CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Bijlage 21 Oplegnotitie MER de Grift Nijmegen

Besluitronde (raadsvergadering) 1 november 2023, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Chw-bestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift' (98/2023)17.819 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De kavels zullen op eigen perceel voorzien worden van een hoogwaardige groenzone. Dit in combinatie met het robuuste groensysteem zorgt voor het tegengaan van wateroverlast en behoud van biodiversiteit en is tegelijkertijd het beeldbepalende aspect van het bedrijventerrein. Hemelwater moet in de basis op eigen terrein verwerkt worden. Om tot een toekomstbestendig en klimaatrobuust bedrijventerrein te komen dient regenwater gebufferd te worden op eigen terrein, waarbij het waterbergend vermogen voor de oppervlakte (footprint) van het gebouw tenminste 70 mm per m2 dakvlak bedraagt. Voor overige terreinverhardingen dient het waterbergend vermogen tenminste 35 mm per m 2 verharding te bedragen. Waterberging moet volledig plaatsvinden op eigen terrein, bijvoorbeeld door de toepassing van wadi's of (extensieve) groene daken. Daarnaast is waterberging voorzien in de groenblauwe hoofdstructuur.

31 juli 2023

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BI5542-RHD-XX-XX-RP-X-0001

22

Projectgerelateerd

3.6

Actualisatietoets: vertaling naar MER bedrijventerrein De Grift (2023)

Omdat het project De Grift een lange en uitgebreide voorgeschiedenis kent, waarin veel MER-gerelateerde onderdelen al zijn uitgewerkt, is besloten om ter voorbereiding op het MER De Grift 2023 een zogenaamde actualisatietoets op te stellen. In deze actualisatietoets is de reikwijdte en het detailniveau van de informatie bepaald die voor het plan nodig is en voor het MER (artikel 7.8 Wet milieubeheer). Daarbij is de systematiek gevolgd die is gehanteerd bij de Actualisatietoets Hof van Holland, Woenderskamp en Broodkorf (Royal HaskoningDHV / gemeente Nijmegen, 7 december 2016). Daarin is onderzocht of de milieueffecten van de invulling van de deelplannen Hof van Holland, Woenderskamp en Broodkorf passen binnen de milieueffecten die zijn opgenomen in het MER Waalsprong 2003 en de Aanvulling MER Waalsprong 2007 (hierna samen: MER Waalsprong 2003/2007) en of een actualisatie van (een deel van) dat MER nodig is. De uitbreiding van bedrijventerrein De Grift (exclusief Grift Oost) heeft een bruto oppervlak van circa 42 ha. Hiervan is circa 30 ha uitgeefbaar (het bestaand bedrijventerrein maakt geen deel uit van het stedenbouwkundig raamwerk).

In de adviesaanvraag in het kader van het Regionaal Programma Werklocaties 2021-2024 is dit nader gedetailleerd: 15 hectare voor (X)XL-logistiek in De Grift Noord, langs de A15 en ontsluitingswegen, 6,5 hectare voor regionale bedrijvigheid (reguliere logistiek, stadsdistributie, maakindustrie en klassiek-gemengd) in De Grift Noord en Zuid en 8,4 hectare voor kleinschalige lokale bedrijvigheid (klassiek-gemengd, maakindustrie; kavels tot 5.000 m²) in zowel De Grift Noord, Zuid als West: • als de 6,5 hectare voor regionale bedrijvigheid in De Grift Noord en Zuid volledig met logistieke bedrijven zou worden ingevuld, dan is het profiel circa 70% logistiek en 30% gemengd; • als deze 6,5 hectare volledig met gemengde bedrijvigheid zou worden ingevuld, dan is het profiel 50% logistiek en 50% gemengd. In elk scenario is het aandeel logistiek en ook de schaalgrootte ervan groter dan in de bouwstenen van het MER Waalsprong 2003/2007. Dit betekent dat er een verandering in milieueffecten te verwachten is ten opzichte van wat er in het eerdere m.e.r.-traject is onderzocht. Een verandering in profiel heeft bijvoorbeeld gevolgen voor het verwacht aantal verkeersbewegingen en daarmee de mogelijk effecten op luchtkwaliteit en geluid.

Er is zodoende een vergelijking gemaakt van het van het stedenbouwkundig raamwerk voor de uitbreiding van bedrijventerrein De Grift met de uitgangspunten van de MER Waalsprong 2003 en de Aanvulling MER Waalsprong 2007. Per omgevingsaspect is het volgende beschouwd: • Welke effecten binnen de onderscheiden omgevingsaspecten uit het MER 2003/2007 zijn voor bedrijventerrein De Grift relevant en welke factoren zijn voor de aard en omvang daarvan bepalend? • Wat zijn de verschillen in deze factoren tussen het stedenbouwkundig raamwerk aan de ene kant en de uitgangspunten van het MER Waalsprong 2003/2007 aan de andere kant? • Wat is de invloed van autonome ontwikkelingen in de omgeving op de milieueffecten, sinds 2003 en/of 2007? • Welke veranderingen in wet- en regelgeving zijn relevant voor de milieueffecten van bedrijventerrein De Grift? • Moet het MER Waalsprong 2003/2007 op dit omgevingsaspect worden geactualiseerd als gevolg van het stedenbouwkundig plan 2022, nieuwe autonome ontwikkelingen of veranderingen in weten regelgeving? De voornaamste conclusie van de actualisatietoets is dat er een actueel verkeersonderzoek, stikstofonderzoek en ook geluidonderzoek noodzakelijk is. Als gevolg van het stedenbouwkundig raamwerk en de aanwezigheid van windturbines, die een veiligheidszone met zich meebrengen, is ook een actualisatie nodig op het omgevingsaspect externe veiligheid.

Daarin zijn de gebruiksmogelijkheden van het bedrijventerrein binnen in ieder geval de veiligheidszones van de windturbines, zoals ze nu en straks onder

31 juli 2023

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BI5542-RHD-XX-XX-RP-X-0001

23

Projectgerelateerd

vigeur van de Omgevingswet bestaan, onderzocht. Ten opzichte van het MER Waalsprong 2003/2007 zijn nu ook de omgevingsaspecten klimaat en gezondheid belangrijk. De bevindingen en lessen uit het voorgaand MER-traject en actualisatietoets hebben de basis gelegd voor de uitwerking van het MER Grift 2023: het onderzoek naar de feitelijke voorkeursvariant voor de gebiedsontwikkeling. Daarvoor zijn de volgende onderzoeksthema’s uitgewerkt in het MER: • Verkeer • Geluid • Externe Veiligheid • Luchtkwaliteit en Stikstof • Bodem • Water en groen • Klimaat en Energie • Cultuurhistorie • Gezondheid In de onderstaande tabel is een overzicht van de belangrijkste conclusies uit de actualisatietoets opgenomen. Omgevingsaspect

Actualisatie of aanvulling MER

Verkeer

Parallel aan de actualisatie van het MER Waalsprong 2003/2007 is een nieuw verkeersmodel opgesteld, waarin ook de autonome ontwikkelingen en het stedenbouwkundig plan is meegenomen. Aan de hand daarvan zijn de effecten op het omgevingsaspect verkeer (bereikbaarheid, oversteekbaarheid van wegen voor langzaam verkeer en de verkeersveiligheid) opnieuw beoordeeld. Dit verkeersmodel is input voor het onderzoek naar de effecten op de omgevingsaspecten natuur-stikstofdepositie, geluid en luchtkwaliteit.

Natuur stikstofdepositie

In de actualisatie van het MER Waalsprong 2003/2007 is een actuele berekening stikstofdepositie gemaakt en een passende beoordeling van de effecten ervan op het Natura2000-gebied Rijntakken.

Natuur – flora en fauna

In de actualisatie van het MER Waalsprong 2003/2007 is een volledig floraen faunaonderzoek opgesteld, vanwege en met input van de nieuwe wet- en regelgeving op dat gebied en het SMP-N.

Geluid

In de actualisatie van het MER Waalsprong 2003/2007 is (het verschil in) de effecten op het omgevingsaspect geluid onderzocht in een akoestisch onderzoek: • bij toepassing van milieuzonering op basis van de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering (variant 1) en • bij toepassing van de methodiek van gebruiksruimte in aansluiting op de Omgevingswet (variant 2). Voor het effect op dit omgevingsaspect legt wel of niet handhaven van bestaande woningen binnen het stedenbouwkundig plan veel gewicht in de schaal.

Luchtkwaliteit

In de actualisatie van het MER Waalsprong 2003/2007 is luchtkwaliteit opnieuw onderzocht. Dit is namelijk ook van belang bij het omgevingsaspect

31 juli 2023

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BI5542-RHD-XX-XX-RP-X-0001

24

Projectgerelateerd

gezondheid. Uitgangspunt van dit luchtkwaliteitonderzoek is de nieuwe weten regelgeving en het NSL.

Bodem

Rekening houdend met de eventueel noodzakelijke toepassing van het Gebiedsgericht saneren en Gebiedsgericht bodembeleid op de percelen die nog eigendom van particulieren zijn, geeft het omgevingsaspect bodem geen aanleiding om het MER Waalsprong 2003/2007 aan te vullen of te actualiseren. Dit is alsnog wel beschouwd in het MER Grift 2023.

Water en groen

Vanwege andere normen op het gebied van waterberging en vanwege de relatie van water en groen met klimaatadaptatie (zie paragraaf 4.9) is het MER Waalsprong 2003/2007 op het omgevingsaspect water en groen geactualiseerd.

Klimaat en energie

In de actualisatietoets is een kwalitatieve beschouwing van klimaat en energie als omgevingsaspect gemaakt. Klimaatadaptatie komt ook aan bod bij het omgevingsaspect water en groen in verband met bescherming tegen wateroverlast en tegengaan van hittestress. Daarbij is rekening gehouden met de gunstiger situatie op het gebied van energiegebruik sinds het MER Waalsprong 2003/2007 en met de ontwikkeling van windturbines en een zonnepark in en aangrenzend aan het plangebied.

Cultuurhistorie

De keuzes op het gebied van cultuurhistorie en landschap in het stedenbouwkundig plan zijn in de actualisatie van het MER Waalsprong 2003/2007 in een kwalitatieve beschouwing afgezet tegen de uitgangspunten die in dat MER ten aanzien van het omgevingsaspect cultuurhistorie zijn gehanteerd en worden in het licht geplaatst van de nieuwe cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen.

Archeologie

Als gevolg van het stedenbouwkundig plan is geen actualisatie van het MER Waalsprong 2003/2007 nodig op het omgevingsaspect archeologie.

Externe veiligheid

Als gevolg van het stedenbouwkundig plan en de aanwezigheid van windturbines die een veiligheidszone met zich meebrengen is een actualisatie van het MER Waalsprong 2003/2007 opgesteld op het omgevingsaspect externe veiligheid en daarmee een externe veiligheidsonderzoek.

Gezondheid

In de actualisatietoets is een kwalitatieve beschouwing van gezondheid als omgevingsaspect gemaakt, op basis van de beoordeling van de effecten op (langzaam) verkeer, geluid, luchtkwaliteit en water en groen.

31 juli 2023

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BI5542-RHD-XX-XX-RP-X-0001

25

Projectgerelateerd

4

Vooruitblik: duurzame ontwikkeling bedrijventerrein de Grift

4.1

Inleiding

Nijmegen gaat met haar ontwikkelingen uit van duurzame gebiedsontwikkeling, dus ook met De Grift. Dit komt tot uiting in de ambities voor de openbare ruimte en op de kavels: een robuuste klimaat adaptieve hoofstructuur, De Grift als energiebron, circulaire complementaire ontwikkelingen en circulair bouwen. Een belangrijk advies van de Commissie m.e.r betreft het concreet maken van de ambities voor duurzaamheid in de gebiedsontwikkeling. Dit is volgens de commissie te veel doorgeschoven naar de aanbesteding. Hierdoor zijn er onzekerheden over de uitwerking daarvan in het project en zijn de milieugevolgen nu onvoldoende in beeld. De Commissie adviseert daarom de ambities uit te werken en aan te geven in hoeverre dit als randvoorwaarden geldt voor de ontwikkeling van het terrein (zie paragraaf 1.2). Dit hoofdstuk beschrijft de manier waarop duurzaamheid centraal staat in de ontwikkeling van bedrijventerrein De Grift. Daarbij is ingegaan op de kernwaarden die de gemeente in het kader van duurzaamheid nastreeft in de gebiedsontwikkeling. De kernwaarden gelden als kader voor de beoordeling van het stedenbouwkundig plan. Vervolgens is een verdere uitwerking gegeven van de mogelijkheden van gebiedsontwikkeling binnen deze kernwaarden en is verkend waar mogelijkheden liggen om een versterkt duurzaam ontwikkelalternatief uit te werken.

Tenslotte is een aanzet voor een monitoringsprogramma gegeven.

4.2

Kernwaarden duurzame ontwikkeling De Grift

De duurzaamheidsambities van Nijmegen zijn vertaald in een vijftal kernwaarden voor een duurzame gebiedsontwikkeling van De Grift: 1. Klimaat adaptief; openbare ruimte en uitgeefbare grond vormen een harmonieuze hemelwatercascade. Hierin staan bergen, opvangen en vertraagd afgeven van hemelwater centraal. 2. Slimme (duurzame) mobiliteit; de ligging van De Grift en de voorgenomen infrastructurele ingrepen zullen zo gepositioneerd worden dat de afvang van grote vrachtwagens binnen Knoop 38 gebeurt. Hierdoor hebben personenauto's en stadsdistributie meer ruimte en biedt de kans tot afschaling in modaliteit en verduurzaming zich aan. De Grift als energiebron; De Grift heeft zijn herkenbaarheid als energielandschap door de reeds aanwezige energievoorzieningen. Met de ontwikkeling van de nieuwe delen van het bedrijventerrein wordt ingezet op extra winnen van elektriciteit. Ook wordt het uitwisselen van warmte en koude gestimuleerd. Door dubbel grondgebruik te stimuleren kan De Grift naast een grote energiegebruiken ook een bron worden voor naastgelegen ontwikkelingen. De uitbreiding van De Grift is gasloos. 3. Circulaire complementaire ontwikkelingen; het aanbieden van een diversiteit in kavelgroottes en bedrijfscategorieën onderschrijft het onderling gebruik van reststromen voor bedrijfsdoeleinden.

Daarnaast worden aan gebouwen GPR- en BREEAM-eisen gesteld waar hergebruik van bouwmaterialen en mate van demontage een belangrijke factor spelen. 4. Stedelijke herkenbaarheid; Nijmegen is een stad met een groene allure en keert haar rug niet toe naar benodigde utilitaire ontwikkelingen voor haar bewoners. De Grift en haar gebruikers worden onderdeel van de groene stad en zijn geen losstaand bedrijventerrein. Het gebied zal fungeren als de stadsentree vanaf de A15 en Elst. Ruimtelijke kwaliteit staat ook voor dit gebied hoog in het vaandel. Deze kernwaarden vinden hun weerslag in het stedenbouwkundig raamwerk (zie de toelichting in hoofdstuk 2). Aanvullend zijn deze kernwaarden uitgewerkt in het bestemmingsplan en beeldkwaliteitplan die voor de uitbreiding van De Grift zijn opgesteld. In het bestemmingsplan liggen de volgende bouwregels en (voorwaardelijke) verplichtingen vast met het oog op duurzaamheid, klimaatadaptatie en biodiversiteit en maken daarmee onderdeel uit van het voorkeursalternatief:

31 juli 2023

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BI5542-RHD-XX-XX-RP-X-0001

26

Projectgerelateerd

• • •

•

•

Het dakvlak van gebouwen dient geschikt te zijn voor de toepassing van zonnepanelen. Platte daken worden uitgevoerd in een lichte kleur (warmtewerend) of als groendak (verkoelend) in verband met het tegengaan van hittestress. Per bouwperceel dien te worden voorzien in waterberging op eigen terrein: 70 mm berging ten opzichte van het bebouwde oppervlak (footprint gebouw) en 35 mm berging voor overige verhardingen. De waterberging dient duurzaam in stand te worden gehouden. Elk bouwperceel dient te worden voorzien van één of meerdere groenstroken en/of groene erfafscheidingen op eigen terrein, waarbij voldaan moet worden aan het bepaalde in het Beeldkwaliteitplan uitbreiding bedrijventerrein De Grift. Deze groenstroken en groene erfafscheidingen dienen duurzaam in stand te worden gehouden. Gebouwen ten behoeve van XXL-logistiek mogen uitsluitend worden gebouwd indien sprake is van Excellent-certificering volgens de beoordelingsrichtlijn BREEAM-NL Nieuwbouw 2020 v1.0 of een hiermee vergelijkbaar ander beoordelingsinstrument met een onafhankelijk aangetoond niveau.

Aanvullend zijn in het stedenbouwkundig plan de nadere uitgangspunten en vereisten opgenomen voor de groene randen van de kavels, natuurinclusief bouwen, parkeren, waterberging.

4.3

Duurzaamheidsalternatief

Om te verkennen welke bandbreedte in relatie tot duurzaamheid kan worden onderscheiden is in dit hoofdstuk een duurzaamheidsalternatief uitgewerkt: een verkenning van een ontwikkelstrategie waarbij een grotere inzet op duurzaamheid en klimaat is uitgewerkt dan in het voorliggend stedenbouwkundig raamwerk. Middels concrete en toetsbare duurzaamheidsambities kan zo perspectief worden gegeven aan de toekomstige ontwikkeling van het plangebied. Duurzaamheid en gebiedsontwikkeling Duurzaamheid en gebiedsontwikkeling kan breed worden geïnterpreteerd. Bij duurzaam bouwen en verbouwen wordt er rekening gehouden met de effecten op het milieu. Dat moet dan zowel bij het ontwerp van een gebouw of bouwwerk gebeuren als tijdens bouw, verbouw, renovatie of sloop. Bij duurzaam bouwen gaat het ook over het gebruik van het gebouw. In het geval van De Grift richt het begrip duurzaamheid zich, in aansluiting op de duurzaamheidsambities gemeente breed, op drie elementen: • Energie; • Klimaatadaptatie; • Circulariteit. Voor bovengenoemde elementen wordt de variatie onderzocht binnen de mogelijkheden in het plangebied. Hierbij wordt voortgebouwd op de kernwaarden voor duurzame ontwikkeling zoals in de vorige paragraaf is uitgewerkt. Energie Het duurzaam opwekken en gebruik van energie is een belangrijke factor in het bijdragen aan de klimaatopgaven.

De maatschappelijke opgaven voor klimaatverandering en energietransitie nemen dan ook een belangrijke plaats in bij gebiedsontwikkelingen. Door mee te gaan in de energietransitie, draagt het plangebied bij aan het verminderen van de effecten van klimaatverandering. Nijmegen heeft de ambitie om in 2045 een volledig duurzame energievoorziening te hebben. Energiebesparing is hierbij met name een belangrijk speerpunt. De gemeente zet maximaal in om duurzame energie in het stedelijk gebied op te wekken en niet te richten op zonnepanelen en windmolens buiten de stad. De kernwaarden ‘Slimme (duurzame) mobiliteit’ en ‘De Grift als energiebron’ haken hier op aan. De 31 juli 2023

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BI5542-RHD-XX-XX-RP-X-0001

27

Projectgerelateerd

ontwikkeling van De Grift is, zoals beschreven in paragraaf 2.4, opgenomen in het RPW 2021-2024. Inzake energie geeft het RPW aan dat zowel bij de ontwikkeling van nieuwe terreinen als op bestaande terreinen duurzaamheidsdoelstellingen worden toegepast, waarbij rekening gehouden wordt met de locatiespecifieke situatie. Voor de uitbreiding of aanleg van nieuwe bedrijventerreinen betekent dit concreet het volgende: • het benutten van daken voor zonnepanelen; • gasloos bouwen (tenzij noodzakelijk voor het productieproces); • uitwisseling restwarmte, elektriciteit en grondstoffen binnen het terrein en de directe omgeving; • het reserveren van ruimte voor bijvoorbeeld (elektrische) oplaadpunten, waterstof tanken; • batterij/voorzieningen t.b.v. opslaan elektriciteit. De ontwikkeling van De Grift voldoet voor een deel al aan de eisen zoals gesteld in het RPW, maar kan nog verder worden vertaald. Het bedrijventerrein is in elk geval gasloos (zie vorige paragraaf). De deelgebieden Noord en Zuid worden aangesloten op het warmtenet. Sinds 2012 heeft Nijmegen een warmtenet in Nijmegen-Noord (Waalsprong) en het Waalfront. De (rest)warmte komt van de afvalenergiecentrale ARN in Weurt. Ook is voor alle te realiseren gebouwen bepaald dat de dakconstructies ten minste zo moeten worden ontworpen dat deze geschikt zijn om zonnepanelen op te realiseren.

De ontwikkeling van De Grift biedt kans voor een verdere energieneutrale ontwikkeling en exploitatie door de toepassing van onderstaande opties te onderzoeken en uit te werken richting kaveluitgifte: • Wagenpark XXL-logistiek verduurzaamt en ook het transport van de regionale bedrijven zal in de toekomst steeds verder elektrificeren. Het gezamenlijk opwekken van energie ten behoeve van transport biedt kansen en voordelen ten opzichte van individuele opwekking. Door de toenemende elektrificatie van de mobiliteitssector worden bedrijventerreinen dan ook een belangrijk concentratiepunt van logistiek opladen. Door vroegtijdige samenwerking tussen logistieke ondernemers, bedrijventerreinen en netbeheerders en het opstellen van een routekaart voor de elektrificatie van de voertuigen, kan het elektriciteitsnet efficiënter worden voorbereid op de transitie naar een volledig emissieloos wagenpark. In de ontwikkeling van De Grift kan hierbij aansluiting worden gezocht bij het naastgelegen Park 15. Samen met Nijmegen wordt de realisatie van een clean energy hub verkend, een laadvoorziening voor elektrische vrachtwagens en personenauto’s. In de directe nabijheid van De Grift ontstaat er daarmee de mogelijkheid voor (logistieke) bedrijven om te laden. Bedrijven hoeven dat dan niet meer individueel te organiseren op hun eigen bedrijfskavel.

• Waterstof In de huidige situatie maken veel bedrijven op het bestaande bedrijventerrein en Park 15 gebruik van fossiele brandstoffen. Het aandeel elektriciteit geproduceerd door wind en zon zal sterk toenemen en is beschikbaar op het toekomstig bedrijventerrein. Voor een aantal toepassingen zoals zwaar transport en hoge temperatuur processen is er nog geen goede elektrische oplossing. Hier kan waterstof een nuttige rol spelen. Daarnaast is waterstof belangrijk in de vorm van grootschalige opslag voor de momenten dat het windstil is en bewolkt. • Minimale eis duurzame energieopwekking Daarnaast is het mogelijk te variëren in de eis ten aanzien van de opwek van duurzame energie van een partij op het bedrijventerrein en daarbij ook het opladen van voertuigen. Hierbij kunnen eisen worden gesteld aan ontwikkelaars op De Grift over de minimale energieopwekking middels een bepaald percentage van de energiebehoefte. Een afkoopregeling kan worden ingezet voor situaties waarin dit voor een bedrijf niet haalbaar is.

31 juli 2023

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BI5542-RHD-XX-XX-RP-X-0001

28

Projectgerelateerd

Voorgaande opties zijn met name gericht op de individuele bedrijven. De Grift voorziet niet op voorhand in collectieve voorzieningen, maar maakt collectieve voorziening ook niet onmogelijk. Zo kunnen bedrijven er bijvoorbeeld ook voor kiezen om een gezamenlijke laadvoorziening te realiseren. Een meer vergaande variant en daarmee een duurzaamheidsalternatief is de ontwikkeling van de uitbreiding van De Grift tot een Smart Energy Hub (SEH). In een SEH komen diverse energiestromen samen in een decentraal netwerk dat de opwek, de opslag en het verbruik steeds in een onderlinge balans brengt. Daarmee bieden ze een oplossing voor de volle elektriciteitsnetten die ontstaan door de toename van de productie van duurzame energie (netcongestie). Die volle elektriciteitsnetten vormen een beperking voor de uitbreiding van De Grift. Wanneer met bovengenoemde zaken wordt gevarieerd, kan het effect van de ontwikkeling (meer) positief zijn. Voorwaarde is dat daarbij wordt voldaan aan de wetten en eisen die zijn vastgelegd in de daarvoor vigerende beleidskaders. In een energievisie voor De Grift zal naar voren moeten komen in hoeverre energieneutraal bouwen haalbaar is, welke energievoorziening daarbij gehanteerd wordt en hoe deze te organiseren samen met de relevante partijen.

Randvoorwaarden die uit de energievisie voortvloeien zullen worden meegenomen in de tender van de kavels en mogelijk ook het op te zetten parkmanagement. Klimaatadaptatie Klimaat adaptieve maatregelen worden toegepast om de omgeving aan te passen aan klimaatverandering en de negatieve gevolgen ervan op bijvoorbeeld de gezondheid te beperken. Voorbeelden van maatregelen zijn het toepassen van groen en schaduwvoorzieningen bij gebiedsontwikkeling. De gemeente stelt voor De Grift al een aantal eisen en richtlijnen aan klimaat adaptieve ontwikkeling van het plangebied, zoals waterberging op eigen terrein en een groene inrichting van het voorterrein en randen van de kavels naast de groenblauwe structuur van de openbare ruimte. Om dit te concretiseren in het planvoornemen kan worden gekeken naar aanvullende maatregelen in het kader van: • Waterberging Op ‘schoon verhard oppervlak’ (daken, bestrating en overige terreinverhardingen zoals grote kunstwerken) kan hemelwater niet vrij in de bodem infiltreren, maar wordt het versneld afgevoerd naar de aangrenzende watergangen of de riolering. Een toename van verhard oppervlak leidt tot een verminderde grondwateraanvulling en een grotere belasting van riolering, en/of het oppervlaktewaterstelsel en moet worden gecompenseerd door het graven van extra waterberging.

Deze opgave kan worden ingevuld door binnen het plangebied boven op de bergingseis voor watercompensatie toename verhard oppervlak extra waterberging aan te leggen om deze opgave op te lossen. Dit kan in de voorziene groengebieden maar kan ook worden bereikt door bestaande en te handhaven bedrijven af te koppelen van de riolering. Door in te zetten op berging en infiltratie van hemelwater zal er veel minder water afvoeren richting de watergang. Hierdoor zal de wateropgave aanzienlijk af kunnen nemen. De minimale eis die nu in de Grift is vastgesteld is dat per bouwperceel dient te worden voorzien in waterberging op eigen terrein: 70 mm berging ten opzichte van het bebouwde oppervlak (footprint gebouw) en 35 mm berging voor overige verhardingen. De waterberging dient duurzaam in stand te worden gehouden. De nu in het plan voorziene groenstroken kunnen als optimalisatie daarnaast zorgen voor extra waterbergingscapaciteit door deze in te zetten als bijvoorbeeld wadi’s. Een afkoopregeling kan worden ingezet voor situaties waarin de waterberging niet op eigen terrein kan worden gerealiseerd.

31 juli 2023

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BI5542-RHD-XX-XX-RP-X-0001

29

Projectgerelateerd

• Groen Er is in het plan aandacht voor het vergroenen van het plangebied, waardoor een groene structuur en aantrekkelijkere omgeving ontstaat. Daarnaast is rekening gehouwen met beplanting langs de langzaam verkeersroute in de uitbreiding, zodat er sprake is van schaduwwerking voor fietsers en voetgangers. Vergroenen moet in een verdere uitwerking geconcretiseerd worden door: • het verplichten van het realiseren van een bepaald percentage groen op eigen terrein; • het planten van bomen, ook op eigen terrein; • stimulering van groendaken met bijvoorbeeld sedem. Groen kan worden ingepast in ruimtes die nu geen functie hebben, zoals langs gevels en hekken. Kleine maatregelen kunnen een groot effect bereiken in het kader van gezondheid, koelte, hitte en biodiversiteit. • Schaduw en hittestress In het kader van hittestress en gezondheid is het mogelijk te variëren in de eis ten aanzien van de realisatie schaduw op het bedrijventerrein. Hierbij kunnen aan ontwikkelaars op De Grift eisen worden gesteld aan de minimale percentages van schaduwwerking van een gebouw op een bepaalde voorziening. Daarnaast kan worden vastgelegd dat platte daken worden uitgevoerd in een lichte kleur (warmtewerend) of als groendak (verkoelend) in verband met het tegengaan van hittestress. Binnen De Grift zijn daarmee veel mogelijkheden op het gebied van klimaatadaptatie.

De ontwikkeling biedt de kans om de hoeveelheid verharding te verminderen waar het kan en meer ruimte te maken voor groen. Dit is dan ook één van de voornaamste maatregelen die in de ontwikkeling is voorzien. Er kunnen bomen worden geplant die zorgen voor meer schaduw en de bergingscapaciteit kan worden gewaarborgd door bijvoorbeeld ruimte te maken voor wadi’s in het ontwerp. Een groter aandeel groen kan zorgen dat de hittestress afneemt. De ontwikkeling heeft in een duurzaamheidsalternatief zo kans om tot een nog positiever effect op klimaat te leiden. Circulariteit In dit onderdeel wordt de voorgenomen gebiedsontwikkeling beschouwd in relatie tot de mogelijkheid om circulair om te gaan met grond- en bouwstoffen: het behouden van bestaande middelen die nodig zijn ten behoeve van de herontwikkeling. Dit sluit aan bij de duurzaamheidsambitie van de gemeente Nijmegen. De gemeente stelt voor De Grift bovendien al een aantal strenge eisen en richtlijnen aan de circulaire ontwikkeling van het plangebied. Het voornaamste onderdeel daarvan is de toepassing van het BREEAM concept. BREEAM is een afkorting van Building Research Establishment Environmental Assessment Method en is een duurzaamheidskeurmerk voor het realiseren van duurzame gebouwen met minimale milieu-impact.

Het betreft een door de Dutch Green Building Council uitgegeven meetinstrument voor de beoordeling van de duurzaamheidsprestatie van gebouwen (renovatie en nieuwbouw), gebieden en infrastructuur, zoals deze luidt op het moment van vaststelling van het plan. Het onderwerp circulariteit is opgenomen in duurzaamheidskeurmerk BREEAM. In elke fase van het bouw- en ontwikkelproces worden eisen gesteld aan circulariteit. Hiermee maakt BREEAM circulariteit meetbaar en toepasbaar in nieuwe gebouwen. Een hoge BREEAM-score is van invloed op zowel de waarde, als op het groene imago van het gebouw en zou bovendien van invloed zijn op een gezondere en productievere werk- en leefomgeving. In analogie met BREEAM wordt voor XXL logistiek gekozen voor BREEAM excellent score. Dat is het ambitieniveau waarmee wordt getoetst.

31 juli 2023

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BI5542-RHD-XX-XX-RP-X-0001

30

Projectgerelateerd

• Uitbreiden BREEAM Het BREEAM concept richt zich in de ontwikkeling van de Grift in hoofdzaak op de XXL logistiek. Voor de regionale bedrijvigheid is dit concept niet vastgesteld. Het biedt kans om in een uitwerking op het stedenbouwkundig plan te onderzoeken of de BREEAM richtlijn ook van toepassing kan worden gesteld op de ontwikkeling van het vastgoed voor regionale bedrijvigheid. • Grondbalans Om bij de ontwikkeling en realisatie van het gebied zo circulair mogelijk om te gaan met vrijkomende materialen, is het advies om een inventarisatie benodigde materialen op te maken. Vrijkomende materialen kunnen zo mogelijk op een andere locatie binnen de Grift weer worden toegepast. Dit gaat bijvoorbeeld om de aanwezige en vrijkomende verharding en de bodemstromen (grondbalans). De hoeveelheid toe te passen materialen kan ook in kaart worden gebracht. Deze informatie kan worden samengevoegd in een plan, waarmee ook een mogelijke uitwisseling van materialen binnen het plangebied kan worden voorzien. • Biobased ontwikkelen De ontwikkeling biedt kans om bij de bebouwing biobased materiaal toe te passen. Het maken van een materialenpaspoort van de nieuw te bouwen locaties waarborgt ook toekomstig hergebruik van materiaal en circulariteit.

Onderzocht moet worden wat de kansen per deelgebied zijn en geïnventariseerd moet worden wat nodig is om het volledige circulaire potentieel uit de ontwikkelingen te halen. In de op te stellen bestemmingsplannen kan in de maatvoering (bv verdiepingshoogte en gridafmetingen) geanticipeerd worden op circulaire constructiemethoden, die vaak afwijken van traditionele constructiemethoden. • Reststromen: circulair ondernemen Bedrijventerreinen kunnen circulair zijn door elkaars reststromen te gebruiken. Afval- en reststromen op bedrijventerreinen kunnen dienen als basis voor circulaire ketenprojecten. Door bijvoorbeeld het afval van het ene bedrijf te laten gebruiken als grondstof voor de ander. Reststromen kunnen zo nieuwe waarde krijgen. Naarmate natuurlijke hulpbronnen schaarser worden en de vraag naar grondstoffen toeneemt of verandert, zoeken bedrijven steeds vaker naar kopers die hun afval omzetten in nieuwe inkomstenstromen. Op deze manier veranderen zij een kostenpost in een verdienmodel. De meeste bedrijven hebben echter diepgewortelde afvalbeheerpraktijken, daarom is het veranderen van de werkwijzen vaak complex, duur en tijdrovend. De ontwikkeling van nieuwe bedrijven op De Grift biedt momentum om dit concept te onderzoeken en te implementeren, en waar mogelijk ook aansluiting te zoeken bij de bestaande bedrijven in het gebied.

Voorwaardelijk aan dit principe is het regelen en vastleggen van regelgeving en parkmanagement. De gemeente moet daarbij feitelijk optreden als ontwikkelaar en een zekere mate van uitnodigingsplanologie faciliteren. Het Parkmanagement van bedrijventerrein De Grift moet ingaan op samenwerking met de ondernemers en omgeving van het bedrijventerrein om een relevante bijdrage te leveren aan een toekomstbestendige regio en bedrijvigheid. Conclusie Het plan is in brede zin beoordeeld op mogelijkheden en kansen voor duurzaamheid, uiteengezet in klimaatadaptatie, energie en circulariteit. Daarbij is ingegaan op duurzame energieopwekking, verduurzaming en mogelijkheden voor hergebruik van grondstoffen en materialen. Daarbij is gekeken welke mogelijkheden er zijn op dit vlak voor de minder hard geformuleerde beleids- en planambities in de gebiedsvisie, stedenbouwkundig plan en bestemmingsplan. Zo is beschouwd welke kansen er zijn op het

31 juli 2023

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BI5542-RHD-XX-XX-RP-X-0001

31

Projectgerelateerd

gebied van duurzaamheid en onder welke randvoorwaarden deze gerealiseerd zouden kunnen worden om te komen tot een Duurzaamheidsalternatief. Daarin zijn mogelijkheden waarmee meer duurzaamheidswinst kan worden behaald dan de mate waarin de gebiedsontwikkeling nu al voorziet. Een meer vergaande variant en daarmee een duurzaamheidsalternatief is de ontwikkeling van de uitbreiding van De Grift tot een Smart Energy Hub (SEH). In een SEH komen diverse energiestromen samen in een decentraal netwerk dat de opwek, de opslag en het verbruik steeds in een onderlinge balans brengt. Daarmee bieden ze een oplossing voor de volle elektriciteitsnetten die ontstaan door de toename van de productie van duurzame energie (netcongestie). Die volle elektriciteitsnetten vormen een beperking voor de uitbreiding van De Grift. Hierbij kan de gemeente in overleg treden met de netbeheerder voor de capaciteit en de mogelijkheden voor uitbreiding van het net om dit mogelijk te maken, in het kader van netcongestie. Daarbij moet onderzocht worden wat de kansen zijn voor een Smart Energy Hub (SEH) waarin alle energievraagstukken in het gebied samen komen.

Voor de uitbreiding van bedrijvigheid wordt geadviseerd de panden daarnaast zoveel mogelijk energieneutraal te ontwikkelen en waar mogelijk de daken te gebruiken voor grootschalige opwekking van zonne-energie. Er wordt in het planvoornemen daarnaast gebruik gemaakt van de natuurlijke hoofdstructuren die worden ingezet voor de verbetering van flora en fauna en voor de waterberging. De nu in het plan voorziene groenstroken kunnen als optimalisatie daarnaast zorgen voor extra waterbergingscapaciteit door deze in te zetten als bijvoorbeeld wadi’s. De verschillende soorten kavels en werkomgevingen op De Grift bieden kansen voor het hergebruik van afvalproducten. Bij een duurzame gebiedsontwikkeling horen ook duurzame gebouwen die op de toekomst voorbereid zijn. Dit vertaalt zich in eisen ten aanzien van de dakconstructie (zodat deze zonnepanelen kan dragen) en duurzaam bouwen (BREEAM-NL). BREEAM wordt in de ontwikkeling van De Grift toegepast als concept in de methode voor duurzame ontwikkeling van in elk geval de XXL logistiek. Dit zou ook overwogen moeten worden voor de regionale bedrijvigheid. Om deze ambities kracht bij te zetten zijn in het bestemmingsplan onder meer regels gesteld aan de realisatie van klimaat adaptieve maatregelen (waaronder het realiseren van voldoende waterberging en groendaken), natuurinclusiviteit (o.a.

groen kavelranden), energie (en het opwekken van zonne-energie op eigen terrein) en dus duurzaamheid conform BREEAM-certificering. Het werkelijke effect hangt in grote mate af van hoe het plan verder uitgewerkt wordt. Om het plan zo duurzaam mogelijk te maken wordt geadviseerd met name aandacht te besteden aan het verder vergroten van de hoeveelheid groen en het zoveel mogelijk reduceren van de hoeveelheid verharding.

4.4

Aanzet monitoringsprogramma

Het milieueffectrapport is bedoeld om inzicht te krijgen in de daadwerkelijk optredende effecten van plannen en projecten. Bij onzekere effecten en leemten in kennis is monitoring en evaluatie van de uitwerking van de onderzochte milieuaspecten nodig. Op basis van informatie uit het lopende project (monitoringsinformatie) wordt duidelijk wat de daadwerkelijke effecten van plannen of projecten zijn. Monitoring geeft antwoord op vragen als: Worden de ambities en doelen gehaald? Worden milieunormen overschreden? Monitoring is opgenomen in de EU-richtlijn voor milieueffectrapportage en in Nederland in de Wet milieubeheer (Wm art. 7.35 en art. 7.37). De gemeente kan besluiten om milieueffecten te monitoren. Ze neemt dan de monitoringsmaatregelen, procedures en wijze van monitoring op en stelt een monitoringsverslag op. Zoals beschreven dient de beoogde ontwikkeling van De Grift een bijdrage te leveren aan de duurzaamheidsambities van Nijmegen. Daarbij is er een grote mate van flexibiliteit binnen randvoorwaarden en mogelijkheden, maar staat ook een aantal zaken vast: o.a. de waterbergingsopgave en dakconstructies 31 juli 2023

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BI5542-RHD-XX-XX-RP-X-0001

32

Projectgerelateerd

ten behoeve van zonnepanelen. Deze liggen vast in het bestemmingsplan en beeldkwaliteitplan. Daarnaast is het thema geluid een belangrijke factor als mogelijke hinderbron voor de omgeving. Bij het bevoegd gezag wordt inzake monitoring van De Grift een voorstel gedaan om in te stemmen met een pakket aan monitoringsmaatregelen gericht op de gestelde ambities bij de ontwikkeling en de regels in het bestemmingsplan om deze zodoende te waarborgen.

31 juli 2023

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BI5542-RHD-XX-XX-RP-X-0001

33

Projectgerelateerd

5

Verkeer

Het toetsingsadvies vraagt om een toelichting op het verkeersmodel en om de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit inzichtelijk te maken. Toelichting verkeersmodel Zoals in paragraaf 2.6 van deze notitie is aangegeven heeft Nijmegen in haar nota 'Nijmegen goed op weg' haar beleid vastgesteld om de mobiliteit te verduurzamen. Waar Nijmegen wel wil en zal groeien in arbeidsplaatsen en inwoneraantal, kan ze wil de leefbaarheid niet verder onder druk komen in automobiliteit niet verder groeien. Nieuwe ontwikkelingen leveren echter nieuwe automobiliteit. Om de automobiliteit in de stad niet verder te laten groeien zal de overige automobiliteit moeten verduurzamen. Mensen moeten minder vaak met de auto en/of vaker lopen, met de fiets of het OV. In het beleidsdocument is aangegeven dat de automobiliteit eigenlijk niet verder mag groeien dan de huidige situatie. In het standaard model van het prognosejaar is dit nog niet vertaald. Daarin neemt het aantal ritten per inwoner/arbeidsplaats zelfs nog toe. Omdat in de MER moet worden getoetst aan vastgesteld beleid is een bewerking gemaakt van het prognosemodel.

In het verkeersmodel is het uitgangspunt van het vastgestelde beleid vertaald door het aantal autoritten van en naar Nijmegen in 2020 (het basisjaar) gelijk te vooronderstellen aan het aantal autoritten in het prognosejaar zonder rekening te houden met de extra ritten ten gevolge van de beschreven ontwikkeling. Omdat het aantal arbeidsplaatsen en inwoners wel groeit in die periode, betekent dat een herschikking van het aantal autoritten uit het basisjaar over de inwoners en arbeidsplaatsen uit het prognosejaar. In gebieden als de Waalsprong waar veel gebouwd wordt, betekent dat dan toch nog een toename van het aantal ritten van en naar dit gebied. Buiten Nijmegen blijft de groei van het aantal autoritten ongemoeid en daarmee de druk op het netwerk. Die groei zou daarom ook meer via het netwerk van Nijmegen afgewikkeld kunnen worden. In de modelanalyses is dat effect echter niet gezien. Als worst-case is naast het aangepaste prognosemodel ook het standaard prognosemodel gebruikt. Deze prognose is opgesteld met behulp van het Regionaal Verkeersmodel Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen. Het betreft een unimodaal statisch model. De berekening is als volgt opgezet: • Het model kent als prognosejaar 2032.

Om te komen tot 2035 is de matrix opgehoogd op basis van de jaarlijkse gemiddelde groei volgens PBL CPB voor het scenario WLO (hoog) tussen 2030 en 2040 voor personenautokilometers en vrachtautokilometers. • De al in het toekomst model opgenomen ontwikkeling van de Grift is verwijderd omdat Nijmegen beleid heeft dat aangeeft dat automobiliteit niet meer groeit ondanks de groei van de aantal inwoners. Het aantal ritten van en naar de cellen in de gemeente Nijmegen in het basis model 2020 is voor die cellen herverdeeld naar inwoners en arbeidsplaatsen zoals aanwezig in het model 2032. • Bovenop de intensiteiten uit dit model op basis van het beleidsscenario Nijmegen is de ritgeneratie van de ontwikkeling gezet. • De ritgeneratie van de ontwikkeling is bepaald aan de hand van de hoeveelheid te realiseren ha van een bepaald type. Op dit moment van planontwikkeling zijn alleen ha bekend en geen BVO’s. De gemeentelijke beleidsregel kent alleen specifieke getallen voor een situatie waarin BVO’s beschikbaar zijn. In dit geval is daarom gebruik gemaakt van de kentallen volgens tabel A8 van CROW “ Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie”. Dit leidt tot in totaal iets minder dan 4.800 motorvoertuigen/etmaal.

• De herkomsten en bestemmingen zijn bepaald op basis van de herkomsten en bestemmingen van cellen met een vergelijkbare soort vulling in de directe nabijheid. • Voor gebieden met voornamelijk een functie als logistiek en distributie terreinen zijn de herkomsten en bestemmingen afgeleid van cel 3375 waarin de logistieke bedrijven van Park 15 zijn opgenomen. De

31 juli 2023

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BI5542-RHD-XX-XX-RP-X-0001

34

Projectgerelateerd

herkomsten en bestemmingen van de meer gemengde terreinen zijn gespiegeld aan zone 3980 zone met bedrijven aan de Stationsstraat • De matrix is vervolgens zowel toegedeeld op een netwerk met doorgetrokken A15 als een netwerk zonder doorgetrokken A15 Met behulp van het verkeersmodel is het mogelijk om (op hoofdlijnen) inzichtelijk te maken hoe het verkeer van en naar De Grift zich naar verwachting over de stad verspreidt. Dat kan door het draaien van zogenaamde verschilplots voor de ontwikkeling. Inzichtelijk wordt gemaakt of het gegenereerde verkeer vooral van/naar de A15 gaat, dan wel dat het zich over de stad verspreidt. Mogelijkheden duurzame mobiliteit Het plan-MER schetst drie mitigerende maatregelen als het gaat om verkeer: • verbreding van het viaduct A15; • scheiding van de verkeersstromen binnen de uitbreiding zelf; • gedrags- en mobiliteitsbeïnvloeding. De commissie beveelt aan deze mitigerende maatregelen bij de invulling van het plan verder uit te werken. Hieronder wordt dit toegelicht. Verbreding viaduct A15 Voor de uitbreiding van De Grift is het niet noodzakelijk om het viaduct te verbreden. De gemeente Nijmegen is en blijft wel voorstander van het verbreden van het viaduct; verbreding is om meerdere redenen wenselijk.

Zo heeft verbreding ook een positief effect op de verkeersbewegingen van/naar de ontwikkeling, waaronder een forse verbetering voor comfort en veiligheid voor het fietsverkeer. Het is echter niet reëel om vanuit de planexploitatie De Grift de verbreding van het viaduct over de A15 te bekostigen. Voor de verbreding van het viaduct is en blijft de gemeente dan ook afhankelijk van andere partijen, waaronder Rijkswaterstaat als eigenaar en beheerder van het viaduct, en ook de gemeente Overbetuwe. Scheiding verkeersstromen binnen de uitbreiding zelf De toegangswegen naar De Grift West, De Grift Zuid en De Grift Noord hebben het karakter van erftoegangswegen. De “Leidraad duurzame veilige inrichting bedrijventerreinen” bepleit voor bedrijventerreinen alleen fietsvoorzieningen langs gebiedsontsluitingswegen. Op de erftoegangswegen rijdt de fietser op de rijbaan. Voetgangersvoorzieningen worden alleen noodzakelijk geacht in de omgeving van woonboulevards, bouwmarkten en kantoren. Dergelijk functies zijn in De Grift niet voorzien. In het stedenbouwkundig plan is de keuze gemaakt om alleen in De Grift Noord aan één zijde van de hoofdontsluiting een pad voor alle langzaam verkeer op te nemen. Dat heeft vooral te maken met de schaal en maat van dit (deel)gebied en de bijbehorende infrastructuur. Ook hier is de verwachting dat het gebruik door langzaam verkeer niet intensief zal zijn.

Hier komen bezoekers-extensieve bedrijven die – behoudens werknemers – relatief weinig of geen langzaam verkeer aantrekken. De hoofdontsluiting van De Grift Noord is bovendien geen doorgaande route voor langzaam verkeer en het is niet voorzien dat dat in de toekomst anders wordt. Binnen de bestemming ‘Verkeer’ is het overigens mogelijk om fiets- en voetpaden aan te leggen. Omdat een deel van de beoogde ontsluitingsstructuur binnen de bestemming ‘Bedrijventerrein’ is beoogd wordt aan lid 5.1 sub k toegevoegd dat fiets- en voetpaden zijn toegestaan. Daarmee wordt de juridischplanologisch mogelijkheid geboden om voet- en fietspaden te realiseren binnen de bestemming bedrijventerrein mocht dat in de toekomst toch gewenst zijn.

31 juli 2023

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BI5542-RHD-XX-XX-RP-X-0001

35

Projectgerelateerd

Gedrags- en mobiliteitsbeïnvloeding De gemeente Nijmegen deelt de mening van de commissie dat het wenselijk is om via een werkgeversaanpak werknemers te stimuleren om zoveel mogelijk naar de ontwikkeling te reizen op een duurzame en ruimte-efficiënte wijze. In navolging van een dergelijke aanpak op campus Heyendaal zal de gemeente daartoe in gesprek gaan met werkgevers. Belangrijk is dat De Grift goed bereikbaar is per fiets en openbaar vervoer, zodat een werkgeversaanpak ook daadwerkelijk succesvol kan worden. De Griftdijk loopt als een centrale as tussen de verschillende gebiedsdelen van de uitbreiding. Deze weg is en blijft onderdeel van een HOV route met bushaltes ter hoogte van het kruispunt Griftdijk – Stationsweg. Onderdeel van de planontwikkeling is tevens de inpassing van een snelfietsroute langs de Griftdijk. Deze zogenaamde Westflankroute verbindt Arnhem, Elst en Nijmegen en is bedoeld als westelijke tegenhanger van het succesvolle RijnWaalpad. Met deze Westflankroute wordt de ontwikkeling direct ontsloten op het netwerk van aantrekkelijke, veilige en comfortabele fietsroutes. Gezien de ligging is een werkgeversaanpak dan ook kansrijk, al kan niet op voorhand worden aangegeven wat de reductie in automobiliteit zal gaan worden. Op dit moment wordt in de gemeente een werkgeversaanpak toegepast op campus Heyendaal.

Bezien wordt op welke wijze deze ook op De Grift kan worden toegepast. Verder zet de gemeente in op efficiënte en schone stadslogistiek door in te zetten op logistieke hubs in de stad. Samen met Park15 onderzoekt de gemeente of er een clean energy hub bij de afslag aan de A15 gerealiseerd kan worden. Hier kunnen elektrische vrachtwagens laden. Vanaf Park15 en De Grift kunnen elektrische vrachtwagens de naar het centrum. Nijmegen kent vanaf 2025 zero emissie zones voor stadslogistiek in de gebieden binnenstad, campus Heyendaal en Hof van Holland. Deze drie zero emissie zones zullen de transitie naar schone stadslogistiek in de gehele stad versnellen. In haar parkeerbeleid zet de gemeente in op het zo min mogelijk faciliteren van de auto door het hanteren van de ondergrenzen van parkeernormen en kentallen voor verkeersgeneratie. Uiteraard in combinatie met het aanbieden van goede alternatieven voor particulier autobezit en –gebruik, namelijk goede looproutes, fietspaden en openbaar vervoer als ook een interessant aanbod aan deelmobiliteit.

31 juli 2023

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BI5542-RHD-XX-XX-RP-X-0001

36

Projectgerelateerd

6

Geluid

In het toetsingsadvies is de constatering opgenomen dat in het geluidonderzoek een deel van de woningen in Zuiderveld niet lijken meegenomen in het geluidonderzoek. Deze constatering is juist. Het geluidonderzoek is op dit punt gerepareerd. De Commissie doet verder de aanbeveling de geluidseffecten bij de invulling van De Grift te monitoren. Aanvulling geluidsonderzoek Het akoestisch onderzoek bij het plan-MER is aangevuld met de geplande woningen voor Zuiderveld-West. Het opnemen van dit woongebied in de aanvullende berekening leidt ertoe dat het studiegebied groter is ten opzichte van het MER dat de Commissie m.e.r heeft beoordeeld. Met de toevoeging van de woningen in Zuiderveld wijzigen de aantallen geluidbelaste woningen in de verschillende scenario’s. De effectbeoordeling in kwalitatieve zin wijzigt hiermee niet. Er wordt voldaan aan wet- en regelgeving. De geluidsparagraaf in het plan-MER is aangepast op basis van het onderzoek. Belangrijkste conclusie ten opzichte van het eerdere onderzoek is dat er een toename van het aantal woningen met verhoogde geluidbelasting is. Deze toename geldt alleen voor de situatie met uitbreiding van het bedrijventerrein en uitbreiding bedrijventerrein in de maximaal planologische situatie. Er is een toename van 60 tot 70 woningen met een geluidbelasting van 51 en 55 dB.

Het aantal woningen van meer dan 55 dB blijft gelijk ten opzichte van het eerder uitgevoerde onderzoek waarin dit gedeelte van Zuiderveld niet was opgenomen. Hieronder volgt een toelichting op de berekeningen en resultaten. Voor de vergelijking geldt het bestaande bedrijventerrein als vertrekpunt. Om de effecten van het bestaande bedrijventerrein in beeld te brengen is op basis van de milieucategorieën van de gevestigde bedrijven de geluidproductie in beeld gebracht van de veronderstelde geluidafstraling per milieucategorie voor de kavels. Daarnaast wordt voor het bestaande bedrijventerrein de maximaal planologische ruimte weergegeven van de toegestane milieucategorieën volgens het bestemmingsplan. Deze twee scenario’s worden vergeleken met een scenario waarbij ze gecombineerd worden met de geluidproductie van de uitbreiding van het bedrijventerrein. Deze scenario’s wordt gebaseerd op de maximale toegestane milieucategorie. In totaal zijn vier scenario’s bekeken: • HS_BB, huidige situatie voor de aanwezige bedrijven op het bestaande bedrijventerrein; • HS_BB_MS, de maximale planologische situatie voor het bestaande bedrijventerrein op basis van de toegestane milieucategorieën; • TS_BB_en_NB, toekomstige situatie voor de aanwezige bedrijven op het bestaande bedrijventerrein en de nieuw te vestigen bedrijven op de uitbreiding van het bedrijventerrein.

Voor de uitbreiding wordt de maximale planologische situatie op basis van de toegestane milieucategorieën volgens het bestemmingsplan aangenomen. • TS_BB_en_NB_MS, toekomstige situatie voor de maximaal toegestane planologische situatie op het bestaande bedrijventerrein volgens het bestemmingsplan en de nieuw te vestigen bedrijven op de uitbreiding van het bedrijventerrein. Voor de uitbreiding wordt de maximale planologische situatie op basis van de toegestane milieucategorieën volgens het bestemmingsplan aangenomen. Het scenario TS_BB_en_NB_MS geeft de grootste geluidafstraling naar de omgeving toe. Op basis van maximale mogelijkheden binnen deze scenario zijn geluidscontouren berekend. Als onderzoeksgebied is de 40 dB(A) contour gehanteerd met de daarin gelegen geluidgevoelige bestemmingen. Onderzoek wijst uit dat er 5.414 geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen binnen de 40 dB(A) contour (hiervan zijn 139 geprojecteerde woningen in Zuiderveld die nog niet zijn gerealiseerd). Het blijkt dat in het scenario huidige situatie (HS_BB) er 17 woningen een geluidbelasting van meer dan 50 dB(A) ondervinden, waarvan 7 meer dan 55 dB(A). In het scenario maximale situatie voor het bestaande bedrijventerrein (HS_BB_MS) zijn er 31 juli 2023

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BI5542-RHD-XX-XX-RP-X-0001

37

Projectgerelateerd

24 woningen die een geluidbelasting van meer dan 50 dB(A) ondervinden. Hiervan zijn er 9 woningen met een geluidbelasting van meer dan 55 dB(A). Als gevolg van de uitbreiding van het bedrijventerrein neemt het aantal woningen met een geluidbelasting van meer dan 50 dB(A) beperkt toe. Het gaat voor het scenario met de bestaande bedrijven en de nieuwe bedrijven (TS-BB_en_NB) op de uitbreiding van het bedrijventerrein dan om 60 woningen met 50 dB(A) waarvan 10 woningen met meer dan 55 dB(A). Voor de maximale situatie voor het bestaande en uitbreiding van het bedrijventerrein (TS_BB_en_NB_MS) om 70 woningen. Bij 13 woningen wordt een geluidbelasting van 55 dB(A) geconstateerd. De grootste verandering als gevolg van de uitbreiding van het bedrijventerrein wordt geconstateerd voor de woningen die een geluidbelasting van 40 tot 50 dB(A) ondervinden. Alhoewel dit aantal duidelijk toeneemt, is de geluidbelasting lager dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) en kan worden aangenomen dat zelfs met de uitbreiding er sprake is van een goed woonklimaat bij deze woningen. Achtergrondbelasting vanwege wegverkeer is bij deze woningen beduidend hoger dan de maximale bijdrage van het bedrijventerrein. De bijdrage van de geluidafstraling van het uitgebreide bedrijventerrein neemt toe als onderdeel van het totaal van aanwezige bronnen in het gebied.

Het aanwezige wegverkeer van rijksweg 15, rijksweg A325, de provinciale weg N325 en de gemeentelijke wegen, het aanwezige railverkeer van de spoorlijn ArnhemNijmegen, Elst – Tiel en de Betuweroute en de windturbines leveren al een achtergrondniveau dat het gebied kenmerkt met een milieukwaliteitsmaat van matig tot slecht. Cumulatief bedraagt de geluidbelasting in de huidige situatie maximaal 70 dB. In de toekomstige situatie blijft de cumulatieve geluidbelasting maximaal 70 dB. Voor de aanvulling van het geluidsonderzoek met Zuiderveld is het MER-rapport aangepast en het onderliggende rapport ‘Akoestische MER-beoordeling’. Ook is het akoestisch onderzoek bij het bestemmingsplan hierdoor gewijzigd. Deze gewijzigde onderzoeken worden bij de definitieve stukken van het MER en bestemmingsplan uitbreiding bedrijventerrein De Grift gevoegd. Monitoring In gebieden waar bedrijven en woongebieden aan elkaar grenzen is het van belang om de geluidemissie van de bedrijven te controleren. Dat kan gedaan worden op verschillende manieren. Voor gezoneerde industrieterreinen is in de Wet geluidhinder een systeem van geluidzonering opgenomen. Dit systeem is echter specifiek bedoeld voor bedrijventerreinen waar zogenaamde ‘grote lawaaimakkers’ zich kunnen vestigen en is in principe niet bedoeld voor reguliere bedrijventerreinen, zoals (de uitbreiding van) De Grift.

Het uitvoeren van zonebeheer is namelijk gekoppeld aan extra lasten voor aanwezige bedrijven en relatief hoge tijdinvestering bij het overheid. Een andere mogelijkheid is het uitvoeren van geluidsmetingen. Deze kunnen de geluidsproductie van een geluidbron in beeld brengen. Het uitvoeren van metingen bij bedrijventerrein De Grif is echter moeilijk, omdat er sprake is van relevant stoorgeluid geproduceerd door het verkeer op de lokale wegen, de snelweg, het spoor en door de windmolens. In dergelijke situatie is het meten van het industrielawaai moeilijk en de uitkomsten van metingen zouden meestal niet representatief zijn. Wel geldt dat eens in de 5 jaar de gemeente brede geluidsmonitoring vanuit de EU regelgeving Omgevingslawaai uitvoert. Hier maakt ook De Grift onderdeel van uit. Emissie van geluid door bedrijven is gereguleerd in het Activiteitenbesluit en de Wet milieubeheer. Nieuw te vestigen bedrijven zullen in het kader van vergunningverlening of melding moeten aantonen dat aan de normen wordt voldaan. Het is belangrijk dat controle van mogelijke geluidemissie van bedrijven bij het inwerking treden van een inrichting gebeurt, maar ook regelmatige monitoring van ontwikkelingen en eventueel het effect van maatregelen is van belang.

Voor het bedrijventerrein De Grif zal worden gewerkt met een overzicht van de gevestigde bedrijven inclusief informatie uit hun meldingen en/of vergunningen.

31 juli 2023

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BI5542-RHD-XX-XX-RP-X-0001

38

Projectgerelateerd

In het overzicht zullen ook de bestaande bedrijven in De Grift worden meegenomen. Op basis daarvan kan een schatting van de geluidsituatie in de omgeving gemaakt worden. Op deze manier wordt gemonitord of bedrijven die zich binnen het gebied willen vestigen of gevestigd zijn aan de regels van het bestemmingsplan voldoen en of de hinder in de omgeving binnen de normen blijft. Eventuele klachten en afhandeling daarvan is geen onderdeel van de monitoring. Daarvoor bestaat bij de gemeente een klachtenafhandeling protocol en per klacht wordt gekeken welke acties nodig zijn.

31 juli 2023

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BI5542-RHD-XX-XX-RP-X-0001

39

Projectgerelateerd

7

Stikstof

De uitbreiding van De Grift leidt mogelijk leidt tot negatieve effecten in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Daarom wordt een mitigerende maatregel getroffen, de gemeente maakt gebruik van externe saldering om de toename in stikstofdepositie te mitigeren. De Commissie constateert dat de effectiviteit goed is beschreven in het MER. Uit jurisprudentie blijkt dat externe saldering alleen als mitigerende maatregel kan worden meegenomen, als deze maatregel niet al nodig is voor de verbetering of het behoud van de Natura 2000-gebieden of het voorkomen van verslechtering of verstoring van de gebieden. Het MER bevat hierover geen informatie. Bovendien wijst de Commissie op mogelijke bronmaatregelen om de stikstofdepositie te verminderen. De Commissie beveelt daarom aan om mogelijke bronmaatregelen te onderzoeken en, waar mogelijk, te borgen in de aanbesteding. In het stikstofonderzoek bij het plan-MER is ingegaan op het wegvallen van de emissies van stikstof ten gevolge van het niet meer bemesten van de agrarische gronden. Deze afname van stikstofdepositie is/wordt niet meegenomen bij de salderingsopgave. Daarnaast blijkt uit de memo en berekening van Pouderoyen dat de stikstofdepositie van de saldo gevende activiteit (de veehouderij) groter is dan de effecten van de aanleg en gebruiksfase van het bedrijventerrein. Ook na afroming van de stikstofrechten van de saldogever.

Er is/wordt dus meer gesaldeerd dan noodzakelijk is. Er wordt hiermee stikstofruimte terug gegeven aan de natuur. In een verkennend onderzoek door Pouderoyen Tonnaer is onderzoek verricht naar de emissies die op kunnen treden bij de vestiging van logistieke bedrijven. Hieruit is naar voren gekomen dat de emissies van bedrijfsactiviteiten aanzienlijk lager kunnen/zullen zijn bij vestiging van nieuwe bedrijven dan waarvan nu is uitgegaan in het onderzoek bij het plan-MER. In dat geval zal de “over-dimensionering” van de externe saldering nog groter zijn dan nu berekend / weergegeven in het onderzoek van Pouderoyen Tonnaer. De te vestigen bedrijven zullen er zelf ook belang bij hebben om te voorkomen dat de specifieke bedrijfsemissies zullen/kunnen leiden tot een relevante toename van de stikstofdepositie op overbelaste en gevoelige delen van de N2000-gebieden. Eisen die aan de bedrijven worden gesteld zullen er toe leiden dat de feitelijke bedrijfsemissies lager zullen zijn dan waarvan in het plan-MER is uitgegaan. Bronmaatregelen Het stikstofbeleid is aan veranderingen onderhevig. Een van de manieren om de stikstofuitstoot en daarmee de stikstofneerslag op de natuur terug te dringen, is het nemen van bronmaatregelen. Dat zijn maatregelen om de stikstofuitstoot aan de bron te beperken.

In aanloop naar het in de markt zetten van de bedrijfskavels zal de gemeente het beleid blijven volgen en bezien welke bronmaatregelen aanvullend als vereiste opgenomen worden in de aanbesteding. In het kader van bronmaatregelen kan gedacht worden aan: • het stimuleren van schoon en emissie loos bouwen; • het verduurzamen van transport en (interne) logistieke processen; • de overgang naar duurzame energie zoals wind- en zonne-energie; • Optimalisatie Best Beschikbare Technieken. Om schone en emissie loze bouwprojecten te stimuleren, is het belangrijk dat overheden hierop aansturen in hun aanbestedingen. Dit houdt in dat de gemeente, emissiearme bouwprojecten een impuls geeft via hun aanbestedingen. De gewenste situatie is dat de gemeente haar bouwprojecten schoon en emissie loos laten uitvoeren, inclusief de logistiek die nodig is voor de projecten. Via aanbestedingen wordt zo een essentiële bijdrage geleverd aan een reductie in stikstofuitstoot op en rond bouwlocaties. De maatregel draagt eraan bij dat de vraag naar schoon en emissie loos bouwmaterieel toeneemt.

31 juli 2023

CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"

BI5542-RHD-XX-XX-RP-X-0001

40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=db817855-491b-4aaa-8508-d5d33bce8511