Rapport RHDHV “Grondwateroverlast in Nijmegen West”
Tekst van het document
RAPPORT Grondwateroverlast Nijmegen-West Klant:
Gemeente Nijmegen
Referentie:
BK2113-RHD-RP-0001
Status:
Definitief/01
Datum:
10 februari 2025
Open
HASKONINGDHV NEDERLAND B.V. Jonkerbosplein 52 6534 AB Nijmegen Netherlands Water & Maritime
Trade register number: 56515154 Telefoon: +31 88 348 70 00 Email: info@rhdhv.com Website: royalhaskoningdhv.com
Titel document: Ondertitel: Referentie: Uw kenmerk Status: Datum: Projectnaam: Projectnummer: Auteur(s):
Grondwateroverlast Nijmegen-West BK2113-RHD-RP-0001 Definitief/01 10 februari 2025 Grondwateroverlast Nijmegen-West BK2113 Andries Krikken, Koos Vleeshouwers, Wout Schutten, Gael Kobessen
Opgesteld door:
RoyalHaskoningDHV
Gecontroleerd door:
RoyalHaskoningDHV
Datum: Goedgekeurd door:
RoyalHaskoningDHV
Datum: Classificatie:
Open
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V.. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderszins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren niet toestaat. 10 februari 2025
GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST
BK2113-RHD-RP-0001
ii
Open
Inhoud 1
Inleiding
1
1.1
Achtergrond en vraagstelling
1
1.2
Mogelijke oorzaken
1
1.3
Onderzoeksmethodiek
1
1.4
Leeswijzer
2
2
Grondwaterzorg in bebouwd gebied
3
2.1
Wettelijke grondwatertaak (Kennisbank Rioned, 25 mei 2022)
3
2.2
Partijen en verantwoordelijkheden (Kennisbank Rioned, 25 mei 2022)
4
2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.2.4 2.2.5
Particuliere eigenaar Gemeente Waterbeheerder Provincie Grondwateronttrekkend bedrijf
4 5 9 9 10
2.3
Relatie met bestaand beleid gemeente Nijmegen
11
2.4
Relatie grondwatertaak met andere gemeentelijke taken
12
2.5
Samenvattend overzicht uitwerking grondwatertaak in WRP
12
3
Inventarisatie en analyse van gegevens
15
3.1
Bezoek aan bewoners
15
3.2
Neerslag
15
3.3
Maaiveldhoogte
17
3.4
Opbouw van de ondergrond
19
3.5
Geschiedenis
20
3.6
Grondwater
23
3.7
Oppervlaktewater en peilbeheer
28
3.7.1 3.7.2 3.7.3
Peilbeheer Maas-Waalkanaal Waterstanden van de Waal
28 30 32
3.8
Ontwateringsdiepten
33
4
Werking grondwatersysteem en effecten ingrepen
36
4.1
Introductie
36
4.2
Aanpak grondwatermodellering
36
4.3
Werking grondwatersysteem
37
4.4
Effecten van ingrepen in het verleden
39
4.4.1 4.4.2
Stopzetten twee onttrekkingen Peilverandering Maas-Waalkanaal
39 40
10 februari 2025
GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST
BK2113-RHD-RP-0001
iii
Open
4.4.3 4.4.4
Gecombineerd effect peilverhoging kanaal en stopzetten onttrekkingen Extra infiltratie door afkoppelen hemelwater
41 41
4.5
Tijdreeksanalyse
43
5
Conclusies en aanbevelingen
48
5.1
Conclusies: Belangrijkste oorzaken
48
5.2
Conclusies: Verantwoordelijkheden
48
5.3
Aanbevelingen gezamenlijke overheden
49
5.4
Aanbevelingen voor gemeente
50
5.5
Overig
50
6
Technische oplossingsrichtingen
51
6.1
Oplossingsrichtingen
51
10 februari 2025
GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST
BK2113-RHD-RP-0001
iv
Open
1
Inleiding
1.1
Achtergrond en vraagstelling
In Nijmegen-West, met name in de wijk Hees, zijn verschillende meldingen van wateroverlast binnengekomen bij de gemeente. Deze meldingen zijn vanaf kerst 2023 en zijn een grote bron van zorg bij meerdere bewoners. De meldingen gaan over grondwateroverlast in kelders. Sommige bewoners wonen er al sinds de jaren 50 en er staat voor het eerst grondwater in de kelders. Diverse bewoners hebben zich verenigd en de buurtgroep “Wateroverlast Hees” opgericht die zich namens alle aangemelde huishoudens inspant om maatregelen te laten treffen. De gemeente is in gesprek met de buurtgroep en heeft aangegeven een nadere verkenning uit te voeren rondom de problematiek. Met aanvullingen en aandachtspunten vanuit de bewoners heeft de gemeente Royal HaskoningDHV gevraagd om de volgende onderzoeksvragen uit te werken: • Breng de oorzaken van de grondwateroverlast in Nijmegen- West in beeld. • Geef inzicht in de landelijke wet- en regelgeving voor grondwateroverlast. • Breng mogelijke oplossingsrichtingen in beeld. • Formuleer input voor beleid gemeente Nijmegen. De onderzoeksopdracht richt zich op het in beeld brengen van de oorzaken van grondwateroverlast in Nijmegen-West. Daarnaast wordt er inzicht gegeven in de landelijke wet- en regelgeving omtrent grondwateroverlast.
Op basis van deze informatie wordt input geformuleerd voor het beleid van de gemeente Nijmegen en worden mogelijke oplossingsrichtingen in beeld gebracht. Voor de uitvoering van het project heeft de gemeente benadrukt dat het belangrijk is om de buurtgroep actief te betrekken en mee te nemen in het proces. Hiervoor is een klankbordgroep geformeerd bestaande uit een vertegenwoordiging van bewoners uit de wijk. Daarnaast zijn ook andere relevante partijen in het waterbeheer, zoals Waterschap Rivierenland, Provincie Gelderland, Vitens en Rijkswaterstaat betrokken.
1.2
Mogelijke oorzaken
Er zijn verschillende mogelijke oorzaken voor de grondwateroverlast. Enerzijds kunnen natuurlijke factoren een rol spelen, zoals grote hoeveelheden neerslag, extreme buien, veranderingen in de bodemgesteldheid, of verhoogde waterstanden van de Waal. Anderzijds kunnen menselijke invloeden bijdragen aan de overlast, zoals de verhoging van het peil van oppervlaktewater, het stoppen van grondwateronttrekkingen, de vervanging van lekke (en daardoor drainerende) rioleringen, en het infiltreren van water in de bodem. Daarnaast kunnen ook bouwwerkzaamheden in de omgeving en acties van perceeleigenaren een rol spelen. Veel van deze mogelijke oorzaken zijn ook door de bewoners zelf aangedragen als mogelijke oorzaken.
1.3
Onderzoeksmethodiek
Voor de uitwerking van het project is het belangrijk om op transparante en goed uitlegbare wijze inzicht te geven in de werking van het grondwatersysteem. Hiermee ontstaat inzicht in de achtergronden van de fluctuaties van de grondwaterstanden in het projectgebied. Dit vormt de basis voor de beantwoording van de belangrijkste vragen van bewoners en gemeente. Om de werking van het grondwatersysteem goed te duiden, zijn door RHDHV diverse regionale studies uitgevoerd (zoals effecten analyse Heumensoord (BF8409), kalibratie MORIA en stuwwal Nijmegen (BG1132), Watersysteemherstel Nijmegen en omgeving en blauwe motor (BJ3814). Daarnaast zijn 10 februari 2025
GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST
BK2113-RHD-RP-0001
1
Open
diverse tools en instrumenten beschikbaar. Als eerste is het regionale grondwatermodel MORIA beschikbaar (zie kader). Drinkwaterbedrijf Vitens, waterschap Rivierenland en de provincie Gelderland zijn gezamenlijk eigenaar van het model. Met het grondwatermodel is de regionale werking van het grondwatersysteem nader in beeld gebracht en zijn effecten van verschillende hydrologisch relevante aspecten in beeld gebracht waaronder het stopzetten van grondwateronttrekkingen. Grondwatermodel MORIA In 2009 is het regionale grondwatermodel MORIA voor het Rivierengebied ontwikkeld in een consortium van waterschap Rivierenland, provincie Gelderland en Vitens. Sindsdien is er continu gewerkt aan het doorvoeren van verbeteringen aan het regionale basismodel en aan deelmodellen. Hierbij zijn de afgelopen jaren verschillende deelkalibraties en verbeteringen doorgevoerd wat recent heeft geleid tot MORIA 4.9. De berekende grondwaterstand GLG uit MORIA over de periode 2010-2019 is ter illustratie weergegeven in bijgevoegd figuur.
Daarnaast is tijdreeksanalyse van grondwaterstanden een waardevol instrument om de werking van het grondwatersysteem beter te begrijpen. Met tijdreeksanalyse kan de fluctuatie van de grondwaterstand worden verklaard op basis van verklarende reeksen zoals neerslag- en verdampingsgegevens en andere verklarende factoren zoals waterstanden van de rivier en gegevens van onttrekkingen. Daarnaast zijn er ook wijzigingen in patronen mee op te sporen. Tijdreeksanalyse is toegepast voor enkele geselecteerde peilbuizen. Tijdreeksanalyse Tijdreeksanalyse (afgekort TRA) is een techniek om relaties tussen verschillende systeem-variabelen te leggen. Zo kan, in een natuurlijk hydrologisch systeem, het verband tussen de belangrijkste input (neerslag, verdamping, waterstanden en grondwateronttrekkingen) en de belangrijkste output (fluctuatie grondwaterstand) meestal goed worden gelegd. Dit maakt het mogelijk om op transparante en betrouwbare wijze goed inzicht te verkrijgen in hydrologische gegevens.
1.4
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 gaat in op de wettelijke grondwatertaak en hoe de grondwaterzorg in bebouwd gebied juridisch is geregeld en wat dit voor het gemeentelijke grondwaterbeleid en de uitvoeringspraktijk betekent. Hoofdstuk 3 omvat de inventarisatie en analyse van meetgegevens en overige relevante achtergrondinformatie. Hoofdstuk 4 beschrijft de werking van het grondwatersysteem op basis van de inzichten uit het grondwatermodel, de beschikbare meetgegevens en de tijdreeksanalyse. Aansluitend zijn met het grondwatermodel de effecten van verschillende ingrepen berekend zoals het stopzetten van grondwateronttrekking en peilopzet van het Maas-Waal kanaal. Hoofdstuk 5 beschrijft de conclusies en aanbevelingen op basis van een synthese waarbij de belangrijkste oorzaken van de grondwateroverlast worden toegelicht. Tot slot geeft hoofdstuk 6 inzicht in mogelijke technische oplossingsrichtingen voor de aanpak van de grondwateroverlast.
10 februari 2025
GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST
BK2113-RHD-RP-0001
2
Open
2
Grondwaterzorg in bebouwd gebied
De gemeente heeft sinds 2008 een wettelijke grondwatertaak. Bij problemen met grondwater in bebouwd gebied is zij eerste aanspreekpunt. In dit hoofdstuk is beschreven hoe de grondwaterzorg in bebouwd gebied juridisch is geregeld en wat dit voor het gemeentelijke grondwaterbeleid en de uitvoeringspraktijk betekent. De beschrijving in dit hoofdstuk is grotendeels gebaseerd op de volgende documenten: • Kennisbank Rioned: Grondwaterzorg in bebouwd gebied, 25 mei 2022. • https://iplo.nl/thema/water/stedelijk-afvalwater/stedelijk-waterbeheer/grondwatertaak-gemeente/
2.1
Wettelijke grondwatertaak (Kennisbank Rioned, 25 mei 2022)
De gemeentelijke grondwatertaak kwam in 2008 als bijzondere zorgplicht in de Wet verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken en verhuisde eind 2009 naar de Waterwet. Met de komst van de Omgevingswet is de zorgplicht omschreven als grondwatertaak, waarbij de strekking gelijk is gebleven. De grondwatertaak staat niet op zichzelf, maar heeft een relatie met de gemeentelijke riolerings- en/of hemelwatertaak. Ook komt er betekenis toe aan de bouwregelgeving (eisen aan gebouwen) en, afhankelijk van de specifieke omstandigheden die aan de orde zijn, aan de privaatrechtelijke hinderbepalingen van het Burgerlijk Wetboek (artikel 5:38 t/m 5:40). De grondwatertaak van de gemeente zelf staat in artikel 2.16 van de Omgevingswet (voorheen artikel 3.6 Waterwet, zie onderstaand kader). Deze taak bestaat uit 7 samenhangende elementen die bepalen of de gemeente verantwoordelijk is om nadelige gevolgen van de grondwaterstand te voorkomen.
Vanaf 1 januari 2024 Omgevingswet (voorheen artikel 3.6 waterwet) Artikel 2.16 (gemeentelijke taken voor de fysieke leefomgeving) De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders dragen zorg voor het in het openbaar gemeentelijke gebied treffen van maatregelen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de op grond van deze wet aan de fysieke leefomgeving toegedeelde functies zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet op grond van artikel 2.17, 2.18 of 2.19 tot de taak van een waterschap, een provincie of het Rijk behoort. Tot 1 januari 2024 Waterwet (artikel 3.6) Gemeenten hebben op grond van de Waterwet artikel 3.6 van de Waterwet een grondwaterzorgplicht. Deze zorgplicht bevat zeven elementen die tezamen bepalen of de gemeente verantwoordelijk kan worden gehouden om nadelige grondwaterstandgevolgen te voorkomen. 1. Treffen van maatregelen; 2. In openbaar gebied; 3. Om structureel nadelige gevolgen voor de grondwaterstand; 4. Voor de aan de grond gegeven bestemming; 5. Zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken; 6. Mits dit doelmatig is en voor zover er; 7.
Geen verantwoordelijkheid bestaat voor de waterbeheerder of de provincie Indien voldaan wordt aan alle elementen van de grondwaterzorgplicht tezamen, dan is de gemeente gehouden maatregelen te treffen om de grondwateroverlast te voorkomen of te beperken.
De gemeentelijke grondwatertaak geldt dus alleen als niet een ander bestuursorgaan verantwoordelijkheid draagt voor grondwateroverlast of grondwatertekort (ook wel onderlast genoemd).
10 februari 2025
GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST
BK2113-RHD-RP-0001
3
Open
Als alle elementen van de grondwatertaak aan de orde zijn, dan moet de gemeente maatregelen treffen om grondwateroverlast of grondwateronderlast (tekort aan grondwater) te voorkomen of te beperken. Dit betekent dat gemeenten zich zoveel mogelijk moeten inspannen om dit doel te bereiken. Voor nieuwbouwsituaties heeft de grondwatertaak betekenis in het voortraject bij de zogenaamde weging van het waterbelang, voorheen de watertoets (artikel 5.37 Besluit kwaliteit leefomgeving). Dit houdt in dat bij het vaststellen van een omgevingsplan ook de gevolgen voor het beheer van watersystemen worden meegenomen. Hier hoort ook de grondwatertaak bij. De basis voor de regels in het omgevingsplan staat in de omgevingsvisie. In de omgevingsvisie geeft de gemeente aan hoe zij invulling geeft aan de grondwatertaak. Daar staat dan bijvoorbeeld in wat de gemeente verstaat onder structurele gevolgen. In een waterprogramma of rioleringsprogramma kan de gemeente vervolgens precies vastleggen bij welke grondwaterstand sprake is van structurele nadelige gevolgen. In het omgevingsplan staan ten slotte de juridisch bindende regels. In de praktijk is de invulling van de grondwatertaak in de gemeentelijke omgevingsvisie beperkt omschreven en kiezen gemeenten ervoor om de werkwijze voort te zetten in een water en rioleringsprogramma dat zowel visie-, plan als programma-elementen in zich heeft.
Gemeente voert regie Wanneer in bebouwd gebied grondwater gerelateerde problemen optreden, maakt de gemeente een analyse (mits doelmatig) van oorzaken, gevolgen en mogelijke maatregelen. Op grond van haar wettelijke zorgtaak voert zij dus de regie. Maar dit betekent niet dat de gemeente overal voor verantwoordelijk is en alle problemen voor iedereen moet oplossen. Ook particulieren, de waterbeheerder (waterschap of Rijk), de provincie en grondwateronttrekkende bedrijven hebben verantwoordelijkheden.
2.2
Partijen en verantwoordelijkheden (Kennisbank Rioned, 25 mei 2022)
De grondwaterzorg in bebouwd gebied is niet alleen een taak van de gemeente. Ook de waterbeheerder (meestal het waterschap), de provincie, grondwateronttrekkende bedrijven én particuliere eigenaren hebben verantwoordelijkheden om problemen te voorkomen. Onderstaand is beschreven hoe de verantwoordelijkheden zijn verdeeld en wat dat juridisch betekent (Rioned, 25 mei 2022).
2.2.1
Particuliere eigenaar
Een belangrijk uitgangspunt van het schadevergoedingsrecht is dat ieder in beginsel zijn of haar eigen schade draagt. Schade aan een eigendom komt dan ook voor eigen rekening. Daarbij maakt het niet uit of het gaat om de reparatie van een lek dak, het waterdicht maken van een kruipruimte of kelder, of het herstel van bijvoorbeeld een fundering. Eigenaren moeten zelf zorgen voor een goede staat van percelen en gebouwen die zij in eigendom hebben. Op zichzelf hoeft een stijging van de grondwaterstand namelijk niet tot problemen of schade te leiden. Een waterdichte kelder zal immers niet vollopen met grondwater. Wie een natte kelder heeft en daarvan af wil, moet zelf bouwkundige en/of waterhuishoudkundige maatregelen treffen om het grondwater buiten te houden. Natte kelder of kruipruimte Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl, de opvolger van Bouwbesluit 2012) stelt geen eisen aan de vochtdichtheid van kelders en kruipruimten. Water in de kelder of kruipruimte hoeft dus niet te betekenen dat van een bouwkundig gebrek sprake is. Dit is anders wanneer bijvoorbeeld een kelder als een "verblijfsgebied" wordt gebruikt. Volgens het Bbl is dit een "gebruiksgebied of een gedeelte daarvan voor het verblijven van personen." Ofwel een ruimte waar mensen regelmatig verblijven, zoals een keuken, een
10 februari 2025
GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST
BK2113-RHD-RP-0001
4
Open
slaapkamer of een beneden het maaiveld gelegen badkamer, souterrain of winkelruimte 1. Een verblijfsruimte is in het Bbl omschreven als "in een verblijfsgebied gelegen ruimte voor het verblijven van personen." Voor zo'n "verblijfsgebied" geldt de waterdichtheidseis wel. Voor bestaande bouwwerken blijkt dit uit art. 3.64 Bbl en voor nieuwe bouwwerken uit art. 4.118 Bbl. Een particuliere eigenaar moet er dus voor zorgen dat zijn woning voldoet aan de eisen van de bouwregelgeving én aan zijn eigen aanvullende wensen voor het pand. Dus wie bijvoorbeeld zijn kelder waterdicht wil hebben, moet zelf bouwkundige en/of waterhuishoudkundige maatregelen nemen.
2.2.2
Gemeente
Een overzicht van de verantwoordelijkheden die horen bij de wettelijke grondwatertaak van de gemeente. Deze zijn vervolgens onderstaand samengevat.: 1. Bewoners informeren; 2. Afbakening zorgplicht en structurele problemen; 3. Inspanningsplicht; 4. Maatregelen openbaar gebied; 5. Doelmatigheidseis; 6. Water- en rioleringsprogramma als hulpmiddel en referentiekader. Ad 1: Bewoners informeren: De gemeente heeft een verantwoordelijkheid bewoners en bedrijven vooraf te informeren over werkzaamheden ('behoorlijk bestuur'). Om grondwaterproblemen te voorkomen, is het daarnaast goed als de gemeente bewoners voorlicht over hun eigen verantwoordelijkheden en tips geeft over mogelijke maatregelen. a. Voorlichten: De gemeentelijke grondwatertaak verplicht niet tot bouwkundige maatregelen op particulier terrein of aan de woning van huiseigenaren. Het herstellen van de fundering of het waterdicht maken van een kelder is juridisch een zaak van de gebouweigenaar. Toch krijgen gemeenten hier regelmatig vragen over, omdat bewoners vaak niet op de hoogte zijn van de (bouw)regels. Dan is het, al is het strikt genomen juridisch niet verplicht voorgeschreven, wel netjes en zorgvuldig om bewoners hierover te informeren en tips te geven. b.
Werkzaamheden: Bij werkzaamheden in de openbare ruimte door de gemeente moet de gemeente op voorhand goed kijken naar de mogelijke effecten op de grondwaterstand. Waar een stijging te verwachten is, moet de gemeente de omgeving hierover informeren. Dit volgt uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen en de grondwatertaak in het bijzonder. Het is van belang goed grondwateronderzoek uit te voeren waarmee op voorhand de mogelijke veranderingen van de grondwaterstanden in beeld kunnen worden gebracht. Afhankelijk van de specifieke werkzaamheden in de openbare ruimte kan het zijn dat de gemeente mitigerende maatregelen moet treffen. Zo is er verschil tussen het vervangen van een lekke en daardoor drainerende riolering en bijvoorbeeld het aanleggen van een ondergrondse parkeergarage. In het eerste geval zal een nieuwe riolering de grondwaterstand weer terugbrengen in zijn oorspronkelijke toestand. In de tweede situatie kan de grondwaterstand stijgen (ver) boven de natuurlijke toestand en dan zal de gemeente bijvoorbeeld voor drainage moeten zorgen om grondwateroverlast te voorkomen.
1
Wanneer er bijvoorbeeld (belangrijke) apparatuur in een kelder staat, is dit niet voldoende om als verblijfsgebied te worden aangemerkt.
10 februari 2025
GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST
BK2113-RHD-RP-0001
5
Open
Ad 2: Afbakening zorgplicht en structurele problemen De gemeentelijke grondwatertaak is van toepassing als de gebruiksfunctie van de grond (zoals de woonfunctie) structureel is beperkt. Hiervan is sprake als het normale gebruik structureel wordt belemmerd. Net als voorheen de Waterwet omschrijft de Omgevingswet niet wat 'normaal' of 'structureel' inhoudt. Wat valt er binnen de grondwatertaak en wat niet? Wat in elk geval buiten de grondwatertaak valt Volgens de toelichting bij de Wet gemeentelijke watertaken is de gemeentelijke grondwatertaak niet van toepassing op diep gelegen parkeergarages, tunnels en andere (grotendeels) ondergrondse bouwwerken die lijden onder de gevolgen van grondwater. Overlast bij ondergrondse bouwwerken als gevolg van de aanleg van bouwwerken in het grondwater (c.q. in de verzadigde zone) vraagt vooral om bouwkundige oplossingen. Een geschikte ontwateringsdiepte realiseren is feitelijk geen optie, omdat dan een te realiseren ontwateringsdiepte van enkele meters nodig zou zijn 2. Van belang hierbij is dat van gemeenten niet wordt verwacht dat zij een bepaalde grondwaterstand vastleggen of garanderen 3. Juridisch gezien hoeft de gemeente dan ook voor diepe bouwconstructies geen grondwaterstand regulerende maatregelen te treffen.
Kelders worden in de toelichting (bij de Wet gemeentelijke watertaken) niet expliciet genoemd, maar het ligt voor de hand dat kelders en souterrains hier ook onder vallen; de grondwatertaak verandert immers niets aan de bouwregelgeving. Eigenaren zijn zelf verantwoordelijk voor de goede staat van hun woning, inclusief kelders. Wie geen water in zijn kelder wil, moet dus zelf maatregelen treffen. De termen structureel en incidenteel In het Water- en rioleringsprogramma (Wrp, voorheen gemeentelijk rioleringsplan) kan de gemeente aangeven wat onder structureel valt en wat de ontwateringsdiepte moet zijn (zie Water- en rioleringsprogramma als hulpmiddel en referentiekader). Toch is er, ook bij de formulering in de Omgevingswet, bewust voor gekozen dat de nadelige gevolgen van de grondwaterstand structureel moeten zijn. Klimatologische omstandigheden (zoals af en toe extreme neerslag) kunnen leiden tot een tijdelijk hogere grondwaterstand. Hierdoor vermindert de gebruiksfunctie weliswaar even, maar dat betekent niet per definitie dat deze ook op de langere termijn wordt aangetast. Hiermee ligt een zeker (normaal maatschappelijk) risico bij de perceeleigenaar. Incidenteel moet hij dus een zekere mate van wateroverlast accepteren en/of daartegen zelf maatregelen treffen 4.
Uit een uitspraak van de rechter blijkt ook dat wateroverlast als gevolg van hevige regen niet is aan te merken als een structureel nadelig gevolg zoals bedoeld in de wettelijke taakomschrijving 5. Ad 3: Inspanningsplicht De grondwatertaak is voor de gemeente een inspanningsplicht en dus geen resultaatsverplichting. Dit blijkt uit de formulering in de Omgevingswet en in 2019 heeft de rechter dit bevestigd. Dat de gemeentelijke grondwatertaak een inspanningsplicht is, blijkt uit de formulering "zoveel mogelijk" in art. 2.16 lid 1 Omgevingswet. Een resultaatsverplichting zou tot enorme kosten kunnen leiden en geen ruimte laten om de doelmatigheid van eventuele maatregelen af te wegen. Dan zou de plicht onuitvoerbaar zijn en daar heeft niemand uiteindelijk iets aan 6. Bovendien is het sterk de vraag of de grondwaterstand wel te beheersen is. De grondwaterstand kan op regionaal, lokaal en zelfs op wijk- of perceelniveau zeer verschillen. Daarnaast spelen extreme weersomstandigheden nogal eens een rol bij 2
Vgl. Kamerstukken II, 2005–2006, 30 578, nr. 3, p. 17 (Memorie van Toelichting bij de Wet gemeentelijke watertaken). Nb: daar waar 'van nature' al een grote ontwateringsdiepte aanwezig is, zal de aanleg van bijvoorbeeld een ondergrondse parkeergarage niet snel tot grondwateroverlastproblemen leiden. 3 Kamerstukken II, 2005–2006, 30 578, nr. 3, p. 18. 4 Kamerstukken II, 2005–2006, 30 578, nr. 3, p. 17. 5 Rechtbank Rotterdam, 23 november 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:9742 6 Kamerstukken II, 2006/07, 30578, nr. 6, p. 4. 10 februari 2025
GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST
BK2113-RHD-RP-0001
6
Open
een (gezien de aan de grond gegeven bestemming/functie) hoge of juist lage grondwaterstand. Tegen extreme omstandigheden hoeft een gemeente zich niet te wapenen. Daar zijn verzekeringen voor. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft in 2019 de inspanningsplicht benadrukt 7. Ad 4: Maatregelen openbaar gebied: Uit de grondwatertaak kan volgen dat de gemeente maatregelen moet nemen in de openbare ruimte, zoals de aanleg van infiltratie- en drainagevoorzieningen. De gemeentelijke grondwatertaak is alleen van toepassing op het treffen van (waterhuishoudkundige) maatregelen in de openbare ruimte (art. 2.16 lid 1 Omgevingswet). De gemeente is niet verplicht om maatregelen te nemen op particuliere percelen, dat is de eigen verantwoordelijkheid van particulieren. Ad 5: Doelmatigheidseis: De gemeente moet per situatie beoordelen of (en zo ja welke) grondwatermaatregelen in de openbare ruimte doelmatig zijn. Bij deze afweging spelen de aard, omvang, schaal en duur van te verwachten of ontstane problemen een rol (zoals schadeposten van particulieren voor herstel van muren vloeren en schade als gevolg van waardevermindering), maar ook de kosten van de mogelijke maatregelen. Bij het beoordelen of grondwatermaatregelen doelmatig zijn, heeft de gemeente de nodige beleidsvrijheid.
Wel moet zij haar beleid motiveren: waarom doet de gemeente iets wel of juist niet? Dit volgt uit het 'motiveringsbeginsel' als een van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals verankerd in de Algemene wet bestuursrecht. Wat is doelmatig? De gemeente hoeft niet overal waar grondwaterproblemen zijn ontwateringsmiddelen en/of infiltratievoorzieningen aan te leggen. Wanneer in een wijk bijvoorbeeld sprake is van grondwateroverlast, wil dit immers nog niet meteen zeggen dat de aanleg van drainage doelmatig is. Als een drainagestelsel in de openbare ruimte geen of nauwelijks effect heeft op de grondwaterstand op particulier terrein – denk aan woningen die op kleigrond zijn gebouwd – dan zou het zonde van het geld zijn om zo’n stelsel aan te leggen. Ook is het niet doelmatig om een potentiële schade van bijvoorbeeld € 5.000,- te bestrijden met maatregelen die een veelvoud van dit bedrag kosten. Bij het besluit om wel of geen voorzieningen in de openbare ruimte aan te brengen, kan de gemeente ook nagaan welke particulieren zelf maatregelen hebben getroffen om overlast te bestrijden. Gemeente moet zorgvuldig te werk gaan Bij de doelmatigheidsafweging moet de gemeente zorgvuldig te werk gaan.
Op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel uit de Algemene wet bestuursrecht moet zij zich door (soms onafhankelijk) onderzoek een goed beeld vormen van de bij het besluit of de feitelijke maatregel betrokken belangen. Daarbij komt het aan op een goede motivering van de beslissing om wel of juist geen maatregelen te treffen. Als de gemeente geen mitigerende (verzachtende) en/of compensatiemaatregelen neemt, kunnen belanghebbenden betogen dat zij in strijd handelt met haar bij wet bepaalde watertaak. De gemeente moet klachten serieus nemen, maar dat houdt niet automatisch in dat zij elk individueel probleem moet oplossen. Onderzoek Onderzoek kan op veel manieren plaatsvinden. Hierbij is onder meer van belang dat er een redelijke balans is tussen de (kosten voor de) onderzoeksinspanning en de omvang van de (mogelijke) schade. Om de oorzaken van grondwaterproblemen te achterhalen en om te kunnen bepalen wat doelmatige maatregelen zijn, is grondwateronderzoek cruciaal. 7
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 augustus 2019, ECLI: NL: GHSHE: 2019:3180
10 februari 2025
GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST
BK2113-RHD-RP-0001
7
Open
Ad 6: Water- en rioleringsprogramma als hulpmiddel en referentiekader Een gemeentelijk Water- en rioleringsprogramma is onder de Omgevingswet niet langer verplicht (art. 3.14), maar heeft wel grote waarde. Hierin geeft de gemeente concreet aan hoe zij haar watertaken (en dus ook haar grondwatertaak) invult, wat veel discussies met bewoners en bedrijven kan voorkomen. Onderstaand zijn enkele voorbeelden opgenomen. Wat moet minimaal in een Water- en rioleringsprogramma (Wrp) staan? In een wrp maakt de gemeente concreet hoe zij haar taken voor stedelijk afvalwater, hemel- en grondwater invult, welke afwegingen ze daarbij maakt en wat de bijbehorende kosten zijn. Omdat dit programma onder de Omgevingswet niet langer verplicht is, gelden ook geen wettelijke eisen meer. Maar het spreekt voor zich dat de gemeente veel van de oude praktijk (toen de Wet milieubeheer nog gold) kan hergebruiken. De Handreiking Stedelijk waterbeheer onder de Omgevingswet (met name hoofdstuk 5) geeft concrete handvatten. Ontwateringsdiepte vastleggen in Wrp? Wat de grondwatertaak betreft, denken gemeenten heel verschillend over het al dan niet vaststellen van ontwateringsdiepten (als richtlijn, niet als norm).
Een vaste ontwateringsdiepte geeft richting maar kan door gecreëerde verwachtingen (en eventueel onbedoelde toezeggingen) ook een keurslijf worden, zeker omdat de grondwaterstand in stedelijk gebied niet zo eenvoudig te reguleren is. •
•
•
Voorbeeld Den Haag: Sommige gemeenten (zoals Den Haag) houden als richtlijn bij woningen een ontwateringsdiepte van 0,7 meter beneden maaiveld aan. Concreet betekent dit dat zolang die grens niet in beeld komt, er geen sprake is van structurele grondwateroverlast. Met die richtlijn voorkomt de gemeente zoveel mogelijk dat percelen te nat worden en dat grondwater in kruipruimten kan komen. Dat bewoners met diepe kelders van 'structurele grondwateroverlast' spreken is op zichzelf begrijpelijk, zij ervaren het ook als grondwateroverlast. Maar dat betekent niet dat de gemeente in strijd handelt met haar grondwatertaak door hier geen maatregelen te nemen. Zolang de grondwaterstand zich structureel onder de 0,7 meter beneden maaiveld beweegt, is van grondwateroverlast zoals bedoeld in de Omgevingswet geen sprake. NB: deze richtlijn van 0,7 m beneden maaiveld mag natuurlijk wel af en toe worden overschreden. Dan is er nog steeds geen sprake van een structureel te hoge grondwaterstand. Voorbeeld Hengelo: In haar Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2022 (zie pagina 23 hiervan) heeft de gemeente Hengelo een beslisboom opgenomen aan de hand waarvan zij bepaalt of de gemeente actie onderneemt bij gemelde grondwateroverlast. De beslisboom maakt heel concreet wanneer sprake is van structureel te hoge grondwaterstanden, wanneer van structurele overlast én wanneer maatregelen doelmatig zijn.
Alleen als aan alle drie criteria wordt voldaan, treft de gemeente maatregelen in het aangrenzende openbaar gebied. Voorbeeld Rotterdam: Rotterdam heeft in haar Gemeentelijk Rioleringsplan Rotterdam 2021-2025 als functionele eis opgenomen dat de gemeente problemen als gevolg van structurele grondwateronderlast en -overlast zoveel mogelijk voorkomt door doelmatige maatregelen in de openbare ruimte te nemen. Daarbij heeft zij de volgende principes geformuleerd: o In de openbare buitenruimte is bij nieuwbouw en herstructureringsgebieden de gewenste drooglegging minimaal 1,20 meter. o In gebieden met gefundeerde panden is de minimaal gewenste ontwateringsdiepte in openbaar gebied 0,80 meter ten opzichte van het uitgiftepeil. o In gebieden waar de panden niet gefundeerd zijn, is de minimaal gewenste ontwateringsdiepte meestal niet haalbaar. Voor deze gebieden en in funderingsrisicogebieden hanteert de gemeente geen algemene maatstaf, maar past zij maatwerk toe.
10 februari 2025
GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST
BK2113-RHD-RP-0001
8
Open
o
2.2.3
Voor openbaar groen (plantsoenen en parken) geldt een minimaal gewenste ontwateringsdiepte van 0,50 meter ten opzichte van het maaiveld.
Waterbeheerder
Oppervlaktewaterpeilbeheer en grondwateronttrekkingen kunnen de grondwaterstand in bebouwd gebied beïnvloeden. Hiervoor is de waterbeheerder verantwoordelijk. In zijn waterbeheerprogramma legt hij beleid en maatregelen vast om grondwaterproblemen zoveel mogelijk te voorkomen, in onttrekkingsvergunningen kan hij maatregelen voorschrijven om schade te beperken. Uit artikel 2.16 Omgevingswet volgt dat de gemeente geen grondwatergerichte maatregelen hoeft te nemen als de nadelige gevolgen van de grondwaterstand worden veroorzaakt door activiteiten waarvoor het Rijk (Rijkswaterstaat [RWS]), een waterschap of een provincie verantwoordelijk is. Peilbeheer en vergunningverlening In relatie tot grondwatervraagstukken zijn met name het oppervlaktewaterpeilbeheer (dat de grondwaterstand kan beïnvloeden) en de vergunningverlening voor grondwateronttrekkingen van belang. Voor de meeste grondwateronttrekkingen is het waterschap bevoegd gezag om regels te stellen. In de waterschapsverordeningen staat of een onttrekking vergunning- of meldingsplichtig is, bijvoorbeeld bij bronneringen en bouwputbemalingen. Hiermee moet de gemeente rekening houden als bijvoorbeeld grondwateronttrekkingen nodig zijn bij de aanleg van nieuwe riolering.
Vergunningplichtige onttrekkingen Als de onttrekking vergunningplichtig is, moet de aanvrager zelf aangeven of er (mogelijk) schade kan of zal ontstaan als gevolg van de grondwateronttrekking. Het is vervolgens aan het bevoegd gezag (waterschap of provincie) of de te verwachten schade, al dan niet in samenhang met de geleverde mitigerende maatregelen, toelaatbaar is. Voor grondwateronttrekkingen voor industriële toepassingen (> 150.000 m3 per jaar) en voor onttrekkingen door drinkwaterbedrijven is de provincie bevoegd gezag.
2.2.4
Provincie
De provincie is bevoegd gezag voor grondwateronttrekkingen voor industriële toepassingen (> 150.000 m3 per jaar) en voor onttrekkingen voor de openbare drinkwatervoorziening. De overige grondwateronttrekkingen (ongeacht de grootte daarvan) vallen vrijwel altijd onder de verantwoordelijkheid van het waterschap. Voor alle open bodemenergiesystemen is de provincie bevoegd gezag. Dit was voorheen het geval onder de Waterwet en thans ook onder de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet is de regeling voor bodemenergiesystemen wel veranderd. De Omgevingswet heeft namelijk opgelegd dat de taak belegd moet worden bij de Omgevingsdiensten. De provincie stelt elke zes jaar een regionaal waterprogramma op. Hierin beschrijft zij onder meer het strategisch grondwaterbeheer waarvoor zij verantwoordelijk is. Strategisch is de beheertaak gericht op planvorming (beleid) en kaderstelling. Binnen het door de provincies geformuleerde strategische beheer voeren de waterschappen hun grondwatertaken uit. Ook voor gemeenten heeft dit betekenis, met name waar het de zorg voor de grondwaterkwaliteit betreft. Grondwater is immers onderdeel van de bodem waarover gemeenten het beheer voeren.
10 februari 2025
GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST
BK2113-RHD-RP-0001
9
Open
Grote grondwateronttrekkingen In de vergunningaanvraag voor grote onttrekkingen 8 moet staan hoe het betreffende bedrijf schade voor de omgeving gaat voorkomen. Via vergunningvoorschriften kan (moet) het bevoegd gezag (provincie / watercshap) mitigerende maatregelen voorschrijven om voorzienbare schade door een onttrekking zoveel mogelijk te voorkomen (die schade kan ook gebouwen betreffen). Dat blijkt uit de Waterwet (art. 2.1, doelstellingen die mede zien op de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen) en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals verankerd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor een zorgvuldige belangenafweging (art. 3:4 Awb) moet de provincie onder meer in de besluitvormingsprocedure het schadeaspect meenemen. Hier is dan ook een duidelijke relatie tussen art. 3:4 Awb en de schadevergoedingsregeling van hoofdstuk 15 van de Omgevingswet. Aanleg en gebruik bodemenergiesystemen Onder de Omgevingswet is de regeling voor bodemenergiesystemen veranderd. Dit aspect heeft voor het onderzoeksgebied geen relevantie en is in dit hoofdstuk niet verder beschreven.
2.2.5
Grondwateronttrekkend bedrijf
Grondwateronttrekkingen door bedrijven (waaronder ook drinkwaterbedrijven) kunnen de grondwaterstand verlagen. Bij vastgestelde schade door een vergunning plichtige onttrekking moet het grondwater onttrekkende bedrijf deze vergoeden. Maar een bedrijf is niet eenvoudig aansprakelijk te houden voor schade die ontstaat doordat het een onttrekking stopt of vermindert. Schadevergoedingsregeling bij grondwateronttrekkingen Omwonenden moeten een vergunde of gemelde onttrekking gedogen, maar daarbij hebben zij wel recht op schadevergoeding (art. 10.3, lid 3 Ow). De schadevergoedingsregeling geldt onder de Omgevingswet voor zowel meldings- als vergunningplichtige grondwateronttrekkingen. Wie meent schade te lijden door een of meerdere gemelde en/of vergunde onttrekkingen, kan de provincie verzoeken een schadeonderzoek in te stellen (art. 15.16 Ow). De vergunninghouder of degene die de onttrekking heeft gemeld bij het bevoegd gezag, moet de vastgestelde schade vergoeden. Deze regeling bestond onder de Waterwet alleen voor schade door vergunde grondwateronttrekkingen. Geen aansprakelijkheid bij stopzetten of verminderen onttrekking Als een bedrijf zijn onttrekking stopt of vermindert, is hij op grond van de Omgevingswet (net als onder de Waterwet) niet aansprakelijk voor de eventuele schade die hierdoor ontstaat.
Denk aan de situatie in Delft waar Gist Brocades jaren geleden is gestopt met grondwateronttrekkingen en waar de rechtbank Den Haag oordeelde dat een vergunning geen verplichting schept om te blijven onttrekken. De betreffende onttrekkingsvergunning bevatte geen voorschriften om bij beëindiging van de onttrekking overlast en schade voor de omgeving zoveel mogelijk te voorkomen ('nazorgvoorschriften'). Die optie is er in de vergunningverlening overigens nadrukkelijk wel, maar wordt in de praktijk opvallend genoeg nauwelijks gebruikt. Kansen voor schadeverhaal Voor het stopzetten of verminderen van een grondwateronttrekking kent de Omgevingswet dus geen schadevergoedingsregeling. De schadelijdende partij kan dan alleen nog proberen het (vertrekkende) bedrijf aansprakelijk te houden vanwege strijd met een onrechtmatige daad (OD) op grond van het Burgerlijk Wetboek. De kansen voor schadeverhaal zijn overigens erg beperkt omdat een vergunning een
8
Voor grote onttrekkingen kan zowel provincie als waterschap bevoegd gezag zijn. Als het een grondwateronttrekking voor industriële toepassingen (> 150.000 m3 per jaar) of onttrekking voor de openbare drinkwatervoorziening is, is de provincie bevoegd gezag. De overige grondwateronttrekkingen (ongeacht de grootte daarvan) vallen vrijwel altijd onder de verantwoordelijkheid van het waterschap.
10 februari 2025
GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST
BK2113-RHD-RP-0001
10
Open
recht geeft om te onttrekken en geen verplichting. Stoppen is dus niet in strijd met een wettelijke plicht, wat een voorwaarde is voor een succesvol beroep op een OD.
2.3
Relatie met bestaand beleid gemeente Nijmegen
Het huidig beleid van de gemeente Nijmegen voor de uitvoering van de drie wettelijke gemeentelijke watertaken (afvalwater, hemelwater en grondwater) is beschreven in het Gemeentelijke Rioleringsplan (GRP). Voor de gemeente Nijmegen geldt nog het Gemeentelijk Rioleringsplan Nijmegen 2017-2023. Het hebben van een Gemeentelijke Rioleringsplan (GRP) is voor gemeenten een wettelijke verplichting (Wet milieubeheer, artikel 4.22) maar door de komst van de Omgevingswet (1 januari 2024) is deze planverplichting vervallen. Gemeenten kunnen er zelf voor kiezen om een rioleringsprogramma of een Water- en rioleringsprogramma (WRP) vast te stellen. Momenteel wordt gewerkt aan het WRP Nijmegen. De grondwatertaak is in het GRP beschreven zoals het ook in de wet staat beschreven: De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders dragen zorg voor het in het openbaar gemeentelijke gebied treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet tot de zorg van de beheerder of de provincie behoort. Verder is in het GRP het volgende beschreven: De gemeentelijke grondwatertaak is volgend op de primaire verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar om overtollig grondwater op eigen terrein te verwerken.
Alleen in situaties waar dat redelijkerwijs niet kan én de grondwaterstand de bestemming van de grond structureel belemmert én uitsluitend maatregelen in openbaar gebied de belemmering kunnen verhelpen is sprake van een gemeentelijke grondwatertaak. Het verstrekken van informatie en voorlichting, het monitoren van grondwaterstanden en het beheren van aanwezige openbare voorzieningen valt ook onder de gemeentelijke grondwatertaak. Omdat er weinig tot geen sprake is van structurele grondwateroverlast ligt de nadruk op informatieverstrekking, voorlichting en monitoring. Aanpassing van de waterkering van de Waal kan het (toekomstige) optreden van structurele grondwateroverlast in de nieuwe woongebieden nabij de Waal beïnvloeden. Daarom is grondwateroverlast een aandachtspunt bij keuzes rondom hoogwaterbescherming. In het huidige GRP zijn geen normen voor ontwatering en drooglegging vastgelegd. Bij de uitwerking van waterhuishoudkundige plannen voor nieuwe woongebieden is waarborging van voldoende ontwatering en drooglegging een belangrijk uitgangspunt waar veel aandacht aan wordt gegeven in de fase van het bouwrijp maken van terreinen. Op basis van analyses van optredende grondwaterstanden wordt getoetst of aan gangbare uitgangspunten wordt voldaan en worden waar nodig maatregelen zoals drainage of terreinophogingen voorgesteld.
In het kader hieronder zijn de uitgangspunten gegeven zoals die in de praktijk zijn toegepast bij de uitwerking van het Waterhuishoudkundig plan Hof van Holland (gemeente Nijmegen, 2023). Dit waterhuishoudkundig plan heeft overigens betrekking op nieuwbouw. Voor bestaande bouw zijn voor zover bekend in Nijmegen niet eerder uitgangspunten voor ontwatering gedefinieerd. Uitgangspunten ontwatering en drooglegging (Waterhuishoudkundig plan Hof van Holland, 2023) De ontwatering betreft het verschil tussen maaiveld en het grondwaterpeil. De drooglegging betreft het verschil tussen maaiveld en het oppervlaktewaterpeil. Met betrekking tot het bouwrijp maken van het terrein zal voldaan moeten worden aan een aantal technische uitgangspunten. Dit zijn: • een minimale drooglegging van 1,0 m;
10 februari 2025
GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST
BK2113-RHD-RP-0001
11
Open
•
• •
een minimale ontwateringsdiepte van: o 0,7 m beneden maaiveld ter plaatse van wegen/verharding; o 0,8 m beneden maaiveld ter plaatse van bebouwing (1,0 m beneden bouwpeil); o 0,5 m beneden maaiveld ter plaatse van woningen zonder kruipruimten, tuinen en groenvoorzieningen; hierbij wordt verondersteld dat deze niveaus gemiddeld éénmaal per jaar worden overschreden; om de afvoer van drains naar het oppervlaktewater onder vrij verval te laten plaatsvinden, verdient het de voorkeur dat het oppervlaktewaterpeil beneden de uitmonding van de drain ligt. Om dit te kunnen realiseren, is er een zekere drooglegging noodzakelijk. Voor een goede ontwatering wordt een drooglegging van minimaal 1,0 m gehanteerd.
De wet Gemeentelijke Watertaken is vanaf 1 januari 2008 in werking getreden. De wet heeft de taak van gemeenten voor wat betreft afvloeiend hemelwater en grondwater gedefinieerd en verhelderd. Daarmee is ook de rolverdeling van gemeente, waterschap, provincie en de burger (perceeleigenaar) verduidelijkt. Voordat deze wet in werking trad was de omgang met wateroverlast bij kelders niet duidelijk gedefinieerd en werd er op verschillende manieren mee om gegaan. Een voorbeeld is de wijze waarop het risico op grondwateroverlast is geanalyseerd met de studie Peilopzet Maas-Waal kanaal (Achtergronddocument peilopzet Grave, Rijkswaterstaat, 2006). Om te bepalen of er risico zou ontstaan op grondwateroverlast werd in deze studie onderscheid gemaakt tussen oudere bebouwing en nieuwe bebouwing. Voor oudere bebouwing is aangenomen dat ze geheel onderkelderd zijn en dat de kelders zich op circa 2 m onder maaiveld bevinden. Om te bepalen of er risico op grondwateroverlast zou ontstaan is rekening gehouden met ontwateringsdiepten van 2,0 m (zie hiervoor het kader in paragraaf 3.7.2).
2.4
Relatie grondwatertaak met andere gemeentelijke taken
De gemeentelijke grondwatertaak staat niet op zichzelf, maar heeft een relatie met de gemeentelijke taken voor stedelijk afvalwater, hemelwater en ruimtelijke ordening. Onderstaand is beschreven hoe beleidsterreinen onder de Omgevingswet met elkaar zijn verbonden en wat dit in de praktijk betekent. De gemeentelijke grondwatertaak heeft een relatie met: •
•
•
Zorgtaak stedelijk afvalwater: De gemeente moet een openbaar vuilwaterriool zo (laten) ontwerpen, bouwen en onderhouden dat lekkage zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het gaat hier om een inspanningsverplichting. Zorgtaak hemelwater: De gemeente bepaalt zelf hoe zij haar wettelijke hemelwatertaak invult (inspanningsverplichting). Maar daarbij moet zij wel nadenken over de mogelijke gevolgen voor de grondwaterstand, bijvoorbeeld als zij wil dat bewoners hemelwater in eigen tuin opvangen en verwerken. Ruimtelijke ordening: De gemeente moet bij de inrichting van de openbare ruimte rekening houden met de gevolgen voor grondwater (kwaliteit en peil). Hoe eerder in het proces zij het grondwaterbelang onderkent, hoe groter de kans dat zij potentiële problemen in latere fasen kan voorkomen en tegelijkertijd kansen kan benutten. Goede samenwerking met de waterbeheerder is hierbij cruciaal (watertoets).
2.5
Samenvattend overzicht uitwerking grondwatertaak in WRP
Bij de uitwerking van de grondwatertaak door de gemeente is het van belang dat de gemeente naar bewoners en bedrijven duidelijkheid geeft over de wettelijke grondwatertaak en de verantwoordelijkheden van betrokken partijen. Het Water- en rioleringsprogramma (Wrp) kan daarbij een belangrijk hulpmiddel en referentiekader zijn.
10 februari 2025
GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST
BK2113-RHD-RP-0001
12
Open
De uitwerking van de grondwatertaak betekent dat de gemeente maatregelen treft tegen structureel nadelige gevolgen van grondwaterstanden als hiervoor doelmatige maatregelen op openbaar gemeentelijk gebied mogelijk zijn. Dit betekent dat er alleen maatregelen worden genomen als: • er “structureel nadelige” gevolgen zijn als gevolg van hoge grondwaterstanden voor de gegeven bestemming (wonen); • en hiertegen “doelmatige“ maatregelen in openbaar gebied mogelijk zijn. Onderstaand zijn de termen ‘structureel nadelige gevolgen door hoge grondwaterstanden’ en ‘doelmatige maatregelen’ nader toegelicht. Structureel nadelige gevolgen door hoge grondwaterstanden Gebruikelijke richtinggevende ontwateringsdiepten (de minimale afstand van het maaiveld tot de grondwaterstand) die vaak in Nederland toegepast worden zijn in Tabel 2-1 weergegeven. Tabel 2-1: Gebruikelijke minimale ontwateringsdiepten in bebouwd gebied (Rioned, 2022)
De ontwateringsdiepte van 0,7 m minus maaiveld voor bebouwing borgt de gebruiksfunctie voor wonen, werken en infrastructuur. Voor het bepalen van de ontwateringsdiepte in relatie tot hoge grondwaterstanden is het gebruikelijk om de GHG Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand) te bepalen en de GHG te vergelijken met maaiveldniveau. Aansluitend is er mogelijkheid om structureel nader te definiëren of indicatief te beschrijven. De gemeente Hengelo heeft bijvoorbeeld beschreven dat pas sprake is van een structureel hoge grondwaterstand als: • De grondwaterstand meer dan 35 dagen per jaar hoger is dan 70 cm beneden maaiveld • De grondwaterstand langer dan drie jaar te hoog is. Het monitoren van het grondwaterpeil is belangrijk voor gemeenten om te bepalen of er sprake is van structurele hoge grondwaterstanden. Het zorgvuldig monitoren van de grondwaterstand (feitelijk de ontwateringsdiepte) om ruimtelijke representatieve locaties geeft een sterke basis om goed invulling te bieden aan de gemeentelijke grondwatertaak. Doelmatige maatregelen De gemeente moet per situatie beoordelen of (en zo ja welke) grondwatermaatregelen in de openbare ruimte doelmatig zijn. Bij deze afweging spelen de aard, omvang, schaal en duur van te verwachten of ontstane problemen een rol, maar ook de kosten van de mogelijke maatregelen.
De gemeente kan in het Wrp een toelichting opnemen en beschrijven wanneer grondwatermaatregelen doelmatig zijn. De gemeente Hengelo heeft bijvoorbeeld beschreven dat maatregelen doelmatig zijn als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er komen meerde meldingen uit de buurt. • Er is een mogelijkheid maatregelen te combineren met geplande werken in de openbare ruimte. 10 februari 2025
GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST
BK2113-RHD-RP-0001
13
Open
•
De maatregelen in de openbare ruimte hebben een (indirect) effect op overlast.
Informeren Aansluitend is het van belang dat de gemeente bewoners en bedrijven goed informeert en duidelijkheid geeft over de wettelijke grondwatertaak en de verantwoordelijkheden van betrokken partijen. Het is hierbij ook van belang dat de gemeente voorlichting geeft over hun eigen verantwoordelijkheden en tips geeft over mogelijke maatregelen.
10 februari 2025
GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST
BK2113-RHD-RP-0001
14
Open
3
Inventarisatie en analyse van gegevens
3.1
Bezoek aan bewoners
In het kader van voorliggend onderzoek heeft RHDHV bezoeken aan bewoners gebracht. Hierbij zijn zes huizen bezocht in het projectgebied. De locaties van de huizen zijn opgenomen in onderstaand Figuur 3-1.
Figuur 3-1: Locaties van huizen die bezocht zijn. In het figuur rechtsboven zijn de locaties met meldingen opgenomen (Werkgroep wateroverlast Hees 2023-2024, data-analyse, 12 juni 2024)
Uit de bezoeken zijn de volgende aspecten / kenmerken naar voren gekomen: • Bewoners zijn over het algemeen overvallen door de problematiek van wateroverlast. • De problemen met grondwateroverlast zijn bij de bezochte huizen alleen in de kelders. • Bewoners hebben over het algemeen niet eerder problemen met deze mate van overlast gekend. • De kelders die bezocht zijn worden veelzijdig gebruikt (opslag, werkruimte, klusruimte, leefruimte, bedrijfsruimte). • Bij diverse kelders is een open verbinding met woonruimtes; er zijn ook afsluitbare kelders gezien. • Bij veel huizen is sprake van een hoge luchtvochtigheid in de kelders, maar ook in de leefruimten op begane grond door de open verbinding met de kelder. • Bewoners melden verschillende schadeposten: schade voor herstel van muren en vloeren en schade als gevolg van waardevermindering.
3.2
Neerslag
Een belangrijke factor die de grondwaterstand bepaald is de hoeveelheid neerslag en verdamping. In 2024 en het najaar van 2023 is veel neerslag gevallen. Door naar de neerslagdata te kijken, is te zien hoe
10 februari 2025
GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST
BK2113-RHD-RP-0001
15
Open
uitzonderlijk deze situatie is geweest. Figuur 3-2 laat het jaarlijkse neerslagsom zien. Volgens het KNMI 9 viel er in 2023 in totaal 1153 mm neerslag en wordt voor 2024 1131 mm verwacht. Vergeleken met de historische gegevens was het alleen in 1998 zo nat. De hoeveelheid neerslag valt buiten het 90%-interval, wat betekent dat dit gemiddeld minder dan eens in de 10 jaar voorkomt.
Figuur 3-2: Overzicht jaarneerslag voor De Bilt: Historisch, huidig en verwacht voor dit jaar (KNMI, 2024)
De mate van natte weersomstandigheden in een jaar kan ook worden uitgedrukt met een indexwaarde, waarbij de SPI (gestandaardiseerde neerslag index) vaak wordt gebruikt 10. De SPI is een neerslagindex die aangeeft of afgelopen periode relatief nat (blauw) of relatief droog (rood) was (zie ook: https://www.knmi.nl/kennis-en-datacentrum/achtergrond/achtergrondinformatie-neerslagindex-spi. De SPI6 vergelijkt de neerslagsom van de afgelopen 6 maanden met eerdere jaren. Uit de grafiek (Figuur 3-3) blijkt dat 2023 en 2024 in de categorie zeer nat (> 2 ) zitten. Ook blijkt dat de index in ieder geval vanaf 1958 niet eerder zo hoog is geweest.
Figuur 3-3: SPI voor neerslagstation Nijmegen (1958-2024) 9
https://www.knmi.nl/klimaatdashboard S.M. Vicente-Serrano, S. Beguería and J.I. López-Moreno (2010) - A Multi-scalar drought index sensitive to global warming: The Standardized Precipitation Evapotranspiration Index. DOI: 10.1175/2009JCLI2909.1.
10
10 februari 2025
GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST
BK2113-RHD-RP-0001
16
Open
Neerslagoverschot en grondwateraanvulling Het neerslagoverschot is het verschil tussen de neerslaghoeveelheid en de werkelijke verdamping. Het neerslagoverschot bepaalt in belangrijke mate de grondwateraanvulling 11. In Figuur 3-4 is het voortschrijdend neerslagoverschot weergegeven. Een grafiek van het voortschrijdend neerslagoverschot is een grafiek waarbij de neerslaghoeveelheid is gesommeerd van de afgelopen 365 dagen en dat in de tijd weergegeven. Door naar de neerslag van de afgelopen 365 dagen te kijken wordt rekening gehouden met de vertragingsfactor van de neerslag op het grondwater. Daarom geeft deze grafiek een goede indicatie van het effect van het neerslagoverschot op de grondwaterstand (toename neerslagoverschot stijging grondwaterstand). Uit de grafiek blijkt dat het niveau van het voortschrijdend neerslagoverschot eind 2024 een historisch hoog niveau heeft bereikt.
Figuur 3-4: Voortschrijdend neerslagoverschot neerslagstation Nijmegen
3.3
Maaiveldhoogte
In Figuur 3-5 is de maaiveldhoogte in de regio Nijmegen weergegeven. De stuwwal is een kenmerkend element in het landschap en dit is goed te zien in het maaiveldniveau. In het projectgebied varieert de maaiveldhoogte vanaf de Graafseweg van ongeveer 31 m + NAP naar 9 m + NAP, zoals te zien is in Figuur 3-6.
11
De grondwateraanvulling is het neerslagoverschot minus verminderd met interceptie, de oppervlakkige afvoer naar het oppervlaktewater en de ondergrondse afvoer naar het oppervlaktewater (via de riolering).
10 februari 2025
GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST
BK2113-RHD-RP-0001
17
Open
Figuur 3-5: Maaiveldhoogte regionaal.
Figuur 3-6: Maaiveldhoogte Nijmegen-West.
10 februari 2025
GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST
BK2113-RHD-RP-0001
18
Open
3.4
Opbouw van de ondergrond
De vorming van het landschap in en rond Nijmegen wordt voor een belangrijk deel bepaald door de stuwwalvorming tijdens het Saalien (voorlaatste ijstijd, zie Figuur 3-7). Zandige en kleiige afzettingen, die zijn afgezet voor het Saalien, zijn door het landijs gestuwd tot wallen met een hoogte van meer dan 100 m, waarbij de lagen zijn scheefgesteld. Tussen de stuwwallen is het bekken van Groesbeek-Kranenburg ontstaan, met aan de basis een slecht doorlatende bekkenklei (Formatie van Kreftenheye, laagpakket van Twello) en op geringe diepte leemlagen. Na vorming van de stuwwallen heeft de Rijn de stuwwal doorbroken en is een deel geërodeerd (Ooijpolder), waarna rivierafzettingen hebben plaatsgevonden. Aan de zuidzijde is een deel van de stuwwal door de Maas geërodeerd. Aan de westzijde van de stuwwal Groesbeek-Nijmegen is geërodeerd stuwwalmateriaal (sandr) afgezet met lokaal voorkomende kleilagen.
Figuur 3-7: Vorming van de stuwwal rond Nijmegen tijdens het Saalien
Een overzicht van de opbouw van de ondergrond in het projectgebied op basis van REGIS II v2.2.2 (via Dinoloket) is opgenomen in Figuur 3-8.
Figuur 3-8: Opbouw van de ondergrond op basis van REGIS II v2.2.2
10 februari 2025
GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST
BK2113-RHD-RP-0001
19
Open
De geohydrologische basis wordt gevormd door de Formatie van Breda (BRz1). De dikte van de fijnzandige afzettingen van de Formatie van Breda varieert tussen de 25 en 100 m. Direct hierboven bevindt zich een laag van 50 m zandige afzettingen van de Formatie van Oosterhout (OOz2). Op de Oosterhout-zanden liggen de zandige sedimenten van de Formatie van Peize en Waalre (PZWAz2/3). Deze lagen vormen het tweede watervoerende pakket (WVP2). Het eerste watervoerende pakket (WVP1) bevat zandige afzettingen van de Formatie van Drente (DRz1) en de Formatie van Kreftenheye (Krz) en het gestuwd complex (DTc). Twee oude grondwateronttrekkingen (inmiddels gesloten, zie paragraaf 3.6)) hebben grondwater onttrokken vanuit WVP2 (Formatie van Peize en Waalre). Er zit een dunne scheidende laag tussen WVP1 en WVP2 die geen continue verbreding heeft. Deze scheidende laag wordt gevormd door de Waalre klei (Wak2). De opbouw van de ondergrond op basis van REGIS is vertaald naar watervoerende pakketten en scheidende lagen en deze zijn gekenmerkt met geohydrologische parameters. De beschrijving van het grondwatermodel is opgenomen in hoofdstuk 4.
3.5
Geschiedenis
Het dorp Hees ontstond in de middeleeuwen en maakte deel uit van het Schependom Nijmegen. Dankzij de vruchtbare gronden ontwikkelde het zich tot het landbouwgebied van Nijmegen. Vanaf de 17e eeuw werd het gebied ontgonnen en vestigden stadsbewoners zich hier in verbouwde boerderijen of nieuwe buitenverblijven. Ondanks de vele aanpassingen in de waterhuishouding en stedenbouw door de jaren heen, zijn bepaalde elementen zoals de dorpskern, de Kerkstraat en de Graafseweg nog steeds herkenbaar als onderdeel van het oorspronkelijke karakter van het gebied (Figuur 3-9).
Figuur 3-9: Projectie Hees in 1906 en 2016 (bron: Roger Veringmeier).
Het hoogteverschil tussen Hees en de historische verbindingsweg (Graafseweg) heeft de ontwikkeling, vooral op het gebied van waterbeheer, sterk bepaald. Aan de rand van dit gebied staan meerdere beltmolens (Koornmolen, de Looi Molen, de Buiten Molen), wat ook duidt op hoogteverschil.
10 februari 2025
GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST
BK2113-RHD-RP-0001
20
Open
Figuur 3-10: Kaart Nijmegen 1820 (links) en 1843 (rechts). De lagere ligging van Hees is duidelijk zichtbaar.
Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw is de afwatering in Nederland in beeld gebracht in waterstaatkaarten. Een waterstaatkaart is een gedetailleerde kaart die de waterstaatkundige infrastructuur van een gebied weergeeft. In Figuur 3-11 is een waterstaatskaart uit 1895 te zien Polder Hees en Neerbosch). Deze kaart laat zien dat ten noorden en westen van Hees meerdere watergangen aanwezig zijn (gele en rode lijnen). De gele en rode lijnen in Figuur 3-11 geven een afwateringsysteem weer waarmee Hees via ‘De Land Waijer’ en ‘Schaapswetering’ afwaterde richting het westen naar de Nieuwe wetering. Dit afwateringssysteem ligt voornamelijk in de huidige wijken Neerbosch-Oost en NeerboschWest. Daarnaast staat in de legenda beschreven dat onder andere polder Hees behoort tot polderdistrict ‘Rijk van Nijmegen’. Verder staat er beschreven dat de waterafvoer van dit polderdistrict gebeurt via de oude en nieuwe wetering, waarop ook een groot deel van het polderdistrict Maas en Waal afwatert.
Figuur 3-11: Overzichtskaartje der Waterleidingen Polder Hees en Neerbosch 1895. De historische afwatering verloopt in westelijke richting via de Schaapswetering
De aanleg van het Maas-Waalkanaal in 1927 betekende een keerpunt voor de waterhuishouding in het gebied. Zo werd bijvoorbeeld Neerbosch door het kanaal in tweeën gedeeld, evenals als de afwatering zoals hierboven beschreven. In 1966 begon de drinkwaterwinning aan de Nieuwe Markstraat. Bovendien werden havens aangelegd en vestigde de industrie zich aan het kanaal, waarvan een aantal bedrijven sinds 1972 ook grondwater onttrokken.
10 februari 2025
GRONDWATEROVERLAST NIJMEGEN-WEST
BK2113-RHD-RP-0001
21
Open
Figuur 3-12: Waterstaatkaart tussen 1971-1991
In de vijfde editie van de waterstaatkaart (tussen 1971-1991) lijkt de waterhuishouding al heel erg op de huidige situatie (Figuur 3-12). Het Maas-Waalkanaal is aanwezig, waardoor aan de rand van Hees een nieuw poldergebied is ontstaan (groene omlijning). Het gaat hier om peilgebied Industrieterrein Nijmegen, lozend op de Maas (via het Maas-Waalkanaal). Ter illustratie zijn de historische waterlopen, van voor de aanleg van het kanaal, geprojecteerd op de huidige leggerkaart van Waterschap rivierenland. Dit is weergegeven in onderstaand Figuur 3-13. Deze waterlopen illustreren dat het westelijk deel van het projectgebied afwatering kende en dat dat tegenwoordig alleen via de leggerwaterloop direct langs het kanaal verloopt.
Figuur 3-13: Projectie oude waterlopen op de huidige leggerkaart