Bijlage 6 - PlanMER windturbinebepalingen lo (61243233.1)
Tekst van het document
6.1.2 Eén of twee windturbines Conform het voorstel van de Commissie voor de m.e.r. en diverse zienswijzen van de NRD is ervoor gekozen om in dit planMER als uitgangspunt te nemen dat de windturbinebepalingen ook gaan gelden voor één of twee windturbines. Daarmee vallen één of twee windturbines binnen de beoordeling van dit planMER.
6.1.3 Wijze van beoordeling De beoordeling vindt plaats ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie is per thema beschreven in hoofdstuk 7. Afhankelijk van het thema zijn de varianten kwantitatief of kwalitatief beoordeeld door experts (zie ook Bijlage 7). Er is waar mogelijk gebruik gemaakt van kwantitatieve vuistregels voor een kwalitatieve beoordeling. In paragraaf 6.2 is aangegeven per thema hoe de beoordeling plaatsvindt. Het gehanteerde kaartmateriaal, zoals bijvoorbeeld is gepresenteerd in hoofdstuk 7, is gebaseerd op thema-informatie op nationaal niveau (bijvoorbeeld de ligging van werelderfgoed). Waar nodig wordt dit aangevuld met informatie uit afgeronde provinciale omgevingsvisies, RES-studies, bijbehorende MER-studies en afgeronde MER-studies voor afzonderlijke windparken. Voorwaarde hierbij is dat het materiaal bruikbaar (zoals vergelijkbaar) is voor de effectbeoordeling. De beoordeling van de thema’s vindt plaats bezien vanaf de windturbine. Dat wil zeggen dat gekeken wordt naar wat het gevolg is van een variant op de omgeving. Het effect van de omgeving op de windturbine (wederkerigheid) wordt niet belicht. De uitzondering hierop is de “Variant tegengaan domino-effect”, omdat hier ook wordt gekeken naar het effect van de omgeving (in dat geval risicovolle bedrijven en buisleidingen, zie paragraaf 5.5) op de windturbines.
6.1.4 Puntenschaal De toekenning van scores wordt kwalitatief uitgedrukt ten opzichte van de referentiesituatie met een 7-puntschaal. In het planMER is per thema uitgewerkt wat de punten op de schaal betekenen. De effecten van de varianten worden op basis van een plus en min-schaal per thema beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Hiervoor wordt de beoordelingsschaal gehanteerd zoals weergegeven in Tabel 6-1. Deze beoordelingsschaal is verder geconcretiseerd per beoordelingscriterium in paragraaf 6.2. Tabel 6-1 Beoordelingsschaal Score Effect
Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie
+++
Zeer positief
De variant leidt tot een sterk merkbare positieve verandering
++
Positief
De variant leidt tot een merkbare positieve verandering
+
Licht positief
De variant leidt tot een zeer kleine positieve verandering
0
Neutraal
De variant onderscheidt zich niet van de referentiesituatie
-
Licht negatief
De variant leidt tot een marginale (zeer kleine) negatieve verandering
--
Negatief
De variant leidt tot een merkbare negatieve verandering
---
Zeer negatief
De variant leidt tot een sterk merkbare negatieve verandering
41
Datum: 2 december 2022
6.2 Beoordelingskader In Tabel 6-2 is het beoordelingskader weergegeven. De varianten worden beoordeeld op basis van de effecten tijdens de exploitatiefase (gebruik, onderhoud en reparaties). De effecten tijdens de aanlegfase en verwijderingsfase worden op dit schaalniveau niet beoordeeld. Alle effecten in de gebruiksfase zijn permanent, oftewel treden op tijdens de levensduur van de windturbines (tussen aanleg- en verwijderingsfase). Tabel 6-2 Beoordelingskader Thema’s Beoordelingscriterium Gezondheid
Geluidhinder
Zicht- en lichthinder
Hinder door obstakels Hinder door slagschaduw Lichthinder
Externe veiligheid
Kwetsbare objecten
Beperkt kwetsbare objecten
Landschap & cultuurhistorie
Unesco Werelderfgoed
Waardevolle landschappen
Natuur
Natura 2000-gebied
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Vogels
Vleermuizen
Stikstofemissie
Ruimtegebruik
Meervoudig ruimtegebruik
Energieopbrengst
Klimaatdoelstellingen
42
Datum: 2 december 2022
Wijze van beoordeling
Aard van beoordeling
Het aantal (ernstig) geluidgehinderden op basis van het aantal geluidgevoelige objecten. Hierbij wordt gekeken naar de daling of stijging van de statistische kans op ernstige hinder. In paragraaf 6.3.1 is het beoordelingskader beschreven. Zichthinder veroorzaakt door obstakels. In paragraaf 6.3.2 is een toelichting gegeven op de effectbeoordeling. Zichthinder veroorzaakt door slagschaduw, gebaseerd op het aantal uren slagschaduw per jaar. In paragraaf 6.3.2 is het beoordelingskader toegelicht. Lichthinder veroorzaakt door obstakelverlichting op basis van de verwachte toe- of afname. In paragraaf 6.3.2 is het beoordelingskader toegelicht. Risico voor kwetsbare objecten, gebaseerd op een toe- of afname van het risico voor een klein of groot aantal kwetsbare objecten. In paragraaf 6.3.3 is het beoordelingskader toegelicht. Risico voor beperkt kwetsbare objecten, gebaseerd op een toe- of afname van het risico voor een klein of groot aantal beperkt kwetsbare objecten. In paragraaf 6.3.3 is het beoordelingskader toegelicht. Effect op werelderfgoed, gebaseerd op de toe- of afgenomen kans op negatieve effecten op werelderfgoed. In paragraaf 6.3.4 is het beoordelingskader toegelicht. Effect op waardevolle landschappen, gebaseerd op de toe- of afgenomen kans op negatieve effecten op waardevolle landschappen. In paragraaf 6.3.4 is het beoordelingskader toegelicht.
Effect op Natura 2000-gebieden, gebaseerd op de toe- of afgenomen kans op negatieve effecten op Natura 2000gebieden. In paragraaf 6.3.5 is het beoordelingskader toegelicht. Effect op Natuurnetwerk Nederland (NNN), gebaseerd op de toe- of afgenomen kans op negatieve effecten op NNN-gebieden. In paragraaf 6.3.5 is het beoordelingskader toegelicht. Effect op vogels, gebaseerd op de toe- of afgenomen kans op negatieve effecten op vogelpopulaties. In paragraaf 6.3.5 is het beoordelingskader toegelicht. Effect op vleermuizen, gebaseerd op de toe- of afgenomen kans op negatieve effecten op vleermuispopulaties. In paragraaf 6.3.5 is het beoordelingskader toegelicht. Effect op stikstofemissie in aanlegfase en gebruiksfase, gebaseerd op kengetallen van veroorzaakte of vermeden stikstofemissie. In paragraaf 6.3.5 is dit toegelicht. Effect op meervoudig ruimtegebruik, gebaseerd op toe- of afname voor kansen voor meervoudig ruimtegebruik. In paragraaf 7.2.6 is dit verder toegelicht. Het effect op de energieopbrengst als gevolg van een toeof afname van het plaatsingspotentieel van windturbines op land. In paragraaf 6.3.7 is het beoordelingskader toegelicht.
Kwantitatief & kwalitatief
Kwalitatief Kwalitatief
Kwantitatief & Kwalitatief Kwalitatief
Kwalitatief
Kwalitatief
Kwalitatief
Kwalitatief
Kwalitatief
Kwalitatief
Kwalitatief
Kwantitatief (op basis van kerngetallen) Kwalitatief
Kwantitatief & kwalitatief
6.2.1 Variantenmatrix In Tabel 6-3 zijn in een variantenmatrix de te onderzoeken alternatieven, varianten en sub-varianten weergegeven. Per beoordelingscriterium is aangegeven of de effecten van een alternatief of (sub-)variant worden beschreven in Hoofdstuk 8 tot en met 13. Beoordelingscriteria met een donkeroranje X hangen 1 op 1 samen met de variatie die de varianten vertegenwoordigen, met een directe relatie tussen variant en relevante beoordelingscriterium. Voor beoordelingscriteria met een licht oranje X worden de effecten ingeschat op basis van het resterende plaatsingspotentieel (de mogelijke locaties van toekomstige windturbines). De beoordeling van deze beoordelingscriteria hangt niet direct samen met de varianten, maar wel met het resterende plaatsingspotentieel als gevolg van een variant. Bijvoorbeeld: bij een strengere geluidnorm wordt de afstanden tot woningen groter, het plaatsingspotentieel kleiner, en de kans dat windturbines nabij natuurgebied worden geplaatst groter. Het resterende plaatsingspotentieel in de meest rechter kolom is ook licht oranje, deze beoordeling vindt plaats op basis van het onderzoek van RIVM en Generation Energy.
Ruimtegebruik
Energieopbrengst
Stikstofemissie
Plaatsingspotentieel
X
X
X
X
X
X
X
X X X
X X X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X X
X X X X X
X X X X X
Natuur
Landchap & Cultuurhistorie
Meervouding ruimtegebruik
X
Vleermuizen
X
NNN-gebieden
X X
Vogels
X X
Natura 2000
X
Unesco Werelderfgoed
X
Waardevolle landschappen
Externe veiligheid Kwetsbare objecten
Beperkt kwestbare objecten
Lichthinder
Zichthinder door obstakels
Hinder door slagschaduw
Gezondheid Percentage ernstig gehinderden
Toegevoegde waarde sub-varianten geluid
Thema's →
Beoordelingscriteria →
Zicht- en lichthinder
Tabel 6-3 Variantenmatrix
Alternatief ongewijzigde regels Onderwerp Geluid Externe veiligheid Slagschaduw Lichtschittering Onderwerp Geluid Externe veiligheid Externe veiligheid Slagschaduw Afstandsnorm Obstakelverlichting
47 dB Lden / 41 dB Lnight PR 10-6 kwetsbare objecten / PR 10-5 beperkt kwetsbare objecten < 17 dagen/jaar max. 20 min. Geen lichtschittering Varianten in PlanMER Variant 37, 40, 43, 45, 50 dB Lden Standaardwaarde PR10-6 beperkt kwetsbare objecten Tegengaan domino-effecten 0, 6, 16 uur per jaar 2, 3, 4 keer de tiphoogte Naderingsdetectie
X X
X
X
X
X
X X X
6.2.2 Niet beoordeelde criteria In Tabel 6-4 is een toelichting gegeven welke beoordelingscriteria niet zijn beoordeeld. Aangeraden wordt, indien relevant, om deze thema’s te beoordelen bij een specifiek (project)MER bij windparken. De redenen om deze criteria nu niet te beoordelen zijn49: a. Effecten die lokaal optreden of die een gedetailleerd karakter hebben. b. Het criterium is niet onderscheidend en levert dus geen toegevoegde waarde. c. Er is geen sprake van een effect of het is niet aangetoond. d. Er is te weinig informatie beschikbaar of is niet eenduidig of de kwaliteit van de informatie is (nog) te beperkt, om dit criterium te behandelen.
49
Zie hiervoor ook de reactienota op de NRD.
43
Datum: 2 december 2022
e. Het criterium betreft niet een milieucriterium, maar wordt zo nodig wel in de overwegingen bij de AMvB Windturbinebepalingen behandeld. f. Het onderwerp wordt middels ander beleid al ingevuld. Tabel 6-4 Motivering voor het niet behandelen van beoordelingscriteria. Thema of Motivering om deze niet mee te nemen in planMER beoordelingscriterium Rode lijst-soorten Flora en Fauna
a: Dit vraagt lokale detailinformatie.
Archeologie
a: Mogelijke archeologische vondsten spelen lokaal. b: Archeologische vondsten zijn zo nodig ex situ veilig te stellen of in situ te behouden. f: Er is gemeentelijk beleid voor archeologie.50
Lichtschittering
c: In de praktijk is lichtschittering geen leefomgevingseffect meer omdat dit met coating oplosbaar is. Uitgangspunt is dat de algemene regel, via een best beschikbare techniek (BBT) voor lichtschittering van toepassing blijft. Als zodanig wordt dit criterium wel meegenomen in de scope van het project, maar heeft beoordeling op lichtschittering geen toegevoegde waarde.
Beperkingen door veiligheidsaspecten van andere activiteiten
a: Beperkingen door – en effecten op – luchtvaart en radarverstoring zijn locatie- en projectspecifiek en vragen om detailinformatie over de plaatsing van windturbines ten opzichte van luchtvaartroutes of radars. b: Radarbeperkingen vanuit defensie, laagvlieggebieden, straalpaden e.d. zijn onderdeel van de referentiesituatie (dus daar beschreven), maar ze leiden niet tot onderscheidende mogelijkheden voor windturbines. f: Er is beleid voor radarzoneringen en laagvliegzones, dat per project wordt toegepast (zie voor een uitleg paragraaf 7.2.67.2.6.1).
50
(nog) niet onderbouwde gezondheidseffecten
c, d, f: In veel zienswijzen wordt gewezen op slaapstoornis en indirecte gezondheidseffecten. In dit planMER is uitgegaan van de bestaande kennis over de relatie tussen windturbines en gezondheid (zie paragraaf 4.2.1). Het RIVM concludeert dat er een significant verband is tussen geluid van windturbines en hinder. Voor andere gezondheidsproblemen (zoals bijvoorbeeld hart- en vaatziekten, leerprestaties, overgewicht, diabetes, mentale gezondheid, of kanker) is geen verband aangetoond (Reedijk, van Kamp, & Hin, 2021). Dit betekent dat in sommige gevallen weinig onderzoeken beschikbaar waren, de kwaliteit van de onderzoeken onvoldoende was, de resultaten van de onderzoeken niet eenduidig waren of er geen effect is aangetoond. In lijn met de WHO-definitie voor gezondheid, wordt ernstige hinder door het RIVM als een gezondheidseffect beschouwd dat op langere termijn kan leiden tot ernstiger gezondheidseffecten. Inmiddels heeft dit geleid tot een aanvullende onderzoeksopdracht aan het RIVM, dat verder in paragraaf 4.2.2 als lopend onderzoek wordt uitgelegd. De resultaten van dit onderzoek zijn niet gereed voor afronding van dit planMER.
Erosie van de bladen
f: In diverse zienswijzen is gewezen op de stoffen die vrijkomen bij de erosie van de bladen, en dat dit als effect in het planMER behandeld dient te worden. Over de erosie van de bladen is nog weinig bekend, bijvoorbeeld wat de samenstelling is van de bladen en welke stoffen dan zouden kunnen vrijkomen bij de erosie. Windturbines worden gemaakt met verschillende (kunststof-)materialen en coatings. Gedurende de verschillende levensfases van een windturbine (installatie, gebruik en onderhoud, ontmanteling, en recycling) zijn er verschillende emissies van stoffen die in het milieu terechtkomen. Dit blijkt uit de resultaten van de quickscan m.b.t. chemische stoffen bij windturbines op zee (RIVM, 2021). Er is sprake van erosie van de “leading edge”, de voorste kant van de windturbinebladen tijdens gebruik. Uit deze quick scan voor wind op zee blijkt dat bij de windturbines op zee erosie van de windturbinebladen leidt tot de emissie van microplastics, echter is de mate van emissies onzeker (RIVM, 2021). Het gaat om ca. 60 kg per windturbine per jaar. Voor wind op land wordt momenteel ook zo'n quick scan uitgevoerd. Het stoffenbeleid gaat uit van ‘veilig gebruik’, er is een producentenverantwoordelijkheid om te zorgen dat er geen stoffen worden gebruikt voor toepassingen die niet zijn toegestaan.
Afhankelijk van de stoffen die uit het onderzoek komen, kan bepaald worden of deze geregistreerd zijn voor dit type toepassing. Het bepalen van effecten voor de erosie van windturbinebladen is daarom niet opportuun. In het kader van een circulaire sector wordt stoffengebruik elders meegenomen. Conclusie: erosie van windturbinebladen wordt niet meegenomen als variant of in de effectbeoordeling van dit planMER. Dit wordt nog onderzocht en valt onder ander beleid.
Bodem- en luchtverontreiniging
f: In aanvulling op mogelijke stoffen die vrijkomen bij erosie van de bladen, is in de zienswijzen op een aantal mogelijke bodem- en luchtverontreinigingen gewezen: fijnstof, radon, stikstof en de CFK´s die vrijkomen door het draaien van de windturbines. Motivering niet overnemen: Dit wordt nog onderzocht en valt onder ander beleid. Een uitgebreide toelichting over erosie van de wieken is te vinden in Tabel 5-1.
Netinfrastructuur
a: De mogelijkheden voor de netinpassing van windenergie is van meerdere lokale factoren afhankelijk. Voorbeelden zijn de afstand tussen afname (elektriciteitsvraag) en windprojecten (aanbod), de afstand tot bestaande en geplande stations en de concentratie van windprojecten. Op projectniveau dient bekeken te worden of er mogelijkheden zijn voor netinpassing.
Voor meer informatie zie ook https://www.bodemrichtlijn.nl/Bibliotheek/bodembescherming/archeologie/archeologie-beleid-gemeentelijk.
44
Datum: 2 december 2022
Thema of beoordelingscriterium
Motivering om deze niet mee te nemen in planMER
Niet milieu gerelateerde effecten
e: In de zienswijzen is een aantal niet milieu gerelateerde criteria voorgedragen voor het planMER. Hiervan heeft het Rijk besloten om deze niet in het planMER te behandelen, maar deze krijgen wel een plek in de nota van toelichting bij de AMvB Windturbinebepalingen. Deze betreffen onder andere de administratieve lasten, toezicht en handhaving, gevolgen voor de rechtspraak, economische gevolgen zoals woningwaardedaling.
Circulariteit
f: In de zienswijzen is gevraagd om preventieve regels over sloop en circulariteit van windturbines, zoals bij de vervanging van wieken. Het onderwerp circulariteit van windturbines is nog in ontwikkeling. Op het gebied van circulaire economie wordt ingezet op Rijksbrede programma’s, zo wordt voor windturbines gewerkt aan een project rondom Circulaire Windparken. Dit vormt onderdeel van de transitieagenda Circulaire Maakindustrie.
6.3 Beoordelingsschaal beoordelingscriteria 6.3.1 Gezondheid Gezondheid is beoordeeld voor geluidnormen en afstandsnormen (zie de variantenmatrix in paragraaf 6.2.1). Voor afstandsnormen en geluidnormen ten opzichte van woningen is het beoordelingscriterium ‘percentage ernstig gehinderden’ beoordeeld. Zie de variantenmatrix (zie Tabel 6-3).
6.3.1.1 Beoordeling ernstige geluidhinder voor de beschouwde normen Voor de beschrijving van de effecten is in het PlanMER uitgegaan van het percentage ernstig gehinderden en niet van het percentage gehinderden. De reden hiervoor is dat de WHO ernstige hinder beschouwt als een gezondheidseffect, maar hinder die niet ernstig is niet. In de ‘Environmental Noise Guidelines for the European Region’ van 2018 baseert de WHO haar aanbevelingen dan ook op het percentage ernstig gehinderden (World Health Organization (WHO), 2018). Ook in beleidsstudies wordt meestal uitgegaan van het percentage ernstig gehinderden. Voor de beoordeling van ernstige hinder door windturbinegeluid wordt in de regel uitgegaan van het rapport ‘Hinder door geluid van windturbines’ van TNO uit 2008. Dit is een inmiddels gedateerd onderzoek dat gebaseerd is op een andere generatie windturbines dan heden ten dage wordt geplaatst. Uit een vergelijking met meer recente studies naar de dosis-effectrelatie van windturbinegeluid blijkt dat de door TNO in 2008 afgeleide relatie tot een geluidbelasting van 40 dB Lden nog steeds actueel is. Voor een hogere geluidbelasting laten meer recente onderzoeken een lager hinderniveau zien dan de TNO-studie. De verschillen vallen echter binnen de betrouwbaarheidsintervallen van de onderzoeken.
De TNO-studie is echter meer op de Nederlandse en Europese context gericht dan de andere, meer recente studies die ook windparken in Canada, de Verenigde Staten en Japan omvatten. De studies laten zien dat er grote verschillen bestaan in hoe verschillende gemeenschappen windturbinegeluid ervaren. Een studie die meer respondenten in meer verschillende gemeenschappen omvat hoeft daarom niet per se een beter beeld te geven van lokale effecten, juist omdat de lokale context een belangrijke rol speelt. Om deze reden is voor de effectbeoordeling zowel het percentage ernstig gehinderden beschouwd op basis van de door TNO afgeleide dosis-effectrelatie voor binnenshuis en buitenshuis als op de door Michaud et al. afgeleide dosis-effectrelatie. Hieronder is nader op voornoemde onderzoeken ingegaan.
Percentage ernstig gehinderden Het percentage ernstig gehinderden betreft het percentage van het aantal volwassen personen dat zich gemiddeld genomen bij een specifieke geluidbelasting ernstig gehinderd voelt. Feitelijk is dit een indicator die de statistische kans op ernstige hinder bij een specifieke geluidbelasting weergeeft. Het kan gebruikt worden om een indicatie te krijgen van het aantal ernstig gehinderden rond een specifiek windpark uitgaande van het aantal blootgestelde personen en de specifieke geluidbelasting waaraan zij worden blootgesteld. Doordat ook persoonlijke, situationele en contextuele factoren een belangrijke rol spelen zal het feitelijke percentage voor een specifieke lokatie altijd van lokale omstandigheden afhangen.
In het TNO-onderzoek van 2008 naar de dosis-effectrelatie voor de hinder vanwege windturbinegeluid (Janssen, Vos, & Eisses, 2008) (Janssen S. , Vos, Eisses, & Pedersen, 2011) zijn gegevens gebruikt van onderzoeken naar de beleving van windturbinegeluid in Zweden in 2000 en 2005, en in Nederland in 2007. Het TNO-onderzoek uit 2008 omvat in totaal 1820 respondenten. Dit waren omwonenden van windturbines en -parken met een vermogen van 80 45
Datum: 2 december 2022
kW tot 2,75 MW per windturbine. TNO heeft dosis-effectrelaties uitgedrukt in de beoordelingsmaat Lden afgeleid voor het percentage gehinderden en het percentage ernstig gehinderden. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen de buitenshuis en binnenshuis ervaren hinder. Op een schaal van 0-100 wordt een hinderscore van meer dan 50 aangemerkt als gehinderd en een hinderscore van meer dan 72 als ernstig gehinderd. De door TNO afgeleide dosiseffect relaties voor het percentage ernstig gehinderden buitenshuis en binnenshuis inclusief het 95% betrouwbaarheidsinterval van deze relaties zijn weergegeven in Figuur 6-1.
Figuur 6-1 Dosis-effectrelatie zoals vastgesteld door TNO in 2008 voor het aantal ernstig gehinderden buitenshuis en binnenshuis als functie van de geluidbelasting vanwege windturbinegeluid buiten op de gevel uitgedrukt in L den en de 95% betrouwbaarheidsintervallen (Janssen S. , Vos, Eisses, & Pedersen, 2011)
WHO-studie 2018 In de ‘Environmental Noise Guidelines for the European Region’ van 2018 (World Health Organization (WHO), 2018) heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) de voorwaardelijke aanbeveling gedaan om het geluidniveau van windturbines tot onder 45 dB Lden te beperken. Deze aanbeveling is gebaseerd op het gemiddelde geluidniveau waarbij buitenshuis 10% van de blootgestelden ernstig gehinderd is. In het onderliggende onderzoek is naast voornoemd onderzoek van Janssen et al. van TNO uit 2008 waarin twee Zweedse studies en een Nederlandse studie zijn betrokken, ook een Japanse studie van Kuwano et al. uit 2014 betrokken. Laatstgenoemde studie omvat 651 respondenten van windturbines en -parken met een vermogen van 400 kW tot 3 MW per windturbine, maar voornamelijk groter dan 1,5 MW. De WHO concludeert dat de wijze waarop de dosis-effectrelaties in voornoemde studies zijn vastgesteld verschilt en dat deze niet zijn gecombineerd in een meta-analyse. De studies geven bewijzen voor een verband tussen windturbinegeluid en ernstige hinder. De bewijzen voor de vorm van de dosis-effectrelatie zijn echter van lagere kwaliteit.
Michaud et al 2016 In 2016 zijn door Michaud et al. (Michaud, Keith, Feder, Voicescu, & et al., 2016) de datasets van voornoemde studies van Janssen et al. van TNO en van Kuwano et al. wel gecombineerd in een meta-analyse. Daarnaast zijn in deze analyse ook door Health Canada uitgevoerde onderzoeken naar hinder betrokken. Vanwege de tijdstempel van de systematische reviews heeft de WHO de studie van Michaud et al. niet in haar analyse mee kunnen nemen. De Health Canada studie omvat in totaal 1238 respondenten. Deze studie was gericht op omwonenden van in totaal 18 windparken met windturbines met een vermogen van 660 kW tot 3 MW (gemiddeld 2 ± 0,4 MW), een rotordiameter van circa 80 meter en in de meeste gevallen een ashoogte van 80 meter (Feder, Michaud, Keith, Voicescu, & et al., 2015). De door Michaud et al. gecombineerde analyses van verschillende hinderonderzoeken omvatten in totaal 3692 respondenten. In de analyse wordt een andere methodiek gehanteerd dan door Janssen et al. van TNO (Janssen S. , Vos, Eisses, & Pedersen, 2011). In plaats van een regressiemodel is een zogenaamd Community Tolerance Level (CTL) model gebruikt. Het CTL-model is gebaseerd op de algemeen geaccepteerde aanname dat in een homogene gemeenschap het hinderniveau bij zeer lage geluidniveaus nihil of laag zal zijn en monotoon zal toenemen bij een 46
Datum: 2 december 2022
toename van het geluidniveau. Het voordeel van het CTL-model is dat het verschillen afkomstig van verschillende gemeenschappen in decibellen kwantificeert (Michaud, Keith, Feder, Voicescu, & et al., 2016). De verschillende studies laten namelijk verschillen in hinderbeleving zien en hoe de hinder als functie van het geluidniveau toeneemt. Dit komt door allerlei factoren die bij de hinderbeleving een rol spelen die met het CTL-model per gemeenschap in decibellen kunnen worden gekwantificeerd. De door Michaud et al. afgeleide Community Tolerance Levels laten zien dat bepaalde gemeenschappen 8 decibellen minder tolerant voor windturbinegeluid zijn dan andere gemeenschappen. Dit wordt veroorzaakt door een combinatie van factoren, waaronder vele persoonlijke, situationele en contextuele factoren. Ook uit de TNO-studie bleek al dat er belangrijke verschillen zijn hoe gemeenschappen windturbinegeluid ervaren. De analyse van Michaud et al. richt zich op de hinder vanwege windturbinegeluid die door de omwonenden thuis werd ervaren en maakt geen onderscheid tussen de hinder die binnenshuis en buitenshuis wordt ervaren. Gezien het feit dat uit de TNO-studie blijkt dat buitenshuis meer hinder wordt ervaren dan binnenshuis, kan worden geconcludeerd dat de onderzoeksresultaten van Michaud et al. representatief zijn voor de buitenshuis ervaren hinder.
Uit een vergelijking van de grafieken in de publicatie van Michaud et al. (Michaud, Keith, Feder, Voicescu, & et al., 2016) met de grafieken in het TNO-rapport van 2008 (Janssen, Vos, & Eisses, 2008) blijkt ook dat Michaud et al. voor de Nederlandse en Zweedse data in hun analyse gebruik hebben gemaakt van de data voor de buitenshuis ervaren (ernstige) hinder. De dosis-effectrelatie zoals door Michaud et al. bepaald met het CTL-model is inclusief het 95% betrouwbaarheidsinterval weergegeven in Figuur 6-2. Dit betrouwbaarheidsinterval is breder dan voor de TNO-studie. Dit komt omdat in de studie van Michaud et al. ook hinderervaringsonderzoeken uit landen buiten Europa zijn betrokken, namelijk uit Canada en in Japan. De dosis-effectrelatie is vastgesteld op basis van het Day Night Level (DNL). Dit betreft het jaargemiddelde niveau met een toeslag van 10 dB op het geluidniveau van 22.00 tot 07.00 uur. Het DNL is echter nagenoeg gelijk aan het Lden-niveau, dus de in Figuur 6-2 weergegeven dosis-effectrelatie is ook geldig voor de geluidbelasting in Lden.
Percentage ernstig gehinderden
40 CTL gemiddeld
35
95% betrouwbaarheidsinterval
30 25 20 15 10 5 0 25
30
35 40 Geluidbelasting DNL (DNL ≈ Lden) [dB]
45
50
Figuur 6-2 Dosis-effectrelatie zoals vastgesteld door Michaud et al. in 2016 voor het aantal ernstig gehinderden als functie van de geluidbelasting vanwege windturbinegeluid buiten op de gevel uitgedrukt in DNL (≈ Lden) voor gemeenschappen met een gemiddeld acceptatieniveau (CTL gemiddeld) en de 95% betrouwbaarheidsintervallen (Michaud, Keith, Feder, Voicescu, & et al., 2016)
Een vergelijking met de curves in Figuur 6-2 laat zien dat tot een geluidbelasting van 40 dB Lden de gemiddelde waarde volgens Michaud et al. nagenoeg gelijk is aan de gemiddelde waarde buitenshuis zoals afgeleid door TNO, maar wel een veel ruimer betrouwbaarheidsinterval kent. Boven de 40 dB loopt de curve van Michaud et al. vlakker dan de TNO-curve buitenshuis. Het verschil tussen de bevindingen van beide studies valt binnen de betrouwbaarheidsintervallen van de onderzoeken. Het percentage ernstig gehinderden van 10% buitenshuis dat door de WHO als uitgangspunt voor haar advieswaarde van 45 dB L den is gehanteerd treedt volgens Michaud et al.
47
Datum: 2 december 2022
gemiddeld op bij een geluidbelasting van 44,52 dB Lden, afgerond 45 dB Lden. Op dit punt zijn de bevindingen van Michaud et al. dus gelijk aan de bevindingen van de WHO.
Haac et al 2019 In 2019 is een Amerikaanse studie gepubliceerd naar de beleving van windturbinegeluid. Deze studie is gericht op omwonenden van windparken in de Verenigde Staten van Amerika – en windturbines met een vermogen van 1,5 tot 2,5 MW per stuk, een ashoogte van 70 tot 100 meter, een rotordiameter van 77 tot 117 meter en een bronvermogen van 103,1 tot 109,1 dB(A) (Haac, Kaliski, Landis, & et al., 2019)). De in deze studie op basis van 1043 respondenten vastgestelde dosis-effectrelatie is in lijn met de door Michaud et al. in 2016 afgeleide dosis-effectrelatie. Dit betekent dat ook de dosis-effectrelatie conform Haac et al. tot een geluidbelasting van 40 dB Lden nagenoeg gelijk is aan de gemiddelde waarde buitenshuis zoals afgeleid door TNO. Boven de 40 dB loopt de curve net als die van Michaud et al. vlakker dan de TNO-curve buitenshuis.
RIVM 2022 In een onderzoek van het RIVM in 2022 is door middel van een vragenlijst aan omwonenden binnen 5 kilometer van windturbines het percentage gehinderden en slaapverstoorden bepaald (Bolders, Reedijk, Van Wijnen, & Van Kamp, 2022). Aan dit onderzoek namen 662 respondenten (19% van de genodigden) deel. Er is geen dosis-effect relatie vastgesteld, maar de resultaten laten een afname van gehinderden en slaapverstorenden zien tussen de omwonenden binnen 2,5 km van een windpark en tussen 2,5 tot 5 km van een windpark. Het RIVM vergelijkt de resultaten van haar onderzoek met die van de TNO studie uit 2008. Door verschillen in methodiek zoals bijvoorbeeld de wijze waarop de vragen waren geformuleerd, het gebruik van verschillende antwoordschalen en verschillen in de steekproefmethoden is een vergelijking problematisch, maar de resultaten lijken te wijzen op een vergelijkbaar of gering hoger percentage ernstig gehinderden dan door TNO in 2008 is gerapporteerd.
Conclusies voor beoordeling De TNO-studie van Janssen et al. van 2008 is meer op de Nederlandse en Europese context gericht dan de studie van Michaud et al. die ook windparken in Canada en Japan omvat. De studie van Michaud et al. omvat daarentegen ruim twee keer zoveel respondenten dan de TNO-studie. Ook is deze van een meer recente datum waardoor de beschouwde typen windturbines qua vermogen, rotordiameter en ashoogte actueler zijn dan de windturbines die in de studie van TNO zijn betrokken. De studie van Michaud et al. is ook in lijn met een nog recentere Amerikaanse studie van Haac et al. De studies van Janssen et al. en van Michaud et al. laten zien dat er grote verschillen bestaan in hoe verschillende gemeenschappen windturbinegeluid ervaren. Een studie die meer respondenten in meer verschillende gemeenschappen omvat hoeft daarom niet per se een beter beeld te geven van lokale effecten, juist omdat de lokale context een belangrijke rol speelt. Om deze reden is voor de effectbeoordeling zowel het percentage ernstig gehinderden beschouwd op basis van de door Janssen et al. afgeleide dosis-effectrelatie voor binnenshuis en buitenshuis als op van de door Michaud et al. afgeleide dosis-effectrelatie. Zoals eerder beschreven komen tot een geluidbelasting van 40 dB Lden de door Janssen et al. en door Michaud et al. afgeleide dosis-effectrelaties echter met elkaar overeen.
Bij een geluidbelasting van meer dan 40 dB Lden loopt de curve van Michaud et al. vlakker dan de TNO-curve buitenshuis. Het verschil tussen de bevindingen van beide studies valt binnen de betrouwbaarheidsintervallen van de onderzoeken. In Tabel 6-5 is de schaal voor de beoordeling van het percentage ernstig gehinderden weergegeven, oftewel de statistische kans op ernstige hinder bij een geluidbelasting gelijk aan de van toepassing zijnde grenswaarde. Zie voor meer uitleg Figuur 9-1. Voor de beoordeling is zowel het percentage ernstig gehinderden beschouwd op basis van de door TNO afgeleide dosis-effectrelatie voor binnenshuis en buitenshuis als op de door Michaud et al. afgeleide dosiseffectrelatie.
48
Datum: 2 december 2022
Tabel 6-5 Beoordelingsschaal percentage ernstig gehinderden, oftewel de statistische kans op ernstige hinder bij een geluidbelasting gelijk aan de van toepassing zijnde grenswaarde Score Effect Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie +++
Zeer positief
De variant leidt tot een daling van 60% of meer van de statistische kans op ernstige hinder
++
Positief
De variant leidt tot een daling van 20% tot 60% van de statistische kans op ernstige hinder
+
Licht positief
De variant leidt tot een daling van 5% tot 20% van de statistische kans op ernstige hinder
0
Neutraal
De variant leidt tot een daling óf stijging van maximaal 5% van de statistische kans op ernstige hinder (beschreven in paragraaf 7.2.1)
-
Licht negatief
De variant leidt tot een stijging van 5% tot 20% van de statistische kans op ernstige hinder
--
Negatief
De variant leidt tot een stijging van 20% tot 60% van de statistische kans op ernstige hinder
---
Zeer negatief
De variant leidt tot een stijging van 60% of meer van de statistische kans op ernstige hinder
6.3.1.2 Beoordeling subvarianten geluid De subvarianten voor geluid zijn laagfrequent geluid, een binnenwaarde, tonaal geluid en differentiëren tussen normen. Voor de subvarianten wordt beoordeeld of ze meerwaarde, lichte meerwaarde of grote meerwaarde hebben als toevoeging op de grenswaarden van 37 dB Lden tot en met 50 dB Lden. Deze beoordeling is weergegeven in paragraaf 9.5 en een uitgebreide toelichting in Bijlage 4.
6.3.2 Zicht- en lichthinder Voor het thema zicht- en lichthinder worden de beoordelingscriteria ‘zichthinder veroorzaakt door obstakels’, ‘hinder veroorzaakt door slagschaduw’ en ‘lichthinder veroorzaakt door obstakelverlichting’ beoordeeld. Zicht- en lichthinder is beoordeeld voor de varianten slagschaduw, afstandsnormen en naderingsdetectie (zie de variantenmatrix in paragraaf 6.2.1). In deze paragraaf worden de beoordelingskaders toegelicht.
6.3.2.1 Zichthinder veroorzaakt door obstakels In het maatschappelijke en politieke debat rond windturbines speelt het aspect zichtbaarheid of ‘horizonvervuiling’ een prominente rol. Daarbij wordt vaak gesteld dat de afmetingen van de windturbines en de afstand waarop deze zichtbaar zijn een belangrijke relatie hebben met de ervaren (zicht)hinder: hoe groter en dichter bij de waarnemer, des te negatiever de ervaren zichthinder. Uit de (internationale) literatuur en onderzoeken blijkt echter een genuanceerder beeld, waaruit deze relatie lang niet zo duidelijk naar voren komt (zie ook Bijlage 6). Samengevat kan de literatuur in twee type onderzoeken verdeeld worden: 1. Onderzoek dat aan steekproefsgewijs geselecteerde personen middels een enquête vraagt naar de hinder van windturbines in het landschap op basis van beelden van bestaande of fictieve windturbineopstellingen (o.a. Molnarova, 2012; Lothian, 2020). Het betreft algemene beelden getoond aan random geselecteerde personen die geen omwonenden van een windpark hoeven te zijn. 2. Onderzoek middels enquêtes onder omwonenden van daadwerkelijk gerealiseerde of te realiseren projecten, waarbij zichthinder meestal één van de aspecten is die onderzocht worden in de studies (o.a. Hoen, et al 2019; Hübner, et al, 2019 en 2015; Firestone et al, 2015 en 2018).
De studies hebben veelal betrekking op hinder in brede zin onder omwonenden. De resultaten van deze onderzoeken laten een genuanceerd beeld zien. In de onderzoeken van type 1 ontstaat het beeld dat windturbines die groter zijn en dichterbij staan gemiddeld negatiever worden beoordeeld. Dit sluit grotendeels aan op de perceptie in het maatschappelijke en politieke debat over windturbines. Uit de tweede type onderzoeken – die vaak uitgebreider en gedetailleerder zijn – volgt een ander beeld. Hier speelt zichtbaarheid van
49
Datum: 2 december 2022
windturbines een veel bescheidener rol. Er wordt geen relevant (statistisch) verband gevonden tussen zichtbaarheid, afstand, afmetingen, type landschap en ervaren hinder. In de literatuur wordt een aantal factoren genoemd die een rol spelen bij zichthinder. Er kan echter niet worden vastgesteld welke rol en gewicht deze factoren precies spelen. Het gaat dan om de factoren: •
•
•
• •
Afstand: o De afstand tot de windturbines speelt een rol bij zichtbeleving, echter de relatie is niet eenduidig. In sommige onderzoeken neemt de invloed op de zichtbeleving af met de afstand, maar in andere wordt juist bij de dichtstbij gelegen woningen een kleiner effect gevonden dan bij de woningen op grotere afstand. Type landschap: o In een hooggewaardeerd landschap (natuurlijke omgevingen) worden windturbines op dezelfde afstand als hinderlijker ervaren dan in een laag gewaardeerd landschap (industrieterrein). o Passendheid in de leefomgeving: dit verschilt per locatie en regio: wat op de ene locatie als passend wordt ervaren wordt op een andere locatie juist als niet passend beoordeeld door de omwonenden. o Open of gesloten landschap: in een open landschap zijn windturbines veel beter zichtbaar dan in een gesloten landschap en daarmee meer aanwezig. Type opstelling van windturbines: o Indien windturbines in een herkenbare lijnopstelling geplaatst worden die aansluit op de onderliggende structuren in het landschap wordt dit als minder hinderlijk ervaren dan wanneer een willekeurige zwermopstelling wordt gehanteerd. Aantal windturbines: o Relatief kleinere opstellingen (2-8 windturbines) worden positiever ervaren dan grotere, ongeordende opstellingen.
Zichtbaarheid vanuit de woonomgeving: o Indien mensen hinder ervaren als gevolg van de windturbines én de windturbines zijn zichtbaar vanuit de woonomgeving, dan is de gerapporteerde hinder groter.
Deze factoren zijn echter in hoge mate locatiespecifiek, waardoor uit de literatuur niet duidelijk kan worden afgeleid in welke mate en/of combinatie deze factoren meewegen en deze ook niet in de beoordeling verdisconteerd kunnen worden. Andere factoren, waaronder betrokkenheid in het planproces, financieel profijt en houding ten opzichte van windenergie zijn veelal bepalend voor de zichthinder door obstakels. Het feit dat windturbines zichtbaar zijn vanuit de woonomgeving heeft wel een relatie met hinder, maar dan indirect. Iemand die hinder ervaart van windturbines (bijvoorbeeld als gevolg van geluid) en de windturbines ook ziet vanuit zijn of haar leefomgeving, rapporteert meer hinder dan iemand die de windturbines niet ziet bij dezelfde geluidbelasting. Afstand is daarbij geen statistisch relevante factor. Dit leidt tot een situatie waarbij – voor dit planMER – het niet goed mogelijk, noch zinvol is om een beoordeling te maken voor het aspect zichthinder. Er is op basis van de literatuur namelijk geen eenduidig beoordelingskader vast te stellen.
6.3.2.2 Hinder veroorzaakt door slagschaduw Slagschaduw betreft de variaties in de lichtsterkte die optreden vanwege de passerende schaduw van de draaiende rotorbladen van een windturbine. Deze lichtvariaties treden op als vanaf de ontvanger gezien de zonnestralen telkens worden onderbroken door de rotorbladen van een windturbine. De slagschaduw reikt het verste bij een laagstaande zon. Afhankelijk van hoe lang en hoe vaak de slagschaduw optreedt, de frequentie van de lichtvariaties en de intensiteit van de wisselingen in lichtsterkte kan dit tot hinder leiden. De hinder doet zich vooral voor als de slagschaduw op het raam van een gebouw valt en hierdoor binnen in het gebouw sterke wisselingen in de lichtsterkte optreden. Binnen in een gebouw zijn de variaties in lichtsterkte door slagschaduw namelijk groter dan buiten, doordat de lichtinval via een raam periodiek wordt onderbroken. Buiten wordt de slagschaduw ook waargenomen, maar doordat het licht hier meer diffuus is zijn de wisselingen in lichtsterkte minder groot. Een windturbine veroorzaakt geen (bewegende) slagschaduw als het donker is, als de zon achter de wolken staat, er zo weinig wind is dat de windturbine nog niet draait of als de rotorbladen parallel staan met de lijn tussen de ontvanger en de zon.
Direct ten zuiden van een windturbine zal nooit slagschaduw optreden, omdat in Nederland de zon nooit op het noorden staat. 50
Datum: 2 december 2022
Uit onderzoek is gebleken dat de hinder door variaties in de lichtsterkte het grootst is bij een frequentie van 2,5 tot 14 Hz (Berg & Kuijeren, 2008). Er kunnen dan verschijnselen als zeeziekte of - bij hiervoor gevoelige mensen - een epileptische aanval optreden. Voor moderne windturbines is het toerental van de rotor echter dermate laag dat de flikkerfrequentie minder dan 1 Hz bedraagt. Bij deze frequentie worden voornoemde gezondheidseffecten niet verwacht. Het aantal onderzoeken naar de hinderervaring van slagschaduw is internationaal heel beperkt. Hieronder wordt ingegaan op de meest relevante studies.
Onderzoeken ten behoeve van de Duitse richtlijn voor de bepaling en beoordeling van slagschaduw In 1999 en 2000 zijn door Pohl et al. onderzoeken verricht naar de overlast door slagschaduw van windturbines (Pohl, Faul, & Mausfeld, 1999) (Pohl, Faul, & Mausfeld, 2000). Deze onderzoeken zijn verricht ten behoeve van de Duitse richtlijn voor de bepaling en beoordeling van slagschaduw (Länderausschuss für Immissionsschutz, 2002). In 2020 is een geactualiseerde versie gepubliceerd (Bund-/Länder-Arbeitsgemeinschaft für Immissionsschutz (LAI), 2020). De meeste landen die regelgeving of een richtlijn hebben voor de beoordeling van slagschaduw, hebben deze op de Duitse richtlijn gebaseerd of hiervan afgeleid (Koppen, Gunuru, & Chester, 2017). Het onderzoek van Pohl et al van 1999 omvat in totaal 223 personen, waarvan 204 personen zijn geïnterviewd en 19 personen een vragenlijst hebben ingevuld. De centrale onderzoeksvraag is of een astronomisch maximaal mogelijke slagschaduw51 van 30 uur per jaar en 30 minuten per dag afdoende bescherming biedt. Het onderzoek beschouwt echter niet alleen de hinder bij deze slagschaduwduur, maar ook bij andere slagschaduwduren. Uit de studie blijkt dat de hinder die ervaren wordt als functie van de slagschaduwduur toeneemt. De hoofdconclusie van Pohl et al.
is dat bij een gewogen slagschaduwduur van meer dan 15 uur per jaar de onderzochte personen zich ernstig gehinderd voelen. Hiermee wordt niet de werkelijke slagschaduwduur bedoeld, maar de astronomisch maximaal mogelijke slagschaduwduur gecorrigeerd voor het gewogen aantal belaste ruimten. Dit is in het onderstaande tekstkader nader toegelicht. Op basis van voornoemde gewogen slagschaduwduur zijn door Pohl et al. vier opties beschouwd om de hinder door slagschaduw te beperken: 1) Grenswaarde van 15 uur per jaar voor de astronomisch maximaal mogelijke slagschaduw. 2) Grenswaarde van 15 uur per jaar voor de astronomisch maximaal mogelijke slagschaduw. Deze grenswaarde mag worden overschreden als de gewogen slagschaduw niet meer dan 15 uur per jaar bedraagt. 3) Grenswaarde van 30 uur per jaar voor de astronomisch maximaal mogelijke slagschaduw. 4) Grenswaarde van 30 uur per jaar voor de astronomisch maximaal mogelijke slagschaduw. Deze grenswaarde mag worden overschreden als de gewogen slagschaduw niet meer dan 15 uur per jaar bedraagt. In het onderzoek zijn ook de voor- en nadelen van de verschillende opties beschreven. Blijkens de grenswaarde van 30 uur per jaar astronomisch maximaal mogelijke slagschaduw is in de Duitse richtlijn voor optie 3 gekozen. Deze slagschaduwduur komt overeen met een werkelijke slagschaduwduur van gemiddeld circa 8 uur per jaar.
Bij de afweging voor de Duitse richtlijn zullen de nadelen van optie 1 (zeer conservatieve grenswaarde), optie 2 (grotere onderzoeksbelasting) en optie 4 (grotere onderzoeksbelasting) een belangrijke rol hebben gespeeld. Voor optie 3 is als voordeel vermeld dat het invloedsgebied waarbinnen mitigerende maatregelen nodig zijn aanzienlijk kleiner is. Als nadeel is gemeld dat deze grenswaarde in principe in specifieke gevallen onvoldoende bescherming zou kunnen bieden, maar dat dit onwaarschijnlijk wordt geacht omdat deze specifieke gevallen zich in het onderzoek van Pohl et al. zich niet voor hebben gedaan.
51
Dit is de maximale slagschaduwduur die theoretisch kan optreden, uitgaande van altijd aanwezige zonneschijn gedurende daglichturen, windturbines die altijd in bedrijf zijn en rotorbladen die altijd loodrecht op de lijn van de zon naar de ontvanger staan.
51
Datum: 2 december 2022
Gewogen slagschaduwduur conform onderzoek Pohl et al. van 1999 Met de gewogen slagschaduwduur wordt niet de werkelijke slagschaduwduur bedoeld, maar de astronomisch maximaal mogelijke slagschaduwduur gecorrigeerd voor het gewogen aantal belaste ruimten. Voor de bepaling van de gewogen slagschaduwduur wordt eerst de astronomisch maximaal mogelijke slagschaduwduur berekend. Dit is de maximale slagschaduwduur die theoretisch kan optreden, uitgaande van altijd aanwezige zonneschijn gedurende daglichturen, windturbines die altijd in bedrijf zijn en rotorbladen die altijd loodrecht op de lijn van de zon naar de ontvanger staan. Als tweede stap wordt het aantal binnen- en buitenruimten dat aan de slagschaduw wordt blootgesteld bij elkaar opgeteld, waarbij de woonkamer, de keuken en het terras twee keer zo zwaar worden meegewogen. Dit getal wordt vervolgens gedeeld door de optelling van alle aanwezige binnen- en buitenruimten, waarbij de woonkamer, de keuken en het terras weer twee keer zo zwaar worden meegewogen. Deze factor wordt tot slot vermenigvuldigd met de astronomisch maximaal mogelijke slagschaduwduur. Het resultaat wordt aangeduid als de gewogen slagschaduwduur. Gezien het feit dat gewoonlijk niet alle ruimten aan de slagschaduw worden blootgesteld, is de gewogen slagschaduwduur in de regel lager maar nooit hoger dan de astronomisch maximaal mogelijke slagschaduwduur.
Het onderzoek van 1999 biedt geen antwoord op de vraag of een slagschaduwduur van 30 minuten per dag een aanvaardbare belasting biedt. Voor de beantwoording van deze vraag is in 2000 door Pohl et al. een laboratoriumonderzoek verricht waarbij personen aan periodieke schaduwen zijn blootgesteld (Pohl, Faul, & Mausfeld, 2000). In dit onderzoek zijn twee groepen betrokken te weten 32 studenten met een gemiddelde leeftijd van 23 jaar) en 25 professionals met een gemiddelde leeftijd 47 jaar die willekeurig zijn verdeeld over twee experimentele omstandigheden. De experimentele groep werd gedurende 1 uur blootgesteld aan periodieke schaduwen met 80% contrast. Voor de controlegroep werden dezelfde lichtomstandigheden gehanteerd, maar dan zonder periodieke schaduwen. Het grootste deel van het onderzoek bestond uit een opeenvolging van zes test- en meetfasen van ieder 20 minuten, waarvan twee voor het inschakelen van de lamp die periodieke schaduwen veroorzaakt, drie na het inschakelen van de lamp en één na het uitschakelen van de lamp. Uit dit onderzoek blijkt dat slagschaduw in de eerste 20 minuten van de blootstelling een negatief effect heeft op de prestatie en het welbevinden en tot stresseffecten kan leiden. Bij een langere blootstellingsduur wordt dit effect door het lichaam gecompenseerd.
Deze compensatie kost energie en op de lange termijn zouden de cumulatieve effecten tot ernstige hinder kunnen leiden. Op basis van het onderzoek van Pohl et al. uit 1999 is in Duitse richtlijn voor de bepaling en beoordeling van slagschaduw gekozen voor een grenswaarde van 30 uur slagschaduw per jaar uitgaande van de astronomisch maximaal mogelijke situatie (theoretisch worst-case uitgangspunt). Wanneer de windturbine is voorzien van een automatische stilstandsvoorziening die de windturbine afschakelt op momenten dat er slagschaduw wordt verwacht, is er maximaal 8 uur per jaar aan reële slagschaduw toegestaan. Dit is gebaseerd op de grenswaarde van 30 uur per jaar voor de astronomisch maximaal mogelijke slagschaduw, gecorrigeerd voor de gemiddelde meteorologische omstandigheden betreffende wind en zonneschijn. Daarnaast is in voornoemde richtlijn op basis van het onderzoek van Pohl et al. uit 2000 in aanvulling op een grenswaarde per jaar, ook een grenswaarde per dag opgenomen. Hierbij is gekozen voor een grenswaarde van 30 minuten slagschaduw per dag uitgaande van de astronomisch maximaal mogelijke situatie. Het is in de richtlijn niet toegelicht waarom een maximale slagschaduwduur van 30 minuten is gehanteerd, terwijl uit het onderzoek van Pohl et al.
uit 2000 blijkt dat de compensatie door het lichaam bij een blootstellingsduur van meer dan 20 minuten op de lange termijn tot ernstige hinder zou kunnen leiden. Het lijkt aannemelijk dat in de overweging is betrokken dat bij een astronomisch maximaal mogelijke slagschaduw van 30 minuten per dag, de gemiddelde slagschaduwduur per dag aanzienlijk lager uitvalt omdat het in de praktijk regelmatig bewolkt is en de windrichting varieert.
Onderzoek Health Canada In 2016 hebben Voicescu et al. van Health Canada (Voicescu, Michaud, Feder, & et al., 2016) onderzoek verricht naar de effecten van slagschaduw. Hieruit blijkt dat de voor slagschaduw gerapporteerde ernstige hinder niet alleen wordt bepaald door de optredende slagschaduw, maar afhankelijk is van vele andere factoren zoals de visuele impact, de obstakelverlichting en de geluidbelasting. Er is wel een statistisch relevante relatie gevonden tussen de gerapporteerde ernstige hinder en de door middel van een model vastgestelde slagschaduwduur. Voor een maximale slagschaduwduur van 0 tot 10 minuten per dag bedraagt het percentage ernstig gehinderden 3,8%. Voor een maximale slagschaduwduur van 10 tot 20 minuten per dag neemt dit toe tot 5,2%. Vanaf een maximale slagschaduwduur van meer dan 20 minuten per dag neemt de hinder sterk toe, namelijk tot 13,5% bij een maximale slagschaduwduur van 20 tot 30 minuten per dag en tot 21,1% bij een duur van meer dan 30 minuten per dag. De relatie tot de gemiddelde slagschaduwduur per jaar is in het onderzoek van Voicescu et al. niet beschouwd. 52
Datum: 2 december 2022
Effectbeoordeling slagschaduw Voor de effectbeoordeling van de slagschaduw wordt uitgegaan van de slagschaduwduur per jaar. De schaal voor de beoordeling van de hinder door slagschaduw ten opzichte van de referentiesituatie is in Tabel 6-6 weergegeven. Tabel 6-6 Beoordelingsschaal voor hinder door slagschaduw Score Effect Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie* +++
Zeer positief
De variant leidt tot minder dan 1 uur slagschaduw per jaar
++
Positief
De variant leidt tot 1 tot 4 uur slagschaduw per jaar
+
Licht positief
De variant leidt tot 4 tot 6 uur slagschaduw per jaar
0
Neutraal
De variant leidt tot 6 uur slagschaduw per jaar
-
Licht negatief
De variant leidt tot 6 tot 8 uur slagschaduw per jaar
--
Negatief
De variant leidt tot 8 tot 11 uur slagschaduw per jaar
---
Zeer negatief
De variant leidt tot 11 uur of meer slagschaduw per jaar
* In de referentiesituatie is voor de grenswaarde sprake van een bandbreedte van 0 tot 6 uur slagschaduw per jaar (zie paragraaf 7.3). Er is voor gekozen om de effecten te beoordelen ten opzichte van de bovenkant van deze bandbreedte, dus ten opzichte van een slagschaduwduur van 6 uur per jaar.
6.3.2.3 Lichthinder veroorzaakt door obstakelverlichting Ondanks dat obstakelverlichting niet de grootste bron van hinder is veroorzaakt door windturbines, heeft het wel degelijk effect op de acceptatie van windturbines (Pohl, Hübner, & Mohs, 2012; Hübner, et al., 2019). Naderingsdetectie – waarbij de obstakelverlichting aanschakelt bij het naderen van een vliegvaartuig – is een relatief nieuwe techniek waar nog relatief weinig literatuur over beschikbaar is. Een casestudie uit Denemarken laat echter zien dat naderingsdetectie een veelbelovende techniek is om lichthinder te verminderen. (Aaen, Lyhne, & Rudolph, 2022). Ook de pilots in Nederland laten zien dat de brandtijd van obstakelverlichting verkort door het toepassen van obstakelverlichting (RVO, 2018). De mate van lichthinder die kunstmatige verlichting veroorzaakt hangt af van de aard, de intensiteit, de duur en de plaats van de verlichting (Informatiepunt Leefomgeving, 2022). Over effectafstanden van kunstmatige verlichting is nog weinig bekend. Deze afstanden zijn onder andere afhankelijk de kenmerken van de verlichting (zoals verlichtingsintensiteit, de spectrale samenstelling van het licht, de vorm van de armatuur, et cetera) en de situatie waarin de verlichting plaatsvindt (de transparantie van het landschap) (Informatiepunt Leefomgeving, 2022).
Er zijn geen negatieve effecten op lichthinder als gevolg van het toepassen van naderingsdetectie bekend. Daarom zijn deze niet opgenomen in de beoordelingsschaal in Tabel 6-7. Tabel 6-7 Beoordelingsschaal voor lichthinder door obstakelverlichting Score Effect Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie +++
Zeer positief
De variant leidt tot een sterk merkbare afname in lichthinder
++
Positief
De variant leidt tot een merkbare afname in lichthinder
+
Licht positief
De variant leidt tot een kleine afname in lichthinder
0
Neutraal
De variant onderscheidt zich niet van de referentiesituatie (beschreven in paragraaf 7.2.2)
6.3.3 Externe veiligheid Voor het thema externe veiligheid worden de beoordelingscriteria ‘risico voor kwetsbare objecten’ en ‘risico voor beperkt kwetsbare objecten’ beoordeeld. Externe veiligheid is beoordeeld voor de varianten externe veiligheid en afstandsnormen (zie de variantenmatrix in paragraaf 6.2.1). In deze paragraaf worden de beoordelingskaders toegelicht.
53
Datum: 2 december 2022
6.3.3.1 Risico voor kwetsbare objecten Kwetsbare objecten zijn woningen, gebouwen of locaties waarin zich veel mensen kunnen bevinden of gebouwen of locaties waar niet-zelfredzame mensen aanwezig zijn, zoals zieken, ouderen en kinderen. Voorbeelden zijn scholen, ziekenhuizen, grotere kantoren en hotels. In de effectbeoordeling wordt beoordeeld in hoeverre de varianten leiden tot een toe- of afname van het risico voor kwetsbare objecten. Hierbij wordt de mate van het effect mede bepaald door het aantal kwetsbare objecten waarvoor een toe-of afname van het risico optreedt. De effectbeoordeling ten opzichte van de referentiesituatie vindt plaats met behulp van de beoordelingsschaal in Tabel 6-8. Tabel 6-8 Beoordelingsschaal voor risico voor kwetsbare objecten Score Effect Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie +++
Zeer positief
De variant leidt tot een sterke afname van het risico voor een groot aantal kwetsbare objecten
++
Positief
De variant leidt tot een beperkte afname van het risico voor groot aantal kwetsbare objecten
+
Licht positief
De variant leidt tot beperkte afname van het risico voor een beperkt aantal kwetsbare objecten
0
Neutraal
De variant onderscheidt zich niet van de referentiesituatie (beschreven in paragraaf 7.2.3)
-
Licht negatief
De variant leidt tot een beperkte toename van het risico voor een beperkt aantal kwetsbare objecten
--
Negatief
De variant leidt tot een beperkte toename van het risico voor een groot aantal kwetsbare objecten
---
Zeer negatief
De variant leidt tot een sterke toename van het risico voor een groot aantal kwetsbare objecten
6.3.3.2 Risico voor beperkt kwetsbare objecten Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen, dienst- en bedrijfswoningen, restaurants en alle bedrijfsgebouwen waaronder kleinere kantoorgebouwen. In de effectbeoordeling wordt beoordeeld in hoeverre de varianten leiden tot een toe- of afname van het risico voor beperkt kwetsbare objecten. Hierbij wordt de mate van het effect mede bepaald door het aantal beperkt kwetsbare objecten waarvoor een toe-of afname van het risico optreedt. De effectbeoordeling ten opzichte van de referentiesituatie vindt plaats met behulp van de beoordelingsschaal in Tabel 6-9. Tabel 6-9 Beoordelingsschaal voor risico voor beperkt kwetsbare objecten Score Effect Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie +++
Zeer positief
De variant leidt tot een sterke afname van het risico voor een groot aantal beperkt kwetsbare objecten
++
Positief
De variant leidt tot een beperkte afname van het risico voor groot aantal beperkt kwetsbare objecten
+
Licht positief
De variant leidt tot beperkte afname van het risico voor een beperkt aantal beperkt kwetsbare objecten
0
Neutraal
De variant onderscheidt zich niet van de referentiesituatie (beschreven in paragraaf 7.2.3)
-
Licht negatief
De variant leidt tot een beperkte toename van het risico voor een beperkt aantal beperkt kwetsbare objecten
--
Negatief
De variant leidt tot een beperkte toename van het risico voor een groot aantal beperkt kwetsbare objecten
---
Zeer negatief
De variant leidt tot een sterke toename van het risico voor een groot aantal beperkt kwetsbare objecten
54
Datum: 2 december 2022
6.3.4 Landschap & cultuurhistorie Voor het thema landschap en cultuurhistorie worden de beoordelingscriteria ‘Unesco werelderfgoed’ en ‘waardevolle landschappen’ beoordeeld. Landschap en cultuurhistorie is beoordeeld voor de varianten geluid en afstandsnormen (zie de variantenmatrix in paragraaf 6.2.1). In deze paragraaf worden de beoordelingskaders toegelicht.
6.3.4.1 Unesco werelderfgoed De plaatsing van windturbines kan invloed hebben op de Uitzonderlijke Universele Waarde (Outstanding Universal Value, zie paragraaf 7.2.4.1) van openheid van het landschap en specifieke landschappelijke patronen. Met name grote ruimtelijke structuren zijn aangewezen als werelderfgoed om deze specifieke Uitzonderlinge Universele Waarde van openheid en specifieke landschappelijke patronen. Bij gebouwen die als werelderfgoed zijn aangewezen is geen sprake van deze Uitzonderlijke Universele Waarde (zie ook paragraaf 7.2.4). De Uitzonderlijke Universele Waarde van openheid en landschappelijke patronen is daarom relevant voor de beoordeling bij de werelderfgoederen Koloniën van Weldadigheid, Hollandse Waterlinies, Schokland en omgeving en Droogmakerij de Beemster. Voor de Windturbines van Kinderdijk-Elshout is reeds een Heritage Impact Assesment (HIA) uitgevoerd voor het plaatsen van windturbines op een nabijgelegen terrein.52 Bij het beoordelen van de effecten op het werelderfgoed, wordt in een HIA gekeken naar de schaalgrootte, de ernst van de effecten op het erfgoed en de omvang van de effecten op de kernkwaliteiten. Aangezien het binnen de begrenzing van werelderfgoederen niet toegestaan is om windturbines te plaatsen, gaat het met name om visuele effecten in plaats van fysieke effecten op het werelderfgoed.
Specifiek in dit planMER is beoordeeld of de varianten leiden tot een vergrote kans op het aantasten van de ‘openheid’ en ‘specifieke landschappelijke patronen’ als kenmerken van de Werelderfgoederen. Grote delen van de hiervoor genoemde werelderfgoederen liggen buiten dichtbevolkt gebied. Daarom wordt bij de beoordeling geredeneerd vanuit het plaatsingspotentieel. Dat wil zeggen dat wanneer het plaatsingspotentieel afneemt, het aantal locaties waar windturbines geplaatst kunnen worden afneemt en daarmee de kans op effecten op werelderfgoed toeneemt. Ook kan het zijn dat door een variant het plaatsingspotentieel toeneemt, waardoor er meer alternatieve locaties voor windparken ontstaan en de kans op negatieve effecten op Unesco werelderfgoed afneemt. Tabel 6-10 Beoordelingsschaal voor effecten op Unesco werelderfgoed Score Effect Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie +++
Zeer positief
De variant leidt tot een sterk afgenomen kans op negatieve effecten op werelderfgoed
++
Positief
De variant leidt tot een afgenomen kans op negatieve effecten op werelderfgoed
+
Licht positief
De variant leidt tot een licht afgenomen kans op negatieve effecten op werelderfgoed
0
Neutraal
De variant onderscheidt zich niet van de referentiesituatie (beschreven in paragraaf 7.2.4)
-
Licht negatief
De variant leidt tot een licht toegenomen kans op negatieve effecten op werelderfgoed
--
Negatief
De variant leidt tot een toegenomen kans op negatieve effecten op werelderfgoed
---
Zeer negatief
De variant leidt tot een sterk toegenomen kans op negatieve effecten op werelderfgoed
6.3.4.2 Waardevolle landschappen Waardevolle landschappen zijn landschappen die een (inter-)nationaal unieke landschappelijke kwaliteit, natuurwaarde ofwel cultuurhistorische waarde bezitten. Voorbeelden zijn het Groene Hart, de Waddenzee, de Zuidwestelijke Delta, de Veluwe, het IJsselmeergebied en de nationale parken. Bij de beoordeling van waardevolle landschappen wordt gekeken naar de veranderingen in het areaal en de kwaliteit van waardevolle landschappen. Het behouden van kwaliteit kan gezien worden als het ‘behoud van cultuurhistorische waarde’ en ‘behoud van landschappelijke kwaliteit’. De beleving van landschappelijke kwaliteiten van waardevolle landschappen wordt
52
Voor meer informatie over het effect van windturbines op werelderfgoed Kinderdijk, zie de Heritage Impact Assessment (HIA): https://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/praktijkvoorbeelden/overzicht-praktijkvoorbeelden/effectmeting-windturbines-op-werelderfgoedkinderdijk
55
Datum: 2 december 2022
beïnvloed wanneer windturbines nabij het waardevolle landschap worden geplaatst (zoals horizonvervuiling en belevingswaarde). Grote delen van de waardevolle landschappen liggen buiten dichtbevolkt gebied. Daarom is bij de beoordeling geredeneerd vanuit het plaatsingspotentieel. Dat wil zeggen dat wanneer het plaatsingspotentieel afneemt, het aantal locaties waar windturbines geplaatst kunnen worden afneemt en daarmee de kans op effecten op waardevolle landschappen toeneemt. Ook kan het zijn dat door een variant het plaatsingspotentieel toeneemt, waardoor er meer alternatieve locaties voor windparken ontstaan en de kans op negatieve effecten op waardevolle landschappen afneemt. Tabel 6-11 Beoordelingsschaal voor effecten op waardevolle landschappen Score Effect Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie +++