CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport RHDHV “Grondwateroverlast in Nijmegen West”

Besluitronde (raadsvergadering) 16 april 2025, gemeente NijmegenBij agendapunt: D5 d.d. 18 februari 2025 over Grondwateroverlast in Nijmegen West16.757 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In paragraaf 3.7 is het huidige beheer van oppervlaktewater en peilbeheer nader toegelicht.

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

22

Open

3.6

Grondwater

Metingen van grondwaterstanden Om een goed beeld te krijgen van de fluctuaties van de grondwaterstand in het projectgebied, zijn de beschikbare metingen van grondwaterstanden nader geanalyseerd. Gegevens van grondwatermetingen worden ontsloten via de Basisregistratie Ondergrond (BRO). In Figuur 3-14 zijn de locaties weergegeven van de beschikbare peilbuizen in en rond het projectgebied.

Figuur 3-14: Locaties van peilbuizen en onttrekkingen in en rond het projectgebied.

De meetreeksen bij de verschillende peilbuizen zijn weergegeven in Figuur 3-15. De meetreeksen kennen verschil in tijdsduur van meting, filterdiepte, kwaliteit en soms meetfrequentie. Hierdoor zijn niet alle meetreeksen geschikt voor tijdreeksanalyse. Ook zijn er een viertal peilbuizen sinds maart 2024 geplaatst, waardoor nog niet voldoende data verzameld is op deze locaties.

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

23

Open

Figuur 3-15: Gemeten grondwaterstanden bij geselecteerde peilbuizen (1)

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

24

Open

Figuur 3-16: Gemeten grondwaterstanden bij geselecteerde peilbuizen (2)

Voor een ruimtelijk beeld van de gemeten grondwaterstanden zijn op twee momenten de gemeten grondwaterstanden samen met metingen van oppervlaktewaterstanden weergegeven in een figuur (zie Figuur 3-17 en Figuur 3-18). Uit de figuren blijkt dat de grondwaterstand in het 1e half jaar van 2024 op een niveau van iets boven NAP +8 m zit en de ruimtelijke variatie beperkt is.

Figuur 3-17: Gemeten grondwaterstanden en oppervlaktewaterstanden op 1 januari 2024

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

25

Open

Figuur 3-18: Gemeten grondwaterstanden en oppervlaktewaterstanden op 1 juli 2024

Om een indicatie te geven van de gemiddeld hoogste grondwaterstanden (GHG) 12 in de periode voorafgaand aan de afgelopen twee natte jaren is voor de periode 2012-2020 de GHG berekend op basis van de beschikbare metingen (zie Figuur 3-19).

Figuur 3-19: Gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) voor de periode 2012-2020

12 Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG): De GHG wordt bepaald door het jaarlijks gemiddelde te berekenen op basis van de 3 hoogste grondwaterstanden over de periode van 1 april tot en met 31 maart (hydrologisch jaar) en vervolgens het gemiddelde van deze jaarlijkse waarden te bepalen over een periode van 8 jaar.

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

26

Open

Uit de figuur blijkt dat de GHG over de periode 2012-2020, voor de peilbuizen ten zuiden van de Energieweg ongeveer 0,2 tot 0,5 m lager ligt dan de hoge waarden in 2024. Daarnaast zijn de waarden in 2024 structureel hoog. Deze informatie bevestigt de wateroverlastproblematiek die wordt ervaren. Voor de peilbuizen ten noorden van de Energieweg (gestuurd door de waterstand van de Waal) is de GHG vergelijkbaar met de hoge waarden in 2024. Vooral het feit dat het grondwater lange tijd relatief hoog staat geeft wateroverlast. Grondwateronttrekkingen Bij de provincie Gelderland zijn grondwateronttrekkingsgegevens opgevraagd voor het projectgebied. Een overzicht van de aangeleverde locaties is opgenomen in Figuur 3-14. Uit het overzicht blijkt dat er twee relatief grote grondwateronttrekkingen rondom het projectgebied liggen. De 1e is de voormalige drinkwaterwinning Nieuwe Marktstraat (Nieuwe Markstraat was een van de oudste gemeentelijke drinkwaterwinningen in Nederland uit 1879) en de 2e is de industriële onttrekking van de papierfabriek SAPPI. De locaties van deze onttrekkingen zijn weergegeven in Figuur 3-14. De historische onttrekkingshoeveelheid van de twee winningen is weergegeven in Figuur 3-19.

Figuur 3-20: Samengestelde onttrekkingen voor drinkwater en industrie in de omgeving van Nijmegen-West.

De onttrekkingshoeveelheid van Nieuwe Marktstraat bedroeg circa 4 miljoen m³ per jaar tot en met 2000. De onttrekking is daarna geleidelijk afgenomen tot 2014, waarna deze sterk is gereduceerd en vanaf 2019 is gestopt. De winning is gestopt vanwege de slechte waterkwaliteit door het aantrekken van grondwaterverontreiniging. De onttrekkingshoeveelheid van de voormalige onttrekking van SAPPI bedroeg sinds 1972 rond de 4 M m3 per jaar. Echter is deze onttrekking vanaf 1990 langzaam verminderd. Het faillissement van de fabriek is uitgesproken op 11 augustus 2015. Of er in 2015 nog onttrekkingen hebben plaatsgevonden, is niet direct te achterhalen. Vermoedelijk zijn alle activiteiten stilgevallen en zijn er geen verdere leveringen gedaan als gevolg van het faillissement. Uit de grafiek blijkt dat rond 2000 de gezamenlijke onttrekkingshoeveelheid bijna 8 miljoen m3 per jaar bedroeg. Deze hoeveelheid is geleidelijk afgenomen tot 0 m3 per jaar in 2020. Dit betekent dat in het verleden gedurende lange tijd veel grondwater uit de omgeving is onttrokken. Uit latere informatie van de provincie is gebleken dat ook de voormalige energiecentrale Electrabel een vergunning voor grondwateronttrekking had. Deze onttrekking had een vergunning voor maximaal 650.000 m3 per jaar. Deze onttrekking is eind 2016 gestopt (locatie Weurtseweg 460). De 10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

27

Open

onttrekkingshoeveelheid is kleiner dan Sappi en bevond zich buiten het omkaderde projectgebied (vlak bij de Waal). Hydrologisch gezien zal het effect van deze onttrekking daarom gering zijn in vergelijking met Nieuwe Markstraat en SAPPI.

3.7

Oppervlaktewater en peilbeheer

Het projectgebied ligt ten oosten van het Maas-Waalkanaal. Aan de noordzijde ligt de Waal. Het MaasWaalkanaal en de Waal zijn rijkswateren en in beheer bij Rijkswaterstaat. Aan de oostzijde van het kanaal zijn enkele waterlopen. Deze waterlopen zijn in beheer bij Waterschap Rivierenland en maken onderdeel uit van een peilgebied. Het streefpeil en de classificatie van de watergangen staan beschreven in de legger van het waterschap (zie onderstaand Figuur 3-21). Op een aantal locaties worden waterstanden van het oppervlaktewater gemeten (zie Figuur 3-21). De bodemhoogte van de duiker onder de Energieweg door ligt op 7,78 m + NAP (gelegen bij Energieweg 1).

Figuur 3-21: Legger van WSRL met peilgebied, duikers en locatie metingen oppervlaktewater (zie ook https://www.waterschaprivierenland.nl/legger-wateren)

3.7.1

Peilbeheer

Een overzicht van de gemeten waterstanden van het oppervlaktewater bij de meetlocaties langs de Energieweg is opgenomen in Figuur 3-22. Volgens de legger heeft peilgebied NBO102 een streefpeil van 7,60 m + NAP met een marge van -0,1 m/ +0,2 m. Een overzicht van de gemeten waterstanden in de watergang bij gemaal Neerbosch en de waterstand van het Maas-Waalkanaal zijn weergegeven in Figuur 3-23.

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

28

Open

Figuur 3-22: Metingen waterstand in watergang bij Energieweg.

De metingen bij de watergang langs de Energieweg laten hogere waterstanden zien met een gemiddelde waterstand van rond de 7,85 m + NAP. Ook zijn er een aantal pieken in 2024 te zien, rond januari, maart en juni. Omdat de bodemhoogte van de duiker onder de Energieweg op een niveau van 7,78 m + NAP ligt kan het waterpeil in natte perioden ook niet lager worden dan dit niveau en is het streefpeil van 7,6 m + NAP hier niet mogelijk. Het is onduidelijk wat de achtergrond voor het bodemniveau van de duiker is.

Figuur 3-23: Metingen waterstand in de watergang bij gemaal Neerbosch en de waterstand van het Maas-Waalkanaal

De gemeten waterstand bij het gemaal ligt in de jaren 2020 tot 2023 op NAP 7,6 m en laat vanaf 2023 variaties zien. In 2024 ligt de waterstand iets hoger dan NAP 7,6 m. Navraag bij het waterschap geeft het volgende aan: In Neerbosch geldt het streefpeilenplan Citters met daarin het streefpeil 7,60 m+NAP NBO102. In een streefpeilenplan liggen de streefpeilen vast op het afwaterende object, in dit geval het gemaal Neerbosch. Vanwege verhang in de bodem en het maaiveld worden op grotere afstand van het gemaal hogere peilen gemeten, bijvoorbeeld wanneer de grondwaterstand verhoogd is door neerslag en hogere rivierwaterstanden. Dit verklaart ook de pieken van afgelopen winter (2023-2024) met vrijwel continue verhoogde waterstanden. Bij veel neerslag vinden ook riooloverstorten plaats en die kunnen vervolgens ook bijdragen aan een verhoogde waterstand langs de Energieweg.

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

29

Open

3.7.2

Maas-Waalkanaal

Het Maas-Waalkanaal verbindt de Maas met de Waal. Het kanaal is ongeveer 13,5 kilometer lang en loopt van Heumen naar het noorden en eindigt bij Weurt (ten westen van Nijmegen). Zowel de aansluiting op de Maas als die op de Waal gaat via sluizen (sluis Heumen en sluis Weurt). De sluis bij Heumen staat vrijwel altijd open. Dit komt doordat de Maas bij Heumen op een constant waterpeil wordt gehouden door middel van een stuw bij Grave. De waterstand van het kanaal wordt daarmee gestuurd door het stuwpeil van de Maas bij stuw Grave. De waterstanden in het Maas-Waalkanaal op basis van het meetpunt van de Maas bij Mook zijn te zien in onderstaand Figuur 3-24. Peilopzet Maas-Waalkanaal (juli 2013) De Raad van State heeft 26 september 2007 definitief groen licht gegeven voor het verhogen van het stuwpeil van de Maas tussen Sambeek en Grave en van het Maas-Waalkanaal. De peilverhoging van in totaal 30 cm is uitgevoerd in de periode 2009-2013 (van 7,60 m + NAP naar 7,90 m + NAP). In onderstaande grafiek (Figuur 3-24) is te zien dat in juli 2013 het waterpeil in het kanaal met circa 20 centimeter is verhoogd. Eerder is het waterpeil al verhoogd met 10 centimeter. De peilopzet is gedaan ter voorkoming van verdroging en de diepgang voor beroepsvaart. De effecten van de peilopzet zijn berekend in 2005. Dit is beschreven in het Achtergronddocument peilopzet Grave (Rijkswaterstaat, 2006).

In onderstaand kader is een korte toelichting gegeven op de effectbepaling.

Figuur 3-24: Waterhoogte Maas bij Mook. Peilverhoging juli 2013 en ongeluk eind 2017 zorgen voor veranderingen in de waterhoogte.

Het waterpeil in het kanaal is gemiddeld iets minder dan 8 m + NAP. In de grafiek is duidelijk een scherpe daling te zien van het waterpeil begin 2017. Dit is het gevolg van een ongeluk eind december 2016. Een Duitse tanker voer in dichte mist tegen de stuw bij Grave aan waardoor een groot gat ontstond en het waterpeil in de Maas en het Maas-Waalkanaal met 3 meter daalde. In het Maas-Waalkanaal lagen circa 40 binnenvaartschepen vast door dit incident.

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

30

Open

Peilopzet Maas-Waal kanaal (Achtergronddocument peilopzet Grave, Rijkswaterstaat, 2006) De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 9 juli 2003 uitspraak gedaan in de beroepszaken tegen het Tracébesluit Zandmaas/Maasroute en het POL Zandmaas. Het Tracébesluit en het streekplan zijn grotendeels in stand gelaten. Twee maatregelen zijn door de Afdeling vernietigd, één daarvan is de peilopzet in het stuwpand Grave. Voor de peilopzet in het stuwpand Grave moest daarom een nieuw besluit genomen worden. Ten behoeve van het nieuwe besluit heeft in 2005 een heroverweging plaatsgevonden van de benodigde peilopzet in het stuwpand Grave. Hierbij is gekozen om de peilopzet van 30 cm verder uit te werken. De effecten van de peilopzet zijn vervolgens in 2005 door Royal Haskoning berekend waarbij ook de mogelijke grondwateroverlast voor bebouwing is berekend (Achtergronddocument peilopzet Grave, Rijkswaterstaat, 2006). Uit de berekeningen blijkt dat voor Nijmegen-west een verhoging van de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) is berekend tussen de 5 en 10 cm. Om te bepalen of er risico is op grondwateroverlast is in de analyse onderscheid gemaakt tussen oudere bebouwing en nieuwe bebouwing. Voor oudere woningen is aangenomen dat ze geheel onderkelderd zijn en dat de kelders zich op circa 2 m onder maaiveld bevinden.

Om te bepalen of er risico op grondwateroverlast zou ontstaan zijn de volgende criteria gebruikt: • een droge referentiesituatie met huidige grondwaterstanden dieper dan 2,0 m; risico op grondwateroverlast ontstaat wanneer de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) stijgt tot boven de 2 ,0 m onder maaiveld én de grondwaterstijging meer bedraagt dan 5 cm; • een natte referentiesituatie met huidige grondwaterstanden ondieper dan 2,0 m; risico op grondwateroverlast ontstaat bij grondwaterstandstijgingen groter dan 15 cm Voor nieuwere woningen is aangenomen dat ze zijn voorzien van kruipruimtes zonder kelders. Uitgangspunt is dat bij het ontwerp van deze nieuwere woningen de ontwateringsnorm van 0,7 m onder maaiveld is gerespecteerd. Voor het bepalen of er risico op grondwateroverlast ontstaat bij nieuwere woningen zijn de volgende criteria gebruikt: • een droge referentiesituatie met huidige grondwaterstanden dieper dan 0,7 m onder maaiveld; risico op grondwateroverlast ontstaat wanneer de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) stijgt tot boven de 0,7 m onder maaiveld én de grondwaterstijging meer bedraagt dan 5 cm; • een natte referentiesituatie met huidige grondwaterstanden ondieper dan 0,7 m; risico op grondwateroverlast ontstaat bij grondwaterstandstijgingen groter dan 1 5 cm. Uit de analyse is Nijmegen-West niet naar voren gekomen als mogelijk gebied met wateroverlast.

Wel zijn de volgende wijken in Nijmegen benoemd waarvoor een toename van de grondwateroverlast op wijkniveau is te verwachten: • Weezenhof: deze wijk ligt ten westen van het Maas-Waalkanaal. In het zuid-oostelijke deel van Weezenhof leidt de peilverhoging op het Maas-Waalkanaal waarschijnlijk tot een toename van de grondwateroverlast. • Malvert/Lankforst: het meest (zuid)oostelijke deel van deze wijken grenzend aan het Maas-Waalkanaal ondervindt in de huidige situatie reeds grondwateroverlast (grondwater in souterrains). De peilverhoging op het Maas-Waalkanaal leidt hier waarschijnlijk tot een toename van de grondwateroverlast. • Ten oosten van het Maas-Waalkanaal ligt de woonwijk Neerbosch-oost. In het centrale deel van deze wijk is na peilopzet een toename van de grondwateroverlast aan onderkelderde bebouwing te verwachten. De aanpak zoals toegepast in deze studie uit 2005 dateert uit de periode voordat de wet Gemeentelijke Watertaken (vanaf 1 januari 2008) in werking trad. De wet heeft de taak van gemeenten voor wat betreft afvloeiend hemelwater en grondwater gedefinieerd en verheldert. Daarmee is ook de rolverdeling van gemeente, waterschap, provincie en de burger (perceeleigenaar) verduidelijkt. Voordat deze wet in werking trad (zoals in 2005) was de omgang met wateroverlast bij kelders niet duidelijk gedefinieerd en werd hier op verschillende manieren mee om gegaan.

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

31

Open

De waterstand van het kanaal in meer detail is weergegeven in onderstaand figuur. Begin 2024 zijn meerdere piekmomenten te zien waarbij het peil van het kanaal rond de 8,3 m + NAP ligt.

Figuur 3-25: Waterhoogte Maas-Waalkanaal, periode jan 2023-okt 2024

Over de waarnemingen heeft afstemming met Rijkswaterstaat plaats gevonden. Rijkswaterstaat heeft hierbij het volgende aangegeven: • Bij een kortstondige hoogwatergolf werd sluis Heumen niet gesloten en werd een tijdelijke verhoging van het waterpeil tot maximaal 8,50m+NAP geaccepteerd. Dit is nu aangepast. Het nieuwe maximum is 8,30m+NAP geworden. Bij dit niveau is ook een waarschuwing signaal ingeregeld zodat er ingegrepen kan worden; • Bij een langere periode van hoogwater wordt Heumen eerder gesloten. De besluitvorming om tot sluiten van Heumen over te gaan, ligt nu bij Regio Oost-Nederland (de beheerder van het MaasWaalkanaal). Eerder gebeurde dat in overleg met Regio ZN. Het is daarmee te verwachten dat Heumen vaker en langer gesloten zal worden – juist vanwege de mogelijke impact van het kanaalpeil op het grondwaterpeil – en dat het kanaalpeil in die periodes niet meer zulke hoge piekmomenten oplevert.

3.7.3

Waterstanden van de Waal

De waterstand van de Waal wordt bij Nijmegen gemeten bij Nijmegen-Haven. Volgens Rijkswaterstaat heeft de Waal bij Nijmegen een normale waterhoogte tussen de 535 cm en 965 cm + NAP.

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

32

Open

Figuur 3-26: Waterstanden in de Waal bij Nijmegen Haven.

In Figuur 3-26 is de gemeten waterhoogte bij locatie Nijmegen Haven te zien voor de periode 2012 - 2024. In deze periode is een dynamiek van de Waal te zien van ruwweg tussen de NAP + 4 m en NAP +12 m. Kijkend naar afgelopen jaar is te zien dat de waterstand in de winter en het voorjaar hoger is dan voorgaande jaren (Figuur 3-26). De waterstand van de Waal van het afgelopen jaar is in detail weergegeven in Figuur 3-27. Hieruit blijkt dat de waterstand van de Waal vanaf december 2023 tot en met juli 2024 hoger is geweest dan een waterstand van NAP +8,0 m. Dit is een opvallend hoge waterstand over een veel langere periode in vergelijking met andere jaren. Dit betekent voor het grondwatersysteem dan ook dat de drainerende werking van de Waal beperkt is geweest. Dit is vermoedelijk ook van invloed op het niveau van de grondwaterstand in het projectgebied.

Figuur 3-27: Verhoogde waterstanden in de Waal bij Nijmegen Haven in eind 2023 - 2024.

3.8

Ontwateringsdiepten

Op basis van de gemeten grondwaterstanden is een overzicht gemaakt van de ontwateringsdiepte (maaiveld minus grondwaterstand) per meetlocatie. Hiervoor is de maximaal gemeten grondwaterstand toegepast. Het resultaat is gepresenteerd in onderstaand Figuur 3-28. Uit de metingen blijkt dat de ontwateringsdiepte bij alle meetlocaties minimaal 1 m is.

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

33

Open

Om een ruimtelijk beeld te geven van de ontwateringsdiepte bij een hoge grondwaterstand is op basis van de gemeten grondwaterstanden een hoge waarde van NAP +8,3 m toegepast voor het gehele projectgebied (zie Figuur 3-17 en Figuur 3-18) en vergeleken met het maaiveldniveau. Het resultaat is de ontwateringsdiepte bij een hoge grondwaterstand van NAP +8,3 m en is weergegeven in Figuur 3-29. Uit het kaartbeeld blijkt dat de ontwateringsdiepte in het gehele gebied niet minder is dan 1 m. Aan de oostzijde van het projectgebied is de ontwateringsdiepte veelal 2 m of meer.

Figuur 3-28: Ontwateringsdiepte op basis van maximaal gemeten grondwaterstand in 2024

Figuur 3-29: Ontwateringsdiepte bij een hoge grondwaterstand van NAP +8,3 m voor het gehele projectgebied

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

34

Open

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

35

Open

4

Werking grondwatersysteem en effecten ingrepen

4.1

Introductie

Om de werking van het grondwatersysteem goed te beschrijven is het waardevol gebruik te maken van de inzichten uit het grondwatermodel MORIA. Met het grondwatermodel kan de regionale werking van het grondwatersysteem goed in beeld worden gebracht en kunnen effecten van verschillende hydrologisch aspecten in beeld worden gebracht zoals het stopzetten van grondwateronttrekkingen.

4.2

Aanpak grondwatermodellering

MORIA versie 4.6 MORIA is het regionale grondwatermodel voor het Rivierengebied en ontwikkeld van 2009 in een consortium van waterschap Rivierenland, provincie Gelderland en Vitens. Sindsdien is er continu gewerkt aan het doorvoeren van verbeteringen aan het regionale basismodel en aan deelmodellen. Hierbij zijn de afgelopen jaren verschillende deelkalibraties en verbeteringen doorgevoerd. Het model dat als basis voor het referentiemodel is toegepast voor het projectgebied is MORIA versie 4.6. Dit model is recent verbeterd met de studie Moria 4.6, Modelverbetering deelgebieden Bloemers & Citters, Groesbeek & Ooijpolder en Rijk van Nijmegen (Arcadis, 1 oktober 2020). Het regionale grondwatermodel MORIA wordt door waterschap Rivierenland en andere partijen veelvuldig gebruikt om het grondwatersysteem in het rivierengebied in beeld te brengen en om ontwikkelingen in het gebied, zoals peilbesluiten, te kunnen toetsen. Ondanks dat het een regionaal grondwatermodel is, is er een vraag naar lokale en specifieke toepassingen. Hiervoor moet het grondwatermodel gedetailleerder worden opgezet en zijn verbeteringen noodzakelijk. Deze zijn doorgevoerd met de modelverbetering uit 20220 studie (Arcadis, 2020).

Met het model zijn verschillende zaken verbeterd, onder andere de schematisering van het bovenste systeem, actualisatie van onttrekkingen, introduceren van missende breuklijnen en damwanden in waterkeringen. Ook is er een verbeterslag gemaakt met de kalibratie van het deelmodel op basis van gemeten grondwaterstanden en stijghoogten. Voor een uitgebreide beschrijving van de modelopbouw en de doorgevoerde modelverbeteringen wordt verwezen naar deze rapportage. Onderstaand is een samenvatting gegeven van de opbouw van het model. Voor de berekeningen binnen dit onderzoek is gebruik gemaakt van het modeldomein weergegeven in Figuur 4-1. Om een balans tussen rekentijd en resolutie te bereiken is gebruik gemaakt van een buffer. Binnen het interessegebied (vierkant rondom Nijmegen) is gerekend met een resolutie van 25x25m. In de buffer (buitenste Vierkant) gerekend is met een resolutie van 250x250m.

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

36

Open

Figuur 4-1 Modeldomein en begrenzing interessegebied

Aanpak berekening effecten ingrepen Er zijn in het verleden verschillende ingrepen geweest die van invloed zijn op de werking van het grondwatersysteem. Deze zijn met het model ter indicatie doorgerekend zodat inzicht wordt verkregen in het effect van de ingrepen. De volgende ingrepen uit het verleden zijn in beeld gebracht: • Het stopzetten van twee grondwateronttrekkingen • Peilopzet van het Maas-Waalkanaal • Afkoppelen van hemelwater De effecten zijn doorgerekend door het model tijdsafhankelijk door te rekenen over de rekenperiode 20082018. De periode 2010-2018 is gebruikt voor het bepalen van de GHG en GLG 13 .

4.3

Werking grondwatersysteem

Met het grondwatermodel is eerst de huidige situatie tijdsafhankelijk doorgerekend en is een isohypsenbeeld gemaakt van de berekende grondwaterstand. Dit is gedaan voor een gemiddeld natte situatie (GHG) en een gemiddeld droge situatie (GLG). Dit is weergegeven in Figuur 4-2 en Figuur 4-3.

13 GHG en GLG staat voor Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en Gemiddeld Laagste Grondwaterstand en worden gebruikt om de grondwaterdynamiek te beschrijven (de variatie van de grondwaterstand over de seizoenen). De GHG en GLG worden berekend op basis van het gemiddelde van de drie hoogste (GHG) en drie laagste (GLG) grondaterstanden per hydrologisch jaar (van 1 april tot en met 31 maart) over een periode van minimaal 8 jaar.

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

37

Open

Figuur 4-2: Berekende grondwaterstand tijdens een gemiddeld droge situatie (GLG)

Figuur 4-3: Berekende grondwaterstand tijdens een gemiddeld natte situatie (GHG) 10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

38

Open

Uit het stromingsbeeld blijkt dat de rivier en de stuwwal belangrijke sturende factoren zijn achter de grondwaterstroming. De stuwwal ligt hoog en bestaat voornamelijk uit zand waardoor het regenwater relatief makkelijk kan infiltreren. De stuwwal vormt hiermee ‘de blauwe motor’ voor de nabije omgeving. Op de stuwwal komen nauwelijks watergangen voor waardoor er geen ontwatering is. Daarnaast is de regionale invloed van de Waal goed terug te zien in het stromingsbeeld. In de droge situatie heeft de Waal een sterk drainerende werking waardoor het stromingsbeeld lokaal gericht is naar de rivier. In de natte situatie is dit omgedraaid en heeft de rivier een infiltrerende werking waardoor het stromingsbeeld lokaal omdraait. Ook in het projectgebied is de invloed van de Waal goed terug te zien in het stromingsbeeld.

4.4

Effecten van ingrepen in het verleden

4.4.1

Stopzetten twee onttrekkingen

Voor het in beeld brengen van het stopzetten van de twee grote onttrekkingen (voormalige drinkwaterwinning Nieuwe Marktstraat en de industriële onttrekking van de papierfabriek SAPPI) is het model tijdsafhankelijk doorgerekend (periode 2008-2018). Het resultaat van de effectberekening is weergegeven in Figuur 4-4.

Figuur 4-4: Verandering grondwaterstand tijdens natte periode (GHG) als gevolg van stopzetten twee grondwateronttrekkingen

Uit latere informatie van de provincie is gebleken dat ook de voormalige energiecentrale Electrabel een vergunning had voor grondwateronttrekking. De onttrekkingshoeveelheid is veel minder dan de onttrekking van SAPPI en Nieuwe Marktsraat (zie paragraaf 3.6) en bevond zich buiten het omkaderde projectgebied (vlak bij de Waal). Hydrologisch gezien zal het effect van deze onttrekking daarom gering zijn in vergelijking met Nieuwe Markstraat en SAPPI. Daarom is de berekening niet geactualiseerd. 10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

39

Open

Uit de figuur blijkt dat het stoppen van de twee grote onttrekkingen (gezamenlijk bijna 8 Mm3 /jaar zorgt voor een gemiddelde stijging van de grondwaterstand tussen de 20 en 30 cm in het projectgebied. Uit de figuur blijkt dat het effect van Nieuwe Marktstraat een grotere uitstraling heeft dan de industriële onttrekking. Dit komt doordat het Maas-Waalkanaal het effect van de onttrekking voor een belangrijk deel compenseert.

4.4.2

Peilverandering Maas-Waalkanaal

Voor het in beeld brengen van de effecten van de peilverhoging van het Maas-Waalkanaal is het model tijdsafhankelijk doorgerekend (periode 2008-2018). Dit is oorspronkelijk gedaan voor een peilopzet van 20 cm zoals bleek uit de meetreeks van Figuur 3-24. Het resultaat van de effectberekening is weergegeven in Figuur 4-5. Later bleek dat de peilopzet 30 cm is geweest en dat voor 2013 al 10 cm peilopzet heeft plaats gevonden. De berekening is niet opnieuw uitgevoerd omdat deze berekening al een goede indicatie van het effect geeft. De berekeningen dienen immers vooral ter ondersteuning van de analyse naar de oorzaken.

Figuur 4-5: Verandering grondwaterstand tijdens natte periode (GHG) als gevolg van peilverhoging Maas-Waal kanaal

Uit de figuur blijkt dat de peilverhoging van 20 cm zorgt voor een gemiddelde stijging van de grondwaterstand tussen de 5 en 10 cm in het projectgebied. De uitstraling van de effecten aan de oostzijde van het kanaal is groter dan aan de westzijde. Dit komt door peilbeheer aan de westzijde van het gebied. De oostzijde van het kanaal is grotendeels vrij afwaterend. Een peilopzet van 30 cm betekent dat er rekening moet worden gehouden met een gemiddelde stijging van de grondwaterstand tussen de 10 en 15 cm in het projectgebied.

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

40

Open

De effecten van de peilopzet zijn in 2005 ook berekend (zie hiervoor het kader in paragraaf 3.7.2 (Achtergronddocument peilopzet Grave, Rijkswaterstaat, 2006). Uit de analyse is gebleken dat voor Nijmegen-west een verhoging van de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) is berekend tussen de 5 en 10 cm. Uit de analyse is Nijmegen-West niet naar voren gekomen als mogelijk gebied met wateroverlast.

4.4.3

Gecombineerd effect peilverhoging kanaal en stopzetten onttrekkingen

De effecten van de peilverhoging van het Maas-Waalkanaal en het stoppen van de grondwateronttrekkingen zijn ook gecombineerd in beeld gebracht. Het resultaat van de effectberekening is weergegeven in Figuur 4-6. Uit de figuur blijkt dat het stoppen van de twee grote onttrekkingen (gezamenlijk bijna 8 Mm3 /jaar) gecombineerd met de peilverhoging van het kanaal zorgt voor een gemiddelde stijging van de grondwaterstand tussen de 40 en 50 cm in het projectgebied.

Figuur 4-6: Gecombineerde verandering grondwaterstand tijdens natte periode (GHG) als gevolg van de peilverhoging en het stoppen van de grondwateronttrekkigen

4.4.4

Extra infiltratie door afkoppelen hemelwater

Voor het in beeld brengen van het afkoppelen is ter indicatie de wijk Jerusalem doorgerekend. Hierbij is de grondwateraanvulling verdubbeld van gemiddeld 175 mm/jaar naar 350 mm/jaar. Het resultaat van de effectberekening is weergegeven in Figuur 4-7. Uit de berekening blijkt dat de gemiddelde verandering

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

41

Open

van de grondwaterstand tijdens een natte situatie minimaal is. De verandering van de grondwaterstand is minder dan 5 cm. Het effect van afkoppelen is ook hypothetisch in beeld gebracht door de gehele wijk in het projectgebied (rood omkaderd) af te koppelen. Hierbij is ook de grondwateraanvulling verdubbeld van gemiddeld 175 mm/jaar naar 350 mm/jaar. Het resultaat van de effectberekening is weergegeven in Figuur 4-8. Uit de berekening blijkt dat de gemiddelde verandering van de grondwaterstand in het projectgebied varieert tussen de 10 en 20 cm tijdens een natte situatie.

Figuur 4-7: Verandering grondwaterstand tijdens natte periode (GHG) als gevolg van afkoppelen wijk Jerusalem

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

42

Open

Figuur 4-8: Verandering grondwaterstand tijdens natte periode (GHG) als gevolg van afkoppelen projectgebied (rood omkaderd)

4.5

Tijdreeksanalyse

Om de invloed van de verschillende factoren die van invloed kunnen zijn op de fluctuaties van grondwaterstanden in het projectgebied te analyseren is tijdreeksanalyse toegepast. Hierbij is gebruik gemaakt van de open-source Python package Pastas 14. Een toelichting op het principe van tijdreeksanalyse is opgenomen in onderstaand kader. Het principe van tijdreeksanalyse en transfer ruismodellering Tijdreeksanalyse is een statistische techniek waarbij de variatie in een gemeten grondwaterreeks wordt verklaard uit een aantal invoerreeksen. Voorbeelden hiervan zijn meetreeksen van neerslagoverschot, oppervlaktewater of onttrekkingen. Voor elk van de invoerreeksen wordt een transfermodel opgesteld. De uitvoer van elk transfermodel verklaart een deel van de variatie in de grondwaterstandreeks. Het gedeelte van de gemeten grondwaterreeks dat niet wordt verklaard door het neerslagoverschot, het oppervlaktewaterpeil en de onttrekkingen, is het residu. De residureeks wordt zo goed mogelijk verklaard door het ‘ruismodel’. Het ruismodel verklaart alle variatie in de grondwaterreeks die niet aantoonbaar verband houdt met neerslagoverschot, oppervlaktewaterpeilen of grondwateronttrekking en is een maat voor alle overige oorzaken. De transfer-/ruismodellen gaan ervan uit dat het grondwatersysteem lineair reageert.

Dat wil zeggen dat de grondwaterstand altijd hetzelfde reageert op één eenheidhoeveelheid neerslag of een plotselinge stijging van het oppervlaktewater (één eenheidstijging). Het verloop van deze reactie in de tijd wordt de impulsrespons-functie genoemd. Een permanente impuls van een eenheid neerslagoverschot of rivierpeil leidt tot een permanente stijging van de grondwaterstand. Dit wordt het structureel niveau, of gain, van de invoerreeks genoemd. Een schematische weergave van het transfer ruismodel is gegeven in onderstaand figuur.

14

Collenteur, R.A., Bakker, M., Caljé, R., Klop, S.A., Schaars, F. (2019) Pastas: open source software for the analysis of groundwater time series. Groundwater. doi: 10.1111/gwat.12925.

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

43

Open

Schematisch overzicht toepassing tijdreeksanalyse

Voor de beschikbare grondwaterreeksen (zie paragraaf 3.6) is waar mogelijk een tijdreeksmodel opgesteld, dat de gemeten grondwaterstanden benadert door een verband te leggen tussen neerslag, verdamping en de grondwaterstand. Deze methode, gebaseerd op de fysische methode (PIRFICT), maakt gebruik van impuls responsefuncties. Een impuls responsefunctie toont hoe de grondwaterstand in de tijd verandert als reactie op een eenheidshoeveelheid neerslag. Geselecteerde peilbuizen Een overzicht van de locaties van alle beschikbare peilbuizen is opgenomen in Figuur 3-14. Niet alle meetreeksen zijn geschikt voor tijdreeksanalyse omdat de reeksen te kort kunnen. Reeksen zijn meegenomen wanneer er minimaal een meetreeks is van 8 jaar (zie Figuur 3-15). Voor de volgende peilbuizen is een tijdreeksmodel gemaakt • GMW40C003385 Daniëlsweg • GMW40C003307 Ligusterstraat • GMW40C003399 & GMW40W107074 de Biezen • GMW40C002844 & GMW40C144634 Bredestraat • GMW40C003312 Schependomlaan • GMW40C003402 Niersstraat • GMW40C003388 Boeckstaetehof Voor elke locatie is een tijdreeksmodel opgezet waarin de gemeten grondwaterstanden worden verklaard door neerslag, verdamping en/of waterstanden in de Waal. Er is ook geprobeerd de invloed van het MaasWaalkanaal en de onttrekkingen op de fluctuaties in het gemeten grondwater te analyseren.

Echter, dit leverde geen concluderende resultaten op, aangezien de invloed niet significant was. Een belangrijke reden hiervoor is dat het stoppen van de grondwateronttrekkingen vanaf 2000 geleidelijk is verlopen over een periode van 20 jaar. De beschikbare meetreeksen beginnen veelal vanaf 2013 waardoor de meetreeksen te kort zijn om deze verandering voldoende scherp naar voren te krijgen. De wijze van beoordeling van de tijdreeksmodellen is toegelicht in onderstaand kader. Beoordeling van tijdreeksmodellen De tijdreeksmodellen zijn beoordeeld met behulp van de verklaarde variantie (EVP). Deze metriek wordt vaak gebruikt in tijdreeksmodellen. De EVP [%] beschrijft het percentage van de variatie in de grondwaterstanden dat wordt verklaard door de invoerreeksen: 𝜎𝜎ℎ 2 − 𝜎𝜎𝑟𝑟 2 𝐸𝐸𝐸𝐸𝐸𝐸 = ∗ 100% 𝜎𝜎ℎ 2 10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

44

Open

Hierbij is σh2 [m2] de variatie van de grondwaterwaarnemingen en σr2 [m2] de variatie in het verschil tussen de voorspelde grondwaterstanden en de grondwaterwaarnemingen. De teruggegeven waarde ligt tussen 0% en 100%, hogere percentages wijzen op meer verklaarde variatie en dus een betere overeenkomst. De kwaliteit van het model is daarnaast ook beoordeeld met diagnostische controles op autocorrelatie en normaliteit.

Resultaten De resultaten van de tijdreeksmodellen op basis van de berekende verklaarde variantie zijn weergegeven in onderstaande Tabel 4-1. Uit de tabel blijkt dat de verklaarde variantie bij vrijwel alle locaties (met uitzondering van de peilbuis aan de Danielsweg) het hoogste is wanneer zowel neerslag en verdamping als de waterstand van de Waal als verklarende reeks wordt toegepast. Tabel 4-1: Resultaten tijdreeksmodellen: Verklaarde variantie Verklaarde variantie

Danielsweg

Ligusterstraat

Bredestraat

Biezen

Schependomlaan

Niersstraat

Boeckstaetehof

Neerslag en verdamping

89.8%

50.9%

52.1%

57.9%

56.4%

49.5%

47.6%

Neerslag, verdamping en Waal

74.8%

91.0%

77.0%

98.0%

96.9%

90.8%

81.2%

De berekende verklaarde variantie is ook in op kaart gezet in Figuur 4-9 en Figuur 4-10. Dit betekent dat de grondwaterstand in het projectgebied naast de reactie op de neerslag ook gestuurd wordt door de waterstand van de Waal. Dit gegeven is ook goed naar voren gekomen uit de berekening van het grondwatermodel en het isohypsenbeeld (zie Figuur 4-2 en Figuur 4-3).

Figuur 4-9: Verklaarde variantie op basis van neerslag en verdamping.

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

45

Open

Figuur 4-10: Verklaarde variantie op basis van neerslag, verdamping en waterstand Waal.

Ter illustratie is het berekende tijdreeksmodel gepresenteerd bij een drietal peilbuizen (zie Figuur 4-11, Figuur 4-12 en Figuur 4-13).

Figuur 4-11: Berekende tijdreeksmodel bij peilbuis GMW40C003399 (de Biezen)

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

46

Open

Figuur 4-12: Berekende tijdreeksmodel bij peilbuis GMW40C003312 (Schependomlaan)

Figuur 4-13: Berekende tijdreeksmodel bij peilbuis GMW40C003385 (Danielsweg)

In de grafieken bij de Biezen en Schependomlaan is duidelijk de verbetering van het model te zien wanneer de waterstanden van de Waal als verklarende reeks worden meegenomen. Bij de Danielsweg is te zien dat de grondwaterstand een meer vertraagde reactie laat zien (minder piekerig).

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

47

Open

5

Conclusies en aanbevelingen

5.1

Conclusies: Belangrijkste oorzaken

Op basis van de analyse van de werking van het grondwatersysteem met de beschikbare meetgegevens, het grondwatermodel en de tijdreeksanalyse kan worden geconcludeerd dat de oorzaken voor de verhoogde grondwaterstand in het projectgebied als volgt zijn: 1. De grote neerslaghoeveelheden van de afgelopen twee jaar (2023 en 2024). 2. De ligging van het gebied waardoor de invloed van de Waal merkbaar is en tegelijk de invloed van de toestroming van grondwater vanuit de stuwwal (fluctuatiezone stuwwal). 3. Het basisniveau van de grondwaterstand is de afgelopen jaren structureel met ongeveer 50 cm hoger geworden door: - Stopzetten industriële grondwateronttrekking + drinkwaterwinning Vitens. - Verhogen peil Maas-Waalkanaal. Deze drie factoren vormen gezamenlijk de redenen waarom de grondwaterstand in het projectgebied hoger is geweest dan die de afgelopen decennia ooit is geweest. Dit verklaart dan ook waarom bewoners in het projectgebied klachten van wateroverlast hebben in kelders. De oorzaken van de verhoogde grondwaterstand hebben samenhang met elkaar en kunnen elkaar versterken. Zo is bijvoorbeeld te zien dat de verhoogde waterstand van de Waal begin 2024 tot de zomer van 2024 gezamenlijk met de neerslaghoeveelheid in het voorjaar zorgt dat de grondwaterstand niet kan herstellen en op een hoog niveau blijft (NAP +8,3 m) tot en met juli 2024.

Overige oorzaken Verder blijkt uit de analyse dat de effecten van lokaal afkoppelen van delen van de wijk minimaal zijn op het gemiddeld niveau van de grondwaterstand. Dit komt voor een belangrijk deel omdat de ondergrond goed doorlatend is (en er voldoende ruimte is in de onverzadigde zone) waardoor het effect van de infiltratie zich snel uitsmeert over de omgeving. Locatie-specifiek kan afkoppelen (dicht bij de infiltratievoorziening) wel een reden zijn voor een tijdelijke verhoging van de grondwaterstand. Wanneer in de toekomst het gehele projectgebied afgekoppeld zou worden is een effect berekend van gemiddeld 10 tot 20 cm stijging van de grondwaterstand. Deze verhoging is voor de toekomst een belangrijk gegeven om, waar nodig, rekening mee te houden voor de gemeente in het ontwerp van het voorzieningen. Dit geldt ook voor het afkoppelen van wijken aan de westkant van de stuwwal (oostelijk van het projectgebied). Bouwwerkzaamheden bij de Waal in het kader van Waalfront zijn niet van invloed op de regionale grondwaterstroming. Er worden geen lange damwanden aangebracht in het verlengde van de Waal. De nieuwe bebouwing met ondergrondse parkeergarage bestaat uit een betonnen bak met daaronder een pipingscherm van 4 m. Verder worden er geen items aangebracht die het water tegenhouden of sneller doorlaten.

5.2

Conclusies: Verantwoordelijkheden

Het waterdicht maken of hebben van kelders is de verantwoordelijkheid van bewoners. Achtergrond hiervoor is dat het Bbl (voormalig bouwbesluit) geen eisen stelt aan vochtdichtheid van kelders en kruipruimten. Wie een kelder waterdicht wil hebben moet dus zelf bouwkundige maatregelen hiervoor treffen. De verantwoordelijkheden voor het waterbeheer zijn verdeeld over de overheden. De gemeente is verantwoordelijk voor het stedelijk grondwaterbeheer, de provincie en de waterschappen verlenen

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

48

Open

vergunningen voor het onttrekken van grondwater, RWS voor het peilbeheer van de Rijkswateren en het waterschap voor het peilbeheer van het regionale watersysteem. De uitwerking van de grondwatertaak van de gemeente betekent dat de gemeente alleen maatregelen treft als: - er “structuur nadelige” gevolgen zijn als gevolg van hoge grondwaterstanden; - en hiertegen “doelmatige“ maatregelen in openbaar gebied mogelijk zijn. De gemeten grondwaterstanden in het gebied liggen tijdens de natte perioden gemiddeld tussen de 1 en 2 m beneden maaiveld. Het verschil tussen maaiveld en het niveau van de grondwaterstand wordt ontwateringsdiepte genoemd. Gebruikelijke richtinggevende ontwateringsdiepte (de minimale afstand van het maaiveld tot de grondwaterstand) voor bebouwing, die vaak in Nederland toegepast wordt, is een grondwaterstand van 0,7 m minus maaiveld. Dit niveau borgt de gebruiksfunctie voor wonen, werken en infrastructuur. Dit niveau hanteert de gemeente ook in de Waalsprong. Volgens de regelgeving is er dus geen sprake van structureel hoge grondwaterstanden en is het vanuit de regelgeving formeel niet aan de gemeente om maatregelen te treffen.

5.3

Aanbevelingen gezamenlijke overheden

Bijzonder gebied Uit de analyse blijkt dat er bijzondere omstandigheden zijn voor het gebied waar de grondwateroverlast wordt ervaren (delen van Nijmegen-West). • In het verleden zijn kelders gebouwd in tijden waarbij de grondwaterstand beduidend lager stond dan nu; • Het gebied maakt onderdeel uit van de fluctuatiezone van de stuwwal en staat onder invloed van de Waal. Dit betekent dat de grondwaterstand grote fluctuaties kan laten zien als gevolg van de hoeveelheid neerslag op de stuwwal en ook beïnvloed wordt door de waterstanden van de Waal; • Het basisniveau van de grondwaterstand is door diverse factoren ± 0,5 m hoger gekomen (peilopzet Maas-Waalkanaal + onttrekkingen) De combinatie van factoren maakt dat de grondwaterstand, historisch gezien, op een niveau is gekomen dat de afgelopen decennia niet eerder is bereikt. Het is hierbij van belang te realiseren dat 2023 en 2024 hydrologisch gezien uitzonderlijk natte jaren zijn geweest waardoor de grondwaterstanden flink zijn gestegen. Overvallen door problematiek De combinatie van factoren maakt daarnaast dat veel bewoners maar ook de gemeente overvallen zijn door de grondwateroverlastproblematiek. Aansluitend is het van belang te realiseren dat verdere afkoppeling van bebouwd gebied in Nijmegen geleidelijk zorgt voor een verdere gemiddelde stijging van de grondwaterstand.

Ook klimaatverandering zorgt voor meer dynamiek in grondwaterstanden met kans op hogere grondwaterstanden. Formuleer werkgroep Gelet op deze problematiek en de bijzondere situatie die van toepassing is voor het projectgebied is de aanbeveling om als gezamenlijke overheden (gemeente, waterschap, provincie en RWS) een werkgroep te formuleren met vertegenwoordiging vanuit de genoemde overheden en mogelijke technische oplossingsrichtingen te overwegen gericht op het vergroten van de robuustheid van het watersysteem (beschreven in het volgend hoofdstuk). Hierbij is het ook van belang om meer grip te krijgen op het al dan niet structureel zijn van de wateroverlast.

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

49

Open

5.4

Aanbevelingen voor gemeente

Op basis van de resultaten van voorliggend onderzoek doen we de volgende aanbevelingen richting de gemeente: Aanbevelingen gemeente beleidsmatig • Versterk de loketfunctie rondom de grondwatertaak: voorlichting, informeren, tips. • Betrek bij de toetsing van omgevingsvergunningen de grondwaterproblematiek zoals die zich momenteel voordoet. • Verwerk de richtlijnen voor ontwatering zoals beschreven hoofdstuk 2 in beleid. • Bij vervanging van riolen en afkoppelen via gescheiden stelsels: Borg dat (waar relevant, in de meer kwetsbare zones) de grondwaterstand afgetopt kan worden bij pieksituaties (borgen ontwateringsdiepte van 0,7 m onder maaiveld en mogelijkheid aftoppen GHG, klimaatrobuuste maatregel). Aanbevelingen gemeente monitoring • Optimaliseer de monitoring van het grondwater in het projectgebied (ook rondom infiltratievoorzieningen). • Zorg dat resultaten van monitoring actueel ontsloten kunnen worden (bijvoorbeeld via telemetrie) en beschikbaar zijn voor bewoners. Bewoners kunnen dan op eventuele problematiek anticiperen (early warning). Overige aanbevelingen • Voor verdere beleidsontwikkeling is het waardevol om beter zicht te krijgen op de ontwikkeling van de grondwaterstand in de gemeente op de langere termijn. • Hierbij is nader inzicht in kans op voorkomen van grote neerslaghoeveelheden zoals de afgelopen twee jaar waardevol.

Hiermee kan beter ingeschat worden of er al dan niet sprake is van structurele of meer incidentele wateroverlast. • Het grondwatermodel kan daarbij ingezet worden om scenario’s door te rekenen: o Scenario’s waarbij het cumulatieve effect van afkoppelen op de grondwaterstand op de langere termijn kan worden geanalyseerd. o Klimaatscenario’s waarbij het effect van klimaatverandering op de grondwaterstand op de langere termijn kan worden geanalyseerd voor zowel droge als natte perioden.

5.5

Overig

Voor bewoners is het van belang te weten dat Rijkswaterstaat nadeelcompensatie kan toekennen als gevolg van het optreden van de overheid. Dat kan ook het geval zijn wanneer de overheid handelt binnen de aan haar toegekende taken en bevoegdheden. Voor de peilopzet van het kanaal is nog tot 2026 de mogelijkheid om nadeelcompensatie aan te vragen.

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

50

Open

6

Technische oplossingsrichtingen

6.1

Oplossingsrichtingen

Onderstaand is een overzicht gegeven van technisch mogelijke oplossingsrichtingen. Gelet op de problematiek en de bijzondere situatie die van toepassing is voor het projectgebied wordt aanbevolen (zie hoofdstuk 5) om als gezamenlijke overheden (gemeente, waterschap, provincie en RWS) mogelijke oplossingsrichtingen in overweging te nemen. Onderstaand zijn technisch mogelijke maatregelen benoemd zonder dat deze integraal zijn afgewogen. Voor mogelijke oplossingsrichtingen zijn twee hoofdrichtingen te onderscheiden: 1. Bouwtechnische oplossingen (waterdicht maken). 2. Oplossingen gericht op het verlagen van de grondwaterstand. Een overzicht van de technisch mogelijke maatregelen is opgenomen in Tabel 6-1. In de tabel is een indicatie opgenomen van het te verwachten effect op de wateroverlastproblematiek. Ook is een indicatie van de uitvoeringstermijn en een indicatie van de kosten opgenomen. Ad 1: Bouwtechnische oplossingen Wanneer grondwater van buitenaf door de keldermuur trekt ontstaat vochtdoorslag in de kelder. Dit kan leiden tot vochtproblemen, zoals zoutuitbloeiingen, loslatend stucwerk, of vocht dat de binnenruimte binnendringt. Deze problemen vallen allemaal onder de noemer vochtdoorslag en kunnen de kwaliteit van de kelder aantasten. Het waterdicht maken van kelders kan in theorie van binnenuit en buitenuit.

Kelderafdichting aan de buitenzijde is de meest effectieve manier om een kelder waterdicht te maken maar dat is technisch gezien complex bij bestaande bouw. Van binnenuit zijn er mogelijkheden door waterkerende lagen op de wand te smeren en/of met injecties de muur waterdicht te maken. Het waterdicht maken van kelders is een duurzame maatregel voor de lange termijn omdat de maatregel theoretisch gezien robuust is tegen veranderingen van de grondwaterstand. Ad 2: Verlagen grondwaterstand: Lokaal / regionaal Voor het verlagen van de grondwaterstand is onderscheid gemaakt in maatregelen die lokaal en regionaal de grondwaterstand verlagen. Maatregelen die regionaal de grondwaterstand verlagen hebben verhoudingsgewijs een relatief beperkt effect op de grondwaterstand en de wateroverlast omdat ze niet gericht zijn op de locatie-specifieke omstandigheden. Daarnaast zijn het procesmatig complexe maatregelen die integrale belangenafweging vragen. De maatregelen die gericht zijn om lokaal de grondwaterstand te verlagen zijn gericht op het aftoppen van de grondwaterstand in pieksituaties. Dit betekent dat de maatregel in werking treedt wanneer een bepaald niveau (een verhoogde grondwaterstand) optreedt. De maatregel 2a1 (Drainage onder openbare weg) is een maatregel die in combinatie met maatregel 2a2 (Optimaliseer afwatering A-watergang peilgebied) moet worden gezien.

Het effect van de maatregel op de wateroverlastproblematiek is locatie-specifiek en afhankelijk van het in te stellen drainageniveau. Daarom kan het effect lokaal effectief zijn maar ook weinig effect sorteren. De maatregel borgt voor de lange termijn wel dat de grondwatertaak wordt geborgd (ontwateringsdiepte minimaal 0,7 m beneden maaiveld) maar dat deze ontwateringsdiepte niet volstaat om een kelder droog te houden.

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

51

Open

Tabel 6-1: Overzicht technisch mogelijke maatregelen Maatregel 1.

Effect op problematiek

Indicatie Uitvoerings - termijn

Groot

1 – 5 jaar

Indicatie kosten

Verantwoorde lijke

EUR 10.00030.000 15

Particulier

Bouwtechnische oplossingen

1.Waterdicht maken kelders

2a: Waterhuishoudkundig: Verlagen grondwaterstand lokaal (aftoppen in pieksituaties) 2a-1: Drainage onder openbare weg (blauwe aders) aftoppen gws bij pieksituaties (aanleg tijdens vervangen riolering / aanleg gescheiden stelsel)

Beperkt tot lokaal effectief (in uitstraling en diepte); Borgt grondwatertaak, maar volstaat niet voor drooghouden kelders

5 – 30 jaar

EUR 500/m 16

Gemeente

2a-2 (in combinatie met 2a-1) Optimaliseer afwatering A-watergang peilgebied (duiker – bodemniveau watergangen vergelijkbaar met Neerbosch)

Beperkt uitstralend effect op grondwaterstand. Voorwaarde maatregel 2a-1 en toekomstig afkoppelen

5 – 15 jaar

PM

Waterschap

2a-3: Grondwateronttrekking met aansluiting op gemengd rioolstelsel

Alleen lokaal

1 - 5 jaar

EUR 5.000 – 10.000 18

Particulier / gemeente

2a-4: Grondwateronttrekking met aansluiting drainagewater op hoofdwatersysteem of naar een niet bebouwde zone (bijv. bij ZwembadWest) waar het kan infiltreren 19

Alleen lokaal

3 - 7 jaar

EUR 10.000 20.000 20

Particulier / gemeente

Onderstaande maatregelen 2a-3 en 2a-4 zijn alleen locatie-specifiek in te zetten 17

2b: Waterhuishoudkundig: Verlagen grondwaterstand regionaal 2b-1: Peilverlaging Maas-Waalkanaal

Beperkt (verlaging grondwaterstand 5 – 10 cm). Volstaat niet voor drooghouden kelders

PM

PM

Rijkswaterstaat

2b-2: Grootschalige grondwateronttrekking

Beperkt tot groot (afhankelijk omvang onttrekking). Volstaat niet voor drooghouden kelders

PM

PM

PM

2b-3: Peilverlaging peilvakken oppervlaktewater

Zeer beperkt (dimensies watergangen klein )

PM

PM

Waterschap

15

Kosten voor een normale kelder (geen leef of bedrijfsruimte) Meerkosten t.o.v. normale rioolvervanging circa 50% 17 Maatregel 2a-3 en 2a-4 zijn alleen locatie-specifiek in te zetten om te voorkomen dat te veel water naar de RWZI wordt afgevoerd, het hoofdwatersysteem wordt overbelast en de beheersbaarheid uit het oog kan raken. 18 Alleen investeringskosten zijn hier opgenomen 19 Hiervoor is een persleiding nodig naar het hoofdwatersysteem, kosten sterk afhankelijk van aantal woningen waarvoor dit nodig is en lengte persleiding 20 Alleen investeringskosten zijn hier opgenomen 16

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

52

Open

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

53

Open

Referenties • • • •

• • •

Collenteur, R.A., Bakker, M., Caljé, R., Klop, S.A., Schaars, F. (2019) Pastas: open source software for the analysis of groundwater time series. Groundwater. doi: 10.1111/gwat.12925. Kennisbank Rioned: Grondwaterzorg in bebouwd gebied, 25 mei 2022 https://iplo.nl/thema/water/stedelijk-afvalwater/stedelijk-waterbeheer/grondwatertaak-gemeente/ Gemeente Hengelo, mei 2017, Gemeentelijk rioleringsplan voor de planperiode 2018 t/m 2022 https://www.hengelo.nl/bestanden/documenten/Inwoners/Water/Gemeentelijk_rioleringsplan_201 8-2022_Hoofdrapport.pdf Gemeente Rotterdam, oktober 2020, Gemeentelijk Rioleringsplan Rotterdam 2021-2025, https://rotterdam.notubiz.nl/document/9422425/1/s20bb016815_1_39408_tds Rijkswaterstaat, 2006, Achtergronddocument peilopzet Grave Werkgroep wateroverlast Hees 2023-2024, data-analyse, 12 juni 2024

10 februari 2025

GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST

BK2113-RHD-RP-0001

54

Royal HaskoningDHV is een onafhankelijk internationaal advies- en ingenieursbureau. We combineren 140 jaar engineering- en ontwerpexpertise met consultancy, software en technology diensten. We leveren hiermee toegevoegde waarde voor klanten en hebben een positieve impact op mensen en onze leefomgeving. Dat is onze drijfveer: Enhancing Society Together. Daar hoort bij dat we onszelf en anderen voortdurend uitdagen om bij te dragen aan duurzame oplossingen voor lokale en wereldwijde vraagstukken in de gebouwde omgeving en de industrie. In onze snel veranderende wereld wordt de agenda bepaalt door onder meer klimaatverandering, de digitale transformatie, een veranderende consumentenvraag en hybride werken. Met onze geïntegreerde duurzame oplossingen willen we bijdragen aan het bredere technologische en maatschappelijke plaatje. Gesteund door de kennis en ervaring van meer dan 6.000 collega’s werken we vanuit kantoren in meer dan 20 landen. We ondersteunen klanten om de transitie te maken naar een slimme en duurzame organisatie. We koppelen onze engineering- en ontwerpexpertise aan onze software- en technologische diensten om toegevoegde waarde te leveren voor onze klanten en de lifecycle van hun assets. We zijn oprecht, handelen integer en transparant in al onze activiteiten, ook onze bedrijfsvoering Ons team is divers en inclusief.

De veiligheid en het welzijn van mensen, in ons team en daarbuiten, staat onder alle omstandigheden voorop. In projecten en initiatieven werken we actief samen met overheden en het bedrijfsleven, partners en stakeholders. We zien een belangrijke rol voor onszelf in innovatieve duurzame ontwikkeling en willen bijdragen aan een betere leefomgeving, nu en in de toekomst. Ons hoofkantoor is gevestigd in Nederland en we hebben kantoren in Europa, Azie, Afrika, Australie en Amerika.

royalhaskoningdhv.com

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=f046ef44-4987-4ce6-b8b1-3e1e9a323527