CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

02.Schrijven CvM; Bijlage brief Verslag van een commissiedebat gehouden op 9 maart 2023 over Elektriciteitsnet energie-infrastructuur RES (2)

Gemeenteraad 10 juli 2024, gemeente NissewaardBij agendapunt: Lijst ingekomen stukken29.746 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Ten aanzien van het geld voor de netuitbreidingen hebben we met het Ministerie van Financiën een afsprakenkader opgesteld dat door kredietbeoordelaar S&P zodanig positief is beoordeeld dat de netwerkbedrijven daardoor 2,7 miljard euro minder eigen vermogen nodig hebben in de komende jaren. Dat helpt enorm, naast de kapitaalstortingen waar ik het net al over had. Daardoor kunnen de regionale netbeheerders ook meer vooruit investeren. In een vorig commissiedebat hebben we het al gehad over natuur en grondstoffen. De klimaattransitie vraagt om heel veel grondstoffen. We hebben het vandaag met name over windmolens en zonnepanelen, maar dat geldt ook voor elektrolysers, hybride warmtepompen en noem het allemaal maar op. De klimaattransitie lukt alleen maar als we niet alleen de CO2-tonnen proberen te verminderen, maar ook op een slimmere manier omgaan met de grondstoffen, want het gaat uiteindelijk om planetaire grenzen. Daarom ben ik ook heel blij dat ik deze week bij de Sociaal-Economische Raad met echt tientallen bedrijven het IMVO-convenant voor de wind- en zonsector heb kunnen sluiten, waarvan beter omgaan met grondstoffen naast arbeidsvoorwaarden, mensenrechten et cetera een heel belangrijk onderdeel is. Het zijn echt de

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 31 239, nr. 372

19

allergrootste spelers die zich daaraan committeren. Dit is wat mij betreft een voorbeeld voor andere sectoren. Ik ben ook zeer blij dat een consortium van Nederlandse bedrijven nu zegt – u heeft het denk ik allemaal gelezen deze week – dat Nederland dé hub moet worden voor wat betreft de productie van circulaire zonnepanelen. Wereldwijd lopen we daarin eigenlijk al voorop en we kunnen er de komende jaren enorm in opschalen. Hier liggen dus grote kansen. Tegen mevrouw Kröger zou ik dus willen zeggen: wij kijken echt of we via het Nationaal Groeifonds, maar ook via andere routes, juist dit soort hubs voor circulaire productie de komende jaren kunnen ondersteunen, omdat dat echt cruciaal zal zijn, ook voor het draagvlak van de energietransitie. Ook bij het punt van het personeel heeft bijna iedereen stilgestaan en het zat ook in de mooie drieslag van mevrouw Kröger. Het Actieplan Groene Banen is een actieagenda van meerdere ministeries om meer arbeidskrachten voor de energietransitie aan te trekken. Het gaat over het opleiden van jonge mensen, over zijinstromers, over mensen behouden voor de energiesector. Gelukkig zien we dat langzaamaan meer mensen kiezen voor die opleidingen en dat ook meer mensen willen zijinstromen. Ik was een tijdje echt bezorgd over de snelle uitstroom bij een deel van deze bedrijven, maar er wordt nu door de sector hard aan oplossingen daarvoor gewerkt.

Ik kom straks nog terug op de vraag van de heer Thijssen of er nog meer mogelijk is om mensen naar deze mooie sector te verleiden. Voorzitter. Dan wil ik nu naar de vragen over het laagspanningsnet gaan en daarna nog een paar zaken zeggen over de verduurzaming van de industrie in het kader van netcapaciteit. Zal ik deze punten nog afmaken? De voorzitter: Wat mij betreft wel. Minister Jetten: Over het laagspanningsnet. Het is zonet al gezegd en de heer Thijssen haalde het ook aan: er is door Alliander aan de bel getrokken dat ook op het laagspanningsnet de komende jaren problemen zijn te voorzien. Dat heeft te maken met de snelle elektrificatie in de gebouwde omgeving, met meer warmtepompen, laadpalen, zonnepanelen, en ook met de elektrificatie van de mobiliteitssector. Dat zijn allemaal ontwikkelingen die we natuurlijk met elkaar toejuichen, want ze zijn cruciaal voor de transitie naar de klimaatneutrale samenleving, maar huishoudens doen daarmee dus ook een groter beroep op het laagspanningsnet. Dat vraagt de komende jaren vier tot vijf keer meer capaciteit van het laagspanningsnet. Vier tot vijf keer meer. En het is in sommige gebieden nog veel forser dan die vier tot vijf keer, het ligt er maar net aan wanneer het net is aangelegd, wat daar de bestaande capaciteit voor is, et cetera.

Dat net uitbreiden in de binnenstad van Amsterdam is echt een stuk ingewikkelder dan in een nieuwbouwwijk. Samen met de netbeheerders en de medeoverheden waarmee we het Landelijk Actieprogramma Netcongestie hebben opgezet, heb ik nu afgesproken dat we het laagspanningsnet als thema toevoegen. Dat kan ik dus meteen toezeggen aan u allen, want u hebt daar allemaal naar gevraagd daarstraks. De landelijk coördinator gaat met alle betrokken partijen een specifieke analyse uitvoeren om de belangrijkste problemen en mogelijke oplossingen voor het laagspanningsnet in kaart te brengen. Daarbij zijn natuurlijk geen supersnelle oplossingen beschikbaar. Maar het belangrijkste is dat netbeheerders straks echt op wijkniveau sneller vooruit kunnen plannen en sneller kunnen gaan bouwen aan de verzwaring van dat net en dat we vooral ook de mensen in die wijken gaan helpen om dat net slimmer te gebruiken. U weet dat de Energiewet eraan zit te komen. Juist in die Energiewet komen straks heel veel mogelijkheden voor het delen van lokaal opgewekte energie met lokale

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 31 239, nr. 372

20

afnemers. Dat is in de wijk het geval, maar ook op bedrijventerreinen is het straks zo dat je lokale en regionale energiehubs kan creëren waardoor de uitwisseling van elektriciteit makkelijker wordt en je dus met elkaar minder te verstouwen hebt op het net. Op dit punt wil ik nog wel één ding benadrukken. Alliander trekt aan de bel en geeft een voorspelling voor de komende jaren, maar het is niet zo dat in Nederland vanaf volgende maand in het hele land de lampen gaan flikkeren omdat het laagspanningsnet het niet meer aankan. De betrouwbaarheid is op dit moment meer dan 99,99%. Dat is wereldwijd top of the bill, wil ik maar even zeggen. De netbeheerder slaagt er ook echt in om grote storingen en uitval tegen te gaan. Maar goed, we hebben de afgelopen jaren ook gezien dat elke voorspelling over de uitrol van zon en elke voorspelling over elektrisch rijden elke keer weer overtroffen werd. Dit gaat gewoon heel hard. Dus ja, meneer Erkens en alle anderen na u: ik ben bereid om het laagspanningsnet aan het Landelijk Actieprogramma Netcongestie toe te voegen. Er zijn misschien wat andere partijen bij nodig om dit goed uit te voeren. Ook de medeoverheden VNG en IPO zitten hier bovenop. Ik ben zelf niet bekend met het plan Vlaanderen dat de heer Erkens of de heer Thijssen aanhaalde. Daar zullen we dus naar kijken.

We hebben binnenkort weer een kennisuitwisseling met de collega’s uit Vlaanderen, dus dan nemen we dit meteen mee. Voorzitter. Dan weer even terug naar het hoogspanningsnet en het middennet. De overbelasting hangt voor een groot deel samen met de toenemende elektriciteitsvraag vanuit het bedrijfsleven. Ik zie daarbij wel echt veel kansen, want het bedrijfsleven is ook onderdeel van de oplossing. Minister Adriaansens van Economische Zaken en Klimaat zal binnenkort het Nationaal Programma Verduurzaming Industrie aan de Kamer aanbieden. In dat Nationaal Programma Verduurzaming Industrie zie je per industrieel cluster veel meer nauwkeurig wat het transitiepad gaat zijn naar een klimaatneutrale, circulaire industriecluster en de vraag naar elektriciteit die daarbij komt kijken. Dan moeten we vraag en aanbod dus veel beter op elkaar gaan afstemmen. Wanneer is een windpark op zee gereed? Over welk jaartal hebben we het dan? Waar landt dat dan aan? Hoe zorgen we er dan voor dat dat industriële cluster ook in dat jaar klaar is, om die groene elektronen van de Noordzee ook af te nemen? In de Cluster Energiestrategieën en in de maatwerkafspraken kun je daar ook wederkerige afspraken over maken, zoals mevrouw Kröger zei. Er is een inspanningsverplichting van mij en mijn team met alle bouwers van die windparken dat we op tijd klaar zijn met die parken en met de infrastructuur.

En er is een inspanningsverplichting van medeoverheden en bedrijfsleven om min of meer op hetzelfde moment klaar te zijn met de vergunningverlening en de ombouw van industriële installaties. Mochten we dan ergens uit de tijd lopen, dan hebben we dat Nationaal Programma Verduurzaming Industrie om dat beter op elkaar af te stemmen. We zijn bezig met het opbouwen van datasafehouses per industrieel cluster, zodat bedrijven op een veilige manier informatie kunnen uitwisselen. Dan kunnen we het delen van energie ook makkelijker maken. Er komen ook betere gebiedsregisseurs in het kader van het NP Verduurzaming Industrie die gaan helpen om vraag en aanbod te matchen. Via het MIEK en het provinciaal MIEK sturen we op de uitvoering van die projecten, waar de heer Boucke specifiek naar vroeg. Zoals u weet ben ik bezig met voorstellen om de MIEK-projecten en de provinciale MIEK-projecten een betere wettelijke borging te geven, vergelijkbaar met de MIRT-aanpak, zodat er ook meer zekerheid is over de financiering en de realisatie van die projecten. Een groot deel van de oplossing is flexibiliteit aan de afnamekant. De heer Boucke, mevrouw Kröger en de heer Thijssen hadden het daarover. U heeft alle drie gevraagd of ik bereid ben om er ook sterker op te sturen dat

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 31 239, nr. 372

21

er sprake is van flexibiliteit en om op een gegeven moment ook te gaan dwingen. Daar kijken we zeker naar. We kijken naar alternatieve transportrechten en herziening van de nettarievenstructuur. Je kunt financieel prikkelen met een hogere prijs, maar je kunt ook financieel prikkelen met financiële voordelen als je flexibeler bent. Wat voor mij een eyeopener was het afgelopen jaar, ook dankzij onze landelijk coördinator, die echt geweldig werk heeft verricht in Zuid-Nederland, is dat het gewoon begint met het gesprek aangaan en kennis helpen opbouwen. Veel bedrijven hebben al decennialang op een bepaalde manier geproduceerd en elektriciteit afgenomen; die was er altijd. Dan kun je dat niet van de ene op de andere dag flexibel gaan doen. Dat vraagt een heel ander bedrijfsproces en dat vraagt ook een cultuuromslag, zoals de heer Bontenbal beschreef. Ben Voorhorst heeft gesprekken gevoerd met een aantal bedrijven in Zuid-Nederland, waarvan ik de namen niet zal noemen. Als je gewoon de hele dag met dat bedrijf gaat zitten, en niet alleen met de board praat maar ook met de energieexperts in zo’n bedrijf, dan vallen zeg maar de oogkleppen af. Dan denken mensen: we kunnen door flexibeler af te nemen ons eigen bedrijfsproces verbeteren en er ook een betere businesscase uitslepen. Het begint dus echt met dat gesprek voeren, kennis vergroten en bedrijven ook heel gericht adviseren.

Volgens mij moeten de alternatieve transportrechten en de tarievenstructuur in de toolkit. Maar door te beginnen met het gesprek, betere informatievoorziening en die energiehubs waar mevrouw Kröger naar vroeg, kunnen we die flexibilisering al voor een heel groot deel voor elkaar krijgen. Bij de maatwerkgesprekken vragen we ook heel gericht door hoe men een meer flexibele afname voor elkaar kan krijgen in het verduurzamingsplan. Ik ben er bijna, voorzitter, in dit blok. De «first come, first served»methodiek hangt hier ook mee samen. De ACM heeft meer ruimte geboden om op een andere manier invulling te geven aan de volgorde van aansluiting. Daarmee is «first come, first served» niet volledig overboord gegooid, maar de ACM biedt nu meer ruimte om daarvan af te wijken. De ACM zegt daarbij dat netbeheerders en decentrale overheden als eerste aan de lat staan, maar ik voel met u wel aankomen dat er ook naar mijn ministerie zal worden gekeken om dat voor het hele land een beetje op dezelfde manier te doen. De ACM verwacht eind mei met een voorstel voor de codewijziging te komen. De ACM zal dat dan gedurende twaalf weken in consultatie brengen en alle belanghebbenden kunnen dus tot de zomer reageren. Ik denk dat na een jarenlange discussie nu een opening geboden is, maar het is nog niet zo dat er al een kant-en-klare oplossing op tafel ligt.

Dat zal echt in de komende maanden duidelijker moeten worden. Ik zal u zelf informeren. Ik denk dat we hier in het bestuurlijk overleg met de medeoverheden over van gedachten gaan wisselen en ook met de netbeheerders over van gedachten gaan wisselen. Ik zal u dus de komende tijd informeren over wat ik verwacht wat voor opvolging we aan deze ruimte die de ACM biedt, kunnen gaan geven. Ik hecht er wel aan te benadrukken dat de ACM primair de bal bij anderen dan bij mij heeft neergelegd, ook vanwege uitspraken van het Europees Hof over de rol die de ministers in Europa hierin te spelen hebben. Het Programma Energiehoofdstructuur komt dus in dit blokje. Het zit nu in mijn mapje. Dit is wel het grootste. Ik heb er nog twee. Mevrouw Kröger (GroenLinks): Het is nu wel erg veel. Het zijn wel heel veel onderwerpen. De voorzitter: Ja, maar u heeft ermee ingestemd. Het zijn nog twee blaadjes. Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 31 239, nr. 372

22

Toen hadden wij niet door dat ongeveer het hele debat in dit blokje viel. De voorzitter: Dan ga ik een compromis voorstellen, zoals u van mij gewend bent. Het ene kan bij de RES en het andere bij het PEH, denk ik. De Minister vindt wel een creatieve manier om het in een ander blokje te doen. Dan gaan we gewoon een rondje maken. Volgens mij was collega Erkens de eerste die net zijn vinger opstak. De heer Erkens (VVD): Ik ben blij dat de Minister het laagspanningsnet toevoegt aan het Landelijk Actieprogramma Netcongestie. Tegelijkertijd schrik ik er ook wel van dat de Minister zegt dat er vier tot vijf keer meer capaciteit nodig is de komende jaren op het laagspanningsnet. Als ik kijk naar de krapte op de arbeidsmarkt, de moeite waarmee we nu al eigenlijk de energieinfrastructuur uitbreiden, tempo erop zetten, maak ik me wel zorgen of het snel genoeg kan, of we het gaan bijbenen met elkaar. De Minister had het over 4 miljard aan investeringen in het net elk jaar. Hij had het erover dat TenneT nu uitgaat van meer extreme scenario’s en probeert voor te investeren, ook met toestemming van de ACM, die er nu iets anders inzit.

Is die 4 miljard per jaar genoeg de komende jaren? Heeft de Minister ook inschattingen op basis van de scenario’s, zowel van TenneT als van de regionale netbeheerders, van welke jaarlijkse investering nodig is en of de kapitaalinjecties die hij nu voor ogen heeft genoeg zijn? Het gevoel bekruipt me wel nog steeds dat we toch een beetje achter de feiten blijven aanlopen de komende jaren. Minister Jetten: Het zijn een paar vragen. Ik zal proberen om ze allemaal te beantwoorden. Ten aanzien van de uitbreiding van het laagspanningsnet: gelukkig is dat een ander soort uitbreiding dan die van het hoogspanningsnet, waarbij je vaak echt heel nieuwe lijnen moet trekken en een grote ruimtelijke impact hebt. Hier is de impact natuurlijk dat de straat een keer open moet, maar dan kun je wel in één keer heel veel doen. Door dat meer wijkgericht te doen in plaats van, zoals nu vaak, straat voor straat naar aanleiding van een melding, ga je daar ook veel meer vooruit uitbreiden. Ik heb deze week al gesproken met Bouwend Nederland, dat de komende tijd met de netbeheerders samen gaat kijken hoe de beschikbare capaciteit bij de aannemerij die hier goed in is veel beter ingezet kan worden.

Daar is de crux ook weer langjarige programmering, zodat, zoals de heer Thijssen eigenlijk zei, zo’n aannemer weet: ik heb gewoon de komende vijftien jaar een volle orderportefeuille, dus ik ga op een andere manier mensen aannemen en opleiden, inkopen, et cetera. Ik zal binnenkort terugkomen op hoe we daar juist ook in de uitvoering extra tempo in kunnen aanbrengen. De simpele vraag was of die 4 miljard genoeg is. Nee. Die 4 miljard was de afgelopen paar jaar de investering, maar dat is dus niet genoeg. Daarom is die kapitaalstorting van het Rijk in die regionale netbeheerders nodig en daarom is ook die andere aanpak vanuit TenneT nodig. Ik kan u over een aantal weken samen met TenneT informeren over over hoeveel miljarden het bij TenneT gaat, want dat moet eerst intern bij TenneT worden vastgesteld en daar moet de aandeelhouder, de Minister van Financiën, dan goedkeuring aan geven. U zult de komende tijd zien dat het echt om fors hogere bedragen gaat dan we de afgelopen jaren zagen. De heer Erkens (VVD): Wat betreft de route die de Minister voornemens is met TenneT, dus investeringen in hoogspanningsnet, wacht ik op de brief en de informatie die daarin staat. Is hij ook bereid om diezelfde toets te doen met de regionale netbeheerders? Want we doen nu inderdaad kapitaalinjecties,

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 31 239, nr. 372

23

maar het gevoel bekruipt me ook hier: gaan we de komende jaren niet nog meer nodig hebben en is het misschien ook noodzakelijk om er dan dit jaar voor te zorgen dat we daarop voorbereid zijn? Minister Jetten: Dat ben ik wel met de heer Erkens eens. Ik verwacht dat we de komende tijd ... Het verschilt een beetje per regionale netbeheerder hoe snel hun kapitaalruimte te beperkt is. Dat heeft met de financiële situatie van die netbeheerders te maken of met hun investeringsplan. Daarom was Stedin als eerste aan de beurt. Daar was de nood het hoogst. U zult op een gegeven moment per netbeheerder van mij en de Minister van Financiën horen: dit is de kapitaalstorting die voor deze regionale netbeheerder nodig is. U zult ook de komende tijd zien in jaarverslagen dat ook regionale netbeheerders nu al meer financiële ruimte aan het creëren zijn om die investeringen veel sneller te laten oplopen. Ik kan nu geen exacte bedragen noemen. Ik denk dat het goed is dat ik in mijn volgende brief op basis van de jaarverslagen en de investeringsplannen u daarover bijpraat. De voorzitter: Collega Boucke, tenzij mevrouw Kröger op dit punt wil doorvragen. Heeft u daar moeite mee, collega Boucke? Nee? Dan gaan we naar collega Kröger. Mevrouw Kröger (GroenLinks): Ik wil het toch nog even hebben over dit punt.

De zorg en de vraag zijn natuurlijk in hoeverre de investeringsplannen in lijn zijn met de doelen die we hebben voor elektrificatie. We hebben allemaal bij een aantal technische briefings gezeten waarin bleek dat dit op z’n minst vrij onduidelijk is. Daarmee kom je toch weer op het energiesysteem in 2050. Wat is de energievraag en wat zijn de investeringen die nodig zijn? En hoe kan deze Minister gaan sturen op de investeringsagenda van zowel TenneT als de regionale netbeheerders? Wat is daarvoor het strakke tijdpad? Want dat mis ik nog. Minister Jetten: Ik snap dat mevrouw Kröger het tijdpad nog niet helemaal voor ogen heeft, want dat moet ik in de komende tijd nog helderder maken. U noemde zelf het Expertteam Energiesysteem. Zij hebben in hun tijdelijke rapport inderdaad al een stip gezet wat betreft CO2-vrije elektriciteitsproductie, namelijk 2035. Het gaat dus niet om energieproductie, maar om elektriciteitsproductie. Ik publiceer voor de zomer het concept van het Nationaal plan energiesysteem. Daarin verwerk ik het definitieve advies van het expertteam, maar ik zal alvast een klein tipje van de sluier oplichten. Het jaartal voor CO2-vrije elektriciteitsproductie staat nu op 2050, maar dat zal fors naar voren moeten. U krijgt van mij in het tweede kwartaal een nieuw jaartal.

Dat nieuwe jaartal zal uiteindelijk moeten doorwerken in alles wat we doen, in het meerjarige investeringsprogramma, in het Programma Energiehoofdstructuur en in de investeringsplannen van de netbeheerders. We zitten goed qua timing, omdat er volgend jaar een grote herziening van de investeringsplannen plaatsvindt, volgens de reguliere cyclus. Als we in het komende halfjaar met elkaar kunnen vaststellen dat jaartal x het nieuwe jaartal wordt waarop we gaan sturen voor een CO2-vrij elektriciteitssysteem, dan zal alles wat daaronder hangt, daarna moeten worden doorgeakkerd. Voor het scenario van 1,5 graden zul je veel eerder een 100% CO2-vrij elektriciteitssysteem moeten hebben. Dat vraagt in de volle breedte om een versnelling van de investeringen. Het zal daarom om veel meer miljarden gaan dan de 4 miljard per jaar in de afgelopen jaren. Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 31 239, nr. 372

24

Oké. De eerste vraag is natuurlijk: wat is het jaartal waarin er een CO2-vrij elektriciteitssysteem moet zijn? De andere vraag is: op hoeveel elektriciteit richt je je systeem in? Dat is het punt dat mij het meest zorgen baart. We moeten heel flink elektrificeren en we hebben daarnaast de discussie over datacenters en andere sectoren die een grote elektriciteitsvraag hebben. Op een elektriciteitsvraag van hoeveel terawattuur richten we een CO2-vrij systeem in voor 2035 en welke investeringen horen daarbij? De meest prangende vraag die ik heb, is: welke middelen hebben deze Minister en de Minister van Financiën om ervoor te zorgen dat de investeringsagenda van TenneT daarmee in lijn is? Minister Jetten: Ik zal met dat laatste beginnen. Het grote voordeel van bijna al deze investeringen is dat ze rendabel zijn. Dat maakt mijn gesprek met de Minister van Financiën een stuk makkelijker. Dit zijn investeringen waar ook andere publieke financiers van houden: langjarige investeringen met een zeker rendement. Als we een goede onderbouwing hebben van de elektriciteitsbehoefte in de komende decennia en van het netwerk dat daarbij hoort, dan denk ik dat we wel uit de financieringsvraag zullen komen. Maar het moet wel goed onderbouwd zijn.

Het Nationaal plan energiesysteem wordt wel heel erg belangrijk, want de doorkijk waar mevrouw Kröger nu naar vraagt, moet ook uit het NPE gaan blijken. Als je alles gaat faciliteren, dan gaat het om heel veel elektronen en moleculen, die niet te produceren en niet te transporteren zijn. We zullen dus in de komende tijd scherpere keuzes moeten maken in de schaarste. Dan begint de trias energetica. Gaan we al die energievragen inderdaad faciliteren in de komende twintig jaar of moeten we eerst beginnen met energiebesparing? Daarbij komen de energiebesparingsdoelen weer om de hoek kijken en ga je andere gesprekken voeren met bedrijven die nu aan het verduurzamen zijn et cetera et cetera. In hun investeringsplannen moeten de netbeheerders rekening houden met de maakbaarheid van die plannen. Als je allerlei plannen gaat opschrijven terwijl je al van tevoren weet dat je daar niet de vergunningsruimte, de arbeidskrachten, de grondstoffen et cetera voor hebt, dan is een investeringsplan niks meer waard. Er is dus wel sprake van een maakbaarheidstoets. Via die maakbaarheidstoets kom je weer terug op het punt: verrek, er is nog steeds schaarste, dus we moeten opnieuw gaan prioriteren en programmeren. We moeten in die zin blijven sturen binnen de bandbreedtes, die hopelijk steeds kleiner worden omdat we met meer informatie gerichter kunnen sturen.

De voorzitter: Collega Thijssen op dit punt, toch? De heer Thijssen (PvdA): Ja, op dit punt. Als ik de Minister goed begrijp, krijgen we in het tweede kwartaal preciezer te zien wat er echt allemaal precies nodig is om, in dit geval, al die elektronen getransporteerd te krijgen. Dan begrijp ik dat Financiën niet het grootste probleem is, want voor het overgrote deel zijn het rendabele investeringen, dus dat moet goed gaan. Maar dan is de vraag of er nu genoeg wordt gedaan op materiaal en mensen om het voor elkaar te krijgen. Kan de Minister daarnaar kijken? Er gebeurt een heleboel. Ik heb de Minister ook complimenten gegeven over bijvoorbeeld het LAN, dus dat is echt wel goed. Maar volgens mij hebben alle collega’s er behoefte aan om in de vingers te krijgen van: we doen nu wat nodig is om dat ook te halen. Minister Jetten: Ik denk dat het goed is om nog even toe te voegen aan wat ik net al zei dat je in het Nationaal plan energiesysteem niet één voorspelling krijgt voor

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 31 239, nr. 372

25

hoe het er richting 2050 uit komt te zien, maar meerdere scenario’s. Het gaat om vier stromen. Zowel op elektronen als op moleculen als op warmte als op opslag – opslag is volgens mij de vierde die erin zit – krijg je verschillende scenario’s waarop we kunnen anticiperen. De investeringsplannen van de verschillende netbeheerders moeten tien jaar vooruitkijken. Zij moeten dus die tien jaar vooruit hun investeringsplan maken, waarbij het onder meer gaat om hun kapitaalbehoefte en de vraag of het maakbaar is. De heer Thijssen vraagt specifiek naar de grondstoffenschaarste. Die schaarste verschilt. Misschien mag ik even het netwerk op de Noordzee erbij pakken, want dat is denk ik het beste voorbeeld. TenneT is daar wereldwijd een van de grootste inkopers vanwege het tempo waarin wij wind op zee uitrollen. Dat gaat zowel om kabels als om transformatoren als om de aansluitingen. We hebben TenneT de afgelopen tijd maximale ruimte geboden vanuit EZK en Financiën om echt vooruit in te kopen en langjarige inkoopcontracten aan te gaan. TenneT heeft volgens mij deze week nog een aantal van die afgesloten contracten aangekondigd. Juist ook nu in het licht van de onderhandelingen met Duitsland zijn we de synergievoordelen van een gezamenlijke, Nederlands-Duitse inkoop aan het bewaken, omdat we de komende jaren met die maximale inkoopkracht verder kunnen. Er zijn altijd tegenvallers.

Er kwam bijvoorbeeld heel veel uit Oekraïne in de hele supply chain voor kabels. Daar zie je dat de markt zich opnieuw aan het settelen is, maar gelukkig wordt er ook geïnvesteerd in uitbreiding van productiecapaciteit in Nederland, waaronder in Twente, waar er kabelfabrieken bij komen. Als we dadelijk met de betere scenario’s en de aangescherpte investeringsplannen met de aannemerij al meerjarig vooruit kunnen programmeren, dan kunnen we dus ook betere inkoopcontracten gaan afsluiten. Over de arbeid heb ik vorige week nog gesproken met de netbeheerders. Zij geven aan meer aanwas te zien, zowel in jonge mensen als in zijinstroom. Het lukt ook beter om mensen binnen te houden. Waar je in het verleden nog zag dat mensen na twee, drie jaar toch weer de sector uitgingen, blijven mensen nu toch ook meer binnen. Maar we weten dat er nog gewoon duizenden vacatures zullen komen. Dat actieplan voor groene banen is dus cruciaal. Ik ga in juni met de FNV op werkbezoek om te kijken hoe we mensen die nu nog in fossiele sectoren werkzaam zijn, nog beter kunnen verleiden om voor de groene-energietransitie te kiezen. Ik kan me zomaar voorstellen dat de FNV ook met het idee van de baangarantie komt. Daar ga ik met haar over doorpraten. De heer Boucke (D66): Ik wilde heel even terugkomen op de feitelijke netcongestie versus de netcongestie op papier.

De Minister onderkent dat dit wel een issue is. Hij noemde Zuid-Nederland en geeft daarbij aan dat er maximale creativiteit voor nodig is. Kan hij aangegeven hoe dat eruitziet? Je wil bewerkstelligen dat gebieden van het slot af gaan. Ik vroeg me af hoe we dat zo snel als mogelijk kunnen doen. Kan de Minister aangeven hoe hij invulling geeft aan die creativiteit? Minister Jetten: Dat zit op twee dingen. Eén. Eigenlijk alles wat in het landelijke actieprogramma zit zo snel mogelijk uitvoeren. In een eerder debat hebben we ook gesproken met elkaar over de vraag of je kan handelen in de geest van de nieuwe Energiewet die eraan komt. Binnen de huidige wetgeving kan al heel veel met de inzet van opslag, met de inzet van energiedelen et cetera. De ACM speelt daarbij gewoon een belangrijke rol. Zij biedt in de gesprekken met netbeheerders en grote afnemers nu ook al meer ruimte. De laatste ontwikkeling is het nieuwe standpunt van de ACM: first come, first served. Dat is waarmee alle stakeholders met maximale creativiteit proberen binnen de huidige netcapaciteit het maximale mogelijk te

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 31 239, nr. 372

26

maken. Uiteindelijk zullen we in de nieuwe Energiewet gewoon veel meer van die wettelijke grondslagen moeten bieden, zodat dit nog veel sneller kan gaan. Ik weet niet of de brief u al heeft bereikt, maar ik heb per brief aan de Kamer gevraagd om zodra het kan die wet zo snel mogelijk te gaan behandelen met elkaar. Ik ben ook heel blij dat u daar speciale rapporteurs voor heeft aangesteld. Het is echt wel een heel dik wetsvoorstel en het zal ook niet makkelijk zijn om dat te behandelen met elkaar, maar goed, de noodzaak van die wet is denk ik duidelijk. De voorzitter: Zijn er nog vervolgvragen in dit eerste blok over netcapaciteit? Ja, mevrouw Kröger was eerst; dames eerst. Mevrouw Kröger (GroenLinks): Toch nog heel even over het gat tussen de energievraag enerzijds en de investeringsagenda van de netbeheerders anderzijds. Op dit moment rekenen ze op 180 tot 230 terawattuur in 2030, maar is er zicht op wat het gat is tussen de vraag en wat ze nu kunnen leveren? Als we weten wat het gat is, weten we ook wat erbij moet. Hoe gaan we daar dan op sturen? Minister Jetten: Ik ga hier sowieso op een later moment nog wat uitgebreider op terugkomen, maar er is een gat en het verschilt per scenario hoe groot dat gat is. Wordt elektrificatie de hoofdroute, dan is het gat vele malen groter dan wanneer warmte en opslag met groene moleculen ook een belangrijke rol gaan spelen.

Er is dus niet één antwoord op te geven, maar in het meest extreme scenario is het gat gewoon heel erg groot. Qua terawattuur ... Nee, dan moet ik het uit mijn hoofd gaan doen en laat ik dat niet doen. Ik ga even kijken of ik voor de tweede termijn wat dingen kan doen en anders moet het in de eerstvolgende brief die nog voor de zomer uw kant op komt. Laat ik dat doen, want anders ga ik uit mijn hoofd aantallen terawattuur noemen en dat is altijd onverstandig. Misschien zit er boven in het gebouw iemand die het weet, zodat ik zo meteen in tweede termijn een meer gedetailleerd antwoord aan mevrouw Kröger kan geven. Anders zeg ik toe dat ik daar in de volgende brief een nadere analyse van geef. Mevrouw Kröger (GroenLinks): Want volgens mij is er eerder een inschatting van de vraag gemaakt van 140 en ik begrijp dat het nu 180 tot 230 is. Dat is een flinke range. Dan is de vraag: maar hoeveel kunnen ze leveren? Hoe groot is het gat? Ik zou graag in tweede termijn een beeld hebben, want dat geeft ook een vrij directe indicatie van waar de investeringsagenda op geënt moet worden. Dan hoeven we niet te wachten op een energiesysteem 2050-document, wat zeker weer nieuw perspectief zal bieden, maar dit is nu al vrij urgent, dus het gat dat er is. Minister Jetten: Nu snap ik het zelf ook beter. Dank.

Ja, je hebt verschillende getallen in terawattuur wat de groei betreft van de vraag naar elektriciteit. Maar dat is niet per se een-op-een door te vertalen naar waar en hoe netcongestieproblemen zich gaan voordoen. Stel dat de toegenomen elektriciteitsvraag vooral zit in de industriële clusters aan zee, dan is dat best wel snel te faciliteren met de aanlanding van wind op zee. Maar als de elektriciteitsvraag in Chemelot, in allerlei nieuwe wijken of in nieuwe economische ontwikkelingen ergens in het land zit, dan krijg je netcongestie op het land en die is veel moeilijker op te lossen dan aan zee via aanlanding van wind op zee. Het vraagt dus wel een iets dieper inkijkje dan alleen maar in de getallen. Het verschilt dus per scenario, maar ik ga kijken wat ik u er in tweede termijn nog meer over kan vertellen en anders ga ik u vertellen wanneer ik het nog nader voor u kan schetsen.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 31 239, nr. 372

27

De heer Erkens (VVD): Ik hoorde de Minister ook aangeven dat hij rondom «first come, first served» in gesprek gaat met de medeoverheden en dat hij de Kamer uiteindelijk zal informeren over de uitkomst, maar ik heb er behoefte aan dat de Kamer wat meer wordt betrokken bij de besluitvorming. In de onderlinge debatjes zijn zorgen uitgewisseld. Hoe juridisch houdbaar is het? Tot welk niveau wil de Minister de criteria gaan uitwerken? Waar wil hij de bevoegdheid gaan beleggen? Is de Minister in ieder geval bereid om de Kamer een brief te doen toekomen met voorstellen, zodat wij die kunnen betrekken bij een volgend debat hier? Minister Jetten: Het punt is hier: ik ga er eigenlijk niet over en u eigenlijk ook niet. Ik denk dat het goed is ... Ik hoor mevrouw Kröger iets buiten de microfoon zeggen en ik snap dat. Wij hebben in Europa afgesproken dat de toezichthouder, de ACM, daar uiteindelijk over gaat, samen met de netbeheerders. Een betere toezegging aan de heer Erkens is denk ik dat ik op basis van wat de ACM heeft aangekondigd de afgelopen week even schets in een van de volgende brieven wat de uitspraak van de ACM betekent, wat het vervolg is dat de ACM daar met de netbeheerders aan geeft en wat de ruimte is die ik als Minister en u als Kamer hebben om daarover mee te praten en mee te beslissen.

Ik kan u hier niet toezeggen hoe ik daarover ga meebesturen en meebeslissen, want die ruimte zie ik op dit moment gewoon niet voor mijzelf, hoe gek we dat misschien ook allemaal vinden aan deze tafel. De voorzitter: En je kunt natuurlijk altijd bij de ACM gaan werken; dan heb je er meer invloed op. Maar dat is een ander punt. De heer Erkens (VVD): Ik hoor het antwoord van de Minister, maar ik vind het vrij absurd, want hier wordt een grote maatschappelijke afweging gemaakt. Ik zou de Minister wel willen meegeven om echt te gaan zoeken naar hoe we er toch grip op kunnen hebben, in ieder geval op de hoofdlijnen, of hoe we erover kunnen meebeslissen. Ik ben ook wel benieuwd wat de relatie is met de nieuwe Energiewet. Zitten daar misschien meer handvatten in om er in ieder geval ook politiek wat van te vinden als Kamer? Minister Jetten: Dat lijken me allemaal goede dingen om mee te nemen als ik daar in de volgende brief nader op inga. Zoals de heer Erkens volgens mij zelf in zijn eerste termijn of in een interruptie zei: de juridische houdbaarheid voor vooral lopende aanvragen en projecten vind ik relevant om mee te nemen. De voorzitter: Zullen we naar blokje RES gaan, Regionale Energiestrategieën? Tenzij meneer Thijssen nog een heel korte interruptie heeft.

De heer Thijssen (PvdA): Ik had nog een paar suggesties gedaan over de arbeid en over de mensen die het allemaal moeten gaan doen. De Minister zei: ik kom daar nog op. De voorzitter: Bij overig. De Minister over de Regionale Energiestrategieën. Minister Jetten: Voorzitter. We hebben nu volgens mij de crux van het debat net gehad, dus zal ik proberen zelf ook wat korter van stof te zijn. De Regionale

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 31 239, nr. 372

28

Energiestrategieën zijn een heel belangrijk onderdeel van het waarmaken van alles waar we het net over hebben gehad. Dat is immers het aanbod van de medeoverheden om hernieuwbare opwek op land mogelijk te maken als onderdeel van de route naar een CO2-vrij energiesysteem. Volgens mij zei de heer Bontenbal in zijn inbreng dat we gewoon de ruimte moeten bieden aan gemeenten en provincies om te doen waar ze goed in zijn. Daarop zat de vertegenwoordiger van het IPO heel nadrukkelijk te knikken op de tribune. Dat is precies de crux van het advies van Greetje Bos, waar de heer Thijssen en de heer Bontenbal naar verwezen. We hebben de afgelopen jaren gestuurd, zowel in ons beleid als wat betreft de beschikbare subsidie, op 35 terawattuur hernieuwbare opwek op land. Maar het aanbod van de medeoverheden in de Regionale Energiestrategieën ligt ver boven die 35 terawattuur en daarom heb ik ook in lijn met de motie-Bontenbal c.s. besloten dat we niet meer een plafond op de subsidie gaan zetten, maar gewoon gaan proberen om, zoals Greetje Bos ons adviseerde, het maximale te verzilveren van het aanbod dat de medeoverheden hebben gedaan. Hoe verder we boven die 35 terawattuur uit komen, hoe groter het deel dat we van de toekomstige groene elektriciteitsvraag hebben ingevuld.

Ga je meer doen dan 35 terawattuur – plannen maken is één ding, maar het uitvoeren is iets anders – dan levert dat in de samenleving vragen en spanningen op, want die projecten gaan ergens impact hebben op de fysieke ruimte. Je hebt omwonenden die daar dan wat van vinden. Het moet op een nette manier gebeuren. De heer Bontenbal vroeg: is het nog nodig om een landelijke zonneladder te hebben als de provincies inmiddels allemaal al een provinciale zonneladder hebben? Ik ben allereerst heel blij dat de provincies de afgelopen twee jaar zo snel een provinciale invulling hebben gegeven aan de voorkeursvolgorde zon-PV zoals ook in de NOVI is opgenomen. Je ziet ook dat als er nog sprake is van zon op land, er de afgelopen tijd veel beter wordt nagedacht over: waar kan het wel en waar kan het niet en wat zijn de randvoorwaarden die je daaraan verbindt? Samen met de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ben ik met de medeoverheden in gesprek om te kijken of we de voorkeursvolgorde zon-PV nog verder moeten verankeren in landelijk beleid en wetgeving. Dat zou bijvoorbeeld in de Omgevingswet kunnen. Maar goed, de medeoverheden hebben meteen al aangegeven: ga niet overdoen wat wij al hebben gedaan, maar benut vooral wat er op provinciaal niveau de afgelopen tijd is uitgewerkt.

Samen met de Minister voor VRO ga ik u voor het zomerreces per brief laten weten hoe dit landelijk wordt verankerd. De heer Bontenbal stelde nog een heel specifieke vraag. Hij zei: er zit nu 7 terawattuur aan kleinschalige zon-PV aan te komen de komen. Ja, dat mag je meetellen bij de doelstelling voor hernieuwbaar op land. We zijn nu niet voor niks in Europa nummer één en wereldwijd nummer twee qua kleinschalige zon-PV. Dat zit onder andere in dit succes. De heer Bontenbal vroeg ook: hoe voorkomen we dat we in het Programma Energiehoofdstructuur alleen naar de no-regretinvesteringen kijken? We kijken daarbij naar de gewenste ruimtelijke keuzes richting het energiesysteem 2050. Er zijn inderdaad al ruimtelijke ontwikkelrichtingen geschetst die no-regret zijn, maar er is natuurlijk veel meer mogelijk. In de analyses wordt ook aandacht besteed aan mogelijke ruimtelijke consequenties van andere systeemkeuzes. Het programma wordt ook periodiek geactualiseerd, zodat niet alleen het Rijk maar ook medeoverheden daarop kunnen anticiperen. Ik denk dat het ook echt helpt dat we weer ruimtelijkeordeningsbeleid voeren op landelijk niveau, want dan kun je veel meer over regio’s heen daar rekening mee houden. Mevrouw Kröger zei: het PBL schat nu dat voor hernieuwbaar op land – er is voor 46 terawattuur aan mogelijke projecten – de pijplijn afneemt.

Ik heb daarover met de medeoverheden gesproken. Het PBL heeft aangegeven dat vooralsnog het doel voor 2030 binnen bereik zit. Maar ja, de

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 31 239, nr. 372

29

pijplijn moet op een gegeven moment gevuld gaan worden met nieuwe projecten, want anders droogt het op een gegeven moment op. Daar is het advies van Greetje Bos heel erg belangrijk geweest, net als het verwijden van de cap op 35 terawattuur. U had het vorig jaar al voorspeld en we hebben dat uiteindelijk met de motie-Bontenbal gedaan. We hopen en verwachten daarmee wel dat de pijplijn de komende tijd weer gevuld gaat worden. Maar in mijn reguliere bestuurlijke overleggen met de medeoverheden in het Nationaal Programma RES staan we hier ook regelmatig bij stil. De heer Erkens vroeg, net als een aantal anderen: kan die Regionale Energiestrategie niet nog wat breder dan alleen maar de focus op wind en zon? Ik ben dat zeer met hem eens. Het richt zich primair op de doelstelling hernieuwbaar op land met bovenregionale afstemming in de warmtetransitie. Dat is ook gewoon de opdracht die we ooit bij de RES 1.0 aan de medeoverheden hebben gegeven, maar we zien dat steeds meer regio’s breder aan het kijken zijn. Zeeland doet dat met de gesprekken over uitbreiding van de nucleaire productie in Borssele en volgens mij was het de provincie Limburg die deze week nieuwe onderzoeken presenteerde over SMR’s, dus kleine nucleaire reactoren die kunnen helpen in de Regionale Energiestrategie. Die ruimte is er ook volledig. Ik sluit daarbij dus niks uit.

Als medeoverheden met goede plannen komen, dan kijken we hoe we daarbij kunnen faciliteren. Ik denk dat regio’s wel zitten te wachten op een van de uitwerkingen van het coalitieakkoord, namelijk de bijmengverplichting groen gas en de leidraad voor productielocaties voor groen gas. Dat gaan we volgens mij voor de zomer naar de Kamer sturen. De businesscase voor de groengasproductie wordt in één keer goed geregeld met die bijmengverplichting. Maar ik ben bijvoorbeeld ook in gesprek met de regio Twente, waar een aantal wethouders zeggen: geef ons nu iets meer richting ten aanzien van waar bijvoorbeeld mestvergisting op een goede manier kan worden ingepast, zodat de groengasproductie in de regio op een goede manier handen en voeten kan krijgen. Ik ben bijna aan het einde van dit blokje, voorzitter. We hebben nog de normen voor wind op land. Ik ben het eens met de heer Erkens dat hoe eerder die normen er zijn, hoe beter. Maar u weet ook, ik ga er niet over. Het is de Staatssecretaris van IenW die een onafhankelijk advies heeft lopen om tot nieuwe normen voor wind op land te komen.

De laatste stand van zaken is – ik heb mij laten vertellen dat dat echt niet sneller kan – dat de nieuwe normen naar verwachting voor de zomer 2023, dus voor aankomende zomer, ter inzage worden gelegd, zodat de Staatssecretaris van IenW daar later dit jaar over kan besluiten en de nieuwe regels begin 2024 ingaan. Dus over een paar maanden weten we in ieder geval de richting van de nieuwe normen. In de tussentijd moeten medeoverheden een extra toets doen op de inpassing van wind op land. Op het kwaliteitsbudget kom ik zo meteen terug, want ondanks dat ik op mijn telefoon lees dat het in het mapje RES zit, tref ik het daarin niet aan, zeg ik even tegen de ambtenaren die via de camera meekijken. De voorzitter: Die komt dan in het mapje overig terecht. Dit is het blokje RES. Mevrouw Kröger mag als eerste een vraag stellen. Daarna volgt collega Boucke. Mevrouw Kröger (GroenLinks): De opmerking dat nu kleine kerncentrales onder de RES gaan vallen laat ik maar even passeren, want dat is zo’n utopische onzin ... Goed, 2030. Ik hoorde de Minister zeggen dat het PBL zegt dat het doel binnen bereik is, maar dan heeft hij het neem ik aan over het doel van 35 terawattuur. Maar dat is een doel, en nu val ik in herhaling, dat achterhaald is, omdat het is gekoppeld aan 49% CO2-reductie en deze Minister schijnt te koersen op

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 31 239, nr. 372

30

60%. Dan blijft mijn vraag staan: hoeveel terawattuur op land wil hij voor 2030 realiseren, in lijn met die 60%? Minister Jetten: Eigenlijk hebben we dat hele aanbod van de medeoverheden nodig. Het klopt dat het bij de PBL-inschatting of we de doelen voor 2030 gaan halen met de projecten die nu in de pijplijn zitten, inderdaad gaat om 35 terawattuur. Als je ruim over die 35 terawattuur wil, in lijn met het advies van Greetje Bos, dan is dat gewoon nodig richting die doelen die we voor 2030 hebben. We gaan vooral met wind op zee de komende jaren de grote klapper maken, en in de loop van het volgende decennium met de eventuele uitbreiding van de nucleaire capaciteit. Maar de 35 tot 46 terawattuur die medeoverheden kunnen bieden, is een cruciaal onderdeel daarvan. De voorzitter: Ik zie mevrouw Kröger ... Minister Jetten: Maar ik ga dus op advies van Greetje Bos nadrukkelijk geen nieuw doel aan de RES opleggen. Daarvan zeggen ook de medeoverheden: doe ons dat niet aan, want dat leidt weer tot allerlei bestuurlijke rompslomp op lokaal en regionaal niveau, dus laten we vooral op projectbasis proberen de bottlenecks weg te halen om die projecten gewoon uitgevoerd te krijgen. De voorzitter: Ik zie mevrouw Kröger vragend kijken. Mevrouw Kröger (GroenLinks): Ja.

Het ene is een hard doel voor overheden neerzetten, maar het andere is om als te Minister zeggen: oké, voor 60% ga ik sturen of ik wil een bepaalde hoeveelheid op land opgewekt. Hoor ik hem nu zeggen dat het 35 tot 46 is? Of zegt hij: nee, ik ga echt wel sturen op die 46; dat probeer ik te bereiken? Iets meer plan, want die 60% krijgen we niet vanzelf. De voorzitter: Die krijgen we niet vanzelf, Minister. Minister Jetten: Nee, dat laatste klopt. Dat grenst aan het haalbare en het maakbare, zoals het PBL ook zegt. Ik ga dus nadrukkelijk geen nieuw hard afrekenbaar doel afspreken, want ik volg het advies van Greetje Bos. Willen we de klimaatdoelen richting 2030 halen, dan zou het heel mooi zijn als we die 46 terawattuur weten te verzilveren. Bij de ondersteuning van de medeoverheden en de openstelling van de subsidie in de komende jaren zal ik proberen daarin het maximale aan te bieden. De heer Boucke (D66): Ik had ook nog een vraag bij dit blokje over participatie en regels om te komen tot financiële participatie. Kan de Minister die nog beantwoorden? Oké, dat komt nog. De voorzitter: Die gaan we dan bij het blokje wind op zee, blokje vier, parkeren. Ik zet het er even bij, dus ik zal erop toezien dat het daar komt. De heer Erkens (VVD): Ik zal maar geen vragen stellen aan de Minister over kleine kerncentrales, maar ik ben blij om te zien dat onder andere D66 in Limburg er heel

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 31 239, nr. 372

31

enthousiast mee aan de slag gaat, dus wie weet wat dat voor potentie biedt voor de landelijke toekomst van kernenergie. Ik heb een vraag over de afstandsnormen bij wind op land. De conceptnormen worden voor de zomer ter inzage gelegd, zei de Minister. Zal daar ook een begeleidende brief van het Rijk bij zitten, zodat provincies en gemeenten handvatten hebben om er deels mee aan de slag te gaan? Anders voorzie ik nog verdere vertraging, dat er weer een halfjaar niks gebeurt. De voorzitter: Toen collega Erkens begon over SMR’s, vond de voorzitter het heel moeilijk om neutraal te blijven, maar dat zal hij wel doen. Minister Jetten: Dit moet ik even bespreken met de Staatssecretaris van IenW. Zodra zij de normen ter consultatie voorlegt, zullen die ook voor iedereen bekend zijn. Dat is voor de zomer het geval. Nu moeten medeoverheden projectspecifieke analyses maken die best wel uitvoerig zijn en daarmee ook veel waarborgen bieden voor de omgeving die zich zorgen maakt over de goede inpassing. Ik kan me ook voorstellen dat gemeenten niet staan te trappelen om al te gaan werken met een norm die nog niet formeel is vastgesteld. Binnenkort hebben de Staatssecretaris en ik een regulier bestuurlijk overleg over klimaat en energie, waar dit onderwerp ook op de agenda staat, en dan zal ik deze vraag van de heer Erkens meenemen.

De heer Thijssen (PvdA): Die kleine kerncentrales, die moeten we niet doen. Ik had een vraag gesteld over burgerinitiatieven die ook kunnen bijdragen aan het halen van de doelstelling. Soms worden die de pas afgesneden door commerciële partijen. Kan daar iets aan gebeuren? Ik weet niet of de Minister daarop ingaat bij de SDE of hier bij de RES. Minister Jetten: Voorzitter, excuses. We hadden net wat IT-problemen, maar ik kom nu in het blokje SDE terug op het kwaliteitsbudget, op de participatie, waar de heer Boucke naar vroeg, en ook op deze vraag van de heer Thijssen. Zal ik dat blokje dan maar meteen openen, voorzitter? De voorzitter: Ja, tenzij collega’s nog vragen over de RES hebben. Zo niet, dan gaan we inderdaad door naar dat SDE-blokje. Daarin neemt u het kwaliteitsbudget en de participatie mee. Minister Jetten: Eigenlijk gingen alle vragen namelijk vooral over deze drie thema’s en niet zozeer over de SDE zelf; dat had ik bij de inleiding wat nadrukkelijker kunnen zeggen. Ik begin gewoon bij de heer Thijssen. Hij vroeg in de eerste termijn heel specifiek of lokale initiatieven meer voorrang kunnen krijgen bij de toekenning van de vergunningen en de SDE-subsidies. Ik denk dat het idee van de heer Thijssen is om energiecoöperaties en projectaanvragen met mede-eigenaarschap gewoon meer kans te geven om die projecten daadwerkelijk te verzilveren.

Ik vind het eigenlijk best wel een interessante gedachte. Ik heb net de openstellingsbrief SDE++ 2023 gepubliceerd. Daar zit het dus nog niet in, maar voor de openstellingsronde in 2024 wil ik eigenlijk wel verkennen hoe ik dit idee van de heer Thijssen daar eventueel in zou kunnen verwerken, naast alles wat we al hebben gedaan om de subsidieregelingen voor energiecoöperaties verder te verbeteren. Daar kom ik dus in de brief over de SDE in 2024 op terug.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 31 239, nr. 372

32

Dat geldt ook voor de suggestie van de heer Boucke voor de imvo-eisen. De sector heeft nu zelf dat IMVO-convenant afgesloten. Dan is het ook goed om dat soort mooie initiatieven te ondersteunen en te belonen. Hoe dat dan precies moet, weet ik nog niet, maar ik zal dus ook in de brief over de SDE in 2024 schetsen hoe we dit IMVO-convenant en de imvo-eisen een betere plek kunnen geven in de toekenning van de SDE-subsidies. Ook zal ik in de beleidsbrief zon – ik ben namelijk samen met de Minister voor VRO een tweede zonnebrief aan het maken – alvast kijken hoe ik kan ingaan op de kansen die het IMVO-convenant biedt specifiek voor zonprojecten. De heer Boucke had ook gevraagd naar bewonersinitiatieven en de financiële participatie van bewoners. In het derde kwartaal komt de vierde monitor financiële participatie. Daarin wordt dit keer niet alleen maar gekeken naar de kwantitatieve participatie maar ook naar de kwalitatieve participatie. Het was volgens mij de heer Heerma die daar ook tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen bij heeft stilgestaan. Het is namelijk heel leuk als je qua aantallen projecten goed oploopt met die 50% participatie, maar als dat altijd kleine projecten zijn en er bij de grote projecten geen participatie is, vraag ik mezelf af welk doel we eigenlijk aan het nastreven zijn met elkaar.

De vierde monitor financiële participatie, die dus in het derde kwartaal komt, wordt dus heel erg belangrijk om met elkaar te wegen of we andere dingen moeten gaan doen om nog meer mede-eigenaarschap in de projecten mogelijk te maken. Dat geldt dan voor projecten op land, maar de heer Boucke en mevrouw Kröger vroegen of je ook op zee daar meer mee zou kunnen doen. Daar kom ik zo meteen bij wind op zee nog iets specifieker op terug. Tot slot ga ik nog in op het kwaliteitsbudget. Ik heb even goed zitten luisteren naar het interruptiedebat tussen mevrouw Kröger en de heer Boucke. Ik zal eerst het antwoord geven dat u eerder van mij schriftelijk heeft gekregen. Daarna zal ik mijn nieuwe inzicht naar aanleiding van dat interruptiedebat met u delen. Allereerst heb ik naar aanleiding van de motie een verkenning uitgevoerd. Daarvan was de uitkomst dat een kwaliteitsbudget bij sommige projecten meerwaarde zou kunnen hebben, maar in de praktijk is uit die inventarisatie gebleken dat het eigenlijk niet de belangrijkste bottleneck is. Daarom heb ik u eerder schriftelijk laten weten dat ik vooral op andere manieren aan het kijken ben hoe we met kwaliteit in de leefomgeving kunnen omgaan. Je kunt namelijk aan allerlei knoppen draaien.

Ik wil zelf in vergunningverleningen en subsidiebeschikkingen steeds scherpere kwaliteitseisen gaan stellen, zodat ecologie, circulariteit, biodiversiteit et cetera daar al veel meer in worden verankerd. Medeoverheden kunnen dat ook doen in de vergunningverlening. Op die motie heb ik toen geantwoord dat je zo eigenlijk op heel veel manieren de kwaliteit van de leefomgeving al kunt versterken. Geld in de vorm van een kwaliteitsbudget is dus niet hét issue bij lokale inpassing. Maar in het interruptiedebat net maakte u volgens mij allebei wel duidelijk dat het u veel specifieker gaat om ecologie en biodiversiteit. Daar zal ik gewoon meer huiswerk voor moeten doen. Bij wind-op-zeeaanlandingen hebben we bijvoorbeeld zo’n budget waarbij juist met vaak hele betaalbare projecten de biodiversiteit fors kan worden versterkt. U heeft mij beiden net getriggerd om nog een keer naar die motie te kijken. Ik noem het gewoon even een budget voor ecologie en biodiversiteit bij hernieuwbare-energieprojecten op land. Voor de zomer kom ik daar bij u nader op terug. De voorzitter: Eerst was collega Boucke nog. Hij had een vervolgvraag, maar als die al beantwoord is, ga ik naar mevrouw Kröger. De heer Boucke (D66):

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 31 239, nr. 372

33

Nee, die is niet beantwoord, voorzitter. Ik heb een paar vragen en ik begin met mijn vraag over dat IMVO-convenant. De Minister geeft aan dat hij daarmee aan de slag gaat. Ik dacht dat hij daarbij de SDE++ benoemde, maar ik noemde ook de maatwerkafspraken. Neemt hij het daar dus ook als voorwaarde voor op? Minister Jetten: Dan moet ik even checken of we het over hetzelfde hebben. Aan het IMVO-convenant dat deze week is afgesloten, heeft de SociaalEconomische Raad namelijk echt een paar jaar gewerkt met de wind- en zonsector. Dat gaat over maatschappelijk verantwoord ondernemen in de gehele keten van wind en zon. Dat gaat dus over waar de grondstoffen vandaan komen en over hoe je windturbines, bladen, palen, zonnepanelen et cetera produceert. Ook gaat het over hoe je omgaat met die installatie, hoe je omgaat met arbeids- en mensenrechten zowel in Nederland als in landen van herkomst en hoe je omgaat met circulariteit nadat een windmolen of een zonnepaneel zijn exploitatieperiode heeft gehad. Ik zie dus nog niet helemaal de link van de maatwerkafspraken met dit specifieke IMVO-convenant. Die maatwerkafspraken gaan namelijk echt over die 25 grote emitters die met de Minister van Economische Zaken en Klimaat gewoon goede maatwerkafspraken moeten maken.

Brede welvaart en verantwoord ondernemen zijn daarbij gewoon onderdeel van die gesprekken, maar dat is iets anders dan het IMVO-convenant dat we deze week hebben afgesloten. De heer Boucke (D66): Ik heb nog een korte vervolgvraag. Ik hintte namelijk meer op het volgende. Als je industrie hebt die ook zelf aan opwek wil doen, kun je mogelijk onderdelen van dit convenant wel daarvoor gebruiken. Dat wilde ik even meegeven aan de Minister. Ik was namelijk wel tevreden met zijn eerste antwoord, maar ik was ook vooral benieuwd hoe hij het voor de maatwerkafspraken wilde gebruiken. Minister Jetten: Ik ga er gewoon verder op kauwen. Het mooie is dat sommige van de partijen die onder de maatwerkaanpak vallen ook ondertekenaar van het convenant zijn omdat ze ook in de wind- en zonnebranche actief zijn. Het leeft dus ook al voor een groot deel bij die bedrijven. Mevrouw Kröger (GroenLinks): Ik vind het een klein beetje wonderlijk dat de Minister zich pas gedurende een interruptiedebatje realiseert dat deze motie over het beschermen van kwetsbare natuur en biodiversiteit gaat; dat is namelijk gewoon de tekst van de motie. Er is een studie uitgevoerd. Die hebben wij ook bekeken. Nou ja, «studie» is misschien een groot woord voor wat het is, maar goed. Ik kan daar in ieder geval niet uit concluderen dat geld niet een bottleneck zou zijn.

Een van de projecten die worden beschreven, is namelijk juist een project waarbij het door extra middelen mogelijk is geweest om een heel mooi project neer te zetten. Ik wil de Minister dus toch echt het volgende vragen. Er zijn zo veel mooie projecten die voortgang kunnen vinden. Met wat extra geld is het mogelijk om die kwaliteitseisen qua biodiversiteit en natuurinclusiviteit te borgen. Dat is wat je nodig hebt voor het draagvlak van energie op land. Nu komt er pas tegen de zomer weer een update, maar ik zou echt heel graag zien dat er als onderdeel van de voorjaarsbesluitvorming serieus wordt gekeken naar een kwaliteitsbudget, conform de motie zoals die is ingediend en aangenomen. Minister Jetten: Als ik het kan doen bij het voorjaarspakket, zal ik het dan al doen.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 31 239, nr. 372

34

De voorzitter: Dat is kort en krachtig. Meneer Thijssen, heeft u nog vragen over het derde blokje? Nee. Dan gaan we naar het vierde blokje: wind op zee. Minister Jetten: Voorzitter. De heer Erkens en de heer Thijssen hadden gevraagd naar de go-to areas. Ik probeer altijd te bedenken wat de Nederlandse vertaling daarvan zou kunnen zijn, maar dit zijn dus aanwijsbare gebieden waar je extra tempo kan maken met de energietransitie; zoiets zou de vertaling volgens mij zijn. Onder de derde herziening van de hernieuwbareenergierichtlijn, de RED III, zijn die go-to areas benoemd. Eind maart is naar verwachting de laatste triloog over dit onderwerp. Trilogen zijn overigens de onderhandelingen tussen de Europese Commissie, de Europese Raad en het Europees Parlement. Naar verwachting zal dus in die hernieuwbare-energierichtlijn worden vastgesteld hoe je op nationaal niveau gebieden kan aanwijzen waar je meer tempo maakt met hernieuwbare-energieopwekprojecten. Ik heb daar zelf ook altijd in de Europese gesprekken aan toegevoegd dat er niet alleen naar hernieuwbare-energieopwek gekeken moet worden maar ook naar uitbreiding van de energie-infrastructuur omdat dat eigenlijk minstens zo belangrijk is; zie het eerste blok van dit debat. Het lijkt te lukken om ook die energie-infrastructuur nadrukkelijker op te nemen in RED III.

Dat is dus een succes van de lobby van Nederland en een paar andere landen. Als RED III is vastgesteld, zullen we als Rijk samen met de provincies en de gemeenten moeten kijken hoe en waar we dan die go-to areas in Nederland aanwijzen. Dat zouden we dan hopelijk al in de tweede helft van dit jaar kunnen doen. Die RED III draagt bij aan een versnelde vergunningverlening. Daarbij spelen twee dingen mee. Eén: stikstofruimte. Het is namelijk heel fijn als je een vergunningverlening kan versnellen, maar als je dan alle vergunningen hebt behalve een stikstofvergunning, loop je nog steeds vast. Zoals ik u in het vorige debat al heb toegezegd, kom ik later nog met een aparte toelichting naar de Kamer van hoe de noodverordening van de Europese Commissie helpt om ook binnen de beschikbare stikstofruimte energieprojecten te vergunnen. Dat is dus geen nieuwe toezegging, maar een toezegging uit het vorige debat. Daar krijgt u binnenkort van mij en de Minister voor Natuur en Stikstof informatie over. In RED III zit ook de ruimte die de Europese Commissie biedt om ... Dat gaat over de Vogel- en Habitatrichtlijn: hoe kun je meer tempo maken in de vergunningverlening voor energieprojecten? Daarbij ga je soms iets sneller dan de Vogel- en Habitatrichtlijn eigenlijk van je vraagt, maar dan moet je dus andere manieren vinden om de instandhouding van die soorten op een goede manier te beschermen.

Ik ben met de Minister voor Natuur aan het kijken hoe we daar een goede balans in vinden. En die go-to areas zullen dus voor een groot deel op zee zijn. Mevrouw Kröger vroeg ook naar de waarschuwing van TNO over de rentabiliteit van de wind-op-zeeprojecten, ook in combinatie met de verduurzaming en elektrificatie van de industrie. Ik heb het net bij de netcapaciteit ook al gezegd, maar het is ontzettend belangrijk dat we hierbij vraag en aanbod in tijd en omvang bij elkaar gaan brengen. Het heeft namelijk geen zin om een groot deel van de Noordzee vol te zetten met windparken, als je vervolgens die groene elektronen niet kwijt kan. Dit hebben we net in het eerste blok volgens mij al gehad, maar hierbij moeten we er heel goed voor zorgen dat we via die clusterbenadering van de industriële clusters aan zee aanbod en vraag bij elkaar brengen. Bij de begrotingsbehandeling is hier ook een motie-Erkens/Boucke aangenomen die de Minister van Economische Zaken en Klimaat nu ook betrekt bij de maatwerkafspraken en bij die CES-aanpak. Mevrouw Kröger vroeg ook of we bij de tendering van wind op zee meer ruimte kunnen geven aan participatie van coöperaties. Volgens mij zijn er

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 31 239, nr. 372

35

verschillende vormen waarin dit kan. Dat kan met energiecoöperaties die een deel van de projectontwikkeling voor hun rekening nemen. Vroeger had je in Nederland een initiatief dat volgens mij «Meewind» heette. Maar je ziet het ook in een paar andere landen. Daarbij zit de participatie niet zozeer in de projectontwikkeling maar in de financiering en het eigenaarschap van die projecten op zee. Vanuit het Klimaatakkoord zijn hier in het verleden ook afspraken over gemaakt. Toen zagen ook heel veel partijen de meerwaarde van dat mede-eigenaarschap. Maar we zien dat in de praktijk natuurlijk vooral op land ontstaan en eigenlijk weinig bij die projecten op zee. Bij de tendering van wind op zee in de komende jaren – dit betrof ook een vraag van de heer Boucke – geef ik vooral aandacht aan ecologie en systeemintegratie, want dat zijn de twee belangrijkste lessen die we bij de komende tenders moeten trekken. Hoe kunnen we de ecologie op de Noordzee niet alleen maar beschermen maar zelfs verbeteren op plekken waar een windpark komt? En hoe kunnen we met systeemintegratie ervoor zorgen dat je op een slimme manier waterstof produceert of op een slimme manier de afname garandeert in die industriële clusters? Ecologie en systeemintegratie wegen daarbij het zwaarst mee in die tenders, zwaarder dus ook dan het financiële bod.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14378787/1