Bestuursverslag Sociaal Domein over 2023
Tekst van het document
criteria voldoen. De energiebijdrage (een financiële bijdrage voor weinig draagkrachtige ouderen) is in 2023 gestegen, na een daling in 2022, en ligt weer op het niveau van 2021. Tabel 15. Aantal cliënten per armoedevoorziening
Aantal CZ verzekerden Individuele inkomenstoeslag Kindtoeslag Energiebijdrage
2020 2.764 2.549 1.551 413
2021 2.666 2.314 1.476 403
2022 2.629 2.538 1.571 358
2023 2.606 2.165 1.349 401
% Ontwikkeling 2023 tov 2022 -0,9 -14,7 -14,1 12,0
De Rotterdampas is eveneens onderdeel van het armoedebeleid. Minima kunnen de pas tegen gereduceerd tarief (€ 5) aanschaffen en voor hun kinderen is de pas gratis. Ook niet-minima kunnen de pas kopen, tegen regulier tarief. In 2023 is er ook een ‘middentarief’ geïntroduceerd voor groepen met een beperkt hoger inkomen dan het minimum. Tabel 16. Verkoop Rotterdampas in 2023
Balie Verlengbrief Webshop Totaal
Laag tarief volwassene 556 752 881 2.189
Midden Standaard Laag tarief tarief Midden tarief Standaard kind volwassene tarief kind volwassene tarief kind 306 34 13 35 41 493 751 1.550
0 0 34
0 0 13
237 1.043 1.315
Totaal 985
115 594 750
1.597 3.269 5.851
In 2023 zijn er in totaal 5.851 passen verkocht, waarvan het grootste gedeelte (63%) aan inwoners met een minimuminkomen. Niet alleen de passen met een lager tarief waren in trek, ook de reguliere passen zijn goed verkocht. Ten opzichte van 2022 (4.923 passen) is er een stijging in de verkoop van 18,9%. De stijging heeft zich vooral voorgedaan bij volwassenen. Het gemiddeld bezoek, gebaseerd op het geregistreerde bezoek door de partners, is in 2023 3,6 keer per pashouder. Nagenoeg gelijk aan het jaar ervoor. Populair zijn wederom de bioscopen, Diergaarde Blijdorp, Plaswijckpark en de Euromast. Qua bezoek aan de partners in Nissewaard is evenals vorig jaar het meest gebruik gemaakt van De Boekenberg en het Centrum voor de Kunsten. Van de andere partners in Nissewaard zoals Jump XL, de museumwoningen en de fluisterboot zijn nog geen cijfers beschikbaar. De Rotterdampas zet zich zin het aanbod te vergroten evenals de registratie van de aantallen bezoekers. Binnen het Jeugdfonds zijn er in totaal 500 aanvragen gedaan, ten opzichte van 299 in 2022. Stichting Leergeld heeft 1.536 aanvragen behandeld, waarvan 283 fietsen. In 2022 waren dit nog 724 aanvragen, waarvan en 72 fietsen. Het Jeugdfonds en Stichting leergeld warden dus steeds beter gevonden.
4.8 Wat hebben we in 2023 gedaan binnen programmalijn bestaanszekerheid Naast de reguliere (wettelijke) taken op het gebied van onder meer re-integratie naar werk, preventie en aanpak van schulden en armoede, inburgering, verstrekken van bijstandsuitkeringen, verstrekken van minimavoorzieningen, en het bieden van beschut werk, hebben we de volgende taken uitgevoerd: 22
• • • • • • •
• •
•
• • • • • • •
We hebben meer ingezet op het benutten van het instrument loonkostensubsidie en kochten meer re-integratiemiddelen in, zoals Jellooo. We hebben ingezet op harmonisatie van werkgeversinstrumenten binnen de Arbeidsmarktregio Rijnmond. We zetten Social Return on Investment (SROI) breed in. Primair was de focus op arbeid, maar SROI kan ook door middel van sociale inkoop of maatschappelijke activiteiten ingevuld worden. We zochten actief de regionale samenwerking op met andere werk-/leerbedrijven en gemeenten. We hebben actief gebruik gemaakt van businesscases om externe middelen te werven voor onze inzet. Denk hierbij aan subsidies vanuit het Europees Sociaal Fonds of het landelijk actieplan 'Dichterbij dan je denkt'. We hebben onderzocht hoe een jongerenpunt Arbeid kan bijdragen aan het verstevigen van het sociaal economisch vangnet, waardoor ze makkelijk hun weg kunnen vinden in de gemeente. Er is een communicatiecampagne gestart om het bereik van onze armoederegelingen te vergroten. Daarnaast hebben we een animatieplatform geïmplementeerd bij schuldhulpverlening, waarmee inwoners door middel van korte animaties uitleg hebben gekregen over het schuldentraject. Ook hebben we ingezet op begrijpelijkheid van communicatie (brieven) richting de inwoners. We hebben de aflosperiode van schuldregelingen verkort naar 18 maanden.
Ook wordt de BKRregistraties zes maanden na afloop van een schuldregeling verwijderd in plaats van na vijf jaar. We zijn aangesloten op het schuldenknooppunt, waardoor de looptijd van het schuldentraject werd verminderd en eerder schuldenrust ontstond voor de inwoner. Ook sloten we aan bij de Nederlandse schuldhulproute. Dat is een landelijk informatiepunt waarop ook ons lokale hulpverleningsaanbod staat. De audit van de NVVK (landelijke branchevereniging schuldhulpverlening) werd uitgevoerd over de kwaliteit van onze dienstverlening en het geleverde werk aan de hand van een kwaliteitskader. We behaalden een certificaat waaruit blijkt dat we dit met goed gevolg hebben afgelegd. We deden mee aan het project schuldenrechter. De rechtbank verwees inwoners naar ons, zodat mensen eerder hulp zochten om van hun schulden af te komen. We zetten ons in op vroegsignalering in schuldhulpverlening om (de omvang van) schulden te beperken en vroegtijdig te werken aan oplossingen. We hielpen de gedupeerde gezinnen en jongeren die in de problemen zijn gekomen door de toeslagenaffaire. We hebben het Kinderfietsplan ingevoerd en hebben de regeling sport, cultuur en educatie verruimd naar 150% van de bijstandsnorm. We hebben meer ingezet op ervaringsdeskundigen en maatjesprojecten en breder ingezet op stress-sensitieve dienstverlening.
We hebben de jaarlijkse herhaalaanvragen bijzondere bijstand voor beschermingsbewind afgeschaft. Dit proces bleek niet noodzakelijk en vormde een periodieke belasting voor cliënten, bewindvoerders en de organisatie. In 2023 hebben we in het kader van de Wet educatie en beroepsonderwijs een nieuw regionaal taalaanbod ontwikkeld. Waarbij wordt gewerkt aan de persoonlijke ontplooiing ten dienste van het maatschappelijk functioneren van volwassenen. De regio Rijnmond heeft hiertoe een samenwerkingsovereenkomst gesloten waarin is afgesproken om als regio gezamenlijk taaltrajecten in te kopen. Het netwerk DigiTaalhuis Nissewaard, bestaande uit verschillende (taal)organisaties, helpen volwassenen uit Nissewaard met de Nederlandse taal en de computer.
4.8 Cliëntervaringen Participatiewet Voor de Participatiewet vindt niet jaarlijks een cliëntervaringsonderzoek plaats. Het onderzoek dat momenteel plaatsvindt, komt terug in het volgende bestuursverslag. 23
5. Opvoeden en opgroeien Ouders zijn de eerstverantwoordelijke voor de opvoeding van hun kinderen. Ouders en (school)omgeving bieden het kind de mogelijkheden zich te ontwikkelen, talenten en voorkeuren te leren kennen en op te groeien tot zelfstandige volwassenen. We faciliteren en stimuleren de samenleving hiertoe en bieden ondersteuning als opvoed- en opgroeiproblemen ‘het normale’ overstijgen. Deze ondersteuning past bij de problematiek en de draagkracht van gezin en is gericht op duurzame oplossingen binnen de sociale omgeving. In dit hoofdstuk geven we een beeld over de Jeugdwet in Nissewaard, alsmede voor- en vroegschoolse educatie en onderwijs, voor de onderdelen verzuim en voortijdig schoolverlaten. Allereerst geven we een cijfermatig beeld. Daarna beschrijven we wat in 2023 op hoofdlijnen is gedaan op dit onderdeel van het sociaal domein. Tot slot is een samenvatting van het cliëntervaringsonderzoek jeugdhulp opgenomen. 5.1 Ontwikkeling jeugdigen met indicatie jeugdhulp Deze paragraaf geeft weer hoeveel gebruik er wordt gemaakt van jeugdhulp. Allereerst geven wij een beeld van hoeveel jeugdigen er een indicatie hebben voor jeugdhulp en hoe deze groep qua algemene kenmerken in elkaar zit. In de Ontwikkelagenda is het doel opgenomen dat het percentage jeugdigen tot 18 jaar met jeugdhulp zich binnen de range bevindt van 50% meest gemiddelde gemeenten.
Onderstaande grafiek gaat over jeugdhulp in natura aan jeugdigen tot 18 jaar. Het aantal jeugdigen met jeugdhulp laat in Nissewaard een grillig beeld zien. In 2021 lag het aantal voor het eerst net binnen de range van 50% meest gemiddelde gemeenten. In het vorige bestuursverslag was al te zien dat in 2022 een stijging had plaatsgevonden. Nu de definitieve cijfers over 2022 bekend zijn, blijkt die stijging zelfs groter te zijn geweest. In 2023 is een daling te zien, tot binnen de range van 50% meest gemiddelde gemeenten. Het betreffen echter nog voorlopige cijfers, die ook nog (naar boven) bijgesteld zouden kunnen worden. Enige voorzichtigheid bij deze positieve cijfers is daarom geboden.
Grafiek 4. Percentage jeugdigen tot 18 jaar met jeugdhulp in natura
Uit de gezondheidsmonitor Jeugd, uitgevoerd in 2023, blijkt dat de ervaren (mentale) gezondheid van jongeren in Nissewaard is verbeterd en nu vergelijkbaar is met het gemiddelde van onze GGD24
regio. Er zijn nog wel enkele negatieve afwijkingen te zien op verschillende onderdelen bij specifieke leeftijdsgroepen. Kijken we naar de totale populatie die jeugdhulp ontvangt, te weten inclusief de jongeren van 18 tot en met 23 jaar die verlengde jeugdhulp ontvangen, dan zien we het volgende beeld (zie onderstaande tabel). In totaal zijn er 2660 jeugdigen en jongvolwassenen met een indicatie voor jeugdhulp in 2023. Let wel: dit zijn nog voorlopige cijfers. De voorlopige cijfers over 2022 waren ongeveer gelijk aan dit aantal en zijn later naar boven bijgesteld. Dit maakt dat er nu een daling is te zien ten opzichte van 2022. Met deze voorlopige cijfers is in alle leeftijdscategorieën een daling te zien, behalve in de leeftijdsgroep 12-18 jaar waar een stijging is. Overigens blijkt uit de correcties op voorlopige cijfers in voorgaande jaren dat verhoudingsgewijs in de leeftijdsgroep 0-4 jaar cijfers laat worden aangeleverd, waardoor de daling die in deze leeftijdscategorie nu is te zien, mogelijk geen correct beeld geeft. Tabel 17. Jeugdigen tot 23 jaar met indicatie jeugdhulp (natura en pgb)
Totaal jeugdigen met jeugdhulp
2020 2.455
2021 2.560
2022 2.745
% Ontwikkeling % aandeel 2023 2023 tov 2022 2023 2.660 -3,1
Waarvan jongens
1.410
1.465
1.560
1.505
-3,5
56,6
waarvan meisjes
1.045
1.095
1.185
1.155
-2,5
43,4
leeftijd 0 tot 4 jaar
165
155
180
140
-22,2
5,3
leeftijd 4 tot 12 jaar
1.240
1.210
1.225
1.135
-7,3
42,7
leeftijd 12 tot 18 jaar
890
970
1.095
1.145
4,6
43
leeftijd 18 tot 23 jaar
155
225
245
235
-4,1
8,8
kind in eenouderhuishouden
915
965
995
975
-2
36,7
1.320
1.385
1.545
1.505
-2,6
56,6
215
210
205
180
-12,2
6,8
kind bij paar kind overig huishouden
Als we kijken naar andere kenmerken, dan zien we dat er meer jongens dan meisjes met een indicatie zijn. Meerjarig lijkt het percentage meisjes echter heel langzaam te groeien ten opzichte van het percentage jongens. Kijkend naar het soort huishouden dan wordt relatief vaker jeugdhulp ingezet bij een eenoudergezin dan op grond van het percentage eenoudergezinnen mag worden verwacht. Het CBS houdt geen cijfers meer bij over migratieachtergrond, waardoor deze cijfers uit de tabel zijn gehaald. Naast de jeugdhulp in natura, wordt ook jeugdhulp in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) gefinancierd. Van het totaal aantal indicaties voor jeugdhulp, zijn er 2 voor pgb. Dit betreft pgb voor ambulante hulp. In 2017 waren er 127 pgb’s en in 2021 was dit gedaald tot 39 budgetten en in 2022 naar 9. Voor jeugdhulp wordt in 2022 dus nog maar zeer beperkt gebruik gemaakt van pgb. Mogelijk spelen hierbij duidelijker regels voor pgb een rol en is maatwerk in de plaats getreden van pgb. 5.2 Soorten jeugdhulp Als we de soort jeugdhulp in natura uitsplitsen dat op peildatum 31 december 2023 nog werd geboden, dan komen we tot onderstaand beeld. De cijfers zijn door CBS afgerond op vijftallen, waardoor de optelling mogelijk niet overeenkomt. De cijfers over 2022 in dit bestuursverslag verschillen van de cijfers van 2022 zoals opgenomen in het vorige bestuursverslag.
De cijfers over 2023 zijn ook hier nog niet definitief. Dat betekent dat de cijfers in veel gevallen nog (licht) kunnen stijgen. 25
Kijkend naar de cijfers over 2023 (tabel 18), dan is hierin een gunstig beeld te zien. Het aantal jeugdhulptrajecten ligt beduidend lager dan in voorgaande jaren en ook lager dan het voorlopige cijfer over 2022 zoals opgenomen in het vorige bestuursverslag (2360 trajecten). Het is daarom aannemelijk dat het aantal trajecten ook in de definitieve cijfers lager zal liggen dan in 2022 (definitieve aantal trajecten 2022 bedraagt 2820). Voor het grootste deel zal dit te maken hebben met een daling van de ambulante jeugdhulp, oftewel jeugdhulp zonder verblijf. Uit ‘waarstaatjegemeente’ blijkt dat Jeugdhulp met verblijf landelijk ongeveer 8% bedraagt van het totaal aantal jeugdhulptrajecten. In Nissewaard ligt dit eind 2023 rond de 8,5%; lager dan in 2021. Alle soorten jeugdhulp zonder verblijf zijn gedaald. Vanaf 2022 is vanuit het JOT kritischer beoordeeld in hoeverre hulpverlening vanuit het JOT voldoende meerwaarde heeft. Er wordt nagenoeg alleen nog hulpverlening ingezet waar de methodieken triple-P, opvoedondersteuning of JIM écht van toegevoegde waarde zijn binnen het gezin. Dit heeft binnen het JOT geleid tot een verschuiving van hulpverlening naar casusregie. Per 2024 wordt gewerkt aan een splitsing van het JOT in een deel hulpverlening (basisaanbod) en een deel gemeentelijke toegang en casusregie, waarbij medewerkers in dienst zijn gekomen bij de gemeentelijke organisatie.
Tabel 18. Jeugdhulptrajecten in natura op 31 december (afgerond op 5-tallen)
Totaal jeugdhulptrajecten in natura
2020 2.540
2021 2.700
2022 2.820
2023 2.215
Jeugdhulp zonder verblijf
2.285
2.445
2.575
2005
Jeugdhulp met verblijf
255
255
245
210
% Ontwikkeling 2023 tov 2022 -21,5 -22,1 -14,3
920 1.015 130 220
850 1.170 145 275
795 1.380 155 245
585 1045 145 230
-26,4 -24,3 -6,5 -6,1
145 35 10 65
120 30 0 95
120 20 0 95
115 15 0 75
-4,2 -25 0 -21,1
Jeugdhulp zonder verblijf Uitgevoerd door wijk- of buurtteam (JOT) Ambulante jeugdhulp op locatie aanbieder Daghulp op locatie van de aanbieder Jeugdhulp in het netwerk van de jongere Jeugdhulp met verblijf Pleegzorg Gezinsgericht Gesloten plaatsing6 Ander verblijf bij jeugdhulpaanbieder
Onderstaande grafiek gaat over jeugdbescherming. Bij ernstige problemen in een gezin kan de kinderrechter een kinderbeschermingsmaatregel opleggen, bijvoorbeeld een onder toezicht stelling, of het beëindigen van het gezag van ouders (jeugdbescherming). Het percentage jeugdigen met jeugdbescherming lag in Nissewaard in 2022 voor het eerst binnen de range van 50% meest gemiddelde gemeenten. Echter in 2023 heeft geen verdere daling doorgezet, terwijl dit landelijk wel
6
Vanaf 2021 zijn er in deze cijfers geen gesloten plaatsingen. Dit komt omdat het enerzijds een standcijfer betreft (het aantal op een peildatum, in dit geval 31 december) en anderzijds er afronding plaatsvindt op vijftallen. Dat betekent dat er ook 2 gesloten plaatsingen zouden kunnen zijn.
26
heeft plaatsgevonden. Door de landelijke daling, ligt het aantal jeugdigen met jeugdbescherming nu weer boven de range van 50% meest gemiddelde gemeenten.
Grafiek 5. Percentage jeugdigen met Jeugdbescherming
Er is sprake van jeugdhulp met verblijf als de jongere formeel niet thuis slaapt in het eigen gezin. Het kan gaan om opvang in een pleeggezin, gezinsgerichte opvang of in een vorm van gesloten jeugdhulp.
Grafiek 6. Percentage Jongeren met Jeugdhulp met verblijf in natura
Deze vorm van jeugdhulp is in Nissewaard vaker van toepassing dan in de 50% meest gemiddelde gemeenten van Nederland. Doel in de Ontwikkelagenda is dat dit percentage zich binnen de range van 50% meest gemiddelde gemeenten bevindt. Sinds 2020 is de ontwikkeling van jeugdhulp met verblijf in Nissewaard wel gunstiger dan landelijk, waardoor het verschil kleiner wordt.
27
Als we dieper kijken naar aantal jongeren boven de 18 jaar met jeugdhulp met verblijf, dan zien we dat dit vanaf 2022 sterk is gedaald, en zich inmiddels binnen de range van 50% meest gemiddelde gemeenten bevindt. Dit duidt erop dat steeds meer jongeren van 18 jaar en ouder hulp ontvangen vanuit het passende wettelijke kader voor volwassenen, zodat verlengde jeugdhulp minder nodig is.
Grafiek 7. Het percentage van jongeren met jeugdhulp met verblijf dat 18 jaar of ouder is.
5.3 Verwijzers naar jeugdhulp Het aantal jeugdhulp-trajecten (zie onderstaande tabel) is hoger dan het aantal jeugdigen met jeugdhulp (zie tabel 17), hetgeen betekent dat diverse jeugdigen meerdere trajecten (soorten hulp) hebben lopen. Dit is een landelijk beeld. Casusregie door bijvoorbeeld het JOT wordt ook als een apart traject geteld7. Ook hiervoor geldt dat 2023 voorlopige cijfers zijn, die op een later moment nog bijgesteld zullen worden. Tabel 19. Verwijzers van in 2023 nog lopende trajecten (afgerond op vijftallen)
Jeugdhulptrajecten Gemeentelijke toegang Huisarts Jeugdarts Gecertificeerde instelling Medisch specialist Rechter, officier van justitie Geen verwijzer Verwijzer onbekend
2020 3.655 1.875 950 20 550 200 15 50 0
2021 3.810 1.180 1.290 15 375 180 15 995 20
2022 4.045 1.180 1.290 15 375 185 10 975 10
7
% Ontwikkeling % aandeel 2023 2023 tov 2022 2023 3.715 -8,2 995 -15,7 26,8 1.275 -1,2 34,3 10 Aantal te klein 0,3 415 10,7 11,2 175 -5,4 4,7 20 Aantal te klein 0,5 815 -16,4 21,9 10 Aantal te klein 0,3
Dit geldt alleen nog in 2023, zolang het JOT bestaat waar ook hulpverlening plaatsvindt. In 2024 wordt casusregie in de gemeentelijke toegang niet als traject gezien, omdat er geen hulp plaatsvindt.
28
Als we kijken naar de (op enig moment) in 2023 nog lopende jeugdhulptrajecten in natura, ongeacht in welk jaar het traject is gestart, zien we dat de verwijzingen door het JOT zijn gedaald (zie bovenstaande tabel). Dit is in lijn met de ingezette beweging door het JOT/gemeentelijke toegang. Kijkend naar het aandeel dat verwijzers hebben in de nog lopende trajecten, dan stijgt het aandeel verwijzingen door de huisarts. In 2023 is dit ruim 34%, terwijl dit in voorgaande twee jaar nog rond de 30% schommelde, al was daar ook in 2022 al een stijging te zien ten opzichte van 2021. Het aandeel jeugdhulptrajecten met verwijzing door de gecertificeerde instelling (jeugdbescherming en jeugdreclassering) is eveneens flink gestegen ten opzichte van 2021 en 2022, toen het aandeel nog onder de 10% lag. 5.4 Voor- en vroegschoolse educatie Voor- en vroegschoolse educatie (vve) is onderdeel van het onderwijsachterstandenbeleid en sinds 2020 onderdeel van het sociaal domein. Het doel is om peuters en kleuters met een mogelijke (taal)achterstand, ook wel ‘doelgroepkinderen’ genoemd, beter voor te bereiden op de basisschool en ervoor te zorgen dat kleuters zonder achterstand naar groep 3 kunnen. De gemeente heeft de specifieke verantwoordelijkheid om de leerachterstanden van peuters te beperken (voorschoolse educatie).
Voor de totale doelgroep zijn we als gemeente verantwoordelijk voor het voeren van regie, dus ook voor het deel vroegschool (basisschool tot 6 jaar). Hiertoe maken we resultaatafspraken met kinderopvang en basisscholen. Vanaf 6 jaar tot het einde van de basisschool is het onderwijs zelf verantwoordelijk. Landelijk stelt het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) voor 15 procent van de kinderen met het hoogste risico op onderwijsachterstand extra financiering beschikbaar. Van de 8.545 kinderen uit Nissewaard in 2023, viel 20 procent binnen deze landelijke doelgroep. Hieruit kan dus worden geconcludeerd dat er in Nissewaard meer kinderen zijn met een onderwijsachterstand dan gemiddeld in Nederland (20% in Nissewaard t.o.v. 15% in Nederland).
Tabel 20. Aantal kinderen met (mogelijke) taalachterstand (doelgroepkinderen)
2020
2021
2022
% Ontwikkeling 2023 2023 tov 2022
Totaal aantal kinderen8
8.135
8.220
8.590
8.545
-0,5
Aantal doelgroepkinderen
1.710
1.725
1.760
1.700
-3,4
Percentage
21%
21%
20%
20%
In onderstaande tabel zien we het totaal aantal peuters dat een vve-indicatie heeft. De indicatie wordt afgegeven door het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG). Daarnaast is opgenomen hoeveel plekken er zijn in de kinderopvang waar voor- en vroegschoolse educatie wordt gegeven, door daartoe opgeleide medewerkers. Tot slot wordt vermeld hoeveel kinderen met dit aanbod worden bereikt.
8
alle kinderen woonachtig in een gemeente in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar of die naar een bekostigde basisschool gaan (uitgezonderd particulier of speciaal onderwijs).
29
Tabel 21. Aantal peuters met indicatie vve en bereik van deze doelgroep
2021 Aantal peuters met indicatie vve 298
2022 416
2023 489
Aantal vve-plekken9 Peuters die aanbod gebruiken Bereik vve (aantal peuters met indicatie tov gebruik aanbod)
202 228
244 311
489 346
76,5%
74,8%
70,8%
% Ontwikkeling 2023 tov 2022 17,4 Niet vergelijkbaar 11,3
In 2023 waren er 489 peuters met een indicatie vve. Begin 2023 namen 346 peuters van de 489 doelgroeppeuters deel aan vve-aanbod of stonden op de wachtlijst voor deelname (bereik van 70,8%). Het gestelde doel in de Ontwikkelagenda is dat minimaal 85% van de doelgroepkinderen (peuters) wordt bereikt met aanbod. Vve is echter niet verplicht. Ouders kunnen dit weigeren, of kunnen aangeven dat ze reguliere gastouder- of kinderopvang voldoende vinden. Ook kan het zijn dat de extra dagdelen vve niet passen in het gezinsschema. Het percentage bereik is gedaald vergeleken met 2022 (van 74,8% naar 70,8%). Deze daling wordt veroorzaakt doordat het aantal peuters met een indicatie sterker is gestegen dan het aantal peuters dat het aanbod gebruikt. Toch kan de toename in het aantal peuters dat gebruik maakt van het aanbod (+11,3%) als een positief resultaat worden gezien. De grote stijging van het aantal indicaties heeft (onder andere) te maken met extra inspanning bij het CJG op indicatiestelling en betere signalering door bijvoorbeeld kinderopvangorganisaties. Vanuit de gemeente is de wens voor ieder doelgroepkind een plek te realiseren. De financiering vanuit de gemeente sluit hierop aan, doordat extra gerealiseerde vve-plekken gedurende het jaar aanvullend worden gefinancierd zolang er kinderen met indicatie zijn.
Ook is een subsidie verleend voor kosten van scholing van (nieuw) personeel. Niet altijd kan uitbreiding even snel worden gerealiseerd. Kinderopvangorganisaties hebben namelijk moeite met het vinden van locaties die aan de wettelijke vereisten voldoen en het werven van goed personeel om het aanbod te kunnen uitbreiden. 5.5 Schoolverzuim en voortijdig schoolverlaten Bij relatief verzuim is een jeugdige wel ingeschreven op school, maar verzuimt gedurende bepaalde tijd lessen. Ook veelvuldig laatkomen valt hieronder. In onderstaande grafiek is te zien dat het relatief verzuim in Nissewaard zich binnen de range bevindt van de 50% meest gemiddelde gemeenten. Er lijkt zich een grote daling te hebben voorgedaan. Deze daling is echter grotendeels administratief van aard. In voorgaande jaren hebben leerplichtambtenaren de registraties door scholen over verzuim aangevuld. Dit omdat er een grote discrepantie was tussen de cijfers uit het systeem die door scholen waren aangeleverd en de cijfers vanuit de leerplichtadministratie over onderzochte situaties. In 2023 is rondvraag gedaan bij andere gemeenten en bij de organisatie die het systeem voor verzuimadministratie beheert. Hieruit blijkt dat in het systeem het aantal unieke personen wordt geteld, terwijl de gemeente in de eigen administratie alle meldingen apart telt. Daarbinnen zitten dus meldingen over dezelfde persoon.
De meeste gemeenten vullen de door de scholen aangeleverde administratie niet aan met eigen gegevens, al is hierover bij veel gemeenten wel onduidelijkheid. Op de cijfers over 2022 heeft geen 9
Het betreft hier de prognose van het aantal plekken voor 2023 op basis van de subsidieaanvragen. De subsidievaststelling was bij opstellen van dit bestuursverslag nog niet bekend. De berekening van het aantal VVE plekken is in 2023 gewijzigd vanwege de manier van subsidiëren. Per 2023 hanteren we een plek volgt kind systematiek. Daarom is het aantal plekken gelijk aan het aantal peuters: het aanbod gaat mee met de vraag.
30
aanpassing meer plaatsgevonden, waardoor de aangeleverde cijfers van Nissewaard weer beter vergelijkbaar zijn met de cijfers die voor andere gemeenten worden aangeleverd. Hieruit blijkt dus nagenoeg geen verschil meer met andere gemeenten.
Grafiek 8. Relatief verzuim in aantal per 1000 leerlingen
Bij voortijdig schoolverlaten, jeugdigen die zonder startkwalificatie het onderwijs verlaten, heeft zich tot en met 2017 in Nissewaard een sterke daling voorgedaan, die ertoe heeft geleid dat Nissewaard tot en met 2019 binnen de range van 50% meest gemiddelde gemeenten van Nederland zat (zie onderstaande grafiek).
Grafiek 9. Percentage voortijdig schoolverlaters
In 2020 is het percentage voortijdig schoolverlaten omhoog geschoten en die stijging heeft zich de jaren erna voortgezet. Landelijk is in 2022 het percentage voortijdig schoolverlaters gestabiliseerd, terwijl er in Nissewaard wederom een stijging is te zien. Het percentage voortijdig schoolverlaters ligt hoger dan de 50% meest gemiddelde gemeenten. Doel uit de Ontwikkelagenda is eind 2026 (weer) binnen de range van 50% gemiddelde gemeenten te zitten. Om dit te bereiken is de begeleiding van voortijdig schoolverlaters inmiddels niet meer extern uitbesteed, maar wordt het binnen de gemeente opgepakt met een uitgebreider zorgaanbod. Ook is de samenwerking met 31
andere coördinerend gemeenten in de regio Rijnmond en met Voorne aan Zee en GoereeOverflakkee geïntensiveerd, net als de samenwerking met MBO-scholen. Dit mede ter voorbereiding van de wet ‘van school naar duurzaam werk’, die augustus 2025 van kracht wordt. De gemeente heeft tot taak de vsv-ers zoveel mogelijk weer terug te leiden naar school of anders naar werk. In onderstaande tabel is te zien hoe Nissewaard (Nw) hierin presteert in vergelijking met de landelijke percentages (NL). Uit deze tabel blijkt dat we in Nissewaard beter in staat zijn de voortijdig schoolverlaters naar onderwijs terug te leiden, of anders naar werk te begeleiden, dan landelijk. Ieder jaar is het percentage ‘terug naar onderwijs’ hoger dan landelijk. Het percentage vsvers dat een jaar later nog niet naar school of werk is geleid (‘nog steeds vsv’), ligt jaarlijks lager dan het landelijke percentage, al is het verschil de afgelopen twee jaar kleiner geworden. Tabel 22. Percentage voortijdig schoolverlaters dat een jaar later naar onderwijs of werk is geleid
Vsv-er vorig jaar Nog steeds vsv Terug naar onderwijs Doorgeleid naar werk
2020 NL Nw 27.067 142 42,2% 37,3% 26,4% 36,6% 31,4% 26,1%
2021 NL Nw 22.766 120 40,2% 33,3% 24,3% 30,8% 35,6% 35,8%
2022 NL Nw 24.480 150 42,4% 42,0% 20,9% 24,7% 36,7% 33,3%
2023 NL Nw 30.520 183 40,6% 39,9% 22,3% 22,4% 37,2% 37,7%
5.5 Wat hebben we in 2023 gedaan binnen programmalijn opvoeden en opgroeien Naast onze reguliere (wettelijke) taken op gebied van onder andere leerplicht, kinderopvang en voor- en vroegschoolse educatie, leerlingenvervoer, preventief jeugdbeleid, financieren van jeugdgezondheidszorg, schoolmaatschappelijk werk en jongerenwerk, inkoop van (persoonsgebonden) jeugdhulpvoorzieningen (al dan niet via de Jeugdhulpregio Rijnmond – GR JR), hebben we de volgende taken uitgevoerd: • In 2023 is het proces gestart rondom de toegang. De casus en procesregie die bij de jeugd en gezinscoaches lag binnen het JOT (jeugdondersteuningsteam) wordt vanaf 2024 uitgevoerd door klantmanagers jeugd die in dienst zijn bij de gemeente. • Onze lokale accountmanagers hebben ook in 2023 samen met alle gecontracteerde partijen gewerkt aan stevig contractmanagement. Tevens zijn enkele aanpassingen gedaan in de huidige lokale producten en diensten, zodat deze beter aansluit bij de vraag en meer inzet mogelijk is op op- en afschalen. • De regionale contracten van jeugdhulp liepen eind 2022 af, waardoor in 2022 een nieuwe aanbesteding heeft plaatsgevonden. Dit gaf de gelegenheid veranderingen door te voeren per 1 januari 2023, zoals hulp-arrangementen, casusregie en afwegingskader. Ook is besloten enkele onderdelen niet meer regionaal maar lokaal in te kopen (daginvulling en specialistische ambulante GGZ).
Lokaal en subregionaal heeft deze inkoop plaatsgevonden en was in 2023 dit aanbod beschikbaar. • Ook in 2023 hebben we met de regiogemeenten op Voorne en Goeree-Overflakkee samengewerkt op een aantal onderwerpen, o.a. praktijkondersteuners Jeugd (POH), Integraal Zorgakkoord (IZA) en dagbesteding voor jeugdigen. Dit ten behoeve van het creëren van meer uniformiteit en mogelijkheden om de jeugdhulp te organiseren. • De regioagenda van de jeugdhulpregio Rijnmond (samenvoeging regiovisie en de landelijke hervormingsagenda) voor 2023-2025 is vastgesteld. Binnen dit kader is er in 2023 gewerkt aan de 3 thema's waar we in Nissewaard prioriteiten in zien. Ingezet is op verbinding jeugd en onderwijs, overgangsproblematiek van minderjarigen met jeugdhulp die 18 jaar worden (18/18+) en samenloop met andersoortige problematiek, met name bestaanszekerheid.
32
• • • •
•
• •
• •
We hebben gewerkt aan het verminderen van de wachtlijsten voor voorschoolse educatie in de kinderopvang. Dit hebben we gedaan door een kwaliteitsimpuls te geven aan de VVE scholing voor medewerkers in de kinderopvang. We hebben ingezet op het vergroten van het bereik van kwetsbare kinderen en de toeleiding naar de juiste zorg. De focus heeft hierbij gelegen op het vroeg signaleren en preventief werken. We hebben ingezet op gelijke kansen door aan te sluiten bij de gelijke kansen alliantie en het budget dat hierbij is vrijgekomen volledig te begroten en deels in 2023 te besteden. We hebben ingezet op een doorlopende leer- en ontwikkellijn voor elk kind. De pilot voorschool naar vroegschool heeft een doorstart gekregen en de eerste positieve resultaten komen boven. Daarnaast is er een subsidie verstrekt aan het primair onderwijs en kinderopvang voor het bevorderen van de samenwerking en de professionalisering. Er hebben twee themamiddagen plaatsgevonden met kinderopvang en onderwijs, ter voorkoming en bestrijding van onderwijsachterstanden en laaggeletterdheid. Op deze manier wordt er ingezet op professionalisering in de kinderopvang en het onderwijs in het werken met kinderen met een taalachterstand.
Ter voorkoming en bestrijding van taalachterstanden is geïnvesteerd in ouderbetrokkenheid door middel van educatieve thuisprogramma's en voorlichting binnen de voor- en vroegschoolse educatie (vve). We hebben uitvoering gegeven aan het Nationaal Programma Onderwijs. Nissewaard krijgt vanuit het Rijk incidentele middelen om samen met het onderwijs en kinderopvang een plan te maken voor kinderen met o.a. sociaal-emotionele achterstanden/problematiek die tijdens de coronacrisis zijn ontstaan. Alle beschikbaar gestelde middelen zijn begroot of besteed. Door de leerplichtambtenaren is inzet gepleegd om voortijdig schoolverlaten te voorkomen. Leerplichtambtenaren zijn verbonden aan specifieke scholen zodat er in een vroegtijdig stadium laagdrempelig overleg en inzet kan worden gepleegd. Jongeren tussen de 18 en 23 jaar die geen startkwalificatie hebben worden benaderd door een doorstroomcoach (RMC consulent) om hen alsnog naar school of aan het werk te krijgen. Op deze manier is gewerkt aan het verminderen van het aantal voortijdig schoolverlaters.
5.6 Cliëntervaringen Jeugdwet 2023 In september 2023 is een cliëntervaringsonderzoek (ceo) uitgevoerd om inzicht te krijgen in de (effecten van) jeugdhulp onder cliënten binnen de gemeente. De doelgroep van het ceo Jeugd bestaat uit cliënten die (in 2022 en/of 2023 in het kader van de Jeugdwet) van de gemeente een individuele maatwerkvoorziening ontvangen. In totaal ontvingen 186 jeugdhulpcliënten of hun ouders in de gemeente Nissewaard een brief met het verzoek deel te nemen aan het onderzoek, waarvan 12 personen zich opgaven voor een telefonisch interview. Dit onderzoek is in een andere vorm uitgevoerd dan voorheen, waardoor vergelijking met voorgaande jaren niet mogelijk is. Hieronder de belangrijkste resultaten van dit onderzoek: • Hulpvragen beginnen vaak bij de huisarts of school. In enkele gevallen hebben ouders zelf informatie gezocht of hulp gekregen van collega’s en kennissen. Ook zijn enkele ouders na contact met het consultatiebureau bij het JOT terechtgekomen. • Ervaringen met het JOT zijn overwegend positief. De ervaring is afhankelijk van de medewerker en het hebben van een vast aanspreekpunt. • De weg naar de hulp wordt wisselend ervaren. Een deel vindt het te bureaucratisch, een ander deel denkt de juiste hulp nog niet te hebben gevonden. Een groot deel geeft aan goed geholpen te zijn door het JOT.
• In veel gevallen is het snel starten van de hulp belangrijker dan keuzevrijheid in het kiezen van een zorgaanbieder. • Een aantal cliënten is tevreden over de lengte van de wachttijd voor het starten van de hulp. Zij konden over het algemeen binnen een aantal maanden terecht. Anderen moesten langer wachten en zijn hier ontevreden over. In de meeste gevallen zijn zij wel geïnformeerd over 33
•
•
deze wachttijd. De wachttijden zijn er bij zowel het JOT als de hulpaanbieder. De meeste gesproken cliënten zijn positief over de ondersteuning die zij ontvangen en geven een rapportcijfer tussen de 7 en de 9. Er zijn ook enkelen die de ondersteuning met een onvoldoende beoordelen, zij hebben vaak een lange en moeizame aanloop gehad totdat de juiste hulp daadwerkelijk van start ging. Cliënten zijn positief over het effect van de hulp op hun kind of zichzelf. De ouders zien dat hun kinderen beter in hun vel zitten en er zowel fysiek als sociaal op vooruitgaan door de ondersteuning. Sommige cliënten zijn nog niet klaar met het traject en zien nog geen effect. Enkele citaten hierover: “Nog vrij kort voor resultaten, in verband met zomervakantie en ziekte.” “EMDR gedaan. Het heeft echt effect gehad. De nachtmerries zijn na de sessies echt minder.” “Ik merk verschil in mijn gedrag hiervoor. Het gaat makkelijker. Ik snap iets meer hoe ik er mee om moet gaan en kan omgaan.” “Zijn depressiviteit is weg, de wil om te leven komt terug. Er is weer structuur in zijn leven.” “Ze zegt wat er is, geeft duidelijkheid over haar gevoelens. Spaart zichzelf niet op. Ze is een beetje gekalmeerd.”
•
De meeste cliënten hadden niet te maken met een samenwerking tussen verschillende hulpaanbieders en professionals. Twee ouders zijn ontevreden over de samenwerking met het leerlingenvervoer (men kreeg geen privé-vervoer). Twee andere ouders zijn zeer te spreken over de samenwerking van hulpaanbieders en gemeente.
34
6. Kwetsbare volwassenen Ook inwoners die een (ernstige) kwetsbaarheid hebben, moeten kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven (bijv. zo zelfstandig mogelijk wonen en ontmoetings- en ontspanningsactiviteiten). Kwetsbaarheid kan ontstaan door een beperking, of doordat vanwege ouderdom of stapeling van problemen dagelijkse zaken niet meer vanzelfsprekend zijn. Kwetsbaarheid hoort bij het leven, maar mag geen reden zijn om niet te kunnen meedoen. We bieden waar nodig ondersteuning, die zoveel mogelijk gericht is op duurzame oplossingen binnen de samenleving. In dit hoofdstuk geven we een beeld over de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in Nissewaard. Als eerste wordt dieper ingegaan op de cijfermatige ontwikkeling van voorzieningen binnen de Wmo. Hierbij maken we onderscheid in lokale taken en centrumtaken. Daarna beschrijven we wat in 2023 op hoofdlijnen is gedaan op dit onderdeel van het sociaal domein. 6.1 Wmo-gebruik van lokale voorzieningen Op 31 december 2023 hadden 1,5% meer inwoners een Wmo-voorziening dan op 31 december 2022. Het gemiddeld aantal inwoners met een Wmo-voorziening over het hele jaar 2023 ligt 0,2% hoger dan gemiddeld in 2022. Per gebruiker worden ongeveer evenveel voorzieningen ingezet dan vorig jaar, namelijk net iets meer dan twee gemiddeld. Vóór 2019 lag die die grens nog net onder de 2 voorzieningen gemiddeld.
Het aantal Wmo-cliënten ligt op 31 december 2023 hoger dan in alle eerdere jaren die zijn opgenomen in alle voorgaande bestuursverslagen. Vermoedelijk is dit al een gevolg van vergrijzing. Tabel 23. Wmo voorzieningen
Aantal Wmo-cliënten Aantal Wmo voorzieningen Gemiddeld aantal Wmo voorzieningen
31-122021 6.680 13.563
31-122022 6.827 13.757
2,03
2,02
% 2023 31-12- tov 2023 2022 6928 1,5 14.040 2,1 2,03
% Gemid- Gemid- Gemid- 2023 deld deld deld tov 2021 2022 2023 2022 6.757 6.842 6.846 0,1 13.730 13.813 13.845 0,2 2,03
2,02
2,02
Als we inzoomen op de verschillende soorten voorzieningen (zie onderstaande tabel), dan zien we daarin enkele ontwikkelingen. Allereerst is het aantal aanvragen, na een forse stijging in 2022, in 2023 wederom gestegen met 7,2%. Niet eerder, sinds de metingen over 2017, was het aantal aanvragen zo hoog. De enige voorziening waar een daling te zien is, is begeleiding. Dit onderdeel bestaat uit individuele begeleiding en begeleiding groep, oftewel dagbesteding. Op beide onderdelen is een daling te zien. De daling is 2,5% bij dagbesteding en 1,4% bij individuele begeleiding. Van de stijgende voorzieningen is de minste stijging is te zien bij collectief vervoer. Vervoersvoorzieningen (zoals een scootmobiel) kent de grootste stijging. Bij collectief vervoer was in 2021 een grote daling te zien, die in 2022 en 2023 niet ongedaan is gemaakt. Huishoudelijke hulp steeg in 2021 als enige voorziening en blijft net als in 2022 ook dit jaar weer stijgen.
35
Tabel 24. Aanvragen en aantallen cliënten per Wmo-voorziening
Ingediende aanvragen Klanten collectief vervoer Klanten vervoersvoorziening Klanten huishoudelijk hulp Klanten parkeervoorziening Klanten rolvoorziening Klanten woonvoorziening Klanten begeleiding
31-122021 4.846 4.553 1.095 2.339 1.368 551 767 736
31-122022 5.465 4.565 1.110 2.385 1.413 580 817 774
% 2023 31-12- tov 2023 2022 5.860 7,2 4.590 0,5 1.201 8,2 2.450 2,7 1.473 4,2 595 2,6 854 4,5 757 -2,2
% Gemid- Gemid- Gemid- 2023 deld deld deld tov 2021 2022 2023 2022 4.561 1.162 2.260 1.356 559 780 806
4.576 1.091 2.385 1.395 562 796 814
4.546 1.157 2.432 1.442 575 818 759
-0,7 6,0 2,0 3,4 2,3 2,8 -6,8
Naast ondersteuning in natura, kunnen inwoners ook hulp via een persoonsgebonden budget ontvangen. Voor de Wmo zijn de aantallen persoonsgebonden budget in eerdere jaren (sterk) gedaald, met uitzondering van de hulpmiddelen. Nu is een stabilisatie te zien. In totaal zijn er op 31 december 2023 op lokale Wmo-voorzieningen (dus zonder verblijf) 80 pgb’s, ten opzichte van 81 een jaar eerder. Tabel 25. Aantallen cliënten met een persoonsgebonden budget
pgb hulpmiddelen pgb Huishoudelijke hulp pgb begeleiding/dagbesteding Totaal Wmo pgb (lokaal)
2020 24 53 28 105
2021 34 42 25 101
2022 41 22 18 81
% ontwikkeling 2023 2023 tov 2022 40 -2,5 21 -4,6 19 5,5 80 -1,3
De vergelijking met Nederland in onderstaande grafiek, laat zien dat er in Nissewaard een beduidend groter aandeel inwoners is met een indicatie voor een Wmo-voorziening dan landelijk gemiddeld. Over 2023 is het verschil met het landelijk gemiddelde wederom gestegen. In de Ontwikkelagenda is opgenomen als doel dat het aantal Wmo-cliënten niet méér stijgt dan landelijk. Over 2023 is dit, voor het eerst sinds 2020, wel het geval. Landelijk is het aantal cliënten per 1000 inwoners enkele jaren redelijk stabiel, terwijl in Nissewaard in 2023 een stijging is geweest. Ten opzichte van het vorige bestuursverslag zijn de cijfers over eerdere jaren iets bijgesteld, aangezien er nu definitieve cijfers beschikbaar zijn. Over 2023 zijn de cijfers nog niet definitief.
36
Grafiek 10. Aantal Wmo cliënten per 1000 inwoners
6.2 Opvang en beschermd wonen Ten behoeve van Nissewaard, Voorne aan Zee, Hoekse Waard en Goeree-Overflakkee voert Nissewaard enkele Wmo taken uit als centrumgemeente. Het betreft Maatschappelijke Opvang, Vrouwenopvang en Beschermd Wonen. In deze paragraaf staat cijfermatige informatie opgenomen over deze onderdelen. Opvang Ten behoeve van opvang waren er regionaal de volgende structurele voorzieningen: • 23 plaatsen voor dag- en nachtopvang voor een brede doelgroep hulpvragers van 18 jaar en ouder en 1 crisisbed voor plegers huiselijk geweld (tijdelijk huisverbod); • 12 kamers voor 24-uurs voorziening voor dak- en thuisloze gezinnen (in totaal ongeveer 26 plekken); • 18 plekken voor opvang van jongeren van de leeftijd 18-28 jaar; • 18 plekken voor opvang van vrouwen vanaf 18 jaar met kinderen en vrouwen vanaf 21 jaar zonder kinderen, die veelal hun thuissituatie hebben verlaten in verband met geweld in huiselijke kring. Naast deze structurele voorzieningen zijn over een groot deel van 2023 10-15 hotelplaatsen ingezet voor daklozen. In 2023 waren er vanuit Nissewaard 209 meldingen voor maatschappelijke opvang, van de 389 meldingen voor onze regio als geheel. Het belangrijkste deel van meldingen komt voort uit problemen in de relationele sfeer, waaronder echtscheidingen en jongeren die thuis conflicten ervaren en daardoor niet thuis kunnen blijven wonen.
Ook komt een substantieel deel van de meldingen voor opvang door huisuitzettingen. Ten opzichte van 2022 was er een stijging in meldingen van ongeveer 5%. Beschermd wonen Beschermd wonen is feitelijk wonen in een instelling, of een accommodatie daarbij, waarbij er intensieve begeleiding wordt geboden bij de dagelijkse activiteiten. Er is 24 uur per dag direct hulp beschikbaar. Geclusterd wonen is net iets zelfstandiger. Dan woont de cliënt in een eigen (huur)woning in de buurt van een zorgaanbieder. Ook dan is er intensieve begeleiding en na een oproep is de zorgaanbieder binnen 15 minuten ter plaatse, ongeacht het tijdstip van de dag of nacht. 37
In onderstaande tabel is te zien hoeveel inwoners van Nissewaard beschermd en geclusterd wonen. Ten opzichte van 2022 en eerder zijn de verschillende vormen gewijzigd. Daardoor zijn alleen de totalen en de persoonsgebonden budgetten met eerdere jaren te vergelijken. Tabel 26. Aantal Nissewaardse inwoners met indicatie beschermd of geclusterd wonen naar zwaarte
2020 32 12 18 4 3 1 0 0 0 6 76
Beschermd wonen intensiteit 1 Beschermd wonen intensiteit 2 Beschermd wonen intensiteit 3 Beschermd wonen overig Geclusterd wonen 1 Geclusterd wonen 2 Geclusterd wonen plus Geclusterd wonen regulier Maatwerk (offerte-basis) Persoonsgebonden budget Totaal beschermd en geclusterd wonen
2021 26 3 11 6 2 0 0 0 0 2 50
2022 30 12 7 3 0 0 1 0 2 1 55
2023 35 8 3 0 0 0 1 1 1 1 50
Er is een groot verschil te zien in aantallen inwoners met een indicatie voor 2021 en vanaf 2021. Per 1 januari 2021 is de Wet langdurige zorg (Wlz) opengesteld voor mensen met een (ernstig) psychiatrische aandoening, die waarschijnlijk permanent op zorg en ondersteuning zijn aangewezen. Het gaat om een doelgroep waarvan verwacht wordt dat ze slechts een beperkt ontwikkelperspectief hebben. Een deel van de Wmo-doelgroep beschermd wonen, is daarom per 2021 overgegaan naar de Wlz. Dit verklaart grote daling van het aantal inwoners die vanuit de Wmo beschermd wonen in 2021 ten opzichte van 2020. Na een stijging in 2022, is het aantal cliënten beschermd of geclusterd wonen nu weer op niveau van 2021. Ook het aantal cliënten op de wachtlijst, dat onderdeel vormt van de aantallen in de bovenstaande tabel, is na een stijging in 2022, weer op niveau van 2021. Er staan eind 2023 8 mensen op de wachtlijst, eind 2022 waren dit er 14. Op 31 december 2022 waren er 56 dak- en thuislozen met een briefadres op de raadhuislaan 106. In 2022 waren dit er 29.
6.3 Wat hebben we in 2023 gedaan binnen programmalijn kwetsbare volwassenen Naast de reguliere (wettelijke) taken, zoals het verstrekken van Wmo-voorzieningen, subsidiëren van ondersteuningsactiviteiten en inkoop van Wmo-voorzieningen, voerden we de volgende taken uit: • Er is een verbeteringsslag gemaakt in het toepassen van de mogelijkheden van op- en afschalen in Wmo-voorzieningen. Het evalueren van de zorgplannen is meer ingebed in de werkwijze. Met de komst van het systeem Suite4 Sociale regie en de livegang van de Toegang verwachten we meer resultaten op een grotere schaalgrootte. Vanwege de grote stijging in het aantal meldingen Wmo, is de formatie uitgebreid om wachttijden te beperken. • In 2023 is het haalbaarheidsonderzoek voor de inrichting van een triage proces voor de persoonsgebonden Wmo-voorzieningen afgerond. Triage wordt in 2024 geïmplementeerd zodat rechthebbende inwoners met een urgente hulpvraag sneller een indicatie in het kader van de Wmo ontvangen. • In 2023 is de kwaliteit van de uitvoering van het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer sterk verbeterd. Het aantal klachten is met 50% gedaald, terwijl het aantal gebruikers gelijk is gebleven. Ondanks de nog steeds bestaande personeelskrapte bij de uitvoerder, en de verkeersdrukte is de stiptheid ook significant toegenomen, van 70% naar ruim 80%. 38
• • • •
•
•
• •
Het inkoopproces voor hulpmiddelen Wmo is afgerond. Hierbij was vereenvoudiging voor de uitvoering een belangrijke doelstelling. Daarnaast is een kostprijsonderzoek uitgevoerd. De Woonzorgvisie is ontwikkeld samen met woningcorporaties, zorgaanbieders en welzijnsorganisaties en is in december 2023 vastgesteld. In 2024 vertalen we deze naar een uitvoeringsagenda wonen voor kwetsbare doelgroepen en ouderen. Om de keten rond mensen met verward gedrag verder sluitend te krijgen hebben we in 2023 ingezet op de realisatie van het meldpunt niet-acute zorg, bewezen effectieve maatregelen en de samenwerking met diverse partners in het veld zoals ggz-instellingen en zorggroepen. In 2023 is gewerkt aan de afronding en vaststelling van het lokale beleid ‘Beschermd Thuis in Nissewaard’. De eerste stappen bestonden uit het onderzoeken van de effecten van de huidige regionale afspraken rondom woningurgenties, het verkennen van mogelijk geschikte locaties om woonvoorzieningen in te huisvesten en inventariseren welke inwoners in de regionale opvangvoorzieningen lokaal opgevangen kunnen worden. Als centrumgemeente voor de Zuid-Hollandse Eilanden hebben we in 2023 samen met de regio een principekeuze gemaakt over de reikwijdte van de toekomstige regionale samenwerking.
Op basis van deze principekeuze is een nieuw regionaal project gestart om te komen tot keuzes over zorglandschap, organisatie, financiën en governance. Ook is een tijdelijke structuur ingericht om sturing te geven aan de uitvoering en doorontwikkeling van de centrumgemeentelijke taken. Ten slotte is regionaal overeenstemming bereikt over het verdelen van een deel van de centrumgemeentelijke middelen over de afzonderlijke regiogemeenten zodat zij hun preventie en nazorg goed kunnen vormgeven. Als centrumgemeente voor de Zuid-Hollandse Eilanden is in 2023 verder gewerkt aan het realiseren van de doelstellingen uit het regionale verbeterplan 'Geweld hoort nergens thuis' 2021-2023. Dit hebben we gedaan door te sturen op de inzet van ervaringsdeskundigen, door de voorstelling Blauwe Plekken aan te bieden op scholen, door het lespakket Gezonde Relaties te ontwikkelen en door verschillende bijeenkomsten en deskundigheidsbevorderingen aan te bieden en te organiseren. Daarnaast werkten we in 2023 verder aan een snellere doorstroom van cliënten in de vrouwenopvang en onderzochten we of meer differentiatie in de opvang bij huiselijk geweld mogelijk is.
Samen met regiogemeenten zorgden we ervoor dat we ons op het niveau van Rotterdam Rijnmond goed positioneerden binnen de ontwikkeling van het Toekomstscenario, kind- en gezinsbescherming, waarbij een specifiek aandachtspunt is dat de brede doelgroep 0-100 voldoende geborgd blijft in deze ontwikkeling. Dit hebben we gedaan door mee te denken en input te leveren op verdere ontwikkeling en uitwerking van het Toekomstscenario, kind- en gezinsbescherming in Regio Rijnmond en door daarin ook de link te leggen naar onze eigen regio. Hierin zijn we opgetrokken met de andere centrumgemeentes.
6.4 Cliëntervaringen Wmo 2023 Voor de Wmo geldt dat (jaarlijks) een ervaringsonderzoek gehouden wordt onder cliënten (ceo). De doelgroep van het cliëntervaringsonderzoek Wmo zijn cliënten die in 2023 van de gemeente een individuele Wmo-maatwerkvoorziening ontvingen. In totaal ontvingen 975 cliënten een uitnodigingsbrief met het verzoek om deel te nemen aan het onderzoek, waarvan 392 cliënten de vragenlijst volledig hebben ingevuld; een respons van 40 procent. De belangrijkste bevindingen zijn: Redenen voor contact met de gemeente: Cliënten zijn gevraagd naar redenen om contact op te nemen met de gemeente. Ruim vier op de tien (42%) zoeken contact omdat zij onbekend zijn met het regelen van ondersteuning. Dit is toegenomen vergeleken met 2022 (36%). Ook zeggen vier op de tien cliënten (39%) dat hun omgeving hen niet meer kan ondersteunen. Dit is vergelijkbaar met 2022 (38%), maar lager dan de jaren daarvoor. Drie op de tien cliënten (29%) hadden geen overzicht van het probleem en keuzes rondom hun hulpvraag en zocht daarom contact met de gemeente.
39
Niet aankunnen van huishoudelijke taken voornaamste reden om hulp te zoeken: De helft van de cliënten neemt contact op met de gemeente Nissewaard omdat ze het huishoudelijk werk niet meer aankunnen (49%). Dit is licht afgenomen ten opzichte van 2022 (53%). Ruim een derde van de cliënten (36%) zocht hulp omdat zij zelf geen vervoersmogelijkheid hadden. Dit is vergelijkbaar met 2022 (38%). Circa één op de tien cliënten nam contact op met de gemeente omdat zij moeite hadden met het oplossen van problemen (13%), vanwege overbelasting van de mantelzorger (12%) of omdat zij meer contact willen met anderen (9%). Helft van de cliënten tevreden over snelheid waarmee zij geholpen worden: Driekwart van de cliënten (74%) weet voorafgaand waar zij terecht kunnen met hun hulpvraag. De bekendheid is daarmee vergelijkbaar met 2022 (75%). De helft van de cliënten (50%) is in 2023 tevreden over de snelheid waarmee zij worden geholpen nadat zij zich melden met een hulpvraag. Dit is lager dan de afgelopen jaren (2022; 60%, 2020; 66%, 2019; 73%). De bekendheid van onafhankelijke cliëntondersteuning is met 27% vergelijkbaar met 2022 (26%) en hoger dan de jaren daarvoor (21%). Cliënt voelt zich serieus genomen: De Wmo-cliënten zijn over het algemeen positief over hoe de gemeente met hun hulpvraag omgaat. Een ruime meerderheid van 88% van de cliënten vindt dat zij serieus werden genomen.
Dit is vergelijkbaar met vorig jaar. Driekwart (76%) vindt dat er in het gesprek samen naar een oplossing voor de hulpvraag wordt gezocht. Ten opzichte van vorig jaar is dit afgenomen (2022; 82%). Keukentafelgesprek wordt positief ervaren: Ongeveer de helft (48%) van de keukentafelgesprekken werd samen met een naaste gevoerd. Een ruime meerderheid vindt dat het gesprek goed is verlopen. Het meest tevreden is men over de manier waarop de medewerker naar hen luisterde (79%). Circa driekwart van de cliënten is tevreden over de gekozen oplossing (76%), het contact met de medewerker (76%) en de deskundigheid van de medewerker (74%). Ten opzichte van de voorgaande jaren is de tevredenheid over de genoemde aspecten van het gesprek licht afgenomen. Ruime meerderheid vindt kwaliteit van de ondersteuning goed: Men is doorgaans positief over de kwaliteit van de ondersteuning. Ruim driekwart vindt deze goed (77%) en ruim acht op de tien vinden deze passend bij de hulpvraag die men had (85%). Voor beide aspecten is de tevredenheid licht toegenomen ten opzichte van 2022 (74% en 79%). Ruim acht op de tien cliënten (84%) vinden dat de ondersteuning die zij nu krijgen de best passende oplossing voor hun hulpvraag is. Cliënten die dat niet vinden zijn ontevreden over de wachttijd, of de hoeveelheid of kwaliteit van de hulp.
Goed rapportcijfer voor zorgaanbieders: Bijna alle Wmo-cliënten (95%) waarderen de ondersteuning die zij hebben ontvangen van de zorgaanbieder als voldoende. Ruim zes op de tien cliënten (63%) waarderen deze met een 8 of hoger. Een derde (32%) vindt de ondersteuning die zij ontvangen een 6 of 7 waard. Gemiddeld beoordelen Wmo-cliënten de ondersteuning vanuit de zorgaanbieder met een 7,7. De tevredenheid is vrijwel gelijk gebleven met vorige jaren. Aandeel cliënten dat positieve effecten ervaart van ondersteuning is toegenomen: Cliënten ervaren positieve effecten van de ontvangen ondersteuning. Acht op de tien cliënten kunnen zich beter redden (83%), beter de dingen doen die zij willen (79%) en ervaren door de ondersteuning een betere kwaliteit van leven (78%). Voor alle drie de effecten is dit aandeel toegenomen ten opzichte van 2022. Ook heeft de ondersteuning een positief effect op het dagelijkse leven van cliënten, bijvoorbeeld het onderhouden van sociale contacten of het op orde houden van het huishouden. Niet iedereen is bekend met mogelijkheden voor mantelzorgondersteuning: Naast ondersteuning uit een Wmo-maatwerkvoorziening ontvangen veel cliënten nog op een andere manier ondersteuning. De helft (50%) van de Wmo-cliënten krijgt hulp van de partner, vrienden, buren of familieleden.
Zes op de tien cliënten (59%) die mantelzorg ontvangen, denken dat diegene de zorg voor hen wel aan kan. Een aanzienlijk kleinere groep cliënten maakt gebruik van algemene voorzieningen (12%), een particuliere schoonmaakdienst (7%) of een vrijwilliger, maatje of coach (3%). Cliënten zijn niet altijd bekend met de mogelijkheden voor mantelzorgondersteuning. Ondersteuning in de vorm van een mantelzorgconsulent (24%) en het Steunpunt Mantelzorg (27%) zijn het minst bekend.
40
7. Gemeentelijke regierol Om de visie voor het sociaal domein te kunnen realiseren, is sturing en regie nodig vanuit de gemeente. In de overige programmalijnen ligt de sturing en regie op inhoudelijk en financieel gebied. Binnen de gemeentelijke regierol ligt de sturing op overkoepelend en randvoorwaardelijk gebied, bijvoorbeeld op gebied van visie, kwaliteit en rechtmatig & doelmatig handelen. Niet in de laatste plaats met als doel om de uitgaven en inkomsten in het sociaal domein met elkaar in evenwicht te brengen en de financiële voorspelbaarheid te vergroten. In dit hoofdstuk wordt uitleg gegeven over de financiën sociaal domein en het financiële risico. In paragraaf 7.3 wordt over de gehele breedte van de gemeentelijke regierol weergegeven wat we in 2023 hebben gedaan. 7.1 Het hek om budgetten sociaal domein Bij de start van de decentralisaties in 2015 heeft de raad besloten een financieel ‘hek’ om het sociaal domein te plaatsen. Dat wil zeggen dat alle middelen die we van het rijk krijgen voor het sociaal domein, plus alle gemeentelijke middelen die Spijkenisse en Bernisse in 2014 al beschikbaar hadden voor het sociaal domein, gezamenlijk een gesloten systeem vormen. Binnen de budgetten van het sociaal domein kunnen verschuivingen plaatsvinden, al naar gelang behoefte.
Zo kunnen tekorten op het ene beleidsveld binnen het sociaal domein, gecompenseerd worden door overschotten elders binnen het ‘hek’. Feitelijk zijn er twee aparte hekken; één om de lokale taken sociaal domein en één om de centrumtaken Wmo. In 2023 gaat in het sociaal domein circa € 133 miljoen om, exclusief de centrumtaken voor de Wmo. Dit is zo’n € 5 miljoen meer dan over 2022. Dat heeft vooral te maken met gestegen kosten als gevolg van onder meer indexering en toename van het aantal uitkeringen. De uitgaven zijn grofweg onder te verdelen in de volgende grote onderdelen: • Ongeveer € 46 miljoen wordt besteed aan taken of producten die andere partijen leveren en die wij via een inkoopopdracht of subsidieverlening bekostigen. Dit betreft met name Wmoen Jeugdwet-taken. • Ongeveer 27% van het sociaal domeinbudget wordt gebruikt voor uitkeringen (ongeveer € 36 miljoen). • Ongeveer 20% van het sociaal domein-budget gaat naar de GR-JR voor specialistische jeugdhulp (circa € 26 miljoen). • Ongeveer € 11 miljoen wordt besteed aan re-integratie en werkvoorziening voor uitkeringsgerechtigden en WSW-ers (mensen die onder de Wet Sociale Werkvoorziening vallen). • Circa € 8 miljoen gaat naar onderwijsbeleid (exclusief huisvesting), zoals onderwijsachterstandenbeleid, kinderopvang, leerplicht en bestrijding voortijdig schoolverlaten.
• Circa € 3,8 miljoen betreft uitgaven voor armoedebestrijding (exclusief regeling energietoeslag). • Aan de GR GGD Rotterdam Rijnmond wordt € 0,8 miljoen betaald voor taken op grond van de Wet Publieke Gezondheid, Wmo kwaliteitstoezicht (incl. toezicht centrumtaken) en toezicht op de kinderopvangorganisaties. • Circa € 0,4 miljoen betreft persoonsgebonden budgetten Wmo en Jeugdwet.
41
Aan Wmo-centrumtaken is hiernaast ruim € 21 miljoen besteed over 2023. De uitgaven zijn grofweg onder te verdelen in de volgende grote onderdelen: • Binnen Beschermd Wonen is ongeveer € 14,2 miljoen uitgegeven aan wonen met begeleiding van volwassenen die door psychische of psychosociale problemen behoefte hebben aan intensieve en onplanbare ondersteuning en/of toezicht. • In totaal wordt € 3,5 miljoen uitgegeven aan het opvangen en begeleiden van jongvolwassenen, alleenstaanden en gezinnen die dakloos zijn. • Een bedrag van € 3,3 miljoen is bestemd voor het regionaal bestrijden van huiselijk geweld en kindermishandeling en het opvangen van personen die wegens geweld de thuissituatie hebben moeten verlaten. In de Ontwikkelagenda is als doel opgenomen dat het aantal rechtmatigheidsfouten en -onzekerheden onder de gemeentelijke goedkeuringstolerantie moet blijven van respectievelijk 1% en 3% van de lasten van de begroting van het sociaal domein. Zie onderstaande tabel voor de bedragen zoals vermeld in de accountantsverslagen van de gemeente Nissewaard. Tabel 27. Percentage rechtmatigheidsfouten en -onzekerheden
Bedrag fout (max. 1%) Bedrag onzeker (max. 3%)
2022
Blijft in 2022 onder 1% en 3%
2023
Blijft in 2023 onder 1% en 3%
€0
✓
€ 574.000
✓
€ 833.000
✓
€0
✓
De fout heeft volledig te maken met het volgende: De raming van de zorglasten voor de jeugdhulp is in de jaarrekening € 26,1 miljoen. Op basis van de concept rapportage van de GR JR komt de last voor de gemeente Nissewaard € 574.000 lager uit. Het college heeft besloten deze correctie niet meer te verwerken in de eigen jaarrekening. De accountant heeft dit als fout gerekend. Ten opzichte van vorig jaar is de onzekerheid naar € 0 gedaald. Zorgaanbieders die voor minder dan € 75.000 per jaar aan hulp en ondersteuning leveren, vragen wij geen goedkeurende accountantsverklaring. Over 2023 zijn echter door de gemeentelijke organisatie extra controles uitgevoerd op de prestatieverantwoording, waaronder het bellen van cliënten in hoeverre de hulp en zorg is geleverd. Dit heeft ertoe geleid dat er geen onzekerheid meer is in het sociaal domein. In de perspectiefnota, is de stand van de stelpost sociaal domein en van de reserve sociaal domein opgenomen. Op pagina 20 is de stelpost te vinden, op pagina 22 de reserve sociaal domein. Het document is via deze link Perspectiefnota 2025 in te zien. Hier is ook een overzicht te zien van (invulling van) openstaande taakstellingen. In de Ontwikkelagenda is als doel opgenomen dat er vanaf 2024 bij het opstellen van de begroting (minimaal) € 500.000 onbestemd is op de stelpost sociaal domein.
Deze doelstelling kan, gezien de financiële situatie in het sociaal domein, niet worden gerealiseerd. In 2023 werd van het Rijk een vergoeding van € 35.568.104 ontvangen voor BUIG om hiermee de uitkeringen10 en de loonkostensubsidies te voldoen. De uitgaven aan uitkeringen en loonkostensubsidies bedroegen in 2023 circa € 35,7 miljoen. Derhalve was het Rijksbudget net niet voldoende om de uitgaven aan uitkeringen en loonkostensubsidies te kunnen dekken.
10
Het betreft uitkeringen op grond van de Participatiewet, de Ioaw en Ioaz en het Besluit Bijstand Zelfstandigen.
42
7.2 Risico’s en beheersing hiervan over 2023 De volgende risico’s in het sociaal domein, waren onderdeel van de risicoparagraaf in de begroting en jaarrekening 2023 en daarmee onderdeel van de top 25 grootste risico’s binnen de gemeente. Top 25 van risico’s (alleen sociaal domein)
Kans %
3. De uitvoering van de Hervormingsagenda jeugd is ingezet, echter de financiële consequenties, opgelegd door het Rijk, zijn per maatregel en op het geheel nog niet duidelijk. Tevens is de gemeente voor enkele maatregelen (zoals aanpassing van reikwijdte van de jeugdwet) afhankelijk van het nieuwe kabinet. Dit terwijl de verwachte besparingen wel doorgevoerd worden. Daarnaast is het landelijke beeld en ook in Nissewaard dat de kosten blijven stijgen voor jeugdhulp, terwijl de financiële gegevens en consequenties van de Hervormingsagenda Jeugd gebaseerd zijn op de gegevens van 2019. 4. De begroting/meerjarenraming Sociaal Domein is onzeker. In het Sociaal Domein zijn immers vele onzekerheden waaronder de lasten van jeugdhulp en Wmo-ondersteuning (mede door de verplichting tot het bieden van reële tarieven), het behalen van de taakstellingen, het rijksbeleid en de rijksfinanciën. 11. Reële tarieven: De wettelijke verplichting om reële tarieven aan zorgaanbieders te bieden voor maatwerkvoorzieningen in de Wmo en de Jeugdwet blijft een punt van aandacht en kan leiden tot toekomstige lastenstijgingen. Momenteel speelt het risico dat de voorlopige OVA-index lager ligt dan de CAO verhogingen binnen de Wmo ondersteuning en Jeugdhulp. Verwacht wordt dat de OVA hiervoor nog gecorrigeerd gaat worden.