CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Stads- en Wijkmonitor 2021, samenvatting en hoofdopgaven

Besluitronde (raadsvergadering) 9 juni 2021, gemeente NijmegenBij agendapunt: D18 d.d. 20 april 2021 inzake Stads- en Wijkmonitor 202119.283 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het aantal vestigingen van bedrijven en instellingen in de stad groeide in de afgelopen tien jaar flink door tot circa 16.400 vestigingen in 2019. Die groei heeft onder meer te maken met de toename van het aantal zzp’ers (van 5.700 in 2009 naar 8.400 in 2019). In 2020 verandert het speelveld door corona. Het aantal startende bedrijven neemt over heel 2020 nog iets toe, maar duidelijk minder dan voorheen. Het aantal stoppers neemt wel duidelijk toe in 2020 (+19%), overigens zonder een stijging van het aantal faillietverklaringen. Daarmee is de sterke groei van het aantal inschrijvingen in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel afgevlakt. Voor ondernemers met veel omzetverlies ten gevolge van de coronapandemie, kwam de Rijksoverheid met de NOW-regeling voor een gedeeltelijke betaling van de loonkosten. In Nijmegen leidde die regeling tot 2.400 toekenningen. Voor de zzp’ers kwam er een Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo). Daarvan heeft circa 40% van de zzp’ers in Nijmegen gebruikgemaakt. Toename banen in clusters Health en High Tech Health (Life Sciences) en High Tech zijn in het coalitieakkoord benoemd als sterke clusters, die Nijmegen en omgeving onderscheidend vermogen geven. De banenontwikkeling in deze clusters is als volgt:  Life Sciences: een stijging van circa 10.000 banen in 2013 naar circa 11.000 in 2020 (+10%).

Dit is inclusief UMC St Radboud. Kijken we naar de banenontwikkeling binnen de gezondheidszorg in volle breedte, dan is het aantal banen gestegen van circa 30.000 in 2017 naar circa 31.500 in 2020 (+5%).  High Tech Systems & Materials: een daling van circa 6.400 banen in 2013 naar circa 6.000 in 2015 en daarna een stijging naar circa 6.600 in 2020. NXP is de grootste werkgever binnen deze sector.

24

Ook is in het coalitieakkoord een aantal kansrijke economische sectoren benoemd: logistiek, circulaire economie en energietransitie en vrijetijdseconomie. De banenontwikkeling in deze sectoren is als volgt:  Het aantal banen in de logistiek nam af van circa 2.600 in 2014 tot circa 2.150 in 2017 en steeg daarna naar circa 2.700 in 2020.  Het aantal banen in environmental goods and services (duurzaamheid) nam af van circa 1.300 in 2013 tot circa 1.000 in 2017 en steeg daarna naar circa 1.100 in 2020. Het gaat vooral om recycling.  In 2019 vinden 7.390 mensen werk in toerisme en recreatie (vrijetijdseconomie). Het aantal banen in de horeca groeide in de periode 2013-2019 flink (+26%). In 2020 zien we een forse afname van het aantal banen in de horeca ten gevolge van de coronacrisis (-850 tot najaar 2020). Werkloosheid in 2020 gestegen De werkloosheid in Nijmegen daalde vanaf 2013 en lag in 2019 op 4%. Dat was nog lager dan het lage niveau in 2008 (4,7%), waarna de economische crisis begon. In 2020 zien we weer een toename, naar 4,6%. De ontwikkeling van de werkloosheid in Nijmegen volgt het gemiddelde beeld voor de benchmarksteden. In Nederland ligt de werkloosheid wat lager (3,8%) dan in de benchmarksteden (gemiddeld 4,7%). 10,0 9,0 8,0 7,0 6,0 5,0 4,0 3,0 2,0

Nijmegen gemiddelde benchmarksteden Nederland

1,0 0,0

2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020

Figuur 5: Ontwikkeling werkloosheidspercentage voor Nijmegen, de benchmarksteden (gemiddeld) en Nederland. Bron: CBS.

In Nijmegen is ruim de helft van de beroepsbevolking hoogopgeleid (54%). Het gemiddelde voor de benchmarksteden ligt lager (47%). Onder hoogopgeleiden in Nijmegen is het aandeel werklozen (ruim 2% in 2020) een stuk lager dan onder laagopgeleiden (10,5%). Dit verschil is de afgelopen jaren niet veel veranderd. Het cijfer voor jeugdwerkloosheid ligt meestal ruim boven het algemene werkloosheidscijfer. In 2020 lag de werkloosheid onder 15- tot 25-jarigen in Nijmegen op 10% (versus 7 à 8% in de twee jaar daarvoor).

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

25

Stedenvergelijking: meer banen binnen redelijke afstand van stad, veel pendel Door de sectorale specialisatie in onderwijs en gezondheidszorg telt Nijmegen naar verhouding veel banen in de niet-commerciële diensten (49% van de banen, tegen gemiddeld 40% voor de benchmarksteden). De industrie is veel kleiner (10% van de banen), maar vergeleken met andere kennissteden toch nog wel dichtbij het gemiddelde (12%). Tilburg, Enschede en Eindhoven kennen meer industriële werkgelegenheid. In de commerciële diensten is de positie van Nijmegen zeer bescheiden. Normaal zouden hier 33% van de banen verwacht worden, in Nijmegen is dat slechts 25%. Dit is ook een van de achtergronden van de relatief kleine kantoorsector in Nijmegen. Het aantal banen per 1.000 15-65-jarigen ligt in Nijmegen (832 in 2019) lager dan gemiddeld in de benchmarksteden (891). Nijmegen telt in september 2020 circa 105.500 banen. Daarmee overtreft het aantal banen de omvang van de lokale beroepsbevolking van de stad (100.000). Wat betreft de beschikbaarheid van banen ten opzichte van de eigen beroepsbevolking scoort Nijmegen in 2019 iets beneden gemiddeld ten opzichte van de benchmarksteden. Eindhoven, Arnhem en Groningen scoren beter. Daarbij moet wel bedacht worden dat Nijmegen wat beter dan gemiddeld scoort als het gaat om de bereikbaarheid van banen (alleen Arnhem scoort op dit punt duidelijk gunstiger).

Rondom Nijmegen zijn er dus gemiddeld genomen ten opzichte van de benchmarksteden meer banen binnen een redelijke afstand van de stad. Veel Nijmegenaren werken buiten Nijmegen (circa 46.000 in 2018; 53% van de Nijmeegse werknemers). Dat doen ze vooral in gemeenten wat verder van Nijmegen en niet vaak in de gemeenten rond de stad (16% van de uitgaande pendel). Omgekeerd wordt ruim zes op de tien banen van werknemers in Nijmegen vervuld door mensen die niet in Nijmegen wonen. Onder hen vooral veel mensen die in de gemeenten direct rond Nijmegen wonen (een derde van de inkomende pendel), maar ook veel die in de rest van Gelderland of Noord-Brabant wonen. De binnenkomende pendel (60.500) is daarmee groter dan de uitgaande pendel (46.000). De interactie van Nijmegen met de rest van Nederland groeit. In vijf jaar tijd is de inkomende pendel met 23% gegroeid en de uitgaande pendel met 30%. Nijmegen is de werkstad binnen de eigen regio, evenals een hooggewaardeerde woonstad die als uitvalsbasis naar werk elders in Nederland dient.

3.2.

Ondernemersklimaat

Schommelend ondernemersvertrouwen sinds start coronacrisis Het economisch sentiment van ondernemers betreft het saldo van het percentage positieve en negatieve verwachtingen over het economisch klimaat in de komende drie maanden. In het tweede kwartaal van 2020 kelderde het sentiment in de regio ArnhemNijmegen (en Nederland) naar een historisch laag niveau. Na de eerste grote schrik over de coronapandemie, herstelt het vertrouwen zich wel veel scherper dan bij de kredietcrisis van 2008. Het vierde kwartaal laat een terugval zien. Oordeel over ondernemersklimaat vrij stabiel In 2020 zouden we een nieuwe meting voor de monitor vestigingsklimaat uitvoeren, maar deze is vanwege de coronacrisis uitgesteld. De laatste meting is in 2018 uitgevoerd. De waardering van ondernemers voor het ondernemersklimaat is sinds 2010 vrij stabiel. Het gemiddelde rapportcijfer hiervoor ligt in 2018 op 6,6. Dat is hoger dan het gemiddelde

26

rapportcijfer van 6,2 voor het ondernemersklimaat in twaalf andere steden. Het rapportcijfer in Nijmegen voor de arbeidsmarkt is met een 6,7 duidelijk hoger dan het gemiddelde rapportcijfer voor de twaalf andere steden (5,7).  De hoogst beoordeelde aspecten van het Nijmeegse ondernemersklimaat zijn de nabijheid van kennisinstellingen (7,8), het culturele en evenementenaanbod (7,7), het woon- en leefklimaat (7,5) en het imago van Nijmegen (7,3).  De laagst beoordeelde aspecten zijn de lokale lasten (5,6), de gemeentelijke regelgeving (5,9) en de bereikbaarheid van de stad (6,1). Het rapportcijfer voor de bereikbaarheid van de stad is het sterkst gedaald (van 6,7 in 2016 naar 6,1 in 2018). Na de opening van De Oversteek steeg dit rapportcijfer naar 6,9. Ook de waardering voor de directe bedrijfsomgeving is sinds 2010 tamelijk stabiel (7,0 in 2018).  De hoogst beoordeelde aspecten van de directe bedrijfsomgeving zijn de bereikbaarheid per fiets (8,2), de huisvesting (7,7) en de bereikbaarheid per openbaar vervoer (7,4). Het rapportcijfer voor de huisvesting is het meest gestegen (van 6,9 in 2016 naar 7,7 in 2018).  De laagst beoordeelde aspecten zijn het parkmanagement/de winkeliersvereniging (6,1) en de bereikbaarheid voor vrachtverkeer (6,2).

 Het rapportcijfer voor de bereikbaarheid van de directe bedrijfsomgeving met de auto is het meest gedaald (van 7,2 in 2016 naar 6,7 in 2018), terwijl het cijfer voor de bereikbaarheid van de bedrijfsomgeving met het openbaar vervoer duidelijk gestegen is (van 7,0 naar 7,4). De cijfers voor de bereikbaarheid van de directe bedrijfsomgeving met de fiets en voor het vrachtverkeer zijn ook iets gestegen. Goede basis voor innovatieklimaat De Innovatiebarometer 2018 laat zien dat er in de voorgaande tien jaar 17 startups in Nijmegen waren (klein startend bedrijf, snelgroeiend en actief binnen de sectoren zakelijke dienstverlening, communicatie, informatie, Energie & Milieu Technologie, Halfgeleiders & Technologie of Health). Afgaande op andere cijfers lijkt dit een prima aantal. Zo schat het Economisch Bureau van ING dat er per jaar zo’n 100 tot 200 succesvolle startups worden opgericht in Nederland. De basis voor het innovatieklimaat ziet er goed uit in Nijmegen. Het innovatieklimaat en ondernemersklimaat in Nijmegen worden door de ondervraagde innovatieve bedrijven en bedrijven uit de topsectoren over het algemeen prima beoordeeld. De werkgelegenheid is herstellende en de bedrijvendynamiek is relatief hoog. Ondernemers zijn positief over de eigen innovatieve ontwikkelingen en over de samenwerking met andere ondernemingen of instanties.

De broedplaatsen in Nijmegen zijn succesvol in het aantrekken en ondersteunen van ondernemers en zitten aan de grens van wat zij kunnen huisvesten. Ondernemers dragen vier belangrijke aandachtspunten aan om het innovatieklimaat verder te verbeteren: 1. geschikte bedrijfsruimte voor de toekomst, 2. zoektocht naar gekwalificeerd personeel, 3. financiering en investeerders voor innovatieve projecten en 4. samenwerking tussen bedrijven, kennisinstellingen en overheden. Krapte op bedrijfsruimtemarkt, kantorenmarkt iets minder krap, markt voor winkelruimte blijft ruim De markten voor bedrijfsmatig onroerend waren tijdens de recessiejaren over het algemeen zeer ruim. Daarna is de situatie veranderd.

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

27

 

Door de groeiende vraag vanaf 2015 is op de bedrijfsruimtemarkt krapte ontstaan. Na een lange periode van weinig vraag op de bedrijventerreinenmarkt, trekt deze in 2016 weer aan. Daarna neemt het direct uitgeefbaar aanbod op bedrijventerreinen geleidelijk af. Na 2015 daalt het aanbod aan kantoorruimte, omdat een deel wordt omgezet naar andere functies (bijvoorbeeld wonen, sloop en studentenhuisvesting). In de economische topjaren 2017 en 2018 neemt de vraag toe. Daardoor is er een tamelijk krappe markt ontstaat, met name in de centrale delen van de stad. In 2020 neemt de vraag af en wordt de krapte op de kantorenmarkt minder. De binnenstad heeft sinds 2006 ongeveer 20 à 25% van de winkels en het winkelvloeroppervlak verloren aan andere functies en is geleidelijk veranderd van hoofdzakelijk aankoopplaats naar meer een ontmoetingsplaats. Binnen dat krimpende winkelvloeroppervlak was het percentage zuivere detailhandelsleegstand in maart 2021 niet hoog (6,8%) en lager dan in centra van andere steden. De leegstand doet zich vooral voor in de winkelgebieden gericht op niet-dagelijkse aankopen en veel minder in de buurt- en wijkwinkelcentra gericht op food-aankopen.

28

4. Sociale stad 4.1.

Inleiding

Verschillende soorten hulp en ondersteuning De gemeente biedt bewoners met ondersteuningsvragen en problemen op allerlei manieren hulp, onder meer via:  Stips voor Nijmegenaren met informatie- en adviesvragen;  sociale wijkteams, die als toegangspoort voor de Wmo en jeugdzorg dienen;  algemene voorzieningen en preventieve hulpverlening;  allerlei maatwerkvoorzieningen binnen de Wmo en jeugdhulp (afgestemd op de persoonlijke situatie);  Regieteams voor de aanpak van huishoudens met meervoudige problemen, die deels overlast veroorzaken;  het Veiligheidshuis voor hulpverlening op basis van een combinatie van zorg en strafrecht (dwang) in gevallen van complexe problematiek;  diverse regelingen voor inkomensondersteuning. In dit gedeelte van de Stads- en Wijkmonitor staat een beknopte beschrijving van de stand van zaken met betrekking tot deze hulp en ondersteuning, plus een samenvattend beeld van de gezondheid en het welzijn van de Nijmegenaren.

4.2.

Gezondheid en welzijn

Onderzoek naar gezondheid en leefstijl De GGD verricht vierjaarlijks onderzoek naar de gezondheid en leefstijl van kinderen, middelbare scholieren en volwassenen. De laatste metingen over de Nijmeegse jeugd zijn in 2017 (Kindermonitor) en 2019 (Gezondheidsmonitor Jeugd) verricht. De laatste meting onder de Nijmeegse volwassenen vond in 2020 plaats. De uitkomsten van die meting zullen in de loop van 2021 gepubliceerd worden. Verder zijn in de tweejaarlijkse Burgerpeiling (onderzoek onder bewoners vanaf 16 jaar) vragen over gezondheid en welzijn opgenomen (laatste meting in 2019). In dit gedeelte van de Stads- en Wijkmonitor is op basis van deze onderzoeken een samenvattend beeld geschetst van de gezondheid en het welzijn van Nijmegenaren. Veel kinderen goed gezond, maar ook diverse aandachtspunten Monitoronderzoek over Nijmeegse kinderen tot 12 jaar (Kindermonitor, laatste meting in 2017) laat zien dat 97% van de ouders de gezondheid van hun kind als goed bestempelt en dat 59% hun kind meestal weerbaar vindt. Bij 7% van de kinderen is er een verhoogd risico op psychosociale problemen, bij 83% is dat niet het geval; de overige 10% zit in het grensgebied. Positieve ontwikkelingen t.o.v.

2013 zijn:  een lichte afname van de groep met een verhoogd risico op psychosociale problemen;  ouders zijn strenger op toekomstig alcoholgebruik;  meer kinderen hebben een gezonde start (moeder rookte niet en dronk geen alcohol tijdens de zwangerschap);  thuis wordt er minder gerookt waar het kind bij is;  meer ouders geven aan dat ze de buurt kindvriendelijk vinden.

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

29

Negatieve ontwikkelingen t.o.v. 2013 zijn:  meer kinderen hebben last van een ingrijpende gebeurtenis in hun leven;  minder ouders vinden hun kind meestal weerbaar;  minder ouders krijgen hulp van familie/bekenden bij het opvoeden van de kinderen. Aandachtspunten zijn verder:  9% van de kinderen beweegt weinig (is matig actief of inactief);  bij 16% van de 4- tot 12-jarigen is sprake van overgewicht (volgens de JGZ);  (faal)angst en onzekerheid zijn belangrijke punten van zorg van ouders met een kind op de basisschool. Meeste jongeren gezond en gelukkig, maar ook aandachtspunten Monitoronderzoek onder middelbare scholieren (Gezondheidsmonitor Jeugd, 2019) laat zien dat 85% zich goed gezond voelt en eveneens 85% zich meestal gelukkig voelt. Ruim driekwart van de jongeren sport wekelijks bij een vereniging of sportschool. Het aandeel dat wekelijks ongeorganiseerd sport (buiten een vereniging of sportschool om), is afgenomen van 76% in 2015 naar 66% in 2019. Circa de helft voldoet niet aan de norm gezond bewegen (minimaal 5 dagen per week minstens 1 uur). Bij 12% van de middelbare scholieren is er sprake van een verhoogd risico op psychosociale problemen (11% in 2015). Ruim veertig procent (44%) voelt zich vaak gestrest en 47% ervaart vaak prestatiedruk.

De meest genoemde aanleidingen voor stress zijn ‘school of huiswerk’ of ‘alles wat ik moet doen (school, huiswerk, sociale media, bijbaantje, sporten etc.)’. Minder vaak genoemde aanleidingen zijn ‘situatie thuis’ en ‘eigen problemen’. Jongeren, die vaak stress ervaren door thuis of eigen problemen, voelen zich veel minder gelukkig en minder gezond dan gemiddeld. Enkele positieve trends zijn:  een afname van alcoholgebruik en roken (wel een toename van het gebruik van esigaretten);  aan afname van het risico op problematisch gamen en op problematisch gebruik van sociale media;  een lichte afname van het aandeel dat zichzelf te zwaar vindt. In 2019 stond jongerenoverlast voor het eerst sinds jaren niet in de top 10 van belangrijkste aan te pakken buurtproblemen volgens Nijmegenaren. Daarna droeg de coronacrisis bij aan een forse groei van het aantal geregistreerde gevallen van jeugdoverlast (in 2020 77% hoger dan in 2019). Het aantal verwijzingen van 12-17-jarigen naar bureau Halt nam na een jarenlange daling in 2019 weer wat toe (100 per 10.000 12-17-jarigen), maar is wel een stuk lager dan gemiddeld in de benchmarksteden (165 per 10.000 12-17-jarigen). Het percentage Nijmeegse jongeren (12 t/m 21 jaar) dat met een delict voor de rechter is verschenen, is in de jaren 2015 t/m 2019 stabiel en gelijk aan het gemiddelde voor de benchmarksteden (1% in 2019).

En dat geldt ook voor het percentage 12-22-jarigen met een jeugdreclasseringsmaatregel, om te voorkomen dat ze opnieuw de fout ingaan (0,5% in 2019). Het percentage voortijdige schoolverlaters (stoppen met school zonder startkwalificatie; een startkwalificatie betekent minimaal een opleiding havo/vwo of mbo2-niveau) is de

30

laatste schooljaren gedaald tot 2,1% in 2019/2020 (225 scholieren). Dat is iets lager dan gemiddeld in de benchmarksteden. Ruim driekwart van de volwassenen voelt zich goed gezond In vergelijking met 2017 geeft in 2019 een even hoog percentage volwassen Nijmegenaren aan zich goed tot zeer goed gezond te voelen (77%). Een ruime meerderheid (88%) geeft een rapportcijfer 7 of hoger voor hoe gelukkig men zich voelt (gemiddelde rapportcijfer: 7,6). Cijfers van de GGD uit 2012 en 2016 laten een afname van het roken en een toename van het eten van groente en fruit zien. Voor alcoholgebruik en overgewicht is het beeld stabiel. Een negatieve ontwikkeling is de lichte stijging van het aandeel volwassen Nijmegenaren met een hoog risico op een angststoornis of depressie (van 6% naar 8%). Het percentage dat aan sport doet (79% in 2019) is gelijk gebleven, na een periode van stijging tot 2017. Het aandeel dat te weinig sport en beweegt is het hoogst bij de 75plussers en de 45-54-jarigen. De Gezondheidsmonitor 2016 (GGD, RIVM en CBS) laat zien dat in Nijmegen meer volwassenen wekelijks sporten (60%) dan gemiddeld in de benchmarksteden (55%). Ook voldoet een relatief groot deel van de volwassen Nijmegenaren aan de beweegrichtlijnen (59% versus gemiddeld ruim 55% in de benchmarksteden).

Het gaat om minstens 150 minuten per week aan matig intensieve inspanning doen, zoals wandelen en fietsen, verspreid over diverse dagen. En om minstens tweemaal per week spier- en botversterkende activiteiten doen. Verder is in Nijmegen het aandeel volwassenen met overgewicht (39%) lager dan gemiddeld in de benchmarksteden (43%), maar nog wel aanzienlijk; 10% heeft ernstig overgewicht en 29% matig overgewicht. In 2019 geeft ruim negentig procent van de Nijmegenaren aan goed voor zichzelf te kunnen zorgen. Dat is vergelijkbaar met het beeld voor de jaren daarvoor. Onder de 75-plussers is dit percentage lager (72%). En dat geldt ook voor de Nijmegenaren met een niet-westerse migrantenachtergrond (83%) en personen met een lagere sociaaleconomische status (82%). Toename eenzaamheid Onderzoek van de GGD (Gezondheidsmonitor 2016) laat een groei zien van het percentage volwassenen dat (zeer) ernstig eenzaam is, van 7% in 2012 naar 12% in 2016. In de leeftijdscategorieën 35-49 en 50-64 jaar is het aandeel ernstig eenzamen het hoogst (circa 15%). Bij de 65-plussers gaat het om 12%. Ten opzichte van 2012 geven in 2016 meer volwassenen aan vaak het gevoel te hebben buiten de samenleving te staan (gestegen van 3% in 2012 naar 7% in 2016; komt meer voor bij laag en middelbaar opgeleiden). Deze stijging geldt voor alle leeftijdscategorieën, behalve de 65-74-jarigen.

Ook is het aandeel waarbij sociale uitsluiting speelt, licht toegenomen (van 5 naar 7%). Hierbij aansluitend zien we in de Burgerpeiling een stijgende trend voor het aantal Nijmegenaren dat aangeeft te weinig contacten met andere mensen te hebben (van 6% in 2013 naar 12% in 2019). Bij de Nijmegenaren met een niet-westerse migrantenachtergrond is dit aandeel hoger (28%; was 11% in 2013). Veel meldingen van overlast door verwarde personen In de periode 2013-2016 nam het aantal meldingen bij de politie van overlast door verwarde personen flink toe, van ruim 700 in 2013 naar bijna 1.300 in 2016. In 2018 en 2019 lag het aantal op circa 1.200. In 2020 zien we een forse toename tot ruim 1.600 meldingen. Achter de meldingen gaan verschillende soorten problematiek schuil (onder meer

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

31

psychische stoornissen, dementie, relatieproblemen en verstandelijke beperkingen). Mogelijk speelt de coronacrisis een rol bij de forse toename in 2020. Verschillen naar sociaaleconomische status Gegevens uit de Burgerpeiling laten zien dat personen met een lagere sociaaleconomische status zich minder vaak goed gezond en zelfredzaam voelen, een lager rapportcijfer geven voor hoe gelukkig men zich voelt en vaker afhankelijk zijn van mantelzorg. En ook de sporten cultuurdeelname is lager. Voor de mate waarin men zich in de vrije tijd voor de samenleving inzet en voor het voldoende contacten met anderen hebben zijn de verschillen naar sociaaleconomische status veel kleiner. sport minstens 12 keer per jaar

59%

88% 82%

30% 25% 11%

lid van een sportvereniging sport bij een sportschool

39% 39%

14% 18% 14% 11%

sport met een informele sportgroep sport ongeorganiseerd

41%

59% 57%

41% 36% 26%

maakt gebruik van bibliotheek bezoekt culturele podia in de stad

83% 73%

46%

bezoekt regelmatig culturele voorstellingen

52% 40%

18%

hoger

51% 49% 36%

in vrije tijd bezig met kunstzinnige activiteiten

midden lager

12% 11% 7%

neemt in vrije tijd deel aan kunsteducatie zet zich in vrije tijd in voor organisaties

25% 27% 24%

zet zich in vrije tijd in voor anderen

16% 19% 23% 29% 30% 29%

zet zich in vrije tijd in voor woonbuurt

75% 71% 71%

geeft aan voldoende contacten te hebben voelt zich goed gezond

58%

88% 79%

geeft rapportcijfer 7 of hoger voor hoe gelukkig men zich voelt

94% 88% 78%

geeft aan goed voor zichzelf te kunnen zorgen

96% 92% 82% 2% 2% 9%

ontvangt mantelzorg 0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

70%

80%

90% 100%

Figuur 6: Diverse uitkomsten Burgerpeiling naar sociaaleconomische status. Bron: Burgerpeiling 2019, O&S.

32

Effecten van coronapandemie op welzijn Sinds voorjaar 2020 voeren de GGD’en en het RIVM regelmatig peilingen onder de bevolking uit naar het gedrag, welbevinden en andere zaken rondom het coronavirus. De uitkomsten daarvan geven indicaties voor de gevoelens en het gedrag bij de inwoners van Nijmegen.  Van de Nijmeegse deelnemers aan het onderzoek was eind 2020 46% enigszins eenzaam en 13% ernstig eenzaam (in totaal bijna 60%, wat vergelijkbaar is met het landelijke beeld). Vooral het aandeel dat enigszins eenzaam is, is groter dan bij de Gezondheidsmonitor volwassenen in 2016 werd gemeten (31% matig eenzaam en 12% ernstig eenzaam). De landelijke uitkomsten laten zien dat het aandeel dat enigszins of ernstig eenzaam is bij jongeren een stuk groter is (77%). Verder tonen de landelijke uitkomsten de invloed van het af- en opbouwen van de lockdownmaatregelen zien. Het aantal mensen met eenzaamheidsgevoelens nam tussen april en juli af. Tot (half) augustus is het beeld stabiel. Daarna is er sprake van een stijging.  Eind 2020 was 85% van de Nijmeegse deelnemers psychisch gezond (het gaat om een schaalscore op basis van gerapporteerde stress, angst, slaapproblemen en stemming). Met 13% ging het psychisch minder goed en 2% was psychisch ernstig ongezond. Dit komt overeen met het landelijke beeld.

De landelijke uitkomsten van het onderzoek laten zien dat dit beeld sinds voorjaar 2020 vrij stabiel is en dat de psychische gezondheid veel lager ligt bij de 16-24-jarigen (62% psychisch gezond).  73% gaf het rapportcijfer 7 of meer voor hun leven op dat moment. Bij de Gezondheidsmonitor volwassenen 2016 gaf een groter deel een 7 of meer voor hoe gelukkig men zich voelde (88%).  50% sportte minder dan voor de coronapandemie, 14% meer.  28% dronk minder alcohol dan voor de coronapandemie, 17% meer.  13% at minder gezond dan voor de coronapandemie, 16% gezonder.  Het aantal rokers, dat sinds de coronapandemie meer is gaan roken, is groter dan het aantal rokers dat minder is gaan roken.

4.3.

Zorg en ondersteuning

Lichte afname cliënten jeugdhulp ten opzichte van 2019 Over heel 2020 gemeten waren er ruim 4.500 personen die het hele jaar of een deel van het jaar gebruikgemaakt hebben van maatwerkvoorzieningen binnen de jeugdhulp. Dat is een stijging ten opzichte van 2017 (+360), maar een daling ten opzichte van 2019 (-75). Het gaat om circa 15% van alle Nijmegenaren onder de 18 jaar en circa 150 18-22-jarigen die verlengde jeugdhulp ontvangen. Van de ruim 4.500 jeugdhulpcliënten in 2020 hebben er ongeveer 4.400 een vorm van ambulante hulp gehad: jeugdhulp zonder verblijf (-90 ten opzichte van 2019). In een deel van de gevallen is verblijf buiten het eigen gezin noodzakelijk voor de behandeling of voor het veilig opgroeien van kinderen (plaatsing in een pleeggezin, gezinshuis of behandelgroep). Het aantal cliënten jeugdhulp met verblijf is ongeveer gelijk gebleven (circa 500). Een meerderheid van deze laatste groep krijgt ook ambulante hulp. Het percentage 0- t/m 17-jarigen met jeugdhulp is relatief hoog in de stadsdelen Dukenburg, Lindenholt, Nijmegen-Zuid en Oud- en Nieuw-West en relatief laag in de stadsdelen Nijmegen-Oost, Midden en Noord.

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

33

De uitkomsten van de laatst uitgevoerde meting voor het cliëntervaringsonderzoek jeugdhulp in 2019 laten opnieuw zien dat de cliënten wat positiever zijn over de kwaliteit van de hulp dan over het regelen ervan. Voor het regelen van de ondersteuning geven de ouders van jeugdhulpcliënten tot 15 jaar gemiddeld het rapportcijfer 7,0 en de jeugdhulpcliënten vanaf 15 jaar een 7,1. Voor de kwaliteit van de ondersteuning geven de ouders van jeugdhulpcliënten tot 15 jaar een 7,4 en de jeugdhulpcliënten vanaf 15 jaar een 7,3. Ten opzichte van de meting in 2018 is het oordeel over het regelen van de hulp wat verbeterd en het oordeel over de kwaliteit van de hulp wat achteruitgegaan. Het element dat de afgelopen jaren het laagst werd beoordeeld is de snelheid waarmee men is geholpen. Met betrekking tot de uitvoering en effectiviteit van de hulp blijft de samenwerking tussen verschillende hulpverleners het meest genoemde aandachtspunt. Verdere toename aantal cliënten Wmo Het totaalaantal cliënten voor maatwerkvoorzieningen binnen de Wmo (exclusief beschermd wonen) nam toe van 11.170 over heel 2017 naar 12.640 over heel 2020 (+13%). Het aantal cliënten voor hulpmiddelen (rolstoelen, vervoer en woonvoorzieningen) is het grootst (6.400 in 2020; 870 meer dan in 2017), gevolgd door het aantal cliënten huishoudelijke hulp (5.760 in 2020; ook 870 meer dan in 2017).

Daarna volgen de cliëntenaantallen voor ondersteuning (ambulante begeleiding, dagbesteding: 3.650; sinds 2018 ongeveer gelijk gebleven) en verblijf (24uursopvang, crisisopvang: 690; 110 meer dan in 2017). Het totaal van de vier onderscheiden zorgsoorten is hoger dan de eerdergenoemde 12.640, omdat een aanzienlijke groep van meerdere soorten voorzieningen gebruikmaakt. Bij de groei van het aantal Wmo-cliënten zijn de vergrijzing en het beleid gericht op zo lang mogelijk zelfstandig blijven wonen belangrijke factoren. Van begin 2017 tot begin 2020 nam het aantal inwoners van 65 jaar en ouder met bijna 2.200 toe, terwijl de totale bevolking met ruim 4.000 toenam. Ongeveer de helft van de Wmo-voorzieningen wordt afgenomen door 65-plussers. Het gaat daarbij vooral om huishoudelijke hulp en hulpmiddelen en veel minder om begeleiding en dagbesteding. Bij de personen tot 65 jaar gaat het juist vaak om ondersteuning (begeleiding en dagbesteding). In mindere mate nemen zij ook hulpmiddelen en huishoudelijke hulp af. Nijmegen heeft voor beschermd wonen een regiofunctie, wat betekent dat Nijmegen het beschermd wonen ook voor cliënten uit de regio verzorgt. Vanaf 2018 is het aantal cliënten met 80 gedaald naar 1.390. In 2020 woonden 775 cliënten in Nijmegen (57%) en de rest daarbuiten. Van de cliënten in 91% jonger dan 65 jaar.

De uitkomsten van de laatst uitgevoerde meting voor het cliëntervaringsonderzoek Wmo in 2019 laten zien dat het gemiddelde rapportcijfer voor het regelen van de ondersteuning gelijk gebleven is (7,2). Het laagst wordt gescoord op de bekendheid waar men met de hulpvraag terecht kan en de snelheid waarmee men wordt geholpen (resp. 64% en 60% positief tot zeer positief). Het rapportcijfer voor de kwaliteit van de ondersteuning is iets gedaald, van 7,7 in 2019 naar 7,5 in 2020. Van de cliënten, die in 2019 hulp kregen, is 1 op de 5 hier ontevreden over. Het oordeel van cliënten beschermd wonen blijft over de jaren op onderdelen achter, zowel als het gaat om het regelen van hulp als de hulp zelf.

34

Sterke toename aantal 70-plussers Vanaf de 75 jaar neemt de vraag naar zorg duidelijk toe. Uit de statistieken blijkt dat een relatief groot deel van de 75-plussers gebruikmaakt van de Wmo. In de Burgerpeiling 2019 geeft 11% van de 75-plussers aan niet goed voor zichzelf te kunnen zorgen, versus 3% van de 65-74-jarigen en 2% van alle volwassen Nijmegenaren. Verder geeft een 23% van de 75plussers aan zich matig of slecht gezond te voelen, versus 14% van de 65-74-jarigen en 8% van alle volwassen Nijmegenaren. En 19% van de 75-plussers geeft aan mantelzorg te ontvangen, versus 6% van de 65-74-jarigen en 4% van alle volwassen Nijmegenaren. Hierbij moet bedacht worden dat zelfstandig wonende ouderen met veel gezondheidsklachten deels niet aan bevolkingsonderzoek zullen deelnemen en dat ouderen in tehuizen niet in de steekproef voor het bevolkingsonderzoek zitten. Het verschil tussen de 75-plussers en de leeftijdsgroepen daaronder is dus nog groter dan het bevolkingsonderzoek laat zien. Onze bevolkingsprognose laat een flinke groei van het inwonertal zien (hoofdscenario: 198.500 inwoners in 2035). De voorspelde groei is het grootst in de oudere leeftijdsklassen. Het aantal 70-plussers stijgt in het hoofdscenario van onze bevolkingsprognose van circa 19.500 in 2020 naar circa 28.500 in 2035. Dit betekent dat de zorgvraag in Nijmegen de komende jaren flink zal toenemen.

In bijna alle stadsdelen zal het aantal 70-plussers de komende jaren toenemen. Dukenburg en Lindenholt nemen hierbij een aparte positie in; het aantal ouderen zal er toenemen, terwijl - vooral in Lindenholt - de overige leeftijdsgroepen allemaal in omvang teruglopen. Ook het aantal Nijmegenaren onder de 20 jaar zal verder toenemen - van circa 34.000 in 2020 naar ruim 37.000 in 2035 - maar veel minder dan het aantal ouderen. Traditioneel woonden ouderen met een zorgbehoefte, maar ook andere mensen met een functiebeperking, vaak in tehuizen en instellingen. Sinds 2002 werkt de gemeente aan een stadsbreed beleid van “woonservicegebieden”. Doel is dat ouderen en mensen met een functiebeperking zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen. Tehuiszorg wordt daarvoor vervangen door zorg aan huis, geleverd in gewone woningen of in speciaal daarvoor gebouwde huizen. Deze trend wordt ‘extramuralisering’ genoemd en wordt ook in het rijksbeleid nagestreefd/bevorderd. Overigens is het meer/langer op zichzelf willen wonen een trend die maatschappelijk, binnen de bevolking, al langer aanwezig is, ook los van overheidsbeleid. Door de sterke toename van het aantal ouderen zal het aantal woningen waarin wonen en zorg gecombineerd kan worden (vooral door woningaanpassing maar ook in de vorm van serviceflats, senioren- en mantelzorgwoningen e.d.) uitgebreid moeten worden.

De uitkomsten van WoON 2018 geven zicht op hoe seniorenhuishoudens op dit moment wonen en in hoeverre woningen geschikt zijn vanuit het oogpunt van wonen met zorg of met een beperking:  87% van de 18.700 Nijmeegse seniorenhuishoudens (65+) woont in de normale woningvoorraad. Ruim de helft kent geen fysieke beperkingen, 40% kent enige beperkingen (niet ernstig) en in 10% van de gevallen is er sprake van ernstige beperkingen.  40% van de seniorenhuishoudens zit in de nabijheid van een steunpunt of dienstencentrum. Ongeveer 3.000 seniorenhuishoudens wonen in een specifieke ouderenwoning (serviceflat, woonzorgcomplex, andere woonvorm of ouderenwoningen niet opgenomen in een complex).  De meeste woningen in zowel de huur- als de koopsector zijn vanuit het oogpunt van wonen met zorg of met een beperking niet bijzonder geschikt. Van de 77.000 woningen

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

35

waarover informatie is, betreft bijna een kwart (18.500) "nultredenwoningen", meestal flats. Nog eens 15.000 (19%) woningen zijn wel intern gelijkvloers toegankelijk, maar daarbij kan de voordeur niet gelijkvloers bereikt worden. Bijna de helft van de woningen is wel extern toegankelijk, maar kent intern obstakels (denk aan een gangbare laagbouwwoning met een trap erin) en nog eens 7.500 woningen (10%) kent binnen en buiten obstakels. Bijna driekwart van de nultredenwoningen zit in de huursector en tachtig procent is etagebouw. Ongeveer een derde van de nultredenwoningen wordt bewoond door 65+ huishoudens. Omgekeerd woont ook een derde van de 18.700 65+ huishoudens in een nultredenwoning. Bij de groep 50-64 is dat 14%. In 7.300 van de 77.000 bewoonde woningen zijn voorzieningen voor een handicap aanwezig. In meer dan de helft van deze woningen woont een 65+ huishouden.

Aantal aanmeldingen bij sociale wijkteams stabiel De afgelopen jaren vormden de sociale wijkteams in de stadsdelen de belangrijkste lokale toegangspoort voor ondersteuning en zorg. De werkzaamheden van de teams bestaan met name uit het oppakken van zorgvragen van mensen in de vorm van kortdurende ondersteuning en het regelen van voorzieningen/hulp bij zorgaanbieders. Voor Wmovoorzieningen zijn de sociale wijkteams de belangrijkste verwijzers, voor jeugdhulp zijn dat de huisartsen, gevolgd door de sociale wijkteams. In 2020 is besloten om elk sociaal wijkteam te splitsen in een breed basisteam Jeugd en Gezin en een breed basisteam Volwassen. Het is de bedoeling dat er daardoor meer expertise direct beschikbaar komt in de wijk. Bij maatwerk - zorg die het basisteam niet kan leveren - wordt direct een zorgaanbieder met expertise ingezet. De brede basisteams gaan in de loop van 2021 van start. Het aantal aanmeldingen bij de sociale wijkteams ligt al enige jaren op rond de 10.000 per jaar. In 2020 ging het om bijna 10.000 aanmeldingen van ruim 7.700 inwoners (van wie een deel meerdere aanmeldingen deden). Veel cliënten hebben zich sinds 2015 al vaker gemeld. Het totaalaantal personen dat zich inmiddels vanaf 2015 bij de 10 sociale wijkteams in de stad heeft gemeld, is ongeveer 23.900.

In Hatert is het aandeel bewoners dat zich in de periode 2015-2020 1 of meer keer gemeld heeft het hoogst (23%), gevolgd door Dukenburg (19%). In Centrum (8%) en Noord (7%) is dit aandeel het laagst. De gemiddelde wachttijd van aanmelding tot een gesprek met de sociale wijkteams was in 2020 6,8 weken. In 2019 was dat 7,9 weken. Circa driekwart van de Wmo-cliënten, die voor hun hulpvraag contact met het sociaal wijkteam hebben gehad, is tevreden over dat contact. Over het contact over jeugdhulp met het sociaal wijkteam is een lager percentage tevreden (57% van de ouders bij de meting in 2020, versus 66 en 70% bij de metingen in 2018 en 2019). De bekendheid van de sociale wijkteams nam in de periode 2017-2019 licht toe. In 2019 is 23% van de Nijmegenaren redelijk of goed op de hoogte van het bestaan en de functie van de sociale wijkteams (18% in 2017); 29% heeft er wel van gehoord, maar weet er verder weinig vanaf (28% in 2017); 48% is er helemaal niet mee bekend (54% in 2017). Percentage dat gebruikmaakt van Stips gelijk gebleven Nijmegenaren die met informatie- en adviesvragen zitten - bijvoorbeeld over inkomen, formulieren, activiteiten in de wijk, zorg en opvoeding - kunnen bij een van de in totaal 10

36

Stips terecht. De bekendheid van de Stips nam in de periode 2017-2019 licht toe, het percentage Nijmegenaren dat er naar eigen zeggen gebruik van maakte bleef gelijk.  In 2019 is 24% van de Nijmegenaren is redelijk of goed op de hoogte van het bestaan en de functie van de Stips (19% in 2017); 23% heeft er wel van gehoord, maar weet er verder weinig vanaf (25% in 2017). Meer dan de helft (54%) is er helemaal niet mee bekend (56% in 2017).  In 2019 weet 28% waar het Stip voor de buurt waar men woont gevestigd is (25% in 2017).  Net als in 2017 geeft in 2019 8% aan dat men in de afgelopen twee jaar contact met een Stip heeft gehad, 5% één keer en 3% twee keer of vaker. Het aantal geregistreerde bezoeken aan de Stips is de afgelopen jaren sterk toegenomen tot 23.000 in 2019.  Ook de mate van tevredenheid over de informatie of het advies van de medewerkers van de Stips is niet veranderd: ruim twee derde is hier tevreden over en 8% ontevreden. Ook in het cliëntervaringsonderzoek Wmo wordt gevraagd naar de tevredenheid over het contact met de Stips. In 2019 was driekwart van de Wmocliënten daar tevreden over.  Onder personen met een lagere sociaaleconomische status is het percentrage dat gebruikgemaakt heeft van de Stips groter (19%) dan onder de personen met een gemiddelde (7%) en hogere (4%) sociaaleconomische status.

Hulpverlening op basis van drang of onder dwang Voor de aanpak van huishoudens met meervoudige problemen, waarvan een deel overlast veroorzaakt, functioneren er op stadsdeelniveau multidisciplinaire regieteams. Daaraan nemen, behalve de gemeenten en zorginstellingen, ook corporaties en de politie deel. De hulpverlening is op basis van drang en heeft vaak een structureel karakter. In 2020 waren er 401 casussen in behandeling. Het Veiligheidshuis biedt hulpverlening op basis van een combinatie van zorg en strafrecht (dwang) in gevallen van complexe problematiek, die bijna altijd een structureel karakter heeft. In 2019 waren er 284 Nijmeegse casussen in behandeling. Forse stapeling gebruik regelingen bij bijna 5% huishoudens Voor 18 regelingen binnen het sociaal domein (zorg, werk, inkomen en jeugd) hebben we zicht op de overlap in het gebruik. Van de zelfstandig wonende huishoudens in Nijmegen maakt in 2020 30% gebruik van 1 of meer regelingen, net als in 2019. Een relatief klein aandeel van de huishoudens neemt een groot deel van het gebruik van die regelingen in beslag; 35% van alle cliëntrelaties met de gemeente voor de regelingen is te herleiden tot 5% van de huishoudens. Voor 4,7% van de huishoudens (circa 3.500 huishoudens) geldt dat ze gebruikmaken van minstens 5 regelingen (versus 3,7% in 2019).

Het veel gebruikmaken van regelingen komt naar verhouding meer voor bij eenoudergezinnen (16%) en huishoudens met een niet-westerse achtergrond (13 tot 20%, afhankelijk van het herkomstland). Ook komt het meer voor in vier wijken in Dukenburg (Meijhorst, Aldenhof, Zwanenveld, Lankforst) en in de wijken Hatert en Nije Veld (7,5 tot 11%).

4.4.

Inzet voor anderen

Ruim de helft zet zich in vrije tijd in voor anderen en de samenleving Bij hulp en ondersteuning bieden aan personen en organisaties spelen bewoners een belangrijke rol. In de Burgerpeiling vragen we naar de vrijwillige inzet van Nijmegenaren

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

37

voor anderen en de samenleving. In de periode 2013-2019 zien we weinig veranderingen met betrekking tot die inzet. 14% 13% 14% 13%

geeft dagelijks of wekelijks mantelzorg

2019

19% 19% 17% 18%

geeft hulp aan personen buiten het eigen huishouden

2017 2015

26% 26% 26% 25%

zet zich als vrijwilliger in voor een organisatie

2013

23% 23% 22% 21%

zet zich in voor de buurt

54% 55% 52% 53%

zet zich in voor één of meer van deze zaken 0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

Figuur 7: Vrijwillige inzet van Nijmegenaren voor anderen en de samenleving. Bron: Burgerpeiling.

 

 

14% van de Nijmegenaren geeft dagelijks of wekelijks mantelzorg; 19% geeft maandelijks of vaker hulp aan personen buiten het eigen huishouden (oppassen op kinderen; hulp vanwege problemen; hulp bij de administratie of praktische zaken); 26% zet zich maandelijks of vaker in als vrijwilliger voor een organisatie; 23% zet zich op minstens een van de volgende manieren in voor de buurt: organiseren feesten/activiteiten, schoonhouden van buurt, groenonderhoud in buurt en buurtproblemen/verbeterpunten onder de aandacht brengen (als we ook de hulp aan buurtbewoners en de vrijwillige inzet voor buurtorganisaties meerekenen komen we op 29%).

Voor alle vormen van vrijwillige inzet voor de samenleving tezamen is een stapelingsscore gemaakt. Daarbij is de frequentie ‘minder dan eenmaal per maand’ niet meegeteld. Het resultaat is dat in 2019 54% van de Nijmegenaren zich op minstens één veld inzet. Dit percentage is sinds 2013 weinig veranderd. Verschillen tussen stadsdelen voor verbondenheid met buurt De score voor de sociale kwaliteit in de buurt op basis van de Burgerpeiling laat zien in hoeverre Nijmegenaren zich verbonden voelen met hun buurt en buurtgenoten. De gemiddelde score ligt in 2019 op 5,8 en is daarmee gelijk aan 2015 en 2017. Wel zijn er aanzienlijke verschillen tussen de stadsdelen. In Nijmegen-Noord (6,6) is de score het hoogst, gevolgd door Nijmegen-Oost (6,3) en Nijmegen-Midden (6,0). Nijmegen-Centrum scoort het laagst (5,0) en ook in Lindenholt (5,3) en Dukenburg (5,5) scoren beneden het gemiddelde. In de Burgerpeiling is aan Nijmegenaren gevraagd of ze vinden dat bewoners met en bewoners zonder migratieachtergrond in de buurt goed met elkaar samenleven. Deze vraag is niet voorgelegd aan Nijmegenaren die aangeven dat in hun buurt weinig mensen met een migrantenachtergrond wonen. Bijna de helft (47%) heeft gekozen voor ‘goed’ en 10% voor ‘slecht’ (31% ‘niet goed, niet slecht’ en 12% ‘weet niet’). In de volgende wijken is

38

relatief weinig voor ‘goed’ (31-44%) en relatief veel voor ‘slecht’ (11-22%) gekozen: Wolfskuil, Neerbosch-Oost, Heseveld, Grootstal, Meijhorst en Malvert.

4.5.

Inkomenssituatie

Percentage huishoudens met armoederisico stabiel Het CBS berekent bij hoeveel huishoudens er risico op armoede is: het percentage huishoudens onder de lage-inkomensgrens. In 2019 lag die lage-inkomensgrens voor een alleenstaande op netto 1.090 euro per maand. Voor een paar was dat 1.530 euro, en met twee minderjarige kinderen 2.080 euro. Door de economische crisis nam het percentage Nijmeegse huishoudens onder de lage-inkomensgrens toe tot 13,4% in 2013. Daarna is dit percentage licht gaan dalen. De laatste jaren (2015-2019) is het percentage niet veel veranderd (11,8% in 2019 = circa 9.400 huishoudens). Dat geldt ook voor het percentage huishoudens dat minstens 4 jaar onder de lage inkomensgrens zit (5,7% in 2019 = circa 4.000 huishoudens). In drie benchmarksteden is het aandeel huishoudens onder de lageinkomensgrens wat groter dan in Nijmegen (Groningen, Arnhem en Enschede), en in vier benchmarksteden wat kleiner (Eindhoven, Tilburg, Leiden en Maastricht). Studentenhuishoudens en huishoudens, die slechts een deel van het jaar inkomen hadden, zijn buiten beschouwing gelaten. 14,0% 12,0% 10,0% 8,0% 13,4%

6,0%

11,8%

13,0%

12,4%

12,2%

12,1%

12,1%

11,8%

10,2%

4,0% 5,2%

4,5%

2,0%

5,5%

5,6%

5,7%

5,7%

0,0% 2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

% huishoudens onder lage-inkomensgrens % huishoudens langdurig onder lage-inkomensgrens

Figuur 8: Percentage huishoudens (langdurig) onder de lage-inkomensgrens. Bron: CBS.

Binnen het Nijmeegse armoedebeleid is de grens "130% van het sociaal minimum" belangrijk, waarbij het sociaal minimum min of meer gelijk staat aan een bijstandsuitkering. In Nijmegen vallen 17.500 huishoudens in Nijmegen onder deze grens (22% van de huishoudens, exclusief studenten). Het aandeel onder de 130% grens is het grootst onder eenoudergezinnen en alleenstaanden (ongeveer een derde) en in Hatert, Nije Veld en enkele wijken in Dukenburg (meer dan 30%). De Burgerpeiling laat een wat gunstiger beeld zien dan de statistieken. In 2013 gaf 11% van de zelfstandige huishoudens aan dat de financiële situatie van het huishouden slecht was; in 2019 is dat 5%. De groep die aangeeft dat de financiële situatie in de voorgaande twee jaar verbeterd is (30%), is groter dan de groep voor wie verslechtering is opgetreden (18%). Circa 3.500 Nijmeegse huishoudens kunnen niet op eigen kracht hun financiën regelen en zijn onder bewind gesteld. Bij ruim 2.000 huishoudens, die over onvoldoende inkomsten

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

39

beschikken om hiervoor te betalen, vergoedt de gemeente de kosten hiervoor via de bijzondere bijstand. Bij die 2000 huishoudens gaat het vooral om alleenstaanden en eenoudergezinnen. Opvallend is dat het aantal aanmeldingen bij Bureau Schuldhulpverlening in 2020 (280) flink lager ligt dan in 2019 (376). De oorzaak is lastig te bepalen. Ondervinden huishoudens (nog) minder financiële problemen dan in 2019? Zoeken mensen, door de lockdownmaatregelen minder hulp? Of moet er meer tijd voorbijgaan voor de financiële problemen ten gevolge van de coronacrisis aanleiding zijn tot een aanvraag schuldhulpverlening? Een factor van belang hierbij is dat circa 40% van de 8.400 ZZP-ers gebruikgemaakt heeft van Tozo-1, de tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (3.500 toekenningen). Voor de opvolgers Tozo-2 en Tozo-3 waren eind 2020 ruim 1.000 en ruim 1.100 toekenningen gedaan. Deze regelingen worden bijna altijd gebruikt als vervolg op een eerdere Tozo-uitkering. Groei aantal bijstandsuitkeringen in 2020 Vanaf de zomer van 2017 daalde het aantal bijstandsuitkeringen in Nijmegen, van ongeveer 8.000 toen naar ruim 7.100 aan het begin van 2020. De coronacrisis heeft geleid tot weer een toename, tot 7.400 begin 2021 (+280 t.o.v. maart 2020). De instroom in het uitkeringenbestand is weer groter dan de uitstroom, in tegenstelling tot in voorgaande jaren.

De belangrijkste reden van uitstroom is het vinden van werk. In 2020 was dit in minder gevallen de reden van beëindiging (41%) dan in 2019 (46%). Een deel van de bijstandsuitkeringen gaat naar een grote, vaste kern: bijna de helft van de uitkeringen loopt al langer dan 5 jaar, twee derde langer dan 3 jaar. Het aantal WW-uitkeringen steeg in de eerste maanden van de coronacrisis sterk. Van juli tot november is er weer sprake van een daling. In december 2020 was het aantal WWuitkeringen 350 hoger dan in maart 2020. Zowel de stijging als de daling komt hoofdzakelijk voor rekening van de groep tot 27 jaar, die vaak niet meer dan drie maanden recht op een WW-uitkering hebben. Circa 15% van huishoudens maakt gebruik van inkomensondersteunende maatregelen Voor huishoudens met een laag inkomen zijn er diverse gemeentelijke regelingen voor inkomensondersteuning, onder meer individuele inkomenstoeslag, bijzondere bijstand, Meedoenregeling, kinderfonds, Collectieve Aanvullende Ziektekostenverzekering en kwijtschelding lokale belastingen. Van alle zelfstandige wonende huishoudens in Nijmegen maakte in 2020 zo'n 15% gebruik van een of meer van bovengenoemde regelingen. Dit percentage is de laatste jaren tamelijk stabiel.

Bijna de helft van de gebruikers van deze regelingen had een bijstandsuitkering, ruim 20% leeft van OAW/pensioen en 30% van inkomens uit arbeid of een andere uitkering dan bijstand. Het Nibud heeft in 2019 berekend dat nagenoeg alle soorten minimahuishoudens in Nijmegen, wanneer zij gebruik maken van de bestaande gemeentelijke en landelijke inkomensregelingen, voldoende budget hebben voor het vervullen van de basisbehoeften (noodzakelijke uitgaven) en het restpakket (uitgaven voor sociale participatie).

40

5. Duurzame stad 5.1.

Energieverbruik en duurzame energie

Daling elektriciteits- en gasverbruik Een toenemend aantal Nijmegenaren geeft aan zich er van bewust te zijn hoeveel elektriciteit en gas er in zijn of haar huishouden maandelijks wordt verbruikt (in 2021 66% van de stadspanelleden, versus 50% in 2017 en 46% in 2013). Het maandbedrag voor elektriciteit en gas is bij een groter deel bekend (81% van de stadspanelleden). Het gemiddelde elektriciteitsverbruik per woning is al jaren aan het dalen. In 2019 is de daling beperkt (van 2.390 kWh in 2018 naar 2.380 kWh in 2019). Het elektriciteitsverbruik per woning ligt in Nijmegen lager dan gemiddeld in de benchmarksteden (2.470 kWh per woning). Bij de daling van het elektriciteitsverbruik per woning moet wel bedacht worden dat het aantal woningen in Nijmegen is toegenomen, waardoor er in totaliteit geen daling is van het stroomverbruik door particulieren. Het totale stroomverbruik bij zakelijke verbruikers is wel afgenomen, vooral door sloop, sluiting en productiewijzingen. Het gemiddeld gasverbruik per woning, gecorrigeerd voor de buitentemperatuur, is al jaren aan het dalen, het ene jaar sneller dan het andere. In 2019 zet de daling door (van 1.200 m3 in 2018 naar 1.150 m3 in 2019). Het gasverbruik per woning kruipt langzaam naar het gemiddelde voor de benchmarksteden (1.133 m3 per woning).

De vergelijking wordt vertekend door verschillen in het percentage woningen dat niet op gas, maar op stadsverwarming aangesloten is. Het gemiddeld gasverbruik voor woningen is het laagst in de steden, waar relatief veel woningen op stadsverwarming aangesloten zijn. In vier benchmarksteden is het percentage woningen op stadsverwarming groter dan in Nijmegen (27% in Tilburg, 21% in Leiden, 15% in Enschede, 10% in Arnhem en 8% in Nijmegen). Het aantal woningen aangesloten op stadsverwarming is gestegen van circa 2.700 in 2011 naar ruim 6.200 woningen in 2019. Voor de energetische kwaliteit van de woningen scoort Nijmegen iets gunstiger dan de benchmarksteden. In 2019 heeft 39% van de woningen in Nijmegen, die voorzien zijn van een energielabel, minimaal energielabel B (was 20% in 2013), versus gemiddeld 37% voor de benchmarksteden. Niet alleen bij particulieren, maar ook bij de zakelijke verbruikers is het totale gasverbruik afgenomen, vooral door sloop, sluiting en productiewijzingen. Van de utiliteitsgebouwen in Nijmegen (gebouwen die geen woonbestemming hebben) met een energielabel heeft 50% label A of B. Dat percentage is lager dan het gemiddelde voor de benchmarksteden (59%). Het totale energieverbruik binnen onze gemeente is de periode 2008-2019 met 18,4% gedaald.

Toename duurzame energie De meeste Nijmegenaren (negen van de tien stadspanelleden in 2021) vinden de toepassing van duurzame energie belangrijk. Zo nodig mag dit voor een (toenemend) deel van de Nijmegenaren wat meer kosten (52% in 2021). Toepassing van zonnepanelen (elektriciteit), zonneboilers (warm water), wind (elektriciteit) of warmtepompen (ruimteverwarming) wordt zinvol geacht, maar deze technieken zijn nog niet zoveel in

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

41

gebruik. Vier van de tien Nijmegenaren (stadspanelleden) is in principe voorstander van plaatsing van windmolens binnen onze gemeente. Er is een steeds grotere groep die daar nadere voorwaarden aan stelt. Over het algemeen hebben Nijmegenaren liever dat windmolens worden geplaatst buiten hun directe woonomgeving, bijvoorbeeld op bedrijventerreinen of aan de rand van de stad. Het aantal huishoudens met zonnepanelen op het dak groeit snel. Het aantal woningen met een zonnestroominstallatie is gestegen van ruim 400 in 2011 naar richting de 9.700 in 2019. Het percentage woningen met een zonnestroominstallatie is in Nijmegen hoger (12%) dan gemiddeld in de benchmarksteden (9%). Het totale vermogen van deze installaties is in vergelijking met de benchmarksteden gemiddeld. Ook het aantal bedrijven met een zonnestroominstallatie is fors gestegen, van 131 in 2015 naar 438 in 2019 (versus gemiddeld 503 in de benchmarksteden). Het totale vermogen van deze installaties is een stuk lager dan gemiddeld in de benchmarksteden. Naast de zonnestroom, zijn de vier windturbines langs de A15 goed voor 10 megawatt windvermogen. Het percentage hernieuwbare energie - ook wel duurzame of groene energie genoemd - is in Nijmegen toegenomen van circa 2% in 2016 naar 3,5% in 2018 (versus 4,4% gemiddeld in de benchmarksteden; een actueler percentage is nog niet beschikbaar).

5.2.

Omgaan met grondstoffen

Nijmegen scoort goed op het vlak van afvalscheiding De gemiddelde hoeveelheid afval per inwoner is in Nijmegen wat lager (391 kg) dan gemiddeld in de benchmarksteden (409 kg). Veel afvalmateriaal kan opnieuw worden gebruikt. Het hergebruikpercentage voor huishoudelijk afval is in Nijmegen hoog. In 2019 ligt het op 70% van het ingezamelde en gebrachte afval (versus gemiddeld 55% voor de benchmarksteden) en op 72% als de nascheiding van niet gescheiden aangeleverd afval wordt meegerekend. De laatste jaren (2016-2019) is het hergebruikpercentage voor huishoudelijke afval stabiel. De hoeveelheid huishoudelijk restafval bedraagt in Nijmegen 118 kg per inwoner, versus gemiddeld 185 voor de benchmarksteden. Kijken we alleen naar het fijn huishoudelijk restafval dan zijn dit de aantallen: 88 kg per inwoner in Nijmegen versus gemiddeld 157 in de benchmarksteden. NIJMEGEN

88

Maastricht

98

Enschede

121

Tilburg…

126

Arnhem

201

Leiden

202

Groningen

204

Eindhoven

215 0

50

100

150

200

Figuur 9: Fijn huishoudelijk restafval in kg per inwoner, 2019. Bron: CBS.

42

250

Om de landelijke doelstellingen voor 2025 te halen - 90% hergebruik en maximaal 30 kilo restafval per inwoner per jaar - ligt er nog een flinke uitdaging. Aan de stadspanelleden is najaar 2020 gevraagd of ze het huishoudelijk afval nog beter zouden kunnen scheiden; 20% van de panelleden denkt het huishoudelijk afval (veel) beter te kunnen scheiden. Nog eens 26% denkt dat iets beter te kunnen. Ruim de helft geeft aan alles al maximaal te scheiden. De panelleden noemen allerlei ideeën voor meer service op de gescheiden afvalinzameling, waaronder meer soorten afvalstromen aan huis ophalen, de ophaalfrequentie verhogen en meer containers in de wijken. Ook denkt men dat meer voorlichting kan helpen. Er is bijvoorbeeld de nodige onduidelijkheid over wat er wel en niet thuishoort in de zakken voor plastic verpakkingsmateriaal/blik/pak.

5.3.

Duurzame mobiliteit

Oordeel over bereikbaarheid met fiets verbeterd In onze monitoronderzoeken vragen we aan Nijmegenaren, bezoekers van de binnenstad en ondernemers naar waarderingsscores voor de bereikbaarheid van locaties binnen de stad (waaronder bedrijfslocaties en het stadscentrum). De bereikbaarheid met de fiets wordt hoger gewaardeerd (8,0 - 8,2) dan de bereikbaarheid met het openbaar vervoer (7,2 7,7) en de auto (6,0 - 6,7). De waardering van Nijmegenaren voor de bereikbaarheid met de fiets steeg van 7,6 in 2011 naar 8,1 in 2017. In 2019 is de waardering gelijk gebleven. Verbetering aan fietspaden is in 2017 en 2019 een van de meest genoemde redenen voor de vooruitgang van de stad. Eind 2013 ging de gratis, bewaakte fietsenstalling onder Plein ’44 open. De waardering voor de fietsstallingsmogelijkheden in het centrum is daarna fors gestegen naar een ruime zeven (van 6,1 in 2012 naar een ruime 7 in 2018 en 2020). Vanaf 2015 is het aandeel in Nijmegen werkende Nijmegenaren dat met de fiets naar het werk gaat vrij stabiel (67%), na een periode van stijging. Op plek twee staat ‘met de auto’ (22%). De fiets is ook veruit het meest gebruikte vervoermiddel om naar de binnenstad te gaan. Overdag gebruikt ruim twee derde meestal de fiets en ’s avonds bijna driekwart. Op plek twee, drie en vier staan ‘te voet’, ‘met de auto’ en ‘met het openbaar vervoer’.

Het percentage Nijmegenaren dat tevreden is over het onderhoud van fietspaden in de stad is gestegen van 62% in 2015 naar 71% in 2019. Over het onderhoud van de wegen voor het autoverkeer is ruim de helft tevreden (52%). Daarbij aansluitend gaan meldingen van Nijmegenaren over de openbare ruimte vaker over wegen voor het autoverkeer dan over fietspaden (en het vaakst over voetpaden). Verschillen tussen stadsdelen voor tevredenheid over openbaar vervoer Het percentage van de in Nijmegen werkende Nijmegenaren dat met het openbaar vervoer naar het werk gaat, is niet hoog en vrij stabiel (3% in 2019). Het percentage Nijmegenaren dat met het openbaar vervoer naar de binnenstad gaat, is hoger en ook tamelijk stabiel (21%). Een ruime meerderheid van de Nijmegenaren is tevreden over het openbaar vervoer in de buurt (76% tevreden, 7% ontevreden). In Nijmegen-Noord is de tevredenheid gedaald (in 2017 was 77% tevreden, in 2019 62%). Ook in Lindenholt is de tevredenheid lager dan gemiddeld (66%). Toename elektrische auto’s en laadpunten Het aandeel duurzame auto’s in Nijmegen is tussen 2015 en 2018 toegenomen en bleef in 2019 gelijk (ruim 300 per 10.000 personenauto’s). In verreweg de meeste gevallen gaat het

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

43

om hybride auto’s. In diverse benchmarksteden is het aandeel duurzame personenauto’s hoger. Het aantal semi(publieke) laadpunten voor elektrische auto’s nam toe van 393 in 2019 tot 581 in 2020. Naar verhouding is het aantal laadpunten in Nijmegen ten opzichte van de benchmarksteden gemiddeld.

5.4.

Leefmilieu

Geluidsoverlast komt meer voor dan stankoverlast In 2019 geeft 16% van de huishoudens aan vaak geluidsoverlast in de buurt te ervaren, en 4% vaak stankoverlast. Deze percentages zijn de laatste jaren vrij stabiel. De belangrijkste redenen voor de geluidsoverlast zijn: buren of buurtgenoten en wegverkeer, gevolgd door bromfietsen of motoren en groepen jongeren op straat. De belangrijkste redenen voor de stankoverlast zijn: gft-containers/afvalbakken, wegverkeer, barbecue of open vuren en honden- en kattenuitwerpselen. Ten aanzien van de redenen die men voor geluids- en stankoverlast noemt, is er de laatste jaren weinig veranderd. Meeste warmte-overlast in Nijmegen-Centrum In dichtbebouwde buurten met weinig groen zijn beduidend hogere temperaturen gemeten dan in het omliggende landelijke gebied. Een deel van de huishoudens ervaart in de woning serieuze warmte-overlast. In 2017 gaf 19% van de Nijmegenaren aan regelmatig of vaak warmte-overlast in de woning te ondervinden. Deze overlast komt het meest voor in Nijmegen-Centrum en het minst in Nijmegen-Noord. Personen in bovenwoningen, en in wat mindere mate ook bewoners in flats met minimaal vijf woonlagen, geven meer dan gemiddeld aan dat ze frequent warmte-overlast in de woning ondervinden.

De mate waarin warmte-overlast ervaren wordt, hangt onder meer samen met de mate waarin de openbare ruimte en het private gebied verhard zijn. In Nijmegen-Centrum is het percentage oppervlak dat verhard of bebouwd is het grootst; in Noord is dat nog relatief laag. Nijmeegse tuinen zijn vergeleken met andere steden in grote mate verhard. In 2018 bedroeg het oppervlak steen gemiddeld genomen 67% van de totale tuin, tegenover 54% gemiddeld voor de benchmarksteden. Betegelde tuinen worden in verband gebracht met toename van zomerse hitte in de stad, wateroverlast in straten en huizen en verslechtering van luchtkwaliteit en overlevingsmogelijkheden voor kleine dieren. Stabiel beeld voor tevredenheid over groen in woonbuurt In 2019 gaf 68% van de Nijmegenaren aan tevreden te zijn over het groen in de woonbuurt. Dit percentage is al jaren niet veel veranderd. In Nijmegen-Oud-West is dit percentage lager (52% in 2019), net als bij de voorgaande metingen. Dit stadsdeel staat bovenaan voor het aandeel dat vindt dat er te weinig groen in de buurt is (19% versus 9% gemiddeld), gevolgd door Nijmegen-Centrum (15%) en Nijmegen-Noord (14%). Nijmegen-Oud-West staat ook bovenaan voor het aandeel dat ontevreden is over het groenonderhoud in de buurt (14% versus 9% gemiddeld).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=4e0b048b-5473-431c-9144-2b098c08506d