natuurinclusieve ontwikkeling de norm. Biodiversiteit zal hierdoor niet alleen in de daartoe aangewezen gebieden beheerd en hersteld worden, maar ook in de stedelijke omgeving. Daarnaast zal het natuurareaal vergroot zijn door oftewel natuurinclusieve landbouwgebieden of robuuste