CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening Wmo en Jeugd 2023 DROP

Besluitronde (raadsvergadering) 21 december 2022, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Nijmegen 2023 (103/2022)36.061 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

rechtszekerheid en voorkomt de situatie waarin het recht oneindig open zou moeten staan. Een periode van zes maanden moet ruim voldoende zijn voor de cliënt het pgb te besteden. Artikel 13. Regels voor pgb-beheer In de praktijk komt het regelmatig voor dat cliënten ondersteuning hebben bij het beheren van het pgb. Deze ondersteuning mag niet betaald wordt uit het pgb. In dit artikel zijn enkele nadere eisen opgenomen waar

pgb-beheer aan moet voldoen. Bovendien is verduidelijkt dat pgb-beheer de cliënt kan ondersteunen, maar

niet in de plaats van de cliënt treedt. Dit blijkt uit de woorden "met hulp uit…" in artikel 2.3.6 lid 2 sub a van de Wet. Als de cliënt in het geheel geen regie kan voeren, is het pgb niet de aangewezen verstrekkingsvorm. De combinatie van zorgverlener en pgb-beheerder in één persoon of instantie is daarnaast, gezien de belangenverstrengeling, onwenselijk en niet toegestaan.

Artikel 14. Regels voor pgb-professional Als de budgethouder (cliënt) met zijn pgb een professionele zorgaanbieder inschakelt, is het in ieders belang dat deze aanbieder zich niet aan kwaliteitskaders kan onttrekken, omdat hij niet gecontracteerd is bij de

gemeente. Ook via de pgb constructie dient de cliënt kwalitatief goede zorg en ondersteuning te ontvangen.

Het college dient zich te vergewissen van die kwaliteit. Om die reden worden in de verordening kwaliteitseisen opgenomen voor de professionele aanbieder die via een pgb wordt ingeschakeld.

De eis in het vijfde lid wordt gesteld omdat de gemeente veel waarde hecht aan “één huishouden, één plan” en aan een optimale samenhang tussen zorg en welzijn door professionals evenals informele zorg en ondersteuning. Tevens is van belang de samenwerking met de lokale toegangspoort en een gezamenlijke/eenmalige intake.

De eis in het zesde lid wordt gesteld, omdat het belangrijk is dat iedereen zijn eigen mogelijkheden benut en dat iedereen zijn eigen verantwoordelijkheid neemt. Het streven hierbij zouden maximale zelfregie en samenredzaamheid moeten zijn.

Artikel 15. Regels voor pgb sociaal netwerk Dit artikel ziet specifiek op de situatie waar hulp of ondersteuning wordt ingekocht bij het sociaal netwerk. Tot

het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Bij deze laatste groep kan gedacht worden aan familieleden die niet in hetzelfde huis wonen, buren, vrienden, kennissen, etc. Daarbij is van belang dat in de nota naar aanleiding van het

verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk

ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. De cliënt legt een schriftelijk document over waarin het voorgaande gemotiveerd wordt.

Overeenkomstig de huidige praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. In geval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd, is voor

gemeenten van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt als naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

Mantelzorg is informele zorg die door het eigen netwerk wordt geboden en dit gaat dus voor op een

maatwerkvoorziening. Aan de keuze tussen zorg in natura en een pgb gaat vooraf of naast de bijdrage van het eigen netwerk aanvullend extra ondersteuning nodig is in de vorm van een maatwerkvoorziening. Als dat het geval is, heeft de cliënt de keuze tussen zorg in natura of een pgb.

In beginsel is het gezien de volgorde niet logisch dat iemand uit het eigen netwerk de ondersteuning in het

kader van het pgb gaat uitvoeren als in een eerder stadium al is afgesproken wat mensen uit het eigen netwerk (onbetaald) willen betekenen voor de cliënt.

Uitzonderingen op dit uitgangspunt zijn denkbaar. Bijvoorbeeld als de mantelzorger zijn baan opzegt om te

kunnen zorgen voor een naaste. Het is echter niet mogelijk om de uitzonderingen te vangen in algemene, voor

iedereen geldende voorwaarden. Niet voor iedereen die zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste komt in aanmerking voor een pgb. Het blijft altijd maatwerk.

Voor de tarieven is aansluiting gezocht bij de oude Regeling subsidies AWBZ, welke bedragen sindsdien zijn

geïndexeerd. Voor gezinsleden binnen hetzelfde huishouden als de aanvrager kan de gemeente gebruik maken van de bepalingen rond die zijn vastgelegd in het protocol Gebruikelijke Zorg.

Artikel 16. Bijdrage in de kosten (Wmo 2015) De gemeente mag van cliënten een bijdrage in de kosten vragen voor maatwerkvoorzieningen op het terrein van maatschappelijke ondersteuning in natura en in de vorm van een pgb alsmede voor algemene

voorzieningen. In de financiële bijlage wordt een aantal maatwerkvoorzieningen genoemd die uitgesloten zijn van een bijdrage in de kosten.

In het derde lid is het uitgangspunt benadrukt dat de bijdrage de kostprijs van de voorziening niet mag overstijgen: de gemeente mag geen winst maken op de bijdragen.

In het vierde en vijfde lid is uiteengezet hoe de kostprijs tot stand komt. In het zesde lid zijn de bedragen en percentages van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard.

In het zevende lid is gevolg gegeven aan artikel 2.1.4, zevende lid, van de Wmo 2015 waar is bepaald dat in de verordening wordt bepaald welke instantie de bijdrage voor een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb voor opvang vaststelt en int.

In het achtste en negende lid is de mogelijkheid van artikel 2.1.5 van de Wmo 2015, om de bijdrage ook aan de ouders van minderjarige cliënten op te leggen, benut.

Artikel 17. Jaarlijkse waardering mantelzorgers en pleegouders Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de Wmo 2015. Hierin is

opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorgdraagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.

Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening,

maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om

mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen.

Per 1 januari 2021 is het artikel aangevuld met een jaarlijkse blijk van waardering voor pleegouders. Dit is een initiatief naar aanleiding van een raadsmotie ter waardering van de waardevolle zorg door pleegouders.

Artikel 18. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de Wmo 2015. Daarin is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een beperking of chronische

psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.

Deze tegemoetkoming is niet kostendekkend maar geeft de cliënt wel het voordeel dat hij zelf een bedrag in

handen krijgt waarmee meer eigen regie heeft bij de inkoop van de gewenste voorziening. Indien hij het geld niet aanwendt voor dit doel, kan op grond van de subsidietitel van de Awb worden gehandhaafd. Indien hij

later wederom een aanvraag zou doen voor maatschappelijke ondersteuning, zonder dat er nieuwe feiten of omstandigheden in zijn situatie zijn, kan deze aanvraag worden afgewezen op grond van de Awb onder verwijzing naar de eerdere beschikking ter verstrekking van de tegemoetkoming.

Op grond van het tweede lid kan het college bij besluit bepalen in welke gevallen een tegemoetkoming wordt

verstrekt en wat de hoogte daarvan is. Door het vastleggen bij besluit is voor de burger op voorhand duidelijk op welke tegemoetkoming hij recht heeft.

Artikel 19. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de

Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld

aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van Wmo voorzieningen bij de gemeente en de

aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan

aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid,

onder c, van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de Wmo 2015 en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.

In het vijfde lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt.

Dit artikel ziet alleen op maatschappelijke ondersteuning. De kwaliteitseisen voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen zijn opgenomen in paragraaf 4.1 van de Jeugdwet.

Het in het zevende lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de Wmo 2015. Artikel 2.10 van de Jeugdwet verklaart dit artikel van overeenkomstige toepassing, dus deze verplichting geldt ook voor de Jeugdwet.

Artikel 20. Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar,

bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015 onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking

van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de Wmo 2015 is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.

In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 18 dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het zesde lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

De melding van calamiteiten en geweld in de jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering is landelijk uniform geregeld in de Jeugdwet. Als toezichthouder is de inspectie jeugdzorg aangewezen. In aanvulling

daarop is in de verordening ook de bevoegdheid opgenomen voor het college om een toezichthouder in het kader van de Jeugdwet aan te wijzen.

Artikel 21. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van

de cliënt, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging

van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden.

Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een

aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening

dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de

vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.

De tekst is aangepast aan het gewijzigde artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Om bij de inkoop enige flexibiliteit te houden, is niet te gedetailleerd uiteengezet welke kostencomponenten een rol moeten

spelen. Reizen, opleidingen en administratieve verplichtingen (waaronder rapporteren) vallen onder de noemer overhead.

Artikel 22. Klachtregeling De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van

mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar

verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de

afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan.

In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de

afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening

genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de Wmo 2015). In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend

voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze

waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder).

Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de

betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in

behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open.

De Jeugdwet kent deze verordenende verplichting voor de gemeente aangaande de aanbieders niet, maar

beschrijft in paragraaf 4.2a het klachtrecht betreffende jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen. In

de regel zal eerst de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de wijze van behandeling, op grond van de Jeugdwet. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend is, komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in

zicht. De gemeente heeft geen toezichthoudende functie voor de klachtregelingen van de jeugdhulpaanbieders.

Artikel 23. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in

ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap

van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is.

In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de

aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten.

In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de Wmo 2015).

In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.

De medezeggenschap bij aanbieders van jeugdhulp en gecertificeerde instellingen is in de Jeugdwet geregeld (zie paragraaf 4.2.b).

Artikel 24. Controle Op grond van artikel 2.3.6, vierde lid, van de Wmo 2015 en artikel 2.9, onderdeel d, van de Jeugdwet dienen in de verordening regels te worden gesteld over de bestrijding van ten onrechte ontvangen van

maatwerkvoorzieningen (natura of pgb), alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Essentieel

daarbij is dat het college periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op

grond van de wet. De grondslag om toezichthouders aan te wijzen op grond van de Wmo 2015, vloeit voort uit artikel 6.1 van die wet. In dit artikel van de verordening wordt de basis gevormd voor de aanwijzing van

toezichthouders rechtmatigheid op grond van de Jeugdwet. Toezicht op de kwaliteit van jeugdhulp is belegd bij de IGJ.

Artikel 25. Reikwijdte De gemeente is verantwoordelijk voor toezicht en handhaving op het bij of krachtens de Wmo 2015 gestelde

en de Jeugdwet voor zover het rechtmatigheid betreft. In dit artikel wordt ondubbelzinnig weergegeven hoe de gemeente de reikwijdte van deze verantwoordelijkheid ziet. Toezicht en handhaving strekt zich uit tot zorg in natura als ook pgb-gefinancierde zorg. Het strekt zich uit tot de wettelijke bepalingen, de onderliggende landelijke en lokale regelgeving en de afgesloten overeenkomsten en subsidierelaties.

Artikel 26. Toezicht In dit artikel worden allerlei verschillende typen onderzoek uiteengezet. Ook dit heeft te maken met de

reikwijdte van de toezicht- en handhavingsbevoegdheid van het college. Uiteraard dient bij de inzet van de

verschillende typen onderzoek in het oog te worden gehouden dat deze proportioneel moeten worden ingezet. Om dit te borgen wordt een controleplan opgesteld dat de escalatieladder in kaart zal brengen.

Artikel 27. Bevel Het bevel is een zwaar middel dat niet lichtzinnig moet worden ingezet. De door de toezichthouder

aangetroffen situatie is dermate ernstig dat het treffen van maatregelen geen uitstel kan lijden. Bij zorg in

natura zal het bevel zich richten tot de zorgaanbieder. Bij pgb-gefinancierde zorg zal het bevel zich richten tot de budgethouder, omdat we als gemeente daar de juridische relatie mee hebben. De budgethouder zal de aanbieder moeten aansporen om de noodzakelijke veranderingen onverwijld door te voeren.

Artikel 28. Inspectierapport De geconstateerde bevindingen worden door de toezichthouder vastgelegd in een inspectierapport. Bij

fraudesignalen zal dit een frauderapport zijn. Dit rapport zal doorgezet worden naar de gemeente. Daarna zal het in de regel, tenzij zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten, openbaar worden gemaakt door publicatie.

In het derde lid is verduidelijkt dat de reactiemogelijkheid zich beperkt tot feitelijke onjuistheden. Dit is nog geen hoor-wederhoor in het kader van een voorgenomen besluit. Dat zal immers plaatsvinden vanuit de

gemeente. Dat is ook de reden dat de budgethouder in deze reactiemogelijkheid nog niet betrokken wordt. De budgethouder wordt gehoord in de voorbereiding van een besluit.

In het vijfde lid is opgenomen dat de hoofdregel openbaarmaking van het rapport is. Zwaarwegende redenen kunnen maken dat openbaarmaking achterwege blijft. Dit zal zich vooral kunnen voordoen bij

fraudeonderzoeken, waar het onderzoek zich meer richt op het handelen (en daarmee verdenkingen tegen) van individuen.

Artikel 29. Aanwijzing De aanwijzing is een eerste stap om te beogen de situatie terug te brengen in de rechtmatige toestand. Bij fraude zal er niet gauw sprake van een aanwijzing, vanwege het doelbewuste onrechtmatig handelen.

Tijdens de looptijd van de aanwijzing kunnen al andere maatregelen genomen worden als de situatie daartoe aanleiding geeft.

Artikel 30. Hersteltermijn De genoemde hersteltermijn is een uitgangspunt. In de praktijk zal deze afgestemd worden op de aangetroffen situatie, houding en gedrag van de aanbieder, eventuele eerdere constateringen bij deze aanbieder en de veiligheid van cliënten.

Artikel 31. Cliëntenstop en verscherpt toezicht Een cliëntenstop dient een dubbel doel. In de eerste plaats is het een middel om de situatie te bevriezen. Het is onwenselijk dat er nieuwe cliënten blijven instromen in een situatie die we als ondermaats of onrechtmatig

beschouwen. Het moet prioriteit hebben om de huidige situatie te herstellen, voordat er sprake kan zijn van

nieuwe cliënten. In de tweede plaats is een cliëntenstop ook een financiële prikkel voor de aanbieder om vaart te maken met het doorvoeren van de noodzakelijke wijzigingen.

In het artikel zijn verschillende vormen van een cliëntenstop opgenomen, die afhankelijk van de situatie kunnen worden opgelegd.

Verscherpt toezicht zal in de regel aan de orde zijn als het noodzakelijk is om tussentijdse voortgang te monitoren.

Artikel 32. Vervolgonderzoeksrapport Het ligt in de lijn dat de toezichthouder na afloop van een hersteltermijn de aanbieder opnieuw zal bezoeken en een nieuw rapport zal opmaken.

Artikel 33. Handhavingsmaatregelen Bij geconstateerde misstanden volgt handhaving. Dit artikel is de kern van de mogelijkheden die het college daarbij heeft. De rechter heeft eerder in een zaak van de gemeente Almelo geoordeeld dat er een concrete wettelijke basis moet zijn om in het kader van de Wmo 2015 en Jeugdwet een last onder dwangsom op te mogen leggen. Om die reden is deze mogelijkheden opgenomen in deze verordening.

Artikel 34. Inzet privaatrechtelijke middelen De maatregelen van artikel 33 zijn bestuursrechtelijk van aard. Met de aanbieders van zorg in natura hebben we daarnaast veelal een contractuele relatie. In lid 1 is nog eens benadrukt dat ook civielrechtelijk tegen misstanden kan worden opgetreden. Deze keuze is aan het college en is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.

De handhavingsmaatregelen kunnen ook samengaan met het (verzoek tot) opschorten van betalingen zoals opgenomen in het vierde lid.

Artikel 35. Register Cliënten die zorg of ondersteuning krijgen op grond van de Wmo 2015 of de Jeugdwet mogen een voorkeur

aangeven voor een bepaalde aanbieder. Bij een persoonsgebonden budget zijn ze zelfs verantwoordelijk voor de inkoop bij een bepaalde aanbieder. Goede informatie is daarbij essentieel. Om die reden worden

inspectierapport bij hoofdregel ook openbaar gemaakt. Op de website van het ROB zal het genoemde overzicht worden bijgehouden.

Artikel 36. Meldingsplicht Bij toezicht hebben we te maken met schaarse capaciteit. Dit betekent dat in 2015 de keuze is gemaakt om

signaalgestuurd te gaan werken. Signalen kunnen afkomstig zijn van (oud-)cliënten, (oud-)werknemers en ook de aanbieder zelf. Als een aanbieder ziet aankomen dat hij niet langer aan de afspraken met de gemeente kan voldoen, is het primair zijn verplichting om dit proactief bij het college te melden. Op die manier kunnen partijen vroegtijdig met elkaar in gesprek gaan om passende afspraken te maken. Artikel 37. Betrekken van ingezetenen bij het beleid Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 en artikel 2.10 van de Jeugdwet.

In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde

inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo- en jeugdbeleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle inwoners. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning.

Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.

Artikel 38. Intrekking oude verordening en overgangsrecht In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen totdat een nieuwe beoordeling heeft

plaatsgevonden. In het derde lid is als hoofdregel neergelegd dat aanvragen en aanmeldingen die nog bij het college en de andere organisatie in behandeling zijn op grond van de nieuwe verordening beoordeeld zullen worden.

Artikel 39. Nadere regels en hardheidsclausule Juist omdat het in de Wmo 2015 en Jeugdwet om maatwerk gaat, zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale

omstandigheden te verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling.

Als desondanks die zeer persoonlijke afweging er toch nog sprake is van een niet billijke situatie, is de

hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een beroep doen op deze clausule. Wordt de

hardheidsclausule vaker voor één onderwerp gebruikt, dan kan men zich afvragen of het beleid terzake niet aangepast moet worden.

Artikel 40. Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de verordening dient te worden aangehaald.

BIJLAGE 1: vormen van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Vormen van maatschappelijke ondersteuning Op grond van de Wmo 2015 kunnen de volgende maatwerkvoorzieningen worden verstrekt: • • • • • • • • • •

Huishoudelijke hulp Rolstoel

Woonvoorzieningen

Woningaanpassingen

Vervoersvoorzieningen Vervoersregeling Begeleiding

Persoonlijke verzorging Dagbesteding

Kortdurend verblijf

•

Beschermd wonen

• •

Opvang Vergoedingsregeling wijziging geslachtsregistratie

Middels huishoudelijke hulp dienen de volgende resultaten te worden bereikt:

•

in het kader van de leefbaarheid gerealiseerde hulp in het huishouden in de vorm van licht en/of zwaar huishoudelijk werk in de woonkamer, slaapvertrekken, keuken en sanitaire ruimten van de woning;

• • • •

adequaat gebruik kunnen maken van goederen voor primaire levensbehoeften;

adequaat gebruik kunnen maken van schone, draagbare en doelmatige kleding; het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren; regie op het huishouden kunnen voeren.

Vormen van jeugdhulp De volgende vormen van algemene voorzieningen jeugdhulp zijn beschikbaar: • • • • •

welzijnswerk/sociaal cultureel werk jeugd schoolmaatschappelijk werk

opvoedondersteuning en opvoedadvies jeugdhulp op de Sint Maartenschool

Buurtteam Jeugd en Gezin (opvolger van het sociale wijkteam)

De volgende vormen (bouwstenen) van maatwerkvoorzieningen jeugdhulp zijn beschikbaar: Jeugdhulp Ambulant • • • • • • • • •

reguliere begeleiding en verzorging en begeleiding specialistische begeleiding

dagbesteding (intersectoraal)

dagbehandeling (intersectoraal) vaktherapie

kortdurend verblijf casemanagement vervoerdiensten dyslexie

Bouwstenen kunnen gecombineerd worden ingezet, hierbij gaat de voorkeur uit naar het laten uitvoeren van de ondersteuning door dezelfde professional. •

Dagbesteding, dagbehandeling en kortdurend verblijf jeugd kan alleen geleverd worden indien de zorgaanbieder ook het noodzakelijk geachte vervoer kan regelen.

•

Casemanagement Jeugd is een stapel-bouwsteen. Casemanagement kan alleen worden ingezet door de gemeentelijke toegangspoort of door een Gecertificeerde Instelling ter uitvoering van een

kinderbeschermingsmaatregel of maatregel tot jeugdreclassering, bij een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder.

GGZ • • •

basis GGZ

specialistische GGZ

klinische opname GGZ

Jeugdhulp met Verblijf •

pleegzorg

• • • • • • •

gezinshuiszorg crisis

verblijf licht

verblijf middel verblijf zwaar

jeugdzorgplus

ambulante behandeling

Toelichting: •

Binnen gezinshuiszorg vallen meerdere bouwstenen (gezinshuiszorg lichte, middel, zware begeleidingsintensiteit).

• • • •

Onder ambulante begeleiding vallen ook de zwaardere vormen van (gezins)behandeling zoals MST. Onder verblijf licht vallen meerdere producten (kortdurend verblijf, time-out voorziening).

Onder verblijf midden vallen meerdere producten zoals kamertraining en het fasehuis, leerhuis.

Onder verblijf zwaar vallen meerdere producten zoals behandelgroepen, drie leefmilieusvoorzieningen, onvoorwaardelijk wonen, kleinschalig wonen, beschermd wonen en verslavingszorg.

Jeugdbescherming en jeugdreclassering • • •

jeugdbescherming jeugdreclassering

hulp in vrijwillig kader (intensief gezinsgerichte en systeemgerichte aanpak, actieve en consultatieve dienstverlening, consultatie, forza)

BIJLAGE 2: financiële bijlage HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze bijlage wordt, additioneel op het in art. 1 van de verordening bepaalde, verstaan onder: 1.

Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze verordening een persoonsgebonden budget is

2.

Voltijdopvang of 24-uurs verblijf vrouwenopvang waaronder crisisopvang: een tijdelijk verblijf

toegekend.

gedurende een volledig etmaal of langer, al of niet op een geheim adres, voor vrouwen of mannen met of zonder hun kinderen die gevlucht zijn voor huiselijk geweld of dreiging van relationeel geweld. De

24-uurs voorziening omvat onderdak, slaapgelegenheid, begeleiding op diverse aspecten en eventueel 3.

voeding.

Voltijdopvang of 24-uurs verblijf maatschappelijke opvang waaronder crisisopvang: een tijdelijk

verblijf gedurende een volledig etmaal of langer, voor mensen die dakloos of thuisloos zijn. De 24uurs voorziening omvat onderdak, slaapgelegenheid, begeleiding op diverse aspecten en eventueel voeding.

Paragraaf 2. Bijdrage in de kosten Artikel 2 2.1 Vervallen 2.2 Vervallen 2.3 1.

In uitzondering op het bepaalde in art. 16 lid 1 van de verordening, is geen bijdrage in de kosten

a.

rolstoelvoorziening (ook voor aandrijfondersteuning);

b. c.

d. e. f.

g. h. i.

j.

k.

verschuldigd voor:

collectief vervoer of het persoonsgebonden budget dat als alternatief wordt verstrekt; woningaanpassingen in gemeenschappelijke ruimte(n); maatwerkvoorzieningen voor een minderjarige cliënt; arbeidsmatige dagbesteding;

zorgmijders zolang de situatie niet stabiel is; handbike; pendel;

eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten; jeugdhulp;

bij overlijden van de cliënt.

2.4 Vervallen 2.5 Voor tijdelijk verblijf LVB 18+ Wmo geldt dezelfde eigen bijdrage-systematiek als voor beschermd wonen, omdat bij tijdelijk verblijf LVB eveneens sprake is van een combinatie van wonen en zorg.

Artikel 3 3.1 1. Berekening, oplegging, vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten vindt plaats door het CAK met de door de gemeente Nijmegen vastgestelde regels.

2. In afwijking van lid 1 vindt de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de cliënt voor een maatwerkvoorziening voor opvang plaats door de aanbieder die de opvang verzorgt.

3. In afwijking van lid 1 vindt de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de cliënt voor een algemene voorziening door de aanbieder van deze voorziening.

3.2

1. Voor maatwerkvoorzieningen geldt een eigen bijdrage conform de systematiek van het

abonnementstarief. Deze eigen bijdrage is verschuldigd door de cliënt (ongehuwd) of de cliënten

tezamen (gehuwd). Verder is niet van belang hoeveel maatwerkvoorzieningen de cliënt heeft of de cliënten hebben. Er geldt één eigen bijdrage, ongeacht het aantal maatwerkvoorzieningen. Voor beschermd wonen, opvang geldt een afwijkende eigen bijdrage systematiek.

2. De eigen bijdrage kan samengaan met een bijdrage voor algemene voorzieningen die niet onder de systematiek van het abonnementstarief vallen. Gaat het echter om een algemene voorziening die wel

onder de systematiek van het abonnementstarief valt (duurzame hulpverleningsrelatie), dan is cumulatie van deze bijdrage met de bijdrage voor maatwerkvoorzieningen niet mogelijk. Alleen de eigen bijdrage conform het abonnementstarief geldt dan.

3. De maximale bijdrage in de kosten, voor zover niet begrensd door het abonnementstarief, wordt als volgt bepaald:

Verstrekking (ook vervanging) in natura: Bij verstrekkingen waarbij maandelijks aan een aanbieder of leverancier een betaling plaatsvindt het tarief per maand;

a. Bij verstrekkingen waarbij eenmalig een betaling plaatsvindt aan een aanbieder of leverancier de kostprijs (verstrekt bedrag).Verstrekking als pgb:

Bij verstrekkingen waarbij periodiek door een aanbieder zorg wordt geleverd en het pgb via de SVB (trekkingsrecht) ter beschikking wordt gesteld het tarief per maand;

Bij verstrekkingen waarbij eenmalig een pgb wordt betaald aan de cliënt de kostprijs (verstrekt bedrag). b. Beschermd wonen kent een lage en hoge eigen bijdrage: De lage eigen bijdrage volgt de systematiek als genoemd onder sub a 1e bullit en sub b 1e bullit, is altijd van toepassing bij een pgb en bij ZIN zonder wooncomponent.

De hoge eigen bijdrage (inkomens- en vermogensafhankelijk vaststelling CAK) geldt bij ZIN waarbij sprake is van een wooncomponent.

3.3 De looptijd van de bijdrage in de kosten wordt bepaald door: •

Bij verstrekkingen waarbij maandelijks aan een aanbieder of leverancier een betaling plaatsvindt en bij verstrekkingen waarbij periodiek door een aanbieder zorg wordt geleverd en het pgb via de SVB (trekkingsrecht) ter beschikking wordt gesteld: de duur van de verstrekking.

•

Bij verstrekkingen waarbij eenmalig een betaling plaatsvindt aan een aanbieder of leverancier en bij

verstrekkingen waarbij eenmalig een pgb wordt betaald aan de cliënt: de kostprijs.

HOOFDSTUK 2 COMPENSATIE OP BASIS VAN LEEFGEBIED EN MAATWERKVOORZIENING

Paragraaf 1. Activiteiten dagelijks leven

Artikel 4 4.1 De tarieven voor hulp bij het huishouden in natura worden bepaald door de gemeente bedongen uurtarieven middels een aanbesteding.

4.2 De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van hulp bij het huishouden vindt plaats in de vorm van een bedrag per uur.

4.3 Bij overlijden van de cliënt die een partner heeft, wordt de hulp bij het huishouden in natura vier weken na het overlijden van de cliënt beëindigd.

Paragraaf 2. Huisvesting Artikel 5 5.1 Het bedrag voor een maatwerkvoorziening voor huisvesting die in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt, wordt vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in een aan het college overlegde offerte die voldoet aan het programma van eisen.

5.2 Als eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten voor een woningsanering gelden als normbedragen maximaal: a.

b.

voor zeil, linoleum of rolstoelvast tapijt € 53,- per meter (kamerbreed) inclusief egalisatiekosten; voor gordijnen € 15,- per meter.

5.3 Het bedrag voor een maatwerkvoorziening voor huurderving (in natura of als persoonsgebonden budget) wordt verstrekt indien een leegstaande woning is aangepast of aan te passen valt voor een bedrag van meer dan € 4.628,56. De tegemoetkoming is gemaximeerd op zes maanden op basis van de netto (kale) huurprijs.

5.4 Een eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten in verband met tijdelijke huisvesting wordt verstrekt voor een periode van maximaal zes maanden. De vergoeding vindt plaats op basis van de werkelijk gemaakte kosten tot een maximum van de kosten per maand van een sociale huurwoning met een maandelijkse huur onder de huurgrens zoals vastgesteld door de Rijksoverheid.

5.5 Een eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten dat als maximum verstrekt wordt bij het logeerbaar maken bedraagt maximaal € 5.000,-.

Paragraaf 3. Verplaatsen en vervoer Artikel 6 Het persoonsgebonden budget voor een rolstoel wordt vastgesteld als tegenwaarde van de goedkoopst

adequate maatwerkvoorziening, verhoogd met het gemiddelde bedrag voor onderhoud, reparatie en (indien van toepassing) verzekering voor vergelijkbare rolstoelen in het een na vorige volledige kalenderjaar.

Artikel 7 Het persoonsgebonden budget voor vervoersvoorzieningen wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening vermeerderd met de instandhoudingskosten (voor onderhoud, reparatie en (indien van toepassing) verzekering) over een periode van 7 jaar.

Artikel 8Het bedrag dat per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een (eigen) auto of van een (rolstoel) taxi bedraagt € 540,- (2000 km * € 0,27) als eenmalig pgb.

Paragraaf 4. Maatschappelijke participatie Artikel 9 De eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten voor een sportvoorziening bedraagt maximaal € 3.500,-. Dit bedrag is bedoeld is als tegemoetkoming in aanschaf en onderhoud van een sportvoorziening voor een periode van drie jaar.

Paragraaf 5. Beschermd wonen en beschermd thuis Artikel 10 10.1 De tarieven voor beschermd wonen en beschermd thuis in natura worden bepaald aan de hand van door de gemeente bedongen uurtarieven bij een aanbesteding.

10.2

De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van beschermd wonen of beschermd thuis vindt plaats op basis van vijf categorieën (tabel in 10.3). De vorm van wonen (woongroep of individueel) en de

intensiteit/kwaliteit van de benodigde (groeps-)begeleiding bepalen welke categorie beschermd wonen of beschermd thuis wordt toegekend.

10.3 1. Binnen beschermd wonen en beschermd thuis wordt onderscheid gemaakt tussen de zorgverlening door

professionals en niet-professionals. Bij zorgverlening door professionals hanteren wij een standaardtarief per dag. Voor niet-professionals wordt gerekend met een uurtarief. Onder niet-professionals wordt het sociaal

netwerk van een cliënt verstaan. Tot het sociale netwerk behoren personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt (artikel 1.1.1 Wmo). Dit is ook het geval als de persoon uit het sociale netwerk een professionele zorgverlener is of in het bezit is een relevant diploma.

Categorie

Agogisch klimaat in uren per week

Begeleiding

Totaal aantal uren

week

week

individueel uren per

begeleiding per

Beschermd Thuis: licht

0

2,5

2,5

Beschermd Thuis: groep

3,5

2,5

6

Beschermd Thuis: groep

7

2,5

9,5

Beschermd wonen: groep

10

2,5

12,5

Beschermd wonen: groep

12,5

2,5

15

licht

middelzwaar

zwaar

intensief

2.Vaststelling van het persoonsgebonden budget voor beschermd wonen of beschermd thuis is gebaseerd op het totaal aantal begeleidingsuren dat een cliënt met een bepaald profiel nodig zou hebben. De cliënt mag binnen het totaal aantal uren, vanwege zijn specifieke situatie, de verdeling tussen individuele en groepsbegeleiding afwijkend invullen.

10.4 1. In bepaalde gevallen wordt het persoonsgebonden budget niet berekend op basis van dagtarieven maar op basis van uurtarieven. Het gaat om de volgende situaties: a.

De budgethouder geeft aan gebruik te willen maken van niet professionele zorg.

b.

De budgethouder geeft aan gebruik te willen maken van een mix van niet-professionele en professionele

zorg. Een uitsplitsing wordt gemaakt om te bepalen hoeveel uren niet-professioneel en hoeveel uren de

budgethouder professioneel nodig heeft. Deze zullen worden toegekend conform de uurtarieven in bovenstaande tabel in 11.3. c.

De indicatiesteller (GGD Gelderland-Zuid, Toegang Beschermd Wonen) constateert dat de individuele

zorgvraag significant hoger of lager ligt dan het gemiddelde aantal uren dat gerekend mag worden bij de geïndiceerde categorie. In voorkomende gevallen geeft de GGD een advies over het aantal uren dat de betreffende cliënt nodig heeft.

2.Indien een cliënt met een persoonsbudget voor beschermd wonen zowel professionele zorg inkoopt bij een

aanbieder als niet-professionele zorg uit zijn eigen netwerk, leveren beide partijen ieder een deel van de totaal geïndiceerde hoeveelheid zorg. Het totale persoonsgebonden budget is gebaseerd op een totaal aantal uren dat de uren in bovenstaande tabel niet kan overschrijden.

Paragraaf 6. Begeleiding/dagbesteding Artikel 11 11.1 De tarieven voor begeleiding/dagbesteding in natura worden bepaald aan de hand van de door de gemeente bedongen (uur)tarieven bij een aanbesteding.

11.2 De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van begeleiding/dagbesteding vindt plaats in de vorm van een bedrag per eenheid.

Paragraaf 7. Opvang Artikel 12 12.1 Vervallen

12.2 De bijdrage in de kosten wordt bepaald per dag. De bijdrage is verschuldigd voor iedere dag of gedeelte van een dag, waarop de cliënt gebruik maakt van het aanbod van een instelling.

12.3 De bijdrage in de kosten voor opvang bedraagt het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk van de gehuwde cliënten tezamen, vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk 8% van de opgetelde vermogens van de gehuwde cliënten.

12.4 Indien de instelling bij voltijdopvang of 24-uurs verblijf maatschappelijke opvang of vrouwenopvang

(waaronder crisisopvang) aan de cliënt geen voeding verstrekt, wordt de bijdrage in de kosten verminderd met een bedrag voor voeding. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag, dat het Nationaal Instituut voor

Budgetvoorlichting (Nibud) berekent als gemiddelde kosten. In het geval het bedrag niet bekend is, bepaalt het college het bedrag dat hiervoor in de plaats komt.

12.5 Als een cliënt een vergoeding ontvangt voor vrijwilligerswerk, wordt deze vergoeding buiten beschouwing gelaten bij het berekenen van de bijdrage in de kosten.

12.6 Voor cliënten die gebruik maken van de crisisopvang en tegelijkertijd nog kosten hebben voor een zelfstandige woonruimte, wordt de bijdrage in de kosten gedurende maximaal 6 maanden verminderd met een forfaitair bedrag voor dubbele woonlasten, zijnde 20% van de bijstandsnorm.

HOOFDSTUK 3 JEUGDHULP Artikel 13 13.1 De tarieven voor jeugdhulp in natura worden bepaald aan de hand van de door de gemeente bedongen (uur)tarieven bij een aanbesteding.

13.2 De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van jeugdhulp vindt plaats in de vorm van een bedrag per eenheid.

Artikel 14 14.1 Alleen in uitzonderingssituaties bij zwaarwegende redenen is inzet van een pgb door mensen uit het sociale

netwerk van de cliënt mogelijk. Drie aanvullende cumulatieve criteria voor uitvoering van het pgb door leden uit het sociale netwerk: • •

degene die de voorziening met het pgb uitvoert is aantoonbaar deskundig;

degene die de voorziening met het pgb uitvoert lijdt kostenderving: ofwel in de vorm van

inkomstenderving in verband met het bieden van mantelzorg, ofwel in de vorm van extra kosten die hij moet maken om intensieve mantelzorg te kunnen bieden; •

pgb door het sociaal netwerk leidt tot betere/efficiëntere ondersteuning.

14.2 Verstrekking in de vorm van persoonsgebonden budget vindt niet of niet langer plaats als: a. op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget;

b. er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een persoonsgebonden budget in het verleden;

c. er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende, bezwaren bestaan tegen de verstrekking.

14.3 a. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen in artikel 16.1, indien toepassing van deze bepalingen leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. b. Het college kan de bepalingen in dit artikel nader invullen in de beleidsregels.

Artikel 15 15.1 Teneinde hun eigen kracht en regie te versterken stelt het college tijdens het vooronderzoek de jeugdige en zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan als

bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet op te stellen. Als de jeugdige en zijn ouders daarom verzoeken, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan.

15.2 Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6 van de Verordening Jeugdhulp.

HOOFDSTUK 4 OVERIG Paragraaf 1. Overige vergoedingen Artikel 16 Het bedrag dat per jaar verstrekt wordt voor het mantelzorgcompliment bedraagt € 200,-.

Artikel 17 1. De vergoeding voor de wijziging van de geslachtsregistratie kan bestaan uit de volgende componenten: kosten voor de deskundigeverklaring, legeskosten voor de aanpassing van de inschrijving in de Brp en legeskosten voor een rijbewijs en/of een nieuw identiteitsbewijs.

2. Ten aanzien van het identiteitsbewijs wordt ofwel een paspoort vergoed, ofwel een identiteitskaart. De verzoeker dient op het aanvraagformulier aan te geven wat van toepassing is.

3. Kosten die genoemd zijn in het eerste lid en die gemaakt zijn vanaf 1 januari 2022 komen voor vergoeding in aanmerking.

Paragraaf 2. Terugvordering Artikel 18 Bij een bedrag tot € 150,- wordt afgezien van terugvordering.

Paragraaf 3. Persoonsgebonden budget Artikel 19 De bewaartermijn voor de pgb-administratie is 7 jaar.

Artikel 20 1.

2.

3.

Een individuele zorgverlener die werknemer of opdrachtnemer is van de budgethouder en die

plotseling zonder werk komt door de beëindiging van een zorgovereenkomst ontvangt een eenmalige uitkering ná overlijden van de budgethouder.

Na het overlijden wordt gekeken naar de betalingen aan de individuele zorgverlener in de drie

maanden voorafgaand aan het overlijden. Die uitbetalingen worden bij elkaar opgeteld en gedeeld door drie. Dit bedrag wordt uitgekeerd aan de zorgverlener zoals bedoeld in lid 1.

Het bedrag genoemd in lid 2 wordt uitbetaald vanuit het reguliere budget. Als er onvoldoende budget is, wordt er niet uitbetaald.

De eenmalige uitkering ná overlijden van de budgethouder is niet bedoeld voor zorginstellingen.

Tabel tarieven pgb Wmo/Jeugdhulp gemeente Nijmegen 2023 Wmo Perceel

Reguliere

Begeleiding en

Producten

Productcode

Eenheid

PGB

PGB

Reguliere Begeleiding

Wmo 02A03

per uur

€ 43,07

€ 24,02

Wmo 02A17

per uur

€ 14,35

n.v.t.

Reguliere Begeleiding in een groep

professioneel informeel

persoonlijke verzorging

Persoonlijke Verzorging

Wmo 03A03

per uur

€ 32,56

€ 24,02

Wmo 02A05

per uur

€ 43,07

€ 24,02

groep

Wmo 02A20

per uur

€ 14,35

n.v.t.

Dagbesteding

Wmo 07A03

€ 37,25

€ 24,02

Specialistische Specialistische begeleiding

Dagbesteding

Begeleiding

Specialistische

Begeleiding in een

per

dagdeel

Kortdurend verblijf Kortdurend Verblijf

Wmo 04A04

per etmaal € 170,45

€ 36,05

Casemanagement

Wmo 02A21

per uur

€ 43,07

n.v.t.

Wmo 08A03

per etmaal € 12,01

n.v.t.

Wmo 10A22

per etmaal € 118,37

n.v.t.

gedragsregulering

Wmo 10A25

per etmaal € 160,99

n.v.t.

Producten

Productcode

Eenheid

PGB

PGB

Huishoudelijke hulp 1

per uur

€ 18,96

€ 18,96

Huishoudelijke hulp 2

per uur

€ 24,91

€ 24,91

Vervoerdiensten

Casemanagement Vervoer Dagbesteding

en Kortdurend Verblijf Tijdelijk verblijf LVB

met begeleiding en evt. verzorging Tijdelijk verblijf LVB

Tijdelijk verblijf LVB met (dagelijks)

intensieve begeleiding en verzorging en/of

HH Perceel

professioneel informeel

Jeugd Perceel

Producten

Productcode

Eenheid

PGB

PGB

Reguliere

Reguliere Begeleiding

Jw 45A04

per uur

€ 43,07

€ 24,02

professioneel informeel

Begeleiding en Verzorging en Begeleiding

Reguliere Begeleiding in een groep

Verzorging en Begeleiding

Specialistische Specialistische begeleiding

Begeleiding

Dagbehandeling

Begeleiding in een

Dagbesteding

(intersectoraal) Dagbehandeling (intersectoraal) Vaktherapie

Jeugd ambulant

per uur

€ 14,35

n.v.t.

Jw 40A04

per uur

€ 53,98

€ 24,02

Jw 45A05

per uur

€ 43,07

€ 24,02

Jw 45A49

per uur

€ 14,35

n.v.t.

€ 37,25

€ 24,02

dagdeel

€ 94,70

€ 24,02

per uur

€ 66,85

€ 23,20

€ 22,28

n.v.t.

Specialistische groep

Dagbesteding

Jw 45A71

Groepsgerichte

Jw 41A18 Jw 41A03 Jw 45A53

per

dagdeel per

per uur

vaktherapie

Jw 45A52

Dyslexie

Jw 45A74

Per uur

€ 78,36

n.v.t.

Kortdurend verblijf Kortdurend Verblijf

Jw 44A09

per etmaal

€ 170,45

€ 36,05

Casemanagement

Casemanagement

Jw 45A55

per uur

€ 43,07

n.v.t.

Vervoerdiensten

Vervoer naar

Jw 42A03

per etmaal

€ 12,01

n.v.t.

Jw 54001

per uur

€ 81,32

n.v.t.

Jw 54002

Per uur

€ 97,10

n.v.t.

PGB

PGB

dagbesteding,

Kortdurend Verblijf en Dagbehandeling GGZ

GGZ

Behandeling basis Jeugd GGZ

Specialistische Jeugd GGZ (incl. obs en diagnostiek)

ZG Perceel

Producten

Productcode

Eenheid

professionee informeel l

Ondersteuning vroegdoven

Gespecialiseerde begeleiding ZG Revaliderende

begeleiding ZG Dagactiviteit zintuigelijk gehandicapten Ondersteuning Doofblinden

begeleiding

doofblinden

Doofblinden

Revaliderende

begeleiding ZG Dagactiviteit zintuigelijk gehandicapten

visueel

per uur

€ 43,07

€ 24,02

02L06

per uur

€ 43,07

€ 24,02

dagdeel

€ 43,07

€ 24,02

02L12

per uur

€ 43,07

€ 24,02

02L13

per uur

€ 43,07

€ 24,02

02L14

per uur

€ 43,07

€ 24,02

dagdeel

€ 43,07

€ 24,02

per uur

€ 43,07

€ 24,02

07L01

per

Gespecialiseerde

Begeleidersvoorziening

Ondersteuning

02L05

Gespecialiseerde begeleiding

07L02

02L15

per

Zorg in Natura Tarieven en Producten 2023 Perceel

Producten

Productcode

Eenheid

Tarief

Reguliere Begeleiding Reguliere Begeleiding in een groep

Wmo 02A03

per minuut

€ 1,01

Wmo 02A17

per minuut

€ 0,34

Persoonlijke Verzorging Specialistische Begeleiding

Wmo 03A03 Wmo 02A05

per minuut per minuut

€ 0,93 € 1,30

Specialistische Begeleiding in een groep

Wmo 02A20

per minuut

€ 0,43

WMO Reguliere Begeleiding en persoonlijke verzorging

Specialistische begeleiding

Dagbesteding Kortdurend verblijf Casemanagement Vervoerdiensten

Tijdelijk verblijf LVB

Dagbesteding Kortdurend Verblijf Casemanagement Vervoer Dagbesteding en Kortdurend Verblijf Tijdelijk verblijf LVB met begeleiding en evt. verzorging Tijdelijk verblijf LVB met (dagelijks) intensieve begeleiding en verzorging en/of gedragsregulering

Wmo 07A03** Wmo 04A04 Wmo 02A21

per dagdeel per etmaal per minuut

€ 41,95 € 218,83 € 1,30

Wmo 08A03**

per etmaal

€ 12,33

Wmo 10A22

per etmaal

€ 151,95

Wmo 10A25

per etmaal

€ 206,64

Jw 45A04

per minuut

€ 1,01

Jw 45A71 Jw 40A04 Jw 45A05

per minuut per minuut per minuut

€ 0,34 € 1,16 € 1,30

Jw 45A49 Jw 41A18

per minuut per dagdeel

€ 0,43 € 55,53

per dagdeel per minuut per minuut per minuut per etmaal per minuut

€ 121,57 € 1,43 € 0,48 € 1,63 € 218,83 € 1,30

JEUGD AMBULANT Reguliere Begeleiding en Verzorging en Begeleiding

Specialistische begeleiding Dagbesteding

Vaktherapie Dyslexie Kortdurend verblijf Casemanagement Vervoerdiensten

Reguliere Begeleiding Reguliere Begeleiding in een groep Verzorging en Begeleiding Specialistische Begeleiding Specialistische Begeleiding in een groep Dagbesteding (intersectoraal) Dagbehandeling (intersectoraal) Vaktherapie Groepsgerichte vaktherapie

Jw 41A03

Dyslexie Kortdurend Verblijf Casemanagement

Jw 45A53 Jw 45A52 Jw 45A74 Jw 44A09 Jw 45A55

Vervoer naar dagbesteding, Kortdurend Verblijf en Dagbehandeling

Jw 42A03

per etmaal

€ 12,33

Behandeling basis Jeugd GGZ

Jw 54001

per minuut

€ 1,70

Specialistische Jeugd GGz (incl. obs en diagnostiek)

Jw 54002

per minuut

€ 1,94

JEUGD GGZ GGZ

*

Jeugdhul p met

Hoofdproduct

Productco Deelproducten

Jeugdhulp met verblijf

43A07

Onvoorwaardelijk wonen

43A12

JeugdzorgPlus

(incl. behandeling)

de

verblijf

Jeugdhulp met verblijf (excl. behandeling)

Ambulante jeugdhulp

43A29

Terreinvoorziening Gezinsopname licht

43A30

Terreinvoorziening Gezinsopname middel

43A31

Terreinvoorziening Gezinsopname zwaar

43A37

Behandelgroep 24 uur op terrein (VF6)

43A38

Behandelgroep 24 uur op terrein (VF7)

43A39

Behandelgroep 24 uur op terrein (VF8)

43A51

Behandelgroep excl. dagbesteding incl behandeling (3VG)

43A52

Behandelgroep incl dagbesteding en behandeling (3VG)

43A55

Behandelgroep incl. dagbesteding en behandeling (3LVG)

43A56

3-leefmilieusvoorzieningen incl behandeling en

43A57

3-leefmilieusvoorzieningen incl behandeling en

35502

Netwerkonderzoek

44A06

Time out voorziening

44A07

Pleegzorg 24 uur

44A27

Kamertraining

44A28

Fasehuis, leerhuis, behandelgroep in wijk

44A29

Gezinshuiszorg lichte begeleidingsintensiteit

44A30

Gezinshuiszorg middel begeleidingsintensiteit

44A31

Gezinshuiszorg zware begeleidingsintensiteit

44R31

Kleinschalig wonen

44A45

Moeder Kind Huis

44A52

Beschermd wonen J-GGZ en verslavingszorg

45A41

MST (Multi Systeem Therapie)

45A65

Ambulante Behandeling J&O J-LVG

dagbesteding (4-LVG)

dagbesteding (5-LVG)

Jeugdhulp crisis

Jeugdreclassering

Jeugdbescherming JB/JR

Preventief justic. kader

GGZ

GGZ

•

46A01

Spoedopvang J&O zonder verblijf

46A04

Spoedopvang J&O Met verblijf (VF8)

47B00

Reguliere jeugdreclassering

47B01

Gedragsbeinvloedende maatregel -advies

47B02

Gedragsbeinvloedende maatregel - begeleiding

47B03

ITB CRIEM

47B04

ITB Harde Kern

47B05

Samenloop jeugdbescherming - jeugdreclassering

47B06

Scholing en trainingsprogramma

48B00

OTS eerste jaar

48B01

OTS tweede jaar en langer

48B02

Voogdij

48B07

VoVo

48B10

Landelijk expertiseteam jeugdbescherming (LET )

48B80

Intensief gezinsgerichte en systeemgerichte aanpak

49B01

Consultatie (via factuur)

49B02

Actieve consultatieve dienstverlening

49B03

Forza

49B07

Instemmingsverklaring gesloten jeugdhulp

54013

Verslavingszorg GGZ jeugdkliniek E-bed

54014

Langdurige klinische opname GGZ/Psychiatrie F-bed incl

54015

Langdurige klinische opname GGZ/Psychiatrie G-bed incl

crisisbed

crisisbed

meer informatie over producten is te vinden op: https://robregionijmegen.nl/bouwstenen-entarieven/

Beschermd Wonen Zorg in Natura Tarieven 2023 Producten Beschermd wonen/beschermd thuis vanaf 2020

Productcode

Eenheid

ZIN tarief 2022

Beschermd Thuis: Licht

15N02

Etmaal

€ 28,66

Beschermd Thuis: Groep Licht

15N03

Etmaal

€ 60,53

Beschermd Thuis: Groep Middelzwaar

15N04

Etmaal

€ 90,83

Beschermd wonen: Licht

15N11

Etmaal

€ 139,27

Beschermd wonen: Middelzwaar

15N12

Etmaal

€ 167,15

Beschermd wonen: Intensief

15N13

Etmaal

€ 190,38

Producten (nieuwe structuur vanaf 2020)

Productcode

Eenheid

ZIN

Dagbesteding

15N21

Dagdeel

€ 41,95

Aanvullende begeleiding

15N31

Uur

€ 78,00

Vervoer van en naar dagbesteding

15N51

Retourrit

€ 12,33

Afwezigheidsdag

15N41

Etmaal

€ 110,89

PGB tarieven 2023 (nieuwe structuur met aangepaste benaming)

Product Wonen/verblijf

PGB

professioneel

Eenheid

PGB

informeel

Eenheid

Beschermd Thuis: licht

€ 28,38 per etmaal

€ 23,82

per uur

Beschermd Thuis: groep licht

€ 58,65 per etmaal

€ 23,82

per uur

Beschermd Thuis: groep middelzwaar

€ 87,38 per etmaal

€ 23,82

per uur

Beschermd Thuis: groep zwaar

€ 113,32 per etmaal

€ 23,82

per uur

Beschermd Thuis: groep intensief

€ 134,95 per etmaal

€ 23,82

per uur

Overige producten

PGB

PGB

Eenheid

professioneel

informeel

Dagbesteding

€ 37,25

€ 23,82

Dagdeel

Aanvullende dagbesteding

€ 37,25

€ 23,82

Dagdeel

Aanvullende begeleiding

€ 43,07

€ 23,82

Uur

Overbruggingszorg (begeleiding)

€ 43,07

€ 23,82

Uur

Vervoer van en naar dagbesteding

€ 12,01

n.v.t.

Retourrit

Bijlage 3 Criteria pgb zorgaanbieders en onderaannemers Waar in deze bijlage wordt gesproken van ‘zorgaanbieder’, wordt zowel de pgb-zorgaanbieder bedoeld als een onderaannemer, tenzij expliciet anders is aangegeven.

Algemene criteria Geschiktheidseisen: •

Het gaat om de geschiktheid om de opdracht uit te voeren. Daarvoor moet er bij de zorgaanbieder voldoende financieel economische draagkracht zijn en;

•

De zorgaanbieder moet voldoen aan de beroepsbekwaamheidseisen, waaronder diploma-eisen, afhankelijk van de te leveren ondersteuning: een bewijs als geregistreerd professional jeugd of certificering Wmo;

•

Ervaring blijkend uit 1 relevante referentieopdracht *2) uitgevoerd in de laatste 3 jaren. Bij een

onvoldoende referentie kan de hoofdaannemer een schriftelijke verklaring afgeven waarmee hij instaat voor de uitvoering van de opdracht door de onderaannemer.

*2) De vereiste capaciteit, kennis en ervaring moet zijn opgedaan in en moet blijken uit één relevante referentieopdracht die in de afgelopen 3 jaar is uitgevoerd. De gevraagde kerncompetentie: • •

ZIN referentie (1 of meerdere referenties met minimaal 5 cliënten), of PGB referentie geanonimiseerd (1 of meerder referenties met minimaal 5 cliënten)

Uitsluitingsgronden 1.

Het niet betalen van belasting en/of sociale premies

3.

Fraude

2. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

Deelneming in een criminele organisatie Terroristische misdrijven Witwassen

Kinderarbeid/mensenhandel

Schending van verplichtingen op gebied van milieu, sociaal- of arbeidsrecht Faillissement

Vervalsing van mededinging

10. Een belangenconflict 11. Valse verklaring(en)

12. Vroegtijdige beëindiging van een eerdere overeenkomst, schadevergoeding of sanctie 13. Onrechtmatige beïnvloeding 14. Ernstige beroepsfouten: a.

doen van een gift of belofte of het aanbieden van een dienst;

c.

handelen of nalaten waardoor de integriteit van werknemers of andere personen ernstig in gevaar wordt

b.

d. e.

verstrekken van onjuiste gegevens of het ten onrechte niet verstrekken van juiste gegevens; gebracht;

begaan van gedragingen in strijd met voor het beroep relevante wet- en regelgeving, tuchtregels, toezichtregels, gedragsregels of gedragscodes;

het verrichten van werkzaamheden die in strijd zijn met de openbare orde;

f.

alle andere delicten en gedragingen of omstandigheden die naar hun aard zijn aan te merken als ernstige fout in de uitoefening van het beroep.

Screening kan bestaan uit: 1. Het door een zorgaanbieder laten overleggen van schriftelijke bewijsstukken die aantonen dat hij aan de geschiktheidseisen en/of kwaliteitseisen voldoet waaronder een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG); 2. Het doen van onderzoek in open dan wel gesloten bronnen; 3. Het vragen van een Bibob-advies bij het Landelijk Bureau Bibob.

Kwaliteitscriteria pgb zorgaanbieders en onderaannemers De gemeenten zijn eindverantwoordelijk voor de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg aan

burgers. Ook als de ondersteuning wordt geboden via een pgb of onderaannemerschap. De zorgaanbieders

dienen te werken met deskundig personeel en kwalitatief goede zorg bieden, waarin de cliënt en zijn netwerk centraal staan. In geval van onderaanneming moet de hoofdaannemer garant kunnen staan voor de

kwaliteitsonderdelen waarop de onderaannemer (nog) tekortschiet. De onderaannemer dient in ieder geval zelfstandig te voldoen aan de wettelijke kwaliteitskaders (zie ‘kwaliteitseisen’).

1. Het hulpverleningsplan/herstelplan en evaluatieverslag dienen aan de volgende eisen te voldoen *4): De gemeente hecht veel waarde aan: 1.

“één huishouden, één plan” waarin alle leefdomeinen aan bod komen en samenhang is tussen de hulp

2.

dat iedereen zijn eigen mogelijkheden benut, zelfregie houdt over zijn leven en zijn sociale netwerk

3.

dat ook kwetsbare doelgroepen volwaardig kunnen meedoen in de samenleving en een betekenisvolle

4.

methodisch werken aan ontwikkeling met door de cliënt gedragen doelen en concrete acties.

van de verschillende dienstverleners en de informele zorg en ondersteuning; versterkt (samenredzaamheid);

tijdsbesteding hebben aansluitend bij de wensen en mogelijkheden;

a. Een check moet gedaan zijn op alle leefdomeinen. Leefdomeinen zijn: inkomen, werk en opleiding, tijdsbesteding, huisvesting, huiselijke relaties, geestelijke gezondheid, lichamelijke gezondheid,

middelengebruik, vaardigheden bij activiteiten van het dagelijks leven (ADL), sociaal netwerk (en woonomgeving), maatschappelijke participatie en justitie.

b. Het plan moet perspectiefgericht zijn. Doelen zijn geformuleerd die duidelijk, concreet en haalbaar zijn en

die niet alleen perspectief bieden op de langere termijn, maar zich ook richten op praktische, snelle resultaten. Activiteiten zijn geformuleerd gericht op het behalen van de korte- en lange termijn doelen met een duidelijke prioritering. Het evaluatieplan evalueert de doelen, zoals geformuleerd in het hulpverleningsplan.

c. De informele en formele betrokkenen zijn in kaart gebracht. Afspraken over de afstemming tussen de betrokken zijn gemaakt. Beschreven wordt wie de regie voert: cliëntsysteem, casemanagement door de zorgaanbieder, gemeentelijke toegangspoort, of gecertificeerde instelling.

d. In het plan is een goede balans tussen formele en informele zorg opgenomen. Bovendien wordt in het plan goed beschreven hoe wordt samengewerkt met het sociale netwerk en hoe gebruik wordt gemaakt van algemene voorzieningen en informele voorzieningen in de samenleving (verenigingen en

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=70fb3d2a-b50b-4ff0-a50a-2b3ea323691e