CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 - PlanMER windturbinebepalingen lo (61243233.1)

Gemeenteraad 9 oktober 2024, gemeente NissewaardBij agendapunt: Initiatiefvoorstel Windmolens Brielse Maasdijk: Normenkader46.194 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 6

70

https://emissieregistratie.nl/data/bedrijfsrapporten, geraadpleegd tussen 19 september 2022 en 30 september 2022. Database Statline, Centraalbureau voor de Statistiek, Windenergie op land; productie en capaciteit per provincie cijfers 2020 – regio Nederland, geraadpleegd 30 september 2022. https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/70960ned/table?ts=1664538340601 – Genormaliseerde productie. 72 Rapport Emissiekentallen Elektriciteit - Kentallen voor grijze en ‘niet-geoormerkte stroom’ inclusief upstream-emissies, M.B.J. Otten, M.R. Afman, CE Delft januari 2015. Referentie 4.F65.1 71

94

Datum: 2 december 2022

natuurverbindingen. Verder zullen herstelwerkzaamheden aan ecosystemen en bufferzones rondom natuurgebieden bijdragen aan het behouden van landschappelijke kwaliteit en biodiversiteit op zowel land als zee. In deze sectie zullen de autonome en toekomstige ontwikkelingen behandeld worden voor het beoordelingscriterium natuur met een doorkijk naar het jaar 2050. Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland In hoeverre de doelen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn haalbaar zijn wordt onderzocht in de Natuurverkenningsstudie (NVK) (PBL; WUR, 2020). De NVK is een scenariostudie die een langetermijnvisie schetst voor het jaar 2050 van de Nederlandse natuur aan de hand van scenario’s. Eén van de scenario’s is het Business as Usual (BaU) scenario, waarbij geredeneerd wordt vanuit maatregelen uit vastgesteld beleid en autonome ontwikkelingen naar de effecten op het doelbereik van de Vogel- en Habitatrichtlijn. In het BaU scenario wordt het huidige natuurbeleid voortgezet waarbij uitbreiding, inrichting, en beheer van de natuur wordt gerealiseerd aan de hand van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de voorwaarden uit het klimaatakkoord. Bij volledige uitvoering van het vastgestelde beleid groeit het areaal natuurgebieden op land, met name in en rond de Natura 2000-gebieden. Ook stijgt de kwaliteit van de natuurgebieden.

In de wateren worden KRW-maatregelen getroffen om de waterkwaliteit te verbeteren. Ook worden er twee andere scenario’s geschetst welke extra inspanningen vergen ten opzichte van het BaU scenario, namelijk Hoger Doelbereik (HDB) en Natuur Inclusief (NI): •

•

Hoger Doelbereik (HDB): Focus op de Vogel- en Habitatrichtlijn-soorten en bijbehorende doelen waaraan Nederland zich in Europees verband heeft gecommitteerd. Nieuwe natuur zal met name in en om beschermde natuurgebieden gerealiseerd worden (NNN en Natura-2000), wat grotendeels ten koste zal gaan van agrarisch gebied. Natuur Inclusief (NI): Nieuwe natuur zal met name ontstaan buiten de beschermde natuurgebieden, door maatschappelijke opgaves op te lossen m.b.v. natuurlijke oplossingen (bijv. Nature Based Solutions). De samenhang en integratie tussen natuur en andere maatschappelijke opgaven staan centraal.

Figuur 7-18 illustreert in hoeverre in elk scenario de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijnen behaald worden ten opzichte van de hiervoor beschreven huidige situatie. Dit doel is ook hier uitgedrukt in het percentage soorten dat een (on)gunstige Staat van Instandhouding heeft. In 2018 is deze waarde gelijk aan 53%, en voor elk ander scenario ligt dit percentage hoger. Met beleid conform scenario BaU wordt ca. 65% van het doelbereik van de Vogel- en Habitatrichtlijn gehaald. In Figuur 7-19 is dit uitgesplitst per ecosysteemtype.

95

Datum: 2 december 2022

Figuur 7-18 Modelinschatting van doelbereik Vogel- en Habitatrichtlijn soorten voor landnatuur (PBL; WUR, 2020)

Figuur 7-19 Expertinschatting van doelbereik Vogel- en Habitatrichtlijn voor landnatuur per ecosysteemtype (PBL; WUR, 2020)

Concluderend neemt de natuurkwaliteit, kijkend naar de Vogel- en Habitatrichtlijn-doelstellingen, toe tot het jaar 2050. De manier waarop hangt echter samen met het toekomstig beleid, en daarnaast in zekere mate met beleid dat al is vastgelegd. De volgende autonome ontwikkelingen zijn relevant voor natuur (deels ontleend aan het BaU scenario): •

96

De woningbouwopgave en bijbehorende verstedelijking leidt tot een afname van met name agrarisch gebied, omdat natuurgebieden wettelijk zijn beschermd. Datum: 2 december 2022

•

• • • • •

Nederland investeert de komende jaren fors in een duurzame landbouw en in een robuust natuurareaal, om weer tot een balans te komen. Om de natuur in Nederland in goede staat te brengen kiezen we voor een brede aanpak die zich richt op de verscheidenheid aan gebieden. Die aanpak richt zich niet alleen op stikstof, maar ook op de (Europese) normen en opgaven van de waterkwaliteit, bodem, klimaat en biodiversiteit. Een gedifferentieerde aanpak zal leiden tot grote aanpassingen in het landelijk gebied. Daarmee maken we gebiedsgericht inzichtelijk wat de perspectieven zijn voor verschillende vormen van landbouw. (Coalitieakkoord 2021 – 2025). Toename lokaal groen door (burger)initiatieven, waarbij de steun voor natuurbehoud en -bescherming doorzet. Afronding Natuurpact73, waardoor Natuurnetwerk Nederland zijn voltooiing nadert in 2027. Daling depositie door emissiemaatregelen die vastgesteld zijn voor 2020. Vastgestelde maatregelen KRW en PAGW74. Toename bos en compensatie houtkap.

Vogels In het vorige segment werden de autonome ontwikkelingen beschreven voor de algemene natuur in Nederland, waarbij grotendeels het BaU scenario is gebruikt. Dit zou betekenen voor de Vogelrichtlijn-doelen, dat ongeveer 48% van de broedvogels en 38% van de niet-broedvogels een gunstige Staat van Instandhouding heeft (Pouwels & Henkens, 2020). Kijkend naar de soorten die vallen onder de Vogelrichtlijn, dan zien we een positievere vooruitgang voor het jaar 2027. Deze vooruitblik is gebaseerd op de WUR studie van Pouwels & Henkens (2020), die een analyse uitvoerde voor de resterende opgave voor en na 2027 voor het bereiken van de Vogel (en Habitat) Richtlijnen doelen. In Figuur 7-20 zien we dat ongeveer 68% van de broedvogels en 82% van de niet-broedvogels een gunstige Staat van Instandhouding hebben. Ondanks een algemeen gunstige toekomstperspectief voor de vogels in Nederland, is er een kleine groep van vogels die het erg moeilijk heeft. Dit zijn met name de broedvogels die voorkomen in landschappelijk open ecosystemen en met name de agrarische gebieden (CLO, 2022; Pouwels & Henkens, 2020). Figuur 7-21 geeft de huidige negatieve trend van boerenlandvogels weer voor de periode van 1990 - 2020. Met name de geïntensiveerde agrarische bedrijfsvoering is verantwoordelijk voor deze significante reductie in boerenlandvogels (CLO, 2022).

Het behalen en doorzetten van de huidige positieve trend m.b.t. de Staat van Instandhouding van zowel broed als niet-broedvogels hangt af van de volgende factoren: • • • •

Intensivering van de landbouwsector, waardoor de populatie van boerenlandvogels potentieel verder afneemt; Afronding Natuurpact; waardoor potentieel leefgebied voor vogels toeneemt De invloed van exoten en van drukfactoren in het buitenland bij trekvogels en trekvissen (zoals jacht), die niet in het model zijn meegenomen. De transitie van fossiele naar duurzame energieopwekking.

73

Natuurpact; overeenkomst tussen het Rijk en de 12 provincies over ambities en financiering van het Nederlands Natuurbeleid (Brouwers, Verwoerd, & Klaassen, 2021). 74 KRW: Kader Richtlijn Water, PAGW: Programma Aanpak Grote Wateren.

97

Datum: 2 december 2022

Figuur 7-20 Toekomstige Status van Instandhouding voor habitattypen en Vogel- en Habitatrichtlijn-soorten in 2027 op basis van het doortrekken van huidige gemeten trends en voorziene ontwikkelingen binnen het natuurbeleid (Pouwels & Henkens, 2020).

Figuur 7-21 Trend van boerenlandvogels in de periode van 1990 – 2020 (CLO, 2022).

98

Datum: 2 december 2022

Vleermuizen In de beschrijving van de huidige situatie is toegelicht dat een positieve trend merkbaar is bij het aantal vleermuizen. Of de groei van vleermuizen doorzet, is mede afhankelijk van de volgende trends: •

• •

Het voortzetten van beschermende maatregelen en monitoring van vleermuizen. Een voorbeeld is het traject Natuurinclusieve Energietransitie voor wind en hoogspanning op land (NIEWHOL) 75 waarin wordt ingezet op een vermindering van de negatieve effecten van de energietransitie op de staat van instandhouding van kwetsbare vogels en vleermuizen. De woningbouwopgave waardoor potentieel leefgebied afneemt. In de periode 2020-2035 moeten ongeveer 900.000 woningen gebouwd worden voor de uitbreiding van het woningaanbod ofwel gemiddeld 59.000 woningen per jaar (Kok, 2020). De uitbreiding van het Natuurnetwerk Nederland (afgerond 2027) en de Bossenstrategie76 (afgerond 2030) waardoor potentieel leefgebied voor vleermuizen toeneemt.

Stikstofemissie algemeen De volgende autonome en toekomstige ontwikkelingen spelen een rol bij de ontwikkelingen van stikstofemissie tot 2050: •

•

• • • •

Om de Nederlandse natuur te versterken wordt het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) opgesteld door de Rijksoverheid. Onder het NPLG moet de stikstofemissie in landelijk gebied fors omlaag. Het NPLG is een samenwerking tussen centrale en decentrale overheden en grondeigenaren en -gebruikers. In 2030 moet de stikstofemissie uit de landbouw, transport, industrie, bouw en lucht-, zee- en scheepvaart voor ten minste 74% van de natuurgebieden lager zijn dan de kritische depositiewaarde (KDW). Het verbeteren van de luchtkwaliteit kan alleen wanneer het wordt gezien en opgepakt als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van overheden, professionals, bedrijven en burgers. Begin 2020 is daarom het Schone Lucht Akkoord gesloten tussen Rijk, provincies en een groeiend aantal gemeenten. 77 Het doel van dit akkoord is om de gezondheidsschade door luchtvervuiling te verminderen. Het streven is om gezondheidswinst te behalen door in 2030 ten opzichte van 2016 de uitstoot van binnenlandse bronnen minimaal te halveren na maatregelen van zowel de Rijksoverheid, als van gemeenten en provincies. Stakeholders en kennisinstituten zoals GGD’en dragen met expertise en ervaring bij aan verschillende themagroepen van het SLA. Zij maken zich hard voor extra inzetten op maatregelen om gezamenlijk de luchtkwaliteit, en daarmee de gezondheid van inwoners, verder te verbeteren.

Ook is afgesproken dat wordt toegewerkt naar de WHO-advieswaarden voor luchtkwaliteit en zijn streefdoelen per sector opgenomen. 78 De woningbouwopgave waarbij de bouw en het gebruik van woningen leidt tot extra stikstofuitstoot. De toename van elektrisch vervoer (of niet fossiel aangedreven vervoer) waardoor de stikstofuitstoot als gevolg van wegverkeer en vliegverkeer afneemt. De luchtvaartsector wordt steeds zuiniger, stiller en schoner. In de Luchtvaartnota 2020-2050 (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2020) wordt beschreven dat en hoe de luchtvaartsector, net als andere sectoren, moet bijdragen aan de reductie van de uitstoot van stikstof. De transitie van fossiele brandstoffen naar duurzame energieopwekking, waardoor meer windturbines op land worden geplaatst. De aanleg van windturbines en het onderhoud leidt mogelijk tot extra stikstofuitstoot. Maar de energieopwekking door windturbines vermindert de uitstoot van stikstof van opwek met fossiele brandstoffen. Dit is hierna verder uitgewerkt.

Stikstofemissie - Aanlegfase windparken Bij de aanleg van windparken worden mobiele werktuigen ingezet die diesel verbruiken. De verbrandingsemissies van de mobiele werktuigen veroorzaken emissie van stikstofoxiden (NO x) en ammoniak (NH3). De stoffen verspreiden door de lucht en slaan op enige afstand van de werkzaamheden weer neer (depositie). Depositie van deze stikstofverbindingen werkt verzurend op de bodem en heeft daarmee invloed op de natuurlijke Nederlandse vegetatie. De aanlegfase van een windpark heeft een bepaalde duur en is tijdelijk; nadat het windpark gereed is, vindt geen stikstofemissie en -depositie meer plaats vanwege de werkzaamheden. De exacte stikstofemissie van een windpark is

75

Voor meer informatie over het NIEWHOL, zie: RES - NIEWHOL. Voor meer informatie over de Bossenstrategie, zie: Rijksoverheid - Bossenstrategie 77 https://www.schoneluchtakkoord.nl/ 78 Gezondheidswinst door schonere lucht, Gezondheidsraad, Nr. 2018/01 76

99

Datum: 2 december 2022

onder andere afhankelijk van het aantal te realiseren windturbines. Daarnaast is van belang welke werktuigen worden ingezet. In de afgelopen jaren zijn Aerius-berekeningen uitgevoerd voor de realisatiefases van meerdere te ontwikkelen windparken. Op basis van deze openbaar beschikbare berekeningen van zes inmiddels vergunde en deels al gerealiseerde windparken is gekeken welke werktuigen worden ingezet en hoe lang deze inzet per windturbine is. Hieruit is voor ieder werktuig een gemiddelde inzet per windturbine bepaald. De werktuigen en het aantal draaiuren is weergegeven in onderstaande tabel. Uit het vermogen en het aantal draaiuren kan de stikstofemissie bepaald worden. Hierbij is aangenomen dat alle in te zetten materieel minimaal Stage-klasse IV heeft, zodat de emissie zo laag mogelijk blijft. Het gaat daarbij om conventioneel materieel met als bouwjaar 2014 of later. Met deze gegevens zijn het brandstof- en AdBlue79 verbruik van het materieel bepaald volgens de methode die ook in het model Aerius gehanteerd is. Deze methode is door TNO ontwikkeld en beschreven in het rapport AUB (AdBlue verbruik, Uren en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NO x en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen80. Met dit brandstof- en AdBlue verbruik zijn daarna de emissievrachten NH3 en NOx bepaald. Deze zijn weergegeven in onderstaande Tabel 7-4.

Tabel 7-4 Stikstofemissiewaardes van werktuigen voor de aanleg van een windturbine. Werktuig Vermogen [kW] Draaiuren per Stage-klasse windturbine

Emissie NOx

Emissie NH3

Dumper

320

77

Stage IV

13,6

0,60

Graafmachine

28

12

Stage IV

0,8

0,00

Graafmachine

60

11

Stage IV

0,2

0,02

Graafmachine

100

166

Stage IV

11,0

0,50

Hijskraan

100

28

Stage IV

2,0

0,08

Hijskraan

200

107

Stage IV

13,9

0,60

Hijskraan

450

162

Stage IV

45,7

2,00

Kiepbak

450

14

Stage IV

6,5

0,30

laadschop

200

110

Stage IV

14,3

0,60

Vorkheftruck

100

140

Stage IV

11,7

0,50

Wals

90

58

Stage IV

3,7

0,10

Asfalteermachine

60

4

Stage IV

0,04

0,01

123,4

5,3

Totaal

De emissievrachten gelden per windturbine. Voor de emissie van de aanleg van een windpark moet dit vermenigvuldigd worden met het aantal turbines. Stikstofemissie - Gebruiksfase windparken In de gebruiksfase treedt geen stikstofemissie op. Daarom wordt het effect op de stikstofemissie beoordeeld aan de hand van de vermeden emissie. De windturbines produceren stroom zonder emissie van stikstof. Deze stikstofemissie treedt wel op wanneer de stroom geproduceerd zou worden door energiecentrales op kolen, biomassa of aardgas. De vermeden emissie betreft daarom de emissie die de energiecentrales niet produceren voor de hoeveelheid stroom die de windturbines opwekken. De vermeden emissie is bepaald aan de hand van het geprojecteerd vermogen van één of meerdere windturbines, en de stroom die zij in één jaar produceren. Hiervoor is een referentieturbine van 8 MW aangehouden. De energie die een windturbine jaarlijks produceert, is onder andere afhankelijk van de windsnelheid op ashoogte en het aantal

79

AdBlue is een oplossing van ureum in gedemineraliseerd water die wordt toegevoegd aan diesel, om voertuigen die diesel gebruiken schoner te laten rijden. 80 AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NO x en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen. TNO, N.E. Ligterink, S. Dellaert, P. van Mensch, 10 december 2021. Referentie 2021-STL-RAP-100342672

100

Datum: 2 december 2022

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14599661/1