Bestuursverslag Sociaal Domein over 2024
Tekst van het document
Het is voor inwoners over het algemeen duidelijk welke bewijsstukken zij moeten aanleveren (79%) en hoe het aanvraagproces zal verlopen (72%). Wel heeft ongeveer een op de tien inwoners moeite met het begrijpen van de aanvraagformulieren en weet een even groot deel niet waar zij terechtkunnen met vragen. Over het intakegesprek volgend op de aanvraag zijn inwoners goed te spreken. Zij zijn bijna allen positief over de bejegening door de medewerker. Een ruime meerderheid (86%) vindt ook de uitleg tijdens het gesprek duidelijk en meer dan voorgaande jaren zijn inwoners tevreden over de snelheid waarmee hun aanvraag is behandeld (80%). Begeleiding van de werkadviseur wordt over het algemeen als goed ervaren: Inwoners zijn over het algemeen van mening dat de werkadviseur zijn/haar best doet om vragen van inwoners te beantwoorden (82%) en begrip heeft voor de situatie van de inwoner (79%). Ook zijn zeven op de tien inwoners tevreden over de begeleiding die zij krijgen richting werk of participatie en is 64% bekend met de trajecten die de gemeente Nissewaard hiervoor kan aanbieden. Acht procent geeft aan niet bekend te zijn met deze trajecten en ongeveer een op de tien inwoners heeft behoefte aan meer informatie over deze trajecten. Zij hebben met name behoefte aan informatie over welke werktrajecten er zijn en wat de mogelijkheden zijn voor oudere inwoners hierin.
Kwijtschelding gemeentebelastingen meest gebruikte armoederegeling; SUNN weinig bekend: De armoederegeling waar het meest gebruik van wordt gemaakt is de kwijtschelding van gemeentelijke 24
belastingen. Zeven op de tien inwoners met een bijstandsuitkering hebben hier gebruik van gemaakt en bijna twee op de tien inwoners kennen deze regeling wel, maar maken hier geen gebruik van. Van de meeste andere minimaregelingen, inclusief stichting Leergeld en Jeugdfonds Sport en Cultuur, maken ongeveer zes op de tien inwoners met een bijstandsuitkering gebruik. Veel minder wordt er gebruikgemaakt van de bijzondere bijstand (31%) en een even groot deel is niet bekend met de bijzondere bijstand. Het minst bekend is SUN Nissewaard, 83% kent de stichting niet en slecht 3% heeft hier gebruik van gemaakt. Gebruikers van de armoederegelingen zijn over het algemeen tevreden over de aanvraag hiervan. Ook inwoners met schuldhulpverlening zijn positief over website van de gemeente: Van de inwoners met schuldhulpverlening heeft ongeveer driekwart van de inwoners meerdere keren per jaar contact met de gemeente. Volgens een even groot deel zijn de openingstijden van de gemeente voldoende. De website van de gemeente bezoekt 65% wel eens. Dit is vergelijkbaar met 2021 en meer dan in 2016 (47%). Ook inwoners met schuldhulpverlening kunnen over het algemeen de informatie zij nodig hebben vinden op de website (80%) en vinden de website gebruiksvriendelijk (78%). De video’s op de website zijn voor twee derde duidelijk.
Van de functie ‘Mijn Schuldhulpverlening’ op de website van de gemeente maken vier op de tien inwoners gebruik. Ongeveer driekwart van hen vindt ‘Mijn Schuldhulpverlening’ gebruiksvriendelijk, gebruikt deze website het liefst om ontwikkelingen van hun regeling in de gaten te houden en vindt deze ontwikkelingen goed te volgen hierop. Inwoners met schuldhulpverlening is gevraagd wat de gemeente had kunnen doen om hen eerder te helpen bij hun schulden. De meeste inwoners geven aan dat de gemeente niet eerder kon helpen en dat zij zelf eerder hulp hadden moeten vragen. Een enkeling suggereert dat de gemeente schulden op gemeentelijke belastingen kan gebruiken als signalering en naar aanleiding daarvan contact op zou kunnen nemen. Inwoners goed te spreken over bejegening tijdens aanbodgesprek en intakegesprek: Het aanmeldproces voor schuldhulpverlening was duidelijk voor 85% van de inwoners die dit jaar of in 2023 een aanvraag deden. Ook werd in de meeste gevallen (78%), en meer dan voorgaande jaren, volgens inwoners binnen de gestelde termijn contact opgenomen na aanmelding. De digitale aanvraagformulieren waren voor driekwart van de aanvragers goed te begrijpen en in te vullen. Een op de tien inwoners vonden de formulieren niet eenvoudig. Over het daaropvolgende aanbodgesprek en intakegesprek is een zeer groot deel van de inwoners positief.
Ruim negen op de tien inwoners zijn te spreken over de bejegening vanuit medewerkers van de gemeente. En ook de inhoud van het intakegesprek is voor ruim acht op de tien inwoners helder en eenvoudig. Enkele inwoners noemen verbeterpunten voor de schuldhulpverlening in Nissewaard. Het voornaamste verbeterpunt wat hieruit naar voren komt, is de behoefte aan meer overzicht over de afbetaling van schulden.
25
5. Opvoeden en opgroeien Ouders zijn de eerstverantwoordelijke voor de opvoeding van hun kinderen. Ouders en (school)omgeving bieden het kind de mogelijkheden zich te ontwikkelen, talenten en voorkeuren te leren kennen en op te groeien tot zelfstandige volwassenen. We faciliteren en stimuleren de samenleving hiertoe en bieden ondersteuning als opvoed- en opgroeiproblemen ‘het normale’ overstijgen. Deze ondersteuning past bij de problematiek en de draagkracht van gezin en is gericht op duurzame oplossingen binnen de sociale omgeving. In dit hoofdstuk geven we een beeld over de Jeugdwet in Nissewaard, alsmede voor- en vroegschoolse educatie en onderwijs, voor de onderdelen verzuim en voortijdig schoolverlaten. Allereerst geven we een cijfermatig beeld. Daarna beschrijven we wat in 2024 op hoofdlijnen is gedaan op dit onderdeel van het sociaal domein. Tot slot is een samenvatting van het cliëntervaringsonderzoek jeugdhulp opgenomen. 5.1 Ontwikkeling jeugdigen met jeugdhulp Deze paragraaf geeft weer hoeveel gebruik er wordt gemaakt van jeugdhulp. Allereerst geven wij een beeld van hoeveel jeugdigen er een indicatie hebben voor jeugdhulp en hoe deze groep qua algemene kenmerken in elkaar zit. In de Ontwikkelagenda is het doel opgenomen dat het percentage jeugdigen tot 18 jaar met jeugdhulp zich binnen de range bevindt van 50% meest gemiddelde gemeenten.
Onderstaande grafiek gaat over jeugdhulp in natura aan jeugdigen tot 18 jaar, zowel geïndiceerd, als hulp uit het basisaanbod (landelijk ‘wijkteam’ genoemd). Het aantal jeugdigen met jeugdhulp laat in Nissewaard een grillig beeld zien. In 2021 lag het aantal voor het eerst net binnen de range van 50% meest gemiddelde gemeenten. In 2022 was er weer een stijging te zien. In 2023 is een daling te zien, tot binnen de range van 50% meest gemiddelde gemeenten. Dit is met de huidige definitieve cijfers bevestigd. In 2024 lijkt uit de grafiek een enorme daling tot stand te zijn gebracht. Er is een eerste verkenning gedaan naar de mogelijke reden. Er lijkt een administratieve onjuistheid in de cijfers te zitten, waardoor de cijfers niet betrouwbaar zijn.
Grafiek 4. Percentage jeugdigen tot 18 jaar met jeugdhulp in natura
26
In 2024 is namelijk voor de Jeugdwet overgegaan naar een ander registratiesysteem binnen de gemeente, waardoor de Jeugdwet nu in hetzelfde soort systeem wordt verwerkt als de Wmo en de Participatiewet. Bij de overgang is vermoedelijk een deel van de jeugdigen die op dat moment al hulp ontving vanuit ‘het wijkteam’ niet geteld. Per 2024 is het voormalige Jeugdondersteuningsteam (JOT) gesplitst tussen de onderdelen ‘toegang en casusregie’ die nu binnen de gemeentelijke organisatie ‘Team Jeugd’ vormen, en hulpverlening in het basisaanbod (subsidieverlening aan een organisatie). Vermoedelijk is de hulp in het basisaanbod die reeds lopend was, niet in het nieuwe systeem overgezet. Nieuwe aanmeldingen zijn wel opgenomen. Omdat hulp binnen het JOT altijd door de gemeente bij CBS werd aangeleverd, mist hier vermoedelijk een deel van de jeugdigen die alleen hulp uit het basisaanbod ontvangt. Jeugdigen die (ook) hulp via een geïndiceerde voorziening ontvangen, zijn wel in de cijfers opgenomen. Dit wordt momenteel verder uitgezocht. Ook wordt bekeken in hoeverre de gegevens over 2024 nog gecorrigeerd gaan worden, of dat geaccepteerd wordt dat 2024 qua cijfers onvoldoende betrouwbaar blijft, en dit jaar naar de toekomst ‘buiten beschouwing moet worden gelaten’.
De cijfers over jeugdhulp in natura zijn op dit moment niet betrouwbaar door de systeemovergang; conclusies over een mogelijke daadwerkelijke daling zijn niet te trekken. Kijken we naar de totale populatie die jeugdhulp ontvangt, inclusief de jongeren van 18 tot en met 23 jaar die verlengde jeugdhulp ontvangen, dan zien we een dalend beeld (zie onderstaande tabel). Ook hier is het vermoedelijk zo dat niet alle jeugdigen die hulp ‘uit het wijkteam’ ontvangen, zijn meegeteld. De cijfers zijn daardoor niet betrouwbaar. Tabel 16. Jeugdigen tot 23 jaar met indicatie jeugdhulp (natura en pgb) 9
Totaal jeugdigen met jeugdhulp
2021 2.570
2022 2.750
2023 2.720
% Ontwikkeling % aandeel 2024 2024 tov 2023 2024 2.175 -20
Waarvan jongens waarvan meisjes leeftijd 0 tot 4 jaar leeftijd 4 tot 12 jaar leeftijd 12 tot 18 jaar leeftijd 18 tot 23 jaar kind in eenouderhuishouden kind bij paar kind overig huishouden
1.480 1.095 155 1.210 975 230 975 1.385 210
1.570 1.185 180 1.225 1.100 245 995 1.550 210
1.535 1.185 145 1.165 1.170 240 990 1.530 200
1.195 980 130 1.060 925 60 755 1.240 180
-22,1 -17,3 -10,3 -9 -20,9 -75 -23,7 -19 -10
54,9 45,1 6 48,7 42,5 2,8 34,7 57 8,3
Naast de jeugdhulp in natura, wordt ook jeugdhulp in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) gefinancierd. Van het totaal aantal indicaties voor jeugdhulp, zijn er 3 voor pgb. Dit betreft pgb voor ambulante hulp. In 2017 waren er 127 pgb’s en in 2021 was dit gedaald tot 39 budgetten en in 2022 naar 9. Voor jeugdhulp wordt in 2022 dus nog maar zeer beperkt gebruik gemaakt van pgb. Mogelijk spelen hierbij duidelijker regels voor pgb een rol en is maatwerk in de plaats getreden van pgb. Recent is wel een stijging te zien in pgb’s, met name voor kinderdagcentra. Het is daarom realistisch te verwachten dat de pgb’s over 2025 hoger zijn dan over 2024. 5.2 Soorten jeugdhulp Als we de soort jeugdhulp in natura uitsplitsen dat op peildatum 31 december 2024 nog werd geboden, dan komen we tot onderstaand beeld. Hierbij moeten de nodige opmerkingen worden 9
De aantallen zijn afgerond op vijftallen. Dit doet het CBS om eventuele herleidbaarheid te beperken. Mogelijk dat hierdoor de optelling niet klopt.
27
geplaatst, omdat de cijfers sterk afwijken van de cijfers in het voorgaande bestuursverslag. Het CBS heeft de cijfers over 2021 en 2022 alsnog aangepast. Hier zijn enkele redenen voor: Ten onrechte werden sommige trajecten niet als ‘herhaald beroep op hulp’ aangemerkt, waardoor dit als meerdere trajecten werd geteld in plaats van als één traject. Een relatief groot aantal trajecten jeugdhulp die hoogstwaarschijnlijk wel beëindigd waren, waren ten onrechte niet meegeteld in het aantal beëindigde trajecten jeugdhulp. Dit betrof trajecten die zonder einddatum zijn aangeleverd bij het CBS, maar een half jaar later toch niet meer voorkwamen in de erop volgende levering aan het CBS. Bij het samenvoegen van jeugdhulptrajecten van dezelfde jongere, bij dezelfde jeugdhulpaanbieder en met dezelfde hulpvorm, worden wat meer trajecten samengevoegd dan voorheen. Dit leidt tot een lager aantal trajecten in 2021 en 2022. Onduidelijk of dit ook effect heeft gehad op de voorlopige cijfers van 2023 uit het vorige bestuursverslag. Tabel 17. Jeugdhulptrajecten in natura op 31 december
% Ontwikkeling 2024 tov 2023
Totaal jeugdhulptrajecten in natura
2021 2.385
2022 2.500
2023 1.580
2024 1.705
Jeugdhulp zonder verblijf Jeugdhulp met verblijf
2.145 240
2.275 225
1.380 200
1.495 215
7,5
755 1.005 130 250
775 1.110 140 250
15 960 125 275
60 1.005 115 310
4,7 -8 12,7
110 25 0 95
120 15 0 85
105 0 0 90
105 10 0 100
0 100 0 11,1
Jeugdhulp zonder verblijf Uitgevoerd door wijk- of buurtteam (JOT) Ambulante jeugdhulp op locatie aanbieder Daghulp op locatie van de aanbieder Jeugdhulp in het netwerk van de jongere Jeugdhulp met verblijf Pleegzorg Gezinsgericht Gesloten plaatsing10 Ander verblijf bij jeugdhulpaanbieder
10
Vanaf 2021 zijn er in deze cijfers geen gesloten plaatsingen. Dit komt omdat het enerzijds een standcijfer betreft (het aantal op een peildatum, in dit geval 31 december) en anderzijds er afronding plaatsvindt op vijftallen. Dat betekent dat er ook 2 gesloten plaatsingen zouden kunnen zijn.
28
In 2023 en 2024 is het aantal trajecten fors lager. In het vorige bestuursverslag werd nog aangegeven dat er over 2023 2.660 trajecten liepen op 31 december 2023. Dit grote verschil heeft onder andere te maken met de cijfers over lopende trajecten door het wijkteam. Dit heeft dezelfde oorzaak als uitgelegd onder grafiek 4, namelijk de overgang naar een ander registratiesysteem, waarbij lopende trajecten binnen het wijkteam niet zijn geteld. De daling van ongeveer 760 lopende trajecten in het wijkteam in 2021 en 2022 naar 15 in 2023, laat dit duidelijk zien. Bij de cijfers waar dit op van toepassing is, is in tabel 18 daarom geen ‘percentage ontwikkeling’ weergegeven. Over het totaal van deze tabel is daarom geen conclusie te trekken. Onderstaande grafiek gaat over jeugdbescherming. Bij ernstige problemen in een gezin kan de kinderrechter een kinderbeschermingsmaatregel opleggen, bijvoorbeeld een onder toezicht stelling, of het beëindigen van het gezag van ouders (jeugdbescherming). Het percentage jeugdigen met jeugdbescherming lag in Nissewaard in 2022 voor het eerst binnen de range van 50% meest gemiddelde gemeenten. Echter in 2023 en 2024 heeft geen verdere daling doorgezet, terwijl dit landelijk wel heeft plaatsgevonden.
Door de landelijke daling, ligt het aantal jeugdigen met jeugdbescherming nu weer ruim boven de range van 50% meest gemiddelde gemeenten en wijkt Nissewaard dus af van het landelijke beeld.
Grafiek 5. Percentage jeugdigen met Jeugdbescherming
Er is sprake van jeugdhulp met verblijf als de jongere formeel niet thuis slaapt in het eigen gezin. Het kan gaan om opvang in een pleeggezin, gezinsgerichte opvang of in een vorm van gesloten jeugdhulp.
29
Grafiek 6. Percentage Jongeren met Jeugdhulp met verblijf in natura
Deze vorm van jeugdhulp is in Nissewaard vaker van toepassing dan in de 50% meest gemiddelde gemeenten van Nederland. Doel in de Ontwikkelagenda is dat dit percentage zich binnen de range van 50% meest gemiddelde gemeenten bevindt. Sinds 2020 is de ontwikkeling van jeugdhulp met verblijf in Nissewaard wel gunstiger geweest dan landelijk, waardoor we in 2023 zelfs binnen de range van de 50% meest gemiddelde gemeenten vielen. In 2024 is de stijging echter groter dan landelijk. Als we dieper kijken naar aantal jongeren boven de 18 jaar met jeugdhulp met verblijf, dan zien we dat dit vanaf 2022 sterk is gedaald, en zich inmiddels zelfs onder het Nederlands gemiddelde bevindt. Dit duidt erop dat steeds meer jongeren van 18 jaar en ouder hulp ontvangen vanuit het passende wettelijke kader voor volwassenen, zodat verlengde jeugdhulp minder nodig is. Dit beeld komt overeen met het algemene beeld uit tabel 17, waarin een sterke daling van 18-plussers in de jeugdhulp (met en zonder verblijf) is te zien. De kans is groot dat de daling onder 18-plussers te maken heeft met de inzet vanuit de Taskforce jeugd om deze doelgroep onder te brengen in een meer toekomstbestendige vorm van hulpverlening, bijvoorbeeld vanuit de Zorgverzekeringswet of de Wmo.
Gezien deze grote daling, moet dan wel de conclusie zijn dat in leeftijdsgroepen tot 18 jaar, de aantallen jeugdhulp met verblijf sterk zijn gestegen.
30
Grafiek 7. Het percentage van jongeren met jeugdhulp met verblijf dat 18 jaar of ouder is.
5.3 Verwijzers naar jeugdhulp Deze paragraaf laat cijfers zien over verwijzers van de (op enig moment) in 2024 nog lopende jeugdhulptrajecten in natura, ongeacht in welk jaar het traject is gestart. Tabel 18. Verwijzers van in 2024 nog lopende trajecten
% Ontwikkeling % aandeel 2021 2022 2023 2024 2024 tov 2023 2024 Jeugdhulptrajecten 3.855 4.075 3.900 2.975 -23,7 1.135 1.215 1100 935 -15 31,4 Gemeentelijke toegang 1.095 1.265 1.330 1.375 3,4 46,2 Huisarts 10 15 10 15 0,5 Jeugdarts te klein aantal 410 370 400 280 -30 9,4 Gecertificeerde instelling 180 190 175 150 -14,3 5 Medisch specialist 20 10 25 25 0 0,8 Rechter, officier van justitie 1.010 980 850 185 -78,2 6,2 Geen verwijzer 0 25 10 10 0,3 Verwijzer onbekend te klein aantal We zien dat vrijwel alle verwijzers een daling laten zien, behalve de huisarts. Het aandeel jeugdhulptrajecten waarvan de verwijzer huisarts is, bedraagt nu ruim 46%. De gemeentelijke verwijzingen bedragen iets minder dan een derde van alle verwijzingen. Het aandeel van de huisartsen en de gemeente als verwijzer groeit ten opzichte van voorgaande jaren, met name omdat het aandeel ‘geen verwijzer’ sterk afneemt. Dit maakt duidelijk dat de invloed van de huisarts op het aantal jeugdigen met jeugdhulp zeer groot is. De Gecertificeerde Instellingen zijn in nog geen 10% van de gevallen verwijzer, maar de trajecten die via deze verwijzer worden uitgevoerd, zijn vaak wel ingrijpend. Het betreft hier vaak situaties waarbij onveiligheid speelt.
5.4 Voor- en vroegschoolse educatie Voor- en vroegschoolse educatie (vve) is onderdeel van het onderwijsachterstandenbeleid en sinds 2020 onderdeel van het sociaal domein. Het doel is om peuters en kleuters met een mogelijke (taal)achterstand, ook wel ‘doelgroepkinderen’ genoemd, beter voor te bereiden op de basisschool en ervoor te zorgen dat kleuters zonder achterstand naar groep 3 kunnen. De gemeente heeft de specifieke verantwoordelijkheid om de leerachterstanden van peuters te beperken (voorschoolse educatie). Voor de totale doelgroep zijn we als gemeente verantwoordelijk voor het voeren van 31
regie, dus ook voor het deel vroegschool (basisschool tot 6 jaar). Hiertoe maken we resultaatafspraken met kinderopvang en basisscholen. Vanaf 6 jaar tot het einde van de basisschool is het onderwijs zelf verantwoordelijk. In onderstaande tabel zien we het totaal aantal peuters, oftewel kinderen tussen 2,5 en 4 jaar, dat een vve-indicatie heeft. De indicatie wordt afgegeven door het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG). Ook wordt vermeld hoeveel kinderen met dit aanbod worden bereikt. Tabel 19. Aantal peuters met indicatie vve en bereik van deze doelgroep
2021 Aantal peuters met indicatie vve 298 Peuters die aanbod gebruiken 228 Bereik vve (aantal peuters met indicatie tov gebruik aanbod) 76,5%
2022 416 311
2023 489 346
% Ontwikkeling 2024 2024 tov 2023 373 -23,8 283 -18,2
74,8%
70,8%
75,9%
In 2024 waren er 373 peuters met een indicatie vve. Zoals de tabel laat zien, verschilt het aantal doelgroeppeuters per jaar sterk. In 2024 namen 283 peuters van de 373 doelgroeppeuters deel aan vve-aanbod of stonden op de wachtlijst voor deelname (bereik van 75,9%). Vanuit de gemeente is de wens voor ieder doelgroepkind een plek te realiseren. De financiering vanuit de gemeente sluit hierop aan, doordat extra gerealiseerde vve-plekken gedurende het jaar aanvullend worden gefinancierd zolang er kinderen met indicatie zijn. Niet altijd kan uitbreiding snel worden gerealiseerd, vandaar dat er toch een wachttijd kan zijn. Kinderopvangorganisaties hebben namelijk moeite met het vinden van locaties die aan de wettelijke vereisten voldoen en het werven van goed personeel om het aanbod te kunnen uitbreiden. Het gestelde doel in de Ontwikkelagenda is dat minimaal 85% van de doelgroepkinderen (peuters) wordt bereikt met aanbod. Vve is echter niet verplicht. Ouders kunnen dit weigeren, of kunnen aangeven dat ze reguliere gastouder- of kinderopvang voldoende vinden. Ook kan het zijn dat de extra dagdelen vve niet passen in het gezinsschema. Het percentage bereik lijkt na de daling in 2023, nu weer hersteld naar het niveau van 2021 en 2022, maar blijft nog onder het streefdoel. In totaal nemen 90 peuters die baat zouden hebben bij vve, niet deel aan het aanbod.
5.5 Schoolverzuim en voortijdig schoolverlaten Bij relatief verzuim is een jeugdige wel ingeschreven op school, maar verzuimt gedurende bepaalde tijd lessen. Ook veelvuldig laatkomen valt hieronder. In onderstaande grafiek is te zien dat het relatief verzuim in Nissewaard zich binnen de range bevindt van de 50% meest gemiddelde gemeenten. Sterker, het is gelijk een het Nederlands gemiddelde. De daling in 2022 is grotendeels administratief van aard. In voorgaande jaren hebben leerplichtambtenaren de registraties door scholen over verzuim aangevuld. Dit omdat er een grote discrepantie was tussen de cijfers uit het systeem die door scholen waren aangeleverd en de cijfers vanuit de leerplichtadministratie over onderzochte situaties. In 2023 is rondvraag gedaan bij andere gemeenten en bij de organisatie die het systeem voor verzuimadministratie beheert. Hieruit blijkt dat in het systeem het aantal unieke personen wordt geteld, terwijl de gemeente in de eigen administratie alle meldingen apart telt. Daarbinnen zitten dus meldingen over dezelfde persoon. De meeste gemeenten vullen de door de scholen aangeleverde administratie niet aan met eigen gegevens, al is hierover bij veel gemeenten wel onduidelijkheid.
Op de cijfers over 2022 heeft geen aanpassing meer plaatsgevonden, waardoor de aangeleverde cijfers van Nissewaard weer beter vergelijkbaar zijn met de cijfers die over andere gemeenten worden aangeleverd. In 2023 heeft de daling verder doorgezet. Dit heeft geen
32
administratieve reden. De afgelopen jaren is sterk geïnvesteerd in de preventieve rol van leerplichtambtenaren. Vermoedelijk is dat (deel van) de reden van de daling in 2023.
Grafiek 8. Relatief verzuim in aantal per 1000 leerlingen
Bij voortijdig schoolverlaten, jeugdigen die zonder startkwalificatie het onderwijs verlaten, deed zich jaren een stijging voor (zie onderstaande grafiek). In 2023 is het percentage voortijdig schoolverlaten sterk gedaald. Waarschijnlijk is dit mede te danken aan de inzet van de (inmiddels gemeentelijke) medewerkers op het gebied van leerplicht en voortijdig schoolverlaten, alsmede de uitbreiding van het zorgaanbod en de verbeterde samenwerking met regiogemeenten en de MBO-scholen. Het percentage voortijdig schoolverlaters ligt nog steeds hoger dan de 50% meest gemiddelde gemeenten. Doel uit de Ontwikkelagenda is eind 2026 binnen de range van 50% gemiddelde gemeenten te zitten. De aanpak lijkt wel zijn vruchten af te werpen, waardoor we goed op weg zijn om dit doel te kunnen behalen.
Grafiek 9. Percentage voortijdig schoolverlaters
33
De gemeente heeft tot taak de vsv-ers zoveel mogelijk weer terug te leiden naar school of anders naar werk. In onderstaande tabel is te zien hoe Nissewaard (Nw) hierin presteert in vergelijking met de landelijke percentages (NL). Uit deze tabel blijkt dat we in Nissewaard beter in staat zijn de voortijdig schoolverlaters naar onderwijs terug te leiden, of anders naar werk te begeleiden, dan landelijk. Ieder jaar is het percentage ‘terug naar onderwijs’ hoger dan landelijk. Het percentage vsvers dat een jaar later nog niet naar school of werk is geleid (‘nog steeds vsv’), ligt jaarlijks lager dan het landelijke percentage. Tabel 20. Percentage voortijdig schoolverlaters dat een jaar later naar onderwijs of werk is geleid
2021 Vsv-er vorig jaar Nog steeds vsv Terug naar onderwijs Doorgeleid naar werk
NL 22.766 40,2% 24,3% 35,6%
Nw 120 33,3% 30,8% 35,8%
2022 NL 24.480 42,4% 20,9% 36,7%
Nw 150 42,0% 24,7% 33,3%
2023 NL 30.520 40,8% 21,9% 37,4%
Nw 183 39,9% 22,4% 37,7%
2024 NL 29.701 40,4% 22,4% 37,2%
Nw 204 39,2% 25,4% 35,3%
5.6 Wat hebben we in 2024 gedaan binnen programmalijn opvoeden en opgroeien Naast onze reguliere (wettelijke) taken op gebied van onder andere leerplicht, kinderopvang en voor- en vroegschoolse educatie (vve), leerlingenvervoer, preventief jeugdbeleid, financieren van jeugdgezondheidszorg, jeugdhulp in het basisaanbod, schoolmaatschappelijk werk en jongerenwerk, en inkoop van (persoonsgebonden) jeugdhulpvoorzieningen (al dan niet via de Jeugdhulpregio Rijnmond – GR JR), hebben we de volgende taken uitgevoerd: Voor de kinderopvang is het beleid op toezicht en handhaving geactualiseerd. We hebben ingezet op het vergroten van het bereik van kwetsbare kinderen en de toeleiding naar de juiste zorg. De focus heeft hierbij gelegen op het vroeg signaleren en preventief werken. We hebben ingezet op gelijke kansen doordat we zijn aangesloten bij de gelijke kansen alliantie. Het budget dat hierbij beschikbaar is gekomen is volledig besteed binnen de looptijd. Om goed zicht te houden op de toeleiding-, doorstroom en verdeling van de vve-kindplaatsen wordt een monitor ingericht. In 2024 is het inregelen van de monitor gestart. De laatste implementatiezaken zijn in kwartaal 1 van 2025 afgerond. We hebben ingezet op een doorlopende leer- en ontwikkellijn voor elk kind. De pilot voorschool naar vroegschool is gecontinueerd.
Daarnaast zijn de kwalitatieve resultaatafspraken vve in de Lokale Educatieve Agenda (LEA) vastgesteld en heeft een eerste analyse plaatsgevonden. Er hebben twee themamiddagen plaatsgevonden ter voorkoming en bestrijding van onderwijsachterstanden en laaggeletterdheid. Op deze manier wordt er ingezet op professionalisering in de kinderopvang en het onderwijs in het werken met kinderen met een taalachterstand. Ter voorkoming en bestrijding van taalachterstanden is geïnvesteerd in ouderbetrokkenheid door middel van educatieve thuisprogramma's en voorlichting binnen de vve. We hebben geïnvesteerd in een goede aansluiting tussen kinderopvang, onderwijs en zorg door gesprekken met de samenwerkingspartners te voeren van bestuurlijk tot uitvoerend niveau. Om (preventieve) zorg binnen de school- en kinderopvang laagdrempelig aan te kunnen bieden zetten we onder andere (voor)schoolmaatschappelijk werk en jongerenwerk in. En we investeren in de verbinding van de voorschool (peuteropvang) en de vroegschool (kleuterklas) door bijvoorbeeld de inzet van themamiddagen en extra ondersteuning van het samenwerkingsverband (pilot van voorschool naar vroegschool). We hebben uitvoering gegeven aan het Nationaal Programma Onderwijs. Nissewaard krijgt vanuit het Rijk incidentele middelen om samen met het onderwijs en kinderopvang een plan te maken voor kinderen met o.a.
sociaal-emotionele achterstanden/problematiek die tijdens de coronacrisis zijn ontstaan. 34
Er is geïnvesteerd in de samenwerking met de partners binnen kinderopvang en onderwijs. De speerpunten voor 2025 en 2026 zijn aangescherpt en de gezamenlijke overleggen hebben een duidelijkere structuur en opdracht gekregen. Door de leerplichtambtenaren is inzet gepleegd om voortijdig schoolverlaten te voorkomen. Leerplichtambtenaren zijn verbonden aan specifieke scholen zodat er in een vroegtijdig stadium laagdrempelig overleg en inzet kan worden gepleegd. Er zijn ‘thuiszitters-tafels’ geweest waarbij de scholen, het samenwerkingsverband en de leerplichtambtenaren per school de situatie van alle thuiszitters gezamenlijk bespreken, ook maken zij afspraken over de meest passende interventie. De leerling blijft op de lijst staan totdat hij /zij naar een passende school gaat. Jongeren tussen de 18 en 23 jaar die geen startkwalificatie hebben worden benaderd door een doorstroomcoach (voorheen RMC-consulent) om hen alsnog naar school of aan het werk te krijgen. Op deze manier is gewerkt aan het verminderen van het aantal voortijdig schoolverlaters. Er is een pilot gestart waarbij de doorstroomcoach overlegt met het MBO van Albeda en Zadkine in Spijkenisse als een jongere dreigt uit te vallen op school. Bij het exitgesprek van school sluit de doorstroomcoach aan als warme overdracht naar de gemeente.
In 2024 hebben we in samenspraak met Openbare Orde en Veiligheid middelen binnengehaald in het kader van Preventie met Gezag voor de aanpak tegen jeugdcriminaliteit voor de komende drie jaar. Door deze middelen is in 2024 de interventie Pak je Kans uitgebreid. Doordat de grootste knelpunten in de begroting door jeugdhulp veroorzaakt worden is er begin 2024 een Taskforce Jeugd ingericht. Deze taskforce heeft de opdracht om in totaal ruim € 3 miljoen aan bezuinigingen te realiseren. In het eerste kwartaal 2024 is een concreet plan van aanpak opgesteld met maatregelen die ingezet gaan worden om deze besparing te bewerkstelligen. In dat plan van aanpak zijn ook de (opgelegde) maatregelen van de Hervormingsagenda Jeugd en de regionale bestuursopdracht meegenomen. Voorbeelden hiervan zijn: het inperken van de reikwijdte van de Jeugdwet, verduidelijken van de afbakening tussen onderwijs en jeugdhulp, onderzoek naar kostenbesparingen als de huisarts verwijzer is, alleen de meest noodzakelijke hulp indiceren en zorgen dat jeugdigen met jeugdhulp al voor hun 17e jaar een plan hebben hoe verder vanaf hun achttiende. In samenwerking met het onderwijs is het afwegingskader jeugdhulp-onderwijs vastgesteld waarin duidelijkheid wordt verschaft welke zorg onder de Jeugdwet valt en welke zorg voor het onderwijs is. Dit onderwerp is tevens onderdeel van de Taskforce jeugd.
In januari 2024 is Team Jeugd gevormd. In dit team zitten o.a. de klantmanagers Jeugd, die in dienst zijn van de gemeente. De klantmanagers onderzoeken de hulpvraag en indiceren de zorg die nodig is. Daarnaast treden ze op als casus- of procesregisseur. Samen met Voorne aan Zee is in 2023 daghulp ingekocht. In 2024 zijn van deze inkoop de ontwikkelingen gevolgd en is gestart met het formuleren van een ontwikkelopdracht voor kinderen in de leeftijd van 0-6 jaar. Met de ontwikkelopdracht wordt door inzet de ontwikkelingen van kinderen bevorderd en zwaardere ondersteuning voorkomen. In januari 2024 is Team Regie Maatschappelijke Ondersteuning begonnen. In dit team zitten casus- en procesregisseurs die multi-complexe casussen oppakken. Zoals voor jeugd de politiezorg formulieren en Intensieve Vrijwillige Hulpverlening (IVH). In 2024 is de gemeente aangesloten bij Zorgdomein. Dit systeem gebruiken de huisartsen om doorverwijzingen te doen. Hiermee kan de huisarts de jeugdige gemakkelijk doorverwijzen naar Team Jeugd, die daarna middels onderzoek kan beoordelen welke zorg passend en nabij is voor de jeugdige. Ook in 2024 hebben we met de regiogemeenten op Voorne en Goeree-Overflakkee samengewerkt op een aantal onderwerpen, o.a. praktijkondersteuners Jeugd, Integraal Zorgakkoord (IZA) en dagbesteding voor jeugdigen.
Dit ten behoeve van het creëren van meer uniformiteit en mogelijkheden om de jeugdhulp te organiseren. 35
5.7 Cliëntervaringen Jeugdwet 2024 De gemeente Nissewaard heeft over 2024 een cliëntervaringsonderzoek (ceo) uit laten voeren door Ipsos I&O onder haar jeugdhulpcliënten. Hierbij is gebruik gemaakt van de landelijke Modelvragenlijst Cliëntervaring Jongeren en Ouders (MCJO). Hiermee krijgt de gemeente inzicht in de (effecten van) jeugdhulp en voldoet de gemeente aan de wettelijke verantwoordingsverplichting. In totaal ontvingen 968 jeugdhulpcliënten of hun ouders een brief met het verzoek deel te nemen aan het onderzoek. In totaal hebben 147 (ouders van) jeugdhulpcliënten de vragenlijst ingevuld, een respons van 15%. Dit is volgens Ipsos I&O voldoende om betrouwbare uitspraken te kunnen doen over de doelgroep. Hieronder volgt een samenvatting van de uitkomsten. Twee derde jeugdhulpcliënten wist waar zij terecht kon voor hulp: Het grootste deel van de jeugdigen wordt door de huisarts of Praktijkondersteuner GGZ Jeugd doorverwezen naar jeugdhulp. Twee derde van de jeugdhulpcliënten wist voorafgaand waar zij terecht konden met hun hulpvraag. Iets minder dan een vijfde (17%) wist dit niet. Vergeleken met de voorgaande metingen weet een groter deel waar zij terechtkunnen voor hulp (2020; 55%). Net als voorgaande jaren weet een vijfde van de cliënten (21%) dat zij gebruik kunnen maken van een onafhankelijke cliëntondersteuner.
Ruim de helft voelt zich snel geholpen: Iets meer dan de helft (56%) van de jeugdhulpcliënten voelt zich na het melden van de hulpvraag snel geholpen. Dit is vergelijkbaar met de laatste meting (2020; 55%), maar hoger dan de jaren daarvoor (2019; 47%). Over het contact rondom de hulpvraag is de ruime meerderheid te spreken. Volgens acht op de tien cliënten (81%) worden zij serieus genomen door de medewerker en volgens driekwart (76%) is er in het gesprek samen naar oplossingen gezocht. Dit ligt in lijn met voorgaande metingen. Ruime meerderheid tevreden over kwaliteit van de hulp: Een merendeel van de jeugdhulp-cliënten is tevreden met de ondersteuning die zij op dit moment ontvangen. Zij zijn met name te spreken over de omgang door hulpverleners. In vergelijking met voorgaande metingen vinden meer cliënten dat zij voldoende informatie krijgen (74%) en vindt een groter deel de samenwerking tussen verschillende organisaties goed (67%). Meerderheid jeugdigen krijgt hulp zoals afgesproken en gehoopt: Iets meer dan de helft (53%) krijgt de hulp zoals dat met hen is afgesproken. Ongeveer een vijfde (18%) zegt niet de afgesproken hulp te hebben ontvangen. Zij geven onder andere aan dat de hulp nog niet is gestart, niet beschikbaar is of dat het langer heeft geduurd dan afgesproken voordat de hulp begon.
Bijna zes op de tien jeugdhulpcliënten (57%) vinden dat de hulp hen heeft opgeleverd wat zij hadden gehoopt. Volgens 43% heeft de hulp niet opgeleverd wat zij ervan hadden gehoopt. Zij vinden het bijvoorbeeld te vroeg om resultaten te zien of vinden dat de hulp deels heeft opgeleverd wat zij hadden gehoopt, maar hopen nog meer resultaten te behalen. Door de hulp voelen jeugdigen zich beter: In totaal ervaren acht op de tien jeugdhulpcliënten één of meer effecten van de ontvangen jeugdhulp. Zij kunnen hierdoor beter opgroeien, zijn meer zelfstandig, kunnen meer meedoen en zijn meer zelfredzaam. Zij voelen zich bijvoorbeeld veiliger (68%), weten beter wat hij/zij willen (66%), doen het beter op school (67%) en hebben meer vertrouwen in de toekomst (64%). Een minderheid van 1 tot 8 procent ervaart deze effecten niet.
36
6. Kwetsbare volwassenen Ook inwoners die een (ernstige) kwetsbaarheid hebben, moeten kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven (bijv. zo zelfstandig mogelijk wonen en ontmoetings- en ontspanningsactiviteiten). Kwetsbaarheid kan ontstaan door een beperking, of doordat vanwege ouderdom of stapeling van problemen dagelijkse zaken niet meer vanzelfsprekend zijn. Kwetsbaarheid hoort bij het leven, maar mag geen reden zijn om niet te kunnen meedoen. We bieden waar nodig ondersteuning, die zoveel mogelijk gericht is op duurzame oplossingen binnen de samenleving. In dit hoofdstuk geven we een beeld over de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in Nissewaard. Als eerste wordt dieper ingegaan op de cijfermatige ontwikkeling van voorzieningen binnen de Wmo. Hierbij maken we onderscheid in lokale taken en centrumtaken. Daarna beschrijven we wat in 2024 op hoofdlijnen is gedaan op dit onderdeel van het sociaal domein. Tot slot is een samenvatting van het cliëntervaringsonderzoek Wmo opgenomen. 6.1 Wmo-gebruik van lokale voorzieningen Op 31 december 2024 hadden 5,5% meer inwoners een Wmo-voorziening dan op 31 december 2023. Het gemiddeld aantal inwoners met een Wmo-voorziening over het hele jaar 2024 ligt 4,6% hoger dan gemiddeld in 2023. Per gebruiker worden ongeveer evenveel voorzieningen ingezet dan vorig jaar, namelijk twee gemiddeld.
Het aantal Wmo-cliënten ligt op 31 december 2024 hoger dan in alle eerdere jaren die zijn opgenomen in alle voorgaande bestuursverslagen. Ook is de stijging hoger dan in 2023, toen de stijging 1,5% bedroeg. Ook toen was het aantal cliënten al hoger dan in voorgaande jaren. Vermoedelijk is dit al een gevolg van vergrijzing. Tabel 21. Wmo voorzieningen
Aantal Wmo-cliënten Aantal Wmo voorzieningen Gemiddeld aantal Wmo voorzieningen
31-122022 6.827 13.757
31-122023 6.928 14.040
2,02
2,03
% 2024 31-12- tov 2024 2023 7.306 5,5 14.561 3,7 1,99
% Gemid- Gemid- Gemid 2024 deld deld -deld tov 2022 2023 2024 2023 6.842 6.846 7.157 4,5 13.813 13.845 14.488 4,6 2,02
2,02
2,02
Als we inzoomen op de verschillende soorten voorzieningen (zie onderstaande tabel), dan zien we daarin enkele ontwikkelingen. Allereerst is het aantal aanvragen, na een forse stijging in 2022 en 2023, in 2024 met 6% gedaald. Dit komt niet door een daling van Wmo-cliënten, dit aantal stijgt immers (zie tabel 22). De daling komt omdat vanaf 2023 voor indicaties huishoudelijke hulp geen einddatum wordt afgegeven. Hierdoor hoeven Wmo-cliënten die huishoudelijke hulp ontvangen, niet periodiek een nieuwe aanvraag te doen. Wel wordt regelmatig door de klantmanager bekeken of de omstandigheden gewijzigd zijn en of dit reden is de indicatie aan te passen. Er vindt dus wel onderzoek plaats, maar als dit geen reden geeft tot wijziging, is een nieuwe beschikking niet nodig. De enige voorziening waar een daling te zien is in de stand op 31 december, is begeleiding. Dit was ook in 2023 het geval. Opvallend is dat wanneer gekeken wordt naar jaargemiddelden, er ook bij begeleiding een stijging te zien is. Van de stijgende voorzieningen is de minste stijging te zien bij collectief vervoer. Huishoudelijke hulp kent de grootste stijging.
37
Tabel 22. Aanvragen en aantallen cliënten per Wmo-voorziening
Ingediende aanvragen Klanten collectief vervoer Klanten vervoersvoorziening Klanten huishoudelijk hulp Klanten parkeervoorziening Klanten rolvoorziening Klanten woonvoorziening Klanten begeleiding
31-122022 5.465 4.565 1.110 2.385 1.413 580 817 774
31-122023 5.860 4.590 1.201 2.450 1.473 595 854 757
% 2024 31-12- tov 2024 2023 5.507 -6 4.715 2,7 1.246 3,7 2.715 10,8 1.521 3,3 626 5,2 911 6,7 718 -5,2
% Gemid- Gemid- Gemid 2024 deld deld -deld tov 2022 2023 2024 2023 4.576 1.091 2.385 1.395 562 796 814
4.546 1.157 2.432 1.442 575 818 759
4.661 1.237 2.667 1.503 609 879 788
2,5 6,9 9,7 4,2 5,9 7,5 3,8
Naast ondersteuning in natura, kunnen inwoners ook hulp via een persoonsgebonden budget ontvangen. Het aantal unieke personen dat een pgb ontvangt vanuit de Wmo is al jaren redelijk stabiel. In 2024 is een zeer kleine daling te zien. Er zijn enkele mensen met meer dan één pgb, oftewel meer dan één voorziening. Tabel 23. Aantallen cliënten met een persoonsgebonden budget
pgb hulpmiddelen pgb Huishoudelijke hulp pgb begeleiding/dagbesteding Totaal unieke cliënten pgb
2021 39 49 25 109
2022 46 29 18 91
2023 46 27 20 91
% ontwikkeling 2024 2024 tov 2023 46 0 20 -25,9 25 25 89 -2,2
De vergelijking met Nederland in onderstaande grafiek, laat zien dat er in Nissewaard een beduidend groter aandeel inwoners is met een indicatie voor een Wmo-voorziening dan landelijk gemiddeld. Over 2024 is het verschil met het landelijk gemiddelde wederom gestegen. In de Ontwikkelagenda is opgenomen als doel dat het aantal Wmo-cliënten niet méér stijgt dan landelijk. Over 2023 en 2024 is dit wel het geval. Landelijk is het aantal cliënten per 1.000 inwoners na enkele jaren stabiliteit, licht gestegen. In Nissewaard is sinds 2023 een stijging is geweest en de stijging in 2024 is hoger dan landelijk.
38
Grafiek 10. Aantal Wmo cliënten per 1000 inwoners
6.2 Opvang Ten behoeve van Nissewaard, Voorne aan Zee, Hoekse Waard en Goeree-Overflakkee voert Nissewaard enkele Wmo taken uit als centrumgemeente. Het betreft Maatschappelijke Opvang, Vrouwenopvang en Beschermd Wonen. In deze paragraaf staat cijfermatige informatie opgenomen over de onderdelen Maatschappelijke Opvang en Vrouwenopvang. Beschermd wonen volgt in paragraaf 6.3. Ten behoeve van opvang waren er regionaal de volgende structurele voorzieningen: Leger des Heils – locatie De Herstart o 24 plekken voor 24-uursopvang van alleenstaanden (18+), met complexe problematiek; o 1 crisisplek in de vorm van een stretcher voor plegers van huiselijk geweld (tijdelijk huisverbod); o 5 extra stretchers voor winteropvang (van 1 november tot en met 31 maart). CVD Roomfirst Oranjebuurt (tijdelijke locatie, geopend in april 2024) o 15 reguliere 24-uursopvangplekken voor alleenstaanden (18+) met complexe problematiek; o 2 short-stay plekken voor acute opvang (max. 2 weken, met mogelijkheid tot eenmalige verlenging van 2 weken), in te zetten bij spoed of lopend onderzoek. Leger des Heils – locatie De Opstap o 12 kamers voor 24-uursopvang van dak- en thuisloze gezinnen (circa 26 plekken). CJV Enver o 18 plekken voor jongerenopvang (18–28 jaar).
Vrouwenopvang Enver o 18 plekken voor vrouwen vanaf 18 jaar met kinderen, en vrouwen vanaf 21 jaar zonder kinderen, die hun thuissituatie hebben verlaten vanwege huiselijk geweld. In de periode tot en met april 2024 zijn aanvullend 10 hotelplaatsingen ingezet voor dak- en thuislozen. Na de opening van de tijdelijke opvanglocatie van CVD in april waren hotelplaatsingen niet langer nodig.
39
In 2024 waren er vanuit Nissewaard 117 aanmeldingen (in 2023: 209) voor maatschappelijke opvang, van de 244 (in 2023: 389) meldingen voor onze regio als geheel. Dit is een daling van 38%. Mogelijke verklaringen hiervoor zijn verbeterde gemeentelijke informatievoorziening en regionale inzet op deskundigheidsbevordering. De belangrijkste instroomreden in 2024 is, net als in voorgaande jaren, een relatiebreuk. Andere veel voorkomende aanmeldredenen zijn: Huisuitzettingen inwonend (23+) die niet langer bij ouders of bekenden konden verblijven; Jongeren (18–23 jaar) zonder stabiele woonplek; Uitstroom uit instellingen of detentie; Bestuurlijke sluitingen (13 aanmeldingen). Op 31 december 2024 stonden 74 dak- en thuisloze personen ingeschreven met een briefadres op de Raadhuislaan 106. Dit betekent een toename ten opzichte van voorgaande jaren: 56 in 2023 en 29 in 2022. Een mogelijke verklaring voor deze stijging is de wijziging in wet- en regelgeving per 1 januari 2024. Sindsdien zijn gemeenten wettelijk verplicht om, onder bepaalde voorwaarden, een briefadres toe te kennen aan personen zonder vast woonadres. 6.3 Beschermd wonen Beschermd wonen is feitelijk wonen in een instelling, of een accommodatie daarbij, waarbij er intensieve begeleiding wordt geboden bij de dagelijkse activiteiten. Er is 24 uur per dag direct hulp beschikbaar.
Geclusterd wonen is net iets zelfstandiger. Dan woont de cliënt in een eigen (huur)woning in de buurt van een zorgaanbieder. Ook dan is er intensieve begeleiding en na een oproep is de zorgaanbieder binnen 15 minuten ter plaatse, ongeacht het tijdstip van de dag of nacht. In onderstaande tabel is te zien hoeveel inwoners van Nissewaard beschermd en geclusterd wonen. Ten opzichte van 2022 en eerder zijn de verschillende vormen gewijzigd. Daardoor zijn alleen de totalen en de persoonsgebonden budgetten met eerdere jaren te vergelijken. Tabel 24. Aantal Nissewaardse inwoners met indicatie beschermd of geclusterd wonen naar zwaarte
2021 26 3 11 6 2 0 0 0 0 2 50
Beschermd wonen intensiteit 1 Beschermd wonen intensiteit 2 Beschermd wonen intensiteit 3 Beschermd wonen overig Geclusterd wonen 1 Geclusterd wonen 2 Geclusterd wonen plus Geclusterd wonen regulier Maatwerk (offerte-basis) Persoonsgebonden budget Totaal beschermd en geclusterd wonen
2022 30 12 7 3 0 0 1 0 2 1 55
2023 35 8 3 0 0 0 1 1 1 1 50
2024 37 5 3 0 0 0 0 0 7 0 52
Het aantal indicaties Beschermd Wonen schommelt al jaren tussen de 50 en 55. Binnen de totaalcijfers is een stijging te zien in het aantal indicaties op offertebasis, van 2 in 2022 en 1 in 2023 naar 7 in 2024. Deze stijging komt voornamelijk door de stijging van de vraag naar Beschermd Wonen in een Safehouse, een voorziening die ingezet kan worden na een behandeling voor verslaving. Het aantal meldingen voor beschermd Wonen is binnen de gehele regio Zuid-Hollandse Eilanden gestegen met ruim 36%, van 278 meldingen in 2023 naar 379 meldingen in 2024. 40
6.4 Wat hebben we in 2024 gedaan binnen programmalijn kwetsbare volwassenen Naast de reguliere (wettelijke) taken, zoals het verstrekken van Wmo-voorzieningen, subsidiëren van ondersteuningsactiviteiten en inkoop van Wmo-voorzieningen, het voeren van de regie op het gebied van regionale taken maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en beschermd wonen, voerden we de volgende taken uit: We hebben in 2024 de voorbereidingen afgerond om per januari 2025 te starten met dagbesteding als algemene voorziening voor ouderen. Eind 2024 is het Opgaveteam Wmo opgericht en is een plan van aanpak opgesteld om inhoudelijke transformatie en bezuinigingsopdrachten in samenhang te kunnen oppakken. In 2024 is triage bij Wmo maatwerkvoorzieningen geïmplementeerd als werkwijze. Vooralsnog zijn uit monitoring geen punten gevonden die de werkwijze zouden moeten veranderen. We hebben de eerste stappen gezet in het kader van de Woonzorgvisie. In 2025 wordt hier verder invulling aan gegeven door onder andere de ontwikkeling van thuisplusflats. Daarnaast werkten we aan de voorbereiding van nieuwe opvang- en woonvormen voor kwetsbare volwassenen zoals flexwonen, begeleid wonen, kortdurende opvang. De implementatie van het wetsvoorstel Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein (Wams) is nog niet gerealiseerd omdat er nog geen verwachte ingangsdatum is.
Hierom is de opdracht om voor 20 multiproblematiek-huishoudens een doorbraakaanpak in te zetten onderdeel geworden van de taskforce jeugd, waarmee gezinnen met complexe jeugdhulp als eerste worden bekeken en gesproken. De Regiovisie Huiselijk Geweld en Kindermishandeling Rotterdam Rijnmond (2024-2027) is in 2024 vastgesteld. Net als bij de vorige regiovisie werken we samen met de twee andere centrumgemeenten in de regio: Rotterdam en Vlaardingen. In deze regiovisie spreken we op hoofdlijnen af wat we gezamenlijk doen in de aanpak van huiselijk geweld, kindermishandeling en seksueel geweld. We bewaken de samenhang met de ontwikkeling van het Toekomstscenario Jeugd- en gezinsbescherming. Met de regiogemeenten hebben we ook in 2024 samengewerkt aan het versterken van de lokale teams, het werken met ervaringsdeskundigen, de opvang van en hulpverlening aan plegers van huiselijk geweld en de samenwerking met ketenpartners. En we hebben bestendigd wat er al liep, bijvoorbeeld de aanpak van seksueel geweld en het verbeteren van de doorstroom in de vrouwenopvang. De vier gemeenten op de Zuid-Hollandse Eilanden hebben de ambitie uitgesproken om te blijven samenwerken op beschermd wonen en maatschappelijke opvang en hierover afspraken te maken voor de periode 2026-2036.
In juli 2024 zijn de vier colleges akkoord gegaan met de doelennotitie die hiertoe is opgesteld en met het verlengen van de samenwerking tot eind 2025. Op 12 november 2024 is het addendum voor de samenwerkingsovereenkomst vastgesteld. In januari 2025 en april 2025 zijn heisessies gehouden voor de samenwerkingsvorm en inhoud van de regionale samenwerking Beschermd Wonen/Opvang vanaf 2026. In regionaal verband komen we tot een vernieuwd zorglandschap, de voorbereidingen voor het inkooptraject zijn in 2024 gestart in de vorm van een tweetal dialoogsessies met aanbieders. De inkoop wordt in 2025 afgerond waarna de implementatie start. We hebben geïnvesteerd in een goede uitvoering van onze regionale taken, o.a. door het invulling geven aan cliëntvolgend werken en in het versterken van de netwerkvorming en kennisdeling tussen de uitvoerende teams van de vier gemeenten door periodieke overleg en gezamenlijke trainingen.
41
6.5 Cliëntervaringen Wmo 2024 Over het jaar 2024 is door Ipsos I&O een cliëntervaringsonderzoek (ceo) uitgevoerd om inzicht te krijgen in de (effecten van) hulp en ondersteuning van Wmo-cliënten binnen de gemeente. Hiermee voldoen we aan de wettelijke verantwoordingsverplichting. De vragenlijst bestaat uit de voorgeschreven basisvragen, aangevuld met vragen over het contact met de gemeente, in hoeverre de ondersteuning voorziet in de wensen en behoeften van cliënten, dienstverlening van de zorgaanbieder, effecten van de ondersteuning en mantelzorg(ondersteuning). In totaal ontvingen 977 cliënten een brief met het verzoek om deel te nemen aan het onderzoek. Uiteindelijk hebben 373 cliënten de vragenlijst volledig ingevuld; een respons van 38%. Dit is volgens Ipsos I&O voldoende om betrouwbare uitspraken te kunnen doen over de doelgroep en valt binnen de benodigde betrouwbaarheidsmarge van <5%. Een samenvatting van de bevindingen staat hieronder. Driekwart van de cliënten wist waar zij moesten zijn: Driekwart van de cliënten uit Nissewaard (76%) wist waar zij terecht konden met hun hulpvraag. De bekendheid is daarmee vergelijkbaar met 2023 (74%). De meest voorkomende redenen voor een Wmo-aanvraag blijven hulp bij het huishouden en ondersteuning bij vervoer.
De bekendheid met onafhankelijke cliëntondersteuning is gedaald naar 16%, een afname ten opzichte van voorgaande jaren (2023: 27%). Helft van de cliënten snel geholpen met hun hulpvraag: Cliënten in Nissewaard zijn over het algemeen positief over hoe de gemeente met hun hulpvraag omgaat. De helft van de cliënten (50%) is tevreden over de snelheid waarmee zij worden geholpen nadat zij zich melden met een hulpvraag. Dit is gelijk aan vorig jaar, maar minder dan voorgaande jaren. Een ruime meerderheid voelt zich serieus genomen (83%) en vindt dat er samen naar een oplossing wordt gezocht (73%). Het telefonisch contact met Thuis in Nissewaard wordt gemiddeld beoordeeld met een 7,8. Keukentafelgesprek wordt positief ervaren: Het keukentafelgesprek wordt over het algemeen positief beoordeeld met een 7,6 als gemiddeld rapportcijfer. Ruim een derde van de gesprekken (37%) is alleen met de cliënt gevoerd, minder dan in de voorgaande jaren. Zeven op de tien cliënten (69%) zijn tevreden over de gekozen oplossing, een daling ten opzichte van 2023 (76%), 2022 (81%) en 2021 (86%). Als toelichting wordt hierop door respondenten de behoefte aangegeven aan meer uren huishoudelijke ondersteuning en meer communicatie en begrip. Ook het verminderen van de wachttijden en het verbeteren van de kwaliteit van het vervoer worden genoemd.
De tevredenheid over het contact (85%) en de manier waarop er geluisterd werd door de klantmanager (83%) is juist toegenomen. Passende ondersteuning en verbeterde zelfredzaamheid: De Wmo-ondersteuning in Nissewaard krijgt een positieve waardering, met een 7,8 als gemiddeld rapportcijfer. Acht op de tien vinden de ondersteuning passend bij de hulpvraag (83%) en de kwaliteit goed (79%). Dit verschilt niet significant tussen de verschillende voorzieningen. De ondersteuning heeft een positief effect op de zelfredzaamheid van cliënten: acht op de tien cliënten kunnen zich beter redden (81%) en beter de dingen doen die zij willen (78%). Ook heeft de ondersteuning een positief effect op het dagelijkse leven van cliënten; met name bij het onderhouden van sociale contacten en het op orde houden van het huishouden. Hoge tevredenheid over zorgaanbieders: Bijna alle Wmo-cliënten (95%) waarderen de ondersteuning die zij hebben ontvangen van de zorgaanbieder als voldoende. Gemiddeld beoordelen Wmo-cliënten de ondersteuning vanuit de zorgaanbieder met een 7,8. De tevredenheid is vergelijkbaar met vorige jaren. Niet iedereen is bekend met mogelijkheden voor mantelzorgondersteuning: De helft van de cliënten krijgt hulp van de partner, vrienden, buren of familie.
Vergelijkbaar met vorig jaar heeft een op de zes cliënten (16%) deze overige hulp geregeld naar aanleiding van het (keukentafel)gesprek. Een kleine groep cliënten maakt gebruik van algemene voorzieningen (10%), een particuliere schoonmaakdienst (8%) of een vrijwilliger, maatje of coach (2%). De bekendheid met mantelzorgondersteuning blijft beperkt. Een kwart van de cliënten (26%) is bekend met de website www.nissewaardvoorelkaar.nl. 42
7. Gemeentelijke regierol Om de visie voor het sociaal domein te kunnen realiseren, is sturing en regie nodig vanuit de gemeente. In de overige programmalijnen ligt de sturing en regie op inhoudelijk en financieel gebied. Binnen de gemeentelijke regierol ligt de sturing op overkoepelend en randvoorwaardelijk gebied, bijvoorbeeld op gebied van visie, kwaliteit en rechtmatig & doelmatig handelen. Niet in de laatste plaats met als doel om de uitgaven en inkomsten in het sociaal domein met elkaar in evenwicht te brengen en de financiële voorspelbaarheid te vergroten. In dit hoofdstuk wordt uitleg gegeven over de financiën sociaal domein en het financiële risico. Ook wordt in dit hoofdstuk voor het eerst informatie weergegeven over Social Return on Investment (SROI) en toezicht. In paragraaf 7.5 wordt weergegeven wat we in 2024 vanuit de regierol hebben gedaan. 7.1 Uitgaven in het sociaal domein Bij de start van de decentralisaties in 2015 heeft de raad besloten een financieel ‘hek’ om het sociaal domein te plaatsen. Dat wil zeggen dat alle middelen die we van het rijk krijgen voor het sociaal domein, plus alle gemeentelijke middelen die Spijkenisse en Bernisse in 2014 al beschikbaar hadden voor het sociaal domein, gezamenlijk een gesloten systeem vormen. Binnen de budgetten van het sociaal domein kunnen verschuivingen plaatsvinden, al naar gelang behoefte.
Zo kunnen tekorten op het ene beleidsveld binnen het sociaal domein, gecompenseerd worden door overschotten elders binnen het ‘hek’. Feitelijk zijn er twee aparte hekken; één om de lokale taken sociaal domein en één om de centrumtaken Wmo. De afgelopen jaren is het ‘hek’ in de praktijk wel minder strak gehanteerd. Enerzijds omdat het moeilijker werd de juiste baten (rijksmiddelen) aan het sociaal domein toe te rekenen, anderzijds omdat de uitgaven hoger waren dan de begrote bedragen, waardoor er andere gemeentelijke middelen aan het sociaal domein zijn toegevoegd. In 2024 gaat in het sociaal domein circa € 153 miljoen om, exclusief de centrumtaken voor de Wmo. Dit is zo’n € 16 miljoen meer dan over 2023. Deze grote stijging heeft met een veelheid van redenen de maken: gestegen kosten als gevolg van (algemene) indexering; toename van het aantal personen met een Wmo-voorziening; toename van uitgaven aan SPUK’s 11 vallend onder het sociaal domein; toename van het bedrag aan uitkeringen door indexering van uitkeringsbedragen; toename van het aantal personen met een uitkering. De uitgaven zijn grofweg onder te verdelen in de volgende grote onderdelen: Ongeveer € 50 miljoen (2023: € 46 miljoen) wordt besteed aan taken of producten die andere partijen leveren en die wij via een inkoopopdracht of subsidieverlening bekostigen. Dit betreft met name Wmo- en Jeugdwet-taken.
Ongeveer 26% van het sociaal domeinbudget wordt gebruikt voor uitkeringen, dit is ongeveer € 40 miljoen (2023: € 36 miljoen). Ongeveer 20% van het sociaal domein-budget gaat naar de GR-JR voor specialistische jeugdhulp, dit is circa € 30 miljoen (2023: € 26 miljoen). Ongeveer € 12,4 miljoen wordt besteed aan re-integratie en werkvoorziening voor uitkeringsgerechtigden en WSW-ers, mensen die onder de Wet Sociale Werkvoorziening vallen (2023: € 11 miljoen).
11
Een SPUK is een Specifieke Uitkering van het Rijk, bedoeld voor specifieke doelen of taken. Hier zit vaak een aparte verantwoordingssystematiek aan vast en kan dan ook alleen aan dat doel worden uitgegeven.
43
Circa € 7,6 miljoen gaat naar onderwijsbeleid (exclusief huisvesting), zoals onderwijsachterstandenbeleid, kinderopvang, leerplicht en bestrijding voortijdig schoolverlaten (2023: € 8 miljoen). Circa € 4,1 miljoen betreft uitgaven voor armoedebestrijding, exclusief regeling energietoeslag (2023: € 3,8 miljoen). Aan de GR GGD Rotterdam Rijnmond wordt € 0,8 miljoen betaald voor taken op grond van de Wet Publieke Gezondheid, Wmo kwaliteitstoezicht (incl. toezicht centrumtaken) en toezicht op de kinderopvangorganisaties (2023: € 0,8 miljoen). Circa € 0,6 miljoen betreft persoonsgebonden budgetten Wmo en Jeugdwet (2023: € 0,4 miljoen).
Aan Wmo-centrumtaken is hiernaast ongeveer € 21 miljoen besteed over 2024. Dit is vergelijkbaar met 2023. De uitgaven zijn grofweg onder te verdelen in de volgende grote onderdelen: • Binnen Beschermd Wonen is ongeveer € 14,3 miljoen uitgegeven aan wonen met begeleiding van volwassenen die door psychische of psychosociale problemen behoefte hebben aan intensieve en onplanbare ondersteuning en/of toezicht. • In totaal wordt € 3,0 miljoen uitgegeven aan het opvangen en begeleiden van jongvolwassenen, alleenstaanden en gezinnen die dakloos zijn. • Een bedrag van € 3,2 miljoen is bestemd voor het regionaal bestrijden van huiselijk geweld en kindermishandeling en het opvangen van personen die wegens geweld de thuissituatie hebben moeten verlaten. In de perspectiefnota 2026, is de stand van de stelpost sociaal domein en van de reserve sociaal domein opgenomen. Op pagina 22 is de stelpost te vinden, op pagina 23/24 de reserve sociaal domein. Op pagina 26 is een overzicht te zien van (invulling van) openstaande taakstellingen. In de Ontwikkelagenda is als doel opgenomen dat er vanaf 2024 bij het opstellen van de begroting (minimaal) € 500.000 onbestemd is op de stelpost sociaal domein. Deze doelstelling kan, gezien de financiële situatie in het sociaal domein, niet structureel worden gerealiseerd. Vanaf 2028 is de stelpost negatief.
In 2024 werd van het Rijk een vergoeding van € 40.929.960 ontvangen voor BUIG om hiermee de uitkeringen12 en de loonkostensubsidies te voldoen. De uitgaven aan uitkeringen en loonkostensubsidies bedroegen in 2024 circa € 39,8 miljoen. Derhalve was het Rijkbudget ruim voldoende om de uitgaven aan uitkeringen en loonkostensubsidies te kunnen dekken. 7.2 Rechtmatigheid van uitgaven In de Ontwikkelagenda is als doel opgenomen dat het aantal rechtmatigheidsfouten en -onzekerheden onder de gemeentelijke goedkeuringstolerantie moet blijven. Dit is respectievelijk 2% en 3% van de lasten van de begroting van het sociaal domein. Zie onderstaande tabel voor de bedragen zoals vermeld in de accountantsverslagen van de gemeente Nissewaard. Tabel 25. Percentage rechtmatigheidsfouten en -onzekerheden
Bedrag fout (max. 2%) Bedrag onzeker (max. 3%)
12
2024
Blijft in 2024 onder 2% en 3%
2023
Blijft in 2023 onder 2% en 3%
€0
€ 574.000
€ 1.615.525
€0
Het betreft uitkeringen op grond van de Participatiewet, de Ioaw, de Ioaz en het Besluit Bijstand Zelfstandigen.
44
Het bedrag aan onzekerheid betreft onzekerheid omtrent de prestatieverklaring in de Wmo (circa € 700.000) en Jeugdwet (circa € 900.000 lokaal en € 100.000 GR JR). Aan zorgaanbieders die voor minder dan € 75.000 per jaar aan hulp en ondersteuning leveren, vragen wij geen goedkeurende accountantsverklaring. Over 2023 en 2024 zijn extra controles en belacties bij cliënten uitgevoerd om na te gaan dat zorg daadwerkelijk is geleverd en daarmee de prestatieverantwoording juist was opgegeven door de zorgaanbieders. Dit heeft in 2023 geleid tot € 0 onzekerheid. In 2024 heeft dit echter niet geleid tot een verlaging in het bedrag aan onzekerheid. Mogelijk dat de huidige accountant hier anders mee omgaat. 7.3 Risico’s en beheersing hiervan over 2024 De volgende risico’s in het sociaal domein, waren onderdeel van de risicoparagraaf in de begroting en jaarrekening 2024 en daarmee onderdeel van de top 25 grootste risico’s binnen de gemeente. Top 25 van risico’s (alleen sociaal domein) Kans % Max. fin. gevolg 6. De begroting/meerjarenraming (baten en lasten) Sociaal Domein is 50% € 2.500.000 onzeker. Door de gemeentelijke zorgplicht en open-eind financieringen zijn de lasten van jeugdhulp, Participatiewet-uitkeringen en Wmoondersteuning lastig te voorspellen. En door het rijksbeleid en de dynamische rijksfinanciën is de meerjarenraming van de middelen vanuit het Rijk onzeker. 7.
In het Sociaal Domein zijn in de begroting 2025 bezuinigings50% € 2.500.000 taakstellingen ingeboekt. Voor deze taakstellingen wordt onderzocht hoe deze in te vullen. Voor een deel van deze taakstellingen is nog onzeker of deze (tijdig) kunnen worden behaald. 9. De uitvoering van de Hervormingsagenda jeugd is ingezet, echter de 50% € 2.000.000 financiële consequenties, opgelegd door het Rijk, zijn per maatregel en op het geheel nog niet duidelijk. Tevens is de gemeente voor enkele maatregelen (zoals aanpassing van reikwijdte van de Jeugdwet) afhankelijk van rijksbeleid. Recent heeft het Rijk in zijn Voorjaarsnota 2025 aangekondigd dat gemeenten een compensatie voor jeugdzorgkosten ontvangen. Gemeenten worden in deze structureel vanaf 2025 gecompenseerd vanuit het advies van de deskundigencommissie (= Commissie van Ark). De commissie adviseerde om het tekort in het budget voor jeugdzorg in gelijke delen te verdelen over Rijk en gemeenten. Aanvullend is in de Voorjaarsnota opgenomen dat het ingroeipad van de maatregelen van de Hervormingsagenda wordt verzacht. De volledige besparing van de Hervormingsagenda wordt nu in 2028 gerealiseerd. Het Rijk kent hierom tijdelijk in 2026 en 2027 extra middelen toe.