CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

53.M.K. en F.C; Bezorgdheid bewoners Spijkenisse inzake windmolenpark bijlage 1

Gemeenteraad 25 januari 2023, gemeente NissewaardBij agendapunt: Aanvullende lijst van ingekomen stukken36.085 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

EnergieTransitie Radarweg 60 1043 NT Amsterdam

TNO-rapport

www.tno.nl

TNO 2022 P10127

Beleving windenergie op land; inzichten uit vier windparken

Datum

30 maart 2022

Auteur(s)

Ruben Peuchen, Esther Kox, Melanie Klösters, Koen Straver

Aantal pagina's Aantal bijlagen Opdrachtgever

106 (incl. bijlagen) 8 Ministerie van Economische Zaken en Klimaat & Rijksdienst voor Ondernemend Nederland Beleving Windenergie op Land 060.47573/01.02

Projectnaam Projectnummer

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande toestemming van TNO. Indien dit rapport in opdracht werd uitgebracht, wordt voor de rechten en verplichtingen van opdrachtgever en opdrachtnemer verwezen naar de Algemene Voorwaarden voor opdrachten aan TNO, dan wel de betreffende terzake tussen de partijen gesloten overeenkomst. Het ter inzage geven van het TNO-rapport aan direct belanghebbenden is toegestaan. © 2022 TNO

T +31 88 866 50 10

EnergieTransitie Radarweg 60 1043 NT Amsterdam

Het onderzoeksteam van TNO bedankt de individuele leden van de klankbordgroep voor hun reflecties op het onderzoek. De klankbordgroep heeft deze reflecties gegeven tijdens een aantal sessies gedurende de doorlooptijd van dit onderzoek. De onderstaande partijen zijn onderdeel geweest van deze groep; Ministerie van EZK, Natuur & Milieu, NLVOW, NPRES, NWEA, Populytics, Provincie Zuid-Holland, Provincie Noord-Brabant en RVO

www.tno.nl T +31 88 866 50 10

TNO-rapport | TNO 2022 P10127

3 / 106

Samenvatting S1. Aanleiding Om de nationale doelstellingen voor duurzame energie en vermindering van de CO2-uitstoot te behalen, richt Nederland onder andere op de productie van hernieuwbare energie op land. Bij een aantal van de gerealiseerde windparkprojecten ging de ontwikkeling gepaard met maatschappelijke onrust, weerstand van de omgeving en veel aandacht in de media en politiek. Projecten met zowel veel als weinig maatschappelijke onrust en media-aandacht leiden tot veel geleerde lessen voor overheden en toekomstige initiatiefnemers van windparken. Dit onderzoek richt zich specifiek op windenergie projecten op land. Er is in Nederland vooral kwalitatieve informatie beschikbaar over de participatieprocessen van individuele windparken. Er is echter nog onvoldoende kwantitatief onderzoek op grote schaal gedaan naar de beleving van omwonenden voor, tijdens en na de realisatie van windparken. Het kwantitatief verzamelen van deze inzichten en de manier waarop omwonenden het proces van een windenergie project in de directe omgeving hebben ervaren, kan bijdragen aan nieuwe inzichten voor toekomstige projecten. De doelen van het huidige onderzoek zijn (1) welke factoren bepalen hoe omwonenden (de ontwikkeling van) een windpark in hun directe leefomgeving ervaren en (2) aanvullend, inzicht bieden in project-specifieke contextfactoren (o.a.

de historie en de relaties tussen en betrokkenheid van verschillende belanghebbende partijen in het gebied) die de beleving beïnvloeden. Om te onderzoeken welke factoren een rol spelen bij de beleving van omwonenden van windprojecten worden in het huidige onderzoek de ervaringen voor, tijdens en na de realisatie van een windproject in kaart gebracht. Dit wordt gedaan voor vier recent gerealiseerde windparken (vanaf 2018), representatief voor projectgrootte en type landschap verspreid over Nederland. De verwachting is dat bestuurders, volksvertegenwoordigers en initiatiefnemers van toekomstige windprojecten de onderzoeksresultaten kunnen gebruiken om reacties uit een omgeving van een windpark te begrijpen, en de beleving van windpark in kaart te brengen. Daarbij staan de volgende onderzoeksvragen centraal: 1. Hoe beleven omwonenden de nabijheid van een windpark? 2. Welke factoren beïnvloeden de initiële beleving voor het realisatieproces en de huidige beleving van omwonenden van een windpark? 3. Welke rol hebben de project-specifieke factoren in dit realisatieproces? S2. Methode De factoren beschreven door Rijnveld en van Schie (2019; zie Figuur S 1), voor de Green Deal Participatie, aangevuld met inzichten uit recente literatuur, vormden de basis voor het onderzoek (vragenlijst en interviewprotocol).

Rijnveld en van Schie noemen veertien factoren die draagvlak en acceptatie van duurzame energieprojecten kunnen beïnvloeden, deze hebben onder andere te maken met procedurele rechtvaardigheid en interafhankelijkheid. De factoren in de categorieën fysieke projectkenmerken, proces- en inhoudelijk criteria zijn hoofdzakelijk onderzocht met een kwantitatief onderzoek. Voor de factoren in de categorieën

TNO-rapport | TNO 2022 P10127

4 / 106

mate van interafhankelijkheid en –betrokkenheid is kwalitatief onderzoek gebruikt. De factoren zijn verder uitgesplitst; zo is de factor klimaat opgesplitst in zorgen over het klimaat en houding ten opzichte van de energietransitie. In het kwantitatieve onderzoek is een vragenlijst gestuurd naar een steekproef van 8400 bewoners binnen een straal van 3000 meter van vier windparken (Autena, AVRI, Spui en De Veenwieken) (zie Tabel S 1). Zij zijn na de realisatie van de windparken bevraagd over hun beleving. In het kwalitatieve onderzoek hebben we aan de hand van semigestructureerde interviews met een aantal betrokken partijen (lokale overheden, energie coöperatie, verhuisde bewoners etc.) per windpark een beeld geschetst van de project-specifieke factoren en de context waarbinnen de windparken zijn gerealiseerd.

Figuur S 1 Onderzochte factoren, inclusief factoren Rijnveld en van Schie (2019). Tabel S 1 Specificaties per windpark

Tip hoogte (in meters)

Aantal inwoners

Zuid-Holland 5

195

8724 (0 - 3 km) 3334 (0 - 2 km) 521 (0 - 1 km)

2019

Gelderland

3

186

5092 (0 - 3 km) 661 (0 - 2 km) 27 (0 - 1 km)

2018

Utrecht

3

165

5542 (0 - 3 km) 3003 (0 - 2 km) 25 (0 - 1 km)

Overijssel

10

150

2755 (0 - 3 km) 235 (0 - 2 km) 48 (0 - 1 km)

Windpark

Jaar van realisatie

Provincie

Spui

2019

AVRI

Autena

Veenwieken 2019/2020

Aantal turbines

TNO-rapport | TNO 2022 P10127

5 / 106

S3. Bevindingen over de beleving van bewoners Houding ten opzichte van het klimaat als voorspellende factor van houding t.o.v. het windpark Bij de windparken AVRI en De Veenwieken behoren de factoren zorgen over het klimaat en houding ten opzichte van de energietransitie gerelateerd aan klimaat tot de belangrijkste voorspellende factoren voor houding ten opzichte van het windpark. Daarvoor geldt dat hoe groter de zorgen over het klimaat en hoe positiever men tegenover de energietransitie in het algemeen staat, des te positiever men is over het windpark in de buurt. De twee windparken waar klimaat factoren van invloed zijn op de houding ten opzichte van het windpark, zijn ook de twee parken waar het merendeel van de omwonenden in de buitenste afstandscirkel wonen (2000-3000 m). Bij de andere twee windparken wordt er op vergelijkbare wijze over het klimaat gedacht, maar zijn andere factoren sterkere voorspellers. Bij andere parken speelt overlast bijvoorbeeld een dusdanig grote rol dat klimaat erbij in het niet valt. Het is dus denkbaar dat klimaat in onze analyses alleen als voorspeller van houding ten opzichte van het windpark naar voren komt bij de windparken waar het merendeel van de respondenten binnen de 2000-3000 m van de windturbines woont, omdat daar minder respondenten overlast ervaren.

Door de afwezigheid van dergelijke andere factoren krijgt de factor klimaat ‘meer ruimte’ om invloed uit te oefenen. Mensen die dichtbij windmolens wonen hebben meestal een negatievere houding Een meerderheid van de omwonenden (die binnen een straal van 1, 2 of 3 km rondom het windpark wonen staan na de realisatie redelijk positief ten opzichte van de windparken De Veenwieken, Avri en Autena in hun omgeving en het meest gegeven rapportcijfer is een 7. De omwonenden rondom windpark Spui zijn over het algemeen negatief over het windpark. Een vijfde van hen geeft het windpark een 1 als rapportcijfer. Dit kan verklaard worden doordat er bij windpark Spui relatief veel respondenten in de eerste cirkel (0-1000 meter) rondom de windturbines wonen. Respondenten die 0-1000 meter rondom de windturbines wonen geven vaker een laag rapportcijfer dan respondenten die verder weg wonen. Uit dit onderzoek blijkt een verband tussen de afstand tot de windturbines, de ervaren overlast door de windturbines en de houding ten opzichte van het windpark. Hoe dichter men bij de windturbines woont, hoe meer overlast men ervaart en hoe negatiever men over het windpark is.

TNO-rapport | TNO 2022 P10127

6 / 106

Als u uw algemene beleving van het windpark op dit moment een rapportcijfer moest geven (van 1 tot 10), welk cijfer geeft u het dan? (%) 25% 20% 15% 10% 5% 0% Autena

AVRI

1

2

3

4

Spui

5

6

7

Veenwieken

8

9

10

Verandering van de beleving gedurende het proces Na de realisatie van de windparken is de houding van bewoners uitgevraagd. De houding ten opzichte van het windpark vóór realisatie is de belangrijkste voorspellende factor van de huidige houding ten opzichte van het windpark nu. De houding (positief of negatief) lijkt over het algemeen weinig te veranderen door de bouw van een windpark bij hen in de buurt. Dit kan mogelijk verklaard worden door een recall bias; het menselijk geheugen is feilbaar en ervaringen uit het verleden kunnen sterk worden gekleurd door ervaringen die daarop zijn gevolgd, zeker als de bevraagde ervaringen lang geleden zijn. In dit geval hebben wij respondenten gevraagd naar hun gevoel over het windpark toen ze voor het eerst over het windpark hoorden, terwijl dat in sommige gevallen jaren geleden is. Tussentijdse ervaringen en de huidige gevoelens over een bepaalde gebeurtenis kunnen de inschatting van gevoelens uit het verleden sterk overschaduwen. Hierdoor is het mogelijk dat respondenten hun huidige gevoelens over het windpark op het verleden projecteren, wat het sterke verband deels kan verklaren.

Actieve deelnemers aan het realisatieproces hebben vaker een negatiever beeld van het realisatieproces Omwonenden die dichterbij het windpark wonen, hebben zich in grotere mate actief bezig gehouden met het (realisatieproces van) het windpark, en zij hebben over het algemeen het proces negatiever ervaren dan mensen die zich minder in het proces hebben verdiept. Zij die zich actief hebben beziggehouden, beoordelen de distributieve rechtvaardigheid (eerlijke verdeling van lusten en lasten) en de respectvolle en eerlijke behandeling door en responsiviteit van initiatiefnemers laag. Een mogelijke verklaring is dat ze zich niet rechtvaardig en eerlijk behandeld hebben gevoeld en het gevoel hebben dat hun input onvoldoende is meegenomen. Overlast en overige aanvullende verklarende factoren De andere verklarende factoren voor de huidige beleving van het windpark vallen onder de categorie procesfactoren en de factoren overlast en klimaat. De factoren distributieve rechtvaardigheid, landschappelijke inpassing, respectvolle en eerlijke behandeling en responsiviteit zijn de belangrijkste verklarende factoren voor de huidige houding ten opzichte van het windpark. Mensen die positief denken over de landschappelijke inpassing hebben een positievere beleving van het windpark.

Daarnaast zijn de verschillende vormen van overlast verklarende factoren voor de huidige houding ten opzichte van het windpark: hoe meer overlast mensen ervaren, des te negatiever zijn ze over het windpark. Meer dan de helft van de ondervraagden (57%) merkt niets van de windturbines. Van de respondenten die

TNO-rapport | TNO 2022 P10127

7 / 106

aangeven dat ze iets van de windturbines merken, ervaart 76% dit ook als overlast. Over het algemeen geldt dat hoe groter de afstand tot het windpark, hoe kleiner het aantal mensen dat iets van de windturbines merkt en er overlast door ervaart. Gevoel voor rechtvaardigheid gaan samen met beleving van overlast Verder is er een sterke negatieve samenhang tussen de verschillende vormen van ervaren overlast en de procesfactoren distributieve rechtvaardigheid, landschappelijke inpassing, respectvolle en eerlijke behandeling en responsiviteit. Mensen die meer overlast ervaren hebben meer het gevoel dat de lusten en lasten van het windpark onrechtvaardig verdeeld zijn, dat er bij het ontwerp van de turbines niet goed is nagedacht over landschappelijke inpassing, dat ze minder respectvol zijn behandeld en dat er minder met hun inbreng is gedaan. Inhoudelijke en procescriteria Voor de categorie van factoren inhoudelijke criteria van Rijnveld en van Schie (2019), onderzocht in het kwantitatieve deel van dit onderzoek, zijn met name de factoren distributieve rechtvaardigheid en responsiviteit van invloed op de huidige beleving van het windpark. Het gevoel van onrecht over de verdeling van lusten en lasten hangt bij alle windparken sterk samen met de mate van overlast die mensen ervaren.

Deze factor is in elk van de onderzochte windparken van grote invloed op de beleving van het windpark door omwonenden. Voor de categorie procescriteria is vooral de factor respectvolle en eerlijke behandeling van invloed. S4. Verschillen en overeenkomsten tussen de locatie specifieke context van de windparken Rol van Provinciaal Inpassingsplan Bij de windparken Spui en De Veenwieken speelde de provincie een grotere rol dan bij de andere twee parken. Dit kwam door de toepassing van een Provinciaal Inpassingsplan (PIP) bij deze twee parken. Bewoners voelen zich niet meegenomen omdat ze niet meer met de gemeente in gesprek konden gaan over de plannen voor een windpark. De relatie tussen de provincie en de gemeente kwam bij deze parken onder druk te staan. Voor bewoners is het niet altijd duidelijk wie het bevoegd gezag is, en daarmee wie welke beslissing neemt. Het ontbrak bij dit proces aan heldere informatievoorziening. In beide gevallen was de provincie zich wel bewust van de afstand tot bewoners en probeerde dit te voorkomen door met de gemeenten samen te werken. Geluidsoverlast Geluidsoverlast en de norm voor geluidsoverlast was een belangrijk thema en bron voor weerstand bij alle parken. Zo werd er bij de windparken Spui en AVRI door bewoners aangegeven dat de norm van een gemiddeld aantal dB’s onvoldoende bescherming biedt voor bewoners.

Bij windpark Autena werden bij de informatieavonden voor de realisatie van windmolens de meeste vragen over het onderwerp geluidsoverlast gesteld. Geluidsoverlast droeg zo bij aan de factor risico’s en onzekerheden.

TNO-rapport | TNO 2022 P10127

8 / 106

Financiële compensatie en verdeling van de lusten en lasten De windparken verschillen in hoe ze omgaan met de (financiële) compensatie. Windpark AVRI is het enige windpark dat gekozen heeft voor een jaarlijkse individuele compensatie voor bewoners die binnen een bepaalde straal van het windpark wonen. De overige windparken hebben wel gebruik gemaakt van verschillende opties om bewoners tegemoet te komen zoals een omgevingsfonds, stilstand regelingen van de windmolens, obligaties en planschaderegelingen. Bij meerdere windparken is na de realisatie veel tijd besteed aan het vinden van een bestemming voor het omgevingsfonds. Bewoners droegen daarbij mogelijke bestemmingsdoelen aan. Volgens de betrokkenen vraagt het vinden van een bestemmingsdoel voor het fonds veel tijd. Dit pleit voor voldoende ruimte en middelen bij de spreiding van lokale opbrengsten binnen de gemeente. Verdeling lusten en lasten Bij alle windparken geeft, in ieder geval een groep bewoners, aan het oneens te zijn met de verdeling van de lusten en lasten van het betreffende windpark (categorie inhoudelijke criteria, factor distributieve rechtvaardigheid). Bij de windparken Spui en de Veenwieken was een gedeelte van de bewoners het bijvoorbeeld niet eens over opbrengsten voor de agrariër als grondbezitter, terwijl omwonenden dezelfde lasten ervaren (uitzichtbelemmering, geluidsoverlast).

Bij alle onderzochte windparken blijkt een groep bewoners weerstand te blijven houden tegenover de windmolens. Dit betreft vaak bewoners die op relatief korte afstand van de windmolens wonen. Conflicten uit het verleden Bij meerdere windparken speelden conflicten uit het verleden een rol, zoals de verbreding van een snelweg, andere bouwprojecten, het verschil in opvatting tussen twee gemeenten of de aanwezigheid van een vuilstortplaats. In het geval van AVRI was er een conflict over de ruimtelijke ordening van de locatie voor het windpark: verschillende belanghebbenden hadden liever iets anders op de locatie zien komen. De factoren historie van een gebied en historie van beleids- en besluitvorming spelen hier een rol. Mate van interafhankelijkheid en de mate van betrokkenheid De mate van interafhankelijkheid, als categorie van Rijnveld en van Schie (2019), geeft aan in hoeverre partijen afhankelijk van elkaar zijn om het doel in een proces te bereiken. Bij de vier windparken lijkt deze interafhankelijkheid niet groot te zijn geweest. Met name bij een PIP lijken de beslissingen van de provincie leidend te zijn. Deze beslissingen waren minder afhankelijk van input van gemeenten en omwonenden. De provincie was bij een aantal windenergie parken wel afhankelijk van de gemeenten om informatie te kunnen bieden aan omwonenden.

Dit vergt goede afstemming en timing tussen deze twee overheidslagen om ervoor te zorgen dat er geen onduidelijke boodschappen naar omwonenden gaan. De mate van betrokkenheid van verschillende belanghebbenden partijen bij de windparken varieert. Dit blijkt onder andere uit de verschillende momenten en manieren waarop bewoners worden betrokken, informatie krijgen en financieel kunnen participeren. Daarnaast kunnen energiecoöperaties op verschillende manieren en op verschillende momenten betrokken zijn. Zij kunnen zorgen voor (extra) draagvlak bij omwonenden.

TNO-rapport | TNO 2022 P10127

9 / 106

S5. Aanbevelingen De onderstaande aanbevelingen zijn voornamelijk bedoeld voor regionale en lokale bestuurders en initiatiefnemers om hun aanpak voor windparkprojecten binnen de RES verder te verbeteren, zoals het betrekken van omwonenden en het beter vormgeven van de informatievoorziening richting die omwonenden. Houd rekening met weerstand tijdens het proces en organiseer een tijdige gebiedsdiagnose Alle windparken in dit onderzoek hadden voor en tijdens de realisatie te maken met een bepaalde mate van weerstand en zorgen van de omwonenden. De zorgen betroffen voornamelijk risico’s voor de gezondheid, geluidsoverlast, het zicht op windmolens en wat de komst van het windpark voor het woongenot en de omgeving van omwonenden zou betekenen. De verkenning van potentiële gebieden met het vroegtijdig in kaart brengen van de historie van het gebied helpt om te weten waar de mogelijke weerstand is. Besteed daarnaast voldoende aandacht aan de zorgen van bewoners tijdens de bekendmaking van de plannen en het communiceren van het ‘waarom’ om de urgentie duidelijk te maken. Houd rekening met belangrijke voorspellers van de beleving van bewoners Windenergie heeft een belangrijke rol in het behalen van de klimaatdoelstellingen (Klimaatakkoord, 2019). Gezien de invloed van acceptatie door bewoners bij deze projecten, benadrukt dit onderzoek het belang van de beleving van deze bewoners.

Voor partijen die verantwoordelijk zijn voor het participatieproces met bewoners is het van belang om rekening te houden met belangrijke voorspellers van de beleving van het windpark: • De houding tegenover het windparken vóór de realisatie; • De verdeling van de lusten en lasten (distributieve rechtvaardigheid); • Landschappelijke inpassing; • Afstand tot de windmolen(s). Hanteer een divers participatiepalet dat aansluit bij de behoeften van bewoners en neem een actieve en flexibele houding tijdens participatieproces Er is een grote variatie in de manier waarop bewoners hebben kunnen participeren en de perceptie van hoe dit is gedaan. Zorg ervoor dat de participatiemethoden aansluiten bij de behoeften van bewoners. De verschillende behoeftes van bewoners ten aanzien van participatiemethoden laten zien dat het nodig is deze methoden zorgvuldig uit te kiezen. Daarbij is ruimte nodig voor uitleg voor de keuze van methoden richting de bewoners en verbetering en opnieuw afstemmen wanneer dit gevraagd wordt. Toekomstige ontwikkelaars van windparken dienen er tevens rekening mee te houden dat meer belangstelling voor het proces met negatief sentiment bij bewoners gepaard kan gaan.

Zorg ervoor dat bewoners die veel belangstelling hebben en het proces intensief volgen ergens terecht kunnen, bijvoorbeeld door hen vanaf het begin in een ‘gebiedsontwikkelgroep’ op te nemen en zo mee te laten denken over de mogelijke locatie voor het windpark. Een responsieve instelling in een vroeg stadium van het traject kan hier een tegenwicht bieden. Dit onderzoek laat zien dat responsiviteit een belangrijke voorspeller is voor de houding ten opzichte van het windpark. Plan voldoende tijd om de stem van bewoners te interpreteren en verwerk de input van bewoners op een actieve manier (responsiviteit) (Rijnveld & van Schie, 2019).

TNO-rapport | TNO 2022 P10127

10 / 106

Alleen financiële participatie is onvoldoende om te komen tot een goede beleving De mogelijkheid en de kans van slagen van een eerlijkere verdeling van de lusten, als basis van distributieve rechtvaardigheid (Rijnveld & van Schie, 2019), is onlosmakelijk verbonden met de beleving tijdens het proces. Uit het huidige onderzoek blijkt dat mate van compensatie (hoogte van de bedragen) en financiële participatie, en de vormen ervan (de manier waarop bijvoorbeeld een omgevingsfonds ingezet kon worden) verschilden per windpark. Alleen financiële participatie is onvoldoende om te komen tot een goede beleving van bewoners na realisatie van het windpark. Wanneer bewoners onvoldoende betrokken zijn tijdens het proces, dan kan alleen financiële participatie dit niet rechtzetten. Zo zijn gezondheidsrisico’s een steeds vaker voorkomend thema bij het verdelingsvraagstuk. Richt voldoende tijd en ruimte in voor het bepalen van de besteding van een omgevingsfonds De benodigde tijd en energie om een gezamenlijk doel voor de besteding van een ruimtelijk kwaliteitsfonds of omgevingsfonds te vinden wordt onderschat. Toekomstige initiatiefnemers moeten hier voldoende tijd en mankracht voor in ruimen om dit samen met bewoners vorm te geven.

Volgens het Werkblad Lokaal Eigendom van NP RES (2021b) kan het helpen om op regionaal niveau de definitie van financiële participatie en lokaal eigendom vast te leggen. Zo ontstaat er bij alle partijen van te voren meer duidelijkheid over de mogelijkheden voor de nog te realiseren hernieuwbare energieprojecten. Zo kan er rekening worden gehouden met de verdeling van de lusten en lasten, een belangrijke voorspeller van de houding ten opzichte van een windpark. Zorg voor een collectieve kennisbasis door daar gezamenlijk aan te werken Om mee te kunnen beslissen over het ontwerp van een windpark is vrij veel technische kennis vereist. Een gezamenlijke collectieve kennisbasis is essentieel voor een gelijk speelveld voor verschillende belanghebbenden (McCauley et al., 2013). Richt een mogelijk ‘co-creatie proces’ zo in, dat omwonenden niet geconfronteerd worden met beperkte kennis op het moment dat ze zich aanmelden voor een dergelijk traject. Een goede manier om een co-creatieproces vorm te geven is via het inrichten van een burgerforum, waarbij de eerste stap is om gezamenlijk te zorgen voor een collectieve kennisbasis (Adviescommissie Burgerbetrokkenheid bij klimaatbeleid, 2021). Reserveer middelen om dit te ondersteunen en houdt bij dit proces rekening met diverse participatiebehoeften en beschikbare middelen van bewoners.

TNO-rapport | TNO 2022 P10127

11 / 106

Inhoudsopgave Samenvatting .......................................................................................................... 3 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7

Inleiding................................................................................................................. 12 Aanleiding ............................................................................................................... 12 Doelstelling ............................................................................................................. 14 Onderzoeksvragen ................................................................................................. 14 Aanpak ................................................................................................................... 14 Afbakening ............................................................................................................. 15 Stakeholders........................................................................................................... 18 Leeswijzer .............................................................................................................. 18

2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8

Uitbreiding factoren Green Deal Participatie ...................................................... 19 Factoren uit Rijnveld en van Schie Green Deal Participatie .................................... 19 Fysieke projectkenmerken ...................................................................................... 20 Procescriteria .......................................................................................................... 21 Inhoudelijke criteria ................................................................................................. 22 Overige factoren ..................................................................................................... 23 Mate van interafhankelijkheid ................................................................................. 24 Mate van betrokkenheid ......................................................................................... 25 Keuze factoren ....................................................................................................... 26

3 3.1 3.2

Kwantitatief onderzoek: vragenlijst onder omwonenden .................................. 28 Methode ................................................................................................................. 28 Resultaten .............................................................................................................. 30

4 4.1 4.2

Kwalitatief onderzoek: interviews over context van de windparken................. 48 Methode ................................................................................................................. 48 Resultaten .............................................................................................................. 50

5 5.1 5.2 5.3 5.4

Conclusie .............................................................................................................. 60 Conclusies kwantitatieve resultaten (vragenlijst onder omwonenden) .................... 60 Conclusies kwalitatieve resultaten (interviews over context van de windparken) .... 65 Conclusies algemeen ............................................................................................. 68 Aanbevelingen ........................................................................................................ 69

6 6.1 6.2 6.3

Methodologische uitdagingen en mogelijkheden vervolgonderzoek ............... 72 Kwantitatief onderzoek – vragenlijst........................................................................ 72 Kwalitatief onderzoek – interviews .......................................................................... 73 Algemeen ............................................................................................................... 74 Referenties ............................................................................................................ 76 Bijlage(n) A Vragenlijstconstructie B Betrouwbaarheidsanalyses C Demografische gegevens D Representativiteit respondentengroep E Boxplots per windpark F Interviewprotocol experts G Codeerschema interviews H Aanvullend kader: perspectief verhuisde bewoners windpark Spui 11

TNO-rapport | TNO 2022 P10127

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

12 / 106

Om de nationale doelstellingen voor duurzame energie en vermindering van de CO2-uitstoot te behalen, is Nederland zich de afgelopen jaren steeds meer gaan richten op de productie van hernieuwbare energie op land. Dat blijkt ook uit het sluiten van het Energieakkoord (2013) en het Klimaatakkoord (2019). Zo stelde het Energieakkoord om in 2020 een totaal van 6.000 MW aan windenergie op land te realiseren, waarbij provincies elk een aandeel verzorgen. De verwachting is dat dit totale windvermogen eind 2023 gehaald wordt (Monitor Wind op Land 2020, RVO, 2021). Het rijk en het Interprovinciaal Overleg (IPO) hebben afgesproken dat het deel van de opgave van 6000 MW dat niet in 2020 gehaald is, verdubbeld zal worden. In 2023 zal dit met zowel wind op land als met andere technieken zoals zonne-energie ingehaald worden. Deze afspraken worden ook meegenomen in de opgave van de Regionale Energiestrategieën (Monitor Wind op Land 2020, RVO, 2021). In het Klimaatakkoord is afgesproken dat er in 2030 tenminste 35 TWh duurzame elektriciteit op land met wind en zon geproduceerd moet worden, verdeeld over 30 regio’s. Deze doelen laten het belang van windenergie op land als betrouwbare en efficiënte bron zien in het halen van de nationale klimaatdoelstellingen.

Als gevolg heeft de ontwikkeling van hernieuwbare energie in Nederland, met name zon- en windprojecten, de afgelopen jaren een vlucht genomen. Bij een aantal van die projecten ging de ontwikkeling gepaard met maatschappelijke onrust en weerstand van de omgeving. Voor deze projecten is veel aandacht geweest in de media en politiek (o.a. Bomgaars, 2020; Bakker, 2021; Hagenaars, 2020; Van Amerongen, 2020). Ook door de vele media-aandacht voor het verzet tegen de komst van windmolens de laatste jaren (Akkerman, 2021; Niemantsverdriet, 2021; Nieuwsuur, 2021; Van den Berg, 2021), lijkt het sentiment ontstaan dat veel Nederlanders tegenstander van windenergie zijn. Een veel gehoord argument is daarbij de geluidsoverlast en mogelijke gezondheidsklachten (Bakker, 2021, Pointer, 2021). Daarnaast wordt het NIMBY effect veel aangehaald in de literatuur. Het wordt omschreven als het effect waarbij bewoners niet persé tegen windmolens zijn, maar de windmolens liever niet in hun achtertuin hebben (Van Bemmel, 2021, Laconi, 2021). Recent onderzoek onder een representatieve steekproef Nederlanders (Motivaction, 2021) laat zien dat het draagvlak voor de ontwikkeling van windenergie in de directe woonomgeving ten opzichte van 2019 inderdaad is afgenomen. Het percentage respondenten dat positief staat tegenover windparken is gedaald van 30% naar 23%.

Toch schetst ander recent onderzoek van het CBS (2021) een ander beeld: een ruime meerderheid (71%) van de Nederlanders is voorstander van het bouwen van meer windmolens in Nederland. Dat heeft mogelijk te maken met dat er ook al veel projecten zijn gerealiseerd waar nauwelijks of geen sprake was van maatschappelijke onrust of weerstand. Deze projecten hebben alleen minder aandacht in de media gekregen. Uit het eerdergenoemde onderzoek van Motivaction (2021) blijkt dan ook dat 89% van de respondenten aangeeft dat de ontwikkeling van zonne- of windenergie in de directe woonomgeving wel 12

TNO-rapport | TNO 2022 P10127

13 / 106

acceptabel is onder bepaalde voorwaarden. Daarbij worden geen gezondheidsschade (53%) en geen hinder (48%) als de belangrijkste voorwaarden genoemd. Meer acceptatie voor de bijdrage van zonne- en windenergie aan meer duurzame energie (32%), volgt ook wanneer er geen sprake is van een daling in de woningwaarde (31%) en wanneer omwonenden kunnen meebepalen over de locatie van de zonnevelden en windparken (24%). Verder laat eerder onderzoek een stijgende trend zien van het betrekken van burgers bij windenergieprojecten de afgelopen jaren (Paradies et al., 2021). Bovendien laten drie recente onderzoeken naar de beleving van omwonenden rondom een windpark zien dat na de realisatie van een windproject de houding van omwonenden in positieve zin wordt bijgesteld (Van Rijnsoever & Harmsen, 2018; Olde Monnikhof, 2019, Matijssen, 2019). Het is van belang dat er een meer representatief beeld ontstaat van hoe omwonenden een windpark in hun directe leefomgeving ervaren. De ontwikkeling van hernieuwbare energieprojecten is een proces van vallen en opstaan en leidt tot veel geleerde lessen. Daarbij zijn met name de projectspecifieke kenmerken (zoals de historie of betrokken partijen in het gebied) interessant. En dan specifiek de manier waarop omwonenden het proces van een windproject voor, gedurende en na de realisatie in de directe omgeving hebben ervaren.

De kennis die is opgedaan bij zowel de projecten met veel maatschappelijke onrust en media-aandacht, als de projecten waar dit nauwelijks het geval was, biedt inzichten voor de ontwikkeling van toekomstige windparkprojecten. Er is in Nederland echter nog geen kwantitatief onderzoek gedaan naar de beleving van omwonenden voor, tijdens en na de realisatie van meerdere windparken. De onderzoeken die hebben gekeken naar de beleving van omwonenden rondom een windpark (Van Rijnsoever & Harmsen, 2018; Olde Monnikhof, 2019), geven ieder alleen inzicht in het ene windpark dat is onderzocht. Daarbij ligt de focus specifiek op het aspect geluidsoverlast (Van Rijnsoever & Harmsen, 2018), of is er vooral kwalitatief onderzoek onder omwonenden gedaan (Olde Monnikhof, 2019). Met een breed opgezet kwantitatief belevingsonderzoek bij vier windparken wordt de beleving van omwonenden in beeld gebracht. Aanvullend wordt de mogelijke invloed van de project-specifieke context in kaart gebracht. In opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft TNO onderzocht welke factoren een rol spelen bij de beleving van omwonenden van windprojecten.

Met andere woorden, hoe is het nu om nabij een windpark te wonen? Om die vraag te beantwoorden, worden in het huidige onderzoek de ervaringen voor, tijdens en na de realisatie van omwonenden van een windproject in kaart gebracht. Vanuit de opdrachtgever is de vraag gesteld om bij het onderzoek naar beleving de inzichten vanuit de Green Deal ‘Participatie van de Omgeving bij Duurzame Energieprojecten’, verzameld door Rijnveld en van Schie (2019) als vertrekpunt te nemen. Dit onderzoek draagt bij aan belangrijke kennis en inzichten voor toekomstige windparken die nu in de Regionale Energiestrategieën (RES) worden voorbereid.

13

TNO-rapport | TNO 2022 P10127

14 / 106

Zo kan deze kennis regionale en lokale bestuurders het vertrouwen geven om in hun regio de potentie voor hernieuwbare energieopwekking te benutten. Ook zijn de inzichten nuttig voor initiatiefnemers om hun aanpak van windparkprojecten binnen de RES verder te verbeteren, zoals het beter betrekken van omwonenden en het beter vormgeven van de informatievoorziening richting die omwonenden. Regionale en lokale bestuurders en toekomstige initiatiefnemers zijn belangrijke stakeholders voor dit onderzoek (zie 1.6) 1.2

Doelstelling Het doel van het huidige onderzoek is om meer inzicht te verkrijgen in hoe omwonenden een windpark in hun directe leefomgeving ervaren. Het onderzoek beoogt de ontwikkeling van de beleving van omwonenden ten aanzien van windprojecten in kaart te brengen. Met ontwikkeling bedoelen we de beleving voor, tijdens en na de realisatie van een windpark. Bij de beleving maken we onderscheid tussen enerzijds fysieke projectkenmerken, zoals landschappelijke inpassing en de omvang van het project en anderzijds proces-gerelateerde aspecten zoals een respectvolle en eerlijke behandeling. Een tweede doel van dit onderzoek is om een meer objectief beeld te kunnen schetsen van de projectspecifieke context. Aanvullend op het onderzoek naar de beleving van omwonenden, wordt een schets van de project-specifieke context gemaakt. Het belevingsonderzoek naar windturbines in Deventer (Olde Monnikhof, 2019) geeft aan dat er een verschil kan zitten in een feit of norm en de beleving hiervan bij windmolens. Hier gaat het onder andere om de historie en de relaties tussen en betrokkenheid van verschillende belanghebbende partijen in het gebied.

Te denken valt aan een lokale voorgeschiedenis, het procesverloop vanaf initiatief tot en met exploitatie, de mate van betrokkenheid van omwonenden in het proces, de mate waarin omwonenden zich gehoord voelen en de mogelijkheid tot financiële participatie.

1.3

Onderzoeksvragen Om de ontwikkeling van de beleving van omwonenden ten aanzien van windprojecten in kaart te brengen, en daarnaast een beeld te schetsen van de context aan de hand van een aantal project-specifieke kenmerken staan de volgende onderzoeksvragen centraal: 1. Hoe beleven omwonenden de nabijheid van een windpark? 2. Welke factoren beïnvloeden de initiële beleving voor het realisatieproces en de huidige beleving van omwonenden van een windpark? 3. Welke rol hebben de project-specifieke factoren in dit realisatieproces?

1.4

Aanpak Het onderzoek bestaat uit drie onderdelen: uitbreiding van de factoren van Rijnveld en van Schie (2019), een kwantitatief onderzoek en een kwalitatief onderzoek. Hieronder lichten we de drie onderdelen kort toe. In de hoofdstukken 2, 3 en 4 gaan we uitgebreid in op respectievelijk de uitbreiding, het kwantitatieve onderzoek en het kwalitatieve onderzoek.

14

TNO-rapport | TNO 2022 P10127

15 / 106

1.4.1

Uitbreiding Factoren Green Deal Participatie Met een beknopte literatuurstudie, mede op basis van vergelijkbaar onderzoek, vullen we de factoren van Rijnveld en van Schie (2019) aan. Na bestudering van de factoren maken we een onderscheid tussen factoren die dit onderzoek kwantitatief bij de doelgroep bewoners uitvraagt en factoren die kwalitatief uitgevraagd worden bij overige direct betrokken partijen. Voor een uitgebreide beschrijving zie Hoofdstuk 2.

1.4.2

Kwantitatief onderzoek met vragenlijst In het kwantitatieve deel van dit onderzoek worden omwonenden na de realisatie van een windpark bevraagd naar hun beleving aan de hand van een vragenlijst. In dit kwantitatieve deel wordt ook aandacht besteed aan de context en projectspecifieke factoren. De focus ligt hier echter bij de beleving ten aanzien van windparken en hoe die zich heeft ontwikkeld voor, tijdens en na de realisatie. De uitbreiding van de factoren (1.4.1) dient als basis voor deze vragenlijst. Voor een uitgebreide beschrijving van de methode en de resultaten, zie Hoofdstuk 3.

1.4.3

Kwalitatief onderzoek met interviews Om een goed beeld te krijgen van de project-specifieke factoren en de context waarbinnen een windpark is gerealiseerd, vindt tevens een kwalitatief onderzoek plaats. Met semigestructureerde interviews waarbij een aantal betrokken partijen per windpark worden geïnterviewd beogen we een beeld te schetsen van het proces van het windpark en de context waarin het ontwikkeld is. Voor een uitgebreide beschrijving van de methode en de resultaten, zie Hoofdstuk 4.

1.5

Afbakening De participanten in dit onderzoek zijn verdeeld over twee groepen. De beleving bij omwonenden wordt onderzocht aan de hand van een kwantitatieve vragenlijst. Om een oordeel over het windpark te kunnen geven, is het van belang dat de bewoners rondom het windpark wonen. In dit onderzoek is gekozen voor een straal van 3 km rondom een windpark (voor verdere uitleg zie 1.5.1 afbakening type projecten). Om de context van het windpark in kaart te brengen is het van belang meerdere betrokken partijen te spreken om zo een gebalanceerd beeld te kunnen schetsen. De doelgroep voor het kwalitatieve onderzoek zijn partijen met locatiespecifieke kennis die (direct) betrokken zijn geweest bij de realisatie van een windpark, zoals gemeente, provincie, tegenbewegingen, energiecoöperaties, verhuisde bewoners of omgevingsmanagers.

1.5.1

Afbakening en type projecten Het onderzoek brengt van vier recent gerealiseerde windparken (vanaf 2018) in Nederland in beeld hoe de beleving van de omwonenden zich heeft ontwikkeld gedurende de planfase, de ontwikkeling en de realisatiefase. De windparken liggen verspreid over Nederland en hebben een projectgrootte en type landschap die representatief zijn voor mogelijke toekomstige windparkprojecten die op dit moment worden voorbereid. Om met de vier windparken recht te doen aan het gevarieerde beeld in Nederland, is er gekozen voor een variatie in de rol van de energiecoöperatie. Om een goed beeld van de beleving van bewoners te kunnen geven, is het nodig om voldoende bewoners te kunnen bevragen. Er is een minimum van 2.000 woonadressen binnen een straal van 3000 meter

15

TNO-rapport | TNO 2022 P10127

16 / 106

aangehouden. Om dit minimum aantal woonadressen te halen wijkt de straal af van de veel gebruikte afstand in de praktijk van tien keer de tiphoogte (doorgaans tussen de 1,5 en 2 km) om als belanghebbende te worden aangemerkt. Voor voldoende spreiding van woonadressen binnen de afstandscirkels (0-1000 meter, 1000-2000 meter en 2000-3000 meter) is zoveel mogelijk rekening gehouden met voldoende adressen per afstandscirkel. Hier is geen minimum aantal woonadressen aangehouden. De windparken zijn gekozen in overleg met het RVO, Kernteam Wind op Land1 en de coördinatoren voor windenergie bij de provincies. De verdere specificaties per windpark worden in Tabel 1 toegelicht.

1

Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Interprovinciaal Overleg (IPO), Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Nederlandse Windenergie Associatie (NWEA), Netbeheer Nederland, Natuur en Milieu, het Nationaal Programma Regionale Energiestrategieën, Unie van Waterschappen en RVO.nl

16

TNO-rapport | TNO 2022 P10127

17 / 106

Tabel 1 Specificatie per windpark

Windpark

Jaar van realisatie

Provincie

Gemeente

Projectontwikkelaar

Aantal WT

Tip hoogte Coöperatie (in meters)

Aantal inwoners

Yard Energy (initieel) Spui

2019

ZuidHolland

Hoekse Waard

Eurus Energy Europe B.V. (overgenomen, huidig)

5

195

Nee

8724 (< 3 km) 3334 (< 2 km) 521 (< 1 km)

3

186

Ja

5092 (< 3 km) 661 (< 2 km) 27 (< 1 km)

Yard Energy (initieel) AVRI

2019

Gelderland

West Betuwe

Autena

2018

Utrecht

Vijfheerenlanden

Eneco (initieel en huidig)

3

165

5542 (< 3 km) Ja (gedeeltelijk) 3003 (< 2 km) 25 (< 1 km)

Ommen en Hardenberg

De Wieken en Raedthuys Windenergie (initieel en huidig)

10

150

Nee

Veenwieken

2019/2020 Overijssel

Betuwewind coöperatie West-Betuwe (huidig)

2755 (< 3 km) 235 (< 2 km) 48 (< 1 km)

17

TNO-rapport | TNO 2022 P10127

1.6

18 / 106

Stakeholders De belanghebbende partijen die gebaat kunnen zijn met de onderzoeksresultaten zijn bestuurders en volksvertegenwoordigers en initiatiefnemers van toekomstige windprojecten. Er wordt inzicht gegeven in de manier waarop omwonenden windprojecten in hun omgeving beleven, hoe deze houding kan veranderen van plan- via realisatie- tot exploitatiefase en welke factoren hierop van invloed zijn. Lokale overheden kunnen de resultaten gebruiken om hun beleid en gebiedsprocessen verder vorm te geven. Ook kan het lokale bestuurders ondersteunen in de besluitvorming bij de ruimtelijke inpassing en uiteindelijk het vergunnen van energieprojecten, zoals windparken. Daarnaast kunnen ook initiatiefnemers gebruik maken van de uitkomsten van het onderzoek in de communicatie met de directe omgeving van het plangebied.

1.7

Leeswijzer In Hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de factoren van beleving. Hier worden de factoren van Rijnveld en van Schie (2019) als basis genomen. In Hoofdstuk 3 beschrijven we de methode, de resultaten en de conclusies van het kwantitatieve onderzoek met een vragenlijst uitgezet bij omwonenden van de windparken. In Hoofdstuk 4 wordt de context per windpark (voor en na de realisatie) en de overeenkomsten en verschillen tussen de vier windparken beschreven op basis van de interviews met betrokken partijen. In Hoofdstuk 5 beschrijven we de conclusie en aanbevelingen en in Hoofdstuk 6 staat de discussie.

18

TNO-rapport | TNO 2022 P10127

2

19 / 106

Uitbreiding factoren Green Deal Participatie Dit hoofdstuk beschrijft de factoren die gebruikt worden om de beleving bij bewoners en de project-specifieke context bij overige betrokken partijen te onderzoeken. Het is onderbouwing voor zowel de factoren die achter de vragen uit de vragenlijst als de vragen uit het interviewprotocol liggen. De factoren van Rijnveld en van Schie zijn daarbij het uitgangspunt. Per factor zal, daar waar nodig, aanvullende literatuur gebruikt worden. Ook worden een aantal aanvullende factoren toegevoegd, los van Rijnveld en van Schie (2019). In dit hoofdstuk wordt eerst het onderzoek in het kader van de Green Deal Participatie toegelicht (2.1). Vervolgens worden de factoren afzonderlijk toegelicht. Eerst worden fysieke projectkenmerken (2.2), procescriteria (2.3), inhoudelijke criteria (2.4) als criteria voor procesparticipatie beschreven. De gebiedsdiagnose (2.5) wordt onderverdeeld in de factoren van mate van betrokkenheid (2.6) en mate van interafhankelijkheid (2.7). Vervolgens worden de overige factoren (2.8) overlast, geluid, milieuvoordelen en klimaat toegelicht. Tot slot wordt de keuze voor uitvragen van de factoren uitgelegd (2.9).

2.1

Factoren uit Rijnveld en van Schie Green Deal Participatie Het ‘Kader voor het vormgeven van participatie bij duurzame energieprojecten’ van Rijnveld en van Schie (2019) is opgesteld voor initiatiefnemers van duurzame energieprojecten voor het opstellen van participatieplannen. Het kader is een uitkomst van de Green Deal “Participatie van de omgeving bij duurzame energieprojecten”. Op basis van een analyse van participatietrajecten bij duurzame energieprojecten hebben Rijnveld en van Schie inzichten verzameld over waar rekening mee gehouden kan worden bij het inrichten van een participatieproces (Green Deal, 2020). Zij erkennen daarbij de grote invloed van de vormgeving van het participatieproces op hoe belanghebbenden het proces ervaren. Het gaat daarbij om de individuele beleving van en de verschillende waarden die gehecht worden aan een gebied (Green Deal, 2020). De komst van een windpark heeft invloed op de beleving van deze omgeving. Dit onderzoek neemt de factoren van Rijnveld en van Schie (2019) als basis om de beleving van omwonenden in kaart te brengen. De focus van Rijnveld en van Schie (2019) ligt op procesparticipatie ten tijde van het besluitvormingsproces. Daarbij onderscheiden ze criteria voor een participatieproces met procescriteria en inhoudelijke criteria.

Het onderstaande overzicht van factoren is gebaseerd op de factoren afkomstig uit de Green Deal rapportage Participatie van de omgeving bij duurzame energieprojecten2. Deze zijn aangevuld met inzichten uit recente literatuur (zie Figuur 1). Beleving en participatie zijn niet hetzelfde In het huidige onderzoek bleek het een uitdaging om de focus op het concept beleving te houden. Aangezien de factoren van Rijnveld en van Schie (2019) te

2

https://www.greendeals.nl/sites/default/files/downloads/GD221-dealtekst-Participatie-van-deOmgeving-bij-Duurzame-Energieprojecten.pdf

19

TNO-rapport | TNO 2022 P10127

20 / 106

maken hebben met het inrichten van een participatiestrategie door initiatiefnemers en/of het vormgeven van participatieplannen door lokale overheden, zijn de factoren vooral beschreven vanuit het perspectief van participatie. Rijnveld en van Schie interpreteren participatie als ‘het in een vroegtijdig stadium betrekken 3 van belanghebbenden bij het proces van de besluitvorming over een project’. Het huidige onderzoek heeft deze factoren daar waar nodig aangevuld zodat het belevingsperspectief duidelijker naar voren kwam.

Figuur 2.1 Overzicht van de factoren

2.2

Fysieke projectkenmerken De fysieke projectkenmerken hebben effect op hoe de omgeving beleefd wordt. Het aantal turbines en de hoogte hebben omgevingseffecten zoals geluid, slagschaduw en effecten op de gezondheid (Rijnveld & van Schie, 2019). Bij windmolens is de omvang van het project, en dan met name het aantal windturbines en de hoogte, een belangrijk thema. Een studie van Wolsink (2000) geeft aan dat, in lijn met eerder onderzoek, de waargenomen visuele afname in kwaliteit door windturbines in het landschap (ook wel “horizonvervuiling” genoemd) een belangrijke voorspeller blijkt van de houding ten opzichte van een nieuw windpark. De landschappelijke inpassing van hernieuwbare energieprojecten in het landschap vraagt de nodige aandacht (Rijnveld & van Schie, 2019). Door de omgeving hierin te betrekken kan de initiatiefnemer samen met deze omgeving de effecten op het landschap in kaart brengen. Onderzoekers van het Planbureau voor de Leefomgeving (Evers, Nabielek & Tennekes, 2019) onderstrepen het belang om een windpark zo in te richten dat er draagvlak is bij de omgeving én dat de doelen voor hernieuwbare energieopwekking worden gehaald. Devine-Wright (2005) geeft aan dat literatuur grotendeels consistent is over de perceptie van windparken en de afstand van de woning tot de windturbine.

De meeste studies laten zien dat bewoners die dicht bij de windmolens wonen vaker een negatieve perceptie hebben dan bewoners die op grotere afstand van de windmolens wonen.

3

We onderkennen dat in een ‘vroegtijdig stadium betrekken’ een breed begrip is, dat op verschillende manier kan worden geïnterpreteerd. Het begrip wordt door Rijnveld en van Schie (2019) niet verder toegelicht.

20

TNO-rapport | TNO 2022 P10127

2.3

21 / 106

Procescriteria Procescriteria dragen bij aan de kwaliteit van het besluitvormingsproces en beschrijven hoe het besluitvormingsproces en betrokkenheid wordt beleefd door alle belanghebbenden, waaronder bewoners. Het besluitvormingsproces is het proces voorafgaand aan realisatie van windparkprojecten. Door bewoners te betrekken in het besluitvormingsproces wordt hun gevoel van rechtvaardigheid verhoogd (Rijnveld & van Schie, 2019). Dit is bevorderlijk voor de acceptatie en legitimiteit van een besluit. Zelfs bij bewoners die het niet eens zijn met het besluit, draagt een eerlijke behandeling bij aan een gevoel van inclusiviteit (Lind & Arndt, 2016). Voor het vormgeven van het participatieproces hebben Rijnveld en van Schie (2019) drie procescriteria geïdentificeerd:

2.3.1

Stem geven Bewoners moeten de mogelijkheid hebben om te participeren in het besluitvormingsproces (Rijnveld & van Schie). Zij dienen mee te kunnen praten om hun belang bij diverse zoekgebieden voor windparken te kunnen delen. Door hun belangen te delen, kunnen bewoners hun belangen beschermen. Daarbij helpt het bewoners om te weten hoeveel invloed zij kunnen uitoefenen op het beslisproces; Wolsink (2000) geeft aan dat bewoners die twijfelen aan hun vermogen om beslissingen te beïnvloeden minder geneigd zijn om te participeren. In sommige gevallen zijn de belangen van bewoners nog niet bekend van te voren. Door deel te nemen aan het proces kunnen bewoners zicht krijgen op zowel de positieve als de negatieve impact van de projecten op de omgeving. Door de bewoners te involveren in het participatietraject, geef je hen een stem (Rijnveld & van Schie, 2019). Bewoners kunnen niet bekend zijn met de mogelijkheid om te participeren en sommige vinden de stap te groot (Olde Monnikhof, 2019). Lokale betrokkenheid op financieel of politiek vlak heeft een positief effect op de beleving van windparken bij bewoners (Devine-Wright, 2005). Dit ondersteunt de factor ‘een stem geven aan omwonenden’.

2.3.2

Respectvolle en eerlijke behandeling Om vertrouwen te creëren in de uitkomsten van het participatietraject, is het van belang dat participanten het gevoel hebben respectvol en eerlijk te zijn behandeld (Rijnveld & Van Schie, 2019). Wanneer mensen het gevoel hebben dat hun inbreng gewaardeerd wordt en wordt meegenomen in het beslissingsproces, krijgen zij het gevoel serieus genomen te worden en een volwaardig lid te zijn van de samenleving (Lind & Arndt, 2016). Wanneer een proces als oneerlijk wordt ervaren, kan er een blijvend gevoel van wantrouwen ontstaan (Van Zoelen, 2021)

2.3.3

Procesinformatie Voor de gemiddelde bewoner zijn complexe besluitvormingsprocessen over de ruimtelijke inpassing van duurzame energietechnologieën geen onderdeel van hun dagelijkse leven (Rijnveld & van Schie, 2019). Mensen willen graag weten welk effect deze beslissingen hebben op hen en hun leefomgeving. Als bewoners het proces niet snappen, kan dit leiden tot wantrouwen. Het is daarom van belang dat bewoners heldere informatie ontvangen over het proces. Laws en Forester (2007) adviseren daarbij om gezamenlijk de agenda vast te stellen, en hiermee alle

21

TNO-rapport | TNO 2022 P10127

22 / 106

betrokkenen bewust te maken van de effecten op de persoonlijke situatie van bewoners. 2.4

Inhoudelijke criteria Inhoudelijke criteria beschrijven de aspecten die bijdragen aan de inhoudelijke kwaliteit van energieprojecten. Deze criteria focussen op de locatiespecifieke kennis van bewoners. (Rijnveld & van Schie, 2019). Een inhoudelijke aanpak vanuit een participatieperspectief gaat daarmee verder dan de technische inpassing, maar neemt het bewonersperspectief mee bij de inhoudelijke inpassing van hernieuwbare energieprojecten. Rijnveld en van Schie (2019) onderscheiden de volgende drie inhoudelijke criteria: • Distributieve rechtvaardigheid • Vertrouwde kennisbasis • Responsiviteit.

2.4.1

Distributieve rechtvaardigheid Distributieve rechtvaardigheid is, samen met erkenning en procedure, één van drie energierechtvaardigheid principes (McCauley et al., 2013). Dit principe gaat vooral om de verdeling van lusten en lasten bij windmolens. Bij windparken heeft dit vooral betrekking op het ruimtelijke aspect, aangezien deze projecten invloed hebben op de openbare ruimte. De plek waar de windmolen komt te staan kan voor een ongelijke verdeling van de financiële voordelen zorgen tussen een grondeigenaar en de lokale omgeving (Rijnveld & van Schie, 2019). De lasten zijn vaak voor de omgeving, zoals horizonvervuiling en het geluid van windmolens. Dit kan door omwonenden gezien worden als een last die ze dragen, waarbij het helpt om deze gelijk te verdelen (Van Zoelen, 2021). Een mogelijkheid om tot een eerlijkere verdeling tussen de lusten en lasten te komen is een omgevingsfonds. Daarbij worden de opbrengsten van een windpark in een gebiedsfonds opgenomen dat ten goede komt aan de lokale omgeving (Rijnveld & van Schie, 2019). Andere vormen zijn financiële participatie van omwonenden, investeringen door ontwikkelaars in de lokale infrastructuur, streven naar 50% lokaal eigendom en korting voor bewoners op hun elektriciteitsrekening (Participatiewaaier, 2019)

2.4.2

Vertrouwde en gezamenlijke kennisbasis Een vertrouwde en gezamenlijke kennisbasis is een belangrijke component van het procedurele rechtvaardigheidsprincipe (McCauley et al., 2013). Dit principe is ook een belangrijke factor in het onderzoek van Rijnveld en van Schie (2019). Het doel van deze collectieve kennisbasis is om een – zoveel mogelijk – gelijk speelveld te creëren voor de verschillende stakeholders in het proces (McCauley et al., 2013). Het draagt zo bij aan het gevoel voor een eerlijke behandeling. Het is tevens een voorwaarde voor het creëren van beslissingsbevoegdheid bij burgers, aangezien geïnformeerde burgers beter in staat zijn gegronde beslissingen te maken. De uitdaging is om de stroom van informatie beheersbaar te houden en daarbij oog te houden voor objectiviteit van de informatie en de afzender (Rijnveld & van Schie, 2019). Door de kennisbasis in een vroeg stadium te leggen, worden bewoners van het begin af aan betrokken in het proces (Schwencke, van Rijn, Hoenkamp & Schreurs, 2020).

22

TNO-rapport | TNO 2022 P10127

23 / 106

2.4.3

Responsiviteit Responsiviteit beschrijft hoe er met de stem van inwoners wordt omgegaan. Het draait om het ontvangen, interpreteren en verwerken van de input van de deelnemers door de initiatiefnemer van het proces (Rijnveld & van Schie, 2019). Wanneer inwoners de ruimte wordt geboden om ideeën en zorgen te delen, kan dit bijdragen aan de mate van acceptatie van een proces (Rijnveld & van Schie, 2019). Maar hierbij is het actief reageren op, het communiceren over en het meenemen van deze inbreng, de responsiviteit, van belang. De inbreng van de omwonenden wordt uiteindelijk samengebracht met de standpunten van andere belanghebbenden. Hierbij zullen compromissen gesloten moeten worden. Responsiviteit betekent niet zo zeer dat je gelijk krijgt, maar eerder serieus wordt genomen in de discussie en daarmee in meer of mindere mate invloed kunt uitoefenen op het eindresultaat.

2.5

Overige factoren

2.5.1

Overlast Er zijn verschillende effecten van windmolens die van belang zijn bij de overlast die bewoners bij windmolens kunnen ervaren (Natuur & Milieu, 2021a). Zo kunnen bewoners overlast ervaren van het geluid, de slagschaduw, de verlichting, de impact op het landschap en de dalende woningwaarde. Ook zijn er mogelijke gezondheidseffecten (RIVM, 2021). De verschillende effecten kunnen sterk variëren tussen omwonenden, onder andere naar gelang de afstand tot de windmolens (RIVM, 2021; Natuur & Milieu, 2021a; Olde Monnikhof, 2019; Matijssen, 2019). Dit onderschrijft het belang om deze effecten mee te nemen in het huidige onderzoek. Het huidige onderzoek richt zich op hoe de beleving van het realisatieproces de beleving van het uiteindelijke windpark beïnvloedt. Omdat de (ervaren) overlast hierop ook van invloed kan zijn, nemen we dit mee in onze vragenlijst. In het onderzoek Belevingsonderzoek windpark Kloosterlanden (Olde Monnikhof, 2019) wordt een aantal feitelijke effecten van windturbines genoemd: veiligheid, horizonvervuiling, gezondheid, ecologie, geluid, slagschaduw, financieel, milieuvoordelen. In de studie wordt een vergelijking gemaakt tussen de feitelijke effecten en de beleving van dezelfde effecten. Uit deze studie blijkt dat de feitelijke effecten voor veiligheid, horizonvervuiling, gezondheid, ecologie niet significant verschillen van de beleving.

De effecten van geluid, slagschaduw, financieel, milieuvoordelen worden wel significant anders ervaren. Een voorbeeld: De windturbines produceren geluid binnen de wettelijke norm, desalniettemin wordt dit geluid dat de windturbines produceren als zeer storend ervaren. Om deze reden zullen wij (ook) de beleving van de laatste vier factoren uitvragen. RIVM onderzoek (2021) bevestigt dat er een verschil is tussen de beleving van omwonenden van het geluid van windmolens en de gestelde norm. Hierbij wordt in Nederland 9% aangehouden van mensen die binnenshuis ernstige hinder ervaren. Windmolens worden groter (zowel in omvang als capaciteit), maar vanwege de technologische voortuitgang zal dit niet altijd leiden tot meer geluid. De grotere windmolens zullen ook aan de gestelde geluidsnormen moeten voldoen. Onderzoek van het RIVM (2021) laat echter zien dat het mensen niet alleen maar gaat om het geluidsniveau op zichzelf. De ergernis neemt toe wanneer mensen de windmolens kunnen zien vanaf hun woning. Verder geven de factsheet van het RIVM (2021) en 23

TNO-rapport | TNO 2022 P10127

24 / 106

eerder onderzoek van TNO (2008) aan dat omwonenden hinder ervaren van windturbinegeluid. Vanwege deze effecten wordt geluid als aparte factor in dit onderzoek opgenomen. Het kader hieronder geeft meer inzicht in de geluidsnorm in Nederland4. Geluidsnorm Nederland

Tot 30 juni 2021 werden vergunningaanvragen voor windturbines getoetst aan de landelijke geluidsnormen van gemiddeld 47 dB(a) Lden overdag en 41 dB(a) Lnight nachts (jaargemiddelde geluidniveau) (RIVM, 2021). Een Lden-norm is een berekende norm door “straf-penalties” toe te kennen voor geluidsproductie in bepaalde perioden van de dag (in de avond voor +5dB en in de nacht +10dB). In de praktijk komt het er in Nederland op neer, dat deze 47 Lden uit de berekening komt indien er gedurende alle dagen en 24u per dag er 41dB(a) op de gevel van de woning komt (RIVM, 2020).

2.5.2

Klimaat Wolsink (2012) benadrukt dat een algemene ondersteuning van het windenergiebeleid en de ondersteuning van de bouw van een bepaald windmolenpark (in de buurt) twee totaal verschillende attitude-objecten betreft. De relatie tussen de algemene steun voor windenergie en een beslissing om een bepaald windpark te steunen is over het algemeen zwak. De ongefundeerde verwachting dat deze relatie sterk is, kan leiden tot misverstanden over de aard van sociale acceptatie van windparken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12347937/1