Rapport waardenkaart
Tekst van het document
42
Künzel e.a., 1989, 265; Van Berkel & Samplonius, 2018 Keunen e.a., 2018; Toorians & Keunen, in voorbereiding 44 Künzel e.a., 1989, 392; Van Berkel & Samplonius, 2018 45 Van Berkel & Samplonius, 2018 43
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[25]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
Er zijn ook namen die mogelijk zo oud zijn, dat we de oorspronkelijke betekenis niet meer kennen. Dat geldt bijvoorbeeld voor Hatert, in 1502 Hautert genoemd. 46 Een verband met de volksstam der Hattuari, zoals Luttmer (2011) veronderstelt, is door het tijdshiaat niet heel aannemelijk. Noemenswaardig is nog het gebruik van het woord ‘veld’ voor bouwland. Waar elders in Gelderland es en enk veel gangbaardere termen zijn en in Brabant van akker wordt gesproken, sluit het gebruik van ‘veld’ voor bouwland 47 duidelijk aan bij wat langs de Maas gangbaar is. Voor dergelijke vroege ontginningen wordt ook wel rade gebruikt, zoals het Alderadeland (1285) in Nijmegen. 48
Figuur 6. Het Nijmeegs cultuurlandschap omstreeks 1900. Het grote witte gebied ten westen, zuiden en zuidoosten van de stad is het Nijmeegs Veld, het oude akkercomplex (bron: Chromotopografische Kaart des Rijks, ca 1900).
46
Van Berkel & Samplonius, 2018 Van Berkel & Samplonius, 2018 48 Van Berkel & Samplonius, 2018 47
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[26]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
3.4 De elite strijkt neer: landgoederen, buitenplaatsen en villaparken in de gemeente Nijmegen 3.4.1
Context
Een combinatie van de strategische ligging, de aanwezigheid van een stad waar kapitaal aanwezig was en een lommerrijk landschap daarbuiten leidde tot een groot aantal historische buitenplaatsen rond Nijmegen. In een zo uitputtend mogelijke inventarisatie telde de historisch -geografe Luttmer er niet minder dan 55. 49
3.4.2
Middeleeuwse kastelen
De vroegste aanwijzingen voor bewoning door de elite in de historische periode betre ffen de historisch en archeologisch overgeleverde kastelen. De vroegst bekende is de Karolingische palts op het Valkhof, gebouwd in of kort voor 777 in opdracht van Karel de Grote. In de winter van 880 -881 werd het verwoest, weer opgebouwd en in 1047 definitief platgebrand. Waarschijnlijk kort daarvoor was er een achtkantige kapel bij gebouwd, de huidige Sint-Nicolaaskapel. Vanaf 1155 werd de burcht herbouwd onder Frederik I Barbarossa. Militair had de burcht geen betekenis, als bestuurscentrum maar heel beperkt. De burcht was vooral een machtssymbool. Juist die symboliek zorgde in de Franse tijd ervoor, dat het in opdracht van de Gelderse overheid voor sloop werd verkocht (zie § 5.2.5). De toegedachte hogere ouderdom van beide kapellen maakte dat die bleven staan. Op de heuvel van het Valkhof werd daarna in meerdere fasen een park aangelegd. 50 Een tweede kasteel met een zekere allure stond in Lent, maar daarvan ligt de oorsprong wel enkele eeuwen later. In de 11e eeuw werd, mogelijk door een voorvader van het toen nog allodiale geslacht Van Lent, een woontoren gebouwd aan de overzijde van de rivier. 51 De veronderstelde restgeul waaraan de toren zou zijn gebouwd moet toen al lang verland zijn geweest. 52 Het kasteel van Lent kende meerdere fasen.
Al in de eerste eeuw van zijn bestaan werd van de woontoren een mottekasteel gemaakt, omstreeks 1300 vervangen door een bakstenen kasteel met pannendak. Het kasteel werd in de late 16e eeuw flink beschadigd en in de 17e eeuw, na de inval van 1672, gesloopt. Het erbij horende erf De Pol bleef echter nog geruime tijd eigendom van de vroegere ‘kasteelheren van Lent’, die zich in de 18e eeuw nog actief naar hun bezit vernoemden. 53 De andere middeleeuwse kastelen op het grondgebied van de gemeente waren jonger én meer bescheiden van karakter. Drie ervan lagen aan de zuidzijde van de huidige gemeente, op de overgang van de drogere zandgronden naar het pleistocene rivierterras. Het betreft Duk enburg (waar vanaf 1397 de Nijmeegse burggraaf Udo de Boese resideerde), Hatert (wellicht in de 14e eeuw gebouwd in opdracht van het geslacht Van der Hautart) en Hulsen, dat in de 15e eeuw in opdracht van de familie Van Hulsen gebouwd kan zijn. In hun middeleeuwse toestand bestaan ze allemaal niet meer. Dukenburg werd in de 18e eeuw volledig afgebroken, waarna de oranjerie tot nieuw huis werd verbouwd. Hulsen werd in 1887 afgebroken. Hatert is nog het oudste van de drie gebouwen; de toren is 14e-eeuws en de daarmee verbonden vleugel dateert in de kern uit de 16e eeuw. 54
49
Luttmer, 2011, 22 Jas e.a., 2013, 377-380; Uitterhoeve e.a., 2018, 14-15 & 18-19 51 Koot en Heirbaut, 2017 52 W illemse, 2019 53 Keunen e.a., 2018 54 Jas e.a., 2013 50
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[27]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
Figuur 7. Zicht op de Valkhofburcht, door Jan van Goyen. Rondom dit kasteel ontwikkelde zich geen buitenplaats, omdat het niet als woonhuis door een private eigenaar gebruikt werd (bron: collectie De Bastei).
Vanaf de 14e eeuw lag aan de overzijde van de Waal het kasteel Notenstein, dat later Oosterhout zou gaan heten. De stichters kwamen uit de familie Van Bronckhorst, waarbij het een leen van het huis Hemmen was. In 1585 werd het zwaar beschadigd, en later weer hersteld. De laatste resten van het oude kasteel verdwenen in 1809. 55 Een verdwenen kasteel waar veel minder over bekend is, is Schaluinenburg. Het zou langs de huidige Rivierstraat in Hees hebben gestaan. In 1258 werd er een verdrag tussen de graaf van Gelre en de bisschop van Utrecht getekend. 56 Daarnaast heeft er vrijwel zeker een adellijk huis gestaan bij de latere boerderij De Stelt, dat in de nabijheid van de Steltsestraat en de Bemmelsedijk gelegen zou hebben. Habraken zette alle bronnen op een rijtje. Het meest betekenisvol zijn een kaart van Nicolaes van Geelkercken uit 1649 waarop Stelt bij een torensymbooltje in een waterplas staat geschreven 57, de kaart van Joan Blaeu uit 1663, een tekening van Jacobus Stellingwerff van omstreeks 1723 met het onderschrift Stelt in de Overbetuw bij Knodsenburg 1669 (met een waterplas die de kolk ter plaatse zou kunnen zijn), de kaart ‘van Turenne’ uit 1672 met een huis, omgeven door water, een Waalkaart uit ca 1770 met s chematisch een huisje op
55
Jas e.a., 2013, 375-376 Jas e.a., 2013, 381 57 Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen, inventarisnr. AKV380, d.d. 1649; de kaart is niet foutloos; het kasteel Doornik, wat verder oostelijk, wordt op de kaart Donnenburg genoemd. 56
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[28]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
een schiereiland in de kolk en een onbebouwd schiereilandje in de kolk op het kadastraal minuutplan uit 1832. 58
Figuur 8. Centraal in beeld herkennen we het torentje in een waterplas op een kaart van Nicolaes van Geelkercken uit 1649.
Oudere kaarten van ’s Grooten en Van Deventer zijn onduidelijker; ’s Grooten gaf vermoedelijk Huis Doornik weer, Van Deventer een niet te identificeren erf ter plaatse van De Stelt (huis of boerderij?). De terughoudendheid zoals we die in 2018 nog formuleerden, maakt plaats voor de constatering dat er hier in elk geval een adellijk huis in de 17e en wellicht ook nog 18e eeuw gestaan heeft. 59 Opvallend is wel dat de hofstede De Stelt (Vossenpelssestraat 5) met de kolk al in 1677 eigendom van de geërfden van Lent waren. 60 De kolk heette al in 1605 de Waeij van De Stelt, later de Kolk van Maters. 61 Voor een 58
Habraken, z.j. Keunen e.a., 2018, 45 60 Keunen e.a., 2018, 87 61 Keunen e.a., 2018, 145 59
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[29]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
adellijk eigendom waren in elk geval in 1677 geen aanwijzingen meer, en de kans is groot dat het huis toen al verdwenen was. Wellicht is het verwoest in 1672. Het verpondingskohier uit 1649 noemt het nog wel, zij het niet herkenbaar als adellijk huis: De Stelt de reeckenmeester de Raedt toecomende met huijs, hoff, boomgaert, bouw ende weijlanden t’samen groot 23½ mergen, ten re garde vande swaere dijcken. 62 De Raedt was een lokale patriciër, vermoedelijk werkzaam in Nijmegen. 63 Het zou kunnen gaan om Derck de Raedt, die in 1621 in Nijmegen een dochter liet dopen 64, om Diederick de Raeth, die in 1677 een onmondige zoon Diemer had 65 of om Diemer en Willem de Raeth. 66
3.4.3
Buitens van de stedelingen
Na het einde van de Tachtigjarige Oorlog en met de bloei van de handel in de Republiek accumuleerde het bezit vooral in de steden. Als uiting van die status werden bestaande kastelen geleidelijk omgevormd tot fraaie buitenplaatsen, en werden ook nieuwe buitenplaatsen aangelegd. Kastelen die op hun retour waren of waar geen periodieke bewoning plaatsvond, misten die slag. Daardoor ontstonden er nooit buitenplaatsen rond de kastelen van Lent en het Valkhof. Van kasteel naar buitenplaats De kleinere kastelen buiten de stad, die veel beter bruikbaar waren in de 17e eeuw en daarna, maakten die ontwikkeling in veel gevallen wel door. Heel duidelijk zien we dat terug bij Dukenburg, waar de nieuwe eigenaar Willem van Schuylenburch rond 1690 een aantal alleën en een Grand Canal (600 meter lang, 30 meter breed) liet aanleggen. Die structuren passen bij de geometrische tuinstijl zoals die op dat moment in de mode was. De inrichting beperkte zich vaak niet tot de directe omgeving van het huis, maar de structuren werden door het bijbehorende cultuurland doorgetrokken. Zo kreeg een heel landschap een ‘buitenplaatskarakter’. Dukenburg had zijn hoogtepunt in de late 17e en de 18e eeuw.
Het oude kasteel was in 1585 afgebrand, en in plaats daarvan werd kort na 1736 door de nieuwe eigenaar Willem Arend de Quay de oranjerie, een gebouw dat al past bij een voortschrijdende buitenplaatsaanleg, verbouwd tot nieuw woonhuis. In de 19e eeuw werd Dukenburg nog enkele malen verb ouwd, maar in de 20e eeuw werd het landgoed geleidelijk ‘uitgekleed’ door verkoop en later bebouwing van de bijbehorende gronden. Alleen de buitenplaatskern bleef in een bebouwde omgeving over; het Grand Canal werd in een serie vijvers omgevormd. Ook Hulsen maakte een ontwikkeling tot een lommerrijke buitenplaats door, onder regie van de familie De Beijer. Anders dan bij Dukenburg, dat zijn geometrische aanleg behield, werd hier in de vroege 19e eeuw nog de Engelse landschapsstijl toegepast. In de late 19e eeuw werd het bij de buitenplaats Winkelsteeg gevoegd, waardoor het huis overbodig werd en in 1887 werd afgebroken. De verdere ontwikkeling van Hulsen past in de context van de ontwikkeling van Winkelsteeg. Aan de overzijde van de Waal ontwikkelde ook het oude kasteel Oosterhout zich tot buitenplaats met een geometrische aanleg. De verwoestingen van 1809 en 1820 leidden ertoe, dat het huis uiteindelijk verder binnendijks werd herbouwd.
Op de ontwikkeling van de buitenplaats had dat verder geen invloed – daar borduurde men voor op de geometrische aanleg, zich uitend in onder meer de aanleg van een
62
Spruit, z.j., 12 Keunen e.a., 2018 64 Regionaal Archief Nijmegen, archief 510, inventarisnr. 1164, fol. 196, d.d. 15 juli 1621 65 Keunen e.a., 2018, 262 66 Gelders Archief, archief ORA Arnhem, inventariosnr. 510, fol. 81v, d.d. 1637 -1644 63
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[30]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
sterrenbos. Wel werden rond 1850 elementen aangelegd die in een landschappelijke aanleg passen, zoals een zeshoekig tuinpaviljoen. Het landgoed is van 159 hect are naar 38 hectare verkleind toen bouwgrond werd verkocht voor de aanleg van de wijk Oosterhout, een kleine twee decennia geleden. 67
Figuur 9. Centraal in beeld zien we de buitenplaatsen Dukenburg, met de lange laan van noord naar zuid en het Grand Canal van oost naar west, en oostelijk daarvan de buitenplaats Hulzen (Hulsen) met de aanleg in landschapsstijl (bron: Chromotopografische Kaart des Rijks, ca 1900).
Nieuwe buitens Wat opvalt bij zowel de oude als nieuwe buitens in Nijmegen is dat men opmerkelijk vaak koos voor een geometrische tuin- en parkaanleg die in de 19e eeuw slechts zelden door een landschappelijke
67
Jas e.a., 2013, 376
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[31]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
aanleg werd overschreven. Het heeft er alle schijn van dat er vooral in de late 17e en vroege 18e eeuw kapitaal in Nijmegen aanwezig was, en men een eeuw later niet meer zodanig in de buitenplaatsen investeerde, dat ze volledig konden worden omgevormd. 68
Figuur 10. Huis Lent, kort na de aanleg, omstreeks 1700, getekend door Mattheus Berkenboom (bron: universiteitsbibliotheek Leiden).
Karakteristieke nieuwe buitenplaatsen uit de late 17e of vroege 18e eeuw met een geometrische tuin en/of parkaanleg waren of zijn Heijendaal, Brakkesteijn, De Winckelsteegh, Boschwijk, Hoogerhuizen, Huis Lent en mogelijk ook Stadzigt aan de Postweg. 69 Kenmerkend waren tuinen met geometrische plantvakken en hagen, tuinmuren met poortdoorgangen, doorzichten en zichtlanen, alsmede bossen met lanensterren daarin. Ook uitzichtpunten, soms in een lanenster, kwamen veel voor. Het waren vooral vermogende patriciërs met een bestuurlijke, medische of economische positie in de stad die hier hun geld in steken. Kenmerkend voor de inrichting in de tijd is de ordening, waarmee men zich wilde afzetten tegen de woeste willekeurigheid in de natuur. Een enkele bekende buitenplaats heeft zijn wortels in de late 18e eeuw, alhoewel dit er meer moeten zijn geweest, vooral kleine. 70 Dat geldt voor Mariënboom, aangelegd in opdracht van een militair bevelhebber. 71 Veel buitenplaatsen verdwenen in de Franse tijd of kort daarna. 72 Een nieuwe, bescheiden golf van buitens zien we in het midden van de 19e eeuw opkomen. Nijmegen liep hier duidelijk achter ten opzichte van Arnhem, en ook elders in Gelderland stond het in tegenstelling tot Nijmegen niet zo stil. 73 Daartoe rekenen we de buitens Heydepark, Diemercamp en Het Geldersch Hof.
Het waren nu niet meer per sé Nijmegenaren die ervoor het initiatief namen. De roem
68
Zie ook Luttmer, 2011, 43; Sociaal - en economisch-historisch onderzoek zou hierover meer informatie kunnen verschaffen. Segers, 1999; Keunen e.a., 2018 70 Luttmer, 2011, 43 71 Segers, 1999 72 Luttmer, 2011, 43 73 Luttmer, 2011, 44 69
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[32]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
van de stuwwalflank had naam gemaakt tot ver buiten Gelderland. Het was een periode wa arin het onnederlandse reliëf van de Gelderse stuwwallen faam maakte en het Gelders Arcadië tot volle wasdom kwam, zowel langs de stuwwal van Nijmegen -Kleve als van de Veluwezoom. 74 Ook de tot de verbeelding sprekende naam Elyzeesch dal, later Elyseesche Velden, dateert vermoedelijk uit deze periode. Veel meer werd nu de mystiek opgezocht en naar de klassieken verwezen. 75 Het Geldersch Hof werd aldus tussen 1850 en 1855 gebouwd in opdracht van de Amsterdamse koopman Bernhard Bahlmann (die overigens al langer in Nijmegen gegoed was). Hij was ook de stichter van een modelboerderij op De Driehuizen. 76 Heydepark werd gebouwd in opdracht van een Haagse wethouder, die graag landschappen schilderde. De Diemercamp was wel een stichting van dames die uit de stad afkomstig waren. 77 Interessant is dat de focus in deze periode dus volledig op de rand van de stuwwal lag, terwijl het rivierengebied uit de gratie was. De laatste ontwikkelingsgolf van grotere buitens was in de vroege 20e eeuw, in de economische bloeiperiode van de stad. Dit is een ontwikkeling die we in Arnhem juist niet zien. 78 Toen nog konden er grote stukken land, vooral bos, worden opgekocht. Dat gebeurde onder meer met Villandrij, dat bij de stichting in 1902-1903 nog in de gemeente Groesbeek lag.
79 Andere buitens uit deze tijd zijn Salatiga 80, Berg en Eik en De Westerhelling. Alle vier lagen langs de stuwwalflank in het oo sten van de
gemeente. 81 Daarna stopte deze ontwikkeling en zien we eigenlijk de villaparken in de plaats van de grote buitens komen.
74
Geisselbrecht-Capecki, 1994; Storms-Smeets, 2011 Discussie tussen de auteur van dit rapport, Paul Thissen en Ciska van der Genugten, juni -juli 2018 76 Uitterhoeve & Lemmens, 2005, 142 77 Segers, 1999 78 Luttmer, 2011, 45 79 Segers, 1999, 41 80 Gebouwd binnen het terrein van de vroegere Sterrenschans. 81 Luttmer, 2011, 47 75
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[33]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
Figuur 11. De buitenplaatsen Mariënbosch en Villandry , op dat moment al beide maatschappelijke i nstellingen, aan de rand van de Kwakkenberg. Merk ook de wielerbaan op, in het uiterste noordwesten van dit beeld. We herkennen verder nog de buitens Mariënboom en Westerhelling (bron: Chromotopografische Kaart des Rijks, ca 1933).
3.4.4
Transformatie naar instellingsterreinen
Met de emancipatie van de katholieke beweging na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 en de sterke groei van de katholieke bevolking in de late 19e eeuw ontstond een groot werkterrein voor katholieke religieuzen. Zij zagen voor zichzelf belangrijke taken weggelegd op het gebied van onderwijs, ziekenzorg en bejaardenzorg, en dat leidde tot de inrichting van een groot aantal instituten. Vele tientallen kloosterorden vestigden zich in Nijmegen en omgeving. Soms was een locatie in de stad aan de orde, maar vaak ook had men de behoefte aan een terrein buiten de stad, waar de activiteiten ten volle ontplooid konden worden. Een deel van de kloosterorden kon daarbij terecht op bestaande buitenplaatsen, een ander deel liet nieuwe tuinen en parken aanleggen. Tot deze laatste groep behoren bijvoorbeeld het Bisschop
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[34]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
Hamerhuis (1923), het Berchmanianum (1927) en het Albertinum (1932). 82 Daarover gaan we het hier niet hebben, we willen ons vooral richten op herbestemde buitenplaatsen. Een belangrijke concentratie bevindt zich in Hees en Heseveld, waar ook reeds vele kleine buitenplaatsen aanwezig waren. Op het terrein van Dennendaal werd in 1925 het studiehuis Johannes a San Facundo van de paters Augustijnen gebouwd, in 1950 aangevuld met een kapel. Op Andelshof verrees in 1930 het Sint-Jozefklooster van de Priesters van het Heilig Hart van Jezus. De Zusters der Barmhartigheid vestigden zich in de villa van het landgoed Madeleine, en ook De Hooge Hof aan de Dennenstraat en de villa De Wolfskuyl fungeerden eertijds als vestiging van een kloosterorde. Dat geldt eveneens voor het Dominicuscollege op het voormalige landgoed De Witte Poort en de instelling op het terrein van De Winkelsteegh. Misschien wel het meest bekende voorbeeld is echter de ves tiging van de universiteit op het landgoed Heijendaal, in meerdere fasen vanaf 1949. 83
Figuur 12. Het Sint-Jozefklooster in Hees (foto: Luuk Keunen, 24 april 2019).
3.4.5
Verdwijnen van een buitenplaatslandschap
Waar in Arnhem de oude buitens veelal werden ingepast in de stedelijke structuur, is dat in Nijmegen niet of veel beperkter gebeurd. Dat heeft onder meer te maken met de aanleg van het Maas -
82 83
Uitterhoeve & Lemmens, 2005, 151-153 Uitterhoeve & Lemmens, 2005, 154-158
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[35]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
Waalkanaal en de daaropvolgende industrialisering, maar ook met de kap van landgoedbos in het kader van de werkverschaffing en de daaropvolgende bebouwing van de landerijen met woonwijken, door actieve aankoop van de buitenplaatsen door de gemeente en door de universiteit. 84 De indruk bestaat dat in de gemeente Arnhem, waarop de elite nog lang een stevig stempel drukte, buitenplaatsen zekerder konden zijn van hun bestaan dan in het eerder progressieve Nijmegen. 85 Waar instellingen zich op een buitenplaats hadden gevestigd, bleef soms van de aanleg overigens meer bewaard dan waar een woningbouwopgave bestond.
Figuur 13. Een clash tussen oud en jong: het flatgebouw is gebouwd op een opgeworpen dam in het Grand Canal, dat juist zijn betekenis ontleende aan de lange doorzichten (foto: Luuk Keunen, 24 april 2019) .
3.5 Stedelijke ontwikkeling en het historisch cultuurlandschap (1875heden) 3.5.1
Inleiding
De focus in dit rapport ligt op de sporen van het landschap die bewaard gebleven zijn in het stedelijk gebied van Nijmegen zoals zich dat van de late 19e eeuw tot heden hee ft ontwikkeld. Dat impliceert ook, dat de slechting van de vesting en het realiseren van de singelgordel de eerste verstedelijkingsfase is, waar we concreet op gaan inzoomen. De voorafgaande fase, de verstedelijking
84 85
Luttmer, 2011, 46 Discussie met Amber Luttmer, 19 april 2019
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[36]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
van het gebied binnen de vesting, nemen we als gegeven aan. Steeds gaan we hieronder kort in op de verstedelijkingsaspecten, maar belichten we vooral ook wat dat betekende voor het landschap zoals dat er voorafgaand aan de ontwikkeling nog was. Interessant is dat als we kijken naar de aandacht voor prestedelijk of verstedelijkend Nijmegen, dan valt op dat er bovengemiddeld veel aandacht is geweest voor Hees. Dat geldt wellicht deels ook in zijn algemeenheid, maar in het bijzonder voor de verstedelijking. Achtereenvolgens schreven Oosten (2000), Dongelmans (2003) en Brauer & Termeer (2011) over het opgaan van het oude dorp in het stedelijk gebied van Nijmegen, waarbij twee van de drie werkjes verwijzen naar een wandelgids van de Vereeniging Dorpsbelang uit 1912, maar nergens naar elkaar. Van een ec hte traditie in Hees lijken we derhalve niet te mogen spreken, al is tweemaal sprake van een initi ërende rol van de Vereniging Dorpsbelang (2000, 2011) en een derde maal van de gemeente Nijmegen in het kader van Open Monumentendag (2003). Hees lijkt in elk geval wel een heel dankbaar gebied voor dit onderwerp.
3.5.2
Slechting van de vesting (1876-1910)
De singels In 1874 leidde een veranderende strategie voor de verdediging op rijksniveau tot het aannemen van de Vestingwet, waardoor een groot aantal steden in Ned erland van hun knellende banden werd ontdaan. Nijmegen was er daarvan één. Nog voordat er een definitief plan voor de nieuwe invulling van het gebied lag, begon men al met de sloop van de vestingwerken. In 1876 viel zo de Hezelpoort onder de slopershamer.
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[37]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
Figuur 14. Het plan van uitleg na opheffing van de vesting, getekend door Bert Brouwer, 1878 (bron: Uitterhoeve e.a., 2018).
Een gemeentelijke Commissie der Uitleg bereidde ondertussen de plannen voor de nieuwe invulling voor. Uit Maastricht werd hulp verkregen van de ingenieur die daar eenzelfde opgave had vervuld. Het eerste plan dateert uit 1878 en is van de hand van deze Maastrichtse ingenieur. Belangrijke wijzigingen werden naar aanleiding van een nader advies door Bert Brou wer, die ervaring had opgedaan in Groningen, doorgevoerd. Die combinatie leverde een plan op met de volgende uitgangspunten 86: - Een binnenring met niet-groene woon- en winkelstraten (Smetiusstraat, In de Betouwstraat, Van Welderenstraat, Van Broeckhuysenstraat, Gerard Noordstraat), vooral bedoeld voor middenstand en middenklasse 87; - Een enkele ring met brede boulevards (Nassausingel, Oranjesingel, Canisiussingel) , voor de welgestelden 88; - Een groot, rond plein in het verloop van de boulevards (Keizer Karelplein); - Een klein park met plein aan het oostelijke einde van de singels (Hunnerpark 89, Trajanusplein);
86
Abma e.a., 1984, 98-101; Uitterhoeve & Lemmens, 2005, 109-113; Uitterhoeve e.a., 2018, 42-43 Uitterhoeve & Lemmens, 2005, 109-110 88 Uitterhoeve & Lemmens, 2005, 110-113 89 Zie ook Abma e.a., 1984, 106-107 87
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[38]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
- Een groot park met groot plein aan het westelijke einde van de singels (Kronenburgerpark 90, Nieuwe Markt). In beide parken was het behoud van delen van de middeleeuwse ommuring voorzien, inclusief een tweetal torens (Belvedere resp. Kruittoren). Binnen het plan moest rekening worden gehouden met de uitvalswegen die vanouds al vanuit de vesting naar buiten liepen (Berg en Dalseweg, Groesbeekseweg, Sint-Annastraat, Graafseweg). Daartussen werden verbindingen gelegd en aan de wegen werd een zekere statuur toegekend. 91 Ondanks de vele wijzigingen aan de singels sinds de aanleg is de structuur en een belangrijk deel van de bijbehorende architectuur nog goed bewaard gebleven. De vesting zoals deze vóór de slechting was is nog het best herkenbaar in de beide parken, het Kronenburgerpark en Hunnerpark. Voor iedereen met enige basiskennis van stadsontwikkeling laat zich uit de singels echter duidelijk het handsc hrift aflezen van de kenmerkende inrichting van geslechte vestingwerken. Die zijn namelijk onlosmakelijk verbonden met de aanleg van een singelgordel. Zo kunnen ruimtelijk totaal verschillende structuren toch een zekere mate van herkenbaarheid opleveren. B innen het singelplan verwijst alleen de Wedren nog naar een militaire functie uit de periode rond de slechting, namelijk die van exercitieterrein.
Verder is uiteraard relevant dat de uitvalswegen die vóór 1876 al de stad verlieten, in gewijzigde vorm nog steeds de uitlopers van de stad zijn, en als zodanig ook duidelijk herkenbaar door de ‘smoel’ in het singelplan. Hoewel al vóór 1874 een spoorlijn door de vestinggracht was aangelegd, kon er nu een definitief plan voor het tracé van de spoorweg komen. Aan de westzijde van de stad verrees een station. Ook elders op de vroegere vestingwerken kwamen openbare voorzieningen. 92 De stad maakte een grote bloei door en ontwikkelde zich als dienstencentrum, als winkelstad en een verkeersknooppunt, met alle voorzieningen die daarbij hoorden, zoals een toeristische sector. 93
90
Zie ook Abma e.a., 1984, 106-107 Uitterhoeve & Lemmens, 2005, 98-101 92 Uitterhoeve & Lemmens, 2005, 116-122 93 Uitterhoeve & Lemmens, 2005, 129-132 91
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[39]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
Figuur 15. De Kruittoren als onderdeel van de vesting, 1875 (foto: G. Korfmacher).
Figuur 16. Zelfde beeld 10 jaar later, na de aanleg van het pa rk en bouw van de spoorbrug (foto: W. Ivens).
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[40]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
Tussen de uitvalswegen Tegelijk met het bebouwen van de singels werd er ook gebouwd tussen de uitvalswegen, die vanuit Nijmegen naar het zuidwesten, zuiden en zuidoosten liepen. Deze bouwprojecten waren vooral bedoeld voor de middenklasse en de geschoolde arbeiders. De armere arbeiders moesten het voorlopig doen met goedkope huisvesting in de binnenstad. De omvang van die groep was door het ontbreken van industrie relatief gering. 94 Bij de bouw van deze wijken bleef de oude wegenstructuur gehandhaafd en bouwde men simpelweg de velden daartussen vol. Datzelfde gold min of meer ook bij de totstandkoming van de kazernes langs de Gelderselaan en Daalseweg kort na 1900. In alle gevallen werden er, op de voormalige akkerlanden die uitermate geschikt waren voor bebouwing, uiteraard voor de ontsluiting nieuwe wegen toegevoegd. 95
3.5.3
Woningbouw in de vroege 20e eeuw (1910-1940)
Tussen de beide Wereldoorlogen kwamen de bouwprojecten maar heel langzaam weer op gang. Hier en daar waren wel projecten, voornamelijk voor de middenklasse en de hogere klasse, zoals het plan Galgenveld uit 1908 voor eerstgenoemde groep en het villapark op de Kwakkenberg voor de tweede groep. Dat plan was mogelijk geworden na de grenscorrectie met de gemee nte Ubbergen. 96 De uitgangssituatie werd in beide plannen gerespecteerd; in het plan Galgenveld vulde men opnieuw een ruimte tussen bestaande wegen (Sint-Annastraat en Heijendaalseweg) in, terwijl op de Kwakkenberg het bos juist als coulisse bleef fungeren voor het luxueuze wonen. Tussen de middenstandswoningen verrezen ook al blokjes arbeiderswoningen. Na 1920 werd er vooral door de corporaties fors gebouwd. 97 Plannen rond de Van ’t Santstraat en de Broerweg 98 waren kleinschalige projecten zonder veel invloed op de grotere structuur van het landschap. Ook startte men grotere projecten, zoals Waterkwartier, Willemskwartier en Wolfskuil , maar ook dat waren voor een belangrijk deel nieuwe, groene tuindorp -invullingen binnen een bestaand raamwerk van oude wegen op de vroegere open akkers ten westen en zuiden van de stad met weinig hindernissen in de vorm van beplanting of bebouwing. 99
94
Uitterhoeve & Lemmens, 2005, 115 Uitterhoeve & Lemmens, 2005, 123-125 96 Uitterhoeve & Lemmens, 2005, 135 97 Uitterhoeve e.a., 2018, 48-49 98 Uitterhoeve & Lemmens, 2005, 135 99 Uitterhoeve & Lemmens, 2005, 135-136 95
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[41]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
Figuur 17. Aanleg van het Goffertpark, 1937 (bron: Reg ionaal Archief Nijmegen).
Een bijzonder project in deze periode was de aanleg van het stadspark De Goffert, waar we in § 5.2.12 nog verder op zullen ingaan. Relevant binnen dit hoofdstuk is dat De Goffert niet, zoals elders voor werkverschaffingsprojecten wel gold, een heideontginning was, maar een omvorming van bestaand cultuurlandschap naar een stadspark. Daarbij kon gebruik worden gemaakt van de buitenplaats Heydepark, waarvan de parkaanleg werd uitgebreid over de aangrenzende kampontginning. Alleen het zuidoostelijke deel was een (reeds bestaande) heidebebossing die werd geïntegreerd. Met de aanleg van het park werd de oude structuur van het landschap, behoudens het deel binnen het oude Heydepark, vrijwel volledig overschreven.
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[42]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
Figuur 18. De Nijmeegse Waalbrug tijdens de renovatiewerkzaamheden in april 2019 (foto: Luuk Keunen, 24 april 2019).
3.5.4
Industriële ontwikkeling in Nijmegen-West en bouw van de Waalbrug in Nijmegen-Oost
De grootste vooroorlogse ingreep in het Nijmeegse landschap sinds de slechting van de vesting was ongetwijfeld de aanleg van het Maas-Waalkanaal in de jaren 20 van de vorige eeuw. Aanvankelijk was het de bedoeling om het kanaal bij Ewijk in de Waal te laten uitmonden. Het zou dan volledig door de pleistocene terrasvlakte bij Heumen en het komgebied bij Ewijk lopen, om daar in de Waal uit te monden. De Maas-Waalkanaal Vereeniging, opgericht in 1909, en de gemeente Nijmegen hadden echter hun zinnen gezet op een haven bij Weurt en laad - en losplaatsen bij Hatert en Neerbosch. Door de bemoeienis van de vereniging werd het oorspronkelijke plan aangepast en mondde het kanaal toch dichter bij Nijmegen in de Waal uit. 100 Tegelijk werkte de gemeente Nijmegen aan plannen om handel en industrie te bevorderen, en daar paste het kanaal goed in. 101 In een uitbreidingsplan uit 1934 van de stedenbouwkundige Alphons Siebers werd bij het Maas Waalkanaal een haven met industrieterrein voorzien. 102 De ontwikkeling van het bedrijventerrein, vooral vanaf de jaren vijftig, leidde tot een ingrijpende herstructurering van het gebied. De Energieweg werd
100
Eliens, 1990, 44-45 Oosten, 2000, 19 102 Eliens, 1990, 123. In dat plan was ook voorzien dat in Nijmegen -W est vooral arbeiderswijken zouden komen, en in Nijmegen zuid en –oost woningen voor middenstanders en welgestelden. Ondanks aanpassingen na de Tweede Wereldoorlog is dat concept grotendeels waarheid geworden, opgenomen in het ontwikkelingsplan uit 1949 (Eliens, 1990, 138); Oosten, 2000, 25 -26 101
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[43]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
aangelegd als nieuwe ontsluiting van het gebied, en daar werden de velden met bedrijfsbebouwing op gericht. Eerder was de noordelijke zone van het bedrijventerrein, met zijn inlaagdijk en kolken, al bebouwd. De bouw van de Waalbrug ging gepaard met de aanleg van de nieuwe rijksweg naar Arnhem. Net zoals het Maas-Waalkanaal zorgde die aanleg voor structuurveranderingen in het landschap die bepalend zouden worden voor de toekomstige ontwikkeling. Naast de demping van het zuidelijke deel van de Grift was misschien wel in hoge mate bepalend dat men koos voor een tracé parallel aan de spoorlijn in plaats een tracé via de Griftdijk-Noord. Daardoor bleef enerzijds het profiel van de Griftdijk met aangrenzende laagte in de buurtschap Koudenhoek bewaard, maar richtte al het nieuw ontwikkelde zich nadien wel op deze as, waardoor de oude as wat verborgen raakte.
3.5.5
Expansie na de Tweede Wereldoorlog (1945-2000)
Uitbreidingsplan Aan de basis van de enorme groei die Nijmegen na de Tweede Wereldoorlog doormaakte staa n het wederopbouwplan uit 1946 (met een zware focus op woningbouw in Hees 103) en vervolgens het structuurplan uit 1951, waarin het stadsbestuur de ambitie uitsprak vóór 1975 tot minstens 150.000 inwoners te groeien. Daarvoor moesten op zichzelf staande woonwijken conform de wijkgedachte worden gebouwd. Dat wil zeggen dat de wijken steeds eigen leefgemeenschappen moest en worden, met eigen voorzieningen op korte afstand. De grootte van een wijk werd bepaald op basis van de grootte die een katholieke parochie moest hebben. In algemene zin was er sprake van deze uitstralingsgebieden, aansluitend op de bestaande kom, en van satellieten, de oudere losse kernen. De vroegste uitstralingsgebieden waren Jerusalem (1950) en Heseveld (1953 -1957). Aan Hees is later volgens de gedachte van de satellieten de vruchtenbuurt geplakt. 104 In een uitgewerkt ‘uitbreidingsplan op hoofdlijnen werd Neerbosch opgedeeld in drie toekomstige stadsuitbreidingen, het latere Hatert/Neerbosch-Oost, Brakkestein en Lindenholt/Dukenburg. Later werd de groeiverwachting naar boven bijgesteld vanwege hogere inwoneraantallen en minder mensen per woning. 105 In 1950 was al duidelijk dat het niet de vraag was waar in de gemeente Nijmegen gebouwd ging worden, maar welk gebied als eerste aan de beurt zou komen.
106 Het traditionele bouwen Ook na de Tweede Wereldoorlog werd er, zowel stedenbouwkundig als architectonisch, n og traditioneel gebouwd. 107 Daarbij werd de blik allereerst op Hees gericht, en wel met het uitbreidingsplan West uit 1950. 108 Anders dan in de jaren 30 was er nu sprake van een groene ruimte rondom het dorp, maar desondanks verdween het gros van de tuinders uit Hees. 109 Daarbij valt op dat er bij de bouw van de Afrika- en Bouwmeesterbuurt, die aan de Dennenstraat is ‘geplakt’, de bestaande wegenstructuur tussen de Bredestraat en Oude Graafseweg werd verlaten. Het is een eerste voorbeeld van het
103
Oosten, 2000, 33 Brauer & Termeer, 2011, 129 105 Eliëns, 1990, 7-9 106 Oosten, 2000, 46 107 Uitterhoeve & Lemmens, 2005, 139 108 Oosten, 2000, 45 109 Oosten, 2000, 57 104
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[44]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
voorrang geven aan een nieuwe uitleg boven bestaande gegevenheden, ook al was de aansluiting op de bestaande hoofstructuur van de Dennenstraat nog wel heel traditioneel. Min of meer hetzelfde zien we in de wijk Brakkestein 110, die ‘keurig’ in het raamwerk van de Heijendaalseweg en omgeving is gehangen, maar waar de kleinschalige structuur van het gebied vervangen is door het orthogonale stratengrid van de wijk. In deze periode valt ook de eerste ideeën om de Katholieke Universiteit volledig op Heijendaal te vestigen, nadat men eerder het Galgenveld als centrum had gedacht. 111 Hierdoor werd de buitenplaatsstructuur uiteindelijk stevig aangetast, ondanks het behoud van een aantal zaken. Functionalistisch omvormen In de jaren zestig brak een nieuwe periode in de stedenbouw aan. Le idend waren daarbij het gebruik van de auto, het scheiden van functies en het toepassen van groen voor het creëren van licht, lucht en ruimte. Het was het hoogtepunt in de gewenste maakbaarheid van het landschap. Dat betekende direct ook dat men met veel van de bestaande structuren niet veel kon aanvangen, en een nieuw idioom op een gebied losliet.
Figuur 19. Aanleg van delen van de wijk Dukenburg, met links Aldenhof en midden Malvert; daarnaast het Maas Waalkanaal en een deel van de wijk Hatert, 1966. Op de voorgrond Het Broek; ten noorden daarvan zou later Weezenhof verrijzen (bron: Fotocollectie Regionaal Archief Nijmegen, KLM Aerocarto).
110 111
Uitterhoeve & Lemmens, 2005, 139 Eliens, 1990, 139-140
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[45]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
Dat was in principe de regel, maar waar een landschap zo rationeel was ingericht dat men e r ook met de nieuwe invulling mee uit de voeten kon, koos men voor die optie. Dat geldt bijvoorbeeld in de wij k Grootstal, omstreeks 1960, waar wellicht meespeelt dat men vroeg in deze periode nog voorzichtiger was met het omgooien van de totale context dan later het geval was. We herkennen in Grootstal de stempelverkavelingen binnen het bestaande grid van de heideontginning. Onderverdelingen van het oude heideontginningsgrid waren niet in de nieuwe wijk inpasbaar. Met het behouden van hoofdstructuren en het wissen van onderverdelingen volgt deze periode zonder al te grote trendbreuk op het vroeg-naoorlogse traditionele bouwen.
Figuur 20. Het duidelijke stempelpatroon van de wijk Grootstal, gefotografeerd in 1959 (bron: Fotocollect ie Regionaal Archief Nijmegen, Aero-Photo Nederland).
Bij de ontwikkeling van de wijk Hatert ging men een stap verder. In stedenbouwkundig opzicht lijkt deze wijk op Grootstal met zijn stempelverkaveling, maar een verschil is dat men hier te maken had met een van oudsher veel onregelmatiger gestructureerd landschap. In het rationele ontwerp kon men daarmee weinig beginnen, ook omdat de wijk onder een wat andere hoek op de Hatertseweg kwam te staan dan de oude dwarswegen. Wel werd het oude bebouwinglint lang s de Hatertseweg met het bijbehorende oude dorp gespaard. Aan weerszijden van de weg, maar vooral in het zuiden, verrees een orthogonaal gestructureerde wijk met een winkelcentrum en twee parochies, als voorbeeld van een zelfstandig
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[46]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
functionerende wijk. Behoudens het oude dorp en een enkele weg met wat groen bleef er van het oude landschap weinig over. 112 Nog in diezelfde stedenbouwkundige periode passen de deelwijken van Dukenburg , aan de overzijde van het Maas-Waalkanaal. Die wijk kwam tot stand na een discussie waarbij de keuze op Dukenburg was gevallen als uitbreidingsgebied voor de stad, in tweede instantie op de Ooijpolder en voorlopig niet op Lent. 113 In de uitwerking van de wijk zien we eigenlijk een tweeledige benadering. Enerzijds werd er terdege rekening gehouden met de oude buitenplaatskern rond de oranjerie , de resterende landgoedbosjes en enkele markante lanen 114, en ook werd een park ingericht naar aanleiding van een verzoek van academici voor behoud van veenbodems in het gebied voor studiedoeleinde n. Veel van de oude landgoedstructuur werd echter ook niet ingepast in de orthogonale stempelverkavelingen. Het meest opvallende voorbeeld is wel dat waar men moeite deed het Grand Canal als een vijver in de wijk in te passen, men op twee plaatsen door haaks staande bebouwing de verbinding tussen het huis en het Canal onderbrak. Wel handhaafde men zoveel mogelijk oude bomen. 115 In de deelwijken Zwanenveld en Tolhuis werden delen van de Teersdijk behouden en ingepast, terwijl in het westelijke deel van Tolhuis de Teersdijk verdween.
Figuur 21. Als waterpartij bleef een deel van het Grand Canal van Dukenburg bewaard (bron: Fotocollectie Regionaal Archief Nijmegen, Jan Cloosterman).
Tegelijk echter moest het beoogd te bebouwen westelijk deel van Nijmegen wel op de autosnelwegen worden aangesloten, nu die in de plaats van rijkswegen door de stad waren gekomen. Daartoe werd de verbinding naar Knooppunt Neerbosch vanaf de Graafseweg aang elegd. Deze verbinding komt voor het
112
Uitterhoeve & Lemmens, 2005, 140-141 Eliens, 1990, 138 114 Het oude landgoedbos was vóór de bouw van de wijk al verdwenen. 115 Uitterhoeve e.a., 2018, 70-71 113
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[47]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
eerst voor in het uitbreidingsplan Neerbosch-Oost uit 1962. De aanleg van de Nieuwe Dukenburgseweg en Van Schuylenburgweg/Van Apelterenweg/Van Boetbergweg, die de bestaande structuur van Dukenburg volledig doorsnijden, is vermoedelijk gebeurd op basis van een eerder plan. Het zijn de plannen die de bestaande (infra)structuur van Nijmegen het meest veranderd hebben. 116 Woonerven Ook op de overgang naar de periode van de woonerven zien we een beperkte interesse in het bestaande cultuurlandschap. In de wijk Weezenhof werd de Vossendijk niet overgenomen, alhoewel wel veel van de vroegere laanbomen in het openbaar groen van de wijk bewaard bleven.
Figuur 22. Het bouwrijp maken van de wijk Weezenhof (Fotocollectie Regionaal Archief Nijmegen – vervaardiger Bart Kraal, Nijmegen).
Lindenholt is een wijk met een woonerfstructuur die meer aansluit op het klassieke beeld als het gaat om de interactie met het prestedelijke landschap. De wijk , die werd aangelegd nadat de mogelijkheid tot bouwen in de Ooijpolder in 1969 was weggevallen 117, werd ontsloten via een nieuw aangelegde wijkontsluitingsstructuur, in tegenstelling tot de wijken uit de voorgaande periode, waar men de uitvalswegen van de stad vaak nog als hoofdontsluiting bleef hanteren. De oude wegenstructuur werd, inclusief het omzomende groen, ingepast als langzaam -verkeersverbinding. Woonerven kenmerken zich, als reactie op de oliecrisis, door meer focus op langzaam verkeer en op de kleinschaligheid, intimiteit van de buurt.
116 117
Eliëns, 1990, 13-14 Eliens, 1990, 138
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[48]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
Figuur 23. Bouwrijp maken van een project binnen het stadsdeel Lindenholt, 1976 (bron: Fotocollectie Regionaal Archief Nijmegen, Fotopersbureau Gelderland / J.F.M. Trum).
3.5.6
De Waalsprong (1998-heden)
Met de voltooiing van Lindenholt was feitelijk de ruimte binnen de grenzen van de gemeente Nijmegen zuidelijk van de Waal zo goed als op. Weliswaar werden er nog tal van kleine plannen gerealiseerd, maar voor de grote uitbreidingsplannen was geen plek meer. Op veel plekken werden inbreidingsplannen uitgevoerd, zoals in Hees de Lievekamphof (1986), de Breehofstraat (1989) en het voormalige Dominicusklooster (1994). 118 In de jaren negentig vond een oriëntatie plaats waar men de gewenste uitbreidingen kon realiseren. Dat leidde uiteindelijk tot de annexatie van delen van de gemeenten Elst, Valburg en Bemmel om tot een ‘Nijmegen-Noord’ te komen. Tot dat moment was de uitbreiding van het oude dorp Lent beperkt gebleven tot enkele wijkjes aan de west- en oostzijde van de Prins Mauritssingel. Omstreeks 2003 volgde de eerste uitbreidingswijk, Nijmegen -Oosterhout, tussen de oude dorpen Oosterhout en Lent in, op een aangekocht deel van het landgoed Oosterhout. Daarbij werd het veld binnen een drietal bestaande wegen volgebouwd met een eigen idioom. De Griftdijk werd ingepast, maar het profiel van die dijk met aangrenzende laagte, de plek van de oude Grift, verdween door de keuze voor een nieuw profiel.
118
Brauer & Termeer, 2011, 19
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[49]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
Vóór 2006 startte ook de bouw van een nieuwe wijk tussen de Mauritssingel en de Vossenpels, noordelijk van de Laauwikstraat. Een aantal oude assen bleef bewaard, zoals de M urciastraatLentseveld en de Visveldsestraat.
3.5.7
Conclusies
In de stedelijke ontwikkeling zien we algemene en meer plaatsgebonden tendensen terug. Algemene trends zijn de beperkte invloed van de vooroorlogse stedenbouw op de landschappelijke structuur, en in het bijzonder op de ontsluiting (infrastructuur) en de wijze waarop men in de woonerven uit het laatste kwart van de 20e eeuw met wegen, groen en oude erven is omgegaan. Ook kenmerkend, maar ogenschijnlijk minder voorkomend dan in vergelijkbare grote steden, is de aanleg van een volledig nieuw ontsluitingssysteem voor nieuwe woongebieden uit de periode na 1965. In Nijmegen speelt dit vooral in de omgeving van Dukenburg, met de aanleg van de Nieuwe Dukenburgseweg en Van Schuylenburgweg/Van Apelterenweg/Van Boetbergweg. Specifiek voor Nijmegen is daarentegen dat de aanleg van bovenlokale structuren, in het bijzonder het Maas-Waalkanaal en de A73, zo bepalend is geweest voor de ontwikkeling van de stedenbouw, zowel voor woongebieden als uiteraard voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein. Dat leidde vervolgens in veel gevallen tot het uitwissen van bestaande structuren, waardoor Hees en Neerbosch harder getroffen zijn dan het oosten en het midden van het stedelijk gebied. Ook de spoorlijn had een soortgelijke invloed op de structuur (bijvoorbeeld door het daarlangs leiden van de Graafseweg), zij het ogenschijnlijk in minder heftige mate dan het kanaal.
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[50]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[51]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
4 Cultuurlandschappen en prestedelijke landschappen: inventarisatie en kartering 4.1 Zandlandschap Kampontginningen met plaatselijk essen Open akker (Zk1) Op de erosiewaaier ten zuiden van de binnenstad strekte zich tot de bebouwing vanaf de late 19e eeuw een groot open landschap uit, in gebruik als akkerland. De vestingwerken werden ook aan de rand van dit landschap aangelegd. Dergelijke open akkercomplexen zijn veelal een p roduct van de bevolkingsgroei in de loop van de late middeleeuwen en vroege nieuwe tijd 119, en in Nijmegen is die situatie vermoedelijk niet anders. In de ondergrond van dit akkercomplex, op de hoek van de Berg en Dalseweg en de Sint Canisiussingel, zijn sporen van Frankische bewoning gevonden. 120 Gorissen stelde een model op waarbij hij ten westen en zuidoosten van de stad de oudste, Karolingische delen van het akkerland zag. De naam Altrade, overgenomen voor de woonbuurt daar, zou daar nog op wijzen. Thissen gaat er echter vanuit dat daar in de tweede helft van de 13e eeuw nog werd ontgonnen. 121 De ontginning nabij de Sterreschans zou in de Ottoonse tijd tot ontginning zijn gekomen, terwijl na de 13e eeuw het gebied het Nieuwe Veld en Galgeveld (noordelijk van de Groenestraat, nu de wijken Nije Veld/Willemskwartier en Galgenveld) van woeste grond in akkerland werd omgezet.
Die algemene inzichten kunnen we, ruim 60 jaar na het werk van Gorissen, inmiddels iets preciseren. Daarbij lijkt het er bijvoorbeeld op dat het Nieuwe Veld vóór 1342 moet zijn ontgonnen, omdat er toen novale tienden over werden geheven. Dat kan alleen over cultuurland. Dichter bij de stad, waar zich nu het Keizer Karelplein bevindt, lag in die tijd nog een bos. 122 Aan de rand van het Nederrijkswald werd land ten oosten van de Broerdijk in het tweede kwart van de 14e eeuw in cultuur gebracht. Omdat het land formeel onder het Nederrijkswald viel, kwamen de inkomsten daaruit toe aan de landsheer, de hertog van Gelre. 123 In § 3.3.1 gaan we hier nader op in. Pas na 1500 werden ook ten zuiden van de Gruene Stege stukken heide in akkerland omgezet. In de 18e eeuw was het akkercomplex zoals we dat begrensd hebben volledig in cultuur gebracht. 124 Aanvankelijk borduurde men nog op de bestaande structuur voort en kunnen we de landschappen nog onder dit type rekenen, maar later werd de aard van de inrichting anders. Die beschrijven we bij de hieronder staande landschapstypen. 125
119
Spek, 2004 Thissen, 1999, 17-18 121 Thissen, 2000, 78 122 Thissen, 2000, 79 123 Thissen, 2000, 80 124 Gorissen, 1956, 46 125 Gorissen, 1956, 37 e.v. 120
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[52]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
Figuur 24. Blik vanaf de Nijmeegse vestingwerken over het veld naar het zuiden, getekend door Derk Anthony van de Wart, 1815-1824 (bron: collectie Rijksmuseum).
In het gebruik van het landschap zien we naast een vorderende ontg inning nog een andere tendens, namelijk het steeds intensievere gebruik van bestaand cultuurland. Die was nodig om de monden te blijven voeden, en zeker in de context van een stad zal dat nodig geweest zijn. Een bemesting met stedelijk (organisch) afval ligt voor de hand. 126 Dit leidde tot het ontstaan van een humeus plaggendek op de grindrijke ondergrond. De schier oneindige leegte van het landschap had naast het specifieke gebruik nog een andere oorzaak, namelijk dat het in de nieuwe tijd het schootsveld va n de vesting vormde.
126
Vangheluwe & Spek, 2008; Vermeulen & Bartels, 2007
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[53]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
Figuur 25. Het Kops Plateau, één van de laatste open stukken van het vroegere veld bij Nijmegen (foto: Luuk Keunen, 24 april 2019).
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[54]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
Figuur 26. Een aanzienlijk deel van het Nijmeegse Veld is afgebeeld op de stadsplattegrond van Jacob van Deventer uit 1557.
Van het uitgestrekte open landschap is door de bebouwing weinig meer te herkennen. Wat vrijwel integraal bewaard bleef tot op heden is de wegenstructuur over de akkers, in feite ee n uitwaaierend stelsel vanuit de stad. Strookvormige kampontginning aan de heuvelvoet (Zk2a) Een relatief regelmatige, maar wel oudere kampontginning bevindt zich in de omgeving van Hatert, zowel ten zuidoosten van het oude dorp als het akkerland ten noord en van Dukenburg. Deze ontginningen zijn weliswaar relatief regelmatig, maar wijken in ouderdom sterk af van de hierna besproken nieuwetijdse ontginningen waar ze de regelmaat mee gemeen hebben. Deels gaat het om vol-middeleeuwse ontginningen in de context van het dorp Hatert, deels dateren ze uit de late
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[55]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
middeleeuwen. 127 Door aanplant van het Jonkerbosch kregen ze een uitgesproken groene context in de nieuwe tijd. Met uitzondering van kleine gespaarde groene stukjes nabij Dukenburg en in de omgeving van de wijk Hatert is van deze landschappen niets meer te herkennen in het overbouwde gebied.
Figuur 27. Lintbebouwing langs de Hatertseweg binnen de vroegere strookvormige kampontginningen (foto: Luuk Keunen, 24 april 2019).
Regelmatige kampontginning aan de heuvelvoet (Zk2b) Ten zuiden van het oude akkercomplex bevonden zich ontginningen tot akkerland, afgewisseld met bospercelen, die duidelijk een veel grotere regelmaat vertonen dan de oudere ontginningsblokken. Soms strekten ze zich als brede stroken tussen twee wegen op, zoals ter plaatse van de huidige wijk en Brakkenstein, ten zuiden van Heijendaal, en Groenewoud. De ligging van deze blokken, ver van de stad, wijst net als de regelmaat al op een secundaire oorsprong. Mogel ijk vond de ontginning pas tussen 1750 en 1825 plaats. 128 De ontginning die door dit landschap omgeven wordt, Heijendaal, lag vermoedelijk oorspronkelijk als een eiland in de heide. De naam Heijendaal of Heyingendael verwijst echter in aanleg mogelijk niet naar heide, zoals wel verondersteld wordt 129, maar naar heiningen (omheiningen). Die ontginning dateert van vóór 1532. De ontginningen van het hier beschreven type moeten wellicht gezien worden als actieve uitbreidingen van het landgoed na 1734 door Adam Jac ob
127
Gorissen, 1956, 38 & 42 Gorissen, 1956, 46 129 Van Berkel & Samplonius, 2018 128
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[56]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
Smits. Ook hier zal, gezien de ontginningsperiode en de vruchtbaarheid van de bodem, sprake zijn geweest van plaggenbemesting. Een dun cultuurdek van 30 tot 50 centimeter dikte (bodemcode: gcY30, loopodzolgrond) wijst daar nog op. De geringe dikte is wellicht te wijten aan de lagere ouderdom en de wat hogere natuurlijke vruchtbaarheid van de bodem; het betreft een zogenaamde moderpodzolgrond. 130
Figuur 28. Gemengd bos in de regelmatige kampontginningen ten zuiden van Heijendaal ( foto: Luuk Keunen, 24 april 2019).
Tot dit type hebben we ook de omgeving van De Vale Baard gerekend, aan de Groesbeekseweg. Deze ontginning is weliswaar ouder dan de hiervoor genoemde ontginning 131, maar heeft landschappelijk door zijn ligging in het opgaand groen enige paralellen. Anders dan bij het open akkercomplex is deze ontginning gedeeltelijk nog heel goed herkenbaar in de structuur van de stad. Dat ligt hoofdzakelijk aan de situering van enkele instituten als het Berchmanianum en aan het feit dat de structuur deels in de wijk Brakkenstein is overgenomen. Ten zuidoosten van de buitenplaats Brakkestein is een klein deel zelfs nog buitengebied gebleven.
130
Bodemkaart 1:50.000; er bestaan alleen waarnemingen buiten de toenmalige bebouwde kom. De Oeselenberg werd in 1645/1650 door de Gelderse Rekenkamer aan particulieren verkocht (Bouwer, 2003, 155). De Valenbaart gaat terug op een middeleeuwse ontginning (Bouwer, 2003, 152). 131
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[57]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
Regelmatige ontginning aan de lage heuvelvoet (Zk3) Het oude Neerbosch is een uitermate regelmatige nederzetting, gelegen aan de lage heuvelvoet van de stuwwal van Nijmegen. De toen aanwezige bossen stonden in de late middeleeuwen bekend als Lyndenholt en Honicholt, en werden omstreeks 1300 ontgonnen. Het was de eerste grootschalige, systematische ontginning nabij Nijmegen, waarbij ook nog eens een volledig nieuwe nederzetting werd gesticht. 132
Figuur 29. Het oude dorpslint van Neerbosch aan de Dorpsstraat, met afwisselend oude en jonge bebouwing (foto: Luuk Keunen, 24 april 2019).
Het Honicholt ligt binnen de huidige grenzen van de gemeente Nijmegen. 133 De landsheer, de graaf van Gelre, gaf het op 20 november 1300 in erfpacht uit. Deze uitgifte is feitelijk een vorm van een cope. 134 In zuidwest-noordoostelijke richting werd door het gebied een weg aangelegd, met haaks daarop de lange strookkavels tot de uiteinden van de ontginning, namelijk de Schaapswetering in het noordwesten en de Graafseweg in het zuidoosten. Er was oorspronkelijk sprake van een tweetal ontginningsblokken, de één in het zuidoosten, de ander in het noordwesten. In het tweede blok lagen stroken van ca 1550
132
Thissen, 2000, 78-79 Zie voor een uitgebreide geschiedenis in Thissen, 200 0 134 Gorissen, 1956, 38-39; Thissen, 2000, 49 133
RAAP-rapport 3832 / versie 20-01-2021
[58]
'… Aan beide zijden is 't bouwland, van lanen doorsneden, hier en daar me t boschjes afgewisseld ...' Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nijmegen, met bijzondere aandacht voor het prestedelijk landschap.
meter lang, elders waren ze korter. De breedte varieerde vermoedelijk in de beginperiode al. 135 De afwatering vond plaats via een wetering op de grens met het L indenholt, in het noordwesten. 136