Bijlage 6 - PlanMER windturbinebepalingen lo (61243233.1)
Tekst van het document
Er is een direct verband tussen hinder en het geluidniveau van windturbines: de hinder neemt toe bij toenemende geluidniveaus van windturbines. Windturbinegeluid wordt bij een gelijke geluidbelasting in vergelijking met andere geluidbronnen, zoals industrie, wegof railverkeer, als hinderlijker ervaren en de hinder treedt al bij lagere geluidniveaus op. Dit komt mogelijk door specifieke factoren die bij windturbines een rol spelen, zoals het ritmische karakter van windturbinegeluid (amplitudemodulatie), slagschaduw door de roterende bladen, knipperende lichten op de windturbines en de houding ten aanzien van de windturbines. Ook speelt het bij de hinder een rol dat in de avond- en nachtperiode het achtergrondgeluid over het algemeen afneemt en het windturbinegeluid gelijk blijft of juist toeneemt. Het laagfrequente geluid van windturbines is vergelijkbaar met dat van andere bronnen van geluid, zoals verkeer. Ook voor infrasoon geluid van windturbines geldt dat het niet sterker is dan infrasoon geluid van andere geluidbronnen als verkeer en de wind zelf, de natuurlijke luchtbewegingen van de atmosfeer. Hinder en mogelijk slaapverstoring zijn gezondheidseffecten van laagfrequent geluid van windturbines. Laagfrequent geluid en infrasoon geluid hebben echter geen andere effecten op omwonenden dan gewoon geluid van windturbines.
De totale sterkte en het ritmische karakter van het windturbinegeluid lijken belangrijke factoren voor de ervaren hinder. Laagfrequent geluid dempt over grote afstanden minder uit dan geluid met hogere frequenties waardoor het laagfrequente deel van de geluidbron op grotere afstand hoorbaar kan zijn. Dit geldt echter ook voor andere bronnen zoals wegverkeer. Er kan geen eenduidige conclusie worden getrokken uit de meest recente internationale onderzoeken over slaapverstoring door windturbines. Dat geldt voor zowel onderzoeken waar bewoners zelf slaapverstoring rapporteren, als voor onderzoeken met gemeten slaapindicatoren. Er is wel een indirect verband aangetoond tussen hinder door windturbinegeluid en zelf gerapporteerde slaapverstoring. Voor weg-, vlieg- en railverkeergeluid is er in de nacht wel een direct verband aangetoond tussen geluid en slaapverstoring (World Health Organization (WHO), 2018). Er is onvoldoende bewijs voor andere gezondheidseffecten (bijv. hart- en vaatziekten, stofwisselingsstoornissen, cognitieve effecten en effecten op de mentale gezondheid) als direct effect van het wonen in de nabijheid van een windturbine of het geluid van windturbines. Er zijn echter indirecte gezondheidseffecten aangetoond, tussen hinder 24
Datum: 2 december 2022
(van geluid, slagschaduw en knipperende lichten) enerzijds en gezondheidsklachten zoals als chronische pijn, migraine/hoofdpijn, tinnitus, duizeligheid en misselijkheid anderzijds. Naast fysieke aspecten van windturbines hebben niet-akoestische factoren invloed op de hinder die ervaren wordt. Omwonenden kunnen al zonder dat een windturbine aanwezig is overlast of bezorgdheid ervaren, bijvoorbeeld door berichten over gezondheidsschade. Persoonlijke en contextuele factoren spelen bij windturbines een naar verhouding grote rol. Zo kan een goede lokale betrokkenheid bij het planningsproces of een gedeeld eigenaarschap de ervaren hinder verminderen en de sociale acceptatie van windenergieprojecten vergroten. In opdracht van Wind Wiki heeft D. Bijl het RIVM-rapport van 2021 geanalyseerd (Bijl, 2021). In zijn rapportage wordt kritiek geuit op de wetenschappelijke waarde en methodologische kwaliteit van het RIVM-rapport. Het RIVM heeft in een reactie hierop de kritiek weerlegd. Het RIVM steunt wel de aanbevelingen voor nader onderzoek die door D. Bijl zijn gedaan (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu - Ministerie van Volksgezondheid, 2021).
4.2.2 Lopende onderzoeken, beschikbaar ná dit planMER In een Kamerbrief van 6 juli 202229 is terugkoppeling gegeven over de stand van zaken van aanvullend onderzoek naar de gezondheidseffecten van windturbines. De twee hoofdpunten omtrent lopende onderzoeken worden hieronder samengevat.
Verkenning naar gezondheidsonderzoek rond windturbines Het RIVM heeft recent onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden voor een praktijkonderzoek die de wetenschappelijke inzichten over de gezondheidseffecten van windturbines in Nederland met nieuw empirische gegevens kan aanvullen (Zock, Reedijk, van Kempen, & Devilee, 2022). Het RIVM onderzoek biedt handvatten om aanvullend gezondheidsonderzoek uit te vragen. Op basis van de kennisbasis zijn twee verschillende onderzoeksrichtingen relevant, namelijk: 1. Voor de Nederlandse situatie aanvullende inzichten verkrijgen in de al bekende effecten “hinder en mogelijke slaapverstoring”, vooral in de context van steeds hoger wordende windturbines; 2. Onderzoeken of er aanwijzingen zijn voor andere gezondheidseffecten die soms in verband worden gebracht met windturbinegeluid, maar die niet wetenschappelijk zijn aangetoond. Op basis van de verkenning en een bespreking met belanghebbenden zal het ministerie van EZK in overleg met de ministeries van IenW en VWS twee verschillende onderzoeken uitvragen, namelijk: 1. Een uitgebreide dosis-effectstudie, waarbij zowel verschillende factoren/kenmerken van windturbine(geluid) worden meegenomen (de ‘dosis’), als waarbij op verschillende manieren de effecten worden gemeten. Dit gebeurt met vragenlijsten, eventueel aangevuld met fysiologische metingen en met interviews.
Dit onderzoek kan een aanvullend beeld geven van de mate waarin hinder en mogelijk slaapverstoring als gevolg van windturbinegeluid in Nederland vóórkomen, waarbij verschillende co-determinanten ook een plek krijgen in het onderzoek, bijvoorbeeld de afstand tussen windturbines en omwonenden en de mate waarin participatie en communicatie hebben plaatsgevonden. 2. Een historisch cohortonderzoek waarbij bestaande gezondheidsregistraties van omwonenden van windturbines worden onderzocht en vergeleken. Op deze manier kan in kaart worden gebracht welke gezondheidsklachten vaker voorkomen in de buurt van windturbines. Voor beide onderzoeken zijn de resultaten pas beschikbaar ná publicatie van dit planMER.
Expertisepunt Windenergie en Gezondheid In de kamerbrief van 6 juli 2022 (voetnoot 29) wordt ook een toelichting gegeven van het expertisepunt Windenergie en Gezondheid. Het RIVM houdt systematisch bij welke onderzoeken er wereldwijd verschijnen met betrekking tot windmolens en gezondheidseffecten. Met het Expertisepunt Windenergie en Gezondheid vergroot het RIVM de reeds doorlopende inzet op het verzamelen, duiden en verspreiden van kennis over windenergie en gezondheid. Elke drie maanden stelt het RIVM een lijst met nieuw gevonden relevante literatuur op en deelt deze met de ministeries van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en IenW. Daarnaast werkt het RIVM aan een update van de literatuurreview uit 2020, waarin een systematisch overzicht en analyse zal worden gegeven van de relevante wetenschappelijke
29
Voor meer informatie over de Kamerbrief van 6 juli 2022, zie: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2022/07/06/hernieuwbareenergie-op-land-en-regionale-energiestrategieen
25
Datum: 2 december 2022
literatuur verschenen vanaf medio 2020. Naar verwachting wordt in de eerste helft van 2023 een nieuwe review gepubliceerd. Samenvattend is de verwachting dat er op basis van de verkenning naar gezondheidsonderzoek rond windturbines en door het expertisepunt meer onderzoeksresultaten beschikbaar komen in de toekomst. Als er nieuwe wetenschappelijke onderzoeksresultaten in binnen- of buitenland beschikbaar komen, dient bekeken te worden of dit moet leiden tot een beleidswijziging en daarmee samenhangend tot wijziging, ofwel actualisering, van de toepasselijke regelgeving. Dit is gebruikelijk bij onder meer milieuregelgeving en dus ook van toepassing op de regelgeving voor windturbines. Het RIVM besteedt in haar adviezen over het algemeen ook aandacht aan internationaal uitgevoerde onderzoeken.
26
Datum: 2 december 2022
5 Afbakening alternatieven en varianten 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk geeft het overzicht van alternatieven, varianten en sub-varianten die in dit planMER onderzocht zijn. Het vertrekpunt was de NRD, welke ter inzage heeft gelegen. Het advies van de Commissie voor de m.e.r. en de zienswijzen zijn in aanvulling daarop besproken in de begeleidingscommissie en in de stuurgroep van het Rijk. Hierbij is duidelijk geworden dat het nuttig is om -in aanvulling op de NRD- een aantal ingebrachte punten over te nemen in het planMER. Dit leverde een set aan alternatieven, varianten en sub-varianten op, die in dit planMER zijn behandeld. Daarbij is het volgende in acht genomen: • • • • •
Het moet gaan om realistische alternatieven, varianten en sub-varianten. De variatie is op thema’s die mogelijk een plek gaan krijgen in nieuwe Rijksregels windturbinebepalingen en die relevant zijn voor de leefomgeving. Dit is nader gemotiveerd in paragraaf 5.2. De alternatieven, varianten en sub-varianten moeten voldoende onderscheidend van elkaar zijn en de bandbreedte omvatten waarbinnen de keuze voor de windturbinebepalingen zal vallen. De alternatieven, varianten en sub-varianten gaan over de normstelling in de nieuwe windturbinebepalingen. Onderhoudsbepalingen (artikel 3.14 van het Activiteitenbesluit milieubeheer) e.d. worden niet beschouwd in dit planMER, maar zullen worden gemotiveerd in de nieuwe AMvB. De windturbinebepalingen bevatten geen locatiekeuzes, dus richt het planMER zich niet op het in beeld brengen van effecten op specifieke locaties en projectniveau.
Alternatieven, varianten en sub-varianten In dit planMER onderscheiden we alternatieven, varianten en sub-varianten. Het onderscheid tussen deze drie is als volgt: • Alternatieven: Vormen een complete set aan normen voor verschillende thema’s en worden beoordeeld op alle criteria van het beoordelingskader. In dit planMER gaat het om de referentiesituatie, het alternatief ongewijzigde regels en om het voorkeursalternatief. Het voorkeursalternatief wordt opgenomen in de AMvB. • Varianten: Variëren voor een specifiek aspect, zoals geluid, externe veiligheid of afstandsnorm. De effecten voor relevante criteria worden in dit planMER in beeld gebracht. Er vindt dus een selectie plaats op de totale set aan criteria, zodat niet-relevante criteria niet aan bod komen. • Sub-varianten: Variëren voor een specifiek aspect. Middels een gevoeligheidsanalyse voor dat betreffende aspect wordt het effect bepaald van de sub-variant. Een gevoeligheidsanalyse houdt in dit planMER in dat voor een specifiek criterium bekeken wordt wat een aanpassing/aanvulling van het alternatief of van de variant aan meerwaarde zou opleveren.
5.2 Over de nationale windturbinebepalingen Dit planMER ondersteunt het stellen van windturbinebepalingen op Rijksniveau voor die situaties waarvoor de merplicht of mer-beoordelingsplicht geldt, maar het is óók de bedoeling om de nieuwe nationale windturbinebepalingen van toepassing te laten zijn op één of twee windturbines. De informatie in het planMER moet volledig bijdragen aan de besluitvorming over de vaststelling van de nationale windturbinebepalingen. Het is van belang om maatschappelijke discussie en wetenschappelijke inzichten volwaardig mee te nemen. Het procedurele gebrek aan de bestaande nationale windturbinebepalingen wordt daarom niet zonder meer ‘gerepareerd’. De nationale windturbinebepalingen worden opnieuw vastgesteld, met inbreng van voortschrijdend inzicht in technieken, effecten en ervaringen. Daarvoor is de eerste stap om te bepalen waarvoor het stellen van Rijksregels wenselijk is.
5.2.1 Stellen van Rijksregels Windturbines wekken energie op en dragen daarmee bij aan een schoner Nederland. Ze kunnen echter ook verschillende nadelige gevolgen voor de leefomgeving hebben, waaronder: • • • • 27
Geluidhinder. Slagschaduwhinder. Lichtschittering. Extern veiligheidsrisico voor kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Datum: 2 december 2022
•
Extern veiligheidsrisico door domino-effecten, als een ongeval met een windturbine een domino-effect bij een andere risicovolle activiteit kan veroorzaken. • Aantasting van landschappen. • Aantasting van cultuurhistorie, waaronder Unesco Werelderfgoed. • Aantasting archeologie. • Aantasting van natuur, waaronder Natura 2000-gebieden, (trek)vogels en vleermuizen. • Aantasting van oppervlaktewater. • Effect op recreatie en toerisme, glastuinbouw en visserij. • Beperken van bepaalde functies, zoals radarverstoring en luchtvaart. Voorts kunnen specifieke emissies ontstaan tijdens aanleg, gebruik, onderhoud en verwijderen van een windpark. Het reguleren van nadelige gevolgen voor de leefomgeving kan met algemene regels op nationaal niveau, op regionaal niveau (omgevingsverordening) of op lokaal niveau (omgevingsplan of waterschapsverordening). Een andere mogelijkheid is regulering op het moment van toestemming voor een individueel project, in het kader van een omgevingsvergunning (milieubelastende activiteit, maar mogelijk ook omgevingsplanactiviteit, Natura 2000-activiteit of een beperkingengebiedactiviteit). Daar waar het Besluit activiteiten leefomgeving geen algemene Rijksregels stelt, zijn dus regels in de vergunningprocedure te stellen. Regels in het omgevingsplan, waterschapsverordening of de omgevingsverordening heten maatwerkregels.
Gelet op deze mogelijkheden kunnen de regels steeds op het meest geëigende niveau worden gesteld. Het is dus niet zo dat voor alle nadelige gevolgen voor het milieu die een windpark op een bepaalde locatie zou kunnen veroorzaken windturbinebepalingen moeten komen. Dat is alleen aan de orde als het stellen van windturbinebepalingen voor een bepaald onderwerp het meest aangewezen is, vergeleken met de andere mogelijkheden. Naast algemene regels, kan het Rijk ook instructieregels opnemen, die in de aangewezen gevallen doorwerken in decentrale besluiten. Daarnaast kan het Rijk beoordelingsregels opnemen waaraan moet worden getoetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning milieu of het toelaten van activiteiten in een omgevingsplan (omgevingsplanactiviteit). Bij de beslissing of algemene Rijksregels worden gesteld, of juist niet worden gesteld, speelt het type regel een belangrijke rol. In lijn met de uitgangspunten van het Nederlandse en Europese milieubeleid van de afgelopen decennia geldt: •
•
Het primaat van de preventieve aanpak, waarbij in beginsel onafhankelijk van de locatie maatregelen worden genomen gebaseerd op gezond verstand en de “stand der techniek” (in terminologie van de wet: passende preventieve maatregelen en beste beschikbare technieken). Dit nog los van de exacte omvang van de gevolgen, die de activiteit voor de specifieke omgeving zou kunnen hebben. Aanvullend daarop is er aandacht voor de gevolgen die na toepassing van de preventieve aanpak nog kunnen optreden voor de fysieke leefomgeving. Beoordeeld moet worden, of deze “restgevolgen” acceptabel zijn, gelet op de beschikbare gebruiksruimte.
Deze twee invalshoeken komen ook bij de windturbinebepalingen terug. Algemene Rijksregels zijn uitermate geschikt om locatieonafhankelijke preventieve maatregelen en best beschikbare technieken vast te leggen. Daarmee kan ook een bijdrage worden geleverd aan het “level playing field”, inhoudende dat in gelijke omstandigheden voor eenieder gelijke regels gelden. Juist omdat preventieve maatregelen en best beschikbare technieken grotendeels los van de locatie van de activiteit kunnen worden geformuleerd, kan met landelijk geldende regelgeving worden bereikt dat voor eenieder gelijke regels gelden. De algemene Rijksregels voor milieubelastende activiteiten lenen zich veel minder voor het reguleren van de “restgevolgen” die na de toepassing van de preventieve aanpak nog kunnen optreden. Dat heeft ermee te maken dat de algemene Rijksregels primair kijken vanuit een activiteit en niet vanuit de specifieke locatie met lokale omstandigheden. De algemene Rijksregels kunnen op zich wel regels bevatten, die de gevolgen van één activiteit op een bepaald (in die algemene regels omschreven) punt of object limiteren, maar kunnen geen rekening houden met cumulatieve gevolgen van meerdere activiteiten op datzelfde punt of object. Het rekening houden met de milieugebruiksruimte op een bepaalde locatie is in algemene Rijksregels slechts ten dele mogelijk.
28
Datum: 2 december 2022
Bij de voorbereiding van het Besluit activiteiten leefomgeving heeft de regering zich de vraag gesteld, of het voor de activiteiten en effecten waarvoor de regels in grote mate afhankelijk zijn van de lokale situatie en dus ook lokaal verschillen doelmatig en doeltreffend is om toch Rijksregels met maatwerkmogelijkheden te stellen, of dat het beter is het stellen van die regels door de gemeenten en waterschappen te laten plaatsvinden. Gelet op het uitgangspunt “decentraal, tenzij” heeft de regering gekozen voor het stellen van regels primair in het omgevingsplan en de waterschapsverordening. Belangrijke reden daarbij is, dat de gemeente en het waterschap naast de mogelijkheid om in het omgevingsplan en de waterschapsverordening regels voor het hele grondgebied te stellen (zoals het Rijk het doet in algemene Rijksregels), ook de mogelijkheid heeft om regels aan specifieke locaties te koppelen en direct op die locaties toe te spitsen.
5.2.2 Trechtering van type windturbinebepalingen Bij windparken speelt zowel het toepassen van preventieve maatregelen en beste beschikbare technieken als toetsing aan milieugebruiksruimte een rol. In het planMER wordt voor alle mogelijke nadelige gevolgen voor het milieu die windparken kunnen veroorzaken allereerst beschouwd, of voor het desbetreffende onderwerp landelijke passende preventieve maatregelen of regels afgeleid van beste beschikbare technieken kunnen worden gesteld. Vervolgens wordt beschouwd of voor het stellen van regels voor de “restgevolgen”, ofwel het reguleren van de milieugebruiksruimte, het stellen van regels op Rijksniveau voor de hand ligt, en zo ja, op welke wijze. De volgende vier situaties staan in de nota van toelichting 30 bij het Besluit activiteiten leefomgeving: •
•
•
•
30
Situatie 1: preventieve maatregelen zijn toereikend: Als de preventieve aanpak dusdanig succesvol is, dat van “restgevolgen” voor het milieu niet of nauwelijks sprake is, vervalt het belang van het regelen van die restgevolgen. De Rijksregels hoeven dan geen concrete regeling van restgevolgen te bevatten. Mocht het in een individueel geval toch nodig zijn een aanvullende regel te stellen, dan kan dat als onderdeel van de vergunning, bij maatwerkvoorschrift, of als een locatie specifieke regel in het omgevingsplan (maatwerkregel). Situatie 2: aan de restgevolgen kunnen per activiteit landelijk regels worden gesteld, locatiespecifieke aspecten spelen niet of nauwelijks een rol: De algemene Rijksregels kunnen in deze situatie in aanvulling op de uitwerking van de preventieve aanpak een concrete regeling van de restgevolgen bevatten. Deze kan worden vertaald in een individuele verhouding tussen de activiteit en het te beschermen deel van de fysieke leefomgeving, en vervolgens vastgelegd in algemene regels van het Besluit activiteiten leefomgeving of instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Situatie 3: locatiespecifieke aspecten spelen een rol in een deel van de gevallen.
De individuele regeling (situatie 2) kan wel als basis dienen, waarop maatwerk voortborduurt: Ook in deze situatie kunnen de Rijksregels in aanvulling op de uitwerking van de preventieve aanpak een concrete regeling van de restgevolgen bevatten. Deze is vertaald in een individuele verhouding tussen de activiteit en het te beschermen deel van de fysieke leefomgeving. Het is duidelijk dat met die regeling in een deel van de gevallen geen adequate bescherming kan worden geboden, of de regels juist onnodig streng zijn. Voor de aanpak daarvan is het gewenst dat in bepaalde gevallen maatwerk kan worden toegepast. Dat kan, als die individuele regeling in het Besluit activiteiten leefomgeving is opgenomen, via vergunningvoorschriften, maatwerkvoorschriften of maatwerkregels. Het is ook mogelijk die individuele regeling via het Besluit kwaliteit leefomgeving vorm te geven, met ruimte in instructieregels. Situatie 4: locatiespecifieke aspecten spelen een dusdanig belangrijke rol, dat een regeling gebaseerd op individuele verhouding nauwelijks zin heeft: In deze situatie beperkt de preventieve aanpak de restgevolgen onvoldoende. Het lukt ook niet om tot een uitwerking van de restgevolgen (vertaald in een individuele verhouding tussen activiteit en te beschermen deel van de fysieke leefomgeving) te komen, waarmee een substantieel deel van de problematiek zou worden gedekt.
De aanpak van restgevolgen is aangewezen op maatwerk en loopt volledig via maatwerkregels in het omgevingsplan, in de waterschapsverordening of in de omgevingsverordening, dan wel via de vergunningprocedure.
Besluit activiteiten leefomgeving: https://iplo.nl/publish/pages/191119/besluit-activiteiten-leefomgeving-stb-versie-03-06-2022.pdf
29
Datum: 2 december 2022
5.2.3 Geselecteerde aspecten in windturbinebepalingen en in dit planMER De uitkomst van de raadpleging van de Commissie voor de m.e.r. en van de zienswijzen van de NRD is besproken in de begeleidingscommissie. Er is besloten om de volgende aspecten te onderzoeken in dit planMER, waarbij wordt gevarieerd met alternatieven, varianten of sub-varianten: • • • • • •
Geluid, waaronder ook tonaal en laagfrequent geluid (zie verder paragraaf 5.4) Externe veiligheid (zie verder paragraaf 5.5) Slagschaduw (zie verder paragraaf 5.6) Afstandsnormen (zie verder paragraaf 5.7) Lichtschittering (zie verder paragraaf 5.8) Obstakelverlichting (zie verder paragraaf 5.9)
Definities objecten In het planMER wordt gesproken over verschillende soorten objecten, zoals: geluidgevoelige objecten, beperkt kwetsbare objecten, kwetsbare objecten en slagschaduwgevoelige objecten. In dit tekstvak worden de definities samengevat. Geluid Geluidgevoelige objecten zijn gebouwen en terreinen waaraan de regels van de Wet geluidhinder bijzondere bescherming bieden door middel van normstelling met betrekking tot de aanvaardbare geluidbelasting. De wet maakt onderscheid tussen woningen, andere geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige terreinen. Gebouwen en terreinen die onder de sfeer van de inrichting (in dit geval het windpark of de windturbine) vallen, worden niet als geluidgevoelig beschouwd.31 Externe veiligheid32 Kwetsbare objecten zijn woningen (met uitzondering van verspreid liggende woningen), gebouwen waarin zich veel mensen kunnen bevinden of gebouwen waar niet-zelfredzame mensen aanwezig zijn, zoals zieken, ouderen en kinderen. Voorbeelden zijn scholen, ziekenhuizen, grotere kantoren en hotels. Beperkt kwetsbare objecten zijn alle overige objecten waar personen aanwezig kunnen zijn, maar niet in grote aantallen. Dit zijn bijvoorbeeld verspreid liggende woningen, dienst- en bedrijfswoningen, restaurants en kleinere kantoorgebouwen. In paragraaf 5.3.2 wordt verder ingegaan op de definitie van kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten.
Slagschaduw Voor slagschaduwgevoelige objecten wordt aangesloten bij de definitie van geluidgevoelige objecten.
5.3 Alternatief ongewijzigde regels Het Alternatief ongewijzigde regels in het planMER wordt gevormd door het uitgangspunt dat de windturbinebepalingen ongewijzigd terugkomen, dus zoals deze waren vóór de Delfzijl Zuid-uitspraak van de Afdeling.33 De belangrijkste windturbinebepalingen die voorheen voor windparken van toepassing waren bevatten de volgende normstellingen: • •
Een geluidbelasting van ten hoogste 47 dB Lden en 41 dB Lnight op gevoelige objecten. Voor externe veiligheid een plaatsgebonden risico toestaan van ten hoogste 10-5 voor beperkt kwetsbare objecten en ten hoogste 10-6 voor kwetsbare objecten.
31
Voor meer informatie over de definitie van geluidgevoelige objecten, zie: https://www.infomil.nl/onderwerpen/geluid/regelgeving/wetgeluidhinder/wgh-geluidsgevoelige/ 32 Voor meer informatie over de definitie van beperkt kwetsbare objecten en kwetsbare objecten, zie: https://www.infomil.nl/onderwerpen/veiligheid/bevi-revi/vragen-antwoorden/(beperkt)-kwetsbare/ 33 Dit betreft de windturbinebepalingen van paragraaf 3.2.3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en paragraaf 3.2.3 van de Activiteitenregeling milieubeheer.
30
Datum: 2 december 2022
• •
Op gevoelige objecten mag gemiddeld niet meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten slagschaduw optreden. Lichtschittering voorkomen.
Hierop waren nog afwijkingsbevoegdheden mogelijk in het Activiteitenbesluit milieubeheer. De voormalige regels zijn hieronder per aspect nader toegelicht.
5.3.1 Geluid Vóór de Delfzijl Zuid-uitspraak waren de geluidnormen voor windturbines en windparken vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. De beoordelingsmethode is vastgelegd in het ‘Reken- en meetvoorschrift windturbines’ zoals opgenomen in de Activiteitenregeling milieubeheer. Voor een windturbine of een combinatie van windturbines geldt de eis dat het geluidniveau op de gevel van geluidgevoelige gebouwen34, tenzij deze zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein, en op de grens van gevoelige terreinen, niet hoger mag zijn dan 47 dB Lden en 41 dB Lnight. Lden35 is het gewogen jaargemiddelde van het equivalente geluidniveau36 met een toeslag van 5 dB op het niveau in de avond- en 10 dB in de nachtperiode37. Lnight is het equivalente geluidniveau gemiddeld over alle nachtperioden in een jaar. De reden van de toeslag op het geluidniveau in de avond- en nachtperiode bij de bepaling van het Lden-niveau is dat in het algemeen het niveau van omgevingsgeluid in de avond- en nachtperiode lager is dan overdag. Daarnaast is de nachtperiode extra gevoelig omdat mensen dan gewoonlijk slapen. Hierdoor zal een bepaald geluidniveau in de avond- en nachtperiode in het algemeen als hinderlijker worden ervaren dan eenzelfde geluidniveau overdag.
Bij de bepaling van de Lden- en de Lnight-waarden, op de gevel van gevoelige gebouwen en op de grens van gevoelige terreinen, wordt in de ontwikkelingsfase conform het ‘Reken- en meetvoorschrift windturbines’ voor de windturbines uitgegaan van de gemiddelde geluidsemissie op basis van de langjarige windverdeling op ashoogte van de windturbines zoals vastgesteld door het KNMI, tenzij wordt aangetoond dat er gegevens beschikbaar zijn die een beter beeld geven van de geluidsemissie van de windturbines. In de operationele fase van de windturbines dient de exploitant de jaargemiddelde geluidsemissie te registreren op basis van de effectieve werking van de windturbines gedurende het afgelopen kalenderjaar. Het bevoegd gezag kan voor een windturbine of een windpark een maatwerkvoorschrift met een lagere geluidnorm vaststellen om rekening te houden met de cumulatie van het geluid van verschillende windturbines of windparken. Hierbij wordt geen rekening gehouden met windturbines die op 1 januari 2011 reeds vergund waren. Daarnaast kan het bevoegd gezag in uitzonderlijke situaties zoals in wettelijk aangewezen stiltegebieden vanwege bijzondere lokale omstandigheden een maatwerkvoorschrift met een andere geluidnorm vaststellen.
Als een woning zodanig bij een windpark is betrokken dat deze tot de sfeer van de inrichting hoort, is deze op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet beschermd tegen het geluid van de windturbines die deze inrichting omvat.38
5.3.2 Externe veiligheid Vóór de Delfzijl Zuid-uitspraak waren de externe veiligheidsnormen voor windturbines en windparken vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer (Nederlandse overheid, 2021) met een verwijzing naar het Besluit omgevingsrecht (Bor). Regelgeving voor externe veiligheidsnormen van andere risicovolle inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit en regeling risico’s zware ongevallen (Brzo 2015, Rrzo) of het vuurwerkbesluit. Voor het stellen van normen op het gebied van externe veiligheid voor windturbines wordt in Nederland gebruik gemaakt van de systematiek van het begrenzen van risico’s op basis van het plaatsgebonden risico (PR). Deze systematiek wordt in het algemeen ook voor inrichtingen en buisleidingen met gevaarlijke stoffen in Nederland gehanteerd. Voor complexe activiteiten moeten de risico's worden
34
Zie definities van geluidgevoelige objecten en terreinen in paragraaf 5.2.3 Level day-evening-night 36 Dat wil zeggen het energetisch gemiddelde geluidniveau. Dit is een logaritmisch gemiddelde waarde. 37 De dagperiode is van 07:00 tot 19:00 uur, de avondperiode van 19:00 tot 23:00 uur en de nachtperiode van 23:00 tot 07:00 uur. 38 Zie de uitspraken met zaaknummer 200900794/1/M1 d.d. 16 september 2009, 201001213/1/R4 d.d. 11 januari 2012 en 201204281/1/A1 d.d. 14 november 2012 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, maar ook de meer recente uitspraken met zaaknummer 201709490/1/R6 d.d. 19 december 2018 en 201706086/3/R1 d.d. 1 april 2020 die nadere duiding stellen aan de woningen die tot de sfeer van de inrichting kunnen worden gerekend. 35
31
Datum: 2 december 2022
berekend; voor minder complexe activiteiten gelden vaste afstanden voor het plaatsgebonden risico op basis van een standaard risicoanalyse. Windturbines vallen als risico veroorzakende bron niet onder deze twee categorieën van risicovolle activiteiten en dienen daarom te worden voorzien van een eigen regelgeving. Voor het stellen van normen voor windturbines op het gebied van externe veiligheid wordt voor risicovolle installaties en inrichtingen in Nederland gebruik gemaakt van de systematiek op basis van het plaatsgebonden risico of worden vaste veiligheidsafstanden gehanteerd. Tot de uitspraak Delfzijl-Zuid golden de normen voor het plaatsgebonden risico van windturbines voor beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten zoals die zijn vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. De normstelling is ruimtelijk vertaald in de volgende risicocontouren: • PR 10-6 contour: Plaatsgebonden Risicocontour waarbinnen geen kwetsbare objecten mogen liggen. • PR 10-5 contour: Plaatsgebonden Risicocontour waarbinnen geen beperkt kwetsbare objecten mogen liggen.
Kwetsbare objecten Kwetsbare objecten zijn woningen (met uitzondering van verspreid liggende woningen), gebouwen waarin zich veel mensen kunnen bevinden of gebouwen waar niet-zelfredzame mensen aanwezig zijn, zoals zieken, ouderen en kinderen. Voorbeelden zijn scholen, ziekenhuizen, grotere kantoren en hotels. Onder de Omgevingswet wordt de terminologie aangepast. Kwetsbare objecten worden daarin verder opgesplitst in zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties. Zeer kwetsbare gebouwen zijn dan de gebouwen voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen (ziekenhuizen, basisscholen etc) en kwetsbare gebouwen en locaties zijn de gebouwen waar grote groepen personen aanwezig kunnen zijn (grote kantoren) en/of sprake is van langdurig verblijf (meerdere woningen). Beperkt kwetsbare objecten Beperkt kwetsbare objecten zijn alle overige objecten waar personen aanwezig kunnen zijn, maar niet in grote aantallen. Dit zijn bijvoorbeeld verspreid liggende woningen, dienst- en bedrijfswoningen, restaurants en kleinere kantoorgebouwen. In de referentiesituatie geldt een grenswaarde van maximaal PR10-5 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat kleinere aantallen personen, tijdelijk aanwezige personen en/of zelfredzame personen worden blootgesteld aan een plaatsgebonden risico met een kans van treffen van minder dan 1 per 100.000 per jaar.
Een risico van ten hoogste PR 10-5 treedt volgens de rekenregels nooit op buiten de effectafstand van gondelfalen (halve rotordiameter). De specifieke eigenschappen van een windturbine bepalen waar de ligging van de PR10-5 contour werkelijk ligt.
Daarnaast waren in het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer normen ten aanzien van certificering en onderhoud van windturbines opgenomen. Zoals in paragraaf 5.1 is aangegeven, zijn deze niet relevant voor het voorliggende planMER voor de windturbinebepalingen.
5.3.3 Slagschaduw Vóór de Delfzijl Zuid-uitspraak was de slagschaduwnorm voor windturbines en windparken vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer (Nederlandse overheid, 2021) en de Activiteitenregeling milieubeheer (Nederlandse overheid, 2018). Op grond van deze norm is het verplicht om de windturbine van een automatische stilstandsvoorziening te voorzien die de windturbine afschakelt indien slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige objecten voor zover de afstand tussen de windturbine en de gevoelige objecten minder dan 12 maal de rotordiameter bedraagt en gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw kan optreden. Deze afstand geldt van een punt op ashoogte van de windturbine tot de gevel van het gevoelige object. Voornoemde norm is niet van toepassing als zich in de door de slagschaduw getroffen uitwendige scheidingsconstructie van gevoelige gebouwen of woonwagens geen ramen bevinden. Het bevoegd gezag kan aanvullend een maatwerkvoorschrift stellen als voornoemde norm in een specifiek geval niet toereikend is.
32
Datum: 2 december 2022
5.3.4 Lichtschittering Vóór de Delfzijl Zuid-uitspraak was de norm voor lichtschittering voor windturbines en windparken vastgelegd in Activiteitenregeling milieubeheer (Nederlandse overheid, 2018). Op grond van deze regeling dient lichtschittering vanwege een windturbine zoveel mogelijk te worden voorkomen of beperkt door toepassing van niet-reflecterende materialen of coatinglagen op de betreffende onderdelen.
5.4 Geluid: varianten en sub-varianten 5.4.1 Varianten geluidnormen In de NRD was voorgesteld om de geluidvarianten 47 dB Lden en 45 dB Lden te onderzoeken. In diverse zienswijzen zijn voorstellen gedaan om in het planMER een ruimere bandbreedte aan geluidnormen te behandelen. Met name zijn er voorstellen gedaan om strengere normen te onderzoeken, dan de 45 dB L den die de WHO adviseert. In dit planMER zijn de volgende geluidnormen als varianten onderzocht: 37, 40, 43, 45, 47 en 50 dB Lden. De beoordeling van deze varianten staat in hoofdstuk 8 (als onderdeel van het alternatief ongewijzigde regels) en in hoofdstuk 9 (de verschillende geluidvarianten). Er zijn ook strengere geluidnormen voorgesteld dan de 37 dB Lden. Een strengere geluidnorm dan 37 dB Lden is niet realistisch gevonden, omdat daarmee in feite wind op land onmogelijk wordt gemaakt, hetgeen niet strookt met de Structuurvisie Wind op Land, en is in dit planMER niet onderzocht. Het is voor de besluitvorming ook niet nodig geacht om meer varianten binnen de uiterste varianten te onderzoeken, zoals in stappen van 1 dB. Het doel van dit planMER is ondersteuning van de besluitvorming, waarbij dus handig is als de te bekijken varianten voldoende onderscheidend zijn. De gekozen range 37, 40, 43, 45, 47 en 50 dB Lden van varianten voor de geluidnormering geeft een duidelijk beeld om de besluitvorming op te kunnen baseren.
Deze geluidnormvarianten sluiten aan bij de normstellingsvarianten die in 2009 door het RIVM zijn onderzocht (Verheijen, et al., 2009).
5.4.2 De methode: Relatie tussen Lden en LAeq bij maximale geluidbelasting Naar aanleiding van de NRD zijn veel zienswijzen ingediend die de beoordelingsmaten Lden en Lnight voor geluid van windturbines ter discussie stellen. Daarom is in Bijlage 3 van dit planMER een nadere verdieping opgenomen inzake deze methodiek en hoe de beoordelingsmaat Lden zich verhoudt tot het equivalente geluidniveau bij maximale geluidsemissie van de windturbines (LAeq, max). Tevens wordt ingegaan op de handhaafbaarheid van de beoordelingsmaten Lden en Lnight. In deze paragraaf wordt een samenvatting gegeven. Lden en Lnight zijn jaargemiddelde geluidswaarden. Het idee bestaat dat het systeem van jaarmiddeling toelaat dat windturbines zo nu en dan zeer hoge geluidniveaus mogen veroorzaken, omdat die momenten weggestreept zouden kunnen worden tegen (wind)stillere perioden in het jaar. Dit is echter niet hoe windturbinegeluid in de praktijk werkt. Normen voor Lden en Lnight begrenzen indirect het geluidniveau dat optreedt als de windturbine maximaal geluid produceert en daarnaast ook het deel van de tijd waarin het geluid maximaal is. Hierbij geldt hoe luider het maximale geluid, hoe korter het mag optreden. Voor het Nederlandse windklimaat geldt dat het maximale equivalente geluidniveau 2 tot 4 dB hoger is dan de jaargemiddelde geluidbelasting in de nachtperiode.
De methodiek van handhaving van Lden / Lnight is in de ogen van omwonenden niet redelijk. Dit houdt geen verband met het gebruik van de dosismaten Lden en Lnight, maar met mogelijke misvattingen over de interpretatie van de regels. Bijlage 3 bevat voorstellen voor verbetering, zoals: • • •
de frequentie van optreden van LAeq,max inzichtelijk maken in het akoestisch onderzoek; gebruik van een langjarig windgemiddelde in plaats van een kalenderjaar of -uitgaande van blijvend gebruik van de werkelijke windtoestand- de toetsfrequentie verhogen; de procedure van aanlevering van geluidgegevens door de exploitant.
Bij verduidelijking van de regels zal handhaving van Lden / Lnight even adequaat zijn als handhaving van een LAeq norm.
33
Datum: 2 december 2022
5.4.3 Sub-varianten: Laagfrequent geluid, tonaal geluid en binnenwaarde Mede gezien de maatschappelijke discussie over deze aspecten van windturbinegeluid zijn subvarianten beschouwd voor laagfrequent geluid, tonaal geluid en voor de binnenwaarde in woningen. Hierbij is met name nagegaan of een norm voor laagfrequent geluid, tonaal geluid en/of de binnenwaarde een toegevoegde waarde biedt en in hoeverre de aanvullende bescherming afhankelijk is van de te stellen grenswaarde op de gevel van gevoelige objecten.
5.4.4 Sub-variant: Differentiatiemogelijkheid geluidnorm voor bevoegde gezagen Tot slot gaat dit planMER voor het thema geluid in op de mogelijkheden en gevolgen van het differentiëren van normen tussen stedelijke en landelijke gebieden. Hierbij wordt specifiek ingegaan op de vraag of die differentiatie aan de orde zou moeten zijn en wat dit betekent voor een mogelijke normstelling. Hierbij kan twee kanten op worden geredeneerd: • •
In stedelijk gebied ligt doorgaans het (achtergrond) geluidniveau hoger dan in landelijk gebied, zodat hier een soepelere geluidnorm voor windturbines acceptabel is dan in landelijk gebied. In landelijk gebied is de woonconcentratie kleiner dan in stedelijk gebied, waardoor hier een soepelere geluidnorm voor windturbines acceptabel is, dan in stedelijk gebied.
De volgende geluidvarianten en sub-varianten zijn onderzocht in dit planMER (zie hoofdstuk 9): • Varianten: 37, 40, 43, 45, 47 en 50 dB Lden. De 47 dB Lden variant maakt deel uit van het Alternatief ongewijzigde regels. • Sub-varianten: laagfrequent geluid, tonaal geluid, binnenwaarde, differentiatiemogelijkheid geluidnorm voor bevoegde gezagen.
5.5 Externe veiligheid: varianten Specifiek voor windturbines gaat externe veiligheid over de risico's voor mensen als gevolg van een calamiteit aan de windturbines. Die calamiteiten worden uitgedrukt in faalscenario’s, zoals ijsafwerping, mastbreuk en het afbreken van een windturbineblad (bladworp) of het naar beneden vallen van de gondel (zie Figuur 5-1). Wanneer een windturbine faalt kunnen er ook risico’s ontstaan doordat risicovolle inrichtingen, installaties en infrastructuren in de omgeving beschadigd raken door onderdelen van de windturbine. Deze schade op zichzelf levert een vergroot risico op de omgeving op (zie Figuur 5-2 voor een schematisch voorbeeld). Dit worden domino-effecten genoemd.
Figuur 5-1 Weergave faalscenario’s
34
Datum: 2 december 2022
Figuur 5-2 Optreden van een domino-effect en blootstelling omgeving. (Anteagroup, 2020)
Voor het stellen van normen voor windturbines op het gebied van externe veiligheid wordt voor risicovolle activiteiten in Nederland gebruik gemaakt van de systematiek op basis van het plaatsgebonden risico (PR) of worden vaste veiligheidsafstanden gehanteerd (bijv. voor vuurwerkopslag) (zie ook paragraaf 5.3.2). De normen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) voor andere risicovolle activiteiten zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansbenadering. De bescherming die wordt geboden houdt rekening met de kans om te overlijden als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Gezondheidsschade, kans op verwonding of materiële schade tellen daarbij niet mee. Tot voor kort gold voor de normstelling van windturbines voor het plaatsgebonden risico (PR) voor kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten het Activiteitenbesluit milieubeheer. De normstelling is ruimtelijk vertaald in de volgende risicocontouren: • •
PR 10-6 contour: Plaatsgebonden Risicocontour waarbinnen geen kwetsbare objecten mogen liggen. PR 10-5 contour: Plaatsgebonden Risicocontour waarbinnen geen beperkt kwetsbare objecten mogen liggen.
Zie voor de toelichting op kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten paragraaf 5.3.2. In Figuur 5-3 is een visuele weergave van de werking van deze twee PR contouren opgenomen.
Figuur 5-3 Visuele weergave PR-contouren (Bron: Bosch en van Rijn, dec 2020 met beeldbewerking Pondera)
Voor externe veiligheid worden twee varianten onderzocht. Het opnemen van varianten heeft als doel om voor te sorteren op de integratie van toekomstig beleid over externe veiligheid en om voor de regelgeving over windturbines beter aan te sluiten bij het beleid op het gebied van externe veiligheid wat geldt voor andere risicovolle activiteiten. Het gaat bij deze varianten respectievelijk om het hanteren van een standaardwaarde39 voor beperkt kwetsbare objecten en om de beoordeling van de toelaatbaarheid van nieuwe windturbines bij risicovolle bedrijven en buisleidingen.
Hierbij dient vermeld te worden dat in het Besluit kwaliteit leefomgeving onder de Omgevingswet in plaats van het begrip “richtwaarde” het begrip “standaardwaarde” wordt gehanteerd. Een standaardwaarde betekent dat voor beperkt kwetsbare objecten bevoegde gezagen rekening moeten houden met deze waarde. ‘Rekening houden met’ betekent dat het bevoegd gezag een eigen afweging maakt en dus gemotiveerd van de instructieregel kan afwijken. De instructieregel over de standaardwaarde geeft wel inhoudelijk sturing aan de belangenafweging. 39
35
Datum: 2 december 2022
De volgende varianten voor externe veiligheid zijn onderzocht in dit planMER (zie hoofdstuk 10): • Een plaatsgebonden risico toestaan van ten hoogste 10-5 voor beperkt kwetsbare objecten en 10-6 voor kwetsbare objecten. Deze variant maakt deel uit van het Alternatief ongewijzigde regels. • Grenswaarde PR 10-5 voor beperkt kwetsbare objecten wijzigen in richtwaarde/ standaardwaarde 10 -6. Deze variant sluit aan bij het overige externe veiligheidsbeleid voor risicovolle inrichtingen. Deze variant is genoemd “‘Variant standaardwaarde PR 10-6 beperkt kwetsbare objecten". • Windturbines mogen er niet toe leiden dat de PR 10-6 contour van risicovolle bedrijven of buisleidingen over kwetsbare objecten komt te liggen. Deze variant is genoemd "Variant tegengaan domino-effect".
5.6 Slagschaduw: varianten In de NRD was voorgesteld om voor slagschaduw niet te variëren, maar een duidelijke instructie te geven hoe met de norm om te gaan. Conform het voorstel van de Commissie voor de m.e.r. en diverse zienswijzen over de NRD is gekozen om naast de oorspronkelijke slagschaduwnorm, waarbij het om gevoelige objecten gaat, meer varianten te onderzoeken. De varianten die in beeld worden gebracht betreffen maximaal 0, 6 en 16 uur slagschaduw per jaar. De beoordeling van deze varianten staat in hoofdstuk 8 (als onderdeel van het alternatief ongewijzigde regels) en in hoofdstuk 11 (de verschillende slagschaduwvarianten).
De volgende varianten voor slagschaduw zijn onderzocht in dit planMER (zie Hoofdstuk 11): • Gemiddeld niet meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw. Dit als onderdeel van het Alternatief ongewijzigde regels (hoofdstuk 8). • Maximaal 0, 6 en 16 uur slagschaduw per jaar (zie hoofdstuk 11).
5.7 Afstandsnormen: varianten Conform het voorstel van de Commissie voor de m.e.r., vanwege diverse zienswijzen, naar aanleiding van het afstandsnormenonderzoek dat na de NRD is beschikbaar gekomen (zie paragraaf 4.2.1) en omdat het in het regeerakkoord is aangekondigd, zijn afstandsnormen onderzocht in dit planMER. Het onderzoek naar afstandsnormen (Koppen & Ekelschot - Smink, 2022) heeft hiervoor meer informatie en inzicht opgeleverd. Op grond hiervan zijn drie varianten voor afstandsnormen beschouwd: 2 keer, 3 keer en 4 keer de tiphoogte vanaf geluidgevoelige objecten. Voor het bepalen van de absolute afstand worden de twee referentieturbines gebruikt uit paragraaf 7.4 met een tiphoogte van 235 meter en 280 meter. Deze worden in dit planMER beoordeeld in hoofdstuk 12.
De volgende varianten voor afstandsnormen zijn onderzocht in dit planMER (zie hoofdstuk 12): • Twee keer de tiphoogte (470 meter tot 560 meter), drie keer de tiphoogte (705 meter tot 840 meter) en vier keer de tiphoogte (940 meter tot 1120 meter) vanaf geluidgevoelige objecten.
5.8 Lichtschittering: geen varianten Lichtschittering wil zeggen dat gladde en glimmende oppervlakken (bijvoorbeeld glas, maar ook geschilderde oppervlakken) invallend zonlicht kunnen reflecteren. Wanneer dit licht bij de ontvanger aankomt kan dit een hinderlijk (verblindend) effect hebben of tot gevaarlijke situaties leiden, bijvoorbeeld voor wegverkeer. Dit effect kan eenvoudig worden voorkomen door de betreffende objecten en oppervlakken te voorzien van een antireflecterende coating of gebruik te maken van niet reflecterende materialen. Voor windturbines is dit standaardpraktijk en wordt dit geborgd door reflectiewaarden te controleren via de certificering en de NEN-EN-ISO 2813 of een daaraan ten minste gelijkwaardige meetmethode. Er is daarmee geen noodzaak tot het opnemen van nadere voorschriften of normen, anders dan hierboven beschreven als onderdeel van het alternatief ongewijzigde regels om gevolgen van lichtschittering te beperken. Deze varianten worden in dit planMER daarom niet opgenomen. 36
Datum: 2 december 2022
5.9 Obstakelverlichting: variant Obstakelverlichting op bouwwerken met een hoogte van 150 meter of meer ten opzichte van maaiveld is een internationale verplichting.40 Het doel van obstakelverlichting (knipperend of vastbrandend) is om hoge objecten goed zichtbaar te laten zijn voor luchtvaart. Dit geldt onder andere voor windturbines (uitgaande van tiphoogte >150 meter) buiten de hindernisbeperkende gebieden rond luchthavens.41 De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) bepaalt welke verlichting een windpark moet hebben. Hier zijn internationale ICAO-richtlijnen voor. De doorwerking van internationale normen voor windturbines zijn in Nederland samengevat in het “Informatieblad aanduiding van windturbines en windparken op het Nederlandse vasteland” (zie voetnoot 40). Zowel overdag (wit licht) als in de nachtperiode (rood licht) is obstakelverlichting verplicht. De rood knipperende verlichting bij windturbines wordt door veel omwonenden van windparken als hinderlijk ervaren. Met de toename van het aantal windturbines hoger dan 150 meter, neemt ook de hinder van obstakelverlichting op windturbines toe. Om de hinder te verminderen kan gedacht worden aan de volgende maatregelen (RVO, 2018): 1. Vast brandende verlichting: Omwonenden van windparken ervaren het knipperen van obstakelverlichting als onprettig.
Het toepassen van vast brandende verlichting kan dit negatieve effect verminderen. 2. Dimmen van verlichting: hierbij wordt de lichtintensiteit van obstakelverlichting verlaagd wanneer het zicht in de omgeving goed is. Dit gebeurt door het toepassen van sensoren die de zichtafstand meten. 3. Minder obstakelverlichting: Niet alle windturbines in een windpark hoeven verlicht te worden, mits de onderlinge afstand tussen windturbines niet meer is dan 900 meter én de windturbines op de hoeken van het windpark verlicht zijn. Bij het toepassen van deze maatregelen mag geen vast brandende verlichting toegepast worden. 4. Toepassen van naderingsdetectie: Hierbij schakelt de rode verlichting ’s nachts alleen in als een luchtvaartuig een windturbine nadert. Hiervoor zijn verschillende technieken mogelijk, zoals: a. Radardetectie: Bij deze techniek wordt een kleine radarinstallatie in de buurt van het windpark geplaatst. In Nederland zijn meerdere pilots uitgevoerd met deze techniek. b. Transponderdetectie: Bij deze techniek herkent een ontvanger bij een windpark de transponder van een luchtvaartuig. Deze techniek wordt tot op heden met name in Duitsland toegepast. De eerste drie maatregelen worden toegelicht in de informatiebladen. Ook wordt in het informatieblad verwezen naar de mogelijkheid om naderingsdetectie toe te passen.
De juridische basis van de specificaties van het genoemde Informatieblad ontbreekt nog, waardoor de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) geen bevoegdheid heeft de goede werking van het systeem te toetsen en handhaving niet mogelijk is, zoals ook blijkt uit de Monitor Wind op Land 202042. Daarnaast blijkt uit de Monitor Wind op Land 2020 dat het voornemen is om het gebruik van naderingsdetectiesystemen te verankeren in de Omgevingswet in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Ook is een motie aangenomen in de Tweede Kamer om (transponder gestuurde) naderingsdetectie wettelijk verplicht te stellen43. Op die motie is geantwoord dat er op dit moment wordt ingezet op een vrijwillige plaatsing van naderingsdetectie voor nieuw te ontwikkelen windparken en niet op een verplichting44. Redenen die geschetst worden voor deze vrijwillige toepassing zijn dat vrijwel alle nieuw te bouwen windparken naderingsdetectie willen toepassen en nieuwe verplichtingen bij bestaande windparken leiden tot financiële vraagstukken en daarmee mogelijke vertraging van de invoering van naderingsdetectie. Op een later moment wordt bekeken of de eventuele regeling meegaat in het traject voor de nieuwe windturbinebepalingen of in een separaat AMvB-traject.
In dit planMER is het effect van de obstakelverlichting conform de internationale verplichting met (vrijwillig) hanteren van naderingsdetectie als BBT onderzocht.
40
Zie voor meer informatie het Informatieblad aanduiding van windturbines en windparken op het Nederlandse vasteland (16-06-2020): https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2016/11/15/aanduiding-van-windturbines-en-windparken-op-het-nederlandse-vasteland en https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-31428.html. 41 Voor windturbines binnen hindernisbeperkende gebieden gelden aanvullende regels welke toegelicht zijn in het Informatieblad aanduiding van windturbines en windparken op het Nederlandse vasteland (16-06-2020). 42 Monitor Wind op Land 2020 met op pagina 5 aandacht voor naderingsdetectie, zie: https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2021Z13681&did=2021D29159 43 Voor de Motie van het lid Moorlag over de lichthinder van hoge windturbines wegnemen (25 februari 2021), zie: https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2021Z03765&did=2021D08254 44 Voor de reactie op de Motie van het lid Moorlag over de lichtinder van hoge windturbines wegnemen (18 augustus 2021), zie: https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2021Z14379&did=2021D30686
37
Datum: 2 december 2022
De volgende variant voor obstakelverlichting is onderzocht in dit planMER: • Obstakelverlichting conform de internationale verplichting met (vrijwillig) hanteren van naderingsdetectie als BBT.
5.10 Overige onderwerpen In aanvulling op de onderwerpen in de paragrafen hiervóór, is in de advisering en in de zienswijzen van de NRD een aantal andere onderwerpen voorgedragen om op te nemen in de windturbinebepalingen leefomgeving, en dus om hiervoor alternatieven en (sub-)varianten op te nemen in het planMER. In Tabel 5-1 is een overzicht opgenomen met een toelichting of, en zo ja op welke manier, de onderwerpen behandeld worden in dit planMER. Tabel 5-1 Overige onderwerpen voor varianten Onderwerp Toelichting Ecologie
In de beoordeling van varianten wordt aandacht besteed aan ecologische effecten, zoals Natura 2000gebieden, NNN-gebieden, vogels en vleermuizen (zie hoofdstuk6). In het planMER zijn geen varianten onderzocht met als doel de bescherming van vogels en/of vleermuizen, omdat met de Rijksregels niet wordt beoogd te voorzien in soortenbescherming. Het primaat hiervoor ligt bij de natuurbeschermingswetgeving, zoals de Wet natuurbescherming (Wnb). Conclusie: op dit aspect wordt niet gevarieerd, maar het aspect wordt wel meegenomen in de effectbeoordeling van dit planMER.
Circulariteit
In diverse zienswijzen is gesuggereerd om in de windturbinebepalingen - en dus ook in het planMER in te gaan op de totale levenscyclus van de windturbines en vanuit algemene Rijksregels hieraan eisen te verbinden, vanwege het nastreven van circulariteit en het sluiten van grondstofstromen. De Commissie voor de m.e.r. heeft in haar advies opgenomen om kwalitatief de (on)mogelijkheden van de herbruikbaarheid van materialen waaruit onderdelen van windturbines zijn opgebouwd te beschrijven 45. Circulariteit krijgt aandacht in het Rijksbrede programma Circulaire Economie; Nederland circulair in 205046. De windturbines krijgen hierin ook nadrukkelijk aandacht. Er wordt in het programma ingezet op meer gebruik van kunststof recyclaat, een hoogwaardiger recycling en een langere levensduur van producten. Onderkend is dat de energietransitie leidt tot groei in het gebruik van kritieke materialen voor generatoren, bijvoorbeeld in windturbines. Onderzocht is of hiervoor een (circulaire) roadmap op te stellen is. Het programma heeft vooralsnog aangaande windturbines nog geen concrete resultaten opgeleverd die kunnen worden vertaald in aanvullende Rijksregels voor windturbines.
Bovendien is er een algemeen streven in het Nederlandse beleid naar 50% minder gebruik van abiotische grondstoffen in 2030 in de sector voor hernieuwbare energie.47 Geconcludeerd wordt dat er in het kader van dit planMER geen Rijksregels worden gesteld voor circulariteit van windturbines en dat circulariteit niet bepalend is voor de keuze van andere normen, zoals geluid of externe veiligheid. Conclusie: circulariteit wordt niet meegenomen als variant of in de effectbeoordeling van dit planMER.
Niet-akoestische factoren
De Commissie voor de m.e.r. vestigt in haar advies de aandacht op de invloed die niet-akoestische determinanten hebben op de geluidsbeleving. Het gaat dan om demografische, persoonlijke, situationele en contextuele factoren. De Commissie voor de m.e.r. stelt voor om deze een plaats te geven in de alternatieven en varianten, bijvoorbeeld in de vorm van instructieregels. Gedacht zou bijvoorbeeld kunnen worden aan participatieverplichtingen opnemen in instructieregels voor andere overheden om een gunstiger attitude t.a.v. hinder te ontwikkelen. Alhoewel het zonder meer helder is dat niet-akoestische determinanten een rol spelen bij geluidsbeleving, is ervoor gekozen dit niet te gaan regelen in algemene Rijksregels. Derhalve vallen niet-akoestische determinanten buiten de alternatieven- en variantenvorming van het planMER. Wel wordt in dit planMER ingegaan op mogelijkheden om niet-akoestische determinanten te beïnvloeden, maar dan onder mitigerende maatregelen. Conclusie: niet-akoestische factoren worden niet meegenomen als variant of in de effectbeoordeling van dit planMER. Indien er aanleiding toe is kunnen niet-akoestische factoren wel onderdeel zijn van de mitigerende maatregelen.
45
Voor het advies van de Commissie voor de m.e.r. met betrekking tot circulariteit, zie hoofdstuk 7 in het advies: https://www.commissiemer.nl/docs/mer/p36/p3615/a3615rd.pdf 46 Voor het programma Circulaire Economie - Nederland circulair in 2050, zie: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2016/09/14/bijlage-1-nederland-circulair-in-2050 47 Doelstelling Circulaire Economie 2030 – PBL, zie: Doelstelling circulaire economie 2030. Operationalisering, concretisering en reflectie (pbl.nl)
38
Datum: 2 december 2022
Instructieregels
De Commissie voor de m.e.r. stelt voor om instructieregels op te nemen binnen de scope van het planMER. Zij geeft enkele voorbeelden waar dat voor zou kunnen worden toegepast 48. In dit planMER zijn de beoordelingen van alternatieven en varianten geanalyseerd (zie hoofdstuk 14). In het kader van de AMvB wordt besloten over de vorm van de regels, dus of er een grenswaarde of standaardwaarde wordt gesteld, of er een instructieregel komt, e.d. Conclusie: dit aspect behoort tot de besluitvorming omtrent de AMvB.
Geen wind op land
Diverse insprekers geven aan dat de overheid geen extra windinitiatieven op land meer zou moeten toelaten, maar dat de toekomstige windparken alle op de Noordzee moeten worden gelokaliseerd. Hetgeen is voorgesteld betreft een ruimtelijk vraagstuk, dus niet een vraagstuk dat via windturbinebepalingen voor de leefomgeving zou moeten worden opgelost. Conclusie: “geen wind op land” wordt niet meegenomen in dit planMER. Wel wordt het effect op de energieopbrengst beoordeeld.
Nationale landschappen
Nationale Landschappen bestaan niet meer als nationale beleidscategorie. Voorgesteld is aan te sluiten bij de nationale belangen uit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), en wel nr. 19: Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Conclusie: de nationale belangen uit de NOVI worden beoordeeld onder het beoordelingscriterium ‘waardevolle landschappen’.
48
Voor het advies van de Commissie voor de m.e.r. met betrekking tot instructieregels, zie hoofdstuk 3: https://www.commissiemer.nl/docs/mer/p36/p3615/a3615rd.pdf. Als voorbeelden geeft de commissie het omgaan met participatie bij windturbineparken gelet op de gezondheidseffecten, hoe rekening te houden met cumulatieve gevolgen van windturbineparken en hoe met broedvogels en nesten daarvan om te gaan gelet op de landelijke staat van instandhouding van de desbetreffende soorten.
39
Datum: 2 december 2022
5.11 Overzicht te onderzoeken alternatieven, varianten en subvarianten In Tabel 5-2 is een samenvatting gegeven van de alternatieven, varianten en sub-varianten die onderzocht zijn in dit planMER. Tabel 5-2 Te onderzoeken alternatieven en (sub)varianten Referentiesituatie Onderwerp
Variant
Geluid
Verschillend per bevoegd gezag
EV
Verschillend per bevoegd gezag
Slagschaduw
Verschillend per bevoegd gezag
Lichtschittering
Geen lichtschittering
Alternatief ongewijzigde regels Onderwerp
Variant
Geluid
47 dB Lden / 41 dB Lnight
EV
PR 10-6 kwetsbaar / PR 10-5 beperkt kwetsbaar
Slagschaduw
< 17 dagen/jaar max. 20 min.
Lichtschittering
Geen lichtschittering
Varianten in planMER Onderwerp
Variant
Geluid
37, 40, 43, 45, 50 dB Lden
Geluid
Subvariant: Binnennorm
Geluid
Subvariant: Laagfrequent geluid
Geluid
Subvariant: Tonaal (laagfrequent) geluid
Geluid
Subvariant: Differentiatiemogelijkheid geluidnorm voor bevoegde gezagen
Externe veiligheid
Standaardwaarde PR 10-6 beperkt kwetsbare objecten / grenswaarde PR10-6 kwetsbare objecten
Externe veiligheid
Grenswaarde PR 10-6 contour risicovolle bedrijven & buisleidingen (dominoeffecten)
Slagschaduw
0, 6, 16 uur per jaar
Afstandsnorm
2, 3, 4 keer de tiphoogte
Obstakelverlichting
Naderingsdetectie
40
Datum: 2 december 2022
6 Beoordelingskader & methodiek 6.1 Aanpak & methodiek 6.1.1 Schaalniveau, plan- en studiegebied Windturbinebepalingen zijn leefomgevingsregels op Rijksniveau voor de plaatsing en het gebruik van windturbines in Nederland. De effecten worden op nationaal schaalniveau bepaald. Nederland als geheel is het plangebied én studiegebied in het op te stellen planMER, ook wordt naar grensoverschrijdende milieugevolgen gekeken. De windturbinebepalingen bevatten geen locatiekeuzes, dus richt het planMER zich niet op het in beeld brengen van effecten op locaties. Passend bij het schaalniveau zal een effecteninschatting worden gegeven.