Ruimtelijke onderbouwing met plancontour Nijmegen Groenewoud Kwakkenberg - 10 (Relaishuis Station Heyendaal)
Tekst van het document
B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 20213 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
7/28
2
Methode
Hieronder bespreken we de gehanteerde methoden voor het onderzoek naar beschermde gebieden en beschermde soorten. 2.1 Beschermde gebieden
Er is gekeken naar mogelijke effecten van de voorgenomen werkzaamheden op beschermde natuurgebieden in de omgeving. Beschermde gebieden die zijn meegenomen in deze quickscan omvatten: Natura 2000-gebieden, het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone en gebieden die behoren tot Ecologische Verbindingszones. Gebieden die zijn aangewezen als ecologische verbindingszone vallen binnen de Groene Ontwikkelingszone en het GNN en zijn daarom niet weergegeven in hoofdstuk 3. Hierbij zijn brongegevens van de provincie Gelderland gebruikt. Voor de effectbepaling is gekeken naar ruimtebeslag op beschermde gebieden en, indien relevant, naar mogelijke indirecte effecten. Indirecte effecten zijn bijvoorbeeld verstoring door geluid, licht, trillingen en optische verstoring. Voor Natura 2000gebied is ook aangegeven of er vervolgstappen nodig zijn vanwege stikstofdepositie. Voor alle natuurgebieden is onderzocht of ze ook externe werking kennen. Dat wil zeggen dat de bescherming van het gebied ook bij activiteiten rondom het natuurgebied geldt. Dit is aan de orde voor de Natura 2000-gebieden. De provincie Gelderland past met betrekking tot het NNN geen externe werking toe. Op basis van de effectbepaling is aangegeven welke vervolgstappen nodig zijn.
Hierbij kan gedacht worden aan nader onderzoek, het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming of het doorlopen van de ‘nee, tenzij-procedure’ voor NNN-gebied.
2.2 Beschermde soorten
Bureaustudie
Er is een inventarisatie gedaan naar bestaande verspreidingsgegevens van beschermde soorten flora en fauna, zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. Voor de bureaustudie zijn de verspreidingsgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Hierbij zijn gegevens van de afgelopen 5 jaar in (de omgeving van) het plangebied geraadpleegd. Als zoekgebied is een afstand van tenminste 1 kilometer tot het plangebied gehanteerd. Ten aanzien van vogels zijn in de bureaustudie alleen soorten met een jaarrond beschermd nest meegenomen. Voor algemene broedvogels geldt de algemene verbodsbepaling dat nesten niet mogen worden verstoord of vernietigd als het nest in gebruik is. Oriënterend veldbezoek
Het oriënterend veldbezoek van een quickscan ecologie kan het hele jaar door worden uitgevoerd omdat het in eerste instantie gaat om een verkenning van geschikte biotopen voor beschermde soorten in het plangebied. Een veldecoloog van Movares heeft op 7 oktober 2021 het plangebied bezocht. Ter aanvulling hierop is op 12 januari 2023 en 3 februari 2023 zijn aanvullende deel van het plangebied bezocht door een veldecoloog van Movares. Dit gaat om het deel waar de tijdelijke toegangsweg en parkeerplaats B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 20213 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
8/28
gerealiseerd gaan worden en de jonge eikenboompjes in het plangebied. Tijdens deze veldbezoeken is middels visuele inspectie gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde planten en (sporen van) beschermde dieren in (de omgeving van) het plangebied. Tijdens de inspectie is ook een biotoopbeoordeling uitgevoerd. Daarbij is gekeken naar de aanwezigheid van geschikte biotopen en essentiële landschappelijke functies voor beschermde soorten. Effectbepaling beschermde soorten
Op basis van de gegevens uit de bureaustudie en de oriënterende veldbezoeken heeft een beoordeling plaatsgevonden van de effecten van de voorgenomen ingreep op de beschermde natuurwaarden in (de omgeving van) het plangebied. Vervolgstappen
Op basis van de effectbepaling zijn de vervolgstappen vastgesteld. Hierbij is per soortgroep aangegeven of nader/ aanvullend onderzoek nodig is. Indien een soort aanwezig is binnen het plangebied en er sprake is van negatieve effecten, is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd. Indien mogelijk wordt aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen of te verzachten (mitigerende maatregelen). 2.3 Beschermde houtopstanden
Er is gekeken naar mogelijke raakvlakken van de voorgenomen werkzaamheden met houtopstanden. Hierbij is in eerste instantie getoetst of omwille van de ruimtelijke ontwikkeling houtopstanden gerooid of geveld dienen te worden. Indien er sprake is van verwijderen van houtopstanden, is bepaald of de betreffende houtopstanden vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming onderdeel houtopstanden. Er is aangegeven of en welke vervolgstappen er nodig zijn voor het uitvoeren van de werkzaamheden in relatie tot dit beschermingsregime.
B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 20213 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
9/28
3
3.1 Beschermde gebieden
Resultaten
In figuur 4.1 is de ligging van beschermde gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Figuur 3.1: De ligging van beschermde natuurgebieden in de omgeving van het plangebied. B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 20213 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
10/28
3.1.1. Natura 2000gebieden
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Natura 2000-gebied Rijntakken op een afstand van 2.350 meter ten opzichte van het gebied. Ruimtebeslag
De nieuwbouw leidt niet tot ruimtebeslag op het Natura 2000-netwerk. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken ligt op een afstand van tenminste 2.350 meter. Directe negatieve effecten als gevolg van oppervlakteverlies zijn daarmee uitgesloten. Verstoring
Gezien de afstand tot het Natura 2000-netwerk kunnen indirecte effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van storingsfactoren zoals geluid en licht worden uitgesloten. Stikstofdepositie
Realisatiefase Per 2 november 2022 is middels uitspraak van de Raad van State de partiële bouwvrijstelling, die sinds 2021 bestond, komen te vervallen. Met het vervallen van de bouwvrijstelling dienen de effecten van stikstof tijdens de realisatiefase van projecten weer inzichtelijk gemaakt te worden. Ook voor voorliggend project is dit het geval. Hiertoe dient voor de realisatiefase een projectspecifieke AERIUS-berekening uitgevoerd te worden waarin alle stikstof emissiebronnen opgenomen worden en berekend wordt of deze emissiebronnen leiden tot stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. De voorgenomen ingreep (nieuwbouw) behoort tot de realisatiefase. Gebruiksfase Voorliggend project zal in de gebruiksfase niet leiden tot een toename in stikstofemissie. Het betreft het realiseren van een relaishuis en het aanpassen van het station. In de gebruiksfase wordt hier geen stikstof uitgestoten omdat er geen materieel bij te pas komt. Het realiseren van het relaishuis valt onder het project Maaslijn en het bijbehorende Provinciaal Inpassingsplan (PIP). Er hoeft derhalve voor de gebruiksfase geen AERIUS-berekening naar de emissie en depositie van stikstof uitgevoerd te worden. 3.1.2. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Op een afstand van 750 meter ten oosten van het plangebied bevinden zich terreinen die onderdeel uitmaken van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). De aanleg van het relaishuis en de opwaardering van het station leiden niet tot ruimtebeslag op het GNN. Gezien de aard van de werkzaamheden en afstand van tenminste 750 meter kunnen negatieve effecten als gevolg van verstoring en verontreiniging worden uitgesloten. De voorgenomen werkzaamheden leiden niet tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN. Er is geen nadere GNN-toetsing benodigd.
3.1.3. Groene Ontwikkelingszone
De dichtstbijzijnde gebieden die behoren tot de Groene Ontwikkelingszone liggen op een afstand van ongeveer 750 meter van het plangebied. Negatieve effecten als gevolg B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 20213 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
11/28
van ruimtebeslag zijn uitgesloten. Ook indirecte effecten op de Groene Ontwikkelingszone worden gezien de afstand uitgesloten. 3.2 Beschermde soorten
In deze paragraaf wordt per soortgroep aangegeven welke beschermde soorten er op basis van de bureaustudie en de oriënterende veldbezoeken in (de omgeving van) het plangebied worden verwacht. Vervolgens wordt per soortgroep ingegaan op mogelijke effecten die door de werkzaamheden op kunnen treden. Tot slot wordt per soortgroep aangegeven welke vervolgstappen er nodig zijn (zoals maatregelen, nader onderzoek of aanvraag ontheffing).
3.2.1. Vaatplanten
Resultaten bureaustudie
In de onderstaande tabel zijn de beschermde vaatplanten weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.1: Beschermde vaatplanten die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, geraadpleegd oktober 2021. Soort Categorie Wnb Glad biggenkruid N Groot spiegelklokje N Kartuizer anjer N Wilde weit N Wolfskers N Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen het ministerie van LNV een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Resultaten veldbezoek
Tijdens de veldbezoeken zijn geen beschermde soorten planten aangetroffen. De veldbezoeken zijn midden oktober en midden januari uitgevoerd. De bezoeken zijn uitgevoerd in een periode die verre van optimaal is om beschermde soorten goed te identificeren. Op basis van biotoop wordt in het plangebied echter ook geen beschermde vaatplantensoort verwacht. De begroeiing op het talud naast de perrons is vrij ruig, matig voedselrijk en met name begroeid met braam. De beschermde vaatplanten die bekend zijn uit de omgeving zijn op de wolfskers na allen of akkeronkruiden (wilde weit, groot spiegelklokje) of planten van voedselarme gronden (glad biggenkruid en kartuizer anjer). Het stationsgebied is ongeschikt als groeiplaats voor akkeronkruiden door het ontbreken van een kalkrijk pionierskarakter. Glad biggenkruid komt met name voor op kalkarme en voedselarme pioniersgronden/zandgronden. Kartuizer anjer is een soort van schrale kalkrijke omstandigheden. De spoorzone kent een kalkarme vegetatie met onder andere zandblauwtje en schapenzuring. De aanwezigheid van kartuizer anjer kan redelijkerwijs op standplaats worden uitgesloten. De wolfskers komt voor op beschaduwde, warme en enigszins kalkrijke grond. De soort zou midden oktober nog herkenbaar moeten zijn. Het plangebied kent niet dergelijke omstandigheden en er is maar 1 waarneming bekend op enkele honderden meters van het station.
Ook de aanwezigheid van deze soort kan worden uitgesloten.
B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 20213 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
12/28
Effectbespreking en vervolgstappen
Er zijn geen beschermde soorten vaatplanten aanwezig. Het is niet het goede seizoen om beschermde soorten vaatplanten waar te nemen, maar op basis van het aanwezige biotoop worden deze ook niet verwacht. Negatieve effecten op deze soortgroep worden niet verwacht. Voor deze soortgroep zijn geen vervolgstappen benodigd. 3.2.2. Vogels
Resultaten bureaustudie
In de onderstaande tabel zijn de beschermde vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.2: Vogels met een jaarrond beschermd nest die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, oktober 2021. Soort Categorie Wnb Boomvalk V Buizerd V Gierzwaluw V Grote gele kwikstaart V Havik V Huismus V Kerkuil V Roek V Slechtvalk V Sperwer V Steenuil V Wespendief V Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen het ministerie van LNV een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Resultaten veldbezoek Algemene broedvogels
Er is binnen het plangebied geschikt broedbiotoop aangetroffen voor algemene broedvogels. Het gaat om ruigte, struweel en bomen. Er zijn tijdens de veldbezoeken diverse algemene vogelsoorten waargenomen, zoals merel, houtduif, ekster, winterkoning en koolmees. Vogels met jaarrond beschermde nesten
Tijdens de veldbezoeken zijn in het plangebied geen vogels met een jaarrond beschermd nest waargenomen. Tijdens het veldbezoek in januari 2023 is een horst in een loofboom aangetroffen die in potentie in gebruik kan zijn door boombewonende soorten zoals zwarte kraai, ransuil, boomvalk of sperwer (Figuur 3.2). Deze boom bevindt zich ten noordoosten binnen het plangebied grenzend aan de campusbaan, gelegen op circa 25 meter afstand van het spoor, gerekend vanaf de buitenste spoorstaaf (Figuur 3.3). De aanwezige bebouwing in het plangebied beschikt niet over geschikte invliegopeningen en nestplaatsen voor gebouwbewonende soorten met B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 20213 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
13/28
jaarrond beschermde nesten als de huismus of gierzwaluw. Ook vormt het struweel geen essentieel foerageergebied voor huismus. Er is voldoende foerageergebied aanwezig aangrenzend aan het plangebied in de vorm van struweel.
Figuur 3.2: Potentieel geschikt nest voor vogels met een jaarrond beschermd nest.
B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 20213 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
14/28
Figuur 3.3: Potentieel geschikt nest voor vogels met een jaarrond beschermd nest (groene stip).
B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 20213 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
15/28
Effectbespreking en vervolgstappen Algemene broedvogels
Er is binnen het plangebied broedbiotoop aanwezig voor algemene soorten broedvogels. Het vernietigen van bewoonde nesten is verboden conform Wnb artikel 3.1. Dit geldt ook voor het zodanig verstoren van bewoonde nesten dat vogels hun nest verlaten. Om vernietiging van nesten en verstoring van broedende vogels te voorkomen dienen werkzaamheden waarbij beplanting wordt verwijderd buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode. Het verschilt per soort. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 juli. Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, moet voorafgaand aan de werkzaamheden door een ter zake kundige worden gecontroleerd of er in de te verwijderen bomen, struiken en nestkasten broedende vogels aanwezig zijn. Indien effecten op broedende vogels niet kunnen worden uitgesloten mag er niet gewerkt worden. Vogels met jaarrond beschermde nesten
In het plangebied is een nest in een loofboom aangetroffen welke potentieel geschikt is voor vogels met jaarrond beschermde nesten. Deze boom wordt door de voorgenomen werkzaamheden niet gekapt, omdat de boom zich op meer dan 75 meter afstand van de werkzaamheden bevindt (realiseren toegangsweg en relaishuis). Door deze afstand kan verstoring door geluid of optische verstoring worden uitgesloten. Er is geen nader onderzoek benodigd. 3.2.3. Grondgebonden zoogdieren
Resultaten bureaustudie
In de onderstaande tabel zijn de beschermde grondgebonden zoogdieren weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.3: Beschermde grondgebonden zoogdieren die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, oktober 2021. Soort Categorie Wnb Bever H Bosmuis AV Bunzing AV Dwergmuis AV Eekhoorn N Egel AV Huisspitsmuis AV Konijn AV Rosse woelmuis AV Steenmarter N Vos AV Wezel AV Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen het ministerie van LNV een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen.
B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 20213 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
16/28
Resultaten veldbezoeken
Er zijn groenstructuren en bosschages aanwezig binnen het plangebied waar zich algemene soorten als rosse woelmuis, egel en bosmuis kunnen bevinden. Dit zijn door het ministerie van LNV algemeen vrijgestelde soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Er worden binnen het plangebied geen soorten grondgebonden zoogdieren verwacht die niet algemeen zijn vrijgesteld door het ministerie. Voor steenmarter zijn geen verblijfplaatsen aanwezig zoals rommelhoekjes, toegankelijke schuren of andere gebouwen of holen. Grotere bomen die als nestboom voor eekhoorn kunnen fungeren zijn ook niet aanwezig. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van beide soorten wordt uitgesloten. Effectbespreking en vervolgstappen
Het plangebied is geschikt voor algemene soorten grondgebonden zoogdieren, zoals egel en rosse woelmuis. Deze dieren kunnen door de werkzaamheden worden verstoord. Er is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig omdat de soorten algemeen zijn vrijgesteld door het ministerie van LNV bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel moet worden voldaan aan de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden waarbij vegetatie wordt verwijderd van één kant uit te voeren zodat aanwezige dieren de kans krijgen zich te verplaatsen. 3.2.4. Vleermuizen
Resultaten bureaustudie
In de onderstaande tabel zijn de soorten vleermuizen weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.4: Beschermde vleermuizen die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, oktober 2021. Soort Categorie Wnb Gewone dwergvleermuis H Laatvlieger H Rosse vleermuis H Ruige dwergvleermuis H Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen het ministerie van LNV een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Resultaten veldbezoeken
De oriënterende veldbezoeken hebben overdag plaatsgevonden waardoor geen actieve vleermuizen konden worden waargenomen. Wel is zo goed als mogelijk biotoopinformatie verzameld om de aan- of afwezigheid van mogelijke foerageergebieden, vliegroutes en verblijfplaatsen te bepalen. Vleermuizen foerageergebied
De bomen en het struweel in het plangebied vormen potentieel foerageergebied voor vleermuizen. Een gedeelte van het potentiële foerageergebied zal door ruimtebeslag verdwijnen. Er blijft echter voldoende foerageergebied in de directe omgeving van het
B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 20213 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
17/28
plangebied bewaard. Denk hierbij aan bomen en tuinen die direct aan het plangebied grenzen en daaromheen liggen. Het gaat daarom niet om essentieel foerageergebied. Vleermuizen vliegroutes
De bomen binnen het plangebied maken mogelijk onderdeel uit van een vliegroute. Echter bestaan er in de directe omgeving alternatieve vliegroutes. Zo fungeert de bomenrij aan de Verlengde Groenestraat mogelijk ook als vliegroute. Deze bomenrij grenst aan het plangebied en kan daarom ook makkelijk gebruikt worden door vleermuizen zonder dat ze ver om hoeven te vliegen. De bomen binnen het plangebied fungeren daarom niet als onderdeel van een essentiële vliegroute. Er bestaan voldoende alternatieven. Ook fungeren de bomen niet als essentiële hop-over. In de omgeving bestaan met diverse bomen en struwelen dicht op het spoor ook voldoende mogelijkheden voor vleermuizen om het spoor over te steken. Vleermuizen verblijfplaatsen
De bomen binnen het plangebied zijn tijdens de veldbezoeken visueel geïnspecteerd op holten die geschikt zijn voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Er zijn geen boomholten aangetroffen die geschikt zijn voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Er staan binnen het plangebied geen gebouwen. Enkel infrastructuur zoals perrons en een voetgangersbrug. De brug bevat geen geschikte ruimtes voor vleermuizen en het ontbreekt aan gaten en kieren om in weg te kruipen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied kan worden uitgesloten. Effectbespreking en vervolgstappen Vleermuizen foerageergebied
Door de werkzaamheden kan er tijdelijk ruimtebeslag zijn op foerageergebied van vleermuizen. Er blijft echter voldoende foerageergebied in de directe omgeving van de plangebieden bewaard. Denk hierbij aan bomenrijen en tuinen in de omgeving van het plangebied. Het gaat daarom niet om essentieel foerageergebied. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen wel negatieve effecten door verstoring door licht optreden. Deze effecten kunnen worden voorkomen door te werken tussen zonsopgang en zonsondergang. Indien dit niet mogelijk is dient gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting waarbij de groenstructuren onverlicht blijven. Vleermuizen vliegroutes
Het plangebied is mogelijk onderdeel van een vliegroute. Echter bestaan er voldoende alternatieven in de omgeving. Het plangebied betreft dus geen onderdeel van een essentiële vliegroute. Er treden dan ook geen negatieve effecten door ruimtebeslag op essentiële vliegroutes op.
B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 20213 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
18/28
Vleermuizen verblijfplaatsen
In het plangebied staan geen bomen en geen gebouwen met geschikte invliegopeningen voor vleermuizen. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen worden uitgesloten. Er zijn geen vervolgstappen nodig. 3.2.5. Reptielen
Resultaten bureaustudie
In de onderstaande tabel zijn de beschermde soorten reptielen weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.5: Beschermde reptielen die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, oktober 2021. Soort Categorie Wnb Zandhagedis H Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen RVO een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Resultaten veldbezoeken
Tijdens de veldbezoeken zijn geen reptielen waargenomen. Ongeveer een kilometer ten zuidoosten is één waarneming van zandhagedis bekend. De spoorzone verder naar het zuiden (meer dan 1 kilometer) in het Rijk van Nijmegen vormt leefgebied voor de zandhagedis. Het plangebied kent maar weinig open zanderige plekken en is te klein om op zichzelf als leefgebied voor een subpopulatie zandhagedissen te fungeren. Ook is de spoorzone tussen station Heyendaal en de populatie zandhagedissen (ruim een kilometer verderop) maar matig geschikt als leefgebied. De spoorzone van het station kent wel een redelijk structuurrijke begroeiing, maar verder weinig plekken met kale grond om te zonnen. De spoorzone richting centraal station Nijmegen is ongeschikt als leefgebied door het ontbreken aan een rijke structuur. Hier is vooral struweel aanwezig en is ook geen talud aanwezig waardoor er geen of weinig geschikte winterverblijfplaatsen zijn. Op basis van biotoop en afstand van ruim een kilometer tot bestaande populaties worden er geen beschermde reptielen verwacht. Effectbespreking en vervolgstappen
Er worden geen beschermde soorten reptielen in het plangebied verwacht. Negatieve effecten op beschermde reptielen worden hiermee niet verwacht. 3.2.6. Amfibieën
Resultaten bureaustudie
In de onderstaande tabel zijn de beschermde soorten amfibieën weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.6: Beschermde amfibieën die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, oktober 2021. Soort Categorie Wnb Alpenwatersalamander N Bastaardkikker AV Bruine kikker AV Gewone pad AV B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 20213 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
19/28
Soort Kleine watersalamander
Categorie Wnb AV
Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen RVO een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Resultaten veldbezoeken
Er zijn geen watergangen aanwezig binnen het plangebied die geschikt zijn als leefgebied voor amfibieën. Mogelijk vormt het talud een geschikte overwinteringsplaats voor algemene amfibieën. Gezien de verdiepte en geïsoleerde ligging is het echter maar matig geschikt voor amfibieën. Het is niet compleet uitgesloten dat er amfibieën zoals gewone pad en bruine kikker voorkomen. Waarnemingen van alpenwatersalamander bevinden zich enkele honderden meters van het plangebied vandaan. Gezien de geïsoleerde ligging en het ontbreken van water of een vochtige ondergroei/strooisellaag wordt de aanwezigheid van alpenwatersalamander uitgesloten. Effectbespreking en vervolgstappen
Het plangebied is ongeschikt voor strenger beschermde amfibieën. Negatieve effecten op strenger beschermde soorten worden uitgesloten. Wel kunnen algemeen vrijgestelde soorten aanwezig zijn in het plangebied. De kans wordt klein geacht, maar het kan niet geheel worden uitgesloten. Deze dieren kunnen door de werkzaamheden worden verstoord. Er is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig omdat de soorten algemeen zijn vrijgesteld door het ministerie van LNV bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel moet worden voldaan aan de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden waarbij vegetatie wordt verwijderd van één kant uit te voeren zodat aanwezige dieren de kans krijgen zich te verplaatsen. 3.2.7. Vissen
Resultaten bureaustudie
In de omgeving van het plangebied zijn geen beschermde soorten vissen bekend. Resultaten veldbezoeken
In het plangebied zijn geen watergangen of poelen aanwezig. De aanwezigheid van vissen wordt uitgesloten. Effectbespreking en vervolgstappen
Negatieve effecten op deze soortgroep zijn uitgesloten. Voor deze soortgroep zijn geen vervolgstappen benodigd.
B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 20213 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
20/28
3.2.8. Ongewervelden
Resultaten bureaustudie
In de onderstaande tabel zijn de beschermde soorten ongewervelden weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.8: Beschermde ongewervelden die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, oktober 2021. Soort Categorie Wnb Grote vos N Iepenpage N Sleedoornpage N Vliegend hert N Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen het ministerie van LNV een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Bruine eikenpage
Op een afstand van 3,8 kilometer van het plangebied is bruine eikenpage waargenomen (NDFF gegevens). Waarnemingen van bruine eikenpage zijn nog slechts bekend van vijf verschillende locaties in Noord-Limburg (Wynhoff & Veling, 2020). Niet alleen zijn de meeste populaties verdwenen, de resterende populaties zijn uitermate klein geworden (Wynhoff & Veling, 2020). De soort staat niet bekend als een zeer mobiele vlinder, maar verplaatst zich geregeld enkele kilometers. Uit Noord-Holland zijn verplaatsingen van ongeveer zeven kilometer bekend. Indien nieuw leefgebied langs de Maaslijn ontstaat kan dat dus vrij snel worden gekoloniseerd. De vlinder is waarschijnlijk mobieler dan de literatuur suggereert (achtergrondrapport Natuur, 2021). De waardplant van deze soort is zomereik en eitjes worden afgezet op lage eikjes in de schaduw van grotere eiken. Verder is de soort afhankelijk van voldoende nectarplanten, bij voorkeur langs een zonnige bosrand. Resultaten veldbezoeken
Tijdens de veldbezoeken zijn geen bruine eikenpages waargenomen. De bruine eikenpage is niet actief in midden oktober en midden januari en is daardoor niet waar te nemen tijdens een veldbezoek in deze periode. In het plangebied zijn meerdere kleine jonge zomereiken aangetroffen welke als waardplant kunnen dienen voor bruine eikenpage. Daarnaast zijn er ook nectarplanten aanwezig in de vorm van braamstruweel. Dit zijn beide essentiële elementen van het leefgebied van bruine eikenpage. Doordat de eitjes van de bruine eikenpage wel aan te tonen zijn in de wintermaanden is een aanvullende schouwronde uitgevoerd in februari 2023. Tijdens het veldbezoek is gezocht naar eitjes op kleine jonge zomereiken. Er zijn geen eitjes aangetroffen. Er zijn geen waardplanten of geschikt biotoop voor waardplanten van andere streng beschermde vlinders aangetroffen. Ook is geen biotoop aanwezig voor beschermde libellen. Er zijn ook geen watergangen aanwezig die geschikt zijn als leefgebied voor bijvoorbeeld de platte schijfhoren. Het vliegend hert is bekend van bosgebieden ten zuidoosten van het plangebied. Het plangebied zelf is ongeschikt als leefgebied voor
B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 20213 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
21/28
vliegend hert. De larven zijn afhankelijk van oude zomereiken. Deze zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Effectbespreking en vervolgstappen
Essentiële elementen van het leefgebied van bruine eikenpage zijn aanwezig in de vorm van kleine jonge eiken en braamstruweel. Op een afstand van 3,8 kilometer van het plangebied is bruine eikenpage waargenomen (NDFF gegevens). Het aanwezige habitat wordt marginaal geschikt geacht voor de bruine eikenpage. De aanwezigheid van de soort is echter niet volledig uit te sluiten vanwege de aanwezigheid van de essentiële elementen in het plangebied zoals de jonge eiken en braamstruweel. In de aanvullende schouwronde in februari 2023 voor het zoeken naar eitjes van de bruine eikenpage zijn geen eitjes aangetroffen. Om deze reden kan de aanwezigheid van bruine eikenpage uitgesloten worden. Negatieve effecten op beschermde ongewervelden worden niet verwacht. Voor deze soortgroep zijn geen vervolgstappen benodigd.
3.3 Invasieve exoten
Uit de bureaustudie (NDFF) blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende exoten van de Unielijst zijn waargenomen: Hemelboom, reuzenberenklauw, reuzenbalsemien en gevlekte Amerikaanse rivierkreeft. Er zijn tijdens de oriënterende veldbezoeken in het plangebied de volgende invasieve uitheemse soorten (exoten) waargenomen: gewone berenklauw en hemelboom. Er staat één grotere hemelboom helemaal in de noordoosthoek van het plangebied. Hieromheen staan enkele zaailingen. De reuzenberenklauw groeit in de zuidelijke berm aan het einde van het perron (westkant).
3.4 Houtopstanden
Binnen het plangebied staan houtopstanden (bomen en struweel). Deze worden door de voorgenomen ingreep (deels) gekapt. De houtopstanden maken onderdeel uit van een oppervlakte bos van tien are (1.000 m2) of meer, of maken onderdeel uit van rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. Om te bepalen of deze houtopstanden beschermd zijn door de Wnb, moet worden bekeken of de houtopstanden binnen of buiten de grens bebouwde kom Wnb onderdeel houtopstanden vallen. Deze grens moet worden opgevraagd bij de gemeente Nijmegen. Indien de houtopstanden buiten deze grens liggen, is de Wnb van toepassing en geldt er een meldingsplicht en een herplantplicht. Mogelijk kan voor de kap van de houtopstanden tevens een omgevingsvergunning van de gemeente aan de orde zijn vanwege bepalingen in de APV of planregels in het bestemmingsplan. Dit dient nader te worden te worden bekeken.
B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 20213 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
22/28
4
Conclusie
In onderstaande paragrafen worden de conclusies en aanbevelingen uit de quickscan besproken. 4.1 Beschermde gebieden
Natura 2000
Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken bevindt zich op een afstand van ongeveer 2 kilometer. Gezien de aard van de werkzaamheden, de ligging van het plangebied en de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied zijn negatieve effecten door verstoring op Natura 2000-gebied uitgesloten. Voor mogelijke stikstofdepositie op gevoelige habitattypen/soorten in Natura 2000-gebieden tijdens de realisatiefase van het project dienen de effecten middels een projectspecifieke AERIUS-berekening inzichtelijk gemaakt te worden. Het project zal in de gebruiksfase niet leiden tot een toename in stikstofemissie. Natuurnetwerk Nederland (GNN)
Er is geen ruimtebeslag op het GNN. Gezien de aard van de werkzaamheden en afstand van tenminste 750 meter worden indirecte negatieve effecten zoals verstoring en verontreiniging op de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN eveneens uitgesloten. Er is geen nadere GNN-toetsing benodigd. Groene ontwikkelingszone
Er is geen ruimtebeslag op gebieden die behoren tot de Groene Ontwikkelingszone. Negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Er zijn geen vervolgstappen benodigd. 4.2 Beschermde soorten
Binnen het plangebied is biotoop aangetroffen die geschikt is voor beschermde soorten (Wnb) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit de volgende soortgroepen: algemene broedvogels en vleermuizen. In onderstaande tabel is per soortgroep aangegeven of er nader onderzoek nodig is en mogelijk een ontheffing nodig is in het kader van de Wet natuurbescherming.
B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 20213 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
23/28
Tabel 4.1: Conclusies natuurbescherming).
en
aanbevelingen
Soortgroep
Beschermde Soorten/functie
Vaatplanten Algemene Broedvogels
Nee Ja
Nader onderzoek nodig Nee Nee
over
beschermde
soorten
(Wet
Ontheffing Wet natuurbescherming nodig Nee Nee, mits maatregelen worden genomen om vernietiging van nesten en verstoring van broedende vogels te voorkomen Nee
Vogels met Ja jaarrond beschermde nesten Grondgebonden Ja, het plangebied zoogdieren vormt leefgebied voor algemeen vrijgestelde grondgebonden zoogdiersoorten zoals egel en bosmuis Vleermuizen Nee, het betreft foerageergebied geen essentieel foerageergebied
Nee
Vleermuizen vliegroutes
Nee, het betreft geen essentiële vliegroutes
Nee
Vleermuizen verblijfplaatsen Reptielen Amfibieën
Nee
Nee
Nee
Nee Ja, het plangebied vormt leefgebied voor algemeen vrijgestelde amfibieënsoorten zoals gewone pad Nee Nee
Nee Nee
Nee Nee, het betreft door het ministerie van LNV algemeen vrijgestelde dieren. Er dient wel rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht (artikel 1.11). Nee Nee
Vissen Ongewervelden
Nee
Nee, er dient wel rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht (artikel 1.11). Het betreft door het ministerie van LNV algemeen vrijgestelde dieren.
Nee
Nee, mits tijdelijke verstoring wordt voorkomen door uitsluitend overdag te werken of door gebruik te maken van gerichte verlichting waarbij het omliggend groen onverlicht blijven. Nee, mits tijdelijke verstoring wordt voorkomen door uitsluitend overdag te werken of door gebruik te maken van gerichte verlichting waarbij het omliggend groen onverlicht blijven.
Nee Nee
B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 20213 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
24/28
4.2.1. Nader
onderzoek
4.2.2. Maatregelen
4.1 Invasieve exoten
4.2 Houtopstanden
Er zijn geen leefgebied of functies voor beschermde soorten waargenomen waar nader onderzoek voor benodigd is. Om negatieve effecten op algemeen beschermde soorten zoveel mogelijk te voorkomen worden in ieder geval de volgende maatregelen voorgesteld: Soortgroep Maatregel Algemene broedvogels Om effecten op broedende vogels te voorkomen dienen werkzaamheden, waarbij beplanting wordt verwijderd buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode. Het verschilt per soort. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 juli. Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, moet voorafgaand aan de werkzaamheden door een ter zake kundige op het gebied van broedvogels worden gecontroleerd of broedende vogels aanwezig zijn. Dit geldt ook voor de periode vlak voor of na het broedseizoen, het gaat om een broedgeval ongeacht de datum. Indien effecten op broedende vogels niet kunnen worden uitgesloten mag er niet worden gewerkt. Grondgebonden Om effecten op algemeen beschermde kleine zoogdieren & grondgebonden zoogdieren en amfibieën zoveel Amfibieën mogelijk te beperken dienen werkzaamheden waarbij vegetatie wordt verwijderd van één kant te worden uitgevoerd, zodat aanwezige dieren de kans krijgen om zich te verplaatsen. Deze maatregel valt onder de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb).
Vleermuizen Om mogelijke indirecte effecten als verstoring door licht foerageergebied, op naast gelegen foerageergebied, verblijfplaatsen en vliegroutes en vliegroutes te voorkomen dient gewerkt te worden tussen verblijfplaatsen zonsopgang en zonsondergang. Indien toch gebruik moet worden gemaakt van kunstlicht, dient gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting. Hierbij dient lichtval op bomen en gebouwen in de omgeving te worden vermeden om verstoring te voorkomen. Uit de bureaustudie (NDFF) blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende exoten van de Unielijst zijn waargenomen: Hemelboom, reuzenberenklauw, reuzenbalsemien en gevlekte Amerikaanse rivierkreeft. Er zijn tijdens de oriënterende veldbezoeken in het plangebied twee invasieve uitheemse soorten (exoten) waargenomen: gewone berenklauw en hemelboom. Er staat één grotere hemelboom helemaal in de noordoosthoek van het plangebied. Hieromheen staan enkele zaailingen. De reuzenberenklauw groeit in de zuidelijke berm aan het einde van het perron (westkant). Binnen het plangebied staan houtopstanden (bomen en struweel). Deze worden door de voorgenomen ingreep (deels) gekapt. De houtopstanden maken onderdeel uit van een oppervlakte bos van tien are (1.000 m2) of meer, of maken onderdeel uit van B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr.
RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 20213 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
25/28
rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. Om te bepalen of deze houtopstanden beschermd zijn door de Wnb, moet worden bekeken of de houtopstanden binnen of buiten de grens bebouwde kom Wnb onderdeel houtopstanden vallen. Deze grens moet worden opgevraagd bij de gemeente Nijmegen. Indien de houtopstanden buiten deze grens liggen, is de Wnb van toepassing en geldt er een meldingsplicht en een herplantplicht. Mogelijk kan voor de kap van de houtopstanden tevens een omgevingsvergunning van de gemeente aan de orde zijn vanwege bepalingen in de APV of planregels in het bestemmingsplan. Dit dient nader te worden te worden bekeken. 4.3 Kansen voor natuur
Om biodiversiteit in en rondom het plangebied te verhogen, kunnen de volgende maatregelen worden toegepast: Om de biodiversiteit te verhogen kan het relaishuis natuurinclusief worden aangelegd. Hierbij kan worden gedacht aan een groen dak of het inmetselen van voorzieningen voor huismussen of vleermuizen. Ook de omgeving van het relaishuis en het station kunnen op een manier worden ingericht zodat de biodiversiteit daarbij gebaat is. Dit gaat vaak hand in hand met klimaatadaptie. Aanplanten van inheems groen op delen die na de werkzaamheden beschikbaar zijn. Het behouden en versterken van de schrale spoorbermvegetatie door deels open plekken te creëren en deze na de werkzaamheden vanzelf dicht te laten groeien door gebruik te maken van de aanwezige zaadbank.
B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 20213 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
26/28
5
Bronnen
BIJ12 (juli 2017), Kennisdocument Buizerd. Versie 1.0 Nationale Databank voor Flora en Fauna (oktober 2021) Opwaardering Maaslijn - Achtergrondrapport Natuur, ecologisch onderzoek (2021). Movares Nederland B.V. SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.
B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 20213 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
27/28
Colofon Opdrachtgever
Uitgave
ProRail B.V.
Movares Nederland B.V. Kennislijn Omgeving en Processen groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering Daalseplein 100 Postbus 2855 3500 GW Utrecht
Telefoon
030 265 55 55
Ondertekenaar
Merel Jansen
Projectnummer
RM006190
Kenmerk
B85-HLA-KA-2100040
B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 20213 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
28/28
Bijlage I: wet- & regelgeving In deze bijlage staat een beschrijving van de relevante wet- en regelgeving en het beleidskader. Wet natuurbescherming (Wnb)
De Wet natuurbescherming (Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en de Boswet. Veel verantwoordelijkheden en bevoegdheden liggen bij de provincies. Er zijn hierop wel uitzonderingen waarvoor het ministerie van LNV bevoegd gezag is. Dit betreft onder andere de aanleg, uitbreiding en, voor zover van toepassing, inrichting, alsmede wijziging, gebruik, beheer en onderhoud van hoofdwegen en hoofdvaarwegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Tracéwet en hoofdspoorwegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet. Gemeenten hebben een loketfunctie. Het is mogelijk om een natuurvergunning ‘aan te haken’ bij de omgevingsvergunning, maar dit hoeft niet. De Wnb richt zicht op bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden. Gebiedsbescherming
De gebiedsbescherming is vastgelegd in artikel 2.1 tot en met 2.11 van de Wet natuurbescherming. Hierin wordt de aanwijzing en bescherming van Natura 2000gebieden geregeld. Hiermee zijn de verplichtingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, voor zover die betrekking hebben op gebiedsbescherming, geïmplementeerd in het Nederlands recht. De begrenzing van de Natura 2000-gebieden en de instandhoudingdoelstellingen voor die gebieden zijn vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden. De instandhoudingdoelstellingen beschrijven voor de voor het gebied aangewezen habitattypen en soorten of een bepaalde ontwikkeling ervan gewenst is of dat het behoud ervan op het aanwezige niveau moet worden nagestreefd. Voor activiteiten of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van LNV. Voortoets en Passende beoordeling Bij plannen in, of in de nabijheid (externe werking) van, een Natura 2000-gebied dienen de initiatiefnemers in een oriënterende fase (voortoets) te onderzoeken of het plan een significant negatief effect op de instandhoudingdoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied kan hebben. Met externe werking wordt bedoeld dat ook activiteiten buiten het gebied de natuurwaarden in het gebied kunnen beïnvloeden.
Indien na dit onderzoek niet kan worden uitgesloten dat de activiteit een significant negatief effect heeft, dient de initiatiefnemer meer gedetailleerd dan in de oriënterende fase in kaart te brengen wat de effecten van de activiteit kunnen zijn. Daarbij dienen ook, indien noodzakelijk, de mitigerende maatregelen te worden betrokken. Deze analyse heet een ´passende beoordeling´. Het bevoegd gezag toetst de passende beoordeling. Wanneer uit de passende beoordeling alsnog de zekerheid wordt verkregen dat de activiteit niet leidt tot significant negatieve effecten, kan de activiteit doorgang vinden. Wanneer uit de voortoets blijkt dat er wel kans is op een negatief effect, maar dit als niet significant kan worden gezien, kan eveneens, op basis van een verslechteringstoets toestemming voor het uitvoeren van de activiteit worden verleend.
Wanneer uit de passende beoordeling blijkt dat significante negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, kan het project alleen doorgang vinden op grond van de “ADC-criteria”. Dit betekent dat: • A – alternatieve oplossingen voor het plan ontbreken; • D – er dwingende redenen van groot openbaar belang zijn, en • C – de initiatiefnemer compenserende maatregelen vooraf en tijdig treft. Zorgplicht Binnen de kaders van de Wet natuurbescherming is de Zorgplichtbepaling (artikel 1.11) van toepassing. Deze zorgplicht houdt o.a. in dat als een activiteit wordt ondernomen waarvan kan worden vermoed dat deze nadelig kan zijn voor de natuurwaarden van het gebied, deze activiteit niet plaats mag vinden. Ook moeten alle maatregelen worden genomen om nadelige gevolgen te voorkomen of te beperken. Stikstofdepositie Stikstofdepositie vormt veelal een knelpunt bij de besluitvorming over plannen en projecten, omdat in veel Natura 2000-gebieden overbelasting van stikstof een probleem is voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor het gebied aangewezen soorten en habitattypen. Per 2 november 2022 is middels uitspraak van de Raad van State de partiele bouwvrijstelling, die sinds 1 juli 2021 bestond, komen te vervallen.
Met het vervallen van de bouwvrijstelling dienen de effecten van stikstof tijdens de realisatiefase van projecten weer inzichtelijk gemaakt te worden middels eens projectspecifieke AERIUS berekening. Ook voor de gebruiksfase dient bepaald te worden of aanvullende stikstofemissie en -depositie te verwachten is. Als dit het geval is dient ook voor deze fase een projectspecifieke AERIUS berekening uitgevoerd te worden. Wanneer depositie niet uitgesloten kan worden is aanvullende toetsing (voortoets, passende beoordeling, ADC-toets) benodigd en of dient gekeken te worden of de depositie middels mitigerende maatregelen of interne/externe saldering weggenomen kan worden. Bij een ADC-toets dient aangetoond te worden dat er geen Alternatief is met minder schadelijke effecten voor Natura 2000-gebieden, er een Dwingende reden van groot openbaar belang is en dat er Compenserende maatregelen worden getroffen voor Natura 2000-gebieden. Soortbescherming
De Wet natuurbescherming maakt onderscheid tussen: 1) soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb); 2) soorten van de Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn (artikel 3.5 e.v. Wnb); 3) ‘andere soorten’ (artikel 3.10 e.v. Wnb). Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb) Het beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn is vastgelegd in artikel 3.1. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen.
5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Onder de Wet natuurbescherming geldt dat het voor vogels zoals opgenomen in artikel 3.1 mogelijk is om bij ruimtelijke ontwikkelingen te werken volgens een door de minister goedgekeurde gedragscode. Indien de voorgenomen ontwikkeling valt binnen de reikwijdte van de gedragscode en er volgens de bepalingen uit de gedragscode wordt gewerkt, geldt er een vrijstelling van ontheffingplicht. Bij de aanvraag van een ontheffing voor overtreding van de verbodsbepalingen wordt de aanvraag getoetst op: Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Vogelrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang 1: ‘in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid’; Er is geen verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en/of Bonn (artikel 3.5 e.v. Wnb) Deze categorie bestaat uit Europees beschermde soorten. De verbodsbepalingen zijn vastgelegd in artikel 3.5: 1.
Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Onder de Wet natuurbescherming geldt dat het voor streng beschermde soorten zoals opgenomen in artikel 3.5 mogelijk is om bij ruimtelijke ontwikkelingen te werken volgens een door de Minister goedgekeurde gedragscode. Indien de voorgenomen ontwikkeling valt binnen de reikwijdte van de gedragscode en er volgens de bepalingen uit de gedragscode wordt gewerkt, geldt er een vrijstelling van ontheffingplicht.
Bij de aanvraag van een ontheffing voor overtreding van de verbodsbepalingen wordt de aanvraag getoetst op: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Habitatrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang 3: ‘in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten’;
-
Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
Andere soorten (artikel 3.10 e.v. Wnb) De categorie ‘andere soorten’ bestaat uit soorten zoals opgenomen in bijlage A en B van de wettekst. Dit zijn nationaal beschermde soorten. De verbodsbepalingen zijn vastgelegd in artikel 3.10. Het is verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Onder de Wet natuurbescherming geldt dat het voor deze categorie soorten zoals opgenomen in artikel 3.10, mogelijk is om bij ruimtelijke ontwikkelingen te werken volgens een door de minister goedgekeurde gedragscode. Indien de voorgenomen ontwikkeling valt binnen de reikwijdte van de gedragscode en er volgens de bepalingen uit de gedragscode wordt gewerkt, geldt er een vrijstelling van ontheffingplicht.
Bij de aanvraag van een ontheffing voor overtreding van de verbodsbepalingen wordt de aanvraag beoordeeld op: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang h ‘in het algemeen belang’; - Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Algemeen vrijgestelde soorten Voor soorten van de categorie ‘andere soorten’ (bijlage A en B van de wettekst) kan een vrijstellingsregeling gelden, die per provincie anders kan worden ingestoken. De meeste provincies en het ministerie van LNV hebben ‘tabel 1 soorten’ van de oude Flora- en faunawet opnieuw vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit zijn soorten zoogdieren en soorten amfibieën. Bovengenoemde soorten zijn bij ruimtelijke projecten algemeen vrijgesteld van vergunningplicht. Wel dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht (artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Deze zorgplicht houdt in dat een ieder nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moet voorkomen. Bescherming houtopstanden
De bescherming van houtopstanden is vastgelegd in artikel 4.1 tot en met 4.9 van de Wet natuurbescherming. Binnen de Wet natuurbescherming worden houtopstanden beschermd die aan bepaalde voorwaarden voldoen (Wnb artikel 4.1). Voornaamste onderscheid wordt gemaakt op basis van de locatie. Houtopstanden welke binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom Wnb vallen,
zijn namelijk uitgezonderd (artikel 4.1) en worden niet onder de Wnb beschermd. De begrenzing van de bebouwde kom in de zin van de Wnb komt niet altijd overeen met de begrenzing van de bebouwde kom op grond van de Wegenverkeerswet. Als een gemeente geen bebouwde kom in de zin van de Wnb heeft vastgesteld, is de Wnb overal van toepassing in die betreffende gemeente. Een houtopstand onder de Wet natuurbescherming wordt gezien als een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die: 1) een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of; 2) bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. De Wnb is volgens artikel 4.1 niet van toepassing bij: a. houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgesteld grenzen van de bebouwde kom; b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d. naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e. kweekgoed f. uit populieren of wilgen bestaande 1. wegbeplantingen 2. beplantingen langs waterwegen, en 3. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden. g. het dunnen van een houtopstand h. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1.
ten minste eens per 10 jaar worden geoogst; 2. Bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken brede dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013. De Wet natuurbescherming stelt dat wanneer houtopstanden worden gekapt, er voorafgaand aan de kap een meldingsplicht bij de provincie is. De provincie bepaalt welke informatie omtrent de te kappen opstand aangeleverd dient te worden, op welke termijn dit aangeleverd dient te worden en welke voorwaarden voor de uitvoering van de kap gelden. Daarnaast geldt dat binnen drie jaar na de kap een herbeplantingsplicht geldt (door aanplant, bezaaiing of natuurlijke verjonging dan wel op andere wijze realiseren van een nieuwe houtopstand). Wanneer dat niet op dezelfde plaats kan, dan kan een provincie ontheffing verlenen de herbeplanting op andere gronden toe te staan indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels. Verder kunnen provincies ontheffing of vrijstelling verlenen voor bepaalde verbodsbepalingen en/of voorwaarden omtrent herbeplanting. Houtopstanden zijn tevens beschermd op grond van gemeentelijk regelgeving. Dit is vastgelegd in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de betreffende gemeente.
Ook kan de bescherming van een houtopstand zijn opgenomen in de planregels bij een bestemmingsplan. Bij voorgenomen kap van houtopstanden dient daarom ook altijd naar de bepalingen in de APV en naar de planregels in het bestemmingsplan te worden gekeken. In verband met de bepalingen uit de APV en/of
het bestemmingsplan kan volgen dat voor de kap van een houtopstand een omgevingsvergunning nodig is welke bij de gemeente moet worden aangevraagd. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur) van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het nationaal beleid met betrekking tot de gebiedsbescherming van het Natuurnetwerk Nederland is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De rijksoverheid heeft de bruto begrenzing van het NNN vastgesteld, de provincies zijn bevoegd om dit netto te begrenzen. De SVIR vervangt verschillende rijksbeleidsstukken zoals de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit. De juridische borging van de nationale ruimtelijke belangen die in de SVIR worden aangewezen vindt plaats via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Via het Barro werkt het rijksbeleid door naar de ruimtelijke verordeningen van de provincies. Het NNN is de opvolger van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) sinds de afsluiting van het Natuurpact tussen Rijk en de provincies. ‘Nee, tenzij’-principe Voor het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. Dit betekent dat nieuwe plannen of projecten niet zijn toegestaan als ze de wezenlijke (potentiële) waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Uitzonderingen hierop zijn wanneer sprake is van redenen van groot openbaar belang en er geen reële alternatieven zijn. De schade dient in dat geval door mitigerende maatregelen zoveel mogelijk beperkt te worden.
De restschade dient te worden gecompenseerd. De rijkslijn zoals verwoord in het SVIR en Barro is dat er bij het NNN geen sprake is van externe werking. Het NNN is planologisch beschermd in de Provinciale Structuurvisies en Verordeningen. In de Verordening staat aangegeven aan welke voorwaarden bij ruimtelijke ingrepen in en langs het NNN moet worden voldaan. Ook is het compensatiebeleid bij aantastingen van het Natuurnetwerk Nederland hierin opgenomen.
commissie beeldkwaliteit adviescommissie voor cultuurhistorie & ruimtelijke inrichting en vormgeving