23.Zienswijze op de Nota Reikwijdte en Detailniveau Windturbinebepalingen Leefomgeving mevrouw M.
Tekst van het document
Pagina 17 van 42
Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMer Windturbinebepalingen Leefomgeving
toetsingskader uitgewerkt, op basis waarvan de beoordeling van varianten in het planMer plaatsvindt. Afhankelijk van het milieuaspect worden de varianten kwantitatief of kwalitatief beoordeeld. Deze beoordelingen vinden onder andere plaats aan de hand van themasessies met experts. Ook is in het planMer aandacht voor leemten in kennis en mitigerende maatregelen, zoals monitoringsaanbevelingen. Gedurende het opstellen van het planMer is er nauwe afstemming met de opstellers van de Windturbinebepalingen Leefomgeving. Stap 5. Openbare kennisgeving planMer Het planMer wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd, tezamen met het ontwerp van de windturbinebepalingen (zie paragraaf 3.2). De ter inzagelegging zal gecombineerd worden met de internetconsultatie14, waarbij tegelijkertijd dezelfde stukken zullen voorliggen. Hierop kunnen door een ieder zienswijzen naar voren worden gebracht. Het voornemen is om op dezelfde wijze informatiebijeenkomsten te organiseren als tijdens de tervisielegging van de NRD. De buurlanden (België en Duitsland) worden over het planMer geraadpleegd. Indien uit het planMer blijkt dat er grensoverschrijdende effecten kunnen optreden of als de buurlanden daarom verzoeken, wordt het planMer ook in de betrokken buurlanden ter inzage gelegd, waarvoor de samenvatting dan vertaald zal worden in het Duits en Frans.
Tegelijkertijd met de terinzagelegging wordt de Commissie voor de m.e.r. om een toetsingsadvies gevraagd over het planMer. Stap 6. Opstellen en vaststellen definitieve regels windturbines Op basis van de zienswijzen en adviezen die zijn verkregen gedurende de terinzagelegging wordt bepaald of het planMer voldoende inzicht heeft geboden om verder te gaan met de procedure voor de windturbinebepalingen. Zo nodig wordt nog aanvullende informatie uitgewerkt. In de nota van toelichting bij de windturbinebepalingen wordt vermeld op welke wijze rekening is gehouden met de milieueffectrapportage en met de zienswijzen en adviezen. De regering, op voordracht van de verantwoordelijke minister, stelt de windturbinebepalingen vast. Stap 7. Evaluatie leefomgevingseffecten De verwachte leefomgevingseffecten die zijn opgenomen in het planMer worden gemonitord en gerapporteerd. In de toekomst zouden de uitkomsten kunnen leiden tot eventuele aanpassingen van de windturbinebepalingen. 3.2
Waar staan nu en straks windturbinebepalingen?
In welke algemene regels staan nu en straks windturbinebepalingen? Het planMer komt tot stand in de periode dat de Omgevingswet in werking treedt, de Omgevingswet vervangt de regelgeving over de fysieke leefomgeving zoals nu bijvoorbeeld opgenomen in de Wet milieubeheer, de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (WABO). De windturbinebepalingen die met de Raad van State-uitspraak buiten werking zijn gesteld staan in paragraaf 3.2.3 Activiteitenbesluit milieubeheer en paragraaf 3.2.3 Activiteitenregeling milieubeheer.
Voor veel gestelde vragen over internetconsultatie, zie: https://www.internetconsultatie.nl/veelgesteldevragen 14
Pagina 18 van 42
Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMer Windturbinebepalingen Leefomgeving
De windturbinebepalingen zullen worden opgenomen in regelgeving onder de Omgevingswet. Naar verwachting komen de windturbinebepalingen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en/of in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Afstemming procedures windturbinebepalingen en planMer Voor het tot stand komen van de windturbinebepalingen geldt dat de procedure voor een AMvB gevolgd dient te worden. Er is nog nooit een planMer voor algemene regelgeving in een AMvB opgesteld. De planMer-procedure is naar verwachting gereed in augustus 2022 en de AMvBprocedure duurt tot medio 2023. De internetconsultatie over de ontwerpwindturbinebepalingen en het planMer is gepland in juni-juli 2022 en duurt zes weken.
Figuur 1 Schematische weergave procedures AMvB en planMer Uit bovenstaande figuur 1 blijken de volgende keuzen inzake de koppeling van beide procedures: • De NRD wordt separaat ter inzage gelegd, nog zonder informatie over de AMvB zelf. Voor de startnotitie voor de AMvB is er een consultatie binnen de AMvB procedure met andere overheden zoals de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Unie van Waterschappen (UvW). • Het opstellen van de windturbinebepalingen en het planMer is een parallel verlopend, iteratief en interactief proces. Er zijn diverse ambtelijke afstemmingen gepland om (tussen-)resultaten vanuit het planMer in de AMvB op te nemen. • Het planMer wordt tezamen met de ontwerp-AMvB zes weken ter visie gelegd. Tegelijkertijd zal voor de regelgeving internetconsultatie worden gehouden. Om aan de wettelijke vereisten te voldoen zullen verschillende mogelijkheden voor het indienen van inbreng en zienswijzen worden geboden, zoals deelname aan een informatiebijeenkomst en de mogelijkheid voor indienen van (mondelinge) zienswijzen.
Pagina 19 van 42
Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMer Windturbinebepalingen Leefomgeving
• •
Eventueel volgt na de toetsing van de Commissie voor de m.e.r. van het planMer en de zienswijzen nog aanvullende informatie. Daarop volgt het verdere ambtelijke en politieke verloop.
Zienswijze Tijdspad Opvallend is dat er geen tijdspad bij staat c.q. een planning. Behoudens bij het onderdeel 3.2: Afstemming procedures windturbinebepalingen en planMer waar een termijn van gereed melding voor de planMer wordt genoemd van augustus 2022. Dit is veel te kort!! Waar onze zuiderburen, die door de Nevele-uitspraak in een zelfde positie zitten uitgaan van minimaal twee tot drie jaar om te komen tot een NRD/planMer heeft de toenmalige verantwoordelijke staatssecretaris van EZK in haar brief van 6 juli 2021 aan de Tweede Kamer laten weten dat zij er 1,5 tot twee jaar over doet. De stappen die in deze NRD omschreven zijn, zijn logische stappen zoals de normale procedure voor een NRD/plan MER verloopt. Er is hier echter sprake van een geheel andere situatie waardoor een gebruikelijk tijdspad dat hangt aan een planMer procedure niet representatief is voor een tijdspad behorende bij deze NDR/planMer procedure. Waar normaliter de planMer vrijwel altijd een plan van de overheid voor een infrastructureel werk van algemeen belang betreft of een beleidsvisie (zoals de Structuurvisie Wind op Land uit 2014), betreft het nu een planMer voor nieuwe wettelijke bepalingen en door u tevens op pagina 11 wordt erkend.
Nederland moet de veronderstelling dat een voorgenomen wettelijke regeling niet valt onder de begrippen “plan” of “programma” in de SMB-richtlijn – en dus ook niet onder de werking van die richtlijn, loslaten en herstellen. Deze veronderstelling heeft lang bestaan, waardoor in ruimtelijke procedures geen rekening is gehouden met de SMB richtlijn. Nu deze opvatting door het Europese Hof onderuit is gehaald in 2016 (d’Oultremont), nog een keer in 2020 (Nevele) en uiteindelijk door de Raad van State in de 30 juni uitspraak is er werk aan de winkel. Maar wel werk op een onbekend terrein. Paragrafen 7.2 en 7.3 van de Wet Milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage bieden weinig steun bij het vinden van een weg door dat onbekende terrein. Een zoektocht kost veelal meer tijd dan een gebaande weg. Goed werk kost in de regel daarbij meer tijd en de vraag rijst of de termijn van de staatssecretaris niet te optimistisch is gekozen. Het advies is om de kwaliteit en zorgvuldigheid in deze NRD te waarborgen en het doorlopen van procedures, onderzoeken en het vinden van de juiste alternatieven en milieueffecten voorop te stellen in plaats van een (te) krap tijdspad te willen realiseren opgelegd door een staatssecretaris. Dit advies wordt niet zomaar gegeven.
Zoals Infomil het volgende aangeeft in haar beschrijving Detailniveau hoe uitgebreid, op welke manier? : Waar het vooral om gaat, is dat er –net als bij ‘reikwijdte’- ook bij ’detailniveau’ keuzes mogelijk zijn. Een bevoegd gezag kan zich daarin afwachtend opstellen: kijken hoe het verloopt, maar beter is om die keuzes al in het voortraject zo veel mogelijk af te kaarten of dit op zijn minst te proberen. Nu deze keuzes een onbekend terrein betreffen en waar op onderdelen ook nader onderzoek nodig is, is het raadzaam een goede basis neer te leggen voor de toekomst. Een basis waarop goede bestuurlijke besluitvorming op mogelijk is. In het kader van aansprakelijkheid is dit geen sinecure. Procedures naast elkaar niet toegestaan Deze NRD maakt één en andermaal duidelijk dat er bij het uitvoeren van deze planMer geen sprake zal zijn van enige afstand tussen onderzoekers en opdrachtgever. • Op meerdere plaatsen – zie met name p. 11 – wordt aangegeven dat het uitvoeren van de planMer gelijk op zal gaan met het ontwikkelen van de nieuwe windturbinebepalingen. Er zal voortdurend overleg zijn tussen het team dat de m.e.r. uitvoert en het team dat de nieuwe wettelijke regeling gaat opstellen. Die gang van zaken lijkt manifest in strijd met de essentie van de hele m.e.r.-procedure die immers gebaseerd is op één cruciaal uitgangspunt: eerst informeren en dan pas beslissen.
Dat is ook wat artikel 3:2 AWB eist, wat de Wet Milieubeheer eist en wat – last but not least – de SMB richtlijn eist. Een m.e.r. uitvoeren in directe interactie met de beleidsmakers is een contradictio in terminis. • Dit probleem wordt nog groter en ernstiger als in aanmerking wordt genomen dat de NRD op meerdere plaatsen stelt dat in de m.e.r. niet alleen naar milieueffecten moet worden gekeken, maar dat ook al direct rekening moet worden gehouden met het beleidsdoel om meer windparken op land te realiseren. Zie o.a. pp. 8, 23, 31 en 37. Pagina 20 van 42
Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMer Windturbinebepalingen Leefomgeving
Kenmerkend voor een milieueffectrapportage is nu net dat initiatiefnemer en bevoegd gezag zich niet kunnen blindstaren op één specifieke oplossing. Er moeten alternatieven worden uitgewerkt en onderzocht worden. De planMer moet richting geven aan de te maken beleidskeuzes die leiden tot de besluitvorming. Door als doel het plaatsen van windenergie op land te stellen wordt daarop blindgestaard in deze NRD/planMer. Dit is niet alleen qua aanpak het paard achter de wagen spannen, maar is ook een directe aantasting van de garanties voor de onafhankelijkheid en objectiviteit van de m.e.r. en de MER. Een m.e.r. moet het beleid informeren en niet het beleid de m.e.r. Door als ambtenaren gezamenlijk met beide processen op te trekken vindt in het (in)formele circuit kruisbestuiving en de nodige afstemming plaats om onder de gegeven tijdsdruk de procedure tijdig te hebben doorlopen. Ook hier lijkt de tijdsdruk – die 1 ½ jaar van de staatssecretaris – zich te wreken. Kennelijk gaan de opstellers van de NRD er van uit dat die 1 ½ jaar alleen maar haalbaar is als alle stappen die normaal na elkaar doorlopen worden in dit geval naast elkaar en in voortdurende wisselwerking worden uitgevoerd. Dat heeft echter wel tot gevolg dat de onafhankelijkheid en de objectiviteit van de m.e.r. en de MER zodanig worden aangetast dat het maar zeer de vraag is of een op deze NRD gebaseerde m.e.r.
en MER de toets der (rechterlijke) kritiek kunnen doorstaan. Een oordeel als in rechtsoverweging 49 van de 30 juni uitspraak van de Raad van State – niet voldaan aan artikel 3:2 AWB - ligt al te zeer voor de hand, zoals al evenzeer voor de hand ligt een oordeel dat een op deze NRD gebaseerde m.e.r. en MER niet voldoen aan de eisen van de SMB-richtlijn en de Wet Milieubeheer. Een zelfde opmerking kan gemaakt worden over het gelijktijdig laten verlopen van de ter visie legging van het planMer tezamen met de ontwerp-AMvB. Aansprakelijkheid Het Hof heeft zich uitgesproken over de uitlegging van de SMB-richtlijn 2001/42 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s in Vlaanderen. Dit arrest sluit naadloos aan op de conclusie in deze zaak van advocaat-generaal M. Campos Sánchez-Bordona bij het Hof van 3 maart 2020 (HvJ EU, 03-03-2020, nr C-24/19, ECLI:EU:C:2020:143). Het Hof heeft in deze uitspraak belangrijke verduidelijkingen verstrekt over de maatregelen waarvoor de bij deze richtlijn voorgeschreven beoordeling moet worden uitgevoerd en over de gevolgen van het ontbreken van die beoordeling, dit mede gericht op de bescherming van de gezondheid van de mens. Inmiddels is deze ‘draai om de oren’ van bestuurders reden dat deze kwestie tot op minister-niveau prioriteit krijgt.
Samengevat: als een vergunning door een bestuur wordt afgegeven of minimaal hieraan medewerking wordt verleend in welke vorm dan ook tot het plaatsen van een windturbine of windturbines en waarvan niet vooraf – op Europese voorschriften vereiste wijze – onderzocht is of de windturbines concreet schade veroorzaken aan de gezondheid van de aldaar wonende bewoners (binnen bijvoorbeeld een straal van tenminste 10 maal de tiphoogte), dan is een eventueel afgegeven omgevingsvergunning voor de bouw van zo’n windturbine onrechtmatig afgegeven en is het bestuur mede aansprakelijk voor eventuele schade, omdat medewerking is verleend aan de betreffende plaatsing. De vigerende jurisprudentie van de Raad van State op dit punt – met name kenbaar uit onderdeel 29 en volgende (inzake D'Oultremont - zie ECLI:NL:RVS:2019:1064) is daarmee definitief in een ander daglicht komen te staan. De SMB-richtlijn ziet toe op plannen en programma’s, alsook de wijzigingen daarvan, die door een instantie van een lidstaat worden opgesteld of vastgesteld, voor zover zij door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn voorgeschreven. Het bereik daarvan dient ruim te worden uitgelegd. In Frankrijk is inmiddels een echtpaar schadeloos gesteld wegens de (ernstige) effecten die windturbines veroorzaken op hun leefomgeving.
De internetconsultatie over de ontwerpwindturbinebepalingen en het planMer is gepland in juni-juli 2022 en duurt zes weken. Dit tijdpad kan alleen gelden als er geen gedegen onderzoek gedaan wordt naar gezondheid. Het onderzoek van het RIVM naar effecten van LFg van windturbines op de gezondheid neemt naar schatting 4-8 jaar in beslag. Juist dit fenomeen heeft- gelet op bestaande studies in het buitenlandmogelijk veel impact op de gezondheid en valt door de term ‘zo mogelijk’ buiten de beoordeling van de planMer. In dit geval dient het voorzorgsprincipe te worden gehanteerd. Wanneer een effect niet onderzocht is, dan wel niet zeker is welk effect dit heeft op de gezondheid dient er pas op de plaats gemaakt te worden en kan een ontwikkeling pas plaatsvinden wanneer dit wel duidelijk is. Het beoogde tijdpad is daardoor niet realistisch wanneer voldaan moet worden aan de SMB richtlijn.
Pagina 21 van 42
Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMer Windturbinebepalingen Leefomgeving
Conclusie Nu bekend is dat de verkenning van het RIVM minimaal 4 tot 8 jaar duurt, de staatssecretaris aangeeft dat voor Nederland de procedure is afgerond binnen 1,5 tot twee jaar, lijkt alles in deze NRD er op gericht op het willen halen van dit opgelegde tijdspad. NB gereed augustus 2022 en de AMvB in 2023. Onderzoeken en procedures worden naast elkaar opgestart, waarvan de vraag is of dit juridisch kan en mag. En onderzoeken worden toegevoegd indien mogelijk. Juist van de meest relevante studie, de verkenning van het RIVM ten aanzien van het effect van windturbines op de gezondheid is qua tijdsbestek duidelijk, dat deze niet opgenomen zal worden in de NRD/planMer. Simpel omdat de tijdsponde niet met elkaar overeenkomen. Het belangrijkste fundament vanuit de SMB-richtlijn wordt niet in deze NRD/planMer meegenomen. Dat geeft vraagtekens bij de kwaliteit en waarde van het opgestelde document. Gesteld kan worden dat ook op deze onderdelen niet wordt voldaan aan de gestelde eisen in de SMB-richtlijn.
Pagina 22 van 42
Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMer Windturbinebepalingen Leefomgeving
4
Referentiesituatie
4.1
Definitie referentiesituatie
De referentiesituatie is bedoeld om de leefomgevingssituatie te laten zien zonder dat de nieuwe windturbinebepalingen van toepassing zijn. Het is de resultante van de huidige situatie en autonome ontwikkelingen die verwacht worden. Hierbij is de autonome ontwikkeling de situatie die ontstaat als er geen nieuwe regels worden vastgesteld. Onderstaande alinea’s geven een nadere onderbouwing van de achtergrond voor deze referentiesituatie. Huidige situatie en autonome ontwikkelingen De toestand van het milieu in de referentiesituatie is gebaseerd op de bestaande situatie van het milieu, samen met de gevolgen van autonome ontwikkelingen. Voor de referentiesituatie houdt dat in dat vastgesteld overheidsbeleid (en de gevolgen daarvan) wordt gerealiseerd. Referentiejaar 2030 en doorkijk op 2050 De Windturbinebepalingen Leefomgeving hebben betrekking op duurzame energie opwek door windturbines op land. Windenergie is één van de belangrijkste bronnen om de doelstelling voor hernieuwbare elektriciteit van 35 TWh in 2030 uit het klimaatakkoord te bereiken. Daarom wordt het jaar 2030 als referentiejaar beschouwd. Aangezien 2030 een korte termijn doelstelling is en dit planMer inzicht wil bieden in de verdere toekomst, wordt in de referentiebeschrijving een kwalitatieve doorkijk gegeven naar 2050.
Hierbij wordt de situatie beschreven zonder dat nieuwe windturbinebepalingen van toepassing zijn. Referentiebeschrijving De referentiesituatie laat zich in twee componenten uiteen splitsen in het planMer: 1. Huidige kwaliteit van de leefomgeving. 2. Autonome ontwikkelingen tot 2030 met doorkijk naar 2050. Deze twee componenten komen op hoofdlijnen aan de orde in de komende paragrafen. In het planMer volgt een nadere uitwerking. 4.2
Beschrijving huidige situatie leefomgeving
In deze paragraaf wordt de huidige kwaliteit van de leefomgeving beschreven voor relevante leefomgevingsaspecten, zoals geluid, externe veiligheid, landschap en cultuurhistorie, natuur, woongebieden, radar- en laagvlieggebieden en gerealiseerde windturbines. Geluid Mensen kunnen hinder ondervinden van geluid geproduceerd door geluidsbronnen als rijkswegen, spoorwegen, industrie. Ook windturbines zijn een geluidsbron. Het geluid geproduceerd door deze geluidsbronnen wordt uitgedrukt in decibel (dB). De Lden15 en Lnight16 zijn maten voor gemiddelde geluidsbelasting over een bepaalde tijdsperiode. Tot voor kort waren er rechtstreeks geldende geluidsnormen voor windparken opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer, namelijk 47 dB Lden en 41 dB Lnight. 15 L den (Level Day-Evening-Night) is een maat om uit te rekenen hoeveel geluid er gemiddeld
per etmaal aanwezig is. 16 Lnight is de maat voor de gemiddelde geluidbelasting van 23 uur tot 7 uur.
Pagina 23 van 42
Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMer Windturbinebepalingen Leefomgeving
Naast dat mensen hinder kunnen ondervinden van geluid geproduceerd door één geluidsbron, kunnen mensen ook hinder ondervinden door geluid geproduceerd door meerdere geluidsbronnen tegelijk. Dit heet ‘cumulatie’. De geluidsbelastingkaart in figuur 2 laat zien hoeveel geluid verschillende bronnen bij elkaar opgeteld veroorzaken, oftewel de gecumuleerde geluidsniveaus. Het gaat hier om het gemiddelde geluidsniveau per jaar van wegverkeer, treinverkeer, vliegtuigen, industrie en windturbines uitgedrukt in dB Lden. Figuur 3 geeft inzicht in de bijdrage van het bestaande windturbinegeluid in dB Lden aan deze gecumuleerde geluidsniveaus. Wanneer figuur 2 en figuur 3 naast elkaar gelegd worden valt op dat geluid van windturbines op nationaal niveau relatief weinig bijdraagt aan de cumulatieve geluidbelasting in Nederland. Lokaal kunnen er wel relevante cumulatieve effecten optreden. Hoe sterker het geluid (in dB) van windturbines, des te groter de hinder ervan.17 De bijdrage van (tonaal) laagfrequent geluid aan de gecumuleerde geluidsniveaus is op nationale schaal niet te bepalen. Voor een toelichting van de verschillende vormen van geluid, zie het tekstblok na de afbeeldingen.
figuur 2 Gecumuleerde geluidsniveaus in Nederland (Lcum). Het gaat hier om het gemiddelde geluidsniveau per jaar van wegverkeer, treinverkeer, vliegtuigen, industrie en windturbines gebaseerd op de Level Day-Evening-Night (Lden) (RIVM, peildatum 28-05-2021).
Conclusies uit: https://www.rivm.nl/publicaties/health-effects-related-to-wind-turbinesound-update 17
Pagina 24 van 42
Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMer Windturbinebepalingen Leefomgeving
figuur 3 Geluid van windturbines in Nederland (bron: atlas van de leefomgeving) Tonaal geluid Tonaal geluid is geluid met een duidelijk hoorbaar tonaal karakter, dat wil zeggen duidelijk hoorbare zuivere tonen. Met behulp van een smalbandige spectrale analyse kan de tonaliteit van het geluid objectief worden beoordeeld. Laagfrequent geluid Laagfrequent geluid (LFG) is geluid met een frequentie tussen 20 Hz en 100/125 Hz. De geluidssterkte van LFG wordt meestal uitgedrukt in decibel (dB). Laagfrequent geluid draagt verder dan hoger frequent geluid. Ook is voor laagfrequent geluid de isolatie van een woning veel geringer dan voor hoger frequent geluid. Hierdoor dringt het beter in woningen door. Er kan al hinder ontstaan bij kleine overschrijdingen van de gehoordrempel. Tonaal laagfrequent geluid Tonaal laagfrequent geluid betreft een specifieke toon met een frequentie tussen de 20 en 100/125 Hz.
Zienswijze De normen gesteld in het Activiteitenbesluit- en regeling gaan uit van Lden en dB(A). Eerder is daar het volgende over opgemerkt: Lden past wel bij wegverkeer etc. omdat dit een voorbijgaand geluid is van een eenzijdige bron en anders van samenstelling dan een windturbine. E.a. wordt veroorzaakt door de wieken die draaien, een generator, wind en het feit dat het geluid niet voorbij gaat maar ter plaatse wordt geproduceerd. Ofwel complex. Daarom past de Lden niet bij specifiek windturbine geluid. Lden is niet toereikend/ niet passend. En vasthouden aan deze Lden betekent een groot effect van windturbines op de gezondheid doordat omwonenden bij regelmaat wakker worden van de geluidspieken. In het kader van handhaafbaarheid en gezondheid dient daarom de Lden niet van toepassing verklaard te worden voor de beoordeling van geluid van windturbines. De (A) in dB(A) is een corrigerende factor die toegepast wordt. Hierdoor wordt het LFg in zijn geheel eruit gefilterd. Reden dB(A) gaat uit van hoorbaar geluid. De trillingen van het LFg bestaan dus niet als norm voor windturbines. De (A) factor dient daarom niet van toepassing verklaard te worden voor de beoordeling van het geluid en trillingen van windturbines.
Pagina 25 van 42
Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMer Windturbinebepalingen Leefomgeving
De getoonde kaartjes tonen een situatie gebaseerd op de oude normen die niet zijn getoetst en buiten gebruik zijn gesteld. Dat hoort ook bij het beschrijven van een referentiesituatie. Gelet op het bovenstaande is de vraag of deze oude normen voldoen om het specifieke geluid van windturbines als industriële installatie op locatie te meten en weer te geven. Gelet op de verschillen tussen papier en werkelijkheid bij uitgevoerde metingen zowel in dB(A) als op het gebied van LFg (onderzoek Moller-Maastricht) is de vraag of de gegevens op de gepresenteerde kaartjes daadwerkelijk kloppen en daadwerkelijk als referentie gebruikt kunnen worden. Externe veiligheid Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met een plaatsgebonden risico (PR). Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die een jaar lang onbeschermd aanwezig is op een plaats in de omgeving van een risicovolle activiteit, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit. Specifiek voor windturbines gaat externe veiligheid over de risico's voor mens en milieu als gevolg van het falen van windturbines, zoals ijsafwerping18, mastbreuk en het afbreken van een turbineblad of gondel.
Voor ijsafwerping is een protocol opgesteld door NWEA (branchevereniging voor windenergie): https://www.nwea.nl/wp-content/uploads/2019/04/190415-veiligheidsprotocolijsafzetting-windturbines-versie-15.pdf 18
Tot voor kort gold de normstelling voor het PR voor (beperkt) kwetsbare objecten uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. De normstelling wordt ruimtelijk vertaald in de volgende risicocontouren: • PR 10-6 contour: Plaatsgebonden Risicocontour waarbinnen geen kwetsbare objecten mogen liggen. • PR 10-5 contour: Plaatsgebonden Risicocontour waarbinnen geen beperkt kwetsbare objecten mogen liggen. Daarnaast waren in het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer normen ten aanzien van certificering en onderhoud van windturbines opgenomen. Wanneer een windturbine faalt, kan dat gevolgen hebben voor andere activiteiten of inrichtingen in de buurt van de windturbine. Voor deze zogenoemde dominoeffecten is het van belang inzicht te krijgen in andere activiteiten waarvoor het plaatsgebonden risico moet worden berekend, zoals BRZO bedrijven en buisleidingen. Deze inrichtingen zijn weergegeven in figuur 4. (Beperkt) kwetsbare objecten Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) maakt onderscheid tussen kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. • Kwetsbare objecten: woningen, gebouwen waarin zich veel mensen kunnen bevinden of gebouwen waar niet-zelfredzame mensen aanwezig zijn, zoals zieken, ouderen en kinderen. Voorbeelden zijn scholen, ziekenhuizen, grotere kantoren en hotels.
• Beperkt kwetsbare objecten: verspreid liggende woningen, dienst- en bedrijfswoningen, restaurants en kleinere kantoorgebouwen. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico heeft het karakter van een minimum beschermingsniveau. Het bevoegd gezag heeft beleidsvrijheid om bij de ruimtelijke inrichting van een gebied of bij de beoordeling van een omgevingsvergunning voor een risicovol bedrijf uit te gaan van een hoger beschermingsniveau. Ook bij de toepassing van de richtwaarde voor het plaatsgebonden risico kan het bevoegd gezag de richtwaarde strikt toepassen. Een windturbine(park) is zelf geen (beperkt) kwetsbaar object.
Pagina 26 van 42
Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMer Windturbinebepalingen Leefomgeving
Zienswijze Hoewel externe veiligheid uitgaat van groepsrisico en dodelijke slachtoffers bij plaatsgebonden risico’s dient ook rekening gehouden te worden met andere calamiteiten, die meer thuis horen in de crisisbeheersing maar toch ook aandacht verdienen als te onderzoeken alternatief in deze NRD. Het betreft het fenomeen ZOG-werking: Als eerste betreft het een voorbeeld van een incident met gevaarlijke stoffen. Hier zijn in inmiddels een aantal voorbeelden van. - In Limburg ontstaat een brand waar asbest bij vrijkomt. De wind staat richting de in werking zijnde windturbines en het effect gebied verspreiding asbest wordt daardoor ernstig vergroot en oncontroleerbaar voor de hulpdiensten en de gemeente. Een dergelijk incident heeft zich ook voor gedaan bij een scheepsbrand in de buurt van windturbines. Andere voorbeelden: - Tata Steel staat momenteel vanwege de uitstoot volop in de belangstelling, maar ook het gebied de Botlek kenmerkt zich door een bepaalde uitstoot die ver reikt tot in het Ruhrgebied. Ook daar is sprake van geplaatste of te plaatsen windturbines. - Een dergelijk iets doet zich ook voor wanneer het fijnstof en waterdamp betreft.
Omdat een planMer gaat over het afwegen van alternatieven en milieueffecten dient de omgeving met (extra) verspreiding van (gevaarlijke) stoffen en het effect daarvan op de volksgezondheid in overleg met de Veiligheidsregio(s) meegenomen te worden. De afweging kan daardoor zeer locatie specifiek zijn, maar een planMer moet hier wel de kaders voor bieden. Door de verspreiding van fijnstof etc. mee te nemen in de referentiesituatie en daarna mee te nemen in de alternatieve en planMer, wordt de NRD meer toekomstbestendig en kunnen zaken ook in de toekomst beter tegen elkaar worden afgewogen.
Pagina 27 van 42
Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMer Windturbinebepalingen Leefomgeving
Figuur 4 Externe veiligheid BRZO inrichtingen Landschap en cultuurhistorie De plaatsing van windturbines kan invloed hebben op het landschap en de beleving ervan. Dit is een beoordeling en afweging die zeer locatie specifiek is. Gezien het schaalniveau van het planMer kan daar niet voor iedere locatie specifiek op ingegaan worden. Wel is mogelijk een indruk te geven wat de afbreuk zou kunnen zijn op (inter)nationaal zeer waardevolle landschappen en cultuurhistorische waarden. Daarom wordt voorgesteld om in het planMer de focus te leggen op Nationale Landschappen en Unesco/Werelderfgoed. Er is rijksbeleid ontwikkeld voor Nationale Landschappen, dat later is overgedragen aan de provincies. Het betreft gebieden met internationaal zeldzame of unieke en nationaal kenmerkende landschapskwaliteiten en in samenhang daarmee natuurlijke en recreatieve kwaliteiten figuur 5. Ook wordt in de referentiesituatie uitgegaan van aangewezen werelderfgoed gebieden zoals de Hollandse Waterlinie, de Waddenzee en de Limes. Figuur 6 geeft aan welke gebieden op de UNESCO werelderfgoedlijst zijn geplaatst.
Zienswijze De NRD betreft de beoordeling van een wettelijke regeling met een planMer. Afbakening van het werkingsgebied is een logische stap in een referentiesituatie. Echter de kern is de wettelijke regeling getoetst aan de SMB richtlijn. Zolang dit niet gebeurd en er geen inzicht is op het effect van deze toetsing aan de SMB richtlijn kun er geen juiste afbakening gemaakt worden met betrekking waar in het landschap wel of geen windturbines mogen komen. Een uitsluiting op basis van een indruk is onvoldoende. Hier wordt een beleidsafweging gemaakt zonder dat hier voor een objectieve beoordeling en advisering heeft plaatsgevonden. Als dit de feitelijke referentiesituatie is kun je daar grote vraagtekens bij zetten. Beter zou zijn dat door beleidskeuzes een aantal gebieden zijn uitgesloten voor het plaatsen van windturbines. Een voorbeeld hiervan is het Groene Hart. Nu in de NRD een aantal keren gesproken wordt over locatie specifiek dient zich de vraag aan of landelijke normen gegoten in de NRD/planMer procedure een oplossing bieden voor met name de genoemde locatie specifieke problemen. Elke situatie is anders, terwijl de plaatsing van een windturbine enorme gevolgen heeft voor de leefomgeving en specifiek op de gezondheid. Pagina 28 van 42
Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMer Windturbinebepalingen Leefomgeving
figuur 5 Nationale Landschappen (bron: https://nationalelandschappen.nl/gebieden)
figuur 6 Werelderfgoed (bron: atlas van de leefomgeving)
Pagina 29 van 42
Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMer Windturbinebepalingen Leefomgeving
Natuur Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Nederland. Figuur 7 geeft een overzicht van deze gebieden. Gezien het schaalniveau en doel van het planMer, is de verwachting dat van de beschermde waarden onder de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn, de beschermde vogels en vleermuizen het meest relevant zijn voor de effectbeoordeling.
figuur 7 Natura 2000 en NNN (bron: atlas van de leefomgeving) Woongebieden: stedelijke omgeving Windturbinebepalingen hebben mogelijke effecten op woongebieden. Als referentie voor woongebieden wordt het BAG (Basisregistratie Adressen en Gebouwen) gebruikt. Figuur 8 geeft aan waar de stedelijke gebieden in Nederland zich bevinden.
Pagina 30 van 42
Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMer Windturbinebepalingen Leefomgeving
figuur 8 Woongebieden in Nederland (bronnen: TOP50NL en www.nieuwekaart.nl) Radar- en laagvlieggebieden Radarzonering en laagvliegzones zijn zeer bepalend voor het plaatsingspotentieel van windturbines. In Nederland staan verschillende militaire en civiele radarposten met als doel de vliegveiligheid en de nationale veiligheid te waarborgen. Windturbines en hoogbouw kunnen verstoring op de radar veroorzaken. Om de veiligheid te borgen bestaat een toetsingsplicht voor (de meeste) nieuwe projecten. Voor de vliegveiligheid wordt ook getoetst aan de zogenaamde obstakelbeperkingsvlakken rond luchthavens. Figuur 9 geeft aan waar laagvlieggebieden en defensieradar is opgenomen.
Pagina 31 van 42
Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMer Windturbinebepalingen Leefomgeving
figuur 9 Laagvliegroutes defensie en luchthavens (Bron: RVO) Gerealiseerde windturbines De meeste gerealiseerde windturbines staan daar waar de windsnelheden het hoogst zijn (zie figuur 10). Maar het windaanbod is niet de enige bepalende factor. Ook de fysieke ruimte en (lokale) inpasbaarheid in het landschap bepalen de locatie van de windturbines. De gerealiseerde windturbines zijn weergegeven naar ashoogte (figuur 11) en naar vermogen (figuur 12). Gegeven de minieme verschillen tussen de beide figuren blijkt dat deze beide kenmerken sterk met elkaar samenhangen, ofwel hoe hoger de ashoogte, hoe hoger het vermogen van de windturbine.
Pagina 32 van 42
Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMer Windturbinebepalingen Leefomgeving
figuur 10 Windsnelheden Nederland 100 meter hoogte (RVO, 2015)
figuur 11 Bestaande windturbines met ashoogte (Atlas van de Leefomgeving, april 2021). Deze kaart is gemaakt door de Nationale energieatlas op basis van gegevens van het RIVM, Rijkswaterstaat en Windstats.nl. Op deze kaart ziet u de locatie en de hoogte van windturbines in Nederland (ashoogte in meters).
Pagina 33 van 42
Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMer Windturbinebepalingen Leefomgeving
figuur 12 Vermogen per bestaande windturbine (Atlas van de Leefomgeving, april 2021) Deze kaart is gemaakt door de Nationale energieatlas op basis van gegevens van het RIVM, Rijkswaterstaat en Windstats.nl (vermogen in kWatts) 4.3
Autonome ontwikkelingen tot 2030 en doorkijk naar 2050
Vrijwel zeker blijven windturbines op land gerealiseerd worden de komende jaren. 19 Op korte termijn zullen de vergunde, maar nog niet gerealiseerde windturbines, gerealiseerd worden (zie figuur 13). Maar ook het plaatsingspotentieel voor windturbines op de langere termijn is relevant voor de effectbeoordeling voor het referentiejaar 2030 en de kwalitatieve doorkijk naar 2050. In en rond de gebieden waar eventuele windturbines geplaatst kunnen worden vinden diverse ruimtelijke ontwikkelingen plaats. Zo wil de Rijksoverheid de bereikbaarheid, veiligheid en ruimtelijke inrichting van Nederland bevorderen. Rijksprojecten en –programma’s hiervoor staan in het Meerjarenprogramma Infrastructuur Ruimte en Transport (MIRT).20 De ontwikkelingen die zijn opgenomen in het MIRT-overzicht (2022) en zijn aangeduid als ontwikkelingen/projecten in de ‘aanlegfase’ maken onderdeel uit van de referentiesituatie voor 2030. Overige genoemde ontwikkelingen kunnen gebruikt worden bij de kwalitatieve doorkijk tot 2050. Indien relevant, wordt in het planMer per milieuthema uit paragraaf 6.2 stilgestaan bij de autonome ontwikkelingen tot 2030 en de kwalitatieve doorkijk naar 2050.
Zienswijze (4.1 en 4.3) De gehele procedure is opgestart naar aanleiding van de uitspraak van de RvS van 30 juni 2021 waarbij de normen gebruikt uit het Activiteiten besluit – en regeling buitenwerking zijn gesteld omdat daarvoor niet de juiste procedure is doorlopen. De normen hadden planMer getoetst moeten worden conform de vereisten van de SMB-richtlijn. Eerder is hier in de zienswijze al nader op ingegaan dat de toetsing aan de SMB-richtlijn in deze NRD ontbreekt.
Pagina 34 van 42
Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMer Windturbinebepalingen Leefomgeving
Op zich doet zich door deze uitspraak van de RvS een vreemde situatie voor: Bij het opstellen van een NRD/planMer is een wettelijke verplichting om in een MER in te gaan op de situatie waarin de voorgenomen activiteit niet gerealiseerd zou worden. Dit wordt – niet in de wet, wel in de praktijk- ook wel aangeduid als de referentiesituatie (zie: Handleiding referentiesituatie). Bij een fysiek bouwproject is dit eenvoudig voor te stellen en de ontwikkeling centraal te stellen c.q. weg te laten in het plangebied. Nu betreft het een wettelijke regeling die sinds minimaal 2011 is uitgevoerd, waarbij vele windparken onder die voorwaarden zijn gerealiseerd. Bekend is dat bij vooral de windparken die de afgelopen jaren zijn gerealiseerd met extreem hogere windturbines, er veel klachten zijn bij omwonenden. Deze betreffen geluid, trillingen, overlast en gezondheid. Deze effecten op de leefomgeving die voor de uitspraak van de RvS en voor het opstellen van deze NRD ruimschoots bekend zijn, worden onvoldoende beschreven in dit hoofdstuk. Zij worden slechts marginaal genoemd en niet in en rondom het perspectief van gezondheid als zelfstandig aspect, waar volgens de SMB richtlijn aan getoetst moet worden. Het uitgangspunt van het beschrijven van de referentiesituatie is daarom niet juist, dan wel onvolledig.
Immers juist met een doorkijk naar 2030 en 2050 speelt een goede beschrijving van een referentiesituatie een grote rol om de contradictie tussen de huidige buitenwerking gestelde normen en de gewenste verbetering en bescherming van de leefomgeving na toetsing van deze wettelijke regeling aan de SMB richtlijn goed te kunnen monitoren. Ten overvloede: De buitenwerking gestelde normen dienen planMer getoetst te worden. Zonder deze normen is het verlenen van omgevingsvergunningen voor de bouw van windturbines niet mogelijk. Zijn er wel planMer getoetste normen die daarbij volledig voldoen aan de SMB-richtlijn en waar het effect van windturbines op de gezondheid voldoende wetenschappelijk is onderzocht, dan is de basis gelegd voor toetsing om een gedegen bestuurlijk besluit te nemen of een omgevingsvergunning wel of niet verleend kan worden. De beschrijving van de referentiesituatie dient dan ook overeenkomstig de vereisten gesteld in de SMB richtlijn plaats te vinden. Zo wordt de situatie (uw planning 20302050) na de toetsing vergelijkbaar met die van er voor. Deze NRD dient zich hiervan bewust te zijn en eveneens op deze wijze om te gaan met de beschrijving van de alternatieven en milieueffecten met betrekking tot het toetsen van de wettelijke regeling aan de hand van de vereisten in de SMB-richtlijn.
https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl-2021-monitor-concept-res-een-analysevan-de-concept-regionale-energie-strategieen_4297.pdf 20 Voor meer informatie, zie: Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) | Ruimtelijke ordening en gebiedsontwikkeling | Rijksoverheid.nl
Pagina 35 van 42
Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMer Windturbinebepalingen Leefomgeving
Figuur 13 Bestaande en toekomstige windturbines. Toekomstige turbines zijn turbines waarvoor een SDE subsidie verleend is, stand van zaken december 2021.
4.4
Referentieturbine
Om een effectbeoordeling uit te voeren, kan voor sommige milieuaspecten een referentieturbine van belang zijn. De ontwikkeling van (de techniek van) windturbines bevindt zich de laatste decennia in een stroomversnelling. Windturbines worden steeds geavanceerder en hoger en ze nemen toe in vermogen. Mede door deze snelle technologische ontwikkelingen de afgelopen jaren variëren de huidige windturbines op land – afhankelijk van het bouwjaar – sterk in ashoogte, rotordiameter en vermogen (zie figuur 11 en figuur 12). Op basis van marktontwikkelingen en de ontwikkelingen in de afgelopen jaren, is de verwachting dat de technologische ontwikkeling van windturbines zich de komende jaren voortzet. Naast de technologische ontwikkelingen zijn ook de locatie en het bijbehorende windklimaat21 van invloed op de keuze welke windturbine in een concreet geval het meest geschikt is. Deze factoren bemoeilijken de keuze voor één gemiddelde windturbine qua hoogte en vermogen om in het planMer te gebruiken voor de effectbeoordeling. Daarom wordt een bandbreedte gehanteerd die aansluit bij de (internationale) marktontwikkelingen. Daarin zijn windturbines (op land) met een opgesteld vermogen van 5-8 MW, een ashoogte van 150-180 meter en rotordiameter van 170-200 het uitgangspunt.
Vanwege de technische beperkingen van bijvoorbeeld hijskranen, maar ook als gevolg van bouwhoogtebeperkingen die in andere landen worden gehanteerd (250m), is niet de verwachting dat de afmetingen van windturbines op land nog zeer sterk toenemen in de toekomst.
Zienswijze: Referentiewindturbine gegevens en geluidscontour normen die niet kloppen Het gebruik van referentieturbines is gebruikelijk ten tijde van voor de uitspraak van de RvS. Begrijpelijk dat dit in de beschrijving van de referentiesituatie zo wordt meegenomen. Ten aanzien van het gebruik van referentieturbines ook na de uitspraak van de RvS breng ik nogmaals het onderzoek van Moller in Maastricht onder uw aandacht> Dit onderzoek toont aan dat de berekeningen achter de tekentafel aan de hand van de opgegeven geluidgegevens van de te plaatsen windturbines aan de hand van de gekozen referentiewindturbine van dat model in de praktijk niet kloppen. In de praktijk is sprake van een veel hogere geluidsbelasting met Laagfrequent geluid (verder te noemen LFg) in de nabij gelegen woningen. In cijfers: 20 Db LFg is de maximale grens in woningen. De in het onderzoek gegeven geluidcontouren geven het daadwerkelijk gemeten LFg binnenshuis aan met in de eerste contour op 1273 meter rondom de windturbine een verwachting tussen 24,4 en 26,1 dB of hoger. De tweede contour geeft de verwachtingen tussen 27,2 en 28,9 dB of hoger weer en ligt op ca. 1636 meter rond om de geplaatste windturbines. Dus vele male een te hoge belasting van de leefomgeving. De NRD dient met deze verschillende uitkomsten van tekentafel versus praktijk rekening te houden.
Voor specifieke informatie over LFg verwijs ik u door naar de site laagfrequentgeluid.nl en diverse onderzoeken door de GGD en in ons gebied de DCMR over de kwalijke gevolgen van LFg. Herbezinning op het gebruik van de gestelde geluidscontouren als norm voor geluid in het PlanMer lijkt hierdoor noodzakelijk als het gaat om afstand van een windturbine tot een woning en eerlijke verdeling van de lusten en de lasten. Immers burgers worden in de praktijk zwaarder met geluid belast dan dat het PlanMer doet geloven. Bovendien heeft de overheid de middelen en de expertise tot haar beschikking om een PlanMer op te stellen. Burgers hebben deze beide niet en zijn daardoor negen van de tien keer al ondergeschikten aan dit dossier en kunnen alleen maar klagen in de hoop gehoord te worden. Vaak wordt dan verwezen dat de prognoses en berekeningen in het PlanMer kloppen en de klacht daardoor ongegrond lijkt. Niets is minder waar. Jaren van frustratie en hoge kosten ten gevolg. Door de uitspraak van de RvS dient de wettelijke regeling getoetst te worden aan de SMB richtlijn en staat daarbij de gezondheid als een zelfstandig te toetsen element centraal. Gelet op het bovenstaande onderzoeksresultaat van de DCMR en Moller wordt duidelijk dat een gapend gat Pagina 36 van 42
Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMer Windturbinebepalingen Leefomgeving
bestaat tussen de gegevens waarmee gerekend wordt, gegevens die horen bij een zogenaamde referentiewindturbine en de praktijk. De geluidscontouren op papier en in de praktijk na realisatie van het windpark komen niet overeen. De praktijk is daarbij slechter af. Dit heeft een te lang niet onderkend negatief effect op de gezondheid: Geluid bepaald in grote mate de levenskwaliteit Hoewel er geen relatie wordt gelegd in de afzonderlijke onderzoeken tussen windturbines en gezondheid durven wij als Stichting, mede gelet op het onderzoek Moller, de stelling aan dat er wel een relatie bestaat tussen windturbines en een negatief effect op de gezondheid. Het gaat daarbij vooral om het geluid tijdens de nachtelijke uren waarin veel mensen proberen te slapen. Windturbines halen en houden mensen uit hun slaap met zowel hoorbaar geluid als LFg (onhoorbaar, maar voelbaar geluid, door sommige mensen ervaren als een hinderlijke bromtoon). Slapeloosheid en daarmee gepaard gaande stress geven bewezen gezondheidsklachten en heeft daardoor ook effect op diverse vlakken van veiligheid. Veiligheid in het verkeer en op de werkvloer staat daardoor o.a. ernstig onder druk. Gelet op het onderzoek Moller en LFg zit hier uw politiek maatschappelijke verantwoordelijkheid. Er gaat hier iets bij het verdelen van de lusten en lasten/verdeling maatschappelijke schaarste niet goed.
Door het verschil in uitwerking in de praktijk van de gegevens behorende bij een referentiewindturbine wordt het effect op de gezondheid van omwonenden niet op de juiste wijze meegewogen in het oordeel of een locatie wel of niet geschikt is. Aan het lijstje te onderzoeken alternatieven behoort dus ook de geluidscontouren die thans (nog) ingegeven zijn door de buitenwerking gestelde normen. Ook de geluidscontouren bij het vaststellen van nieuwe windturbinebepalingen Leefomgeving dienen bij voorkeur in de praktijk bij bestaandewind parken getoetst te worden aan de SMB-richtlijn.
Informatie over het lokale windklimaat is afkomstig van de windatlas: https://www.knmi.nl/kennis-en-datacentrum/project/knmi-north-sea-wind-atlas. 21
Pagina 37 van 42
Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMer Windturbinebepalingen Leefomgeving
5
Voorgestelde alternatieven en varianten
5.1
Over de windturbinebepalingen
Dit planMer ondersteunt het stellen van windturbinebepalingen op rijksniveau voor die situaties waarvoor de mer-plicht of mer-beoordelingsplicht geldt. De informatie in het planMer moet volledig bijdragen aan de besluitvorming over de vaststelling van de windturbinebepalingen. Het is van belang om maatschappelijke discussie en wetenschappelijke inzichten volwaardig mee te nemen. Zoals eerder in deze NRD beschreven, wordt het procedurele gebrek aan de bestaande windturbinebepalingen daarom niet zonder meer ‘gerepareerd’. De windturbinebepalingen worden opnieuw vastgesteld, met inbreng van voortschrijdend inzicht in technieken, effecten en ervaringen. Daarvoor is de eerste stap om te bepalen waarvoor het stellen van rijksregels wenselijk is.
Zienswijze Deze planMer wordt opgesteld om de wettelijke regeling aangaande windturbinebepalingen in overeenstemming te brengen met het Unierecht. Zij moeten voldoen aan de eisen gesteld in de SMB-richtlijn. Door uit te gaan van een functie ter ondersteuning van het opstellen van windturbinebepalingen op rijksniveau wordt de plank misgeslagen en de scope van deze planMer verkeerd gericht. Op deze manier wordt juridisch niet de juiste eindstreep gehaald en voldoet de planMer niet aan hetgeen wordt gevraagd door de uitspraak van de RVS d.d. 30 juni 2021. Pas als voldaan wordt aan de vereisten gesteld in de SMB richtlijn en de gezondheid als zelfstandig thema centraal wordt gesteld in al zijn facetten kan deze planMer pas dienen als volledige bijdrage aan de besluitvorming. Zoals deze nu is opgesteld voldoet de NRD en de daarop gebaseerde planMer niet aan het gestelde in de SMB richtlijn en de uitspraak van de RvS. Alle besluiten die op deze grond worden genomen zijn dan onrechtmatig en is het bestuur mede aansprakelijk voor eventuele schade, omdat medewerking is verleend aan het vaststellen van windturbinebepalingen die niet overeenkomstig de SMB richtlijn zijn.
Wenselijkheid tot stellen van rijksregels Windturbines en windparken kunnen verschillende nadelige gevolgen voor de leefomgeving hebben, waaronder: • GEZONDHEID • Geluidhinder • Slagschaduwhinder • Lichtschittering • Extern veiligheidsrisico voor (beperkt) kwetsbare objecten • Extern veiligheidsrisico door domino-effecten, als een ongeval met een windturbine een domino-effect bij een andere risicovolle activiteit kan veroorzaken • Aantasting van landschappen • Aantasting van cultuurhistorie, waaronder Unesco Werelderfgoed. • Aantasting archeologie • Aantasting van natuur, waaronder Natura 2000-gebieden, (trek)vogels en vleermuizen • Aantasting van oppervlaktewater • Effect op recreatie en toerisme, glastuinbouw en visserij
Zienswijze De SMB/richtlijn gaat vooral over de effecten van maatregelen op de gezondheid en opnieuw wordt gezondheid in de opsomming vergeten terwijl deze conform het Unierecht centraal bovenaan zou moeten staan. Voorts kunnen specifieke emissies ontstaan bij aanleg, onderhoud en verwijderen Pagina 38 van 42
Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMer Windturbinebepalingen Leefomgeving
van een windpark.
Per 1 juli 2022 treedt de nieuwe Omgevingswet in werking. Het reguleren van nadelige gevolgen voor de leefomgeving kan met algemene regels op nationaal niveau (Besluit activiteiten leefomgeving, Bal), op regionaal niveau (omgevingsverordening) of op lokaal niveau (omgevingsplan of waterschapsverordening). Een andere mogelijkheid is regulering op het moment van toestemming voor een individueel project, in het kader van een omgevingsvergunning (milieubelastende activiteit, maar mogelijk ook omgevingsplanactiviteit, Natura 2000-activiteit of een beperkingengebiedactiviteit). Daar waar het Bal geen algemene rijksregels stelt, zijn dus regels in de vergunningprocedure te stellen. Regels in het omgevingsplan, waterschapsverordening of de omgevingsverordening heten maatwerkregels. Gelet op deze mogelijkheden kunnen de regels steeds op het meest geëigende niveau worden gesteld. Het is dus niet zo dat voor alle nadelige gevolgen voor het milieu die een windpark op een bepaalde locatie zou kunnen veroorzaken windturbinebepalingen moeten komen. Dat is alleen aan de orde als het stellen van windturbinebepalingen voor een bepaald onderwerp het meest aangewezen is, vergeleken met de andere mogelijkheden.
Zienswijze De invoering van de Omgevingswet is wederom uitgesteld. Het is goed rekening te houden met de intentie van deze wet, maar zolang deze niet is vastgesteld en gepubliceerd in de Staatscourant is deze niet van kracht. Het ontwikkelen van de windturbinebepalingen vinden dus plaats onder de nog geldende ‘oude’ wetgeving. Als het Rijk geen algemene rijksregels vaststelt, kan het ook via instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) invloed uitoefenen op het stellen van algemene regels op decentraal niveau. Ook kan het Rijk via beoordelingsregels in datzelfde besluit invloed uitoefenen op het verlenen van omgevingsvergunningen. De Omgevingswet geeft nader aan wanneer het Rijk tot het stellen van algemene rijksregels, instructieregels of beoordelingsregels kan overgaan. Het gaat dan volgens artikel 2.3 Omgevingswet om de situatie dat het nodig is met het oog op een nationaal belang en dat belang niet op een doelmatige en doeltreffende wijze door het provinciebestuur of gemeentebestuur kan worden behartigd, of voor een doelmatige en doeltreffende uitoefening van de taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet of de uitvoering van een internationaalrechtelijke verplichting. Bij de beslissing of algemene rijksregels in het Bal worden gesteld, of juist niet worden gesteld, speelt het type regel een belangrijke rol.
Daarbij speelt artikel 4.22 Omgevingswet waarin het vastgelegde oogmerk van rijksregels voor milieubelastende activiteiten staat. In lijn met de uitgangspunten van het Nederlandse en Europese milieubeleid van de afgelopen decennia geldt: • Het primaat van de preventieve aanpak, waarbij in beginsel onafhankelijk van de locatie maatregelen worden genomen gebaseerd op gezond verstand en de “stand der techniek” (in terminologie van de wet: passende preventieve maatregelen en beste beschikbare technieken). Dit nog los van de exacte omvang van de gevolgen, die de activiteit voor de specifieke omgeving zou kunnen hebben. • Aanvullend daarop is er aandacht voor de gevolgen die na toepassing van de preventieve aanpak nog kunnen optreden voor de fysieke leefomgeving. Beoordeeld moet worden, of deze “restgevolgen” acceptabel zijn, gelet op de beschikbare gebruiksruimte. Deze twee invalshoeken komen ook bij de windturbinebepalingen terug. Algemene rijksregels zijn uitermate geschikt om locatieonafhankelijke preventieve maatregelen en best beschikbare technieken vast te leggen. Daarmee kan ook een bijdrage worden geleverd aan het “level playing field”. Dit is in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Omgevingswet omschreven als het “rechtvaardigheidsprincipe, inhoudende dat in gelijke omstandigheden voor eenieder gelijke regels gelden”.
Juist omdat preventieve maatregelen en best beschikbare technieken grotendeels los van de locatie van de activiteit kunnen worden Pagina 39 van 42
Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMer Windturbinebepalingen Leefomgeving
geformuleerd, kan met landelijk geldende regelgeving worden bereikt dat voor eenieder gelijke regels gelden. De algemene rijksregels voor milieubelastende activiteiten lenen zich veel minder voor het reguleren van de “restgevolgen” die na de toepassing van de preventieve aanpak nog kunnen optreden. Dat heeft ermee te maken dat de algemene rijksregels primair kijken vanuit een activiteit en niet vanuit de specifieke locatie met lokale omstandigheden. De algemene rijksregels kunnen op zich wel regels bevatten, die de gevolgen van één activiteit op een bepaald (in die algemene regels omschreven) punt of object limiteren, maar kunnen geen rekening houden met cumulatieve gevolgen van meerdere activiteiten op datzelfde punt of object. Het rekening houden met de milieugebruiksruimte op een bepaalde locatie is in algemene rijksregels slechts ten dele mogelijk. Bij de voorbereiding van het Bal heeft de regering zich de vraag gesteld, of het voor de activiteiten en effecten waarvoor de regels in grote mate afhankelijk zijn van de lokale situatie en dus ook lokaal verschillen doelmatig en doeltreffend is om toch rijksregels met maatwerkmogelijkheden te stellen, of dat het beter is het stellen van die regels door de gemeenten en waterschappen te laten plaatsvinden.
Gelet op het uitgangspunt “decentraal, tenzij” heeft de regering gekozen voor het stellen van regels primair in het omgevingsplan en de waterschapsverordening. Belangrijke reden daarbij is, dat de gemeente en het waterschap naast de mogelijkheid om in het omgevingsplan en de waterschapsverordening regels voor het hele grondgebied te stellen (zoals het Rijk het doet in algemene rijksregels), ook de mogelijkheid heeft om regels aan specifieke locaties te koppelen en direct op die locaties toe te spitsen.
Trechtering van type windturbinebepalingen Bij windparken speelt zowel het toepassen van preventieve maatregelen en beste beschikbare technieken, als toetsing aan milieugebruiksruimte een rol. In het planMer wordt voor alle mogelijke nadelige gevolgen voor het milieu die windparken kunnen veroorzaken allereerst beschouwd, of voor het desbetreffende onderwerp landelijke passende preventieve maatregelen of regels afgeleid van beste beschikbare technieken kunnen worden gesteld. Vervolgens wordt beschouwd of voor het stellen van regels voor de “restgevolgen”, ofwel het reguleren van de milieugebruiksruimte, het stellen van regels op rijksniveau voor de hand ligt, en zo ja, op welke wijze. De volgende vier situaties staan in de nota van toelichting bij het Bal: 1. Situatie 1: preventieve maatregelen zijn toereikend: Als de preventieve aanpak dusdanig succesvol is, dat van “restgevolgen” voor het milieu niet of nauwelijks sprake is, vervalt het belang van het regelen van die restgevolgen. De rijksregels hoeven dan geen concrete regeling van restgevolgen te bevatten. Mocht het in een individueel geval toch nodig zijn een aanvullende regel te stellen, dan kan dat als onderdeel van de vergunning. 2.
Situatie 2: aan de restgevolgen kunnen per activiteit landelijk regels worden gesteld, locatie specifieke aspecten spelen niet of nauwelijks een rol: De algemene rijksregels kunnen in deze situatie in aanvulling op de uitwerking van de preventieve aanpak een concrete regeling van de restgevolgen bevatten. Deze kan worden vertaald in een individuele verhouding tussen de activiteit en het te beschermen deel van de fysieke leefomgeving, en vervolgens vastgelegd in algemene regels van het Bal of instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 3. Situatie 3: locatie specifieke aspecten spelen een rol in een deel van de gevallen. De individuele regeling (situatie 2) kan wel als basis dienen, waarop maatwerk voortborduurt: Ook in deze situatie kunnen de rijksregels in aanvulling op de uitwerking van de preventieve aanpak een concrete regeling van de restgevolgen bevatten. Deze is vertaald in een individuele verhouding tussen de activiteit en het te beschermen deel van de fysieke leefomgeving. Het is duidelijk dat met die regeling in een deel van de gevallen geen adequate bescherming kan worden geboden, of de regels juist onnodig streng zijn. Voor de aanpak daarvan is het gewenst dat in bepaalde gevallen Pagina 40 van 42
Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMer Windturbinebepalingen Leefomgeving
4.
maatwerk kan worden toegepast. Dat kan, als die individuele regeling in het Bal is opgenomen, via vergunningvoorschriften of maatwerkregels. Het is ook mogelijk die individuele regeling via het Besluit kwaliteit leefomgeving vorm te geven, met ruimte in instructieregels. Situatie 4: locatie specifieke aspecten spelen een dusdanig belangrijke rol, dat een regeling gebaseerd op individuele verhouding nauwelijks zin heeft: In deze situatie beperkt de preventieve aanpak de restgevolgen onvoldoende. Het lukt ook niet om tot een uitwerking van de restgevolgen (vertaald in een individuele verhouding tussen activiteit en te beschermen deel van de fysieke leefomgeving) te komen, waarmee een substantieel deel van de problematiek zou worden gedekt. De aanpak van restgevolgen is aangewezen op maatwerk en loopt volledig via maatwerkregels in het omgevingsplan, in de waterschapsverordening of in de omgevingsverordening, dan wel via de vergunningprocedure.
Zienswijze Deze NRD en planMer dient opgesteld te worden omdat de gehanteerde normen onrechtmatig zijn en buitenwerking zijn gesteld en getoetst dienen te worden aan de vereisten gesteld in de SMBrichtlijn. De wettelijke regeling moet daarbij zo worden opgesteld dat de gezondheid optimaal wordt beschermd. Het is een ingewikkelde en gecompliceerde materie, waarbij het belangrijk is dat binnen Nederland eenduidigheid bestaat over de normen die voortkomen uit deze aan de SMB-richtlijn getoetste wettelijke regeling. Nederland heeft tot taak om het Unierecht te volgen en daarop wetgeving te controleren. Dit geldt ook voor lagere overheden, maar het Rijk dient daarbij de regie te voeren. Daarbij worden bovendien de normen als uitgangspunt voor een ieder gelijk. Hierdoor is er naar ons idee sprake van een kaderstellende functie vanuit het Rijk voor de lagere overheden. Binnen dit kader kunnen lagere overheden bij de vergunningverlening maatwerk verrichten die nodig zijn om de gezondheid binnen het effectgebied optimaal te waarborgen bij het verlenen van de omgevingsvergunning. Mits de aangepaste normen/maatwerk geen verslechtering inhoudt van de leefomgeving en gezondheid. Met andere woorden provincie en gemeenten hebben de ruimte om de normen gesteld in de wettelijke regeling aan te passen naar de lokale situatie door maatwerk, maar kunnen deze niet versoepelen.
Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor windturbines geldt een MER plicht vanuit het Unierecht. Wanneer de wettelijke regeling is getoetst aan de SMB richtlijn en een NRD/ planMer is opgesteld ligt er een kader voor de uitvoering. Bij de behandeling van een omgevingsvergunningaanvraag is een MER eveneens noodzakelijk om een afweging te maken of deze activiteit wel past op deze locatie. Dit houdt in dat voortvloeiend uit de planMer een soort handreiking voor lagere overheden dient te komen, over hoe zij in het vervolg de MER- plicht vorm kunnen geven zodat de milieueffecten op een juiste manier getoetst worden aan de SMB-richtlijn en daarbij bij het verlenen van de omgevingsvergunning voldoen aan het Unierecht. De wijze waarop de materie nu is beschreven, blijft een MER van de Rijksregels boven de markt hangen, evenals een MER bij de lagere overheden wanneer een omgevingsvergunning wordt aangevraagd. Het blijft te vaag en roept de vraag op of op enige manier een MER plicht verzuimd kan worden. Hierover kan kort gelegd worden dat het Unierecht een MER plicht oplegt. In deze NRD is beschouwd van welke situaties als hierboven bedoeld sprake is. Dit is weergegeven in figuur 14. Bij de conclusie dat sprake is van situatie 4 worden in beginsel in het planMer geen windturbinebepalingen op rijksniveau beschouwd. Dat is wel het geval als sprake is van situatie 1, 2 of 3.