53.M.K. en F.C; Bezorgdheid bewoners Spijkenisse inzake windmolenpark bijlage 1
Tekst van het document
2.6
Mate van interafhankelijkheid Interafhankelijkheid is de mate waarin partijen afhankelijk zijn van elkaar bij het bereiken van een doel bij een project (Rijnveld & van Schie, 2019). Deze interafhankelijkheid is onderdeel van wat Rijnveld en van Schie beschrijven als een gebiedsdiagnose. Met deze gebiedsdiagnose worden de context specifieke factoren van een gebied bekeken, welke partijen er aanwezig zijn, welke doelen en belangen deze partijen hebben en in welke mate ze afhankelijk van elkaar zijn. Daarbij is het belang om verder dan de documentatie te kijken en te onderzoeken wat de partijen zelf belangrijk vinden (Rijnveld & van Schie, 2019). Door de verschillende partijen en de historie in kaart te brengen kan bepaald worden welke interafhankelijkheidsrelaties er zijn bij een project in een gebied. De vraag is in hoeverre de partijen die een belang hebben dat geraakt wordt door een windparkproject worden betrokken. In het huidige onderzoek focussen we daarbij op het belang van omwonenden. Wanneer er een grotere interafhankelijkheid is tussen partijen, is er meer participatie nodig (Rijnveld & van Schie, 2019). Er worden drie factoren genoemd.
2.6.1
Partijen in het gebied De volgende vragen staan centraal bij het onderzoek welke partijen in het gebied met hun belang geraakt worden door de komst van windpark: welke partijen zijn het, hoe kunnen ze betrokken worden, hoe zijn ze georganiseerd, zijn er 4
De Raad van State heeft 30 juni 2021 een uitspraak gedaan over de milieubeoordeling voor windturbinenormen. De gevolgen van deze uitspraak staan beschreven in een kamerbrief van de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat – Klimaat en Energie van 6 juli 2021 met kenmerk DGKE-WO/21177649 aan de Tweede Kamer.
24
TNO-rapport | TNO 2022 P10127
25 / 106
communicatiestructuren aanwezig, en zijn de partijen in staat om zelf te participeren (Rijnveld & van Schie, 2019). Bij bewoners is het belangrijk om te weten of ze zich door een belangenbehartiger, zoals bijvoorbeeld een tegenbeweging, gerepresenteerd voelen. 2.6.2
Historie van beleids- en besluitvorming In de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt in verschillende fases (visievorming, planvorming, besluitvorming) van een project (Rijnveld & van Schie, 2019). De gebiedsdiagnose focust zich op visievorming en planvorming. Omwonenden participeren in elke fase van het project. Zij kunnen dit doen door bijvoorbeeld deel te nemen aan visie- en of informatiebijeenkomsten. Door een zienswijze in te dienen kunnen omwonenden kenbaar maken tegen de komst van een windpark of nuanceringen inbrengen op de voorgenomen plannen. Door de input van de inwoners, ook in de zienswijzen, serieus te nemen kunnen de belangen en waarden van omwonenden betrokken worden (Rijnveld & van Schie, 2019).
2.6.3
Historie van een gebied of locatie De geschiedenis van een plek en van de relatie tussen de verschillende partijen heeft effect op de beleving van omwonenden bij het nieuwe project (Rijnveld & van Schie, 2019). Zo kan een maatschappelijk conflict met de overheid bij een eerder project weerstand veroorzaken bij een windparkproject (Van Zoelen, 2021). Daar kunnen de plaatselijk duurzame energiedoelstellingen een rol spelen. Hetzelfde geldt voor een eerder conflict tussen gemeenten. Partijen kunnen verschillen in hun opvatting over hoe een situatie in het verleden heeft plaatst gevonden. Zo kan het zijn dat feitelijke gebeurtenissen verschillend beleefd worden. Wanneer het proces in een eerder project tot veel weerstand heeft geleid, zal de acceptatie bij het nog te realiseren windpark lager zijn (Schwencke et al., 2020).
2.7
Mate van betrokkenheid De tweede en laatste factor van de gebiedsdiagnose is mate van betrokkenheid. Daarbij gaat het om de mate waarin partijen zich betrokken voelen bij het project. De mate van betrokkenheid wordt mede bepaald door de positie ten opzichte van andere partijen (Rijnveld & van Schie, 2019). De onderstaande vier onderwerpen zijn onderdeel van deze factor.
2.7.1
Het belang van partijen Het belang van partijen en de mate waarin deze erkend worden heeft invloed op de acceptatie en beleving van een windparkproject (Rijnveld & van Schie, 2019). Dit kunnen materiële belangen zijn, zoals de waarde van een woning in de buurt van een windpark, maar ook psychologische belangen zoals aanzien in de gemeenschap. Ook kunnen procedurele belangen een rol spelen met bijvoorbeeld de invloed op een proces (Rijnveld & van Schie, 2019). De belangen van omwonenden kunnen zowel objectief of materieel (bijvoorbeeld financiën) als subjectief of psychologisch (bijvoorbeeld erkenning of zekerheid) zijn. Ook speelt de kijk op de belangen van andere partijen een rol.
2.7.2
Risico’s en onzekerheid De energietransitie zorgt voor een toename van duurzame energietechnologieën zoals windmolens in de directe omgeving van burgers (Rijnveld & van Schie, 2019). 25
TNO-rapport | TNO 2022 P10127
26 / 106
De omvang van windturbines neemt toe. Dit zorgt voor meer onzekerheid over de te verwachten en daadwerkelijke effecten op de omgeving. Deze onzekerheid kan gepaard gaan met een hogere mate van betrokkenheid en maatschappelijk weerstand (Rijnveld & van Schie, 2019). De onzekerheid over beschikbare kennis kan zorgen voor het gebruik van verschillende bronnen door verschillende partijen. 2.7.3
Perspectief op participatie Bij de diagnose wordt de vraag gesteld welk belang de initiatiefnemer heeft bij het participatieproces (Rijnveld & van Schie, 2019). Dit kan zijn omdat participatie een verplichting is. Anderzijds kan het ook bijdragen aan de kwaliteit van een project en als noodzakelijk worden gezien. Het perspectief op participatie wordt verder bepaald door de interafhankelijkheid en de betrokkenheid; wanneer beide laag zijn kan het doel van een initiatiefnemer worden bijgesteld naar een minder intensieve vorm van participatie (Rijnveld & van Schie, 2019).
2.7.4
Lokale opbrengsten en spreiding ervan binnen een gemeente De factor lokale opbrengsten en spreiding is geen aparte factor bij Rijnveld en van Schie (2019). Het kan deels worden ondergebracht in de factor distributieve rechtvaardigheid (2.4.1). In het huidige onderzoek is er voor gekozen om de factor apart mee te nemen om dit specifiek bij verschillende gemeenten uit te kunnen vragen. Verder is er een duidelijke impact van de verdeling van deze (financiële) opbrengsten op het maatschappelijk draagvlak en de beleving (Schwencke et al., 2020; Energieparticipatie, 2020; Werkblad Participatie NP RES, 2021a). Om de acceptatie en participatie te versterken wordt door de Gedragscode Wind op Land (NWEA, 2020) aan initiatiefnemers geadviseerd om een bovenwettelijk bedrag beschikbaar te stellen. Voor de verschillende voorbeelden van financiële participatie verwijst dit onderzoek naar de Participatiewaaier (2019). Het huidige onderzoek erkent het verschil met planschade, de mogelijke schade die is ontstaan door bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen. Deze vorm van compensatie is vastgelegd in de Wet Ruimtelijke Ordening. De overige vormen van financiële participatie zijn een bovenwettelijke tegemoetkoming aan de omgeving.
2.8
Keuze factoren Na de aanvulling van de factoren van Rijnveld en van Schie (2019) die een rol spelen in de beleving van omwonenden bij een windpark en aanvullende factoren, is een keuze gemaakt in de factoren die kwantitatief bij bewoners en kwalitatief bij overige belanghebbenden worden uitgevraagd. Voor fysieke projectkenmerken (2.2) wordt op de omvang van het project gecontroleerd door bij de selectie van de windparken te selecteren op windparken van ongeveer dezelfde omvang en hoogte van turbines (1.6). De mening over de inpassing in het landschap wordt uitgevraagd in de vragenlijst. Verder zijn er in de vragenlijst verschillende afstandscirkels voor omwonenden opgenomen om het effect van afstand woning tot de turbine te onderzoeken (3.1.5.1). De criteria voor procesparticipatie (2.3) hebben effect op de ervaring en beleving van het proces. Samen met de inhoudelijke factoren (2.4), met een focus op de kennis en waarden van omwonenden van het leefgebied, worden deze factoren uitgevraagd in de vragenlijst. De factoren interafhankelijkheid (2.6) en betrokkenheid (2.7) zijn onderdeel van de gebiedsdiagnose. Dit onderzoek gebruikt de factoren voor diagnose om de context te schetsen van de vier windparken. Aan de hand van een aantal gesprekken per windpark wordt deze context met interviews vormgegeven (kwalitatief). Hiermee krijgen partijen de mogelijkheid om 26
TNO-rapport | TNO 2022 P10127
27 / 106
zelf hun belang aan te geven. Rijnveld en van Schie (2019) bevestigen de meerwaarde hiervan, los van wat er in documenten is opgetekend. De overige factoren (2.8) worden als controlefactoren opgenomen in de vragenlijst. Figuur S 1 geeft een overzicht van de verdeling van de factoren. Een kanttekening hierbij is dat er elementen van de kwantitatieve factoren in de interviews terugkomen en andersom, dat er vragen over de kwalitatieve factoren zijn gesteld in de vragenlijst.
Figuur S 1 Onderzochte factoren, inclusief factoren Green Deal Participatie van Rijnveld en van Schie (2019).
27
TNO-rapport | TNO 2022 P10127
3
28 / 106
Kwantitatief onderzoek: vragenlijst onder omwonenden In dit hoofdstuk wordt eerst de methode van de vragenlijst behandeld (3.1). De constructie van de vragenlijst wordt beschreven met de opbouw van de vragenlijst (3.1.1), de procedure met de steekproef per afstandscirkel per windpark (3.1.2), de exclusiecriteria voor de respondenten (3.1.3), de representativiteit van de steekproef (3.1.4), de betrouwbaarheidsanalyse van de verschillende factoren (3.1.5) en de analyses besproken (3.1.6). Vervolgens worden de resultaten in paragraaf 3.2 besproken en sluit het hoofdstuk af met conclusies (3.3).
3.1
Methode
3.1.1
Vragenlijst constructie We hebben de vragenlijst geconstrueerd op basis van literatuur en in samenwerking met experts uit het veld. De vragenlijst is grotendeels geïnspireerd op het werk van Rijnveld en van Schie (2019, zie Hoofdstuk 2). De factoren die genoemd worden in de Green Deal (2020) zijn de leidraad geweest voor de factoren die in de vragenlijst zijn uitgevraagd, waarbij de focus ligt op de projectspecifieke factoren (1) fysieke projectkenmerken, (2) procescriteria en (3) inhoudelijke criteria. De vragenlijst is vervolgens voorgelegd aan onze klankbordgroep met experts uit het veld. Zij hebben feedback aangeleverd om de vragen aan te scherpen. Het complete overzicht van de vragenlijst (factoren, items en bronnen) is te vinden in Appendix A.
3.1.2
Representativiteit respons Een representatieve steekproef is een afspiegeling van de populatie waaruit hij is getrokken. Om de representativiteit van respons in het huidige onderzoek te bepalen, vergelijken we de eigenschappen van de populatie op basis van afstandscirkel, leeftijd en geslacht met de eigenschappen van de respondenten. Er zijn 8400 brieven uitgestuurd naar huishoudens met een uitnodiging voor een online vragenlijst, dit zijn 2100 brieven per windpark. Op basis van ervaring van I&O Research hebben we de bewoners gevraagd om de persoon de vragenlijst te laten invullen die als eerste jarig is in het huishouden. Zo is geprobeerd om ook meer jongere respondenten te laten deelnemen. De uitnodiging bevatte een inlogcode en een link naar de website. Deze link kon één keer gebruikt worden. Deze brieven zijn verstuurd op basis van een steekproef per afstandscirkel rondom de windturbines (0-1000 meter, 1000-2000 meter en 2000-3000 meter). Hiervoor is zoveel mogelijk willekeurig adressen getrokken binnen afstandscirkels. Woongebieden in cirkels met veel adressen komen dan zo veel mogelijk ‘naar rato’ in de steekproef voor. In sommige afstandscirkels van windparken waren relatief weinig woningen. Deze woningen hebben allemaal een uitnodiging gekregen. Dit heeft geresulteerd in de volgende steekproeven per windpark:
28
TNO-rapport | TNO 2022 P10127
•
•
29 / 106
Autena en Spui ‐ 100% 0-1000 meter, aangevuld met aselect 1000-2000 meter (optellend tot 1050 adressen). ‐ aselect 2000-3000 meter (optellend tot 1050 adressen, 2100 adressen per park in totaal). AVRI en Veenwieken ‐ 100% 0-2000 meter, aangevuld met aselect 2000-3000 meter (optellend naar 2100 adressen per park in totaal).
In totaal hebben er 2203 respondenten deelgenomen aan de vragenlijst, waarvan 2196 online en zeven mensen via een schriftelijke vragenlijst (aangevraagd en opgestuurd). Dit komt neer op een relatief hoog responspercentage van 26,2%. In onderstaande grafieken worden de verdelingen per windpark per afstandscirkel weergeven van zowel de respondenten in het huidige onderzoek als van de bewoners. Uit de grafieken is op te maken dat bij elk windpark de meeste bewoners binnen de 2000-3000 meter rondom de windturbines wonen. Naar verhouding zijn de bewoners uit die buitenste afstandscirkel in onze respons dan ook ondervertegenwoordigd. Er zijn in verhouding meer uitnodigingen verstuurd naar bewoners binnen de andere twee afstandscirkels (0-1000 en 1000-2000), om een zo groot mogelijke groep binnen elke cirkel te bewerkstelligen. Bij deze twee cirkels komt de verhouding respondenten per cirkel per windpark beter overeen met de bewonersaantallen. Zo zijn er bij windpark Spui naar verhouding veel respondenten woonachtig in de eerste afstandscirkel en bij windpark Veenwieken naar verhouding weinig respondenten woonachtig in de tweede afstandscirkel. 100% 90% 80% 70%
5542
60%
8724 5092
2755
50%
Afstandscirkel 2-3 km Afstandscirkel 1-2 km
40%
Afstandscirkel 0-1 km
30% 20%
3003
10% 0%
26 Autena
3334 661 27 AVRI
529 Spui
235 66 Veenwieken
Figuur 3.1 Bewoners per windpark per afstandscirkel (n = 29.994).
Vervolgens is er met behulp van CBS-gegevens over de ondervraagde gebieden (o.b.v. postcode) gekeken naar de man-vrouw verdeling en de leeftijdsverdeling binnen de onderzoekspopulatie. In Appendix D zijn de percentages per leeftijdsgroep per geslacht weergeven van zowel de populatie als van de respondenten in het huidige onderzoek.
29
TNO-rapport | TNO 2022 P10127
30 / 106
Uit de vergelijking tussen de populatiecijfers en de gegevens over onze respondenten blijkt dat mannen in onze responsgroep oververtegenwoordigd zijn. In de populatie is de man-vrouw-verdeling over het algemeen 50-50, terwijl de verdeling in de steekproef bij de meeste windparken naar 65-35 neigt. Ook qua leeftijd is de steekproef niet geheel representatief. Hoewel de 60-plussers zowel in de populatie als in de steekproef de meerderheid hebben, is het aandeel van de 60plussers in de populatie (bij alle windparken rond de 30%) kleiner dan in onze steekproef (tussen de 37% en 47%). We hebben in het huidige onderzoek te maken met een selectieve respons, wat betekent dat bepaalde groepen uit de populatie minder geneigd zijn om deel te nemen (GGD, 2018). Weegfactoren kunnen in het geval van een selectieve respons een oplossing bieden. Wij hebben er in dit onderzoek voor gekozen geen weegfactoren te gebruiken. Weegfactoren of weging wil zeggen dat er op basis van bepaalde kenmerken van de populatie, die samenhangen met zowel de respons als de uitkomstvariabelen, meer gewicht wordt toegekend aan bepaalde individuen binnen de respons. Dit wordt gedaan om de representativiteit te vergroten. In het huidige onderzoek is het responspercentage onder vrouwen bijvoorbeeld lager dan bij mannen.
Om de representativiteit te vergroten kan er dan aan de respons van de vrouwen een zwaardere weegfactor worden toegekend. Deze methode berust echter op de aanname dat, in dit geval, de vrouwen die wel deelnemen niet verschillen in uitkomstvariabelen van vrouwen die niet deelnemen (GGD, 2018). De bepaalde groepen uit de populatie die minder geneigd zijn om deel te nemen zijn waarschijnlijk niet geslachts- of leeftijdsgebonden. Het uitgangspunt dat individuen die deelnemen in uitkomstvariabelen niet verschillen van individuen die niet deelnemen, is in dit geval niet aannemelijk. Wegen kan in dat geval de betrouwbaarheid van de uitkomsten doen afnemen. Gevolg is dat de respons op basis van de kenmerken leeftijd en geslacht niet geheel representatief is voor de populatie. Dit betekent dat er bij het doen van uitspraken over de resultaten rekening moet worden gehouden met het feit dat deze mogelijk niet te generaliseren zijn naar de gehele populatie. 3.2
Resultaten In de volgende sectie beschrijven we de resultaten van de kwantitatieve analyses. Dit deel van het onderzoek geeft duiding aan de antwoorden op de vragenlijst die is uitgezet onder omwonenden van de vier windparken. De analyses zijn erop gericht om inzicht te krijgen in factoren die bepalend zijn voor de beleving van omwonenden ten aanzien van het windpark voor, tijdens en na de realisatie van het project. De beleving na wordt uitgedrukt als de ‘huidige houding ten opzichte van het windpark’. De beleving voor de realisatie van het windpark als de ‘toenmalige houding ten opzichte van het windpark’. De beleving van het realisatieproces (tijdens) is gemeten aan de hand van de procesfactoren uit Rijnveld en van Schie (2019). Daarbij is gekeken naar hoe de omwonenden het proces hebben ervaren en hoe deze ervaringen mogelijk van invloed zijn op de huidige beleving. Er is niet alleen gekeken naar hoe de beleving van het realisatieproces samenhangt met de huidige, algemene beleving van het windpark, maar er is ook rekening gehouden
30
TNO-rapport | TNO 2022 P10127
31 / 106
met aanverwante zaken, zoals de mate van ervaren overlast door het windpark of de mate van belangstelling voor het realisatieproces. 3.2.1
Beschrijvende statistieken
3.2.1.1
Exclusiecriteria respondenten Van de 2203 respondenten zijn er 244 respondenten buiten beschouwing gelaten omdat zij vroegtijdig met de vragenlijst zijn gestopt. Van de overige 1959 respondenten zijn er 88 respondenten buiten beschouwing gelaten in de analyses omdat zij aangaven helemaal niet bekend te zijn met het windpark bij hen in de buurt (waarvan 35 bij Autena, 22 bij AVRI, 23 bij Spui en 8 bij De Veenwieken). Dit resulteert in een dataset van 1871 respondenten. Helemaal niet bekend met het windpark bij hen in de buurt Van de 2203 gaven 88 respondenten (4%) aan dat zij ‘helemaal niet’ bekend zijn met het windpark bij hen in de buurt. Deze respondenten zijn buiten beschouwing gelaten in de analyses. Wanneer men helemaal niet bekend is met het windpark bij hen in de buurt is het niet mogelijk een betrouwbare meting te doen op (sub-)factoren die betrekking hebben op het realisatieproces van dat windpark. Desalniettemin is het een interessant gegeven dat 4% van de respondenten die binnen 3 km afstand van een windpark wonen het park niet hebben opgemerkt.
Van de 1871 respondenten hebben er 444 respondenten geen vragen gekregen over het realisatieproces van het windpark. Deze groep bestaat uit respondenten die op de vraag “Was het windpark al gebouwd toen u in deze omgeving kwam wonen?” met “Ja” of “Zeg ik liever niet” hebben geantwoord. Daarnaast zijn dit respondenten die door een fout in een vroege versie van de vragenlijst de verkorte versie hebben gekregen na het antwoord “Nee”, in plaats van na de antwoorden “Ja” en “Zeg ik liever niet”. Respondenten die om een van deze redenen geen vragen over het realisatieproces hebben beantwoord, zijn voor de analyses met betrekking tot het proces buiten beschouwing gelaten (zie Tabel 4). Tabel 2
Aantallen respondenten per routing na vraag “Was het windpark al gebouwd toen u in deze omgeving kwam wonen?” Ja
Nee
Zeg ik liever niet
Totaal
Foute routing
27
150
1
178
Goede routing
260
1427
6
1693
Totaal
287
1577
7
1871
Dit resulteert in een uiteindelijke dataset van 1427 respondenten die alle vragen hebben beantwoord, inclusief de vragen over het realisatieproces van de windparken. De dataset van 1871 wordt wel gebruikt om uitspraken te doen over de huidige houding ten opzichte van het windpark. 3.2.1.2
Demografische kenmerken De volgende sectie beschrijft de demografische kenmerken van de dataset met 1871 respondenten. In de Appendix staat een overzicht van de verdeling van respondenten over de vier windparken per dataset (2203, 1871 en 1427
31
TNO-rapport | TNO 2022 P10127
32 / 106
respondenten). De leeftijdsverdeling per windpark is terug te vinden onder het eerdere kopje ‘Representativiteit respons’ (meer detail in Appendix D). Tabel 3
Frequentieverdeling geslacht per windpark
man vrouw anders zeg ik liever niet
Autena
AVRI
Spui
Veenwieken
som
%
270 155 1 3
321 168 1 6
312 152 0 10
305 163 0 4
1208 638 2 23
64,6% 34,1% 0,1% 1,2%
Opleidingsniveau 100%
Zeg ik liever niet
90% 80% 70% 60% 50%
WO master/doctoraal of hoger HBO of WO bachelor HBO of WO maar geen diploma
40% 30% 20% 10%
Middelbareschooldiploma of vergelijkbaar Lager dan middelbareschooldiploma
0%
Figuur 3.2 Frequentieverdeling van opleidingsniveau per windpark.
3.2.1.3
Ervaren overlast De volgende sectie betreft een uiteenzetting van de overlast en andere negatieve effecten door de windturbines zoals omwonenden die ervaren. Hoewel de focus van ons onderzoek ligt bij de invloed van aspecten rondom het realisatieproces op de algemene beleving van een windpark hebben we ter controle ook vragen over overlast in de vragenlijst meegenomen, aangezien overlast door windturbines ook van invloed kan zijn op de algemene beleving van een windpark. Om die reden zijn deze vragen alleen gesteld aan de mensen die ook vragen hebben gekregen over het realisatieproces. In de volgende analyse zijn dus alleen de mensen meegenomen die voor de bouw van het windpark al in de omgeving woonden (n = 1427). De meeste vragen omtrent overlast waren conditioneel, dat wil zeggen dat alleen wanneer respondenten aangaven dat zij op dit moment iets van windturbines merken (vraag 2), zij de vraag kregen of ze overlast ervaren (vraag 2b). Tabel 4 laat de antwoorden van de bewoners per windpark per afstandscirkel zien op de vraag “Merkt u iets van de windturbines?”. Uit de gegevens is op te maken dat ruim de helft van de respondenten (57%) niets van de windturbines merkt. Alleen bij windpark Spui zijn er meer respondenten die wel iets van de windturbines merken dan mensen die er niets van merken. Binnen de afstandscirkel 0-1000
32
TNO-rapport | TNO 2022 P10127
33 / 106
meter merken de meeste mensen iets van de windturbines (Tabel 4) en ervaren de meeste mensen dit ook als overlast (Tabel 5). Tabel 4
Overzicht van antwoorden op de vraag “Merkt u op dit moment iets van de windturbines?” per afstandscirkel per windpark. Windpark Autena
AVRI
Spui
Veenwieken
0-1000
8
% ja in cirkel 75%
1000-2000
164
40%
60%
2000-3000
109
20%
80%
5
100%
0%
1000-2000
89
54%
46%
2000-3000
279
34%
66%
0-1000
127
87%
13%
1000-2000
143
62%
38%
2000-3000
98
28%
72%
18
89%
11%
1000-2000
36
50%
50%
2000-3000
351
33%
67%
1427
43%
57%
straal
0-1000
0-1000
totaal
n per cirkel
% nee in cirkel 25%
Onderstaande tabel toont dat van de respondenten die aangeven dat ze iets merken van de windturbines 76% dit ook als overlast ervaren. Tabel 5
Overzicht van antwoorden op de vraag “Ervaart u overlast of andere nadelige effecten van de windturbines?” per afstandscirkel per windpark. Windpark Autena
AVRI
Spui
Veenwieken
straal
n per cirkel*
% ja in cirkel
% nee in cirkel
0-1000
6
67%
33%
1000-2000
66
77%
23%
2000-3000
22
68%
32%
0-1000
5
60%
40%
1000-2000
48
73%
27%
2000-3000
94
68%
32%
0-1000
110
92%
8%
1000-2000
89
78%
22%
2000-3000
27
74%
26%
0-1000
16
88%
13%
1000-2000
18
94%
6%
2000-3000
115
64%
36%
totaal
616
76%
24%
* totaal aantal respondenten dat aangeeft op dit moment iets van de windturbines te merken
In Tabel 6 is uiteengezet welke soorten overlast mensen ervaren. Horizonvervuiling is de meest genoemde vorm van ervaren overlast: 85% van de respondenten die aangeeft overlast te ervaren van de windturbines (399 van de 467 mensen), ervaart overlast door horizonvervuiling. 59% van de respondenten die aangeeft overlast te ervaren van de windturbines, ervaart overlast door het geluid.
33
TNO-rapport | TNO 2022 P10127
34 / 106
Bij de categorie ‘anders, namelijk…’ werden 44 andere of specifiekere vormen van overlast genoemd, zoals laag frequente trillingen (7%, n = 3), een onrustig omgevingsbeeld door (de weerkaatsing van) de beweging van de bladen (14%, n = 6) en rode verlichting (11%, n = 5), verstoring van de signaalontvangst voor televisie, radio en internet (11%, n = 5) en een versterking van verkeerslawaai (bijv. van een snelweg) door de windverplaatsing van de turbines (7%, n = 3). Per type overlast dat mensen aangaven te ervaren is vervolgens de ernst van de overlast (op een schaal van 1 tot 10) (Tabel 9) en de onaanvaardbaarheid van de overlast (op een schaal van 1 tot 5) uitgevraagd (Tabel 10). In sommige gevallen komen de waarden in Tabellen 9 en 10 voort uit een enkele observatie, bijvoorbeeld in het geval van gezondheid bij windpark Autena, binnen de afstandscirkel 2000-3000 meter (Tabel 8). De ‘gemiddelde’ ernst van de overlast in dit geval is een 10, maar deze waarde is afkomstig van één persoon. Men ervaart de meeste overlast door geluid en horizonvervuiling. Nadelige effecten op het gebied van gezondheid worden gemiddeld genomen het minst aanvaardbaar bevonden. Tabel 6
Overzicht van aantallen respondenten dat overlast ervaart, per windpark per afstandscirkel, totaal en per overlasttype (Ervaart u overlast of andere nadelige effecten van de windturbines? (eerste twee kolommen), En zo ja, wat voor? (overige kolommen)). Bij deze vraag waren er meerdere antwoorden mogelijk. Ervaart u overlast?
Afstand (in meters)
Ja
Nee
gelu id
Slag schaduw
Natuur & milieu
Financ ieel
Gezond heid
Horizo nvervui lding
Veiligh eid
And ers
Zo ja, wat voor overlast?
Autena
0-1000 1000-2000 2000-3000
4 51 15
2 15 7
3 21 5
4 21 2
4 32 8
2 7 1
3 6 1
4 46 13
2 9 1
1 6 1
AVRI
0-1000 1000-2000 2000-3000
3 35 64
2 13 30
3 13 13
2 10 8
3 25 32
1 8 7
2 10 6
3 31 57
0 4 2
0 3 5
Spui
0-1000 101 1000-2000 69 2000-3000 20
9 20 7
98 59 9
40 18 2
38 26 12
27 9 1
32 11 4
78 61 15
10 3 2
9 4 0
Veenwieken
0-1000 14 1000-2000 17 2000-3000 74 totaal 467
2 1 41 149
14 14 25
8 6 10
6 11 36
7 4 6
5 2 6
10 14 67
3 0 1
2 3 5
Windpark
34
TNO-rapport | TNO 2022 P10127
Windpark
Afstand
Slagschaduw
Natuur & milieu
Financieel
Gezondheid
Horizonvervuilding
Veiligheid
Anders
Gemiddelde ernst van de ervaren overlast (op een schaal van 1 tot 10) per windpark per afstandscirkel per overlasttype (10 = ernstige overlast).
geluid
Tabel 7
Autena
0-1000 1000-2000 2000-3000
8,0 6,4 5,6
7,5 6,6 6,0
9,8 8,2 8,9
9,5 7,7 8,0
9,3 8,7 10,0
9,8 8,2 8,8
9,5 6,7 6,0
10,0 8,8 8,0
AVRI
0-1000 1000-2000 2000-3000
6,0 7,4 6,9
6,5 7,1 7,5
8,0 7,6 8,0
5,0 8,3 6,3
6,5 8,1 8,7
9,7 8,9 8,4
NA 9,0 7,5
NA 9,3 9,2
Spui
0-1000 1000-2000 2000-3000
7,4 6,8 7,0
5,8 6,4 9,0
7,4 8,8 8,2
8,4 8,2 8,0
8,0 8,4 9,3
8,5 8,4 9,2
7,9 7,7 10,0
8,0 8,3 NA
Veenwieken
0-1000 1000-2000 2000-3000
7,6 6,1 6,8
6,8 6,5 7,9
8,5 7,9 7,6
8,6 10,0 7,2
9,2 8,5 8,5
8,4 9,0 8,0
9,0 NA 7,0
8,0 7,7 7,0
Windpark
Afstand
Slagschaduw
Natuur & milieu
Financieel
Gezondheid
Horizonvervuilding
Veiligheid
Anders
Gemiddelde onaanvaardbaarheid van de ervaren overlast per windpark per afstandscirkel per overlasttype (5 = heel onaanvaardbaar). NA = niet beschikbaar
geluid
Tabel 8
Autena
0-1000 1000-2000 2000-3000
3,7 3,7 3,2
4,5 4,2 5,0
5,0 4,3 4,9
4,5 4,1 5,0
4,3 4,5 5,0
5,0 4,2 4,8
4,5 3,7 5,0
5,0 5,0 4,0
AVRI
0-1000 1000-2000 2000-3000 0-1000 1000-2000 2000-3000
4,3 4,0 4,0 4,2 3,8 4,0
5,0 4,4 4,1 4,0 3,7 5,0
4,0 4,1 4,3 4,5 4,7 4,8
4,0 4,4 4,3 4,8 4,4 5,0
5,0 4,7 5,0 4,7 4,7 4,8
5,0 4,4 4,1 4,4 4,4 4,8
NA 4,5 5,0 4,5 4,0 5,0
NA 3,3 3,8 4,6 4,8 NA
0-1000 1000-2000 2000-3000
3,8 3,9 3,9
3,8 4,2 4,0
4,3 4,3 4,3
4,4 4,8 3,8
4,8 4,5 4,7
4,3 4,1 4,1
4,7 NA 5,0
3,5 4,7 3,8
Spui
Veenwieken
3.2.2
35 / 106
Huidige houding ten opzichte van het windpark Om antwoord te geven op het eerste deel van de eerste onderzoeksvraag “Hoe is de beleving van omwonenden ten aanzien van het energieproject na de realisatie?” worden in de volgende sectie de resultaten omtrent de factor huidige houding ten opzichte van het windpark besproken. De resultaten zijn gebaseerd op zeven vragen, namelijk zes stellingen met antwoordopties op een schaal van 1 tot 5 en de slotvraag “Als u uw algemene beleving van het windpark op dit moment een rapportcijfer moest geven (van 1 tot 10), welk cijfer geeft u het dan?” met een antwoordschaal van 1 tot 10. Over de scores die volgden uit de zes stellingen zijn gemiddelden berekend en die vormen samen het concept huidige houding ten opzichte van het windpark. De rapportcijfervraag is los geanalyseerd.
35
TNO-rapport | TNO 2022 P10127
3.2.2.1
36 / 106
Per windpark Bij het analyseren van de resultaten van de huidige beleving van omwonenden ten aanzien van het windpark, is er onderscheid gemaakt tussen de windparken en vervolgens tussen de afstandscirkels per windpark. Voor de volgende analyse zijn ook de mensen meegenomen die na de bouw van het windpark in de omgeving zijn komen wonen (n = 1871). De huidige houding ten opzichte van het windpark is gemeten aan de hand van de zes stellingen (zie sectie 3.1.1) met een antwoordschaal van 1 t/m 5 en daarnaast de vraag “Als u uw algemene beleving van het windpark op dit moment een rapportcijfer moest geven (van 1 tot 10), welk cijfer geeft u het dan?”. Omdat de stellingen en de rapportcijfer-vraag met een andere schaal gemeten zijn, worden de antwoorden los van elkaar gerapporteerd. Onderstaande histogram toont een verdeling van de gemiddelde scores op de stellingen per windpark. Hierin komt naar voren dat het merendeel van de respondenten van windpark Autena, AVRI en de Veenwieken gemiddeld scoort, wat staat voor een positievere houding ten opzichte van het windpark. Bij windpark Spui scoren respondenten gemiddeld lager dan de andere windparken, wat betekent dat de houding daar vaker negatief is. Huidige houding ten opzichte van het windpark 25% 20% 15% 10% 5% 0% 1 Autena
2 AVRI 1
1,5
2
2,5
3 Spui 3
3,5
4
4,5
4 Veenwieken 5
Figuur 3.3 Histogram van huidige houding ten opzichte van het windpark, per windpark
Onderstaande grafiek toont de frequentieverdeling van antwoorden op de vraag “Als u uw algemene beleving van het windpark op dit moment een rapportcijfer moest geven (van 1 tot 10), welk cijfer geeft u het dan?” per windpark. De grafiek toont voor de windparken Autena, AVRI en de Veenwieken een vergelijkbaar patroon betreft de algemene beleving van omwonenden, namelijk een asymmetrische verdeling waarin de positievere beoordelingen in de meerderheid zijn. Spui wijkt af van dat patroon, 20% van de respondenten van Spui geeft het windpark een 1 als rapportcijfer.
36
TNO-rapport | TNO 2022 P10127
37 / 106
Als u uw algemene beleving van het windpark op dit moment een rapportcijfer moest geven (van 1 tot 10), welk cijfer geeft u het dan? (%) 25% 20% 15% 10% 5% 0% Autena
AVRI
1
2
3
4
Spui
5
6
7
Veenwieken
8
9
10
Figuur 3.4 Histogram van rapportcijfer algemene beleving van het windpark
In de volgende grafiek is er een verder onderscheid gemaakt binnen de windparken tussen de drie afstandscirkels rondom de windparken (0-1000 meter, 1000-2000 meter en 2000-3000 meter). De grafiek toont de gemiddelde rapportcijfers per afstandscirkel per windpark met de standaardafwijking. Het patroon in de grafiek suggereert dat respondenten die dichterbij de windturbines wonen hun algemene beleving van het windpark over het algemeen negatiever beoordelen dan mensen die verder weg wonen.
Gemiddelde rapportcijfer voor algemene beleving van het windpark per windpark per afstandszone 10,0 9,0 8,0 7,0 6,0 5,0 4,0 3,0 2,0 1,0 0-1 1-2 2-3 km km km Autena
0-1 1-2 2-3 km km km AVRI
0-1 1-2 2-3 km km km Spui
0-1 1-2 2-3 km km km Veenwieken
Figuur 3.5 Gemiddelde scores per windpark per afstandscirkel op de vraag “Als u uw algemene beleving van het windpark op dit moment een rapportcijfer moest geven (van 1 tot 10), welk cijfer geeft u het dan?”. Foutbalken representeren de standaard deviatie.
3.2.2.2
Eerdere en latere bewoners Naast het onderscheid tussen windpark en afstandscirkels hebben we de huidige beleving van omwonenden ten aanzien van het windpark vergeleken tussen eerdere en latere bewoners. Met eerdere bewoners worden de mensen bedoeld die voor de bouw van het windpark al in de omgeving woonden. Met latere bewoners 37
TNO-rapport | TNO 2022 P10127
38 / 106
worden de mensen bedoeld die na de bouw van het windpark in de omgeving zijn komen wonen. Voor de volgende analyse zijn dus beide groepen meegenomen (n = 1871). Zeven respondenten wilden liever niet zeggen of ze al voor de bouw van het windpark in de omgeving woonden en zijn voor deze analyse buiten beschouwing gelaten. De resultaten laten zien dat mensen die na de bouw van het windpark in de omgeving zijn komen wonen over het algemeen een positievere beleving van het windpark hebben dan mensen die voor de bouw van het windpark al in de omgeving woonden. Mensen die er later zijn komen wonen geven hun algemene beleving van het windpark gemiddeld een 6.0 (n = 287, SD = 2.33), terwijl de mensen die er al woonden gemiddeld een 5.5 geven (n = 1577, SD = 2.41). Eenzelfde patroon komt voort uit de analyse van de zes stellingen op een schaal van 1 tot 5. Mensen die er later zijn komen wonen scoren gemiddeld 3.34 (n = 287, SD = 0.97), terwijl de mensen die er al woonden gemiddeld 3.08 scoren (n = 1577, SD = 1.06). 3.2.3
Kruisverbanden procesfactoren, uitkomsten en overlast Om de samenhang tussen de gemeten factoren te bepalen worden de onderlinge correlaties berekend. De correlaties geven een eerste inzicht in hoe de omwonenden de vormgeving van het proces hebben ervaren en in de kruisverbanden tussen de beleving voor het realisatieproces, de beleving van het realisatieproces en de huidige beleving van het windpark. Bij de onderlinge correlaties is geen onderscheid gemaakt tussen de vier verschillende windparken en zijn alleen de respondenten die voor de bouw van het windpark al in de omgeving woonden meegenomen in de analyse (n = 1427). De resultaten staan in de correlatiematrix op pagina 39. De sterkste correlaties (d.w.z. groter dan 0.5) zijn in de matrix blauw gemarkeerd. In het hoofdstuk Conclusies wordt er verder ingegaan op de correlatiecijfers.
38
TNO-rapport | TNO 2022 P10127
Figuur 3.6
39 / 106
Correlatiematrix samenhang gemeten factoren
39
TNO-rapport | TNO 2022 P10127
3.2.4
40 / 106
Belangrijkste voorspellers per windpark voor houding ten opzichte van het windpark Er zijn per windpark meervoudige regressies uitgevoerd om te achterhalen welke factoren het meest van invloed zijn op de huidige beleving van het windpark. De factoren worden in dit geval voorspellers genoemd. De belangrijkste voorspellers zijn dus de factoren die de grootste invloed hebben op de huidige beleving van het windpark. De regressieanalyses geven per windpark inzicht in hoe de beleving voor het realisatieproces, de beleving van het realisatieproces en de huidige beleving van het windpark samenhangen. Over het algemeen zijn de belangrijkste voorspellers voor de huidige beleving van het windpark op te delen in drie categorieën: procesfactoren, overlast en opinie over klimaat. Per windpark wordt er een overzicht gegeven van de significante voorspellers van de huidige beleving van dat betreffende windpark. Deze voorspellers zijn significant geacht bij p < .01. Uit de correlatiematrix (zie 3.2.3) blijkt dat veel procesfactoren onderling samenhangen. Wanneer onafhankelijke variabelen sterk gecorreleerd zijn, dient er bij het uitvoeren van een meervoudige regressie gecontroleerd te worden voor multicollineariteit. Om te controleren voor multicollineariteit is er per factor gekeken naar de variantie-inflatiefactor (VIF).
Bij een VIF van meer dan 5 werd multicollineariteit significant geacht en is hiervoor gecorrigeerd (Rogerson, 2019).
3.2.4.1
Windpark Autena Om te corrigeren voor multicollineariteit zijn som ervaren overlast (VIF = 6.084) en ernst van de ervaren overlast (VIF = 8.872) uit deze analyse verwijderd. Significante voorspellers van huidige houding ten opzichte van het windpark Autena Toenmalige houding t.o.v. het windpark
+
Distributieve rechtvaardigheid
+
Verwachte overlast
-
Landschappelijke inpassing
+
Responsiviteit
+
In combinatie blijken de factoren 77% van de variantie in de huidige houding ten opzichte van het windpark te verklaren, met R2 = .77, aangepaste R2 = .757, F(16, 264) = 55.45, p < .001. Enkel de bovenstaande significante factoren blijken in combinatie 75% van de variantie in de huidige houding ten opzichte van het windpark te verklaren. 3.2.4.2
Windpark AVRI Om te corrigeren voor multicollineariteit is ernst van de ervaren overlast (VIF = 6.151) uit deze analyse verwijderd.
TNO-rapport | TNO 2022 P10127
41 / 106
Significante voorspellers van huidige houding ten opzichte van het windpark AVRI Toenmalige houding t.o.v. het windpark
+
Distributieve rechtvaardigheid
+
Landschappelijke inpassing
+
Zorgen over klimaatverandering
+
Som ervaren overlast
-
In combinatie blijken de factoren 78% van de variantie in de huidige houding ten opzichte van het windpark te verklaren, met R2 = .78, aangepaste R2 = .767, F(17, 354) = 72.89, p < .001. Enkel de bovenstaande significante factoren blijken in combinatie 76% van de variantie in de huidige houding ten opzichte van het windpark te verklaren. 3.2.4.3
Windpark Spui Om te corrigeren voor multicollineariteit is ernst van de ervaren overlast (VIF = 5.616) uit deze analyse verwijderd. Significante voorspellers van huidige houding ten opzichte van het windpark Spui Toenmalige houding t.o.v. het windpark
+
Distributieve rechtvaardigheid
+
Landschappelijke inpassing
+
Som ervaren overlast
-
In combinatie blijken de factoren 76% van de variantie in de huidige houding ten opzichte van het windpark te verklaren, met R2 = .76, aangepaste R2 = .746, F(17, 350) = 64.24, p < .001. Enkel de bovenstaande significante factoren blijken in combinatie 73% van de variantie in huidige de houding ten opzichte van het windpark te verklaren. 3.2.4.4
Windpark de Veenwieken Om te corrigeren voor multicollineariteit zijn som ervaren overlast (VIF = 6.084) en ernst van de ervaren overlast (VIF = 7.401) uit deze analyse verwijderd.
TNO-rapport | TNO 2022 P10127
42 / 106
Significante voorspellers van huidige houding ten opzichte van het windpark de Veenwieken Toenmalige houding t.o.v. het windpark
+
Distributieve rechtvaardigheid
+
Aanvaardbaarheid overlast
+
Landschappelijke inpassing
+
Zorgen over klimaatverandering
+
Respectvolle en eerlijke behandeling
+
Houding tegenover de energietransitie
+
In combinatie blijken de factoren 79% van de variantie in de huidige houding ten opzichte van het windpark te verklaren, met R2 = .79, aangepaste R2 = .778, F(16, 387) = 89.04, p < .001. Enkel de bovenstaande significante factoren blijken in combinatie 78% van de variantie in de huidige houding ten opzichte van het windpark te verklaren. 3.2.5
Invloed van afstand tot de windturbines Zoals eerder vermeld zijn de afstanden van woonadres tot windturbine gegroepeerd in drie afstandscirkels (0-1000 meter, 1000-2000 meter en 2000-3000 meter van een windturbine). Om de beleving van omwonenden binnen verschillende afstandscirkels met elkaar te vergelijken worden er variantieanalyses (ANOVA’s) uitgevoerd. Voor de variantieanalyses is geen onderscheid gemaakt tussen de vier verschillende windparken en zijn alleen de respondenten die voor de bouw van het windpark al in de omgeving woonden meegenomen in de analyse (n = 1427). Bij het vergelijken van de scores van omwonenden die tussen de 0-1000 meter, 1000-2000 meter en 2000-3000 meter van een windturbine af wonen zijn er op diverse factoren duidelijke verschillen tussen groepen gevonden. Zo hebben respondenten die dichterbij de windturbines wonen over het algemeen meer belangstelling voor het windpark, ervaren zij over het algemeen meer overlast en staan zij over het algemeen negatiever tegenover het windpark. Deze verschillen tussen groepen, dat wil zeggen tussen de afstandscirkels 1 & 2, 2 & 3 en 1 & 3, zijn significant. Huidige beleving windpark Afstand tot de windturbines heeft een significant effect op de huidige beleving van het windpark (F(2, 1424) = 81.651, p < .001).
Respondenten die dichterbij het windpark wonen staan over het algemeen negatiever ten opzichte van het windpark dan respondenten die verder van het windpark af wonen. Respondenten uit de binnenste afstandscirkel 0-1000 meter (n = 158, M = 2.26, SD = 0.96) scoren significant lager dan respondenten uit de middelste afstandscirkel 1000-2000 meter (n = 432, M = 2.91, SD = 1.07, p < .001). Respondenten uit de buitenste afstandscirkel 2000-3000 meter (n = 837, M = 3.32, SD = 0.99) scoren significant hoger dan respondenten uit zowel de binnenste (p < .001) als de middelste afstandscirkel (p < .001) (LSD post hoc).
TNO-rapport | TNO 2022 P10127
43 / 106
Rapportcijfer algemene beleving Afstand tot de windturbines heeft een significant effect op de het rapportcijfer dat mensen hun algemene huidige beleving van het windpark geven (F(2, 1424) = 81.242, p < .001). Uit een vergelijking van de scores op de vraag “Als u uw algemene beleving van het windpark op dit moment een rapportcijfer moest geven (van 1 tot 10), welk cijfer geeft u het dan?” per afstandscirkel blijkt dat mensen die dichterbij het windpark wonen het windpark over het algemeen een lager rapportcijfer geven dan respondenten die in de buitenste cirkel wonen. Respondenten uit de binnenste afstandscirkel 0-1000 meter (n = 158, M = 3.51, SD = 2.39) scoren significant lager dan respondenten uit de middelste afstandscirkel 1000-2000 meter (n = 432, M = 5.18, SD = 2.48, p < .001). Respondenten uit de buitenste afstandscirkel 2000-3000 meter (n = 837, M = 5.97, SD = 2.16) scoren significant hoger dan respondenten uit zowel de binnenste (p < .001) als de middelste afstandscirkel (p < .001) (LSD post hoc). Toenmalige houding ten opzichte van het windpark Afstand tot de windturbines heeft een significant effect op de toenmalige houding ten opzichte het windpark (F(2, 1424) = 65.272, p < .001).
Respondenten die dichterbij het windpark wonen, stonden, toen zij voor het eerst over de plannen van een windpark bij hen in de buurt hoorden, over het algemeen negatiever ten opzichte van het windpark dan respondenten die verder van het windpark af wonen. Respondenten uit de binnenste afstandscirkel 0-1000 meter (n = 158, M = 2.04, SD = 1.08) scoren significant lager dan respondenten uit de middelste afstandscirkel 1000-2000 meter (n = 432, M = 2.57, SD = 1.19, p < .001). Respondenten uit de buitenste afstandscirkel 2000-3000 meter (n = 837, M = 3.08, SD = 1.19) scoren significant hoger dan respondenten uit zowel de binnenste (p < .001) als de middelste afstandscirkel (p < .001) (LSD post hoc). Mate van belangstelling voor het windpark Afstand tot de windturbines heeft een significant effect op de mate van belangstelling voor het windpark (F(2, 1423) = 79.063, p < .001). Respondenten die dichterbij het windpark wonen, hebben over het algemeen meer belangstelling voor het windpark dan respondenten die verder van het windpark af wonen. Dat wil bijvoorbeeld zeggen dat de mensen uit de eerstgenoemde groep zich over het algemeen meer in het realisatieproces verdiept hebben en een sterkere mening hebben over het windpark.
Respondenten uit de binnenste afstandscirkel 0-1000 meter (n = 158, M = 3.94, SD = 0.87) scoren significant hoger op mate van belangstelling voor het windpark dan respondenten uit de middelste afstandscirkel 1000-2000 meter (n = 432, M = 3.39, SD = 0.94, p < .001). Respondenten uit de buitenste afstandscirkel 2000-3000 meter (n = 836, M = 3.02, SD = 0.88) scoren significant lager dan respondenten uit zowel de binnenste (p < .001) als de middelste afstandscirkel (p < .001) (LSD post hoc).
TNO-rapport | TNO 2022 P10127
44 / 106
Een grote groep omwonenden heeft zich in mindere mate met het realisatieproces beziggehouden en heeft (daarom) een minder duidelijke mening over hoe zij gedurende het proces ‘behandeld zijn’. Dat komt niet alleen naar voren uit bovenstaande scores op mate van belangstelling voor het windpark, maar ook uit het feit dat een groot deel van de respondenten, met name woonachtig in de buitenste afstandscirkel, ‘neutraal’ (het label van de derde en middelste antwoord optie in de 5-punts Likertschaal) geantwoord heeft op de vragen horende bij respectvolle en eerlijke behandeling en gezamenlijke en objectieve kennisbasis (er was geen ‘niet van toepassing’ optie). Landschappelijke inpassing windturbines Afstand tot de windturbines heeft een significant effect op de beleving van landschappelijke inpassing van de windturbines (F(2, 1424) = 61.084, p < .001). Respondenten die dichterbij het windpark wonen, hebben over het algemeen een negatiever beeld over de landschappelijke inpassing dan respondenten die verder van het windpark af wonen. Respondenten uit de binnenste afstandscirkel 0-1000 meter (n = 158, M = 1.72, SD = 0.94) scoren significant lager op landschappelijke inpassing dan respondenten uit de middelste afstandscirkel 1000-2000 meter (n = 432, M = 2.19, SD = 1.00, p < .001).
Respondenten uit de buitenste afstandscirkel 2000-3000 meter (n = 837, M = 2.57, SD = 0.94) scoren significant hoger dan respondenten uit zowel de binnenste (p < .001) als de middelste afstandscirkel (p < .001) (LSD post hoc). Stem geven aan omwonenden Afstand tot de windturbines heeft een significant effect op de beleving van het geven van een stem aan omwonenden (F(2, 1424) = 11.220, p < .001). Respondenten uit de twee binnenste afstandscirkel hebben over het algemeen minder het gevoel dat zij een stem hebben gekregen binnen het realisatieproces dan respondenten uit de buitenste afstandscirkel. Respondenten uit de binnenste afstandscirkel 0-1000 meter (n = 158, M = 2.32, SD = 0.80) verschillen in scores op het geven van een stem aan omwonenden niet significant van de respondenten uit de middelste afstandscirkel 1000-2000 meter (n = 432, M = 2.36, SD = 0.77, p = .587). Respondenten uit de buitenste afstandscirkel 2000-3000 meter (n = 837, M = 2.54, SD = 0.76) scoren significant hoger dan respondenten uit zowel de binnenste (p = .001) als de middelste afstandscirkel (p < .001) (LSD post hoc). Respectvolle en eerlijke behandeling Afstand tot de windturbines heeft een significant effect op de beleving van respectvolle en eerlijke behandeling (F(2, 1424) = 79.430, p < .001).
Respondenten die dichterbij het windpark wonen, voelen zich over het algemeen minder respectvol en eerlijk behandeld dan respondenten die verder van het windpark af wonen. Opvallend is dat 44% van de respondenten uit de middelste afstandscirkel en 58% van de respondenten uit de buitenste afstandscirkel op alle stellingen die betrekking hebben op respectvolle en eerlijke behandeling ‘neutraal’ geantwoord heeft (‘neutraal’ is het antwoordlabel van de derde en middelste antwoordoptie in de 5punts Likertschaal).
TNO-rapport | TNO 2022 P10127
45 / 106
Respondenten uit de binnenste afstandscirkel 0-1000 meter (n = 158, M = 2.39, SD = 0.89) scoren significant lager op respectvolle en eerlijke behandeling dan respondenten uit de middelste afstandscirkel 1000-2000 meter (n = 432, M = 2.93, SD = 0.69, p < .001). Respondenten uit de buitenste afstandscirkel 2000-3000 meter (n = 837, M = 3.06, SD = 0.53) scoren significant hoger dan respondenten uit zowel de binnenste (p < .001) als de middelste afstandscirkel (p < .001) (LSD post hoc). Heldere procesinformatie Afstand tot de windturbines heeft een significant effect op de beleving van heldere procesinformatie (F(2, 1424) = 10.371, p < .001). Respondenten uit de twee binnenste afstandscirkel beoordelen de procesinformatie negatiever dan respondenten uit de buitenste afstandscirkel. Respondenten uit de binnenste afstandscirkel 0-1000 meter (n = 158, M = 2.49, SD = 0.83) verschillen in scores op heldere procesinformatie niet significant van de respondenten uit de middelste afstandscirkel 1000-2000 meter (n = 432, M = 2.55, SD = 0.84, p = .443). Respondenten uit de buitenste afstandscirkel 2000-3000 meter (n = 837, M = 2.73, SD = 0.79) scoren significant hoger dan respondenten uit zowel de binnenste (p = .001) als de middelste afstandscirkel (p < .001) (LSD post hoc).
Gezamenlijke en objectieve kennisbasis Afstand tot de windturbines heeft een significant effect op de beleving gezamenlijke en objectieve kennisbasis (F(2, 1422) = 50.128, p < .001). Respondenten die dichterbij het windpark wonen, hebben over het algemeen minder het gevoel dat er sprake was van een gezamenlijke en objectieve kennisbasis dan respondenten die verder van het windpark af wonen. Opvallend is dat 49% van de respondenten uit de middelste afstandscirkel en 64% van de respondenten uit de buitenste afstandscirkel op alle stellingen die betrekking hebben op gezamenlijke en objectieve kennisbasis ‘neutraal’ geantwoord heeft (‘neutraal’ is het antwoordlabel van de derde en middelste antwoordoptie in de 5-punts Likertschaal). Respondenten uit de binnenste afstandscirkel 0-1000 meter (n = 158, M = 2.38, SD = 0.83) scoren significant lager op gezamenlijke en objectieve kennisbasis dan respondenten uit de middelste afstandscirkel 1000-2000 meter (n = 432, M = 2.69, SD = 0.72, p < .001). Respondenten uit de buitenste afstandscirkel 2000-3000 meter (n = 835, M = 2.91, SD = 0.58) scoren significant hoger dan respondenten uit zowel de binnenste (p < .001) als de middelste afstandscirkel (p < .001) (LSD post hoc). Distributieve rechtvaardigheid Afstand tot de windturbines heeft een significant effect op de beleving van distributieve rechtvaardigheid (F(2, 1424) = 79.801, p < .001).
Respondenten die dichterbij het windpark wonen, hebben over het algemeen meer het gevoel dat zij benadeeld zijn en dat zij een offer hebben moeten brengen ten opzichte van anderen dan respondenten die verder van het windpark af wonen. Respondenten uit de binnenste afstandscirkel 0-1000 meter (n = 158, M = 1.97, SD = 0.88) scoren significant lager op distributieve rechtvaardigheid dan respondenten uit de middelste afstandscirkel 1000-2000 meter (n = 432, M = 2.53, SD = 0.92, p <
TNO-rapport | TNO 2022 P10127
46 / 106
.001). Respondenten uit de buitenste afstandscirkel 2000-3000 meter (n = 836, M = 2.86, SD = 0.81) scoren significant hoger dan respondenten uit zowel de binnenste (p < .001) als de middelste afstandscirkel (p < .001) (LSD post hoc). Responsiviteit Afstand tot de windturbines heeft een significant effect op de beleving van responsiviteit (F(2, 1423) = 73.315, p < .001). Respondenten die dichterbij het windpark wonen hebben over het algemeen minder het gevoel dat er iets met hun input is gedaan dan respondenten die verder van het windpark af wonen. Respondenten uit de binnenste afstandscirkel 0-1000 meter (n = 158, M = 1.81, SD = 0.91) scoren significant lager op responsiviteit dan respondenten uit de middelste afstandscirkel 1000-2000 meter (n = 432, M = 2.27, SD = 0.87, p < .001). Respondenten uit de buitenste afstandscirkel 2000-3000 meter (n = 836, M = 2.60, SD = 0.76) scoren significant hoger dan respondenten uit zowel de binnenste (p < .001) als de middelste afstandscirkel (p < .001) (LSD post hoc). Evenwicht partijen in het gebied Afstand tot de windturbines heeft een significant effect op de beleving van evenwicht tussen partijen in het gebied (F(2, 1423) = 66.748, p < .001).
Respondenten die dichterbij het windpark wonen hebben over het algemeen meer het gevoel dat de belangen van bepaalde betrokken partijen zwaarder meewogen dan die van hen dan respondenten die verder van het windpark af wonen. Respondenten uit de binnenste afstandscirkel 0-1000 meter (n = 158, M = 1.72, SD = 0.98) scoren significant lager op evenwicht tussen partijen in het gebied dan respondenten uit de middelste afstandscirkel 1000-2000 meter (n = 432, M = 2.31, SD = 1.02, p < .001). Respondenten uit de buitenste afstandscirkel 2000-3000 meter (n = 836, M = 2.64, SD = 0.93) scoren significant hoger dan respondenten uit zowel de binnenste (p < .001) als de middelste afstandscirkel (p < .001) (LSD post hoc). Beleving van historie gebied Afstand tot de windturbines heeft een marginaal significant effect op de beleving van historie van het gebied (F(2, 1423) = 3.177, p = .042). Respondenten uit de middelste afstandscirkel scoren significant hoger op beleving historie gebied dan respondenten uit de binnenste en buitenste afstandscirkel. Alleen de scores van respondenten uit de buitenste afstandscirkel 2000-3000 meter (n = 836, M = 3.06, SD = 0.76) verschillen significant van de scores van respondenten uit de middelste afstandscirkel (n = 432, M = 2.95, SD = 0.83, p = 0.014) (LSD post hoc).
Respondenten uit de binnenste afstandscirkel 0-1000 meter (n = 158, M = 2.99, SD = 0.78) verschillen in scores op historie van het gebied niet significant van de respondenten uit de middelste afstandscirkel 1000-2000 meter (p = .580) of van de respondenten uit de buitenste afstandscirkel 2000-3000 meter scoren (p = .276).
TNO-rapport | TNO 2022 P10127
47 / 106
Beleving risico’s en onduidelijkheden Afstand tot de windturbines heeft een significant effect op de beleving van risico’s en onduidelijkheden (F(2, 1423) = 66.748, p < .001). Respondenten die dichterbij het windpark wonen hadden voor hun gevoel minder duidelijkheid over de eventuele risico’s die het windpark met zich meebracht dan respondenten die verder van het windpark af wonen. Respondenten uit de binnenste afstandscirkel 0-1000 meter (n = 158, M = 2.42, SD = 1.10) scoren significant lager op risico’s en onduidelijkheden dan respondenten uit de middelste afstandscirkel 1000-2000 meter (n = 432, M = 2.71, SD = 1.05, p = .002). Dit betekent dat zij meer risico’s en onduidelijkheden ervaren. Respondenten uit de buitenste afstandscirkel 2000-3000 meter (n = 836, M = 2.87, SD = 0.93) scoren significant hoger dan respondenten uit zowel de binnenste (p < .001) als de middelste afstandscirkel (p = .008) (LSD post hoc). 3.2.6
Advies van omwonenden aan initiatiefnemers en/of gemeente over plan windpark Tenslotte hebben we de respondenten de open vraag gesteld of zij een advies aan de initiatiefnemers en/of gemeente hadden (“Als het plan voor het windpark opnieuw kon worden gemaakt, is mijn advies aan de initiatiefnemers en/of gemeente om ...”). Op deze vraag is door 1020 respondenten antwoord gegeven. Het overzicht van de antwoorden is weergeven in onderstaande tabel. Tabel 9
% 24%
23%
Overzicht van de clustering van de open antwoorden op de vraag “Als het plan voor het windpark opnieuw kon worden gemaakt, is mijn advies aan de initiatiefnemers en/of gemeente om ...”
van de respondenten die hebben geantwoord op de vraag (n = 1020) adviseert de initiatiefnemers en/of gemeente … … omwonenden in het vervolg beter te betrekken, onder andere door beter, vroegtijdig en duidelijk te communiceren, door omwonenden te laten meedenken over de plannen en door beter te luisteren naar de bezwaren van omwonenden … een andere locatie voor het windpark te kiezen, die niet zo dicht bij het bewoonde gebied ligt
n 249
232
18%
… geen windmolens te plaatsen
183
7%
… een alternatieve opwek te zoeken, zoals kernenergie
70
5%
… meer (financieel) voordeel voor de regio
55
6%
… wel, of zelfs meer, windmolens te plaatsen
57
4%
… dezelfde procedure te volgen
39
13%
Het overige deel van de open antwoorden is uiteenlopend en bevat dingen als de windmolens op zee te plaatsen, eerlijk te zijn en meer rekening te houden met de overlast.
133
100
1020
TNO-rapport | TNO 2022 P10127
4
48 / 106
Kwalitatief onderzoek: interviews over context van de windparken Om een goed beeld te krijgen van de context waarbinnen de windparken zijn gerealiseerd, zoals de (beleids)historie in het gebied en de betrokkenheid van partijen en hun belangen, hebben we een kwalitatief onderzoek gedaan. We hebben een aantal belanghebbende partijen per windpark geïnterviewd. De resultaten en conclusies van het kwalitatieve onderzoek zijn bedoeld om duiding te geven aan de beleving van de bewoners. De informatie uit dit hoofdstuk is ondersteunend aan het kwantitatieve onderzoek met de vragenlijst. De basis voor interviewvragen en daarmee voor de contextschets van de vier windparken zijn de factoren interafhankelijkheid (2.6) en betrokkenheid (2.7). In dit hoofdstuk wordt eerst de methode besproken (4.1), vervolgens een contextschets per windpark (4.2) en als laatst de verschillen en overeenkomsten tussen de windparken in de conclusie (4.3).
4.1
Methode In deze sectie wordt de kwalitatieve onderzoeksmethode van interviews beschreven aan de hand van de selectie van deelnemers (4.1.1), de procedure die gevolgd is (4.1.2), het interviewprotocol en de factoren die hiervoor gebruikt zijn (4.1.3) en de analyse om tot de resultaten te komen (4.1.4).
4.1.1
Deelnemers De eerste selectie voor potentiële interviewkandidaten is samen met RVO en het kernteam Wind op Land gemaakt. In eerste instantie is er samen een selectie gemaakt van mogelijke belanghebbenden partijen bij een windpark: lokale overheden (provincie, gemeente), energiecoöperatie, (commerciële) projectontwikkelaar, lokale tegenbeweging, verhuisde bewoners, NGO’s. Op basis van deze mogelijke belanghebbenden hebben we een lijst opgesteld met betrokken personen per windpark. Deze lijst is gedurende de interviews aangevuld met suggesties van eerdere geïnterviewden. Om het perspectief van verschillende partijen te krijgen is er voor gekozen om een diversiteit van partijen te verdelen over de windparken (zie Tabel 10). We spraken met personen die direct betrokken zijn geweest bij de realisatie in de rol van bijvoorbeeld initiatiefnemer of beleidsmedewerker. Binnen de scope van het project is het gelukt om van ieder windpark de gemeente te spreken, als partij met een centrale rol in de realisatie van het windpark. In negen interviews zijn tien belanghebbende partijen gesproken. Hiernaast zijn drie interviews gehouden met vier verhuisde bewoners. Voor de interviews met verhuisde bewoners hebben we contact gezocht met de gemeente en provincie van de windparken.
Uit deze navraag bleek dat er alleen bij het windpark Spui bekend was dat er bewoners verhuisd zijn vanwege de ervaren overlast van de windparken. Met vier verhuisde bewoners is contact gezocht en er zijn drie interviews gehouden. Zij hebben zich genoodzaakt gevoeld om te verhuizen vanwege de ernstige overlast die zij ervoeren, en de gezondheidsklachten die daaruit voortvloeiden.
TNO-rapport | TNO 2022 P10127
49 / 106
Tabel 10 Type geïnterviewde partijen per windpark
Spui
Veenwieken
Autena
AVRI
Gemeente Hoeksche Waard
Gemeente Ommen
Gemeente Vijfheerenlanden
Energiecoöperatie Betuwewind
Provincie Zuid-Holland
Gemeente Hardenberg
Team Bescherm Autena
Gemeente West Betuwe
Projectontwikkelaar
Provincie Overijssel
Verhuisde bewoners
4.1.2
Procedure De interviews zijn allemaal gehouden in de periode tussen juli en september 2021. De interviews duurden ongeveer één uur en werden door twee interviewers van TNO afgenomen. Alle interviews hebben digitaal plaatsgevonden met het gebruik van MS Teams. Alle geïnterviewden hebben een toestemmingsformulier ontvangen in combinatie met aanvullende informatie over het interview. De geïnterviewden zijn gevraagd om toestemming om het gesprek op te nemen. De opnames zijn gebruikt om de gespreksverslagen verder uit te werken. Het verslag is ter inzage opgestuurd naar de geïnterviewden met de mogelijkheid informatie te wijzigen. De laatste gewijzigde versie van de verslagen is gebruikt voor de analyse van de resultaten. Deze analyse is voor de publicatie van dit rapport nogmaals gedeeld met de geïnterviewden.
4.1.3
Interviewprotocol Voor de interviews met de experts is een interviewprotocol opgesteld (zie Appendix D). We hebben het interviewprotocol geconstrueerd op basis van literatuur. Het protocol is grotendeels gebaseerd op het werk van Rijnveld en van Schie (zie Hoofdstuk 2). De factoren en bijbehorende vragen die genoemd worden in de Green Deal (2020) zijn de leidraad geweest voor de factoren die in de vragenlijst zijn uitgevraagd, waarbij de focus ligt op de context specifieke categorieën; mate van interafhankelijkheid (2.6) en mate van betrokkenheid (2.7). Interafhankelijkheid is de mate waarin partijen afhankelijk zijn van elkaar bij het bereiken van een doel bij een project (Rijnveld & van Schie, 2019). De mate van betrokkenheid wordt mede bepaald door de positie ten opzichte van andere partijen (Rijnveld & van Schie, 2019). Deze categorieën zijn onderverdeeld in factoren (Appendix F). Elke factor had een aantal vragen in het protocol. De geïnterviewden zijn bijvoorbeeld gevraagd naar welke partijen in het gebied samenwerkten, of er onenigheden voor de realisatie waren en op welke manier omwonenden zijn betrokken bij het realisatieproces. Daarnaast bespraken we onder andere risico’s en onzekerheden bij belanghebbenden tijdens de realisatie en compensatieregelingen voor omwonenden. De interviews met de verhuisde bewoners waren niet-gestructureerd.