74.Gezamenlijke zienswijze op module energietransitie omgevingsbeleid provincie Zuid-Holland; Ontwerp herziening omgevingsbeleid module energietransitie
Tekst van het document
▪
geef in je participatieplan aan welke inspannings- of resultaatverplichting je verbindt aan het bereiken van de verschillende doelgroepen. Ga aan de hand hiervan gedurende het proces na wat het resultaat is: zijn ook traditioneel ondervertegenwoordigde groepen voldoende aan het woord gekomen? Zijn een verscheidenheid aan belangen naar voren gekomen?;
▪
breng in kaart welke inhoudelijke, verschillende perspectieven/belangen naar voren zijn gekomen in de gesprekken en hoe deze zich verhouden tot het algemeen belang.
DOORWERKING Aan het begin van het participatieproces wordt duidelijk gemaakt aan burgers wat de ruimte is voor invloed. Achteraf wordt gecommuniceerd wat voor invloed de inbreng in het participatieproces al dan niet heeft gehad op het besluit. ▪
van te voren worden duidelijke kaders gesteld voor de reikwijdte van invloed van burgers op besluitvorming. Zorg dat er een goede afstemming is met de (gemeente)raad over de mate van invloed van het publiek;
▪
bij elke fase van het participatieproces wordt duidelijk gemaakt aan de deelnemers wat de reikwijdte is van invloed en in hoeverre invloed (nog) kan worden verwerkt in het besluit. - Het wordt inzichtelijk gemaakt welke resultaten zijn meegenomen uit de verschillende participatie-activiteiten en in hoeverre deze hebben geleid tot aanpassingen;
▪
in de besluitvorming wordt meegewogen in hoeverre de verschillende doelen uit het participatieplan zijn gerealiseerd.
*Deze uitgangspunten zijn gebaseerd op een onderzoek dat is uitgevoerd door een onderzoeksteam van de Rijksuniversiteit Groningen in opdracht van de provincie. Hierin zijn Zuid-Hollandse gemeenten, RES-regio’s en leden van Provinciale Staten betrokken. In dit onderzoek worden de uitgangspunten uitgebreider beschreven en worden werkmethoden aangereikt om deze ook in praktijk te brengen. Draagvlak Vanuit de ervaring die we nu opdoen met het (onafhankelijke) draagvlakonderzoek rondom de uitwerking van de zoeklocatie Avelingen, komen we tot een voorgestelde methodiek om in de toekomst draagvlakonderzoeken vorm te geven. 64
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
-
Integraliteit: in het kader van de uitwerking van de zoekgebieden vindt ook een integrale afweging plaats met andere (ruimtelijke) opgaven, bijvoorbeeld op het gebied van woningbouw, mobiliteit, recreatie, klimaat, biodiversiteit, landbouw. Dit om te voorkomen dat later in het proces, bij de vertaling naar het omgevingsbeleid van de betrokken overheden, aan het licht komt dat de voorstellen niet uitgevoerd kunnen worden.
-
Prioritering: start met de uitwerking van die zoekgebieden waar er nog voldoende ruimte op het netwerk is en die als kansrijk uit de PlanMER komen.
-
Ontwerpend onderzoek: Zet het instrument van ontwerpend onderzoek in bij het verder uitwerken van de zoekgebieden
-
Product: Bestaat uit : 1. Beschrijving van de andere (ruimtelijke) opgaven en relevante meekoppelkansen per zoekgebied. 2. Visualisaties van de wijze waarop deze meekoppelkansen kunnen worden benut. 3. Globaal kaart beeld van het beoogde ‘eindplaatje’ in het zoekgebied of de ligging van een concrete locatie (als dat het resultaat is van de uitwerking van het zoekgebied) 4. (Suggesties voor) te nemen inrichtings- en beheersmaatregelen op het gebied van landschappelijke inpassing en de bevordering van de biodiversiteit. 5. Afspraken over hoeveelheid ha zonneveld/ aantal windturbines dat gebouwd kan worden in het zoekgebied en de mogelijke locaties daarvan binnen het zoekgebied. (kan bv zijn: alleen achter op de percelen of: direct aansluitend aan de dorpsrand of: tussen elk zonneveld moet minimaal x percelen zitten enz.). 6. Afspraken over hoe procesmatig wordt omgegaan met initiatieven binnen het zoekgebied zodat deze inderdaad op de beoogde plekken landen en op de juiste wijze worden uitgewerkt. 7. Inschatting van de beoogde bijdrage aan de geformuleerde ambitie in de RES. 8. Beschrijving van de eventueel benodigde aanpassing in de netinfrastructuur. 9. Planning van de realisatie en het beheer. 10. Beschrijving hoe wordt omgegaan met de installaties na beëindiging van de vergunning hoe de ontmanteling van de opweklocatie wordt vastgelegd. 11.
Beschrijving van de benodigde participatie (proces en financieel) op projectniveau bij de realisatie van concrete initiatieven.
Ad 2: Kaders Voor de uitwerking van de zoekgebieden zijn voor de provincie de volgende kaders van belang: 1. Het provinciale omgevingsbeleid is van toepassing bij de uitwerking van de zoekgebieden zon en wind. Dit betekent onder andere dat daar waar de 65
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
zoekgebieden overlappen met de beschermingscategorieën ruimtelijke kwaliteit de regels voor deze gebieden uit de omgevingsverordening van toepassing zijn. Dit betekent dat in deze (delen van) de zoekgebieden slechts onder voorwaarden ontwikkelingen voor de opwek van duurzame energie mogelijk zijn rekening houdend met, en bijdragend aan de beschermde waarde in die gebieden (natuur, kroonjuwelen cultuurhistorie, beschermde graslanden bollenstreek, belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden, groene buffergebieden). Praktisch gezien zijn zonnevelden in natuurnetwerk Nederland, de graslanden in de bollenstreek en in belangrijke weidevogelgebieden dan nagenoeg uitgesloten.
2. Voor wind hanteren we bij de uitwerking van de zoekgebieden aanvullend daarop de provinciale visie op wind: De ruimtelijke uitgangspunten zijn daarbij dat windenergie passend is langs grootschalige infrastructuur (snelwegen), op grote bedrijventerreinen of op de grote scheidslijnen tussen land en water; de randen van de Zuid-Hollandse eilanden. Windturbines plaatsen we ‘daar waar het waait’ (denk aan kustgebieden), ‘daar waar energie gevraagd wordt’ (denk aan industrie) en ‘daar waar ze aan kunnen sluiten bij grote landschappelijke structuren’ (grootschalige overgangen land-water, grote lijnvormige (infra)structuren (havengebied)). De voorkeur wordt gegeven aan enkelvoudige lijnopstellingen en clusters, in samenhang met en evenwijdig aan de betreffende infrastructuur en scheidslijnen. Bestaande opstellingen van moderne, grote turbines kunnen ter plaatse vervangen en opgeschaald worden. Bij de plaatsing van windturbines dienen op projectniveau effecten ten aanzien van onder meer natuur, flora en fauna, bescherming van waardevol cultureel erfgoed, geluid, externe veiligheid, radar, slagschaduw, lichtschittering, vaarwegen en waterstaatswerken, landschappelijke inpassing, beleving, netinfrastructuur, watertoets en archeologie te worden onderzocht. Het voorgaande dient in een MER en/of een ruimtelijke onderbouwing te worden vastgelegd. 3.
Voor zon: In aanvulling op de locaties zoals die zijn opgenomen in de provinciale uitwerking van de zonneladder kan het zijn dat in de zoekgebieden die door Provinciale Staten zijn vastgesteld, meer mogelijkheden komen voor zonnevelden. Randvoorwaarde is dan wel dat een integrale nadere verkenning en uitwerking van deze zoekgebieden is uitgevoerd waarbij onder andere opgaven rond de landbouw vanwege bijvoorbeeld bodemdaling, waterkwaliteit, stikstof en biodiversiteit, maar ook mogelijk andere ruimtelijke opgaven die spelen in het gebied, mee worden genomen. 66
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
Het leveren van een bijdrage aan het bevorderen van de biodiversiteit en het realiseren van een goede landschappelijke inpassing vormen de basis bij elk te realiseren zonneveld en zijn. 4. De bovenregionale samenhang en de samenhang tussen de zoekgebieden wordt meegenomen bij de uitwerking van de zoekgebieden. 5. In het kader van de herziening van de module energie is een planMER uitgevoerd. Aandachtspunten per zoekgebied uit deze planMER worden meegenomen bij de uitwerking van de zoekgebieden. 6. Energie infrastructuur: bij de uitwerking wordt gekeken of er voldoende ruimte op het netwerk beschikbaar of tijdig realiseerbaar is. Benodigde ruimte voor aanvullende of nieuwe infrastructuur (leidingen, opslag, transformatiestations etc.) wordt meegenomen bij de uitwerking van de zoekgebieden. Proces
Zon In de door Provinciale Staten vastgestelde zoekgebieden voor zon uit de Regionale Energiestrategieën kan het zijn dat aanvullend op de locaties zoals die zijn opgenomen in de provinciale uitwerking van de zonneladder, in deze zoekgebieden meer mogelijkheden komen voor zonnevelden mits het zoekgebied verder is uitgewerkt en Gedeputeerde Staten hebben ingestemd met de door de RES vastgestelde uitwerking van de zoekgebieden. Naast deze locaties zijn er buiten de zoekgebieden voor zon in principe geen mogelijkheden voor zonnevelden. Ontheffing is uitsluitend mogelijk als het gaat om een ruimtelijk aanvaardbaar lokaal initiatief dat tot stand is gekomen na een zorgvuldig doorlopen participatieproces
Wind Indien de uitwerking van de zoekgebieden in de RES 2.0 verder worden gecontinueerd of concreet worden uitgewerkt is een mogelijke volgende stap deze te verwerken in de regels en kaarten (kaart 16 wind) in de Omgevingsverordening. Conform de besluitvorming in Provinciale Staten ondersteunt de provincie in deze fase de uitwerking van zoekgebieden voor wind in het Groene Hart niet.
67
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
Omgevingsprogramma Ruimte en landschap in de energietransitie/RES
Ruimte en Landschap beter verbinden aan de energietransitie. Rolkeuze Faciliteren, stimuleren en coördineren Beleidskeuzes Zonne-energie Windenergie Warmtetransitie in de gebouwde omgeving Regionale energie-infrastructuur Bovenlokaal warmtenetwerk Is de maatregel gebiedsspecifiek? Nee Toelichting maatregel Provinciale Staten hebben de RES’en 1.0 vastgesteld als strategische verkenning en bouwsteen voor het omgevingsbeleid. Deze RES’en zijn nader bekeken door de Provinciaal Adviseur Ruimtelijke Kwaliteit (PARK) op de onderdelen ruimte en landschap. Het advies van de PARK “meer dan zon en wind alleen” geeft aan dat ruimte nog geen volwaardig onderdeel van de RES1.0 is. Ook andere partijen geven dit aan in hun documenten, zoals het advies van het College voor Rijksadviseurs (CRa), de monitor van PBL en het PAL-advies ‘startnotitie module energietransitie. In de startnotitie van de omgevingsvisie module energietransitie is aangekondigd dat we met een aantal verkenningen rondom energie en ruimte starten. In de RES-regio’s zijn zoekgebieden voor wind en/of zon opgenomen. Ruimte en landschap vervullen in de verdere beleidsontwikkeling van provincie en gemeenten en de stap naar RES2.0 een grotere rol. Niet alleen binnen de RES, maar ook tussen en boven de schaal van de RES’en.
Bij de onderdelen zon (3.1.2) en wind (3.1.1) zijn verkenningen op het gebied van ruimte en energie opgenomen. Daarnaast is het nodig om verder vooruit te kijken. We moeten rekening houden met een andere of grotere opgave, waarbij ook het 68
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
energiesysteem (3.3.1) een belangrijke rol speelt. Een belangrijke vraag is ook hoe we energie goed aan allerlei andere opgaves verbinden in de provincie. Dit doen we niet alleen, maar met al onze partners. Hiertoe starten we met een programma “energie en landschap in de energietransitie” om kennis te ontwikkelen, te verdiepen, samen aan te werken en te delen.
In dit programma komen de volgende onderdelen; -
Ontwerpend onderzoek naar ruimte en het toekomstig energiesysteem (2050)
-
Lerende netwerk in de vorm van ontwerpateliers
-
Ruimtelijke verkenningen naar verschillende onderdelen uit het energiesysteem
-
Relatie met kunst en cultuur
69
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
Toelichting aanpassingen Omgevingsvisie en Omgevingsprogramma Bevorderen energietransitie Inleiding Het huidige provinciale beleid stelt algemene uitgangspunten rondom ruimtelijk kwaliteit in haar omgevingsvisie en verordening. Met name de beleidskeuzes win en zon en de maatregel onder de beleidskeuze ‘energietransitie’: “samenwerken aan de regionale energiestrategieën” zijn van belang als het gaat over de ruimtelijke uitwerking van de energietransitie van toepassing. Naast de vaststelling van de RES’en vormt het advies van de Provinciaal Adviseur Ruimtelijke Kwaliteit (PARK) over de RES’en “meer dan zon en wind alleen” aanleiding voor aanvulling van het omgevingsbeleid. In het advies geeft de PARK aan dat ruimte en landschap nog geen volwaardig onderdeel zijn van de RES1.0. Ook andere partijen geven dit aan in hun documenten, zoals het advies van het College voor Rijksadviseurs (CRa), de monitor van PBL en het PAL-advies ‘startnotitie module energietransitie. Met het voorstel in deze herziening stimuleert de provincie om landschap en ruimte een stevig onderdeel laten worden van het energiedebat. Niet als tegenhanger van de energievraagstukken, maar samen optrekkend om te werken aan een mooier en schoner Zuid-Holland.
Toelichting op de aanpassing Zowel het advies van de PARK, de RES-zoekgebieden als ook de -ongewisse- toekomst maken dat er kennisontwikkeling en -uitwisseling nodig is voor het verband tussen ruimte, landschap en de energietransitie. We hebben nog maar beperkt zicht op wat de energietransitie ruimtelijk betekent voor Zuid-Holland. Op verschillende niveaus is het nodig om kennis te ontwikkelen rond het thema energie en landschap of te leren van en met elkaar. Dit gaat niet alleen over wat de provincie te doen heeft in de RES en tussen de RES, maar ook wat haar (toekomst)visie is op energie en ruimte in Zuid-Holland. Er spelen vraagstukken op de schaal van nationale netwerken tot aan hoe geven we vorm aan de voet van een windturbinemast. Door te kiezen voor de vorm van ontwerpend onderzoek afgewisseld met leer- en testateliers verrijken we de kennis van een grote groep betrokkenen. Dit doen we onder de vlag van een programma ‘ruimte, landschap en energie’.
In de RES-regio’s zijn in de RES1.0 zoekgebieden voor zon en/of wind opgenomen. De aard, omvang en mate van uitwerking van deze zoekgebieden verschilt per RES-regio. Van vrijwel geen van deze zoekgebieden bestaan al beelden. Wel staan er in de RES’en veel onuitgewerkte energieconcepten als ‘de energieweg’, ‘transitiegebied energieopwek’, ‘de droogmakerij’, ‘windrijke eilanden’ ‘uitwerkingsgebied zon’ of ‘erf van de toekomst’. Om een goed gesprek te kunnen voeren met allerlei partners zijn er beelden nodig van deze energieconcepten. Wat bedoelen we? Klopt het wat we bedacht hebben? Hoe werkt dat door over de grenzen heen? Ontwikkeling van beeldmateriaal helpt om dit gesprek op een transparante wijze te kunnen voeren, zodat we goed onderbouwde keuzes met elkaar kunnen maken. Bij het vaststellen van de RES’en1.0 is een tweetal moties aangenomen. In de eerste wordt GS gevraagd in de RES-regio’s zoveel mogelijk op te roepen tot het uitvoeren van grootschalige 70
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
draagvlakonderzoeken. In de tweede wordt GS gevraagd een eenduidig toetsingskader voor participatie en draagvlak op te stellen, in samenwerking met wetenschappers. Om uitvoering te geven aan deze moties hebben we twee vragen neergelegd bij een onderzoeksgroep van de Rijksuniversiteit Groningen, met vertegenwoordiging vanuit energierecht en omgevingspsychologie. Het eerste onderzoek heeft als doel te komen tot gedragen uitgangspunten voor participatie. Hiervoor zijn enerzijds relevante wetenschappelijke studies geraadpleegd en zijn daarnaast interviews gehouden met Zuid-Hollandse RES-partners en statenleden. Op basis hiervan zijn de 4D’s (dialoog, diversiteit, doorwerking en doelen) opgenomen in de omgevingsvisie. Belangrijk gegeven is dat het geen normatieve criteria betreft op basis waarvan een participatieproces getoetst kan worden. Het zijn elementen waarover in het participatieplan keuzes worden gemaakt, die per proces kunnen verschillen (welke ruimte voor beïnvloeding is er, welke methoden zetten we in, etc). Na afronding van het adviesrapport in juni 2022 kan dit nog leiden tot nadere concretisering. Het tweede onderzoek gaat specifiek over draagvlakonderzoek. Dezelfde onderzoeksgroep voert een (onafhankelijk) draagvlakonderzoek uit rond het uitwerken van de zoeklocatie Avelingen.
Daarbij gaan we er van uit dat draagvlak dynamisch is en over tijd/onder voorwaarden kan veranderen. Daarom is er eerst een nulmeting uitgevoerd, waarvan het rapport inmiddels in een concept-versie beschikbaar is. In het najaar zal een tweede meting worden gedaan. We leren hieruit inhoudelijk hoe de omgeving tegenover de plaatsing van windturbines staat en welke achterliggende argumenten zijn daarvoor hebben (wat belangrijke input biedt voor het te organiseren participatieproces). In het eindrapport wordt ook een advies gegeven tav een methodiek voor draagvlakonderzoek. Indien mogelijk nemen we dit op in de omgevingsvisie. Ook is er meer aandacht nodig voor de samenhang op provinciale schaal en de grensoverschrijdende positieve of negatieve effecten tussen de RES’en en tussen de provincies. Tot slot is het nodig om verder vooruit te kijken. Wat als de opgave groter wordt? Wat betekent dit ruimtelijk voor het energiesysteem? En hoe verbinden we energie goed aan allerlei andere opgaves in de provincie? Dit vullen we in door een ruimtelijke vervolgverkenning te doen op de systeemstudie.
De creatieve sector kan een rol spelen bij de ideevorming over, acceptatie van en een vernieuwende kijk op de energietransitie. We betrekken de kunst- en cultuursector dan ook bij het programma ruimte en landschap en de energietransitie. Niet alleen door de sector mee te laten denken over mogelijke concepten of visualisatie van wind- of zonneparken, maar ook door betrokkenheid in de ateliers.
71
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
3-1-4 Lokaal Eigendom Wat wil de provincie bereiken? Wij streven naar een percentage van minimaal 50% lokaal eigendom van (grootschalige) zon- en windprojecten over het totaal van Zuid-Hollandse projecten. Daarmee willen wij lokaal zeggenschap over energieprojecten stimuleren en de acceptatie van energieopwekking vergroten. Aanleiding Het aantal lokale initiatieven voor het opwekken van duurzame energie blijft toenemen. In de provincie Zuid-Holland is onbebouwde ruimte waardevol. Zorgvuldig omgaan met deze schaarse ruimte is daarom uitgangspunt van beleid. Een aspect van deze zorgvuldigheid is het streven naar lokaal draagvlak en de mogelijkheid om lokaal deel te nemen aan een project. Via lokaal eigendom wordt zeggenschap gecreëerd over de locatie, omvang, inrichting en exploitatie van zon- en windprojecten. Provinciaal belang De provincie werkt mee aan Europese en nationale energiedoelen om de CO2-uitstoot te verminderen en het energieverbruik te reduceren. Zon- en windenergie zijn duurzame energiebronnen waar de provincie op inzet om dit doel te bereiken. Daarnaast heeft de provincie een bovenregionale rol in het ruimtelijke domein en participeert zij in de Regionale Energie strategieën. Vanuit deze rollen legt de provincie haar ruimtelijk beleid voor lokaal eigendom van zon- en windenergie vast in de omgevingsvisie.
Toelichting De provincie streeft ernaar dat in de projecten in Zuid-Holland minimaal 50% van het eigendom belegd wordt bij lokale initiatieven. Dat kan gaan om energie-coöperaties, lokale overheden en bedrijven. De provincie verwacht dat een initiatiefnemer streeft naar minimaal 50% lokaal eigendom van een project en laat zien hoe daaraan is gewerkt. Als provincie leggen we de inspanningsverplichting op om actief te streven naar minimaal 50% financiële lokale deelname.
72
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
Doorgaans zijn wij vanuit onze rol als bevoegd gezag of vanuit de verantwoordelijkheid voor goede ruimtelijke ordening betrokken bij een initiatief voor de ontwikkeling van (een) windturbine(s) of een zonneveld. In dat geval is er een initiatiefnemer die wij vragen om vroegtijdig met de lokale partijen een participatietraject aan te gaan om zo een goed beeld te krijgen van de wensen van de lokale partijen.
We onderscheiden drie hoofdvormen van lokaal eigendom op basis van de definitie uit de participatiemonitor: Mede-eigenaarschap Omwonenden profiteren mee als mede-eigenaar van een wind- of zonneproject, via een vereniging of coöperatie Financiële deelneming Omwonenden nemen risicodragend deel aan een project, bijvoorbeeld door aandelen, certificaten of obligaties Omgevingsfonds Een deel van de opbrengsten komt ten goede aan maatschappelijke doelen in de buurt, zoals een sportclub of wijkvereniging
De voorkeur voor financiële deelname ligt bij de meest vergaande vorm van medeeigenaarschap waarbij de lokale partijen medezeggenschap hebben over het project.
Het uitgangspunt is dat de initiatiefnemer tot een getrapte inspanning komt: 1. In beginsel minimaal 50% lokaal mede-eigenaarschap als eerste vorm van financiële participatie uitwerken en aanbieden. 2. Mocht blijken dat mede-eigenaarschap als vorm van financiële participatie niet realiseerbaar is dan mee-investeren als vorm van financiële participatie uitwerken en aanbieden. 3. Mocht ook mee-investeren als vorm van financiële participatie niet realiseerbaar zijn dan meeprofiteren als vorm van financiële participatie uitwerken en aanbieden.
73
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
Deelname bij maatschappelijke en landschappelijke inpassing Lokale deelname hoeft zich niet te beperken tot meedenken in het proces of financieel meeprofiteren. Er zijn ook voorbeelden denkbaar van het actief mee vormgeven en uitvoeren van inpassingsmaatregelen in het landschap of (maatschappelijke) activiteiten voor bij de aanleg en/of beheerfase. Ook op die manier kan er zeggenschap ontstaan en invloed uitgeoefend worden door omwonenden.
Verantwoordingsplicht voor een zorgvuldige afweging De initiatiefnemer dient bij de vergunningaanvraag aan te tonen dat er een passend traject is geweest van communicatie en participatie. In het communicatie- en participatieverslag wordt door de initiatiefnemer weergegeven wat er is georganiseerd, wat de reacties waren van omwonenden en andere belanghebbenden en hoe de initiatiefnemer daarmee is omgegaan.
De initiatiefnemer geeft in het participatieverslag een toelichting en verantwoording tot welk resultaat de hierboven genoemde ‘ladder van participatie’ heeft geleid. De initiatiefnemer geeft inzicht welk financieel bod is gedaan, hoe belanghebbenden hebben gereageerd en tot welke vorm van financiële participatie is gekomen. De provincie legt verantwoording af door rapportage over de inspraak bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning.
Koppelen andere provinciale opgaven De ontwikkeling van lokaal eigendom raakt aan de regels voor duurzame opwek met zon- en windenergie en daarmee ook aan klimaat, biodiversiteit, circulariteit en participatie.
74
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
Omgevingsprogramma Lokaal eigendom Wij streven met alle Zuid-Hollandse gemeenten gezamenlijk naar minimaal 50% lokaal eigendom van (grootschalige) zon- en windenergieprojecten. Wij zullen daarvoor in de komende periode: •
landelijke ontwikkelingen volgen en een actieve rol spelen in kennisdeling met onze gemeenten;
•
gemeenten actief benaderen met het aanbod om te ondersteunen bij het opstellen van een beleidskader voor lokaal eigendom;
•
energiecoöperaties ondersteunen bij het professionaliseren en financieel ondersteunen bij de voorbereidingsfase middels het ontwikkelfonds voor energiecoöperaties;
•
de Nederlandse koepel van energie-coöperaties (Energie Samen) blijven steunen zodat zij namens de burgercollectieven lokaal eigendom kunnen realiseren.
Grootschalige niet-gebouw gebonden zon projecten, zijn groter dan 15kWp. Hiermee sluiten we aan op de Participatie Monitor 2021; Hernieuwbare Energie op Land.
75
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
Toelichting beleidskeuze en omgevingsprogramma lokaal eigendom
Inleiding
In het klimaatakkoord en alle Zuid-Hollandse RES’en is het streven naar 50% lokaal eigendom opgenomen. In het Klimaatakkoord is voor 50% gekozen omdat de verantwoordelijkheid dan in gelijke delen door een commerciële initiatiefnemer en de lokale eigenaren gedeeld kan worden. Lokaal eigendom gaat over eigenaarschap en over de belangen van de omgeving. Het is bedoeld om de lokale omgeving zeggenschap te geven over de ontwikkeling en landschappelijke inpassing van zon- en windprojecten. Hetzelfde geldt voor de revenuen die voortkomen uit die projecten. Door de lokale omgeving zeggenschap te geven, kan er binnen het project ook een eerlijke verdeling van de lusten lasten worden afgesproken. Dit alles is bedoeld om bij te dragen aan meer maatschappelijke acceptatie voor zon- en windprojecten. Lokaal eigendom sluit andere vormen van financiële participatie niet uit. Ook bij projecten die (gedeeltelijk) in lokaal eigendom worden gerealiseerd worden tijdens de procesparticipatie met de omgeving afspraken gemaakt over bijvoorbeeld een gebiedsfonds, grondvergoedingen en/of financiële deelneming.
Lokaal eigendom onderscheidt zich van financiële participatie door het feit dat een of meerdere lokale partijen voor een deel risicodragend eigenaar worden van een project en daarmee ook zeggenschap verwerven over het project in de ontwikkel- en exploitatiefase.
Onder lokale partijen verstaan we in ieder geval direct omwonenden en inwoners die al dan niet verenigd zijn in een (energie)coöperatie. Daarnaast kunnen ook publieke partijen en lokale ondernemers horen bij de lokale eigenaars van een energieproject.
Huidige situatie omgevingsbeleid rond Lokaal eigendom
Dit is een nieuwe beleidskeuze die voortkomt uit het klimaatakkoord, er staat nu nog niets over in de visie en verordening. verordening. Voorstel toekomstige situatie omgevingsbeleid rond lokaal eigendom: OMGEVINGSVISIE Ambitie 3: Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. Het huidige provinciale beleid voor zonne-energie is in 2018 opgesteld en sluit aan bij de zonne-ladder zoals deze in 2020 in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is opgenomen. Het beleid voor zonne-energie bestaat naast een beleidskeuze Zonne-energie uit een aantal ondersteunende instrumenten: De maatregel stimuleren zon op dak in het omgevingsprogramma. 76
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
De handreiking ruimtelijke kwaliteit zonne-energie: deze biedt handvaten voor een zorgvuldige inpassing van zonnevelden in hun omgeving. De zonne- wijzer in de Staat van Zuid-Holland waarin informatie is te vinden voor de potentie van daken voor zon. In de vigerende omgevingsverordening zijn geen specifieke regels voor zonne-energie opgenomen. Deze worden dus beoordeeld op basis van de algemene eisen aan omgevingskwaliteit en de uitwerking in de visie. Naast de vaststelling van de RES’en vormen de ervaringen met de uitvoering van het huidige beleid aanleiding voor de aanpassing van het omgevingsbeleid voor zonne-energie. De aanpassingen betreffen zowel de omgevingsvisie, de omgevingsverordening als het omgevingsprogramma.provinciaal belang
Beleidsdoel: Schone en duurzame elektriciteitsvoorziening
Huidige tekst daarin voor zon: …. Om duurzame elektriciteit op te wekken stimuleren wij allereerst zonnepanelen op daken, bedrijventerreinen en bedrijfspanden. We stimuleren plaatsing van zonnepanelen door bedrijven en coöperaties conform onze zonneladder, waarbij wij inzetten op meervoudig ruimtegebruik… < tekst mogelijk nog aanpassen/uitbreiden i.v.m. zoekgebieden en inzet aldaar op meekoppelkansen >
Beleidskeuze: Lokaal Eigendom In het Klimaatakkoord is afgesproken dat er wordt gestreefd naar 50% lokaal eigendom van de productie van wind- en zonne-energie op land in 2030 en dat hierbij in een gebied door de partijen gelijkwaardig wordt samengewerkt in de ontwikkeling, bouw en exploitatie bij hernieuwbare opwekking.
Om de directe omgeving van een energieproject: •
invloed te geven op een energieproject in de ontwikkel- en exploitatiefase
•
en te laten meeprofiteren van de revenuen van een energieproject;
streven wij naar 50% lokaal eigendom van grootschalige zon- en windenergieprojecten in ZuidHolland. Lokaal eigendom wordt bij voorkeur gecombineerd met financiële participatie in verschillende vormen (bijvoorbeeld obligaties, omgevingsfondsen of omwonendenregelingen).
Niet alleen de provincie, ook gemeenten regio’s leggen uitgangspunten voor lokaal eigendom vast in hun beleid. Om mogelijkheid te bieden voor lokaal maatwerk, kiezen wij ervoor onderstaande uitgangspunten ruim te benaderen. In het gesprek rondom elk individueel project zal moeten blijken welk percentage maximaal te realiseren is. Als er bij een aantal projecten slechts 25% realiseerbaar is, is het streven bij volgende projecten 75% te organiseren.
77
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
Wij bieden ruimte voor lokaal maatwerk. Dat betekent dat voor ons naast collectieven ook gemeenten en lokale bedrijven meetellen bij de beoordeling van het percentage van lokaal eigenaarschap. Wij streven met alle Zuid-Hollandse gemeenten gezamenlijk naar minimaal50% lokaal eigendom van (grootschalige) zon- en windenergieprojecten. Wij zullen daarvoor in de komende periode: • Landelijke ontwikkelingen volgen en een actieve rol spelen in kennisdeling met onze gemeenten • Gemeenten actief benaderen met het aanbod om te ondersteunen bij het opstellen van een beleidskader voor lokaal eigendom • Energie Samen blijven steunen zodat zij namens de burgercollectieven lokaal eigendom kunnen realiseren Vraagstukken die nog moeten worden ‘opgelost’
Ontwikkelaar, uitnodigingskader, maatschappelijke tender Overheden kiezen de laatste tijd naast het opstellen van een beleidskader steeds vaker voor een actievere rol bij het realiseren van energieprojecten door een uitnodigingskader of maatschappelijke tender op te stellen of zelf een project te ontwikkelen. Op dit moment is dit voor provincie ZuidHolland niet aan de orde. Wij verlenen wel medewerking aan lokale overheden die kiezen voor deze vormen. Lokaal eigendom van warmteprojecten De laatste tijd wordt lokaal steeds vaker over eigendom van warmteprojecten gesproken, deze herziening gaat echter over opwek van energie. Lokaal gaat het vaak om dezelfde collectieve partijen en ook om vergelijkbare spelregels in de participatie. Wij zullen hier in een van de volgende herzieningen van de verordening een plek voor vinden. We volgen landelijke ontwikkelingen en spelen een actieve rol richting rijk, regio’s en gemeente in de kennisdeling. Daarnaast benaderen wij gemeenten actief met het aanbod om te ondersteunen bij het opstellen van een beleidskader voor lokaal eigendom. Wij zullen ook adviseren over het uitschrijven van maatschappelijke tenders en kennis verzamelen en delen over zelf ontwikkelen van energieprojecten door overheden. Uiteindelijke zullen wij Energie Samen blijven steunen zodat zij namens de burgercollectieven lokaal eigendom kunnen realiseren.
78
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
3-2-1 Warmtetransitie in de gebouwde omgeving Warmtetransitie in de gebouwde omgeving Beleidsambitie De warmtetransitie in de gebouwde omgeving (woningen, utiliteit, kantoren en glastuinbouw) is een onderdeel van de energietransitie. Het klimaatakkoord benadrukt dat een forse opschaling van de duurzame warmtevoorziening nodig is.. De provincie stelt zich daarbij ten doel om bij te dragen aan een snelle en betaalbare warmtetransitie, met minimale impact op de ruimte rekening houdend met de circulaire economie en klimaatadaptatie. De warmtetransitie in de gebouwde omgeving richt zich op ruimteverwarming, warm water en kookwarmte De verduurzaming van de bestaande gebouwde omgeving maakt dat de behoefte aan alternatieven voor aardgas groeit. De provincie past een afwegingskader Warmtekeuze toe bij de te maken keuzes in de warmtetransitie.
provinciaal belang Voor een toekomstige klimaatneutrale energievoorziening is d de ontwikkeling van de totale energie-infrastructuur en het totale energiesysteem sturend. Iedere keuze die gemaakt wordt, ook iedere individuele keuze, heeft immers impact op het totale energiesysteem. Andersom is het totale (toekomstige) energiesysteem rand voorwaardelijk voor de beschikbare alternatieven waaruit gekozen kan worden . Dit heeft effect op tempo en kosten van de totale energietransitie en op ruimte- en materiaalgebruik. De visie en inzet van de provincie is om vanuit een afwegingskader naar de te maken keuzes in de warmtetransitie te kijken. Uitgangspunt is dat gemeenten in hun transitievisies warmte en uitvoeringsplannen op wijkniveau kiezen welke warmtebronnen en warmte-infrastructuur geschikt zijn. Die keuzevrijheid is afhankelijk van beschikbare alternatieven, een stimulerend en sturend kader zal daar richting aan kunnen geven. Ontwikkeling en gebruik van duurzame bronnen, het nemen van besparingsmaatregelen en aanleg van nieuwe infrastructuur vragen om uitwerking in onderlinge samenhang en samenwerking tussen de betrokken partijen. De provincie zal hierbij haar regionale verbindende rol oppakken.
Toelichting
79
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
De opgave om te komen tot een klimaatneutrale gebouwde omgeving is complex. Om deze te realiseren is de inzet van menskracht en middelen van de provincie en van onze partners van groot belang. De energievoorziening in de gebouwde omgeving is een samenspel met een snel groeiend aandeel van duurzame lokale en regionale bronnen en vele spelers en rollen die het energiesysteem draaiende houden. De ontwikkeling van de energie-infrastructuur en het totale energiesysteem is sturend voor de toekomstige klimaatneutrale energievoorziening. De verduurzaming van dit systeem leidt de komende tientallen jaren tot ingrijpende aanpassingen. De provincie werkt daarom samen met partners en ondersteunt hen bij de ontwikkeling van warmte- en energietransitieplannen. Het is van belang kennis op te doen van inhoud, proces en keuzes en deze kennis breed te delen met belanghebbende partners door communicatie, kennissessies en de ontwikkeling van lerende netwerken. Procesondersteuning, kennisontwikkeling, kennisdeling, ruimtelijk instrumentarium, innovatie en verkenning en ontsluiting van financiële fondsen zijn bij uitstek inspanningen waarmee de provincie bijdraagt. De provincie werkt en denkt mee aan de planvorming in RES’en, RSW's en gemeentelijke Transitievisies, Uitvoeringsplannen en Omgevingsplannen.
Bij de vergunningverlening voor geothermie, de inrichting van open bodem-energiesystemen, de beoordeling van RES’en, RSW's en gemeentelijke warmteplannen vervult de provincie de voorgeschreven wettelijke taken. Het provinciale instrument van Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving wordt ingezet om bedrijven daadwerkelijk maatregelen ter besparing van het energiegebruik te laten nemen en het bodem-grondwatersysteem te beschermen. In aansluiting op het wettelijk instrumentarium bevordert de provincie benutting van restwarmte en cascadering van warmtestromen, oftewel het hergebruik van warmte in steeds lagere temperatuurstappen. De energietransitie in de glastuinbouwsector richt zich op een klimaatneutrale sector maar is ook essentieel om de concurrentiepositie op lange termijn te behouden en onafhankelijk te worden van aardgas. De provincie werkt in alle glastuinbouwgebieden en in de Greenport West in het bijzonder samen aan de ondersteuning van kansrijke businesscases, versterking van samenwerkingsverbanden, benutting van regelingen of slimme investeringsconstructies, uitvoering van analyses en onderzoek, bevordering van aansluiting op bovenregionale warmtetransportsystemen en gebiedsaanpakken om de energietransities met haar partners tot stand te brengen.
Tevens wordt verkend hoe de energietransitie ruimtelijk structurerend kan zijn voor de modernisering van het teeltareaal. De provincie bevordert de verbinding van de warmtetransitie in de glastuinbouw met de gebouwde omgeving. 80
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
Afwegingskader Warmtekeuze Voor een effectieve afweging tussen inzetbare warmtebronnen heeft de provincie een afwegingskader Warmtekeuze ontwikkeld. Dit afwegingskader is een hulpmiddel voor gemeenten en andere partijen bij het kiezen uit klimaatneutrale alternatieven voor de gebouwde omgeving zowel voor bestaande bouw als nieuwbouw en zowel op lokale als regionale schaal in onderlinge samenhang. Het afwegingskader is een hulpmiddel om keuzes te optimaliseren. De uitgangspunten zijn: ruimtelijk beslag en haalbaarheid, betaalbaarheid, toekomstbestendigheid, optimaal gebruik van de energiekwaliteit van de beschikbare Zuid-Hollandse warmtebronnen, passende woningisolatie en passend in de lokale omstandigheden. Het afwegingskader Warmtekeuze ordent potentiële warmtebronnen op een eigenschap die tot nu toe in de energietransitie onderbelicht blijft: de energiekwaliteit van de energiedragers. De provincie erkent de lage energiekwaliteit van warmte in warm water ten opzichte van hoogwaardige energiedragers zoals elektriciteit, waterstof en biogas. Dit vertaalt zich naar de voorkeur om warmte vooral toe te passen in de gebouwde omgeving.
De provincie onderzoekt of verbeteringen mogelijk zijn om de warmtekeuzes in nieuwbouw te laten bijdragen aan de provinciale beleidsambitie voor de warmtetransitie ( snel, betaalbaar, minimaal ruimtegebruik, circulair en klimaatadaptief). De provincie ondersteunt experimenten met o.a. hoge temperatuur opslag (HTO) en onderzoekt de inpassing van warmte opslag in het energiesysteem, de bodem en de ruimte. De provincie ziet de inzet van (groene) grondstoffen graag zoveel mogelijk gecascadeerd volgens de principes van de waardepiramide: dat betekent dat de gebruiksfunctie ‘energie’ pas na toepassing als materiaal of andere hoogwaardige toepassingen komt. Energietoepassing van houtige biomassa heeft niet onze voorkeur. Alleen groene grondstoffen die niet (langer) geschikt zijn voor hoogwaardige toepassingen komen voorts in aanmerking. De provincie zet in op afbouw van energietoepassingen van hoogwaardige biomassa met prioriteit voor sectoren waar al reële alternatieven beschikbaar zijn voor de energietransitie.
81
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
Voor groene grondstoffen verkent de provincie de mogelijkheid om CO2 reductie in rekenmodellen te waarderen bij biomassa die niet wordt omgezet in energie.
Bij de inrichting van de gebouwde omgeving en klimaatadaptieve nieuwbouw wil de provincie de energievraag voor koude zoveel mogelijk beperken en voorzien vanuit duurzame bronnen. Naarmate oplossingen (bijvoorbeeld meer groen of water in stedelijke omgeving) een grotere bijdrage aan de leefomgevingskwaliteit leveren krijgen deze meer gewicht. Voor de collectieve benutting van geothermie en aquathermie verkent de provincie het belang en de mogelijkheden om sturing van deze bronnen op te nemen in het toekomstige omgevingsbeleid. Vanuit het provinciale belang om de bodem en ondergrond optimaal te beschermen en beheren vindt gebruik van de ondergrond voor de klimaatneutrale energievoorziening van de gebouwde omgeving zodanig plaats dat het bodem-grondwatersysteem voor de lange termijn volledig blijft functioneren. Bovendien wordt rekening gehouden met de bescherming van de drinkwaterwinning en de grondwaterkwaliteit in Zuid-Holland , bescherming van archeologisch erfgoed en andere functies zoals recreatie. Door de uitfasering van de verbranding van aardgas richting 2050, draagt de warmtetransitie bij aan de reductie van fijnstof en NOx en verbetering van de luchtkwaliteit en geurhinder . Ook inperking van de verbranding van biomassa voor verwarming draagt hieraan bij.
We vragen gemeenten en andere uitvoerende partijen om gelet op beperking van de maatschappelijke kosten en overlast aan te sluiten bij de investeringsplanningen van andere (onderhouds)werkzaamheden in de openbare ruimte, zoals vervanging van het drinkwaternet, de riolering, aanleg en uitbreiding van groen en waterbergingsmaatregelen en overige aanpassingen in de openbare ruimte.
82
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
3-2-2 Bovenlokaal warmtenetwerk Aanpassing Omgevingsvisie
Bovenlokaal warmtenetwerk
Wat wil de provincie bereiken De provincie zet zich in voor de realisatie van een bovenlokale warmte infrastructuur als onderdeel van de gewenste warmtetransitie om het gebruik van aardgas te kunnen verminderen. De ontwikkeling van een bovenlokaal en klimaatneutraal warmtetransportnetwerk sluit goed aan bij de afspraken uit het klimaatakkoord, de Regionale Energiestrategie en het Rijks en provinciaal beleid. Het draagt bij aan het behalen van de doelen die daarbij zijn genoemd. De kansen voor synergie in de provincie worden door het uitwisselen van reststromen -zoals warmte – tussen industrie en stedelijke gebieden benut door de aanleg van bovenlokale netwerken. Provinciaal belang Een efficiënte energiestrategie is er op gericht om voor verwarming zoveel mogelijk gebruik te maken van reeds beschikbare warmte. De provincie kent een groot potentieel en aanbod van warmte uit geothermie- en restwarmtebronnen. Om deze CO2 vrije warmte optimaal te benutten is uitbreiding van het provinciaal warmtetransportnet nodig om de warmte te kunnen inzetten in de grote vraagconcentratiegebieden in de steden en glastuinbouw. De realisatie van deze bovenregionale warmte-infrastructuur is een essentieel onderdeel van een goed werkend warmtesysteem waarin de vraag naar warmte wordt vervuld door een betaalbare, betrouwbare en duurzame warmtevoorziening.
Het warmtetransportnet maakt het gebruik van restwarmte mogelijk waardoor de hoge kwaliteit energie (elektriciteit en gas) elders efficiënt kan worden ingezet én bespaard. Voor de ruimtelijke inpassing van nieuwe warmtetransportnetten benut de provincie waar nodig of gewenst het ruimtelijk bijbehorende instrumentarium in samenwerking met de betrokken samenwerkingspartners. De Inzet van restwarmte en geothermie kan in belangrijke mate bijdragen aan de warmtetransitie en aan de provinciale beleidsambitie voor de gebouwde omgeving. Deze bronnen maken transport en distributie van de warmte door ontwikkeling van bovenlokale warmtenetten noodzakelijk. In veel gevallen is de omvang van het warmte aanbod van een bron groter dan de lokale vraag in een buurt, wijk of gemeente. De optimale benutting van restwarmte en geothermie in de warmtetransitie is daarmee een 83
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
vraagstuk dat gemeente- en stad overstijgend is en dat bovenlokaal en zelfs bovenregionaal ingepast moet worden. Met een CO2 vrij bovenlokaal warmtetransportnetwerk wordt bijgedragen aan de klimaatneutrale warmtevoorziening tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten en met een beperkt beslag op de ruimte. Warmtenetwerken die gebruik maken van restwarmte vragen minder elektriciteit dan andere warmtevoorzieningen en daarbij vraagt restwarmte geen extra productie(ruimte). Het ruimtesparende effect van een warmtetransportnetwerk geeft de provincie een extra belang bij het bereiken van zo veel mogelijk lokale warmtedistributienetten.
Toelichting
Succesvolle toepassing van grote warmtebronnen vraagt om samenwerking tussen vele partijen. De provincie neemt een rol in deze samenwerking en richt zich daarbij specifiek op succesvolle ontwikkeling van bovenlokale CO2 vrije warmtenetwerken zodat voldoende capaciteit ontstaat om vraag en aanbod van warmte op een efficiënte wijze bij elkaar te brengen. De realisatie van het warmtetransportnetwerk zal tevens de aanleg van nieuwe distributienetten aanjagen, waar lokale warmtebronnen (zoals geothermie) ook gebruik van kunnen maken. Wanneer een lokale bron operationeel wordt, kan de restwarmte uit het bovenregionale netwerk elders worden ingezet en daar de warmtetransitie verder helpen. De provincie verkent en ontwikkelt mogelijkheden om de publieke belangen van warmtenetwerken (duurzaamheid, betaalbaarheid, leveringszekerheid, toegankelijkheid) te borgen en organiseren. Het gebruik van een grootschalig warmtenetwerk is relatief nieuw in Nederland ondanks de investeringen voor de aanleg zal zij de totale maatschappelijke kosten omlaag brengen. De provincie streeft naar een bovenregionaal warmtetransportnet voor het transporteren van restwarmte uit de Rotterdamse haven waarbij uitbreidingen naar warmtevragers in de beide greenports Westland en Oostland en de regio Leiden in beeld zijn.
Voor het tracé van Vlaardingen naar Den Haag zijn aanvullende studies zoals een MER uitgevoerd ten behoeve van de ruimtelijke besluitvorming en voor het tracé van Rijswijk naar Leiden is eind 2021 een ruimtelijke procedure gestart. In de regio’s Drechtsteden en Holland Rijnland vindt ook ontwikkeling van een warmtenetwerk plaats.
84
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
3-3-1 Regionale energie-infrastructuur Wat wil de provincie bereiken? De provincie wil in samenwerking met netbeheerders, medeoverheden en andere partners in het energiesysteem werken aan een toekomstbestendig regionaal energieinfrastructuurnetwerk dat tijdig beschikbaar is voor diverse ontwikkelingen, ruimtelijk is ingepast en efficiënt benut wordt. Een tijdig ontwikkelde en voldoende beschikbare regionale energie-infrastructuur (infrastructuur voor warmte, elektriciteit, duurzame gassen en CO2 als grondstof en restproduct) is essentieel voor het behalen van de energietransitiedoelen en de realisatie van ontwikkelingen in diverse vraag- en aanbodsectoren. Benutten, beschikbaarheid en ruimtevraag van (geplande) energieinfrastructuurcapaciteit is daarom een belangrijk onderdeel van de integrale afweging bij ontwikkelingen van vraag- en aanbodsectoren, zoals verstedelijking, mobiliteit, bedrijventerreinen en economie, industrie, land- en tuinbouw en het aanbod van winden zonne-energie.
Aanleiding De behoefte aan een duurzaam en flexibel energiesysteem neemt toe. Uit de landelijke Integrale Infrastructuurverkenning 2030-2050 en de provinciale Systeemstudie Energieinfrastructuur Zuid-Holland 20-30-50 blijkt dat de komende 30 jaar in Zuid-Holland veel nieuwe energie-infrastructuur nodig is voor warmte, elektriciteit, duurzame gassen en CO2 – op alle fronten. Verandering in energievraag in de toekomst wordt de grootste drijfveer voor aanpassingen aan de infrastructuur voor energie in Zuid-Holland. De sectorale verduurzamingsplannen en ambities, zoals realisatie van hernieuwbare opwek, een CO2-emissiearme en circulaire industrie, verduurzaming van mobiliteit en gebouwde omgeving (de ambitie om gebouwen inclusief alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO2 neutraal en vóór 2050 klimaatrobuust in te richten) hebben gezamenlijk een grote impact en leiden tot een verschuivende vraag naar regionale energieinfrastructuur. Dat resulteert bijvoorbeeld in toenemende congestieproblematiek op het elektriciteitsnet. Provinciaal belang In het nationale klimaatakkoord is afgesproken dat in Nederland in 2030 en 2050 respectievelijk 49% en 95% minder CO2 wordt uitgestoten ten opzichte van 1990. De provincie Zuid-Holland onderschrijft deze doelstelling. Een goede regionale energieinfrastructuur is van belang voor het behalen van nationale en sectorale klimaatdoelen. 85
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
Ook is een robuuste energie-infrastructuur een belangrijke conditie voor het versterken van de regionale concurrentiepositie waarin economische en maatschappelijke ontwikkelingen (waaronder de woningbouwopgave) kunnen worden gefaciliteerd. De ontwikkeling en inpassing van het regionale energiesysteem is een vraagstuk met aanzienlijke ruimtelijke impact. In de steeds voller wordende boven- en ondergrondse ruimte in Zuid-Holland is een goede ruimtelijke ordening en planning, met aandacht voor ruimtelijke kwaliteit, dan ook noodzakelijk.
Toelichting De energietransitie en autonome maatschappelijke ontwikkelingen beïnvloeden ons gebruik van energie; we gaan bijvoorbeeld steeds meer elektrisch rijden, lokaal met elektriciteit of restwarmte verwarmen, en waterstof als grond- en brandstof gebruiken in de industrie. Daarnaast kent Zuid-Holland veel potentie voor geothermie en industriële restwarmte om te benutten voor verwarming van de gebouwde omgeving en de glastuinbouw, en wordt in toenemende mate elektriciteit opgewekt door zon en wind. Uit de scenario’s van de Systeemstudie Energie-Infrastructuur Zuid-Holland 2030-50 blijkt onder meer dat de elektriciteitsvraag in Zuid-Holland in 2050 kan toenemen met een factor 2,5 tot 3,1 ten opzichte van 2020. De snel veranderende vraag naar energie-infrastructuur leidt tot een nieuw integraal programmeringsvraagstuk. Vanuit haar brede betrokkenheid bij vraag- en aanbodsectoren van energie is de provincie een geschikte procescoördinator met integrale ruimtelijke blik. Belangrijke regionale projecten komen daarmee tijdig en ruimtelijk ingepast tot realisatie en komen ruimtelijke ontwikkelingen en sectorale doelstellingen niet onnodig onder druk komen te staan. De beschikbare capaciteit op energie-infrastructuur is schaars en doorlooptijden voor nieuwe aanleg zijn vaak lang.
De ontwikkeling van nieuwe energie-infrastructuur vergt ruimte (zowel boven- als ondergronds) en brengt maatschappelijke kosten met zich mee voor arbeid en materialen. Daarnaast is toenemende schaarste op de grondstoffenen arbeidsmarkt limiterend voor de uitvoeringscapaciteit van nieuwe projecten. Door in samenwerking met partners in te zetten op efficiënt benutten van de bestaande en geplande energie-infrastructuur wil de provincie bijdragen aan de energieinfrastructuuropgave. Zo werken we aan een efficiënt energiesysteem, dat haalbaar, betaalbaar en ruimtelijk inpasbaar blijft.
86
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
Omgevingsprogramma Programmeren en eventueel prioriteren van regionale energie infrastructuur Rolkeuze De rol van de provincie in regionale energie-infrastructuur is samenwerkend en presterend. Samen met partners werkt de provincie aan een programmering en borging van afspraken in het proces.
Beleidskeuze(s) Regionale energie-infrastructuur; Bovenlokaal warmtenetwerk; Duurzame mobiliteit; Bevorderen energietransitie Warmtetransitie in de gebouwde omgeving; CO2-emissiearme en circulaire industrie in Zuid-Holland; Concurrerende en toekomstbestendige bedrijventerreinen; Versnelling transitie greenports; Windenergie op land; Toekomstbestendig bouwen; Verstedelijking; Zonne-energie; Ruimtelijke kwaliteit
Is de maatregel gebiedsspecifiek? Nee, de maatregel geldt over heel Zuid-Holland
Toelichting maatregel 87
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
Regionale energie-infrastructuur met voldoende capaciteit is een belangrijke conditie voor verduurzaming en realisatie van toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkelingen. Door de toenemende druk op die infrastructuur signaleren verschillende partijen dat meer regie nodig is op de programmering en mogelijk prioritering van regionale energie-infrastructuur. De provincie start met partners een gezamenlijk integraal programmeringsproces op in Zuid-Holland. De provincie is vanuit haar brede betrokkenheid bij vraag- en aanbodsectoren van energie hierin procescoördinator met integrale ruimtelijke blik. Waar relevant wordt afgestemd met nationale en gemeentelijke processen en programma’s, zoals de RES, PES, PEH, RAL, CES en TVW’s.
De programmering van energie-infrastructuurprojecten op middellange termijn bevat de volgende onderdelen: •
Borging betrokkenheid van partners
•
Een integraal overzicht van de ontwikkeling van energievraag en -aanbod (zoals opwek, woningbouw, mobiliteit, industrie en glastuinbouw) voor het bepalen van knelpunten en kansen in Zuid-Holland.
•
Een richtinggevende regionale leidraad voor het maken van integrale afwegingen en werkwijze met integrale criteria
•
Diverse ontwikkelpaden en beoordeling langs integrale criteria
•
Gezamenlijke keuze voor ontwikkelpad.
•
Borging van gemaakte afspraken. Bij de te maken afspraken over de uitvoering kan eventueel ruimtelijk instrumentarium worden ingezet, zoals ruimtelijke reserveringen in de provinciale omgevingsverordening. De provincie kan er in voorkomende gevallen voor kiezen om ook financieel bij te dragen aan (regionale) energie-infrastructuurprojecten, zoals ook wordt gedaan bij het Botlek Stoomnetwerk (zie ook Programma ‘Bijdragen aan een CO2-emissiearme en circulaire industrie maatregel C: regeling energieinfrastructuur op industrieterreinen)
88
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
Omgevingsprogramma Stimuleren van flexibiliteit en efficiëntie van het energiesysteem Rolkeuze De rol van de provincie is samenwerkend en presterend.
Beleidskeuze(s) Regionale energie-infrastructuur
Is de maatregel gebiedsspecifiek? Nee, de maatregel geldt over heel Zuid-Holland
Toelichting maatregel Flexibel en efficiënt gebruik van beschikbare energie-infrastructuur beperkt de behoefte aan (nieuwe) netwerkcapaciteit. Opslag van elektriciteit, warmte, of waterstof kan als buffer dienen van de capaciteit in het energiesysteem. Conversie tussen energiedragers (elektriciteit, warmte, waterstof) heeft in Zuid-Holland veel potentie door de grote aanwezigheid van industrie. Om optimaal gebruik te maken van de energie-infrastructuur is samenwerking essentieel. (Proces)innovaties, vraag- en aanbodsturing, conversie en opslag kunnen lokaal en regionaal bijdragen aan een efficiëntere benutting energie-infrastructuur, en bijdragen aan realisatie van bestaande doelen voor bijvoorbeeld zon op daken bij grotere bedrijven in de RES’en. De provincie Zuid-Holland zet in op de ontwikkeling en toepassing van vraag- en aanbodsturing, conversie- en opslagmethoden en procesinnovaties door de volgende activiteiten: -
De provincie Zuid-Holland verkent hoe bestaand instrumentarium verbreed kan worden ingezet ter beperking of voorkoming van schaarste in capaciteit op de energie-infrastructuur.
-
De provincie stimuleert (proces)innovaties en samenwerking met betrekking tot vraag- en aanbodsturing en conversie- en opslagmethoden om systeemflexibiliteit te vergroten en/of infrastructuurimpact te beperken. o
Dit doet de provincie door handelingsopties in kaart te brengen die impact op de energie-infrastructuur kunnen beperken bij initiatieven voor verduurzaming
o
De provincie stimuleert de toepassing van de handelingsopties die de flexibiliteit en efficiëntie van het energiesysteem vergroten door te 89
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
verbinden met ruimtelijke ontwikkelingen, gebieden of bedrijventerreinen waarbij netcongestie een rol speelt.
90
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
Omgevingsverordening Zuid Holland Regionale energie-infrastructuur Een nieuw artikel 6.27d. wordt toegevoegd. Een bestemmingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met eventuele effecten op de regionale energie-infrastructuur.
Toelichting Omgevingsverordening Zuid Holland Regionale energie-infrastructuur Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen impact hebben op de beschikbare capaciteit van regionale infrastructuur. Hieronder verstaan we bovengemeentelijke voorzieningen in de elektriciteitsinfrastructuur, warmte-infrastructuur, infrastructuur voor duurzame gassen en CO2. Met name op het elektriciteitsnetwerk is in toenemende mate sprake van krappe aansluitcapaciteit of netcongestie. Ontwikkelingen met een substantieel beslag op deze infrastructuren kunnen daarom leiden tot congestie en daarmee mogelijk indirect impact hebben op andere ruimtelijke ontwikkelingen in de regio.
Zuid Hollandse Omgevingsverordening Regionale energie-infrastructuur Voor artikel 7.75 wordt in § 7.3.21 artikel 7.74a ingevoegd, luidende: Artikel 7.74a (regionale energie-infrastructuur) Een omgevingsplan dat voorziet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met eventuele effecten op de regionale energie-infrastructuur.
Toelichting Zuid Hollandse Omgevingsverordening Regionale energie-infrastructuur Artikel 7.74a (regionale energie-infrastructuur) Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen impact hebben op de beschikbare capaciteit van regionale infrastructuur. Hieronder verstaan we bovengemeentelijke voorzieningen in de elektriciteitsinfrastructuur, warmte-infrastructuur, infrastructuur voor duurzame gassen en CO2. Met name op het elektriciteitsnetwerk is in toenemende mate sprake van krappe aansluitcapaciteit of netcongestie. Ontwikkelingen met een substantieel beslag op deze infrastructuren kunnen daarom leiden tot congestie en daarmee mogelijk indirect impact hebben op andere ruimtelijke ontwikkelingen in de regio.
91
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
92
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
Toelichting aanpassingen Omgevingsvisie en Omgevingsprogramma Regionale energieinfrastructuur De bovenstaande tekst heeft betrekking op de inhoud en totstandkoming van de nieuwe cross-sectorale beleidskeuze ‘Regionale energie-infrastructuur’ en direct gerelateerde omgevingsprogramma ‘Regionale energie-infrastructuur’ en ‘Stimuleren flexibiliteit en efficiëntie van het energiesysteem’. Deze beleidsherziening bevat voor het onderdeel energie-infrastructuur nadrukkelijk geen regels in de verordening. De beleidskeuze draagt bij en is gerelateerd aan diverse andere beleidsdoelen en -keuzes. In de startnotitie is aangegeven dat gekozen wordt om ‘Regionale energie-infrastructuur’ als centraal onderwerp onder te brengen in het omgevingsbeleid. In het omgevingsbeleid is het mogelijk om te verwijzen naar gerelateerd beleid. In onder meer de beleidskeuzes CO2-emissiearme en circulaire industrie, zonne-energie en wind op land wordt gerefereerd naar het de beleidskeuze Regionale energieinfrastructuur. Aanleiding voor deze beleidskeuze is het uitvoeren en opleveren van de landelijke Integrale Infrastructuurverkenning 2030-2050, de provinciale Systeemstudie Energie-Infrastructuur Zuid-Holland 20-30-50. Hierin wordt aanbevolen om een governance in te richten voor ontwikkeling van regionale energie-infrastructuur. Met deze herziening worden hiervoor de eerste stappen beschreven.
Het speelveld in de governance van energie-infrastructuur is in beweging. Met deze herziening sluit de provincie Zuid-Holland daarop aan. Ook op landelijk niveau wordt gewerkt aan de (wettelijke) provinciale rol in de governance van de energievoorziening, zo blijkt ook uit de beantwoording van Kamervragen van Kröger (GroenLinks) en Bontenbal (CDA) door Minister Jetten (Klimaat en Energie) op 24 februari 2022. De opgenomen tekst past in een bredere landelijke ontwikkeling die door het ministerie van EZK wordt onderzocht en onder leiding van IPO met NPRES, VNG en Netbeheer Nederland wordt uitgewerkt. De onderstaande beleidskeuze en gerelateerd programma beschrijft de inzet van de provincie Zuid-Holland ten aanzien van programmeren van regionale energie-infrastructuur daarom op hoofdlijnen.
93
Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module energietransitie – juni 2022
3-3-2 CO2 emissiearme en circulaire industrie Beleidskeuze Samen met regionale partners zet de provincie zich in voor een CO2 emissiearme en circulaire industrie in Zuid-Holland. Deze inzet verloopt langs drie sporen: 1) stimuleren van efficiency en het nuttig toepassen van reststromen; 2) vernieuwen van het energiesysteem; 3) vernieuwen van het grond- en brandstoffensysteem.
Voor al deze sporen is de tijdige beschikbaarheid van een adequate energie infrastructuur, alsmede voldoende ruimte om deze energie infrastructuur te realiseren, een belangrijke conditie. De inzet van de provincie hieromtrent (inclusief het bijbehorend instrumentarium) staat beschreven in de beleidskeuze “energie infrastructuur”.
Aanleiding In het Klimaatakkoord zijn afspraken gemaakt over het realiseren van een CO2 emissiearme en circulaire industrie. Door de grote industriële clusters in Nederland zijn uitvoeringsplannen opgesteld om invulling te geven aan deze afspraken (de zogenaamde koploperprogramma’s). Specifiek voor de benodigde energie infrastructuur zijn er zogenaamde cluster energie strategieën (CES) opgesteld.