CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Zienswijzennota Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Nijmegen Bedrijventerrein De Grift en Rietgraaf e.o.

Besluitronde (raadsvergadering) 5 april 2023, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Nijmegen Bedrijventerrein De Grift en Rietgraaf (21/2023)20.820 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In het kader van de uitbreiding wordt een exploitatieplan opgesteld, waarmee het kostenverhaal verzekerd wordt. De bedrijven in het voorliggende plangebied profiteren inderdaad van de verbeterde bereikbaarheid. Omdat het voorliggende bestemmingsplan uitsluitend de bestaande situatie vastlegt, kunnen de kosten voor de aanpassing van de infrastructuur (buiten het plangebied) echter niet op de eigenaren in het plangebied verhaald worden. M.e.r.-beoordeling Voorliggend bestemmingsplan legt in hoofdzaak de bestaande situatie vast. Daarop geldt één uitzondering, namelijk het perceel Stationsstraat 53. Het gebruik van dit perceel wordt (deels) gewijzigd van agrarisch naar wonen en bedrijvigheid, voor zover dit passend wordt geacht in een gemengd woongebied. Het betreft slechts een beperkte gebruikswijziging van maximaal 500 m2 brutovloeroppervlak. Ondanks het feit dat dit slechts een beperkte gebruikswijziging betreft, is de conclusie in paragraaf 5.8 van de toelichting dat er geen vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft plaats te vinden, onjuist. De toelichting wordt op dit punt aangepast. Paragraaf 5.8 wordt als volgt gewijzigd, de conclusie blijft hetzelfde: 5.8 Milieueffectrapportage Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming

28

te betrekken. Om hier in de praktijk invulling aan te geven is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.-beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. Voorliggend bestemmingsplan legt in hoofdzaak de bestaande rechten c.q. situatie vast en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Het perceel Stationsstraat 53 vormt hierop een uitzondering. Ter plaatse worden de gebruiksmogelijkheden van het perceel gewijzigd van ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’ en bedrijvigheid in milieucategorie 3.2. De voorgenomen ontwikkeling is opgenomen in eerste kolom van de zogenaamde D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage. De beoogde gebruikswijziging kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject, maar blijft ruim onder de drempelwaarde. Dit neemt niet weg dat in dit geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Dit dient plaats te vinden aan de hand van drie criteria: 1. kenmerken van het project; 2. plaats van het project; 3. kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project Met het plan wordt beoogd de bestaande situatie op de bedrijventerreinen De Grift en Rietgraaf vast te leggen in een actueel juridisch-planologisch kader. Er is slechts één ontwikkeling c.q. gebruikswijziging voorzien.

Op de locatie Stationsstraat 53 wordt een bestaand agrarisch (bij)gebouw bestemd ten behoeve van bedrijvigheid tot en met milieucategorie 3.2. De bestaande agrarische bedrijfswoning wordt bestemd als een reguliere burgerwoning. Plaats van het project Het plangebied omvat de bedrijventerreinen De Grift en Rietgraaf, alsmede enkele omliggende gronden. Het gebied maakt onderdeel uit van de Waalsprong en ligt in het meest noordelijke deel van Nijmegen. Het perceel waar de beoogde gebruikswijziging plaatsvindt is gelegen aan de Stationsstraat (nummer 35) en kadastraal bekend als gemeenten Nijmegen, sectie E, nummer 203. Kenmerken van het potentiële effect. Op het perceel bevindt zich momenteel één agrarische bedrijfswoning en één agrarisch (bij)gebouw. Beide hebben een agrarische bestemming. In de nieuwe situatie wordt een afwijkend gebruik toegestaan. Het perceel wordt bestemd als ‘Wonen’ en het bijgebouw (en een deel van de aangrenzende gronden) wordt mede bestemd voor bedrijvigheid in milieucategorie 1 tot en met 3.2. De oppervlakte die kan worden aangewend voor bedrijfsmatige activiteiten bedraagt maximaal 500 m2 brutovloeroppervlak. Het plan valt in de categorie D 11.2 “aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” van de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage.

De drempelwaarden voor een m.e.r. voor deze activiteit zijn:  een oppervlakte van 100 hectare of meer,  een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of  een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De voorgenomen gebruikswijziging blijft ruim binnen deze drempelwaarden. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn verder in de toelichting van het bestemmingsplan diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Uit de afweging is gebleken dat er geen negatieve milieueffecten zijn te verwachten, waardoor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling of MER niet aan de orde is. Conclusie

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

29

Het potentiële effect door het voorgenomen bestemmingsplan kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een m.e.r. voor de aangevraagde activiteit noodzakelijk maakt. Water De gemeente herkent zich niet in de stelling van reclamant dat het gebruikelijk is in consoliderende bestemmingsplannen een waterbergingsnorm in de planregels op te nemen. Met het voorliggende bestemmingsplan worden inderdaad mogelijkheden geboden om bestaande bebouwing uit te breiden en/of te vervangen. In de bestaande situatie is bedrijventerrein De Grift echter vrijwel volledig verhard. Het water afkomstig van het bedrijventerrein wordt nu grotendeels afgewenteld op de watergangen ten noorden en oosten van het plangebied. Bij de uitbreiding van bedrijventerrein De Grift zal hier aandacht voor zijn. Het is niet reëel om een bergingsnorm gebaseerd op nieuwe inzichten los te laten op een bestaand bedrijventerrein. De zienswijze leidt derhalve niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Verkeer Dit punt is reeds beantwoord onder het kopje ‘ontsluiting’. De aanpassingen van rondom afslag 38 zijn mogelijk binnen het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Wel is voor de aanpassing van de Griftdijk een bestemmingswijziging nodig. Deze bestemmingswijziging is meegenomen in het bestemmingsplan voor de uitbreiding van bedrijventerrein De Grift.

Bouwhoogte De bouwhoogte voor mogelijke bebouwing op het perceel van reclamanten valt buiten de reikwijdte van dit bestemmingsplan, omdat het perceel van reclamanten buiten het plangebied ligt. Functieaanduidingen Functieaanduidingen zijn een legitieme manier om specifieke activiteiten te regelen, mits dit tegemoet komt aan een goede ruimtelijke ordening. Met het voorliggende bestemmingsplan worden de bestaande activiteiten op het bedrijventerrein voorzien van een passende bestemming. Er worden geen nieuwe (hinderveroorzakende) activiteiten toegestaan. De geldende beheersverordening staat bovendien bedrijvigheid in milieucategorie 4.1 toe. In veel gevallen is deze milieucategorie niet gerealiseerd, waardoor het bedrijventerrein onnodig veel milieugebruiksruimte heeft. Zodoende is in eerste instantie besloten de toegestane milieucategorieën in algemene zin terug te brengen tot milieucategorie 3.1 en bedrijven die hier niet binnen passen specifiek aan te duiden. Voortschrijdend inzicht heeft ertoe geleid om op het bedrijventerrein De Grift bedrijvigheid tot en met milieucategorie 3.2 toe te staan. Daarmee wordt meer recht gedaan aan het karakter van de aanwezige bedrijven. Bovendien sluit dit beter aan bij de toegestane milieucategorieën op de beoogde uitbreiding van bedrijventerrein De Grift.

Conclusie

Deze zienswijze heeft wel geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan. Paragraaf 5.8 van de toelichting wordt gewijzigd conform het hiervoor genoemde voorstel.

30

3.12 Reclamant 12 Inhoud zienswijze

De percelen van de inrichting van reclamant liggen in het plangebied. Op dit moment zijn op grond van de geldende bestemmingsplannen de activiteiten van reclamant planologisch toegestaan. Dit volgt onder andere uit artikel 3.1 lid a en b van bestemmingsplan Buitengebied Bemmel 1978 – 5 en uit artikel 3.1 lid a van bestemmingsplan Buitengebied Bemmel 1978 – 10. Daarnaast beschikt reclamant per 9 februari 2021 ten aanzien van de activiteit ‘shredderen en zeven van houtachtig groenafval’ over een omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan. Reclamant dient ten aanzien van het nieuwe bestemmingsplan in relatie tot de huidige bedrijfsactiviteiten twee zienswijzen in: Zienswijze 1 In het nieuwe bestemmingsplan zijn aan artikel 4.1 lid b de woorden ‘(geen chemisch afval)’ toegevoegd. Echter, reclamant geeft aan te beschikken over een omgevingsvergunning (onderdeel milieu) voor de op- en overslag van o.a. KCA, wat maakt dat deze milieuvergunde activiteit mogelijk in strijd is met het nieuw vast te stellen bestemmingsplan. Derhalve wordt verzocht deze toevoeging te schrappen. Zienswijze 2 Zoals eerder aangegeven beschikt reclamant ten behoeve van de activiteiten met een houtshredder sinds 2021 over een omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan.

Reclamant geeft aan dat er onduidelijkheid bestaat over hoeverre met deze activiteit thans rekening is gehouden in het nieuwe bestemmingsplan.

Beoordeling Zienswijze 1 Aanvullend onderzoek naar de aangehaalde omgevingsvergunning heeft uitgewezen dat reclamant inderdaad een kleine hoeveelheid KCA mag opslaan c.q. accepteren. Zodoende wordt de omschrijving van lid 4.1 sub b als volgt aangepast: “ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - aannemer grondverzetbedrijf en milieustraat’ tevens voor een bedrijf gespecialiseerd als aannemer, grondverzetbedrijf en milieustraat;” De toevoeging “c.q. afvalstort (geen chemisch afval)” komt daarmee te vervallen. De aangepaste formulering sluit beter aan bij de bedrijfsactiviteiten van het bedrijf. Zienswijze 2 Voor de activiteiten die de reclamant beschrijft is op 9 februari 2021 een omgevingsvergunning afgegeven Daarmee is het gebruik van een houtshredder voor het shredderen en zeven van houtachtig groenafval (onder voorwaarden) toegestaan. Het bestemmingsplan zal op dit punt gewijzigd worden. Aan de noordzijde van het perceel wordt conform het rode vlak in onderstaande afbeelding de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – houtshredder’ toegevoegd.

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

31

Lid 4.1 van de regels wordt uitgebreid met een nieuw sub d “ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – houtshredder’ tevens voor de op- en overslag van groenafval en een houtshredder.”. De overige subleden worden doorgenummerd. Daarnaast wordt de regeling voor toegestaan gebruik (sublid 4.3.1) aangevuld. Deze komt als volgt te luiden: 4.3.1 Toegestaan gebruik Het een gebruik in overeenstemming met deze bestemming wordt in ieder geval verstaan: a. Het gebruik van gronden voor een inpandige puinbreker, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – puinbreker’; b. de capaciteit bedraagt niet meer dan 100.000 ton per jaar; b. Het gebruik van gronden voor het shredderen van houtachtig groenafval met een houtshredder en een zeef, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – houtshredder’

Conclusie

Deze zienswijze heeft geleid tot de volgende aanpassingen van het bestemmingsplan.  Regels: lid 4.1 sub b wordt als volgt aangepast: “ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - aannemer grondverzetbedrijf en milieustraat’ tevens voor een bedrijf gespecialiseerd als aannemer, grondverzetbedrijf en milieustraat;” De toevoeging “c.q. afvalstort (geen chemisch afval)” komt daarmee te vervallen.  Verbeelding: aan de noordzijde van het perceel wordt de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – houtshredder’ toegevoegd.

32

Regels: lid 4.1 wordt uitgebreid met een nieuw sub d “ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – houtshredder’ tevens voor de op- en overslag van groenafval en een houtshredder;”. De overige subleden worden doorgenummerd. Regels: sublid 4.3.1 wordt als volgt gewijzigd: 4.3.1 Toegestaan gebruik Het een gebruik in overeenstemming met deze bestemming wordt in ieder geval verstaan: a. Het gebruik van gronden voor een inpandige puinbreker, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – puinbreker’; b. de capaciteit bedraagt niet meer dan 100.000 ton per jaar; b. Het gebruik van gronden voor het shredderen van houtachtig groenafval met een houtshredder en een zeef, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – houtshredder’

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

33

3.13 Reclamant 13 Inhoud zienswijze

Reclamant is eigenaar en bewoner van de bestaande woning aan de Stationsstraat 53 te Nijmegen. Naast deze woning ligt een onbebouwd agrarisch perceel van ruim 2 ha, welke wordt verpacht aan een andere agrariër. Op 2 mei 2019 is een brief aan de gemeente gestuurd met het verzoek het bestemmingsplan ter plaatse van het erf rondom de woning te wijzigen. Reclamant geeft aan dat het ontwerp dat nu ter visie ligt ter plaatse van het bestaande erf tot tevredenheid stemt. Echter, toch is er reden geweest om een zienswijze in te dienen. De zienswijze heeft betrekking op het perceelsgedeelte van ruim 2 ha. Reclamant maakt bezwaar tegen navolgende bepalingen: Bepaling 3.3 onder a Deze bepaling heeft betrekking op de gewenste spuitvrije zone rondom gevoelige bestemmingen. Reclamant stelt dat in de huidige bepaling twee veronderstellingen worden gedaan. Ten eerste dat deze zone altijd 50 meter is en voorts dat alle functies behoudens agrarische bedrijvigheid gevoelig zijn. Reclamant is van mening dat beide veronderstellingen een te grote en onnodige beperking op de agrarische grond van de opdrachtgever leggen alsmede een onnodige beperking ten aanzien van de mogelijke herontwikkelingsmogelijkheden voor aangrenzende gronden.

Reclamant licht dit vervolgens nader toe: Veronderstelling 1: is het 50 meter of toch minder? Reclamant geeft aan dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt niet onredelijk wordt geacht. Echter, het is mogelijk om deze afstand te verkleinen indien daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. Volgens reclamant is het dus niet noodzakelijk om dit zo te verwoorden in de regels. Reclamant geeft aan dat onder omstandigheden een kortere afstand dan 50 meter te motiveren is en verwijst voor de planologische oplossing naar de wijze waarop de gemeente Lingewaard dit onder artikel 6.5.3 heeft geïmplementeerd in het bestemmingsplan Buitengebied. Veronderstelling 2: zijn alle andere functies dan agrarische bedrijvigheid gevoelig? Reclamant stelt dat zoals het nu is verwoord, het erop neerkomt dat alle functies, behoudens agrarische bedrijvigheid, gevoelig zijn. Dat is niet het geval, wat maakt dat deze bepaling een onnodige beperking geeft. Reclamant geeft aan dat het beter is om de gevoelige functies in het bestemmingsplan te definiëren.

Opnieuw verwijst reclamant naar het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Lingewaard, ditmaal naar de bepaling in artikel 6.4.1 onder h, met dien verstande dat deze bepaling moet worden afgestemd op de werkelijke gevoelige functies binnen dit bestemmingsplan. Bepaling 3.3 onder c Reclamant verzoekt om deze bepaling uit de regels te verwijderen, gezien deze bepaling volgens reclamant aan gangbaar agrarisch gebruik in de weg staat en het bestaande gebruik zelfs onder de overgangsbepalingen zou brengen. Reclamant geeft aan dat er geen concreet uitzicht op bestaat dat het bestaande gebruik gedurende de planperiode wordt beëindigd, dus dit kan derhalve niet de bedoeling zijn.

Beoordeling Bepaling 3.3 onder a De gemeente Nijmegen kan zich vinden in de voorgestelde afwijkingsmogelijkheid en het nader specificeren van de aanwezige functies. Het bestemmingsplan wordt op dit punt aangepast. Dit betekent dat:

34

Aan artikel 3 wordt een nieuw lid 3.4 “Afwijken van de gebruiksregels” toegevoegd ten behoeve van het afwijken van het bepaalde in lid 3.3 sub a. De tekst van lid 3.4 komt als volgt te luiden: “Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.3 sub a ten behoeve van het verkleinen van de in dat artikel opgenomen afstand van 50 m, mits het gebruik niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat of van het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies.” Lid 3.3 sub a redactioneel wordt gewijzigd waarbij de bestaande tekst wordt vervangen door de volgende tekst: “de uitoefening van vollegrondsfruit- en/of boomteelt, behoudens bestaand gebruik van de gronden ten behoeve van vollegrondsfruit en/of boomteelt, binnen een afstand van 50 m tot de bestemmingsgrens van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies, zijnde de bestemmingsvlakken met de bestemmingen ‘Bedrijf’, ‘Bedrijventerrein’ en ‘Wonen’.

Bepaling 3.3 onder c De gemeente Nijmegen vindt het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen allerminst wenselijk omdat dit niet ten goede komt aan de biodiversiteit. Het verbod dat in lid 3.3 onder c is echter anders bedoeld en dient ter bescherming van de grondwaterkwaliteit. Om die reden wordt de bepaling in overeenstemming gebracht met de overige bestemmingsplannen binnen de gemeente. Dit betekent dat Lid 3.3 sub c als volgt wordt gewijzigd: ‘het gebruik van gronden ten behoeve van opslag van meststoffen, bestrijdingsmiddelen en daarmee naar aard en effect op de waterkwaliteit te vergelijken stoffen, voor zover schadelijk voor de waterkwaliteit;’.

Conclusie

Deze zienswijze heeft geleid tot de volgende aanpassingen van het bestemmingsplan:  Regels: aan artikel 3 wordt een nieuw lid 3.4 “Afwijken van de gebruiksregels” toegevoegd ten behoeve van het afwijken van het bepaalde in lid 3.3 sub a. De tekst van lid 3.4 komt als volgt te luiden: 4.3 Afwijken van de gebruiksregels Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.3 sub a ten behoeve van het verkleinen van de in dat artikel opgenomen afstand van 50 meter, mits het gebruik niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat of van het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies. 

Regels: lid 3.3 sub a wordt redactioneel gewijzigd waarbij de bestaande tekst wordt vervangen door de volgende tekst: “de uitoefening van vollegrondsfruit- en/of boomteelt, behoudens bestaand gebruik van de gronden ten behoeve van vollegrondsfruit en/of boomteelt, binnen een afstand van 50 m tot de bestemmingsgrens van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies, zijnde de bestemmingsvlakken met de bestemmingen ‘Bedrijf’, ‘Bedrijventerrein’ en ‘Wonen’.” Regels: lid 3.3 sub c wordt als volgt gewijzigd: ‘het gebruik van gronden ten behoeve van opslag van meststoffen, bestrijdingsmiddelen en daarmee naar aard en effect op de waterkwaliteit te vergelijken stoffen, voor zover schadelijk voor de waterkwaliteit;’.

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

35

3.14 Reclamant 14 Inhoud zienswijze

Vierboom Trucks, een groothandel in onder meer vrachtauto’s, is sinds eind 2013 gevestigd aan de Koopmansweg 1a, gelegen op het bedrijventerrein De Grift. Het ontwerpbestemmingsplan geeft aan reclamant de aanduiding “specifieke vorm van bedrijventerrein – groothandel in vrachtwagens”. Het ontwerpbestemmingsplan koppelt vervolgens een uitsterfregeling aan deze aanduiding. Reclamant is het niet eens met de opgelegde uitsterfregeling en voert de volgende gronden aan. Legaal aangevangen gebruik In paragraaf 2.1.1 van de toelichting is opgenomen dat Vierboom Trucks een groothandel in vrachtwagens is met SBI-code 45192. Het bedrijf past volgens de toelichting niet binnen de geldende bestemming en is daarom specifiek bestemd door middel van eerder genoemde aanduiding. SBI-code 45192 omvat specifiek: Groothandel in zwaardere bedrijfsauto’s (geen import van nieuwe), zoals in vrachtauto’s, bestelauto’s, autobussen, rijdende winkelwagens; Algemene reparatie en onderhoud van bedrijfsauto’s, wat overigens niet plaatsvindt bij Vierboom Trucks. Het vigerende bestemmingsplan Oosterhout-Bedrijventerrein 1995 dateert van 1995. Ten tijde van het opstellen van de Staat van bedrijfsactiviteiten was er geen onderverdeling binnen categorieën. Alle bedrijven met categorie 3 (3.1 en 3.2) kenden dezelfde aanduiding.

De SBI-code 45192 is gekoppeld aan categorie 3.2 wat betekent dat Vierboom Trucks qua categorie past binnen de toegestane categorieën op grond van het bestemmingsplan uit 1995. Volgens artikel 4 van dit bestemmingsplan staat immers percelen met bestemming “B4” de categorieën 1, 2, 3 en zelfs 4 toe. Ook staat de Staat van bedrijfsactiviteiten veel te vergelijken bedrijven toe binnen categorie 3.1. De activiteiten van Vierboom Trucks zijn ook om die reden in overeenstemming met het bestemmingsplan uit 1995. Het ontwerpbestemmingsplan is onzorgvuldig tot stand gekomen. Vertrouwensbeginsel Dat sprake is van aangevangen legaal gebruik volgt uit mailcorrespondentie uit 2013 met de Omgevingsdienst Regio Arnhem (ODRA). In de mailwisseling geeft de ODRA aan dat de reclamant voldoet aan de doeleindenomschrijving van artikel 4 van het bestemmingsplan Oosterhout-Bedrijventerrein 1995. In de mailwisseling heeft de ODRA vervolgens gesteld dat de reclamant zou kunnen vallen onder SBI-code 72 (wegvervoer), specifiek 72.3 of 72.49. De ODRA geeft aan dat discussie mogelijk is, omdat de reclamant in principe maar onder één activiteit van de Staat van bedrijfsactiviteiten hoeft te vallen om toegestaan te zijn. De reclamant beroept zich daarom op het vertrouwensbeginsel. In eerste instantie is er sprake van een toezegging, of in ieder geval van een toerekenbare schijn van een toezegging.

In de mail komt duidelijk naar voren dat de reclamant onder het bestemmingsplan uit 1995 past. In de tweede plaats blijft de uitleg van het bestemmingsplan bestaan. Elk redelijk denkend burger zou geen omgevingsvergunning aanvragen als dit niet nodig was. Het feit dat in de mail wordt gezegd dat dit meer zekerheid zal geven, is buitengewoon bijzonder. Het volstaat dat de activiteit in het bestemmingsplan past. Indien wel sprake zou zijn van een illegaal aangevangen gebruik ligt de keuze voor een uitsterfregeling ook minder voor de hand. Voor illegaal gebruik is een uitsterfregeling gunstiger – want zaakgebonden – dan bijvoorbeeld persoonsgebonden overgangsrecht. Er kan bij illegaal aangevangen gebruik volgens de Afdeling – hoewel misschien niet in lijn met de wetgever – alleen gekozen worden voor een uitsterfregeling als het gaat om een

36

algemene uitsterfregeling. Een eenduidige regeling zorgt voor rechtszekerheid en handhaafbaarheid. In de aangehaalde uitspraak van de Afdeling overweegt de gemeenteraad dat persoonsgebonden overgangsrecht niet aan een rechtspersoon – zoals het bedrijf van de reclamant – gekoppeld kan worden. Hieruit blijkt dat rechters casuïstisch toetsen aan de regelgeving. Uitsterfregeling Reclamanten zijn het niet eens met de in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen uitsterfregeling, specifieke de functieaanduiding en de daaraan gekoppelde gebruiksregel (artikel 7.3.5). In hoofdstuk 8 (Retrospectieve toets) worden verschillende situaties voor verschillende adressen onderscheiden. Het bedrijf van de reclamant valt onder de situatie waarbij er een nieuwe bestemming wordt gegeven waarmee de strijdige situatie gelegaliseerd wordt. De gemeenteraad moet bij het opnemen van een uitsterfregeling motiveren waarom dit vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is. Ook zal moeten worden onderbouwd dat het gebruik – gezien de uiteindelijk gewenste planologische situatie – op de duur toch ongewenst is. Het bevoegd gezag heeft nagelaten te motiveren waarom de uitsterfregeling aanvaardbaar is. Waarom het bedrijf van de reclamant niet zou passen op het bedrijventerrein is niet uiteengezet. Dit duidt op willekeur van de gemeente Nijmegen, hetgeen verboden is.

Te meer nu voor vier van de tien bedrijven met een specifieke aanduiding een uitsterfregeling is opgenomen, zonder nadere concrete toelichting. De gemeente Nijmegen voert een algemene toetsing uit voor het ontwerpbestemmingsplan. Vrachtautobedrijven zijn niet gewenst op bedrijventerrein De Grift, omdat dit niet ‘passend’ is qua uitstraling. Het vooroordeel van louche bedrijven in dezelfde branche is allerminst van toepassing op het bedrijf van de reclamant. In de staat van bedrijfsactiviteiten staan veel vergelijkbare bedrijven die worden toegestaan binnen de bestemming Bedrijventerrein zoals verhuurbedrijven voor transportmiddelen (excl. personenauto’s). Nu het bedrijf van reclamant legaal is aangevangen moet zij ook op deze wijzen bestemd worden, zonder opname van een uitsterfregeling. Opmerkelijk is dat in toelichting in paragraaf 4.2 ook vermeld staat dat meerdere bedrijven, waaronder het bedrijf van de reclamant, hebben aangegeven plannen te hebben voor (her)ontwikkeling bij of op het bedrijfsperceel. Het opnemen van een uitsterfregeling wekt dan ook een verkeerde indruk. Reclamant kan niet begrijpen dat er geen ruimte is in de gemeente Nijmegen voor een lokaal hard groeiend bedrijf. Tijdens de informatieavond is aangegeven dat de provincie op de locatie voor uitbreiding van De Grift o.a.

logistieke bedrijven wil toestaan gelet op de provinciale uitgangspunten (vestigen XXL-logistieke bedrijven en werkgelegenheid). Het bedrijf van de reclamant sluit hier goed bij aan doordat het gericht is op de lokale markt en medewerkers in dienst heeft uit de zogenaamde kaartenbak van de gemeente Nijmegen en bijvoorbeeld 65-plussers. Hiermee creëert het bedrijf werkgelegenheid. Qua uitstraling is het bedrijf vergelijkbaar met logistieke bedrijven, maar heeft minder verkeersbewegingen. Het bedrijf maakt onderdeel uit van het logistieke proces, door vrachtwagens te leveren voor logistieke bedrijven. Al met al een geschikt bedrijf voor de uitbreidingslocatie van De Grift. Beleidskader De gemeente wijst in de toelichting op het relevante provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Reclamanten zijn van oordeel dat de uitsterfregeling niet op dit beleid gestoeld kan worden. De wijze waarop het bedrijventerrein bijdraagt aan dit beleid wordt niet benoemd. Daarnaast wordt er in de toelichting aangegeven dat het Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen 2021-2024 (RPW) het kader is voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen terwijl er in paragraaf 3.3. wordt aangegeven dat er geen regionale afstemming nodig is.

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

37

Uit het RPW volgt niet dat bestaande bedrijven zoals het bedrijf van de reclamant moeten wijken voor XXL-logistiek en is niet af te leiden dat het bedrijf niet gesitueerd mag zijn in de omgeving van (toekomstig) XXL-logistiek. Het opnemen van een uitsterfregeling is daardoor niet conform het van toepassing zijnde beleidskader. De Gebiedsvisie De Grift 2020 geeft het ontwikkelperspectief aan voor bedrijventerrein De Grift. De focus ligt hierbij niet alleen op het uitbreidingsgebied maar ook op het bestaande bedrijventerrein. In tegenstelling tot deze visie ontbreekt een ontwikkelvisie voor het bedrijf van de reclamant. Het opnemen van een uitsterfregeling bij elk bedrijf, dat volgens de gemeente op basis van vooroordelen niet past binnen de wensen, is onredelijk en geenszins een goede ruimtelijke onderbouwing. Aangezien de huidige eigenaar nog zeker 25 jaar het bedrijf kan aanhouden is, zorgt dit toekomstperspectief ervoor dat de nuttige werking van de uitsterfregeling ontbreekt waardoor er geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het ontwerpbestemmingsplan is onvoldoende gemotiveerd, onzorgvuldig tot stand gekomen en daarmee in strijd met artikelen 3:2, 3:4 en 3:46 Awb. In de besluitvorming is sprake van een onevenwichtige belangenafweging.

Beoordeling Legaal aangevangen gebruik De aanleiding voor het opstellen van dit bestemmingsplan is met name het vastleggen van de bestaande situatie op het bedrijventerrein, alsmede de wens om te komen tot een uniforme en actuele bestemmingsregeling. Het bestemmingsplan uit 1995 staat inderdaad bedrijvigheid in milieucategorie 4.1 toe. In veel gevallen is deze milieucategorie echter niet gerealiseerd, waardoor het bedrijventerrein onnodig veel milieugebruiksruimte heeft. Zodoende is in het ontwerpbestemmingsplan besloten de toegestane milieucategorieën in algemene zin terug te brengen tot milieucategorie 3.1 en bestaande bedrijven die daar niet binnen passen te voorzien van een specifieke functieaanduiding, al dan niet gekoppeld aan een uitsterfregeling. Voortschrijdend inzicht heeft ertoe geleid op het bedrijventerrein De Grift bedrijvigheid tot en met milieucategorie 3.2 toe te staan. Daarmee wordt meer recht gedaan aan het karakter van de bedrijven op het bestaande bedrijventerrein De Grift. Bovendien sluit dit beter aan bij de toegestane milieucategorieën op de beoogde uitbreiding van bedrijventerrein De Grift. Het bestemmingsplan wordt op dit punt aangepast. Uit nader onderzoek volgt dat de bedrijfsactiviteiten van de reclamant - de handel in vrachtauto’s - passen binnen milieucategorie 3.2 en legaal zijn aangevangen (zie ook volgend punt).

Omdat de bedrijfsactiviteiten niet expliciet genoemd worden in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, wordt de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijventerrein – groothandel in vrachtwagens’ gehandhaafd. Lid 7.1 sub g komt als volgt te luiden: “ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - groothandel in vrachtwagens' tevens voor het stallen en de handel in vrachtwagens;”. Het bestemmingsplan wordt op dit punt aangepast. Vertrouwensbeginsel De mail waarnaar de reclamant verwijst betreft een uitleg van het bestemmingsplan en geen besluit of toezegging. Dit is ook nadrukkelijk vermeld in de betreffende mailwisseling. De Staat van Bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in het bestemmingsplan Oosterhoutbedrijfsterrein 1995 laat ruimte voor interpretatie. Daarmee is er wellicht sprake van rechtsonzekerheid, maar geen schending van het vertrouwensbeginsel. Uit de mailwisseling volgt immers nadrukkelijk dat wanneer de reclamant zekerheid had gewenst, hij destijds een omgevingsvergunning had moeten aanvragen. Daarmee had de reclamant de rechtsonzekerheid kunnen wegnemen. De gemeente volgt de redenatie in de mail uit 2013 en bevindt zich momenteel op het standpunt dat de bedrijfsactiviteiten van

38

de reclamant bij aanvang van de activiteiten geschaard konden worden onder de SBI-code 72.49 ‘wegvervoer verwante bedrijven n.e.g.’ en dus legaal zijn aangevangen. De activiteiten van het bedrijf passen binnen milieucategorie 3.2 en worden passend geacht op bedrijventerrein De Grift. Om deze reden wordt het bedrijf positief bestemd en komt de uitsterfregeling te vervallen. Uitsterfregeling Uit nader onderzoek volgt dat de bedrijfsactiviteiten van de reclamant legaal zijn aangevangen en passend zijn binnen milieucategorie 3.2. Om deze reden komt de uitsterfregeling te vervallen. Concreet houdt dit in dat sublid 7.3.5 van de regels komt te vervallen. Het bestemmingsplan wordt op dit punt aangepast. Beleidstoetsing Het RPW heeft geen directe consequenties voor het voorliggende bestemmingsplan, maar agendeert wel een aantal opgaven voor bestaande bedrijventerreinen, waaronder duurzaamheid en de energietransitie. Hetzelfde geldt voor de gebiedsvisie De Grift uit 2020. Ten aanzien van het bestaande bedrijventerrein De Grift wordt ingezet op de volgende ambities:  groei en bloei van het bestaande bedrijfsleven  versterken van de bestaande functies  het gesprek aangaan met ondernemers over hun wensen Er ligt met name een opgave om de uitstraling van het bestaande bedrijventerrein te verbeteren en de bedrijfsgebouwen te verduurzamen.

We willen bestaande bedrijven zo veel mogelijk faciliteren, maar (grootschalige) detailhandel op het bedrijventerrein vinden we niet passend. De verkeersstructuur van het bedrijventerrein is hier niet op berekend en op basis van het RPW bestaat de wens om grootschalige detailhandel zoveel mogelijk te concentreren in zogenaamde concentratiegebieden. De Grift en Rietgraaf zijn niet als zodanig aangewezen. Voor solitaire detailhandelsfuncties op bedrijventerreinen hanteert het RPW de lijn om het gebruik na bedrijfsbeëindiging te bevriezen. Dit betekent dat de bestaande vestiging en het bestaande gebruik wordt gehandhaafd, maar er geen vierkante meters detailhandel toegevoegd mogen worden. Bedrijfsopvolging is op grond van het RPW toegestaan, zolang de locatie in gebruik blijft voor dezelfde functie. Het gaat om voortgezet identiek gebruik (dezelfde soort perifere detailhandel). De gemeente Nijmegen wenst na bedrijfsbeëindiging van perifere detailhandelsvestigingen op bedrijventerrein De Grift en Rietgraaf, de betreffende functie expliciet onmogelijk te maken. Dit volgt ook nadrukkelijk uit de gebiedsvisie voor De Grift. Zoals hiervoor reeds vermeld is dit voor het bedrijf van de reclamant niet langer van toepassing. De uitsterfconstructie voor het bedrijf van de reclamant komt te vervallen.

Conclusie

Deze zienswijze heeft geleid tot de volgende aanpassingen van het bestemmingsplan:  Regels: lid 7.1 sub g komt als volgt te luiden: “ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - groothandel in vrachtwagens' tevens voor het stallen en de handel in vrachtwagens;”.  Regels: sublid 7.3.5 van de regels komt te vervallen.

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

39

3.15 Reclamant 15 Inhoud zienswijze

Reclamant voert een aantal punten aan Bestemmingsplancategorie Reclamant merkt op dat voor alle percelen de enkelbestemming ‘ Bedrijventerrein’ geldt. De huidige en toekomstige activiteiten van reclamant zijn niet terug te vinden in de Staat van bedrijfsactiviteiten, waar deze bestemming zich tot beperkt. Derhalve stelt reclamant voor om voor zijn percelen een functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijventerrein productie, reparatie en verhuur van containers’ te geven. Om er zeker van te zijn dat alle activiteiten hieronder vallen kunnen in de definitie van deze functieaanduiding alle werkzaamheden van reclamant (verhuur, de reparatie en productie van containers, perscontainers en de opbouw van vrachtwagens (opbouw vaste persen, autolaadkranen, afzetsystem, zijladers en carrosseriebouw) op een inpandig productieoppervlakte groter dan 200 m2.) worden opgenomen. Daarmee is een verhoging van de milieucategorie niet noodzakelijk, maar worden de huidige en toekomstige activiteiten van reclamant wel positief bestemd. Stapelhoogte goederen Reclamant stelt dat in artikel 4.3.2 een maximale stapelhoogte opgenomen is van 5 meter voor het stapelen van goederen op onbebouwde grond. Voor reclamant is het noodzakelijk om op het buitenterrein containers te stapelen tot een maximale hoogte van 6,50 meter.

Derhalve verzoekt reclamant dit artikel zodanig te wijzigen dat het stapelen van containers tot 6,50 meter hoogte mogelijk maakt. Daarnaast merkt reclamant op dat is opgenomen dat het opslaan van goederen dient plaats te vinden binnen het bouwvlak. Het buitenterrein van reclamant wordt ook buiten het bouwvlak gebruikt voor de opslag van containers. Reclamant stelt daarom voor dit deel van het voorschrift te schrappen of – indien het college hiertoe niet bereid is - de hierboven voorgestelde functieaanduiding over alle percelen van de reclamant te leggen én een uitzondering op te nemen binnen die functieaanduiding op het verbod om goederen op te slaan buiten het bouwvlak. Voorts stelt reclamant dat in artikel 4.3.2 is opgenomen dat de opslag van goederen vanaf de openbare weg aan het zicht onttrokken moet zijn, wat volgens reclamant bij een stapelhoogte van 5 tot 6,5 meter niet tot nauwelijks te realiseren valt. Mocht reclamant dit willen oplossen door een ondoorzichtige erfafscheiding te plaatsen dan is het gebonden aan de maximale bouwhoogte van erfafscheidingen van 2,5 meter, wat onvoldoende hoog is. Reclamant stelt derhalve het volgende voor: De percelen aan de Koopmansweg 6 en 7 zijn gelegen aan een doodlopende openbare weg waardoor het voorkomen van visuele hinder niet relevant is.

Reclamant stelt voor om de percelen Koopmansweg 6 en 7 te vrijwaren van de eis dat de opslag van goederen aan het zicht moet worden onttrokken. Verder worden de percelen aan de Groothandelsweg 4 tot en met 8 op dit moment afgesloten voor onbevoegden door een doorzichtig hekwerk. Reclamant heeft hier bewust voor gekozen omwille van de sociale veiligheid gezien vanaf de openbare weg nu goed te zien is wat er gebeurt op het buitenterrein. Indien reclamant wordt gedwongen de opslag van goederen op het buitenterrein af te schermen van de openbare weg heeft dit gevolgen voor de veiligheid. Reclamant stelt derhalve voor om ook voor deze percelen middels de voorgestelde functieaanduiding reclamant te vrijwaren van de eis dat de opslag van goederen aan het zicht moet worden onttrokken vanaf de openbare weg.

40

Bouwvlak Groothandelsweg 8 Reclamant merkt op dat op de percelen van de Groothandelsweg het bouwvlak aan de voorzijde strak langs de bestaande bebouwing is getrokken. Echter, reclamant heeft plannen om aan de zijde van de weg een nieuw kantoorgebouw te plaatsen. Omwille van een soepele bedrijfsvoering en een handige indeling van het nieuwe kantoor is het wenselijk om het bouwvlak voor het perceel aan de Groothandelsweg 8 ongeveer twee meter naar het westen te leggen. Reclamant verzoekt derhalve het bouwvlak ter hoogte van Groothandelsweg 8 twee meter naar voren (naar het westen) te verplaatsen. Bouwvlak Koopmansweg 6 Reclamant stelt dat op het perceel van Koopmansweg 6 het bouwvlak aan de noordzijde niet toereikend is voor haar toekomstplannen. Reclamant wil in een hoek aan de noordzijde een overkapping kunnen realiseren. Dat is met dit bouwvlak niet mogelijk. Reclamant verzoekt het bouwvlak aan te passen zoals weergegeven op onderstaande afbeelding.

Beoordeling Bestemmingscategorie De activiteiten van het bedrijf betreffen de verhuur van transportmiddelen (SBI-code 7739, milieucategorie 3.1) en metaalbewerking (SBI-code 2562). Het betreft hier de productie en reparatie van containers met een werkplaats groter dan 200 m2. Derhalve is dit aan te merken als een categorie 3.2 activiteit. In het ontwerpbestemmingsplan worden in algemene zin bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 toegestaan. Voortschrijdend inzicht heeft ertoe geleid op het bedrijventerrein De Grift bedrijvigheid tot en met milieucategorie 3.2 toe te staan. Daarmee wordt meer recht gedaan aan het karakter van de bedrijven op het bestaande bedrijventerrein De Grift. Bovendien sluit dit beter aan bij de toegestane milieucategorieën op de beoogde uitbreiding van bedrijventerrein De Grift. Het bestemmingsplan wordt op dit punt aangepast. Omdat de huidige bedrijfsactiviteiten van de reclamant binnen milieucategorie 3.2 vallen, wordt het opnemen van een specifieke aanduiding conform het voorstel van de reclamant niet nodig geacht. Op dit punt leidt de zienswijze niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Stapelhoogte Vooropgesteld wordt dat het bedrijf van de reclamant is voorzien van de bestemming ‘Bedrijventerrein’ en derhalve niet de regels in artikel 4 (Bedrijf), maar de regels in artikel 7 (Bedrijventerrein) van toepassing zijn.

Dit is relevant, omdat de regeling voor opslag van goederen in deze bestemming van elkaar verschilt. De gemeente Nijmegen hanteert voor alle bedrijventerreinen een maximum stapelhoogte van 5 meter. Dit betreft een verruiming van de geldende beheersverordening, die slechts een stapelhoogte van 3 meter toestaat. Gelet op de aard van het bedrijventerrein (klassiek gemengd) en met het oog op de ruimtelijke uitstraling van het bedrijventerrein, is de gemeente geen voorstander van een

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

41

verdere verruiming van de stapelhoogte. Bovendien streeft de gemeente naar een uniforme regeling voor het hele bedrijventerrein. Om deze reden kan niet worden ingestemd met het verzoek van reclamant. Reclamant merkt verder terecht op dat buitenopslag uitsluitend is toegestaan binnen het bouwvlak. Dit betreft een regeling die de gemeente Nijmegen op alle bedrijventerrein toepast. Op grond van de geldende beheersverordening is buitenopslag echter ook buiten het bouwvlak toegestaan. Om deze reden zal buitenopslag ook buiten het bouwvlak worden toegestaan, behoudens ter plaatse van de aanduiding ‘opslag uitgesloten’. Deze aanduiding wordt opgenomen voor de gronden die zijn gelegen op minder dan 5 meter afstand tot de bestemming ‘Verkeer’. In deze zone is buitenopslag vanuit het oogpunt van beeldkwaliteit en veiligheid niet gewenst. Het bestemmingsplan zal op dit punt aangepast worden. Kortheidshalve wordt hiervoor verwezen naar de ambtshalve wijziging in paragraaf 4.4. Voor de reclamant geldt dat het gebruik van de gronden buiten het bouwvlak voor buitenopslag grotendeels voortgezet kan worden. Een uitzondering hierop betreffen de gronden waarvoor de aanduiding ‘opslag uitgesloten’ wordt opgenomen. Wat betreft het onttrekken van buitenopslag aan het directe zicht, geldt dat deze bepaling niet is opgenomen in de bestemming ‘Bedrijventerrein’ en derhalve niet relevant is.

Bouwvlak Groothandelsweg 8 Op grond van de geldende beheersverordening (dat het bestemmingsplan Oosterhout – Bedrijventerrein 1990 bekrachtigd) is het bouwvlak op 10 meter uit de weg gesitueerd. In het ontwerpbestemmingsplan verspringt het bouwvlak ter plaatse van het perceel van reclamant, omdat er aan de noordzijde van het perceel een portocabin op minder dan 10 meter uit de weg is gesitueerd. Deze portocabin is niet vergund en in beginsel ook verplaatsbaar. De zienswijze van reclamant vormde een aanleiding om de grens van het bouwvlak (zoals opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan) aan de even zijde van de Groothandelsweg nogmaals te beoordelen. Deze beoordeling leidt ertoe dat de grens van het bouwvlak over de gehele lengte van de Groothandelsweg – uitsluitend de even zijde, ter plaatse van de nummers 6 tot en met 16 – op 10 meter uit de weg gesitueerd. Dit is geheel overeenkomstig de bestaande rechten. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is het niet wenselijk dat de bebouwing dichter op de weg wordt gesitueerd. Dit betekent dat niet tegemoet wordt gekomen aan het verzoek van reclamant om het bouwvlak aan de voorzijde te verruimen. Binnen de kaders van het (ontwerp)bestemmingsplan bestaat wel de mogelijkheid om een bedrijfsgebonden kantoorruimte in twee bouwlagen te realiseren. Ook ter plaatse van de portocabin wordt het bouwvlak op 10 meter uit de weg gelegd.

Deze komt daarmee deels buiten het bouwvlak te vallen. Bouwvlak Koopmansweg 6 Aan de noordzijde van het perceel van reclamant zijn de gebruiksmogelijkheden al aanzienlijk verruimd. De bestemming ‘Bedrijventerrein’ is in overeenstemming gebracht met de bestaande situatie, ten koste van de bestemming ‘Groen’. Het bestemmingsplan ‘Oosterhout – Bedrijventerrein 1995’ voorzag hier in een groenstrook met een breedte van 10 meter. Deze is met 4 meter teruggebracht ten gunste van het bedrijf van reclamant. Omdat er binnen het bouwvlak nog voldoende ruimte is voor het realiseren van een overkapping, ziet de gemeente geen aanleiding om een overkapping toe te staan op de door reclamant aangegeven locatie.

42

Conclusie

Deze zienswijze heeft geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan: 1. Verbeelding: het bouwvlak van de bedrijfspercelen aan de even zijde van de Groothandelsweg (nummers 6 tot en met 16) wordt over de gehele lengte van de Groothandelsweg op 10 meter uit de weg gesitueerd. 2. Mede naar aanleiding van de zienswijze van reclamant wordt de regeling voor buitenopslag aangepast. Kortheidshalve wordt hiervoor verwezen naar paragraaf 4.4 van deze zienswijzennota.

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

43

3.16 Reclamant 16 Inhoud zienswijze

Reclamant geeft aan dat het concept bestemmingsplan in het kader van vooroverleg aan het waterschap is voorgelegd. Hierbij heeft reclamant diverse opmerkingen gemaakt en aangegeven dat nog geen positief wateradvies verstrekt kon worden. Reclamant stelt dat de opmerkingen slechts ten dele zijn verwerkt wat maakt dat het ontwerpbestemmingsplan een aantal inhoudelijke en juridische gebreken kent. Reclamant en de gemeente Nijmegen hebben in januari 2010 een convenant gesloten voor de realisatie van het Waterhuishoudkundig Inrichtingsplan Waalsprong, waarin afspraken zijn gemaakt voor de realisatie van de Waalsprong en inliggende watersystemen. Reclamant geeft aan dat het convenant ook toeziet op het gebied van onderhavig ontwerpbestemmingsplan. Echter, in het ontwerpbestemmingsplan is volgens reclamant niet beschreven op welke wijze met deze afspraken wordt omgegaan. Daarnaast geeft reclamant aan dat het plangebied een tekort heeft aan oppervlaktewater in relatie tot de aanwezige hoeveelheid verharding, wat leidt tot afwenteling op het benedenstroomse gebied. In het Waterhuishoudkundig Inrichtingsplan Waalsprong is de benodigde waterberging benoemd welke benodigd is voor het totale gebied De Grift. Reclamant stelt dat in onderhavig bestemmingsplan niet voorzien wordt in de realisatie van een gedeelte van de waterbergingsopgave.

De consequentie hiervan is volgens reclamant dat de gehele opgave gerealiseerd zal moeten worden in het nog vast te stellen bestemmingsplan voor het nieuwe bedrijventerrein De Grift. Reclamant verzoekt om dit expliciet te maken in het bestemmingsplan en dit door te leggen als opgave naar het nog op te stellen bestemmingsplan voor het nieuwe bedrijventerrein De Grift. Tot slot constateert reclamant dat de regels bij het ontwerpbestemmingsplan onvoldoende waarborg bieden voor de instandhouding van het doelmatig functioneren van het hoofdwatersysteem en verzoekt daarom dat de regel ‘Water’ te vervangen door de modelregel zoals deze door het waterschap wordt gehanteerd. Voor overige technische en inhoudelijke opmerkingen bij de zienswijze wordt door reclamant verwezen naar de opmerkingen in bijlage 1. Verbeelding 1. Op de verbeelding ontbreekt de rioolwatertransportleiding welk alle afvalwater vanuit de Waalsprong transporteert naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie in Arnhem via een tracé aan de westzijde van het spoorlichaam. 2. De bestaande A-watergangen zijn correct op de verbeelding opgenomen. Echter, ook watergangen van onderschikt belang zijn ook als Water bestemd. Vanuit de belangen van het waterschap is dit niet vereist. Wij wijzen u erop dat deze keuze kan leiden tot striktere regelgeving dan vanuit de waterhuishouding noodzakelijk is. 3.

Naastgelegen beheerstroken, essentieel voor het in standhouden van de waterhuishouding zijn conform wensen opgenomen met een dubbelbestemming Waterstaat-Waterlopen. Ter plaatse van de kruising met openbare wegen is deze dubbelbestemming niet opgenomen. Wij verzoeken u de dubbelbestemming tevens te projecteren over de beduikerde Awatergangen. Dit betreft de kruising van de A-watergang met de Stationsstraat en de kruising met de toerit naar de meest oostelijke windmolen. Regels 4. Artikel 13 Water biedt de mogelijkheid tot het realiseren van ondergeschikte bouwwerken ten behoeve van het aangrenzende hoofdgebouw in de naastgelegen bestemming binnen de bestemming ‘Water’. Het toestaan van

44

-

uitbreidingen van bestaande bouwwerken binnen het profiel van Awatergangen kan niet zonder meer worden toegestaan. Het belang van een goede waterhuishouding verzet zich hiertegen. Toelichting 5. In paragraaf 4.5 is gesteld dat er sprake is van een “waterrijk gebied”. Wij willen u erop wijzen dat dit gebied een tekort aan oppervlaktewater heeft in relatie tot de aanwezige hoeveelheid verharding. Dit komt niet overeen met de beeldvorming die wordt gecreëerd door de gekozen bewoording ‘waterrijk gebied’. In het Waterhuishoudkundig Inrichtingsplan Waalsprong is de benodigde waterberging benoemd welke benodigd is voor het totale gebied De Grift. Deze opgave wordt gedeeltelijk veroorzaakt door het bestaand bedrijventerrein en deels door het nog nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein. In het onderliggende bestemmingsplan voorziet u niet in de realisatie van een gedeelte van deze waterbergingsopgave. De consequentie van deze keuze is dat de gehele opgave gerealiseerd zal moeten worden in het nog vast te stellen bestemmingsplan voor het nieuwe bedrijventerrein De Grift. Wij verzoeken u de consequenties van deze keuze te bevestigen door deze expliciet in de toelichting op te nemen. 6. De begrenzing van het plangebied zoals opgenomen in paragraaf 4.5 is onvolledig en komt niet overeen met de begrenzing van de verbeelding.

Wij verzoeken u de begrenzing correct en eenduidig op te nemen in alle onderdelen van het bestemmingsplan. 7. In paragraaf 4.5 is aangegeven dat voor nieuwe ontwikkelingen een duurzaam gescheiden afwatering van het hemelwater moet worden gerealiseerd. Een overweging daarbij is naar wij aannemen de doelstelling om schoon hemelwater zo lang mogelijk vast te houden in het gebied en niet overbodig af te voeren naar de RWZI. In de toelichting is echter geen relatie gelegd met de milieucategorie van de bedrijven welke het bestemmingsplan mogelijk maakt. Voor de omgang met hemelwater en afvalwater is de nota 'Samen door één buis' d.d. januari 2019 van kracht. Voor bedrijventerreinen met milieucategorieën 3 en 4 is sprake van risico's op verontreiniging van het oppervlaktewater en geldt de voorkeursmaatregel het lozen via een Verbeterd Gescheiden Stelsel conform de huidige situatie. Een gewenste transformatie van het stelsel vereist overleg met het waterschap als waterkwaliteitsbeheerder. Wij verzoeken u de nota Samen door één buis op te nemen in de toelichting.

Reclamant maakt derhalve bezwaar tegen het ontwerpbestemmingsplan en verzoekt het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen conform deze opmerkingen.

Beoordeling

De gemeente en waterschap hebben zoals reclamant aangeeft een convenant gesloten over de realisatie van het Waterhuishoudkundig Inrichtingsplan Waalsprong. Het bestaande bedrijventerrein de Grift en Rietgraaf maken in dit plan onderdeel uit van het watersysteem De Grift. De gemeente onderschrijft dat voor het bestaande bedrijventerrein een wateropgave ligt als onderdeel van het klimaatbestendig maken van het huidige bedrijventerrein. De gemeente ziet dit als een ontwikkelopgave voortkomend uit een beheersituatie. En ook als een ontwikkelopgave die los staat van het bestemmingsplan Bedrijventerrein De Grift en Rietgraaf e.o. Dit bestemmingsplan betreft namelijk een conserverend bestemmingsplan. Mede in samenhang met de uitbreiding van bedrijventerrein De Grift werkt de gemeente momenteel aan een waterhuishoudkundig plan. Dit plan gaat in op de opgave voor zowel het bestaande bedrijventerrein als de uitbreiding. Uit dit plan zal blijken wat de omvang van de opgave is, hoe en waar deze opgave gerealiseerd kan worden. Uitgangspunt hierbij voor de gemeente is dat de benodigde maatregelen voor de wateropgave voor het

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

45

bestaande bedrijventerrein ook onafhankelijk van de uitbreiding gerealiseerd moeten kunnen worden. Op inhoud is de regeling voor de bestemming ‘Water’ in voorliggend bestemmingsplan gelijk aan de modelregeling die reclamant heeft toegestuurd. Zie verder de beantwoording onder punt 4 hieronder. Ten aanzien van de technische en inhoudelijke opmerkingen voor de verschillende onderdelen van het bestemmingsplan wenst de gemeente als volgt te reageren: Verbeelding 1. Conform het verzoek van de reclamant nemen we (het tracé van) de rioolwatertransportleiding over op de verbeelding. De betreffende leiding wordt voorzien van de dubbelbestemming ‘Leiding – Riool’. 2. Conform het verzoek van de reclamant zal de bestemming van watergangen met een ondergeschikt belang worden aangepast. Alleen A en B-watergangen behouden de bestemming Water. Concreet betekent dat de watergangen gelegen tussen de Stationsstraat en de spoorlijn Arnhem – Nijmegen binnen de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Verkeer’ worden getrokken. 3. Conform verzoek bestemmen we de twee benoemde kruisingen voorzien van de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterlopen’. Regels 4. Conform verzoek verwijderen we uit artikel 13 de mogelijkheid om ondergeschikte bouwwerken van aangrenzende hoofdgebouw(en) te realiseren in de naastgelegen bestemming.

Dit betekent dat de bepalingen in lid 13.1 sub b en sublid 13.2.2 sub a komen te vervallen. De overige subleden worden doorgenummerd. Toelichting 1. Het woord ‘waterrijk’ zal uit de zin worden gehaald. Voor de reactie op het overige dat reclamant inbrengt bij punt 5 wordt verwezen naar de eerste twee alinea’s onder ‘Beoordeling’. 2. Per abuis is alleen de begrenzing van het deelgebied De Grift getoond in paragraaf 4.5. Een luchtfoto met begrenzing van het totale plangebied – inclusief De Rietgraaf – wordt ingevoegd ter vervangen van de vorige afbeelding. 3. Conform voorstel wordt in de toelichting een verwijzing gemaakt naar de nota ‘Samen door één buis’ en wordt beschreven op welke wijze deze nota zich verhoudt tot bedrijven in milieucategorie 3 en 4. De volgende passage wordt opgenomen: “Tot slot is heeft het waterschap in 2019 de nota “Samen door één buis” vastgesteld. Deze nota is primair gericht op het samen (gemeenten en waterschap) beheersen van lozingen uit de riolering en het zo bijdragen aan een goede waterkwaliteit en leefomgeving. Uit deze nota volgt dat bij het maken van de afweging of infiltratie van hemelwater gewenst c.q. acceptabel is, gebruik kan gebruik worden gemaakt van de ‘Adviestabel omgang afstromend hemelwater’.

Daaruit volgt dat er bij bedrijvigheid in milieucategorie 3 of 4 van de Staat van bedrijfsactiviteiten een klein risico bestaat op verontreinigd afstromend hemelwater. Voor afstromend hemelwater van dergelijke bedrijfspercelen wordt daarom minimaal geadviseerd een bodem- of bermpassage toe te passen en bij voorkeur een verbeterd gescheiden stelsel aan te brengen. Bij het afkoppelen van afstromend hemelwater dient rekening te worden gehouden met het voorgaande.”

Conclusie

Deze zienswijze heeft geleid tot de volgende aanpassingen in het bestemmingsplan:

46

 

 

 

Verbeelding: (het tracé van) de rioolwatertransportleiding wordt voorzien van de dubbelbestemming ‘Leiding – Riool’. Verbeelding: de bestemming van watergangen met een ondergeschikt belang worden aangepast. Alleen A en B-watergangen behouden de bestemming Water. Concreet betekent dat de watergangen gelegen tussen de Stationsstraat en de spoorlijn Arnhem – Nijmegen binnen de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Verkeer’ worden getrokken. Verbeelding: de twee benoemde kruisingen worden voorzien van de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterlopen’. Regels: in artikel 13 komt de mogelijkheid om ondergeschikte bouwwerken van aangrenzende hoofdgebouw)en) te realiseren in de naastgelegen bestemming te vervallen. Dit betekent dat de bepalingen in lid 13.1 sub b en sublid 13.2.2 sub a komen te vervallen. De overige subleden worden doorgenummerd. Toelichting: in paragraaf 4.5 wordt het woord ‘waterrijk’ verwijderd. Toelichting: in paragraaf 4.5 wordt een luchtfoto met begrenzing van het totale plangebied – inclusief De Rietgraaf – ingevoegd ter vervanging van de vorige afbeelding. Toelichting: in de toelichting wordt een verwijzing gemaakt naar de nota ‘Samen door één buis’ en wordt beschreven op welke wijze deze nota zich verhoudt tot bedrijven in milieucategorie 3 en 4.

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

47

3.17 Reclamant 17 Inhoud zienswijze

Reclamant haalt in de zienswijze een aantal punten aan: Stikstofemissie Reclamant geeft aan dat in artikel 7.3.8 is weergegeven dat strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in ieder geval een gebruik is waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden of bouwwerken. Toename van stikstofemissie is aan de orde (artikel 1.123) wanneer de emissie van stikstof meer bedraagt dan de emissie die ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan feitelijk aanwezig was. Reclamant is van mening dat deze bepaling omtrent stikstof in strijd is met de rechtszekerheid. Reclamant verzoekt om artikel 7.38 sub d uit de planregels te schrappen, althans anders vorm te geven. Groenstrook Reclamant geeft aan dat aan de westzijde van het plangebied zich een gedeelte verkeersbestemming en een gedeelte groenbestemming bevindt. Over dit gedeelte ligt een hoogspanningsleiding. Op deze bestemming mag eigenlijk ingevolge artikel 16.2.2 (vrijwel) niets worden gebouwd. Het is reclamant bekend dat de netbeheerder voornemens is de hoogspanningsleidingen op deze plaats ondergronds te gaan leggen binnen de planperiode. Reclamant geeft aan dat het onder die omstandigheden denkbaar zou zijn om de groenstrook en de verkeersbestemming te bebouwen ten behoeve van bedrijfsdoeleinden. Echter, dit is onmogelijk gezien de voorliggende groen- en verkeersbestemming.

Derhalve verzoekt reclamant om op deze percelen een bedrijfsbestemming en een bouwvlak te leggen, met dien verstande dat daarop niet mag worden gebouwd zolang de hoogspanningsleiding feitelijk nog aanwezig is en/of het ondergronds gaan daarvan nog niet is voltooid. Vijver/kolk Reclamant stelt dat aan de noordzijde van het plangebied zich een waterpartij met een omliggende groenbestemming bevindt. Reclamant merkt op dat in de toelichting op het bestemmingsplan nergens wordt aangegeven dat deze groenvoorziening (1) een ecologische waarde heeft, (2) behouden zou moeten worden of (3) landschappelijk van waarde is. Reclamant verzoekt dat dit plangedeelte ook een bedrijfsmatige bestemming krijgt zodat het voor bebouwing en bedrijfsmatig gebruik kan worden ontwikkeld. Ultrasport Reclamant geeft aan dat in het plangebied is aan de Noordzijde van bedrijventerrein de sportschool 'Ultrasporť legaal is gevestigd, voor de periode van 10 jaar (tot en met 2027). Uit de motivering van de vergunning blijkt dat de vergunning destijds voor 10 jaar is verleend, omdat andere wijzen van vergunningverlening niet mogelijk waren en omdat een bestemmingswijziging een te omvangrijke procedure vergde. Reclamant ziet de herijking van het bestemmingsplan als een kans om de sportschool definitief legaal te maken door deze positief te bestemmen.

Reclamant geeft aan dat in de periode vanaf 2017 geen klachten zijn binnengekomen over de vestiging. Daarnaast heeft het geen conflicten met de bedrijfsbestemming opgeleverd en is er geen parkeeroverlast ontstaan. Reclamant verzoekt daarom de sportschool positief te bestemmen, binnen de huidige begrenzingen. Bristol & Kluswijs Reclamant merkt op dat zich in het plangebied een vestiging van Bristol, alsmede een bouwmarkt onder de naam Kluswijs bevindt. In het plan wordt Bristol slechts gelegaliseerd zolang het gaat om ‘de bestaande detailhandel’. Reclamant stelt dat Bristol al jaren probleemloos op deze locatie is gevestigd en verzoekt daarom de bestemmingsplanomschrijving aldus aan te passen dat deze niet afhankelijk is van het

48

bestaande gebruik, maar een ‘reguliere’ detailhandelsbestemming op het perceel te leggen. Voor Kluswijs geldt volgens de toelichting het volgende: “Bouwmarkt Kluswijs is gevestigd aan de Windmolenweg 15 met SBI-code 47528. Het bedrijf is eerder positief toegestaan, maar past niet in de bedrijvenlijst van dit bestemmingsplan. Het heeft daarom een specifieke aanduiding gekregen.” Reclamant stelt dat indien er een legale situatie is, deze niet op thans voorziene wijze onder het overgangsrecht kan worden gebracht. Reclamant verzoekt het Ontwerp voor zowel Kluswijs als Bristol te wijzigen, in ieder geval door het woord 'bestaand' uit de voorschriften te verwijderen en er ook in de toelichting geen misverstand over te laten bestaan dat hier geen sprake is van overgangsrecht of een uitsterfconstructie, maar van een daadwerkelijke positieve bestemming.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=482b9636-4de6-4c3d-8de6-61d274acc00b