Welzijn en Veiligheid van regenboog Nijmegen
Tekst van het document
WELZIJN EN VEILIGHEID VAN
REGENBOOGNIJMEGEN DE NIJMEEGSE VEILIGHEIDSMONITOR 2021-2022
COLOFON: Auteurs:
Niels Spierings, Eveline van Hilten-Rutten, Marleen Hasselt Opdrachtgever:
Gemeente Nijmegen Uitvoerende organisaties:
Vizier en Radboud Social Cultural Research (Radboud Universiteit) Vormgeving:
Onze Creativitijd Publicatiedatum: oktober 2022
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
2
INHOUDSOPGAVE Samenvatting...........................................................................................................4 1: Inleiding.......................................................................................................................8 2: Openheid en acceptatie.......................................................................13 3: (On)veiligheid ...................................................................................................18 4: Sport...........................................................................................................................29 5: Gemeentebeleid...........................................................................................35 Bibliografie................................................................................................................38
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
3
SAMENVATTING
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
4
1. Veiligheid en welzijn
Dit rapport brengt de ervaringen van de Nijmeegse LHBTIQ+ inwoners in kaart. Daarbij wordt de focus gelegd op de veiligheid en het welzijn van LHBTIQ+’ers, gebaseerd op een enquête gehouden in 2021. De belangrijkste uitkomsten zijn: · Nijmeegse LHBTIQ+-inwoners tonen een hoge mate van zelfacceptatie en ook de acceptatie binnen de directe sociale kring is hoog.
· Bi+ inwoners ervaren minder acceptatie dan lesbische en homoseksuele inwoners en niet-cisgender inwoners nog minder, waarbij de laatste groep ook beduidend minder acceptatie van ouders ervaart.
· De LHBTIQ+ inwoners vormen geen homogene groep. Met name de ervaringen van cisgender en niet-
cisgender respondenten verschillen op een aantal terreinen, zoals veiligheidsgevoel en sportmijding. Maar ook binnen seksuele voorkeur is er niet altijd een eenduidig patroon waar te nemen.
· Voor alle groepen is de acceptatie in de publieke ruimte beduidend lager dan in de sociale kring. En de onveiligheid is ook het hoogst in de publieke ruimte: op straat, in horeca, ov en winkelcentra.
· Niet-cisgender respondenten lijken het sterkst uitgesloten. Dat zien we bijvoorbeeld sterk in het sportdomein en ook de publieke onveiligheid is het grootst onder niet-cisgender respondenten: meer dan de helft voelt zich soms tot vaak onveilig op straat. Ook zien we dat (homoseksuele) vrouwen zich vaker onveilig voelen dan (homoseksuele) mannen, waarbij meespeelt dat vrouwen zich in het algemeen vaker onveilig voelen dan mannen. · Ten grondslag aan het onveilig gevoel liggen veelal sociaal gedrag, intimidatie en schelden. Afkeurende
blikken, roddels en verwijten van moeilijkdoenerij worden relatief veel door LHBTIQ+’ers ervaren. Wederom is dit het sterkst onder de meer normafwijkende groepen, waarbij 1 op 3 niet-cisgender respondenten verwijten van moeilijkdoenerij heeft gekregen in de afgelopen 2 jaar.
· Binnen de sportomgeving zien we dat met name homoseksuele mannen en niet-cisgender personen
bepaalde sporten mijden vanwege hun seksuele voorkeur of genderidentiteit. Wie wel sport binnen een vereniging, ervaart ruime acceptatie binnen de sportvereniging. Maar slechts weinig respondenten weten waar ze terecht kunnen als zij toch problemen ervaren.
2. Ontwikkeling
Dit rapport probeert daarnaast een ontwikkeling te schetsen van de veiligheid en het welzijn van LHBTIQ+ inwoners. Dit doen we op twee manieren: enerzijds door LHBTIQ+’ers zelf te vragen naar deze ontwikkeling, anderzijds door een relatie te leggen tussen de huidige stand van zaken en die beschreven in de eerdere Veiligheidsmonitors. Dit toont een complex patroon waaruit niet een eenduidige conclusie is te trekken. Enkele observaties verdienen daarbij aandacht: · De ervaren verandering in acceptatie over twee jaar is voor alle groepen overwegend positief, en dit algemene patroon zien we ook binnen het domein van sport.
· De ervaren verandering in veiligheid in Nijmegen ligt dicht bij geen verandering, er is niet overwegend sprake van meer mensen die zich veiliger zijn gaan voelen in hun stad of dorp.
· Onder homoseksuele mannen en cisgender respondenten zien we een duidelijker beeld dat men vaker toegenomen veiligheid ervaart en zij rapporteren ook als enige groepen vaker dat het ongewenst gedrag is afgenomen. Voor lesbiennes, bi+ respondenten en niet-cisgender respondenten zien we dit niet, wat aangeeft dat niet alleen veel mensen achteruitgang ervaren, maar ook dat zij in even grote getalen zijn als mensen die vooruitgang ervaren. · De vergelijking met de veiligheidsmonitor 2014 (en 2008/2009) bevestigt dit beeld: voor de veiligheid vinden we geen indicatie van een duidelijke en breed gedeelde verbetering. Sterker nog, voor niet-cisgender personen vinden we indicaties van een overwegende achteruitgang.
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
5
3. Meldingsbereidheid en beleid
Het onderzoeksteam heeft daarnaast gekeken naar de behoefte bij LHBTIQ+ respondenten aan ondersteuning en beleid, waarbij in het bijzonder de meldingsbereidheid bij incidenten aandacht heeft gekregen. De conclusies op dit vlak zijn: · Het gros van de respondenten rapporteert bij geen enkele instantie hun slachtofferschap en zoekt ook geen hulp. Onder vrouwen is de handelingsactie lager dan bij mannen. En niet-cisgender personen handelen minder vaak dan cisgenderpersonen. Kwetsbaarheid zou hier een rol kunnen spelen. · Slecht 14% meldt bij een betrokken instantie, onafhankelijke instantie, de politie, of een belangenorganisatie. · Bij mishandeling meldt ook slechts 1 op 3 respondenten, en enkel 1 op 5 doet aangifte. · In een open vraag gaven respondent grofweg (en soms impliciet) drie gerelateerde zaken aan die de meldingsbereidheid verhogen kunnen.
(1) politie, meldpunten en ook LHBTIQ+ bewegingen moet getraind zijn in het aannemen van deze meldingen met kennis van de (intersectionele) situatie van LHBTIQ+ respondenten, dus ook BTIQ+. (2) Specifieke loketten (zoals Roze in Blauw) zorgen voor laagdrempelige toegang; die moeten er meer zijn. (3) Er moet ook iets gebeuren met meldingen bij de politie, scholen, etcetera. Er lijkt een sterk gevoel te bestaan dat het als lastig ervaren wordt (scholen) of de daders toch niet gepakt dan wel gestraft worden (politie). Impact en zichtbaarheid daarvan doen er toe, net als het gevoel serieus genomen te worden. · Meer algemeen vinden LHBTIQ+ inwoners dat de gemeente Nijmegen op alle vlakken meer kan doen.
Zo vraagt 64% om genderneutrale toiletten in de openbare ruimte, waar slechts 2% tegen is. En ook het belang van voorlichting wordt keer op-keer onderstreept; niet enkel op scholen, maar ook bij de politie of in verzorgingshuizen. Bovendien wordt er ook aandacht gevraagd voor intersectionaliteit en de minder bekende deelgroepen binnen de LHBTIQ+ gemeenschap.
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
6
UITLEG AFKORTING LHBTIQ+ EN GEBRUIKTE BEGRIPPEN De afkorting LHBTIQ+ is een verzamelnaam voor mensen die zich niet identificeren als cisgender en een andere seksuele voorkeur hebben dan heteroseksueel. De afkorting voor de regenbooggemeenschap is niet overal hetzelfde, en het gebruik van de termen staat ook regelmatig ter discussie. In dit kader geven wij de definities zoals deze in dit rapport worden gebruikt. Seksuele voorkeur gaat over tot wie iemand zich, in termen van gender, (seksueel) aangetrokken voelt. We onderscheiden in dit onderzoek de volgende seksuele voorkeuren:
• Heteroseksueel: iemand valt op het andere geslacht (man op vrouw, vrouw op man)
• Homoseksueel/lesbisch: iemand valt op hetzelfde geslacht (man op man, vrouw op vrouw)
• Biseksueel: iemand valt op beide geslachten (zowel man als vrouw). Sommige biseksuelen sluiten ook andere genderidentiteiten niet uit.
• Panseksueel: iemand valt op alle geslachten, ook op andere genderidentiteiten, zoals non-binair. Gender is niet van belang. Vaak zegt men ook wel: ‘ik val op mensen’.
• Omniseksueel: iemand valt op alle geslachten, ook op andere genderidentiteiten. Maar de gender van de ander is daarin wel van belang.
• Aseksueel: iemand voelt zich niet seksueel aangetrokken tot een andere persoon. Er zijn verschillende gradaties mogelijk.
Genderidentiteit gaat over of iemand zich identificeert als man, vrouw, allebei, geen van beide, iets er
tussenin of iets buiten dit spectrum. Als iemand zich bijvoorbeeld man voelt, maar bij de geboorte als vrouw is bestempeld vanwege diens fysieke kenmerken, is deze persoon waarschijnlijk transgender.
• Cisgender is de term voor wanneer iemand zich fijn voelt bij het geslacht dat ze gekregen hebben bij de geboorte.
• Transgender: iemand die zich niet prettig identificeert bij het geslacht van geboorte, maar bij het andere
geslacht in het binaire systeem. Of mensen die hun lichaam (deels) aanpassen (willen) aan de eigen identiteit is voor deze classificering irrelevant.
• Non-binair: iemand die zich niet prettig voelt bij de binaire gendercategorieën (man/vrouw). Andere termen hiervoor zijn ook genderqueer of genderfluïde.
In de afkorting LHBTIQ+ staat de I voor intersekse conditie. Dit verwijst naar mensen die geboren zijn
met een lichaam dat niet past binnen de normatieve definities van man en vrouw: het zijn mensen die geslachtskenmerken van beide geslachten hebben. Intersekse is dus geen seksuele voorkeur of genderidentiteit. De Q staat voor queer. Dit is een meer algemeen woord dat staat voor een open, brede genderidentiteit en/of seksuele identiteit. Mensen noemen zichzelf vaak queer als ze zichzelf niet willen labelen met een vaststaande gender en/of seksuele identiteit. Sommige mensen gebruiken queer als parapluterm voor alles wat niet heteroseksueel en/of cisgender is, dat is niet hoe we de term in dit rapport gebruiken. De + staat voor alle seksuele voorkeuren en genderidentiteiten, uitgezonderd heteroseksueel en cisgender, die niet direct in de afkorting benoemd worden. Zoals aseksueel, panseksueel, genderqueer en non-binair.
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
7
Hoofdstuk 1
INLEIDING
In dit onderzoek brengen we de acceptatie van LHBTIQ+ personen in Nijmegen in kaart. In de inleiding schetsen we de achtergronden waartegen dit onderzoek is uitgevoerd, definiëren we onze methodes en maken we inzichtelijk hoe de indeling van respondenten tot stand is gekomen.
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
8
1.1 ONDERZOEKSOPZET Achtergrond en doelstelling
Dit rapport is een vervolg op de Veiligheidsmonitors LHBT ‘Hand in Hand’, die eerder in Nijmegen zijn uitgevoerd. Er zijn Veiligheidsmonitors uitgevoerd in 2004, 2008/9 en 2014. In 2004 werd er een korte enquête gehouden door de Adviescommissie LHB-beleid. In 2008/9 en 2014 is het onderzoek verricht door de Universiteit Utrecht (Coenders et al.), in samenwerking met de Adviescommissie LHBT-beleid Nijmegen en Ieder1Gelijk. Voor het huidige onderzoek heeft Vizier, de opvolger van Ieder1Gelijk, de samenwerking gezocht met de afdeling Social Cultural Research van de Radboud Universiteit Nijmegen. De opdracht tot het doen van dit onderzoek is verstrekt door de gemeente Nijmegen in juni 2022, door het verstrekken van een subsidie in het kader van de uitvoering van de Regenboogagenda. Deze publicatie is een vervolg op de eerdere Veiligheidsmonitors, tegelijkertijd ook een vernieuwing van de invalshoek van de monitor. Niet alleen is er gekeken naar de veiligheidsbeleving van LHBTIQ+ inwoners van Nijmegen, maar ook naar de algemene acceptatie en het welzijn van deze groep. Hoe open zijn LHBTIQ+ inwoners over hun genderidentiteit of seksualiteit? En welke behoeften hebben zij als het gaat om gemeentebeleid? We wilden het onderzoek hiermee verbreden en verdiepen, zodat het meer facetten bestrijkt van het leven van LHBTIQ+ dan alleen hun veiligheid.
De hoofdvraag die aan dit onderzoek is verbonden, is: Hoe wordt de huidige acceptatie van LHBTIQ+ inwoners in Nijmegen door henzelf ervaren en hoe heeft zich dit sinds 2014 ontwikkeld? Werkwijze
In 2021 hebben Vizier en Radboud Social Cultural Research een groot onderzoek gedaan naar het welzijn van LHBTIQ+’ers.1 Dit onderzoek werd gefinancierd door de Provincies Gelderland en Overijssel en richtte zich op de acceptatie en veiligheid van LHBTIQ+’ers in deze provincies. Aan dit onderzoek deden in totaal 1648 respondenten mee via een vragenlijst die verspreid werd met een open link. Hiervan waren er 313 afkomstig uit de gemeente Nijmegen. De antwoorden van deze 313 respondenten zijn de basis voor het huidige rapport. De data zijn gewogen naar geslacht en leeftijd. 2 Als we aannemen dat het zijn van LHBTIQ+ redelijk gelijkmatig over de bevolking verdeeld is, zorgt weging voor descriptieve cijfers die beter de situatie van de LHBTIQ+ populatie weerspiegelen. Kort samengevat tellen de antwoorden van bijvoorbeeld ouderen in onze steekproef dan zwaarder mee en die van jongeren minder zwaar. Deze gewichten zijn toegepast op de Nijmeegse deelsteekproef. Vervolgens zijn de antwoorden op de vragen verwerkt in tabellen. Om te kunnen vergelijken met de eerdere veiligheidsmonitors, zijn de resultaten van een aantal vragen ook gewogen naar de responscijfers van 2014. Hierdoor zijn de data van 2021 zo vergelijkbaar mogelijk gemaakt met die van 2014, en is het gemakkelijker om iets te zeggen over de ontwikkeling over tijd. We noemen dit ‘teruggewogen’.
1 2
Spierings et.al, Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland & Overijssel 2021
Voor de weging is gebruikgemaakt van de cijfers van CBS m.b.t. de algehele populatie van Nijmegen, ijkdatum 15-08-2022. De weegmethode is vergelijkbaar met de weging zoals omschreven in Welzijn LHBTIQA+ 2021, p. 15.
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
9
313 deelnemers zijn met de vragenlijst gestart en gaven Nijmegen als woongemeente aan, waarvan 224 de hele vragenlijst doorlopen hebben. Ook onvolledig ingevulde vragenlijsten zijn in de antwoorden meegenomen. Het totaal aantal respondenten kan daarom per gerapporteerde tabel verschillen. Daarnaast hebben we moeten besluiten om de groep aseksuele personen niet mee te nemen gezien hun lage aantal, waardoor het daadwerkelijke totaal aantal bruikbare respondenten uitkomt op 298. Ook rapporteren we bij een aantal onderwerpen de antwoorden en suggesties op open vragen uit de survey, die gegeven werden door respondenten uit de gemeente Nijmegen, waardoor de surveyresultaten beter geduid of geïllustreerd kunnen worden. Data en vergelijkbaarheid
In het meest ideale scenario wordt dit onderzoek verricht door het nemen van een aselecte steekproef onder LHBTIQ+ inwoners in Nijmegen en hen een vragenlijst voorleggen. Aangezien seksuele voorkeur en genderidentiteit niet centraal geregistreerd worden, is dit geen mogelijke onderzoeksstrategie. Het beste alternatief is een open vragenlijst verspreiden onder zo veel mogelijk kanalen, en daarna corrigeren/wegen voor de bekende bevolkingscijfers. Deze strategie is gehanteerd in zowel 2014 als in 2021. De resultaten van dit onderzoek gelden allereerst en voornamelijk voor de ondervraagde respondenten. Zoals geldt voor elk onderzoek naar deze deelgroep zijn de cijfers niet exact, maar eerder indicatief voor de situatie van de gehele LHBTIQ+ populatie in Nijmegen. Omdat we verschillende deelpopulaties beter konden bereiken door de diverse werving, én omdat we een grote steekproef geworven hebben, kunnen we in dit onderzoek wel subgroepen binnen de LHBTIQ+ gemeenschap vergelijken. Desalniettemin moeten we individuele, specifieke cijfers voorzichtig generaliseren en ze niet een-op-een gelijkstellen met de situatie van de hele LHBTIQ+ populatie in Nijmegen. Hoe breder een patroon is over indicatoren, met hoe meer zekerheid een conclusie getrokken kan worden. Onze hoofdbevindingen zijn op die patronen gebaseerd.
Dit onderzoek is op meerdere punten verschillend van de veiligheidsmonitors 2004, 2008/9 en 2014. Het onderzoek bevat niet alleen vragen over veiligheid, maar ook over acceptatie, openheid en beleid. De onderzoeksvragen waren niet zozeer gericht op het rapporteren van incidenten (zoals in 2008 en 2014), maar op het onderzoeken van gevoelens van acceptatie en uitsluiting in verschillende contexten. Daarnaast zijn alleen respondenten die in de gemeente Nijmegen wonen meegenomen in deze rapportage, en dus niet zij die in Nijmegen werken, studeren of recreëren, maar in andere gemeenten wonen. Deze respondenten werden in 2008 en 2014 wel meegenomen. Ook maken we onderscheid tussen seksuele voorkeur en genderidentiteit en rapporteren we de cijfers voor deze groepen zo veel mogelijk afzonderlijk. Respondenten
Genderidentiteit en seksuele voorkeur zijn ingedeeld op dezelfde wijze als in het Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ 2021.3 De aantallen respondenten naar seksuele voorkeur of genderidentiteit zijn te vinden in tabel 1.1 en 1.2. In deze rapportage nemen we echter een aantal groepen samen, gezien de kleine aantallen respondenten. Zo rapporteren we in de vervolgtabellen biseksueel en panseksueel/omniseksueel samen bij seksuele voorkeur onder de noemer bi+ personen, en transgender, intersekse en non-binair/genderqueer bij genderidentiteit onder de noemer niet-cisgender personen. Op deze manier kunnen we over deze groep wel zelfstandig rapporteren, waar zij anders op zouden gaan in de grote groep van LHBTIQ+. In deze rapportage kan helaas aseksualiteit niet verder meegenomen worden, gezien het te kleine aantal respondenten.
3
Voor de indeling aan de hand van drie vragen in de vragenlijst, zie Welzijn LHBTIQA+ 2021, pp. 11-12.
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
10
Tabel 1.1: Respons Nijmegen 2021 naar seksuele voorkeur Seksuele voorkeur
Aantal respondenten
Lesbisch
88
Homoseksueel
94
Biseksueel / panseksueel / omniseksueel
86
Aseksueel
15
Weet ik nog niet/anders
30
Totaal
313
Tabel 1.2. Respons Nijmegen 2021 naar genderidentiteit Genderidentiteit
Aantal respondenten
Cisgender
251
Transgender
18
Non-binair/ genderfluïde/ genderqueer
23
Onbekend
21
Totaal
313
Ook hebben we onze respondenten vergeleken met de respondenten uit 2014. Op het gebied van seksuele gerichtheid en genderidentiteit enerzijds en socio-demografische kenmerken anderzijds verschillen de steekproeven. Zo wordt de vergelijking naar seksuele voorkeur gebaseerd op 268 respondenten, omdat de groep aseksuele personen te klein is om mee te nemen in de vergelijking en de weet ik nog niet/anders (inclusief heteroseksueel niet-cisgender) groep ook niet meegenomen wordt. Door het niet meenemen van de ‘onbekend’ groep voor genderidentiteit, vergelijken we op dat vlak 292 respondenten. De streekproef waarop we onze rapportage baseren omvat een beduidend grotere deelpopulatie bi+ personen en niet-cisgenderrespondenten dan eerdere rapporten (zie Tabel 1.3). Ook is de steekproef meer gelijkmatig verdeeld over leeftijd. Met betrekking tot onderwijsniveau bevatten beiden steekproeven duidelijk een overrepresentatie van hogeropgeleiden. Voor zowel het Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ 2021 als deze gemeentelijke rapportage zijn de data voor zover mogelijk gewogen naar leeftijd en geslacht op basis van CBS bevolkingsdata. Bij de vergelijking tussen de onderzoeken kunnen we ook weging toepassen maar dan om de verdeling over demografische groepen in het 2021 onderzoek gelijk te stellen aan dat in 2014, zodat een meer valide ontwikkeling is te geven.
De exacte Nijmeegse cijfers die we presenteren voor de vergelijking met Gelderland (de zgn. cross-sectionele vergelijking) en voor de vergelijking met 2014 (de zgn. longitudinale vergelijking) kunnen dus van elkaar verschillen. Voor de huidige stand van zaken dienen de cross-sectionele data als uitgangspunt genomen worden omdat ze waarschijnlijk nauwkeuriger zijn.
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
11
Tabel 1.3: Vergelijking steekproeven 2014, 2021 in gemeente Nijmegen Uitgelichte groepen
20141
2021
Biseksueel
~11%
~20%
Panseksueel
-
~5%
Transgender (incl. non-binair en intersekse)
~4%
~14%
Jonger dan 24 jaar
~16%
~21%
24 t/m 34 jaar
~20%
~21%
35 t/m 49 jaar
~34%
~14%
50 t/m 64 jaar
~26%
~13%
65 jaar of ouder
~4%
~8%
Geen startkwalificatie
~4%
~1%
MBO
~9%
~3%
HAVO / VWO
~8%
~14%
HBO
~26%
~18%
Universiteit (incl post-doctoraal
~42%
~42%
Onbekend
~8%
~23%
Leeftijd
Opleidingsniveau
1) De cijfers zijn gebaseerd op de rapportage 2014, waarbij 19% van de respondenten geen Nijmegenaar was.
1.2 LEESWIJZER Dit rapport bestaat uit vier inhoudelijke hoofdstukken: openheid en acceptatie, (on)veiligheid, sport en gemeentebeleid. In ieder hoofdstuk rapporteren we een deelgebied van ons onderzoek, door tabellen en figuren te presenteren met daarbij een bondige duiding van wat we zien. Ook vergelijken we, waar mogelijk en relevant, de cijfers met de resultaten van de eerdere Veiligheidsmonitors. Het rapport en de samenvatting zijn verschillend geordend. De samenvatting focust op de drie thema’s die de gemeente Nijmegen als opdrachtgever van het onderzoek heeft meegegeven: het welzijn van de LHBTIQ+ inwoner nu, de ontwikkeling van de veiligheidsbeleving en de meldingsbereidheid. In de samenvatting brengen we deze drie langere lijnen samen, en geven we daarmee ook een mogelijke richting aan voor de beleidskeuzes voor de komende jaren. Met nadruk hebben wij geen verdere beleidsaanbevelingen geformuleerd. De cijfers over Gelderland komen uit het in 2021 gepubliceerde rapport ‘Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel’. Hoewel het merendeel van het rapport vergelijkbaar is opgezet, zijn niet alle uitsplitsingen die voor Nijmegen zijn gemaakt, ook voor Gelderland gemaakt. Daardoor zijn bij sommige vragen niet alle vergelijkingen mogelijk.
Gezien de focus van dit rapport en de gegeven opdracht ligt het verder aanvullen van de cijfers van Gelderland buiten het bereik van dit rapport.
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
12
Hoofdstuk 2
OPENHEID & ACCEPTATIE In deze sectie gaan we in op de algemene acceptatie van LHBTIQ+ inwoners van Nijmegen. Hoe accepteren zij zichzelf en hoe open zijn zij over hun seksuele voorkeur of genderidentiteit?
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
13
2.1 OPENHEID EN ZELFACCEPTATIE Allereerst rapporteren we in Tabel 2.1 hoe open respondenten zijn over hun seksuele oriëntatie of genderidentiteit. We rapporteren ook het percentage dat een onvoldoende geeft aan hun openheid. Hetzelfde doen we in Tabel 2.2 voor het thema zelfacceptatie: in hoeverre accepteren respondenten hun LHBTIQ+-identiteit? Respondenten konden op alle vragen een antwoord geven met een cijfer tussen de 1 (helemaal niet) en 10 (helemaal wel).
Tabel 2.1: Openheid over seksuele voorkeur of genderidentiteit Gemiddelde rapportcijfer openheid over seksuele oriëntatie of genderidentiteit Gemiddelde Cijfer
Percentage onvoldoendes
Gelderland
7,97
12,0
Nijmegen
8,05
8,3
Homoseksueel
8,33
3,9
Lesbisch
8,55
2,4
Bi+
7,48
13,8
Cisgender
8,15
6,7
Niet-cisgender
7,18
17,8
Tabel 2.2: Mate van zelfacceptatie van LHBTIQ+ Gemiddelde rapportcijfer zelfacceptatie van seksuele oriëntatie of genderidentiteit Gelderland
Nijmegen
Totaal
9,09
9,00
Homoseksueel
9,26
9,24
Lesbisch
9,29
9,28
Biseksueel
8,71
Panseksueel/queer
8,85
Cisgender
9,21
Transgender
8,73
Nonbinair/genderfluïde/ genderqueer
8,26
8,60 9,16 8,06
Het gemiddelde cijfer voor openheid ligt in Nijmegen iets hoger dan in Gelderland met een verschil van 0,8. Homo’s en lesbiennes geven een hoger rapportcijfer voor openheid dan bi+ personen, en hetzelfde geldt voor niet-cisgender personen ten opzichte van cisgender. Ook het aantal onvoldoendes dat wordt gegeven is bij de gemiddeld minder open groepen opvallend hoger. Bij zelfacceptatie zien we een gelijksoortig patroon terugkomen. Cisgender personen geven meer dan een punt hoger aan hun zelfacceptatie dan niet-cisgender personen, en bij bi+ personen is het verschil meer dan een halve punt.4 Het verschil met de cijfers voor Gelderland is nauwelijks aanwezig, waardoor deze cijfers eerder lijken te duiden op een algemeen patroon dan een specifiek Nijmeegs fenomeen. Wel betekent dit dat ook in Nijmegen er nog niet zo veel openheid en zelfacceptatie gevoeld wordt door met name de bi+ en niet-cisgender personen. Zij durven nog niet zo gemakkelijk als lesbiennes en homo’s open te zijn over hun seksuele voorkeur of genderidentiteit.
4
Bij het welzijnsonderzoek LHBTIQA+ 2021 splitsten we biseksueel en panseksueel apart, en transgender/non-binair apart. In deze tabel zijn beide groepen samengenomen.
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
14
2.2 ERVAREN ACCEPTATIE DOOR DE OMGEVING In onderstaande tabel rapporteren we de antwoorden voor de vraag ‘kunt u aangeven in welke mate u als LHBT+’er geaccepteerd wordt in de onderstaande situatie?’ Hierop konden respondenten antwoorden met een cijfer tussen de 1 (geen acceptatie) tot 10 (gehele acceptatie). We geven het gemiddelde cijfer voor Gelderland en Nijmegen, met daarnaast het percentage onvoldoendes dat werd gegeven. Ook voor de groepen bi+ en niet-cisgender rapporteren we het percentage onvoldoendes.
Tabel 2.3: Ervaren acceptatie in sociale relaties en settings, uitgesplitst per provincie Gemiddelde rapportcijfers van ervaren acceptatie door LHBTIQA+’ers Gelderland
Nijmegen
Totaal
Totaal
Bi+
Niet-cisgender
Cijfer
%<6
Cijfer
%<6
%<6
%<6
Ouders
8,39
11,7
8,42
11,0
13,7
32,3
Broers/ zussen
8,80
7,6
8,91
5,1
10,0
13,4
Andere familieleden
8,08
11,0
8,02
9,0
13,6
27,1
Vrienden
9,28
2,2
9,46
1,6
0,0
3,0
Leerkrachten/ leidinggevenden
8,53
7,3
8,64
4,2
3,6
18,0
Klasgenoten/ collega’s
8,37
8,1
8,51
3,5
1,5
8,6
Tijdens het uitgaan
7,29
17,2
7,42
12,5
14,7
37,5
Op de sportvereniging
7,79
15,0
8,24
7,9
9,2
30,2
In de geloofsgemeenschap
5,64
47,9
6,00
43,1
45,7
58,3
In de buurt/ wijk
7,68
13,7
7,96
8,8
13,6
27,1
In de stad/ het dorp
7,36
15,6
8,16
3,7
4,1
15,0
Het algemene beeld geeft weer dat veel LHBTIQ+ hun acceptatie een zeer ruime voldoende geven. De meeste sociale relaties krijgen hoge cijfers (boven de 8,5) met een zeer laag percentage onvoldoendes. Voor publieke settings is het beeld iets anders. De rapportcijfers hiervoor liggen lager (rond de 7,5), met een uitschieter naar beneden voor de acceptatie in de geloofsgemeenschap (een 6). Het percentage onvoldoendes dat wordt gegeven is hier ook wat hoger. Met name ‘uitgaan’ en ‘geloofsgemeenschap’ krijgen een hoger aantal onvoldoendes. Bij het item ‘ik voel mij geaccepteerd in mijn stad/dorp’, geeft LHBTIQ+ Nijmegen dit gemiddeld een 8,16, waar heel Gelderland dit een 7,36 geeft: bijna 0,7 verschil, met ook een lager percentage onvoldoendes (3,7% t.o.v. 15,6% voor Gelderland). Het item ‘ik voel mij geaccepteerd in mijn buurt/wijk’ toont 0,3 punt verschil, hetgeen vergelijkbaar is met de andere items. Kennelijk wordt Nijmegen als een LHBTIQ+ vriendelijke stad ervaren, maar is het gevoel van acceptatie binnen de buurt niet heel anders dan elders. Binnen de LHBTIQ+ gemeenschap zien we grote verschillen. Als we kijken naar het percentage onvoldoendes gegeven door bi+ respondenten zien we een wisselend beeld: op sommige items geven zij een gelijk of minder aantal onvoldoendes dan LHBTIQ+-breed, maar op andere juist veel meer.
Ze ervaren minder acceptatie in familiaire kring (meest van broers/zussen en andere familieleden), maar evenveel acceptatie in de publieke settings school en werk: dit kan erop duiden dat bi+ respondenten in deze settings minder opvallen of – ook gezien hun lagere score voor openheid onder 2.1 – minder open zijn.
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
15
Voor niet-cisgender respondenten zien we dat het percentage onvoldoendes nog hoger is dan voor bi+ respondenten. Zowel in sociale relaties, zoals familie en ouders, als in de publieke settings. Wat opvalt is dat bijna 1 op de 3 niet-cisgender personen de relatie met diens ouders een onvoldoende geeft, tegenover 1 op de 10 gemiddeld. Ook op de sportvereniging, waar gemiddeld 1 op de 12 een onvoldoende geeft, geven niet-cisgender personen bijna 1 op de 3 keer een onvoldoende. Dit geeft aan dat er grote verschillen bestaan binnen de LHBTIQ+ gemeenschap.
2.3 DE ONTWIKKELING VAN ACCEPTATIE In het onderzoek vroegen we respondenten om na te denken of er in de afgelopen twee jaar iets veranderd was in de acceptatie van LHBTIQ+ in hun omgeving.5 Zij konden voor zowel LHB+ als TIQ+ aangeven of zij vonden dat de ontwikkeling (erg) positief, (erg) negatief of neutraal was. In onderstaande Tabel 2.4 rapporteren we de antwoorden, weergegeven als positief minus negatief.6 Net als bij het provincie-onderzoek, ervaren respondenten meer een positieve dan een negatieve ontwikkeling. De ontwikkeling die op het gebied van TIQ+ ervaren wordt, is sterker positief dan de ontwikkeling voor LHBP+. De ontwikkelingscijfers zijn voor Nijmeegse respondenten nog wat sterker positief dan voor heel Gelderland. Wat opvalt is dat jongeren minder sterk positief zijn over de ontwikkeling op het gebied van TIQ+. Jongeren tot 22 geven weliswaar een positieve ontwikkeling aan van +28,7, maar deze is veel lager dan die van de daaropvolgende leeftijdsgroep 23-35 jaar (+60,1). Een mogelijke verklaring zou kunnen liggen in het feit dat de jongste leeftijdsgroep zich meer zichtbaar opstelt maar vervolgens ook meer te maken krijgt met negatieve tegenreacties.
5
De tijdsspanne van twee jaar is ingegeven door de herhaalfrequentie van het welzijnsonderzoek in de provincie, dat in 2019 en 2021 werd uitgevoerd.
6
Alle respondenten werd gevraagd om antwoord te geven op zowel LHB+ als TIQ+, dus niet alleen op hun eigen seksuele voorkeur of genderidentiteit. De cijfers over TIQ+ zijn in het Welzijnsonderzoek 2021 niet uitgesplitst naar provincie, deze kunnen wij hier derhalve niet weergeven.
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
16
Tabel 2.4: Ontwikkelingsvraag acceptatie in omgeving Denkt u dat mensen in uw omgeving in de afgelopen 2 jaar negatiever of positiever zijn komen te staan tegenover mensen met een … (positief minus negatief) Gelderland
Nijmegen
lesbische, homoseksuele, biseksuele of panseksuele voorkeur
lesbische, homoseksuele, biseksuele of panseksuele voorkeur
transgender, intersekse of queer achtergrond
+27,2
+ 37,5
+ 45,1
22 en jonger
+ 63,1
+ 74,7
+ 28,7
23 t/m 34
+ 44,2
+ 39,9
+ 60,1
35 t/m 49
+ 12,3
+ 23,1
+ 52,8
50 t/m 65
+ 7,7
+ 15,0
+ 35,6
66 en ouder
+ 5,6
+ 14,1
+ 29,8
Niet gelovig opgevoed; niet gelovig nu
+ 30,2
+ 51,2
+ 56,3
Hetzelfde geloof nu als waarin opgevoed
+ 26,8
+ 31,5
+ 44,6
Gelovig opgevoed, nu niet gelovig of ander geloof
+ 19,9
+ 28,2
+ 35,9
Vrouw
+ 25,9
+ 40,1
+ 49,6
Man
+ 19,6
+ 28,0
+ 34,6
VMBO, LBO, MULO, ULU, MAVO
+ 31,7
-
-
MBO
+ 24,9
-
-
HAVO / VWO
+ 56,4
+ 63,0
+ 53,6
HBO
+ 9,1
+ 24,9
+ 43,1
WO
+ 26,1
+ 33,8
+ 49,8
Totaal Leeftijd
Religie
Cisgender geslacht
Hoogst behaalde opleiding
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
17
Hoofdstuk 3
(ON) VEILIGHEID In dit hoofdstuk zoomen we in op het issue veiligheid/onveiligheid. Eerst rapporteren we de antwoorden op vragen naar gevoelens van veiligheid, als indicatie van hoe veilig LHBTIQ+’ers in Nijmegen zich voelen. Daarna rapporteren we op daadwerkelijk ervaren ongewenst gedrag, en kijken we welke stappen LHBTIQ+’ers nemen als zij ongewenst gedrag ervaren hebben. Waar mogelijk vergelijken we in deze hoofdstukken de cijfers met die van 2014.
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
18
3.1 GEVOELENS VAN (ON)VEILIGHEID In de survey werd de vraag gesteld op welke plekken respondenten zich als LHBTI+’er onveilig voelden. De antwoordmogelijkheden waren nooit, zelden, soms en vaak. In onderstaande tabel rapporteren we de antwoorden ‘soms’ en ‘vaak’ gecombineerd, uitgesplitst naar seksuele voorkeur enerzijds en genderidentiteit anderzijds.
Tabel 3.1: Onveiligheidsgevoelens in Nijmegen, uitgesplitst per seksuele voorkeur en genderidentiteit Percentage respondenten dat zich soms tot vaak onveilig voelt op de volgende locaties in Nijmegen Homo
Lesbisch
Bi+
Cisgender
Nietcisgender
Op straat
33,2
37,4
42,3
34,2
53,0
In horecagelegenheden
25,6
26,1
29,0
24,5
35,7
In het openbaar vervoer
20,1
25,5
28,1
22,1
35,9
In het winkelcentrum
16,2
17,3
31,1
18,7
33,1
Op werk/ op school
15,9
6,2
21,6
12,9
28,5
Op de sportvereniging
8,7
4,9
4,6
5,3
23,0
In de LHBTI+-gemeenschap of -beweging
6,0
1,3
8,8
5,4
11,9
Bij mijzelf of bij anderen thuis
3,2
3,8
5,7
3,7
14,8
Soms tot vaak (%)
De meeste onveiligheidsgevoelens worden ervaren in de openbare ruimte. Een derde of meer van elke subgroep in Nijmegen voelt zich soms tot vaak onveilig op straat. Ook horeca en OV scoren hoog. De groep bi+ personen voelt zich op bijna alle plaatsen meer onveilig dan homo’s en lesbiennes. Opvallende uitschieters in de groep bi+ zijn het winkelcentrum en werk/school ten opzichte van de homoseksuele mannen en lesbische vrouwen. Lesbiennes voelen zich iets meer onveilig in de openbare ruimte dan homoseksuele mannen, waar vrouwen zich in het algemeen onveiliger voelen. Een aantal vrouwelijke respondenten geeft expliciet aan in de open antwoorden dat zij zich ook vanwege hun vrouw zijn vaker onveilig voelen. Homo mannen voelen zich juist opvallend meer onveilig op de sportvereniging (8,7% tegenover 4,9% van de lesbische vrouwen en 4,6% van de bi+ personen). Opvallend zijn ook hier weer de grote verschillen tussen cisgender en niet-cisgender respondenten. Meer dan de helft van de niet-cisgender respondenten voelt zich soms tot vaak onveilig op straat. Ook voor de andere openbare ruimten scoren niet-cisgender respondenten veel hoger.
Opvallend is daarnaast het veel hogere percentage respondenten dat zich in meer vertrouwde settings onveilig voelt: ruim 1 op de 4 voelt zich soms tot vaak onveilig op school of werk, ruim 1 op de 10 voelt zich onveilig binnen de LHBTIQ+ gemeenschap, en ruim 1 op de 7 voelt zich zelfs thuis soms tot vaak onveilig.
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
19
Op de vraag door welke gedragingen deze onveiligheidsgevoelens vooral veroorzaakt worden, antwoordden de respondenten zoals weergegeven in Tabel 3.2. Er mochten meerdere antwoorden worden aangekruist.
Tabel 3.2: Gedrag dat onveilig gevoel veroorzaakt in Nijmegen, uitgesplitst per seksuele voorkeur en genderidentiteit Door welke van de volgende gedragingen of zaken voelt u zich wel eens onveilig? (in %) Homo
Lesbisch
Bi+
Cisgender
Nietcisgender
Asociaal gedrag
77,0
75,5
71,8
75,6
70,9
Hangjongeren
73,7
75,6
57,7
69,0
66,0
Intimidatie
54,3
56,0
44,0
51,2
53,0
Schelden
57,3
51,2
49,5
52,9
60,3
Discriminatie
25,9
46,9
42,5
34,7
66,4
Roddels
25,9
31,3
37,8
27,7
58,6
Geweld
32,4
30,8
23,4
28,3
30,6
Uitsluiten
32,3
27,1
31,9
29,0
59,7
Pesten
22,4
21,8
33,2
24,3
34,0
Criminaliteit
27,3
23,8
16,5
22,9
20,9
Zeker 2 op de 3 respondenten die zich onveilig voelden, noemden asociaal gedrag of hangjongeren als oorzaak. Deze gedragingen veroorzaken de meeste onveiligheidsgevoelens. Intimidatie en schelden wordt door ongeveer de helft van de respondenten genoemd. De andere gedragingen komen minder vaak voor, maar blijven substantieel in hun bijdrage aan onveiligheidsgevoelens: zo’n 1 op de 4 a 5 respondenten kruisen deze mogelijkheden aan. De grootste verschillen tussen de groepen zijn te zien bij roddels, discriminatie en uitsluiting. Elk van deze wordt beduidend meer door niet-cisgender respondenten genoemd als reden voor onveiligheid. Onder deze groep lijkt dus een breder palet aan gedragingen te spelen als wortel van onveiligheid. Discriminatie en roddels worden door lesbische vrouwen en bi+ personen meer genoemd als reden voor onveiligheidsgevoelens dan door homoseksuele mannen.
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
20
3.2 ONTWIKKELING IN VEILIGHEIDSGEVOEL In onderstaande tabellen 3.3 en 3.4 rapporteren we de ontwikkeling van gevoelens van veiligheid in de omgevingen ‘stad’ en ‘wijk/buurt’, voor zowel Nijmegen als geheel als uitgesplitst naar seksuele voorkeur en genderidentiteit.
Tabel 3.3: Ontwikkeling veiligheid in Gelderland en Nijmegen Bent u zich als LHBTI+’er de laatste 2 jaar, meer of minder veilig gaan voelen in uw… (in %) (veel) minder veilig
Gelijk gebleven
(veel) veiliger
Weet ik niet/ nvt
veiliger minus onveiliger
GLD-Dorp/ stad
17,2
66,4
12,9
3,5
- 4,3
Nijmegen-Dorp/ stad
15,1
64,4
17,4
3,2
+ 1,7
GLD-Wijk/ buurt
10,5
71,6
13,5
4,5
+ 3,0
Nijmegen-Wijk/ buurt
8,4
70,5
16,4
4,8
+ 8,0
Tabel 3.4: Ontwikkeling veiligheid in wijk/buurt Nijmegen uitgesplitst naar seksuele voorkeur en genderidentiteit Bent u zich als LHBTI+’er de laatste 2 jaar, meer of minder veilig gaan voelen in uw wijk/buurt (in %) (veel) minder veilig
Gelijk gebleven
(veel) veiliger
Weet ik niet/ nvt
veiliger minus onveiliger
Homoseksueel
3,6
73,0
20,8
2,6
+ 17,2
Lesbisch
10,3
77,9
11,9
1,2
+ 1,6
Bi+
11,0
69,5
15,0
4,5
+ 4,0
Cisgender
6,4
74,4
14,7
4,5
+ 8,3
Niet-cisgender
18,3
55,7
20,6
5,3
+ 2,3
In Tabel 3.3 is duidelijk af te lezen dat meer LHBTIQ+ respondenten in Nijmegen een positieve ontwikkeling ervaren dan alle LHBTIQ+ respondenten in Gelderland. De ontwikkeling in de buurt wordt als positiever beoordeeld (8 procentpunten meer veiligheidsgevoel) dan in Nijmegen als geheel (+1,7 procentpunten). Nog altijd voelt 1 op de 7 zich minder veilig dan 2 jaar geleden in Nijmegen, en 1 op de 16 minder veilig in de buurt. Let wel: dit zegt alleen iets over het veiligheidsgevoel van LHBTIQ+ respondenten, en niet iets over het daadwerkelijke niveau van veiligheid of het meer of minder voorkomen van incidenten. Wanneer we kijken naar de verschillen in ervaren veiligheid in buurt/wijk binnen de gemeenschap (Tabel 3.4), zien we dat de vooruitgang vooral gevoeld wordt door homoseksuele mannen. Lesbische vrouwen ervaren vooral veel meer dat het gelijk gebleven is, en bi+ personen ervaren weliswaar iets meer toename in veiligheid (15%) maar ook veel meer toename in onveiligheid (11%). Voor genderidentiteit is de ontwikkeling ook positief, maar bijna evenveel niet-cisgender personen ervaren een negatieve als een positieve ontwikkeling. Het gevoel dat het niveau van veiligheid gelijk gebleven is in de afgelopen twee jaar, is veel lager voor niet-cisgender dan voor cisgender personen. Slechts een ruime helft van de niet-cisgender personen ervaart een gelijke situatie.
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
21
Ook hebben we de cijfers voor onveiligheidsgevoelens vergeleken met de Veiligheidsmonitor Hand in Hand voor Nijmegen uit 2014.7 Doordat er verschillende vraagstelling is gebruikt, kunnen we geen directe vergelijking trekken. In onderstaande tabel hebben we de categorieën die vergelijkbaar zijn bij elkaar gezet, met daarachter de frequentie waarin respondenten dit meemaken uitgedrukt in percentages.
Tabel 3.5: Vergelijking onveiligheidsgevoelens Nijmegen 2014 en 2021 2014: Voelt u zich hier wel eens onveilig vanwege uw genderidentiteit of seksuele oriëntatie? 2014: voelt u zich hier wel eens onveilig vanwege uw genderidentiteit of seksuele oriëntatie? 2021: hoe vaak voelt u zich als LHBTI+ er onveilig op de volgende plekken in de gemeente waar u woont?
Nooit + Een enkele keer (2014)
Nooit + Zelden (2021)
Soms
Regelmatig + Vaak (2014)
Vaak (2021)
Horecagelegenheden Lhbt horecagelegheden
2014
88
3
0
Overige horecagelegenheden
2014
82
14
4
In horecagelegenheden
2021
70
28
2
Winkel Tijdens winkelbezoek
2014
In het winkelcentrum
2021
90
6 79
2
21
0
Openbaar vervoer Bij een bushalte
2014
86
Op een NS station
2014
87
In het openbaar vervoer
2021
69
11
3
11
3
30
1
Werk/school Op het werk met collega’s
2014
94
4
2
Op het werk in contact met klanten, patiënten of leerlingen
2014
88
8
4
Op school
2014
89
7
5
Op het werk/Op school
2021
89
9
2
Sport Op een sportvereniging
2014
Op de sportvereniging
2021
87
10 88
12
4 1
De cijfers van 2021 zijn teruggewogen naar 2014 en daarmee louter bruikbaar voor de vergelijking. Gezien verschillen in dataverzameling, categorisering en vraagstelling moeten we voorzichtig zijn bij relatief beperkte verschillen.
Wanneer we kijken naar het onveiligheidsgevoel voor vergelijkbaar uitgevraagde gebieden, zien we indicaties van een toegenomen onveiligheidsgevoel in het openbaar vervoer, in winkels en in de horeca. Met name het aantal respondenten dat zich soms tot vaak onveilig voelt in het OV ligt zo’n 18% hoger in 2021 dan in 2014. Voor school/werk en sport lijkt de situatie eerder gelijk gebleven te zijn. De verschillen zijn echter te beperkt om uitgebreide conclusies te rechtvaardigen.
7
Veiligheidsmonitor Nijmegen 2014, p. 10.
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
22
3.3 SLACHTOFFERSCHAP In Tabel 3.6 rapporteren we de gecombineerde percentages voor de antwoorden ‘soms’ en ‘vaak’ op de vraag of LHBTIQ+’ers in Nijmegen slachtoffer waren van ongewenst gedrag vanwege hun seksuele geaardheid of genderidentiteit. Tabel 3.6: Slachtoffer van ongewenst gedrag in de afgelopen 2 jaar uitgesplitst per seksuele voorkeur en genderidentiteit
Percentage respondenten dat slachtoffer was van een vorm van ongewenst gedrag in Nijmegen Soms tot vaak (in %)
Homo
Lesbisch
Bi+
Cisgender
Nietcisgender
Afkeurende blikken
11,6
11,4
16,4
12,3
28,4
Afdoen als moeilijkdoenerij
10,2
5,9
23,9
11,4
33,8
Onderwerp van roddels en praatjes
2,7
3,4
8,9
3,3
16,5
Ongelijke behandeling
8,8
4,1
8,7
7,7
11,5
Uitgescholden, uitgelachen of gepest
7,5
3,1
1,5
4,7
1,4
Buitengesloten of vermeden
9,3
3,8
2,9
5,8
11,6
Cyberpesten via sociale media
1,4
5,2
3,0
2,4
8,8
Bedreiging
1,4
1,4
2,2
1,8
1,4
Cyberpesten via dating apps
3,1
1,4
1,9
1,9
3,9
Cyberpesten via mail
0,0
1,4
2,2
0,5
0,0
Seksuele mishandeling
1,0
1,4
0,0
1,5
0,0
Lichamelijke mishandeling
0,4
0,3
0,5
1,5
0,0
Bekladding, vernieling van eigendommen
0,0
1,4
0,0
0,5
0,0
Afkeurende blikken en afdoen als moeilijkdoenerij worden het vaakst ervaren door LHBTIQ+’ers. Zeker 1 op de 10 LHBTIQ+’ers krijgt hiermee te maken, en dit percentage ligt significant hoger voor bi+ en niet cisgender personen: 1 op de 4 bi+ personen en 1 op de 3 niet-cis personen zegt de afgelopen twee jaar soms tot vaak te maken hebben gehad met mensen die hun seksuele voorkeur of genderidentiteit beschouwen als moeilijkdoenerij. Bij meer directe vormen van uitsluiting, zoals uitschelden, buitensluiten of roddels, liggen de percentages iets lager. Opvallend is dat homoseksuele mannen op uitschelden en buitensluiten veel hoger scoren dan lesbische vrouwen en bi+ personen. Ook niet-cisgender personen scoren hoger op roddels en buitensluiten, maar zeer laag op uitschelden. Zo’n 1 op de 12 respondenten ervaart ongelijke behandeling of discriminatie; ook hier ervaren lesbiennes dit minder, en niet-cisgender personen het meest. De meest ernstige vormen, zoals geweld en bedreiging, komen (gelukkig) nauwelijks voor, een enkeling op de honderden ondervraagden.
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
23
3.4 ONTWIKKELING IN SLACHTOFFERSCHAP In de enquête vroegen we respondenten of zij, naar hun eigen inschatting, meer of minder te maken hadden gekregen met ongewenst gedrag. In Tabel 3.7 worden de percentages weergegeven. Tabel 3.7: Ontwikkelingsvraag ongewenst gedrag, uitgesplitst naar seksuele voorkeur en genderidentiteit Heeft u als LHBTI+ ‘er de laatste 2 jaar, meer of minder te maken gekregen met ongewenst gedrag? % (veel) minder
Gelijk gebleven
(veel) meer
Weet ik niet/ nvt
minder minus meer ongewenst gedrag
Gelderland
16,4
62,8
13,4
7,4
3,0
Nijmegen
20,0
64,3
9,5
6,2
10,5
Homoseksueel
22,9
71,4
4,9
0,8
18,0
Lesbisch
13,1
65,7
12,3
9,0
0,8
Bi+
21,1
57,1
23,9
6,9
- 2,8
Cisgender
18,9
67,8
8,3
5,0
10,6
Niet-cisgender
25,1
43,1
21,6
10,2
3,5
Het is duidelijk dat in Nijmegen de ervaren verandering in ongewenst gedrag 2019 en 2021 meer is verbeterd dan in Gelderland. Ruim 1 op de 10 respondenten signaleert een afname, hetgeen ruim meer is dan de 1 op de 30 Gelderland-breed. Het meest opvallend om te zien is dat de toename niet betekent dat alle groepen een zo grote vooruitgang ervaren. Wederom ervaren de homoseksuele mannen het sterkst een afname van slachtofferschap. Lesbische vrouwen ervaren in zijn totaliteit eerder evenveel ongewenst gedrag, en bi+ personen ervaren zelfs een lichte toename van ongewenst gedrag. Ook wanneer we respondenten verdelen naar cisgender en niet-cisgender is het duidelijk dat de toename die wordt ervaren, vooral toe te schrijven is aan de cisgender respondenten.
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
24
Ook hebben we een vergelijking gemaakt met de eerdere veiligheidsmonitors uit 2008/2009 en 2014.8 In Tabel 3.8 vergelijken we de percentages respondenten die minimaal 1 strafbaar incident hebben meegemaakt. De cijfers voor 2021 zijn teruggewogen naar de respons van 2014, om de vergelijkbaarheid en betrouwbaarheid te vergroten.9 Deze rapporteren we in de derde kolom: deze cijfers zijn alleen bruikbaar voor de vergelijking met 2014. In de vierde kolom rapporteren we de cijfers voor 2021 zoals deze al eerder in Tabel 3.6 zijn gerapporteerd.
Tabel 3.8: Minimaal 1 keer slachtoffer van ongewenst gedrag Heeft u als LHBTI+ ‘er de laatste 2 jaar, meer of minder te maken gekregen met ongewenst gedrag? (in %) 2014:Percentage respondenten dat in de afgelopen 1,5 jaar een of meerdere incidenten hebben meegemaakt.1 2021: In welke mate bent u afgelopen 2 jaar slachtoffer geworden van ongewenst gedrag vanwege uw seksuele voorkeur en/of genderidentiteit (niet nooit op minimaal 1 van 5 opties2).
2008/2009 4
20144
2021 – gewogen naar 20145
2021 - gewogen naar bevolking
Totaal
53
46
51
55
Homoseksueel
51
43
44
50
Lesbisch
52
40
56
54
Biseksueel
56
53
58
58
Transgender3
-
64
79
82
1) Uitlachen, schelden, pesten, ongelijke behandeling, fysieke bedreigen, mishandeling, vernieling 2) Uitgescholden, uitgelachen of gepest; ongelijke behandeling; bedreiging; bekladding/vernieling van eigendommen; lichamelijk mishandeling. 3) In 2014 transgender, in 2021 hanteren we een bredere definitie, maar hier is de nauwe definitie gebruikt (n=14 vs n=18), omdat we weten dat non-binair, fluid, queer met meer incidenten te maken hebben over het algemeen. 4) Uit Tabel 4.3 rapportage 2014. 5) De cijfers van 2021 zijn teruggewogen naar 2014 en daarmee louter bruikbaar voor de vergelijking. Gezien verschillen in dataverzameling, categorisering en vraagstelling moeten we voorzichtig zijn bij relatief beperkte verschillen.
De resultaten uit Tabel 3.8 geven aan dat het aantal respondenten dat in de afgelopen jaren incidenten meemaakte, schommelt rond de 50%. De verschillen tussen de groepen zijn wel opvallend, aangezien met name de percentages voor lesbische vrouwen en transgenders veel hoger zijn tussen 2014 en 2021. In het bijzonder bij de transgendersubpopulatie kan dit te maken hebben met toegenomen aandacht na 2014 voor dit onderwerp en het mogelijk ook meer open durven zijn in de openbare ruimte. Toenemende tolerantie gaat wel vaker handin-hand met toenemend geweld als ‘backlash’. Gezien de beperkte aantallen respondenten en de verschillen in vraagstelling moeten we echter voorzichtig blijven.
8 9 10
Veiligheidsmonitor 2014, p. 16 (Tabel 4.3). De cijfers over 2008/2009 zijn overgenomen uit de rapportage van 2014. Voor meer informatie over de weging, zie Sectie 1.1. (p. 10-12). Veiligheidsmonitor 2014, p. 17 (Tabel 4.4).
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
25
Ook keken we naar het percentage respondenten dat nooit een incident meemaakte in de afgelopen 2 jaar, samengevat in Tabel 3.9.10 Ook bij deze tabel zijn de resultaten voor 2021 eerst gewogen naar de respons van 2014, en is de derde kolom niet bruikbaar buiten deze tabel.
Tabel 3.9: Geen slachtoffer van ongewenst gedrag Heeft u als LHBTI+ ‘er de laatste 2 jaar, meer of minder te maken gekregen met ongewenst gedrag? (in %) 2008/2014: Percentage respondenten dat in de afgelopen 1,5 jaar het volgende incident nooit hebben meegemaakt. (antwoorden: nooit, 1-2, 3-4, >5) 2021: Percentage respondenten dat de afgelopen 2 jaar nooit slachtoffer is geworden van ongewenst gedrag vanwege seksuele voorkeur en/of genderidentiteit (antwoorden: nooit; wel eens; regelmatig; vaak)
2008
20141
2021 – gewogen naar 20142
2021 - gewogen naar bevolking
2008; 2014
2021
Uitgelachen, uitgescholden, gepest
Uitgescholden, uitgelachen of gepest
52
60
58
58
Ongelijk behandeld
Ongelijke behandeling
83
85
71
64
Fysiek bedreigd
Bedreiging
93
94
86
82
Fysiek mishandeld
Lichamelijke mishandeling
99
99
96
94
Slachtoffer vernieling
Bekladding/vernieling van eigendommen
96
98
97
93
1) Uit Tabel 4.4 rapportage 2014. 2) De cijfers van 2021 zijn teruggewogen naar 2014 en daarmee louter bruikbaar voor de vergelijking. Gezien verschillen in dataverzameling, categorisering en vraagstelling moeten we voorzichtig zijn bij relatief beperkte verschillen.
Voor de deelgebieden uitgescholden, uitgelachen of gepest, mishandeling en vernieling is geen duidelijke conclusie over toe- of afname te trekken. Bij (fysieke) bedreiging zien we een lichte afname van het aantal mensen dat dit nooit meemaakte in de afgelopen 1,5 of 2 jaar. Vooral op het gebied van ongelijke behandeling zien we echter een sterke afname van het antwoord ‘nooit’. Gezien het feit dat de andere cijfers juist redelijk vergelijkbaar zijn, is dit een indicatie dat LHBTIQ+ respondenten in het onderzoek van 2021 meer discriminatie ervaren dan de LHBTIQ+ respondenten in 2014 en 2008/2009. Concluderend kunnen we zeggen dat de verschillen tussen 2008, 2014 en 2021 niet groot genoeg zijn om solide conclusies over toe- of afname te trekken. Vooral gezien de verschillen tussen de respondenten en de verschillen tussen de vraagstelling, moeten we voorzichtig zijn met het poneren van al te sterke conclusies. Belangrijkste conclusie die mogelijk te trekken is: we vinden geen indicatie van duidelijk toegenomen veiligheid ten opzichte van 2014 of 2008/2009. In het bijzonder in het openbaar vervoer en in het bijzonder voor lesbische vrouwen en transgender respondenten vinden we indicaties van toegenomen onveiligheid, wat mogelijk geworteld is in meer fysieke bedreiging. Ook voor ervaren ongelijke behandeling vinden we indicaties van toename.
Dit zijn gebieden die extra aandacht kunnen behoeven van de gemeenten en relevante instanties.
10
Veiligheidsmonitor 2014, p. 17 (Tabel 4.4).
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
26
3.5 HANDELINGSREACTIES OP SLACHTOFFERSCHAP EN MELDGEDRAG Aan respondenten die een vorm van ongewenst gedrag hadden ervaren werd ook gevraagd wat zij tegen dit ongewenste gedrag hadden gedaan. In onderstaande tabel geven we de resultaten uitgesplitst naar zowel seksuele voorkeur als genderidentiteit Tabel 3.10: Handelingsreacties op slachtofferschap Wat heeft u naar aanleiding van het ongewenste gedrag gedaan? (meerdere opties mogelijk) (in %) Gelderland
Nijmegen
Totaal
Totaal
Homo
Lesbisch
Bi+
Cisgender
Nietcisgender
Ik heb er niks mee gedaan
59,5
59,9
52,9
67,4
56,2
60,1
66,1
Ik heb hulp gezocht bij familie/ vrienden
20,9
23,0
18,0
22,5
31,5
20,4
35,8
Ik ben zelf het gesprek aangegaan met de daders
17,5
19,3
23,7
9,9
21,6
17,4
25,5
Ik heb het gemeld bij een betrokken instantie
9,9
10,1
12,8
5,8
11,0
7,8
10,9
Ik heb hulp gezocht bij omstanders
5,2
7,3
10,2
5,9
5,1
7,0
5,0
Ik heb aangifte gedaan bij de politie
4,3
3,1
3,2
4,1
3,3
3,3
3,0
Ik heb het gemeld bij een LHBTI-belangenorganisatie
4,0
2,9
0,6
3,4
6,0
1,8
5,0
Ik heb het gemeld aan een onafhankelijk instantie
3,0
1,5
2,0
0,0
3,1
1,4
3,0
Bijna 60% van de respondenten in Nijmegen doet niets. Daarna wordt het vaakst gekozen voor hulp zoeken bij familie of vrienden (23%) of zelf het gesprek aangaan met daders. Melden gebeurt niet vaak, en als het gebeurt meestal alleen bij de betrokken instantie. Wanneer we kijken naar alle meldopties, geeft 13,9% van de respondenten aan op minimaal 1 plek (betrokken instantie, onafhankelijke instantie, politie, belangenorganisatie) een melding te hebben gedaan. Deze score ligt iets lager dan die voor het provincie-onderzoek (15,4%). Bij de antwoorden op de open vragen geeft een deel van de respondenten aan dat het melden niet laagdrempelig is en dat zij vinden dat instanties waar je je kunt melden weinig kennis hebben van LHBTIQ+ issues. Zo geven respondenten aan dat zij het niet gemakkelijk vinden om te melden en geven diverse respondenten aan behoefte te hebben aan een meldpunt of luisterlijn voor LHBTIQ+ personen. Ook wil men graag weten wat er met meldingen gebeurt. Respondenten geven ook aan dat er weinig kans is op vervolging van discriminatie en geweld rondom LHBTIQ+, en dat dit de drempel verhoogt om te melden bij de politie. Als we kijken naar de verschillen tussen de groepen, zien we vooral dat lesbische vrouwen (67,4%) minder vaak iets doen dan homoseksuele mannen (5,9%).
Vrouwen vermijden voornamelijk het gesprek met de dader aangaan of het melden bij een betrokken instantie. Zij stappen dan wel weer vaker naar de politie of LHBTI+-belangenorganisatie. Mogelijk voelen lesbische vrouwen zich minder veilig om alleen het gesprek aan te gaan. Ook niet-cisgender personen handelen minder vaak dan cisgender personen. Maar als zij handelen, kiezen ze vaak voor meerdere opties: zo zoeken ze vaker steun bij familie en vrienden en gaan ze ook vaker over tot het doen van een melding. Ook zwaardere vormen van criminaliteit worden niet per se gemeld. Van de mensen die een van de vormen van mishandeling hebben meegemaakt (zie Tabel 3.3) is nagegaan dat van hen slechts 1 op de 3 een melding heeft gemaakt (32,1%). Slechts 19,5% doet aangifte van mishandeling bij de politie. 2 op de 3 LHBTIQ+’ers voelt zich dus niet veilig genoeg om melding te maken van ernstige strafbare feiten. Dit is vergelijkbaar met de percentages in het Welzijnsonderzoek voor de provincies en de percentages in de landelijke LHBT-Monitor.11 11
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ 2021, p. 31; LHBT-Monitor 2022, p. 45.
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
27
3.6. RESPONDENTEN OVER VEILIGHEID VERGROTEN Ook vroegen we respondenten in een open vraag wat hen zou kunnen helpen om veiligheid te vergroten of de gevolgen van discriminatie te verminderen. Veel Nijmeegse antwoorden zoomen in op zichtbaarheid: zowel van regenboogsymbolen zoals vlaggen als LHBTIQ+’ers in publieke posities of de media. Ook adviseren respondenten vaak voorlichting aan zowel scholieren als mensen in een publieke functie, zoals politie- en zorgmedewerkers. De voorlichting aan mensen in een publieke functie is vooral ook nodig om meer begrip te creëren en daarmee tevens de meldingsbereidheid bij incidenten te verhogen. Een aantal respondenten vertelt iets over hun persoonlijke ervaringen. Diverse lesbiennes vertellen dat zij zich in openbare ruimtes ook onveilig voelen omdat zij vrouw zijn. Een homoseksuele man antwoordt dat hij vrijwel nooit discriminatie meemaakt, maar dat dat volgens hem komt omdat hij er niet uitziet als een stereotype homo. Ook zijn er een aantal respondenten die een koppeling leggen tussen zelfvertrouwen en veiligheidsgevoel. Een respondent zegt bijvoorbeeld: 'Ik denk dat het mij helpt als ik gewoon hand in hand over straat blijf lopen, de dingen blijf doen die voor mij goed voelen ongeacht de reacties die daarop komen.
Ik wil me er niet teveel door laten beïnvloeden en beperken.' Een meer concrete suggestie die naar voren komen uit de open vragen is het creëren van een veilige plek voor LHBTIQ+’ers. Meerdere respondenten benoemen een ‘safe space’, die ervoor kan zorgen dat zij zich ook veiliger voelen op andere plekken. Ook vindt een aantal respondenten het een goed idee om meer beveiliging in te zetten in het uitgaansleven, waarbij die beveiliging dan wel getraind moet zijn in LHBTIQ+ issues.
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
28
Hoofdstuk 4
SPORT Het gevoel van acceptatie en veiligheid in een sportomgeving is een van de thema’s waar in het provincie-onderzoek meer diepgaand op ingegaan is. Ook voor Nijmegen is sport een belangrijk thema. In 2022 zijn de Eurogames georganiseerd in Nijmegen, een sportevenement waar ook LHBTIQ+’ers uitgenodigd worden om aan deel te nemen. Maar hoe ervaren Nijmeegse LHBTIQ+’ers acceptatie in de sport?
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
29
4.1. SPORTGEDRAG Niet alle respondenten van het onderzoek doen aan sport. We hebben aan alle respondenten gevraagd of zij sporten, en of zij dat doen binnen een vereniging of daarbuiten. Bij sporten binnen een sportvereniging of sportschool moet gedacht worden aan bijvoorbeeld teamsport, maar ook dansen, atletiek, turnen, zwemmen en fitness in een sportschool/gym. Bij sporten buiten een vereniging gaat het bijvoorbeeld om hardlopen of wielrennen buiten clubverband.
Tabel 4.1: Percentages sportende LHBTIQ+’ers in Nijmegen, uitgesplitst naar seksuele voorkeur en genderidentiteit Sportgedrag en vorm Homo
Lesbisch
Bi+
Cisgender
Nietcisgender
Wel lid van sportvereniging of sportschool
40,9
50,0
39,0
44,2
27,9
Niet lid van een sportvereniging, wel sporten
38,6
17,2
25,6
28,6
33,2
Niet lid van sportvereniging, niet sporten
20,5
32,8
35,3
27,2
38,9
Een derde van de lesbische vrouwen en bi+ personen geeft aan niet te sporten. Bij homoseksuele mannen geeft 1 op de 5 aan niet te sporten. Bij de niet-cisgender personen ligt het percentage (38,9%) van mensen die niet sporten veel hoger dan bij cisgender personen (27,2%). Homoseksuele mannen sporten het vaakst, met bijna 80%; bi+ personen en niet-cisgender respondenten sporten het minst, met zo’n 60%. De helft van de lesbische vrouwen sport in verenigingsverband of bij de sportschool. Homoseksuele mannen sporten daarentegen bijna even vaak binnen als buiten de sportschool: ongeveer 2 op de 5. Het percentage (40,9%) homoseksuele mannen dat bij een vereniging of sportschool sport, is beduidend lager dan bij lesbische vrouwen. Niet-cisgender personen sporten relatief weinig bij een vereniging of sportschool (27,9%) ten opzichte van cisgender respondenten (44,2%). Ruim een derde van de niet-cisgender personen sport wel maar buiten een vereniging. Hieraan is te zien dat transgender en non-binaire personen zich minder thuis voelen in de sportclubs, en ook vaker niet sporten. Als zij sporten, doen zij dit veelal buiten verenigingsverband en vermoedelijk individueel.12
12
Vergelijkbare resultaten bieden onderzoek van NOC/NSF (2020) en het Mulier instituut (Cremers & Elling 2021).
Welzijn en veiligheid van regenboog-Nijmegen
30
Aan de respondenten die aangaven niet (in verenigingsverband) te sporten hebben we expliciet gevraagd of dit te maken heeft met hun LHBTI+-achtergrond. De resultaten hiervan zijn te vinden in Tabel 4.2.
Tabel 4.2: Relatie LHBTIQ+ en sportmijdend gedrag Heeft het te maken met uw LHBTI-achtergrond dat u niet lid bent van een sportvereniging of sportschool OF niet sport? (in %) Niet lid van een vereniging maar wel sporten
Niet lid en sport ook niet
Gelderland
Nijmegen
Gelderland
Nijmegen
Nee
77,8
63,8
82,7
82,3
Gedeeltelijk
18,1
31,1
12,1
9,5
Ja
2,2
2,6
3,0
6,8
Weet ik niet
2,0
2,4
2,1
1,3
Over het geheel geeft 1 op de 6 niet-sportende respondenten aan dat hun seksuele voorkeur/genderidentiteit een rol heeft gespeeld in het niet sporten en niet in clubverband te sporten. Dit komt overeen met het beeld van Gelderland-breed. Wanneer we kijken naar de LHBTIQ+’ers in Nijmegen die wel sporten maar niet lid zijn van een vereniging, is het opvallend dat relatief veel van hen aangeven dat hun seksuele voorkeur/genderidentiteit invloed heeft gehad op de keuze om niet in verenigingsverband te sporten. In verhouding met Gelderland ligt dit percentage Nijmegen 13,4 procentpunten hoger.
Tabel 4.3: Keuzes in sportgedrag, uitgesplitst per seksuele voorkeur en genderidentiteit Vanwege mijn LHBTI+ achtergrond….
stellingen (% ja) Gelderland
Nijmegen
Totaal
Totaal
Homo
Lesbisch
Bi+
Cisgender
Nietcisgender
Heb ik bepaalde sporten bewust vermeden
26,4
29,6
44,6
8,8
24,9
26,1
53,7
Ben ik gestopt met een bepaalde sport beoefenen
15,3
15,6
18,7
13,6
5,6
13,2
32,3
Ben ik van team veranderd
1,8
0,7
0,0
2,5
0,0
0,8
0,0
Ben ik van sportvereniging veranderd
4,4
2,1
3,4
2,5
0,0
2,6
0,0
Sport ik buiten mijn eigen gemeente
7,2
4,4
5,6
3,7
3,2
3,8
9,9
Sport ik bij een LHBTI+-team of -vereniging
5,2
6,8
15,0
0,0
1,5
7,8
2,6
We zien dus dat een LHBTIQ+-achtergrond verhindert om een sport te beginnen. Maar zoals in Tabel 4.3 te zien, kan het ook ervoor zorgen dat respondenten specifieke sporten mijden of zelf helemaal stoppen met een bepaalde sport. Net als Gelderland-breed, dragen ook hier de niet-cisgender respondenten uit Nijmegen een zwaardere last. Zo geeft zeker de helft van hen aan bepaalde sporten vermeden te hebben vanwege hun identiteit. Dat is veel vaker dan de cisgender respondenten (1 op de 4). Daarnaast is ruim 1 op de 3 niet-cisgender respondenten gestopt met het beoefenen van een bepaalde sport. Bij de cisgender respondenten ligt dit aantal lager, namelijk 1 op de 8. Tot slot vallen de homoseksuele mannen uit Nijmegen op. In vergelijking tot bi+ personen, maar ook zeker tot lesbische vrouwen, vermijden zij sport veel vaker. Ruim 44% van de homoseksuele mannen geeft aan een bepaalde sport vermeden te hebben. Voor bi+ personen en lesbische vrouwen zijn de percentages respectievelijk 24,9% en 8,8%. Echter sporten er relatief veel homoseksuele mannen (15%) bij een LHBTIQ+ sportvereniging in vergelijking tot bi+ personen (1,5%) en lesbische vrouwen (0%).