CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 - PlanMER windturbinebepalingen lo (61243233.1)

Gemeenteraad 9 oktober 2024, gemeente NissewaardBij agendapunt: Initiatiefvoorstel Windmolens Brielse Maasdijk: Normenkader46.194 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 6

Zeer positief

De variant leidt tot een sterk afgenomen kans op negatieve effecten op waardevolle landschappen

++

Positief

De variant leidt tot een afgenomen kans op negatieve effecten op waardevolle landschappen

+

Licht positief

De variant leidt tot een licht afgenomen kans op negatieve effecten op waardevolle landschappen

0

Neutraal

De variant onderscheidt zich niet van de referentiesituatie (beschreven in paragraaf 7.2.4)

-

Licht negatief

De variant leidt tot een licht toegenomen kans op negatieve effecten op waardevolle landschappen

--

Negatief

De variant leidt tot een toegenomen kans op negatieve effecten op waardevolle landschappen

---

Zeer negatief

De variant leidt tot een sterk toegenomen kans op negatieve effecten op waardevolle landschappen

6.3.5 Natuur Voor het thema natuur worden de beoordelingscriteria Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland (NNN), Vogels, Vleermuizen en Stikstofemissie beoordeeld. Natuur is beoordeeld voor de varianten geluid, afstandsnormen en obstakelverlichting (enkel beoordelingscriterium vleermuizen) (zie de variantenmatrix in paragraaf 6.2.1). In deze paragraaf worden de beoordelingskaders toegelicht.

6.3.5.1 Natura 2000 Europese lidstaten hebben de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn vertaald naar nationale regelgeving. De beschermde gebieden onder deze richtlijnen worden Natura 2000-gebieden genoemd. Vanaf 1 januari 2017 zijn in Nederland de internationale verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn verwerkt in de Wet natuurbescherming. De ligging van de Natura 2000-gebieden in Nederland op land wordt getoond in Figuur 6-3.

56

Datum: 2 december 2022

Figuur 6-3 Ligging van de Natura 2000-gebieden in Nederland op land, de binnenwateren en in de kustzone waarvoor specifieke vogeldoelen gelden die van belang zijn (Sovon, 2021)

Lidstaten moeten voor elk Natura 2000-gebied instandhoudingsdoelstellingen vaststellen op grond van de staat van instandhouding en de ecologische vereisten van de habitattypen en soorten van communautair belang (= soorten met een lidstaatoverstijgend gemeenschappelijk belang), die in dat gebied voorkomen. Instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau moeten omschrijven wat de gewenste staat van instandhouding van soorten en habitattypen in het gebied inhoudt, zodat het gebied kan bijdragen aan de algemene doelstelling van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten en habitattypen op nationaal, biogeografisch of Europees niveau. Windenergieontwikkelaars, planners en de betrokken instanties moeten zich bewust zijn van de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied, aangezien de mogelijke negatieve gevolgen van het plan of project moeten worden beoordeeld aan de hand van deze instandhoudingsdoelstellingen (Europese Commisie, 2020). De Habitatrichtlijn moedigt natuurinstanties ertoe aan Natura 2000-beheerplannen op te stellen in nauw overleg met lokale belanghebbenden. Of de ontwikkeling van windparken in of in de nabijheid van Natura 2000-gebieden mogelijk is zal per geval beoordeeld worden op basis van de Wnb. Een procedure moet doorlopen worden wanneer men iets wil realiseren in of nabij een Natura 2000-gebied (Noordover, 2016).

Wanneer men een vergunning wil ontvangen voor een voorgenomen activiteit, dan zal er gekeken worden of er significante gevolgen kunnen zijn op het Natura 2000-gebied door een voortoets uit te voeren (BIJ12, n.d.). Is dit het geval, dan zal men een vergunningplicht hebben. Wanneer effecten op objectieve gronden uit te sluiten zijn, dan kan een vergunning verleend worden zonder Passende beoordeling. Mocht dit niet het geval zijn, dan kan een Passende beoordeling uitgevoerd worden. Deze Passende beoordeling zal kijken of de voorgenomen activiteit de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Dit is het geval wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat over dat er geen schadelijke gevolgen zijn (BIJ12, n.d.). Wanneer er, ondanks dat rekening gehouden wordt met mitigerende maatregelen, alsnog sprake is van een significant negatief effect, dan zal een ADC-toets de enige optie zijn om nog 57

Datum: 2 december 2022

een vergunning te ontvangen. De ADC-toets heeft een streng toetsingskader dat in de Wnb is opgenomen, waarin drie voorwaarden staan waar een project aan moet voldoen; (A) er zijn geen alternatieve locaties, (D) er is sprake van dwingende redenen van groot openbaar belang en (C) de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft (BIJ12, n.d.). Hiermee zal een zeer negatief effect niet kunnen optreden. In dit planMER gaan we ervan uit dat er alternatieven zijn (namelijk een andere locatie voor windturbines vinden of een andere vorm van duurzame energieopwekking) en dat er geen dwingende redenen van groot openbaar belang zijn. Derhalve zullen er in principe alleen licht negatieve gevolgen op Natura 2000 kunnen optreden, die de natuurlijke kenmerken ervan niet aantasten. Om die reden zijn de scores voor negatief (- -) en zeer negatief (- - -) cursief aangeduid, zoals weergegeven is in Tabel 6-12. Tabel 6-12 Beoordelingsschaal voor effecten op Natura 2000 Score Effect Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie +++

Zeer positief

De variant leidt tot een sterk afgenomen kans op negatieve effecten op Natura 2000gebied

++

Positief

De variant leidt tot een afgenomen kans op negatieve effecten op Natura 2000-gebied

+

Licht positief

De variant leidt tot een licht afgenomen kans op negatieve effecten op Natura 2000gebied

0

Neutraal

De variant onderscheidt zich niet van de referentiesituatie (beschreven in paragraaf 7.2.5)

-

Licht negatief

De variant leidt tot een licht toegenomen kans op negatieve effecten op Natura 2000gebied

--

Negatief

De variant leidt tot een toegenomen kans op negatieve effecten op Natura 2000-gebied (deze variant is vanwege het beschermingsregime in en rond Natura 2000-gebieden niet reëel)

---

Zeer negatief

De variant leidt tot een sterk toegenomen kans op negatieve effecten op Natura 2000gebied (deze variant is vanwege het beschermingsregime in en rond Natura 2000gebieden niet reëel)

Effecten op Natura 2000 Algemene regels zouden een plan in de zin van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming (implementatie van art. 6 Habitatrichtlijn) kunnen zijn. Een plicht tot het opstellen van een passende beoordeling bestaat echter uitsluitend als het plan significante gevolgen kan hebben voor Natura2000 gebieden. Dat is niet het geval. Er worden namelijk in of op basis van de algemene regels geen locaties benoemd waar windturbines kunnen komen. De algemene regels hebben geen concrete projecten op het oog; het doel ervan is het bieden van milieubescherming, niet natuurbescherming. De windturbinebepalingen bevatten ook geen regels ter bescherming van Natura2000 gebieden. De algemene regels hebben verder geen enkele invloed op de vraag of voor een concreet project een natuurvergunning kan worden verleend. Er is voor concrete windturbines altijd nog een natuurvergunning nodig, die staat los van de algemene regels, wordt geenszins daardoor ingeperkt en deze zijn ook geen uitgangspunt van of kader voor de vergunning; elk project wordt op eigen merites en integraal en zonder voorbehoud in zijn geheel beoordeeld op de effecten op Natura 2000. Uit het voorgaande volgt dat in dit planMER geen stikstofdeposities op Natura 2000-gebieden zijn berekend.

6.3.5.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is beschermd via de Wet ruimtelijke ordening (Wro), waarbij de plannen van een hogere overheid doorwerken naar lagere overheden. Het beschermingsregime lijkt op dat voor Natura 2000-gebieden, maar is planologisch van karakter en niet juridisch van aard zoals Natura 2000. Het NNN is vastgelegd in de landelijke Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en provinciale Verordening Ruimte (inclusief omgevingsplannen). Doelen en/of doelsoorten en begrenzingen verschillen per provincie, echter zijn deze altijd geheel of gedeeltelijk vastgelegd in provinciale omgevingsplannen en -verordeningen. De bescherming wordt door de gemeenten opgenomen in het betreffende bestemmingsplan (Aarts, 2022).

58

Datum: 2 december 2022

Binnen NNN geldt externe werking en dient onderzocht te worden of de bouw en het gebruik van een windpark effecten heeft op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN in de directe omgeving van de betreffende windturbines. Windturbines kunnen leiden tot verstoring, waarbij zowel visuele als auditieve verstoring van belang kan zijn. Verstoring van planten, libellen, dagvlinders en vissen is op voorhand uitgesloten, maar windturbines kunnen wel een verstorend effect hebben op broedvogels. Als een windproject de belangrijkste waarden en kenmerken van het gebied aantast, is het in basis niet toegestaan. Echter geldt ook hier de uitzondering dat als er geen redelijk alternatief is, er een dwingende reden van openbaar belang is en als er compensatie plaatsvindt dit wel toegestaan kan worden op basis van de ADC-toets. Als een windpark of windturbine in het NNN wordt geplaatst, moet een compensatieplan worden opgesteld waarin de compensatie vastligt. In dit planMER gaan we ervan uit dat er alternatieven zijn (namelijk een andere locatie voor windturbines vinden of een andere vorm van duurzame energieopwekking) en dat er geen dwingende redenen van groot openbaar belang zijn. Derhalve zullen er in principe alleen licht negatieve gevolgen op NNN kunnen optreden, dus wel een negatief effect, maar niet significant.

Om die reden zijn de scores voor negatief (- -) en zeer negatief (- - -) cursief aangeduid, zoals weergegeven is in Tabel 6-13. Tabel 6-13 Beoordelingsschaal voor effecten op NNN Score Effect Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie +++

Zeer positief

De variant leidt tot een sterk afgenomen kans op negatieve effecten op NNN-gebieden

++

Positief

De variant leidt tot een afgenomen kans op negatieve effecten op NNN-gebieden

+

Licht positief

De variant leidt tot een licht afgenomen kans op negatieve effecten op NNN-gebieden

0

Neutraal

De variant onderscheidt zich niet van de referentiesituatie (beschreven in paragraaf 7.2.5)

-

Licht negatief

De variant leidt tot een licht toegenomen kans op negatieve effecten op NNN-gebieden

--

Negatief

De variant leidt tot een toegenomen kans op negatieve effecten op NNN-gebieden (deze variant is vanwege het beschermingsregime in en rond NNN-gebieden niet reëel)

---

Zeer negatief

De variant leidt tot een sterk toegenomen kans op negatieve effecten op NNN-gebieden (deze variant is vanwege het beschermingsregime in en rond NNN-gebieden niet reëel)

6.3.5.3 Vogels In Nederland komen verspreid over het jaar meer dan 400 vogelsoorten voor. Windturbines hebben verschillende effecten op vogels, een beperkt deel daarvan loopt risico op negatieve effecten door sterfte en verstoring. Aspecten die hierbij een rol spelen zijn de tijd/periode van het jaar (dag of nacht, de seizoenen), de locatie, het aantal en de hoogte van de windturbines, de opstelling en de uitvoering van de windturbines en weersomstandigheden, maar ook grootte en vlieggedrag van vogels. Het in kaart brengen van de gevoeligheid per vogelsoort kan aan de hand van een soortenmatrix, waarin naast de gevoeligheid van een soort voor aanvaringen, habitatverlies en verstoring (de risico’s) ook de mate van bedreiging wordt meegenomen zoals de Rode Lijst-status en de status in het kader van de Vogelrichtlijn. De combinatie van scores voor gevoeligheid en mate van bedreiging bepalen de kwetsbaarheidsscore. De soortenmatrix met de resulterende kwetsbaarheidsscores vormt de basis voor de afbakening van de soortenselectie (Stahl & Epe, 2021). Voor een beoordeling van effecten van windturbines op vogels kunnen de volgende parameters worden meegenomen: 1. De aanwezigheid van risicosoorten in broedperiode en niet-broedperiode, waarbij de aanname wordt gedaan dat indien er grotere aantallen van de risicosoorten in een gebied verblijven dit de kans op aanvaringen verhoogt. 2.

Soort-specifieke verstoringsafstanden door windturbines, waarbij wordt aangenomen dat binnen een verstoringszone om windturbines heen de dichtheid en aantallen van de gevoelige soort bepalend is. 3. Grotere vliegbewegingen van gevoelige soorten zoals foerageervluchten, slaapplaatsbewegingen en trekbewegingen kunnen in kaart worden gebracht door soort specifieke informatie en kennis te gebruiken op basis van punt 1 en 3 (Henk Sierdsema et al., 2021). Vanuit de optiek van vogels zijn de bovengenoemde effecten feitelijk risico’s, waarin in dit planMER de beoordeling van effecten voor vogels is gedaan aan de hand van Tabel 6-14. Deze beoordelingsschaal houdt geen direct verband 59

Datum: 2 december 2022

met de bovengenoemde soortenmatrix, welke per plangebied opgesteld dient te worden ter bepaling van relevante vogelsoorten. Tabel 6-14 Beoordelingsschaal voor effecten op vogels Score Effect Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie +++

Zeer positief

De variant leidt tot een sterk afgenomen kans op negatieve effecten op vogelpopulaties

++

Positief

De variant leidt tot een afgenomen kans op negatieve effecten op vogelpopulaties

+

Licht positief

De variant leidt tot een licht afgenomen kans op negatieve effecten op vogelpopulaties

0

Neutraal

De variant onderscheidt zich niet van de referentiesituatie (beschreven in paragraaf 7.2.5)

-

Licht negatief

De variant leidt tot een licht toegenomen kans op negatieve effecten op vogelpopulaties

--

Negatief

De variant leidt tot een toegenomen kans op negatieve effecten op vogelpopulaties

---

Zeer negatief

De variant leidt tot een sterk toegenomen kans op negatieve effecten op vogelpopulaties

6.3.5.4 Vleermuizen In Nederland alsook daarbuiten kunnen vleermuizen overal aangetroffen worden, van steden tot dorpen, natuurgebieden tot landbouwgronden, van uitgestrekte bossen tot een enkele bomenrij en van groeves en steenfabrieken tot spouwmuren van rijtjeshuizen (Zoogdiervereniging, 2022). Hoe groot een gebied is waaruit een lokale populatie samen komt is niet met zekerheid te stellen. Voor de toetsing van effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op de lokale populatie van vleermuizen, wordt uitgegaan van het aantal dieren dat zich in een cirkel met een zekere afstand van een plangebied bevindt, oftewel de catchment area. Normaliter ligt deze afstand tussen de 30 en 50km. Door de gemiddelde dichtheid per vleermuissoort in Nederland te nemen, kan berekend worden hoeveel dieren zich in een catchment area bevinden. Afhankelijk van een aaneenschakeling van landschapselementen (waarlangs vleermuizen zich verplaatsen) zal dit in de ene richting vanuit een verblijfplaats groter of kleiner kunnen zijn dan in een andere richting. In open landschappen in Nederland, waar de verbinding van landschapselementen tussen verschillende verblijfplaatsen mogelijk lager is, zal het totale gebied area kleiner kunnen zijn.

Voor de beoordeling van de gunstige staat van instandhouding van specifieke vleermuissoort(en) gedurende de exploitatiefase van windturbines wordt het ORNIS criterium gehanteerd. Dit criterium stelt dat wanneer er sprake is van minder dan 1% van de jaarlijkse natuurlijke sterfte deze sterfte dermate klein is dat er met zekerheid geen negatief effect op de gunstige staat van instandhouding kan zijn. Indien de additionele sterfte kleiner is dan deze 1%mortaliteitsnorm kan een effect op de populatie ten gevolge van het initiatief op zichzelf worden uitgesloten aangezien de sterfte in dat geval verwaarloosbaar klein is. Hoewel het ORNIS criterium niet juridisch verbindend is, gebruikt de Raad van State het ORNIS-criterium als norm om aan te nemen of de te verwachten vleermuisslachtoffers door windturbines aanvaardbaar zijn te achten in het kader van de gunstige staat van instandhouding van de soort (Kistenkas, Fred, 2018). De afgelopen decennia is er veel onderzoek gedaan naar de relatie tussen windturbines en vleermuizen. Daaruit komt naar voren dat windturbines potentieel veel slachtoffers kunnen maken. Ook blijkt uit studies dat verstoring en/of een vermindering van (de kwaliteit van) het leefgebied kunnen optreden, maar dit is voor vleermuizen een minder groot probleem.

Windturbines kunnen via bovenstaande aspecten een significant negatief effect hebben op de Staat van Instandhouding. Het feit dat alle soorten vleermuizen beschermd zijn via plaatsing op Bijlage IV (en sommige soorten op Bijlage II) van de Europese Habitatrichtlijn is cruciaal: de Staat van Instandhouding voor deze beschermde soorten moet gunstig zijn/worden en blijven. De in de Nederlandse Wet natuurbescherming geïmplementeerde geboden en verboden van de Europese Habitatrichtlijn staan doden of verwonden van onder andere vleermuizen dan ook niet toe (Stahl & Epe, 2021). De significantie van de effecten van windturbines op vleermuizen kan worden beïnvloed door biologische en ecologische factoren en door factoren die te maken hebben met het ontwerp van het plan of project. Zodra de windturbines operationeel zijn, wordt de sterfte ten gevolge van botsingen of barotrauma (stress door verschillen tussen de omgevingsdruk en druk in luchthoudende (lichaams)holten) als het significantste effect beschouwd, maar de risico’s verschillen van soort tot soort. 60

Datum: 2 december 2022

Verstoring en verdringing van roestplaatsen kan zich voordoen in elke fase van de levenscyclus van een project, terwijl barrière-effecten (het blokkeren van de trekroute) zich enkel openbaren tijdens de exploitatie en repowering. Deze effecten zouden kunnen leiden tot gedragsveranderingen, waaronder aantrekking, ruimtelijke verschuiving van vliegcorridors, en de verdringing van vleermuizen uit foerageergebieden die zij anders zouden gebruiken. Aantrekking zou tot een hoger botsingsrisico kunnen leiden. Verdringing geldt als een belangrijk effect dat op zich moet worden beschouwd en dit effect is onlangs gekwantificeerd bij een aantal windparken. Verstoring, verdringing en barrièreeffecten moeten per geval worden beoordeeld, rekening houdend met de omvang van het plan of project, de bekende aanwezige vleermuissoorten, hun habitatgebruik en het belang van de ondersteunende habitat voor de gunstige staat van instandhouding van de populatie, met name in het licht van bestaande bedreigingen en de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied (Europese Commisie, 2020). Vanuit de optiek van vleermuizen zijn de bovengenoemde effecten feitelijk risico’s op de populatie, waarin in dit planMER de beoordeling van effecten voor vleermuizen is gedaan aan de hand van Tabel 6-15.

Tabel 6-15 Beoordelingsschaal voor effecten op vleermuizen Score Effect Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie +++ Zeer positief De variant leidt tot een sterk afgenomen kans op negatieve effecten op vleermuispopulaties ++

Positief

De variant leidt tot een afgenomen kans op negatieve effecten op vleermuispopulaties

+

Licht positief

De variant leidt tot een licht afgenomen kans op negatieve effecten op vleermuispopulaties

0

Neutraal

De variant onderscheidt zich niet van de referentiesituatie (beschreven in paragraaf 7.2.5)

-

Licht negatief

De variant leidt tot een licht toegenomen kans op negatieve effecten op vleermuispopulaties

--

Negatief

De variant leidt tot een toegenomen kans op negatieve effecten op vleermuispopulaties

---

Zeer negatief

De variant leidt tot een sterk toegenomen kans op negatieve effecten op vleermuispopulaties

6.3.5.5 Stikstofemissie In dit planMER is ingegaan op de stikstofemissie die vrijkomt bij de aanlegfase van windturbines en de vermeden stikstofemissie van andere (fossiele) vormen van energieopwekking gedurende de gebruiksfase. Bij het beoordelen van stikstofemissie is geen score gegeven (zoals + of -), maar op basis van kengetallen een indicatie gegeven van de veroorzaakte of vermeden stikstofemissie. Indien de score gelijk is aan de referentiesituatie, oftewel een neutrale beoordeling, dan is deze wel toegekend. Zie de detailinformatie in paragraaf 7.2.5. Stikstofdepositie is niet beoordeeld, omdat op basis van dit planMER geen specifieke locaties worden aangewezen voor het plaatsen van windparken. Daardoor zijn geen uitspraken te doen over de effecten van stikstofdepositie op habitats van specifieke Natura 2000-gebieden.

6.3.6 Ruimtegebruik Voor het thema ruimtegebruik is het beoordelingscriterium ‘meervoudig ruimtegebruik’ beoordeeld. Ruimtegebruik is beoordeeld voor de varianten geluid, externe veiligheid, slagschaduw en afstandsnormen (zie de variantenmatrix in paragraaf 6.2.1). In deze paragraaf wordt het beoordelingskaders toegelicht.

Meervoudig ruimtegebruik Bij bepaalde ruimtelijke functies zijn kansen voor meervoudig ruimtegebruik. In paragraaf 7.2.6 zijn enkele van deze functies toegelicht, zoals voedselproductie, havengebieden, industrie- en bedrijventerreinen en verkeers- en spoorwegen en bos- en natuurontwikkeling.

61

Datum: 2 december 2022

Tabel 6-16 Beoordelingsschaal voor mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik Score Effect Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie +++

Zeer positief

De variant leidt tot een sterk merkbare toename voor kansen voor meervoudig ruimtegebruik

++

Positief

De variant leidt tot een merkbare toename voor kansen voor meervoudig ruimtegebruik

+

Licht positief

De variant leidt tot een zeer kleine toename voor kansen voor meervoudig ruimtegebruik

0

Neutraal

De variant leidt niet tot een toe- of afname voor kansen voor meervoudig ruimtegebruik ten opzichte van de referentiesituatie (beschreven in paragraaf 7.2.6)

-

Licht negatief

De variant leidt tot een zeer kleine afname voor kansen voor meervoudig ruimtegebruik

--

Negatief

De variant leidt tot een merkbare afname voor kansen voor meervoudig ruimtegebruik

---

Zeer negatief

De variant leidt tot een sterk merkbare afname voor kansen voor meervoudig ruimtegebruik

6.3.7 Energieopbrengst De energieopbrengst is beoordeeld voor de varianten met verschillende normen voor geluid, externe veiligheid, slagschaduw en afstand (zie de variantenmatrix in paragraaf 6.2.1). In deze paragraaf worden de beoordelingskaders toegelicht.

6.3.7.1 Beoordeling energieopbrengst a.h.v. plaatsingspotentieel bij geluidnormen De energieopbrengst voor windenergie wordt beïnvloed door het invoeren van nieuwe regelgeving voor geluid. Per variant wordt weergegeven of de variant leidt tot een wijziging in energieopbrengst ten opzichte van de referentiesituatie. De effectbeoordeling ten opzichte van de referentiesituatie vindt plaats met behulp van de beoordelingsschaal in Tabel 6-17. Tabel 6-17 Beoordelingsschaal plaatsingspotentieel in relatie tot aspect geluid Score Effect Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie +++

Zeer positief

De variant leidt tot een stijging van 60% of meer van het plaatsingspotentieel

++

Positief

De variant leidt tot een stijging van 20% tot 60% van het plaatsingspotentieel

+

Licht positief

De variant leidt tot een stijging van 5% tot 20% van het plaatsingspotentieel

0

Neutraal

De variant leidt tot een daling óf stijging van maximaal 5% van het plaatsingspotentieel (beschreven in 7.2.7)

-

Licht negatief

De variant leidt tot een daling van 5% tot 20% van het plaatsingspotentieel

--

Negatief

De variant leidt tot een daling van 20% tot 60% van het plaatsingspotentieel

---

Zeer negatief

De variant leidt tot een daling van 60% of meer van het plaatsingspotentieel

6.3.7.2 Beoordeling energieopbrengst a.h.v. plaatsingspotentieel bij normen externe veiligheid Het plaatsingspotentieel voor windenergie wordt direct aangetast als gevolg van het invoeren van nieuwe regelgeving voor externe veiligheid. Per variant wordt weergegeven of de variant leidt tot een wijziging in het plaatsingspotentieel ten opzichte van de referentiesituatie. Om het plaatsingspotentieel weer te geven is er een opsplitsing gemaakt in effecten in een landelijk gebied (85% van de windturbines) en effecten in bebouwde omgeving (15% van de windturbines). In de referentiesituatie is de regelgeving en zijn de daaruit voortkomende situaties in Nederland beschreven in paragraaf 7.2.3. De effectbeoordeling ten opzichte van de referentiesituatie vindt plaats met behulp van de beoordelingsschaal in Tabel 6-18.

62

Datum: 2 december 2022

Tabel 6-18 Beoordelingsschaal voor plaatsingspotentieel in relatie tot aspect externe veiligheid Score Effect Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie +++

Zeer positief

De variant leidt tot een stijging van 60% of meer van het plaatsingspotentieel

++

Positief

De variant leidt tot een stijging van 20% tot 60% van het plaatsingspotentieel

+

Licht positief

De variant leidt tot een stijging van 5% tot 20% van het plaatsingspotentieel

0

Neutraal

De variant leidt tot een daling óf stijging van maximaal 5% van het plaatsingspotentieel

-

Licht negatief

De variant leidt tot een daling van 5% tot 20% van het plaatsingspotentieel

--

Negatief

De variant leidt tot een daling van 20% tot 60% van het plaatsingspotentieel

---

Zeer negatief

De variant leidt tot een daling van 60% of meer van het plaatsingspotentieel

(beschreven in 7.2.7)

6.3.7.3 Beoordeling energieopbrengst bij normen slagschaduw Slagschaduwhinder wordt gelimiteerd door middel van een automatische stilstandsvoorziening die een windturbine stilzet op de momenten dat deze te veel slagschaduw kan veroorzaken. Het invoeren van een nieuwe regelgeving voor slagschaduw kan derhalve gevolgen hebben voor de energieopbrengst. Per variant wordt beoordeeld of de variant leidt tot een wijziging in energieopbrengst ten opzichte van de referentiesituatie. De effectbeoordeling ten opzichte van de referentiesituatie vindt plaats met behulp van de beoordelingsschaal inTabel 6-19. Tabel 6-19 Beoordelingsschaal voor effect slagschaduwnorm op energieopbrengst Score Effect Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie +++

Zeer positief

De variant leidt tot meer dan 3% productie extra

++

Positief

De variant leidt tot 1 tot 3% productie extra

+

Licht positief

De variant leidt tot 0,1 tot 1% productie extra

0

Neutraal

De variant leidt tot minder dan 0,1% productie of productieverlies extra (beschreven in 7.2.7)

-

Licht negatief

De variant leidt tot 0,1 tot 1% productieverlies extra

--

Negatief

De variant leidt tot 1 tot 3% productieverlies extra

---

Zeer negatief

De variant leidt tot meer dan 3% productieverlies extra

6.3.7.4 Beoordeling energieopbrengst a.h.v. plaatsingspotentieel afstandsnormen De energieopbrengst voor windenergie wordt beïnvloed door het invoeren van nieuwe regelgeving voor afstandsnormen. Per variant wordt weergegeven of de variant leidt tot een wijziging in energieopbrengst ten opzichte van de referentiesituatie. De effectbeoordeling ten opzichte van de referentiesituatie vindt plaats met behulp van de beoordelingsschaal inTabel 6-20. Tabel 6-20 Beoordelingsschaal plaatsingspotentieel in relatie tot afstandsnormen Score Effect Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie +++

Zeer positief

De variant leidt tot een stijging van 60% of meer van het plaatsingspotentieel

++

Positief

De variant leidt tot een stijging van 20% tot 60% van het plaatsingspotentieel

+

Licht positief

De variant leidt tot een stijging van 5% tot 20% van het plaatsingspotentieel

0

Neutraal

De variant leidt tot een daling óf stijging van maximaal 5% van het plaatsingspotentieel (beschreven in 7.2.7)

-

Licht negatief

De variant leidt tot een daling van 5% tot 20% van het plaatsingspotentieel

--

Negatief

De variant leidt tot een daling van 20% tot 60% van het plaatsingspotentieel

---

Zeer negatief

De variant leidt tot een daling van 60% of meer van het plaatsingspotentieel

63

Datum: 2 december 2022

6.4 Grensoverschrijdende milieugevolgen De op te stellen Windturbinebepalingen Leefomgeving hebben, als besluit van de Nederlandse overheid, alleen rechtstreeks betrekking op windparken gelegen op het Nederlandse grondgebied. Omdat op voorhand niet uitgesloten kan worden dat er mogelijk aanzienlijke grensoverschrijdenden effecten voor het milieu zijn, zijn Vlaanderen, het Waals gewest en de Duitse deelstaten Nordrhein-Westfalen en Niedersachsen in het kader van de kennisgeving geïnformeerd. Vanuit Vlaanderen is aangegeven verder betrokken te willen worden bij het vervolg van de procedure. De grensoverschrijdende milieugevolgen zijn in dit planMER kwalitatief beschreven voor een aantal relevante criteria.

64

Datum: 2 december 2022

7 Referentiesituatie 7.1 Definitie referentiesituatie De toestand van het milieu in de referentiesituatie is gebaseerd op de bestaande situatie van het milieu, samen met de gevolgen van autonome ontwikkelingen. Voor de referentiesituatie houdt dat in dat vastgesteld overheidsbeleid (en de gevolgen daarvan) wordt gerealiseerd. Voor de windturbinebepalingen geldt dat de autonome ontwikkeling bestaat uit de situatie die ontstaat als er geen nieuwe windturbinebepalingen worden vastgesteld. Samengevat laat de referentiesituatie zich in drie componenten uiteen splitsen in het planMER: • • •

Huidige kwaliteit van de leefomgeving in Nederland. Autonome ontwikkelingen tot 2030 met Doorkijk naar 2050 in Nederland. Kwaliteiten in de buurlanden net over de grens met Nederland. Dit vanwege mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen die kunnen optreden.

De windturbinebepalingen leefomgeving hebben betrekking op windturbines op land. Windenergie is één van de belangrijkste bronnen om de doelstelling voor hernieuwbare elektriciteit van 35 TWh in 2030 uit het klimaatakkoord te bereiken. Daarom wordt het jaar 2030 als referentiejaar beschouwd. Aangezien de doelstelling voor 2030 een korte termijn doelstelling is, wordt in de referentiebeschrijving een kwalitatieve doorkijk gegeven naar 2050. Ook wordt per thema aandacht besteed aan het mogelijk optreden van grensoverschrijdende effecten in de buurlanden. Leeswijzer • De huidige situatie leefomgeving en autonome ontwikkelingen worden per thema beschreven in paragraaf 7.2. Indien voor een thema meer toelichting nodig is met betrekking tot de referentiesituatie om een effectbeoordeling uit te voeren, wordt dit specifiek toegelicht bij desbetreffend thema in de latere hoofdstukken 9, 10, 11, 12 en 13. In paragraaf 7.2 wordt per thema ook ingegaan op de doorkijk naar 2050 en eventuele grensoverschrijdende effecten. • Vervolgens wordt in paragraaf 7.3 de autonome ontwikkeling ‘decentrale normering’ beschreven, oftewel de situatie die ontstaat wanneer geen Rijksregels voor windturbines worden gesteld. • Tot slot worden in paragraaf 7.4 twee referentieturbines beschreven. Deze referentieturbines zijn nodig voor sommige thema’s om een effectbeoordeling uit te voeren.

7.2 Beschrijving huidige situatie leefomgeving & autonome ontwikkelingen In deze paragraaf is de huidige kwaliteit van de leefomgeving beschreven voor relevante leefomgevingsaspecten, zoals gezondheid (geluidhinder en (tonaal) LFG), zicht- en lichthinder, externe veiligheid, landschap en cultuurhistorie, natuur, ruimtegebruik en energieopbrengst. Voor de thema’s is allereerst de huidige situatie beschreven. Vervolgens is voor de autonome ontwikkeling gekeken naar trends en ontwikkelrichtingen die te verwachten zijn voor 2050.

7.2.1 Gezondheid: geluidhinder 7.2.1.1 Beschrijving huidige situatie Mensen kunnen hinder ondervinden van geluid geproduceerd door geluidbronnen als wegen, spoorwegen, industrie en windturbines. Het RIVM monitort de ernstige hinder en slaapverstoring door dergelijke activiteiten en rapporteert hierover in de vorm van een Onderzoek Beleving Woonomgeving (OBW). Voor het beschrijven van de referentiesituatie van geluidhinder & (tonaal) LFG is gebruikgemaakt van de gegevens van 2019, omdat de gegevens vanaf 2020 niet representatief zijn voor de beschrijving van de huidige situatie in verband met de coronacrisis. Volgens het OBW uit 2020 hebben de maatregelen die genomen zijn om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan invloed gehad op welke bronnen hinder veroorzaakten. Zo was er minder hinder door vlieg- en railverkeer, maar meer hinder van bronnen vlak bij hun woning (wegverkeer, buren en bouw- en sloopactiviteiten). Uit het OBW 2019 blijkt dat in Nederland geluid afkomstig van wegverkeer de grootste bron van hinder is, gevolgd door buren en vliegverkeer (zie Figuur 7-1). Specifiek kijkend naar ernstige geluidhinder veroorzaakt door (industriële) activiteiten dan is het aantal geluidgehinderden als gevolg van laag frequent geluid (LFG) toegenomen tussen 2016 en 2019 van 2,2 naar 3,2% (zie Figuur 7-2).

LFG is in het onderzoek naar hinder omschreven als een laag, zoemend of 65

Datum: 2 december 2022

brommend geluid van bijv. ventilatie of airconditioners. Ook blijkt uit het onderzoek dat de mate van ernstige slaapverstoring als gevolg van LFG is toegenomen van 1,9 naar 2,6% (Poll, 2019). Naast een toename in de hinder van LFG is ook de ernstige geluidhinder van laden en lossen toegenomen tussen 2016 en 2019. De overige bronnen zijn nagenoeg gelijk gebleven. In de conclusie beschrijft het onderzoek dat blijkt dat sommige onderwerpen die veel media-aandacht krijgen, zoals windturbines, tot relatief lage (ernstige) hinderscores leiden op landelijk niveau. Op lokaal niveau kan geluidhinder veroorzaakt door windturbines echter tot maatschappelijke onrust leiden. Lokaal kan de hinder van bepaalde bronnen dus erg afwijken van het landelijk gemiddelde.

Figuur 7-1 Geluidbronnen (brongroepen) algemeen: ernstige hinder geluid in percentages 2019 en 2016 (Poll, 2019)

Figuur 7-2 Geluidhinder van (industriële) activiteit in percentages (Poll, 2019)

Naast dat mensen hinder kunnen ondervinden van geluid geproduceerd door één geluidbron, kunnen mensen ook hinder ondervinden door geluid geproduceerd door meerdere geluidbronnen tegelijk. Dit heet ‘cumulatie’. De geluidbelastingkaart in Figuur 7-3 laat zien op nationaal niveau hoeveel geluid verschillende bronnen bij elkaar opgeteld veroorzaken, oftewel de gecumuleerde geluidniveaus. Het gaat hier om het gemiddelde geluidniveau per jaar van wegverkeer, treinverkeer, vliegtuigen, industrie en windturbines gebaseerd op dB Lden. Hierbij is rekening gehouden met de hinderlijkheid per bronsoort. Daarom dragen windturbines ondanks relatief lage geluidniveaus plaatselijk toch bij aan de cumulatieve geluidbelasting. In Figuur 7-3 is te zien dat de gecumuleerde geluidniveaus het hoogst zijn rondom Schiphol, Amsterdam, snelwegen en het havengebied van Rotterdam.

66

Datum: 2 december 2022

Figuur 7-3 Gecumuleerde geluidniveaus in Nederland (Lcum). Het gaat hier om het gemiddelde geluidniveau per jaar van wegverkeer, treinverkeer, vliegtuigen, industrie en windturbines gebaseerd op de Level Day-Evening-Night (Lden) (Atlas van de leefomgeving, 2021)

Windturbines zijn één van de geluidbronnen die hinder kunnen veroorzaken. Hoe sterker het geluid (in dB) van windturbines, des te groter de ervaren hinder (van Kamp & van den Berg, 2020). Het geluid geproduceerd door windturbines wordt uitgedrukt in decibel (dB) volgens de Lden systematiek (voor toelichting zie paragraaf 5.4.2 en Bijlage 3). Het geluid van windturbines omvat verschillende frequenties. Laagfrequent- en infrasoon geluid maken onderdeel uit van dat geluidspectrum. Het geluid geproduceerd van windturbines kan ook tonaal zijn. De meeste windturbines produceren geen tonaal geluid, maar de windturbines die wel tonaal geluid veroorzaken worden veelal als hinderlijker ervaren. De aard van het geluid hangt vooral van twee factoren af: de windsnelheid en het ontwerp van de windturbine. Daarnaast hangt de verspreiding van geluid in de omgeving af van de positie ten opzichte van en de afstand tot de windturbine, de bodem tussen de windturbine en de woning, weerkaatsing of afscherming van het geluid door andere bebouwing en windrichting en atmosferische condities. In paragraaf 4.2 zijn meerdere onderzoeken beschreven die aantonen dat het door windturbines veroorzaakte geluid als hinderlijk kan worden ervaren. Op basis van Figuur 7-2 is het percentage ernstige geluidgehinderden van windturbines 0,2% op nationale schaal.

Dit percentage is lager dan bij andere geluidbronnen die hinder veroorzaken. Echter, zoals ook hiervoor vermeld, op lokaal niveau kan geluidhinder veroorzaakt door windturbines leiden tot maatschappelijke onrust.

67

Datum: 2 december 2022

Tonaal geluid Tonaal geluid is geluid met een duidelijk hoorbaar tonaal karakter, dat wil zeggen duidelijk hoorbare zuivere tonen. Met behulp van een smalbandige spectrale analyse kan de tonaliteit van het geluid objectief worden beoordeeld. Laagfrequent geluid Laagfrequent geluid (LFG) is geluid met een frequentie tussen 20 Hz en 100/125 Hz. De geluidssterkte van LFG wordt meestal uitgedrukt in decibel (dB). Laagfrequent geluid draagt door de invloed van bodemreflectie en de lagere luchtabsorptie verder dan hoger frequent geluid. Ook dringt laagfrequent geluid beter in woningen door doordat de geluidisolatie van een woning voor lage frequenties slechter is dan voor hoge frequenties. Er kan al hinder ontstaan bij kleine overschrijdingen van de gehoordrempel. Infrasoon geluid Infra- of infrasoon geluid betreft geluid met een frequentie van minder dan 20 Hz. Deze frequentie is zo laag dat het menselijk gehoor dit niet als geluid kan waarnemen. Infrasoon geluid kan wel door het lichaam worden gevoeld (onder meer als druk op de oren), maar alleen wanneer het geluid een zeer hoog niveau heeft. Tonaal laagfrequent geluid Tonaal laagfrequent geluid betreft een specifieke toon met een frequentie tussen de 20 en 100/125 Hz.

In Figuur 7-3 zijn de gecumuleerde geluidniveaus in Nederland weergegeven. In Figuur 7-4 is de bijdrage van het bestaande windturbinegeluid in dB Lden aan deze gecumuleerde geluidniveaus weergegeven. Uit Figuur 7-3 en Figuur 7-4 blijkt dat geluid van windturbines op nationaal niveau minder bijdraagt aan de cumulatieve geluidbelasting in Nederland dan andere geluidbronnen, zoals wegverkeer en treinverkeer. Lokaal kan deze bijdrage van windturbinegeluid aan de cumulatieve geluidbelasting in hogere mate merkbaar zijn.

68

Datum: 2 december 2022

Figuur 7-4 Geluid van windturbines in Nederland (Atlas van de leefomgeving, 2021)

7.2.1.2 Autonome- en toekomstige ontwikkelingen richting 2050 Op het gebied van geluidhinder zijn er diverse ontwikkelingen en processen gaande welke van invloed zijn op dit thema. Wanneer de resultaten van het RIVM-onderzoek tussen 2016 en 2019 met elkaar vergeleken worden blijkt dat de (ernstige) geluidhinder door wegverkeer, vliegverkeer en bouw- en sloopactiviteiten het meest zijn toegenomen. Ook is er een toename van ernstige geluidhinder door Laag Frequent Geluid (LFG) met 1 procent-punt van 2,2 naar 3,2%. Wanneer we kijken naar hoe geluidhinder zich ontwikkelt over een langere termijn richting 2050 dan zijn er autonome – en toekomstige ontwikkelingen welke zowel kunnen leiden tot een toename van het aantal geluidgehinderden als een afname van het aantal geluidgehinderden. De volgende autonome en toekomstige ontwikkelingen spelen een rol: • • • •

De energietransitie; De woningbouwopgave zorgt voor een toename aan woningen; Toename elektrisch vervoer (of niet fossiel aangedreven vervoer); Ontwikkelingen luchtvaartsector.

Een belangrijke trend met betrekking tot geluidhinder veroorzaakt door windturbines is de transitie van energieopwekking met fossiele brandstoffen naar duurzame energieopwekking. De transitie van fossiele energie naar duurzame energie zorgt voor meer windturbines op land. De toename van windturbines zorgt voor een verwachte toename van het aantal geluidgehinderden en toename in LFG. In paragraaf 7.2.7 is de energietransitie met betrekking tot wind op land verder toegelicht. De woningbouwopgave die er ligt in Nederland kan van invloed zijn op het aantal geluidgehinderden. In alle provincies is plancapaciteit aanwezig om invulling te geven aan de woningbouwopgave (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, 2021). De toename van woningen zal voor een (groot) deel landen in stedelijk gebied waar op veel plekken al uitdagingen zijn rondom geluid. Anderzijds kan de woningbouwopgave buiten de stedelijke gebieden 69

Datum: 2 december 2022

zorgen voor meer mobiliteit en daarmee een toename van de geluidsemissie. Wanneer het aantal woningen toeneemt en woongebieden uitbreiden worden meer bewoners gehinderd door geluidsoverlast. Daarmee is ook de kans aannemelijk dat het aantal geluidgehinderden door windturbines groter wordt. Daarnaast zal het aantal geschikte locaties voor windturbines afnemen in verband met de groei van woongebieden. De toename van elektrisch vervoer heeft een positief effect voor geluidhinder als gevolg van stillere (elektrische) auto’s (RVO, 2022). Ook de verwachte introductie van overig elektrisch vervoer (wegverkeer en vliegverkeer) zal een positief effect hebben op geluidhinder. De afgelopen jaren wordt de luchtvaartsector steeds zuiniger, stiller en schoner. Tussen 2016 en 2019 is de geluidhinder veroorzaakt door vliegverkeer echter toegenomen. In de Luchtvaartnota 2020-2050 (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2020) schetst de Rijksoverheid een nieuwe koers naar een duurzame luchtvaartsector in 2050. Hierbij wordt een beeld geschetst van een schonere en stillere luchtvaart in 2050, mede doordat de hoeveelheid geluid die vliegtuigen per vliegtuigbeweging produceren afneemt. Uit de milieueffectrapportage behorend bij de Luchtvaarnota 2020-2050 blijkt dat vliegtuigen jaarlijks gemiddeld ruim 1% stiller worden.

Enkele maatregelen uit de Luchtvaartnota 2020-2050 die de geluidhinder als gevolg van vliegverkeer terug moeten dringen zijn: • • • •

•

De Rijksoverheid stuurt op afname van de negatieve gezondheidseffecten door luchtvaart als voorwaarde voor de toekomstige groei van de burgerluchtvaart. Hierbij gaat het om geluidhinder en de gezondheidseffecten door de uitstoot van schadelijke stoffen. Luchthavens moeten de geluidsoverlast steeds verder verminderen. Hoe, legt de Rijksoverheid vast in luchthavenbesluiten van burgerluchthavens waar het Rijk het bevoegd gezag is; Minder nachtvluchten tussen 23.00 en 7.00 uur zonder verschuiving naar de randen van de nacht (22.0023.00 en 7.00-8.00 uur). De Rijksoverheid onderzoekt de economische effecten, in welk tempo de nachtvluchten kunnen afnemen en tot welk aantal dit kan; Afspraken per luchthaven met de partijen in de regio over het vergroten van de kwaliteit van de leefomgeving en maatregelen die de hinder voor bewoners verminderen en compenseren. Onderdeel hiervan zijn afspraken over het meten van geluid en het verbeteren van de leefomgeving en het verminderen van hinder en negatieve gezondheidseffecten; Vormgeven geluidsbeleid dat beter aansluit bij de hinder die bewoners ervaren en waarmee de sturingsmogelijkheden op hinder toenemen. Bijvoorbeeld op basis van onderzoek naar meer rustmomenten. Het Rijk gebruikt daarbij het landelijke programma gericht op meten en berekenen van vliegtuiggeluid en het advies van de Wereldgezondheidsorganisatie WHO.

7.2.1.3 Grensoverschrijdende milieugevolgen In dit planMER zijn ook de mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen beoordeeld per beoordelingscriterium. Voor geluidhinder geldt dat zowel in België als Duitsland geluidgevoelige objecten aanwezig zijn bij de grens.

7.2.2 Zicht- en lichthinder 7.2.2.1 Beschrijving huidige situatie Voor windturbines wordt in dit planMER gefocust op drie soorten hinder effecten in relatie tot zicht- en lichthinder, namelijk zichthindereffecten op het uitzicht veroorzaakt door obstakels, hindereffecten veroorzaakt door slagschaduw en nachtelijke lichthinder (veroorzaakt door obstakelverlichting). Zichthinder veroorzaakt door obstakels De belevingswaarde van het landschap is subjectief en persoonsafhankelijk. In Figuur 7-5 is de gemiddelde waardering van het Nederlandse landschap door de bevolking op basis van fysieke landschapskenmerken opgenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van twee positief gewaardeerde landschapskenmerken (natuurlijkheid en historische kenmerkendheid) en twee negatief gewaardeerde kenmerken (stedelijkheid en horizonvervuiling). De belevingskaart geeft enkel de waardering van het buitengebied weer. De stedelijke kernen zijn buiten beschouwing gelaten. Uit de kaart blijkt dat kleinschalige landschappen, de kustzone en het Heuvelland het meest gewaardeerd worden. Open landschappen met veel verstedelijking en/of akkerbouw zoals de Zuidvleugel van de Randstad, de

70

Datum: 2 december 2022

IJsselmeerpolders, en de klei- en veengebieden in Groningen, Friesland en Zeeland worden minder gewaardeerd. In Figuur 7-6 zijn de parameters weergegeven die een bijdrage leveren aan de aantrekkelijkheid van het landschap.

Figuur 7-5 Voorspelde aantrekkelijkheid landschap op basis van gebiedskenmerken

Figuur 7-6 Bijdrage gebiedskenmerken aan aantrekkelijkheid landschap, 2006 (Crommentuijn, Farjon, den Dekker, & Van der Wulp, 2007)

Hoge elementen zoals windturbines kunnen de waardering van het landschap negatief beïnvloeden. Als 100 meter hoge windturbines zichtbaar zijn, ligt de waardering van het landschap binnen 1,5 km van de windturbine met een derde lager dan wanneer er geen windturbine zichtbaar is. Op 2,5 km afstand is de afname van de waardering van het 71

Datum: 2 december 2022

landschap nog een kwart (CLO, 2014; De Vries, De Groot, & Boers, 2012). Figuur 7-7 geeft een beeld van de zichtbaarheid van windturbines in 2012. Met de toename van het aantal windturbines van 2012 tot nu, is ook de zichtbaarheid toegenomen. In hoeverre de waardering van het landschap wordt aangetast is mede afhankelijk van lokale factoren. Zo is naar verwachting het effect kleiner in de minder gewaardeerde landschappen van LaagNederland (open en in agrarisch gebruik) en landschappen waar al veel andere gebouwde elementen voorkomen zoals haventerreinen en industriegebieden op de Maasvlakte. Ook de precieze plaatsing van de objecten ten opzichte van bestaande landschapsstructuren zoals grote wateren speelt een rol (CLO, 2014). De openheid van het landschap, en daarmee de kans dat een windturbine zichtbaar is, verschilt sterk per provincie. De openheid van het landschap wordt bepaald door het wel of niet voorkomen van elementen hoger dan ooghoogte, zoals hellingen, bos en bebouwing. Volgens het CLO (2022) heeft de provincie Friesland het hoogste percentage zeer open gebieden, omdat de provincie een groot deel van het open IJsselmeer beslaat en veel open kleilandschappen bevat. Limburg, NoordBrabant en Gelderland zijn provincies met meer gesloten landschappen, door de grote hoeveelheid bomen, bosjes en bossen.

De meeste gesloten landschappen zijn te vinden op de hogere zandgronden.

Figuur 7-7 Zichtbaarheid windturbines op land (CLO, 2014). Deze kaart is gebaseerd op de opgestelde windturbines in 2012.

Hinder veroorzaakt door slagschaduw Als de zon schijnt kunnen de draaiende rotorbladen van windturbines een bewegende schaduw veroorzaken. Dit wordt aangeduid als slagschaduw. Slagschaduw betreft de variaties in de lichtsterkte die optreden vanwege de passerende schaduw van de draaiende rotorbladen van een windturbine. Deze lichtvariaties treden op als vanaf de ontvanger gezien de zonnestralen telkens worden onderbroken door de rotorbladen van een windturbine. Afhankelijk van hoe lang en hoe vaak de slagschaduw optreedt, de frequentie van de lichtvariaties en de intensiteit van de wisselingen in lichtsterkte kan dit tot hinder leiden. De hinder doet zich vooral voor als de slagschaduw op het raam van een gebouw valt en hierdoor binnen in het gebouw sterke wisselingen in de lichtsterkte optreden. Binnen in een gebouw zijn de variaties in lichtsterkte door slagschaduw namelijk groter dan buiten, doordat de lichtinval via een raam periodiek wordt onderbroken. Buiten wordt de slagschaduw ook waargenomen, maar doordat het licht hier meer diffuus is zijn de wisselingen in lichtsterkte minder groot. Hoe lager de zon staat, hoe verder het bereik van de slagschaduw is. Dat betekent dat aan het begin en het einde van de dag het bereik van de slagschaduw het grootst is.

Om de hinder van slagschaduw te beperken, kan naast locatiekeuze worden gedacht aan een automatische stilstandsvoorziening. Die schakelt de windturbine af als slagschaduw optreedt bij gevoelige objecten.

72

Datum: 2 december 2022

Slagschaduw is een lokaal probleem, waarvoor lokaal maatwerk nodig is. Op nationaal schaalniveau zijn er geen gegevens bekend over het aantal mensen dat hinder ervaart door slagschaduw. Wel is bekend hoe op projectniveau (lokaal) wordt omgegaan met de normering van slagschaduw. Dit is verder toegelicht in paragraaf 7.3. Lichthinder veroorzaakt door obstakelverlichting In zijn algemeenheid wordt lichthinder veroorzaakt door kunstmatige verlichting, bijvoorbeeld door nachtelijke verlichting veroorzaakt door lichtbronnen zoals (snel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Er is geen wettelijk kader in het ruimtelijk spoor dat lichtgevoelige functies definieert. De bescherming gaat via de invulling van een "goede ruimtelijke ordening" (Wro/Wabo). Specifiek voor assimilatiebelichting bij glastuinbouw en voor verlichting van sportterreinen zijn wel voorschriften 53. In Figuur 7-8 is de lichtemissie van Nederland op nationale schaal te zien. Glastuinbouw en stedelijk gebied zijn grote veroorzakers van lichtvervuiling. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat 5% van de bevolking in Nederland ernstige lichthinder en 3% slaapverstoring ondervindt ( (RIVM, 2013)). Lichthinder kan leiden tot vier soorten negatieve effecten: 1.

Hinder voor de mens: deze hinder ontstaat wanneer mensen zich niet kunnen onttrekken aan het aanwezige kunstlicht, bijvoorbeeld wanneer ze willen slapen. 2. Hinder langs wegen: hierdoor ontstaan onveilige situaties, bijvoorbeeld door afleiding als gevolg van reclameuitingen. 3. Verstoring van natuur: nachtelijke kunstmatige verlichting kan het gedrag van dieren negatief beïnvloeden, bijvoorbeeld bij vleermuizen. 4. Horizonvervuiling: deze hinder ontstaat wanneer er geen sprake is van direct licht, maar het licht wel op grotere afstand nog zichtbaar is. Ook windturbines kunnen zorgen voor lichtemissie en daardoor een bron van lichthinder zijn. De lichthinder van windturbines wordt veroorzaakt door obstakelverlichting. Obstakelverlichting is verlichting die de windturbines zichtbaar maakt voor vliegverkeer. Hierbij kan zowel sprake zijn van knipperende als vast brandende verlichting. De verlichting kan tijdens duisternis worden aangestuurd met naderingsdetectie zodat de verlichting uit is als er geen luchtvaartuigen in de buurt zijn. Met de toename van het aantal windturbines hoger dan 150 meter, neemt ook de hinder van obstakelverlichting toe. Lichthinder als gevolg van obstakelverlichting leidt met name tot de negatieve effecten hiervoor beschreven in punt 3 “verstoring van natuur” en punt 4 “horizonvervuiling”.

Omdat lichthinder een plaatselijk probleem is, is lokaal maatwerk nodig. In paragraaf 5.9 zijn de regels omtrent obstakelverlichting in Nederland toegelicht. Kort samengevat wordt obstakelverlichting bij windturbines met een tiphoogte van meer dan 150 meter toegepast. Zowel overdag (wit licht) als in de nachtperiode (rood licht) is obstakelverlichting verplicht. In Nederland zijn verschillende mogelijkheden om de hinder als gevolg van obstakelverlichting te beperken, zoals vast brandende verlichting, het dimmen van verlichting, het toepassen van minder obstakelverlichting en het toepassen van naderingsdetectie. In 2015 hebben in Nederland testen plaatsgevonden voor het verminderen van de hoeveelheid en intensiteit van obstakelverlichting ( (RVO, 2022)). Windpark Fryslân in het IJsselmeer (radardetectie) en Windpark Krammer in Zeeland (transponderdetectie) hebben in 2022 als eerste twee windparken in Nederland toestemming gekregen van de ILT om naderingsdetectie toe te passen.

53

Voor meer informatie over lichthinder in het Activiteitenbesluit, zie: https://www.infomil.nl/onderwerpen/integrale/activiteitenbesluit/milieuthemas/welke-mogelijkheden/

73

Datum: 2 december 2022

Figuur 7-8 Lichtemissie in 2020. De kaart laat zien hoeveel licht er ’s nachts te zien was in 2020 als je Nederland van bovenaf bekijkt. De rode en paarse gebieden zijn erg verlicht. Zwarte en blauwe gebieden zijn minder verlicht. (RIVM, 2022)

7.2.2.2 Autonome- en toekomstige ontwikkelingen richting 2050 De autonome- en toekomstige ontwikkelingen voor zicht- en lichthinder worden hieronder toegelicht per beoordelingscriterium. Zichthinder veroorzaakt door obstakels Volgens het CBS (2022) is in de periode 2013-2020 de oppervlakte van wonen, industrie en infrastructuur toegenomen met 200 km² en de oppervlakte landbouwgrond afgenomen met 244 km². In alle provincies, met uitzondering van Zeeland, komt het verlies van landbouwgrond vooral door de toename van het bebouwde gebied, en in mindere mate door natuurontwikkeling. Gezien de woningbouwopgave, de transitie van fossiele brandstoffen naar duurzame opwekking, de uitbreiding van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de Bossenstrategie54 is de verwachting dat de landbouwgrond verder afneemt. Echter, volgens het toekomstperspectief in de NOVI (Ministerie BZK, 2020) is in 2050 het grootste deel van het Nederlands grondoppervlak nog steeds bestemd voor groene functies als land- en tuinbouw en natuur. Door de toename van bebouwde omgeving en de verwachte toename van het aantal windturbines zal het aantal obstakels die zichthinder kunnen veroorzaken toenemen. Hinder veroorzaakt door slagschaduw Slagschaduw is een fenomeen wat specifiek voorkomt bij windturbines op land.

Door de transitie van fossiele brandstoffen naar duurzame energieopwekking is de verwachting dat er meer windturbines op land worden geplaatst.

54

Voor meer informatie over de Bossenstrategie, zie: https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2020/11/18/afspraak-rijk-en-provincies-bijna-vierkeer-ter-grootte-van-stad-utrecht-aan-extra-bos

74

Datum: 2 december 2022

Dit leidt tot een toename van de hoeveelheid slagschaduw op de lange termijn. Het al dan niet toepassen van stilstandsvoorzieningen bepaalt of ook de slagschaduwhinder toeneemt. Lichthinder veroorzaakt door obstakelverlichting Wanneer de lichtemissie van 2012 vergeleken wordt met 2018 zijn op specifieke locaties zowel toenames als afnames van lichtemissie te zien (Atlas van de Leefomgeving, 2020). Deze verschillen worden veroorzaakt door veranderende lichtregimes in kassen, verdwijnende of nieuwe kascomplexen en de toename van lichtuitstoot in de grote steden. Voor lichthinder in Nederland, zijn de volgende trends van belang: • • • •

Ontwikkelingen in de glastuinbouw leiden tot veranderingen in de hoeveelheid lichtemissie. De hoeveelheid lichtemissie door glastuinbouwbedrijven neemt af. Dit is het resultaat van lichthindervoorschriften in het Activiteitenbesluit milieubeheer55 en de afname in aantal glastuinbouwbedrijven.56 De woningbouwopgave en bijbehorende verstedelijking waardoor lichtemissie toeneemt. De transitie van fossiele brandstoffen naar duurzame energieopwekking, waardoor meer windturbines op land worden geplaatst met obstakelverlichting. De ontwikkeling van naderingsdetectie als techniek en de verankering in wetgeving.

7.2.2.3 Grensoverschrijdende milieugevolgen In dit planMER zijn ook de mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen beoordeeld per beoordelingscriterium. Voor zicht- en lichthinder geldt dat zowel in België als Duitsland woningen aanwezig zijn bij de grens, welke hinder kunnen ondervinden van obstakels, slagschaduw of licht.

7.2.3 Externe veiligheid De regelgeving en beleidsvorming specifiek rond windturbines is wettelijk van kracht sinds 2011 bij de vorming van het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (Barim) en het daaropvolgende Activiteitenbesluit milieubeheer. Daarvoor waren er geen wettelijke regels van toepassing maar konden met behulp van het Handboek risicozonering windturbines (HRW v1.1 – juli 2002) de risico’s inzichtelijk worden gemaakt. In de eerste versie van dit handboek staat in de inleiding dat door groeiende maatschappelijke druk tegen windturbines in landelijk gebied voor de verdere ontwikkeling van grotere windturbines werd gezocht naar locaties bij infrastructurele werken zoals wegen en vaarwegen en naar locaties bij / in industriegebieden vanwege een gewenste concentratie van industriële activiteiten. Om deze reden was een rekenmethodiek en regelgeving benodigd die niet enkel keek naar bescherming op basis van de effectafstanden maar naar een methodiek die de risico’s inzichtelijk maakt en op basis daarvan grenzen stelt. In deze rekenmethodiek werd gekeken naar het optreden van zowel directe risico’s als indirecte risico’s die ontstaan door vervolgschade bij andere gevaarlijke objecten of installaties in de omgeving (domino-effecten).

Er is een verschil tussen bescherming via een risicobenadering en bescherming tegen risico’s via het aanhouden van vaste effectafstanden. De laatste gaat uit van intrinsiek veilige afstanden (rekening houdend met de faalscenario’s zoals weergegeven in Figuur 5-1. De afstanden worden bepaald aan de hand van de maximale effectafstanden van de verschillende faalscenario’s. Met andere woorden: buiten deze afstand kunnen geen onderdelen meer terecht komen en is er dus ook geen mogelijk effect meer. Een dergelijke benadering voorkomt de noodzaak tot uitvoering van uitgebreidere berekeningen maar houdt minder rekening met de relevante eigenschappen en specifieke afmetingen van de te plaatsen windturbine. Bovendien wordt ieder effect even zwaar beoordeeld, of de kans op optreden verwaarloosbaar klein is doet er in deze benadering niet toe.

7.2.3.1 Beschrijving huidige situatie In de huidige situatie worden risico’s beoordeeld aan de hand van de methodieken uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Dit maakt onderscheid tussen kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten, beperkt kwetsbare objecten en risicovolle inrichtingen en buisleidingen worden in deze paragraaf toegelicht.

55

Voor meer informatie over lichthindervoorschriften in het Activiteitenbesluit, zie: https://www.infomil.nl/onderwerpen/integrale/activiteitenbesluit/milieuthema-s/welke-mogelijkheden/kassen/ 56 Vanaf 2000 was jaarlijks een afname van 6 à 7 % van het aantal glastuinbouwbedrijven. Volgens de landbouwtelling (CBS, 2022) is dat aantal in 2020 gestegen – tegen de jaarlijkse afname in - met 90 (3,4%) tot 2.670. De verwachting is dat dit doorzet.

75

Datum: 2 december 2022

Kwetsbare objecten57 In de referentiesituatie wordt een afstand aangehouden die overeenkomt met de PR-contour van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat een plaatsgebonden risico van meer dan 1 per miljoen per jaar niet mag optreden bij kwetsbare objecten. Een dergelijk risico treedt niet op buiten de effectafstanden van zowel mastfalen (tiphoogteafstand) als de afstand van bladworp bij nominaal toerental. De specifieke eigenschappen van een windturbine bepalen waar de ligging van de PR10-6 contour werkelijk ligt. Beperkt kwetsbare objecten In de referentiesituatie geldt een grenswaarde van maximaal PR10-5 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat kleinere aantallen personen, tijdelijk aanwezige personen en/of zelfredzame personen worden blootgesteld aan een plaatsgebonden risico met een kans van treffen van minder dan 1 per 100.000 per jaar. Een risico van ten hoogste PR 10-5 treedt volgens de rekenregels nooit op buiten de effectafstand van gondelfalen (halve rotordiameter). De specifieke eigenschappen van een windturbine bepalen waar de ligging van de PR10 -5 contour werkelijk ligt. Externe veiligheid en risico’s van windturbines Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die ontstaan door opslag, productie en transport van gevaarlijke stoffen en het in werking hebben van windturbines en luchthavens.

Het risico wordt uitgedrukt in een combinatie van de kans dat een ongeval zich voortdoet én het effect van het ongeval. Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met een verhoogde kans op overlijden als gevolg van de aanwezigheid van een risicovolle bron, in dit geval een windturbine. Specifiek voor windturbines gaat externe veiligheid over de risico's voor mensen als gevolg van een calamiteit aan de windturbines. Die worden uitgedrukt in faalscenario’s, zoals ijsafwerping, mastbreuk en het afbreken van een windturbineblad (bladworp) of het naar beneden vallen van de gondel (zie Figuur 5-1). Het faalscenario bladworp kan bestaan uit een situatie van bladworp bij nominaal toerental58 of een situatie van bladworp bij overtoeren59. De bijbehorende maximale effectafstanden zijn: • • •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14599661/1