CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Onderzoeksverslag ‘Verkenning naar maatwerkbanen’, augustus 2025

Besluitronde (raadsvergadering) 12 november 2025, gemeente NijmegenBij agendapunt: D13 d.d. 23 september 2025 over Verkenning naar maatwerkbanen16.384 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Doelgroep: De doelgroep waren mensen met afstand tot de arbeidsmarkt – zowel bijstandsgerechtigden als nietuitkeringsgerechtigden. In de eerste plaats ging het om mensen die niet in het doelgroepregister stonden, maar later werden deze wel toegelaten. Er werd bij de selectie gekeken naar de motivatie van de deelnemers. Werkgeverschap: Deelnemers aan de Werkbrigades kregen een regulier arbeidscontract van maximaal 2 jaar bij Pantar, het sociaal werkbedrijf van de gemeente Amsterdam. Ze vielen echter niet onder de noemer sociaal werk. Vanuit Pantar werden de kandidaten op verschillende werkplekken en klussen ingezet.

18

Matching: Deelnemers volgden eerst een stage van zes weken bij Amsterdam Werkt! Hier werkten ze aan werknemersvaardigheden en praktische vaardigheden. Na deze periode kwam de deelnemer in dienst van Pantar. Kandidaten deden vooral werk dat bleef liggen, zoals achterstallig onderhoud of opruimwerk in de openbare ruimte, op de gebieden schoon, groen en veilig. In een later stadium werden er Zorgbrigades toegevoegd, die taken in de zorg uitvoerden. Begeleiding: Begeleiding omvatte vooral werkbegeleiding en bemiddeling naar werk tegen het eind van het traject. Verhouding tot andere regelingen: In eerste aanleg kwamen kandidaten die ingeschreven waren of konden worden in het doelgroepregister niet in aanmerking. Dit is later aangepast. Pantar kon daarom gebruik maken van de loonkostensubsidie en de no-riskpolis. Uitstroom: Een traject bij de Werkbrigade duurde twee jaar, hierna stroomden deelnemers weer uit. Uit de evaluatie van 2019 blijkt dat 47% van de deelnemers naar regulier werk uitstroomde, tegenover 21% van de vergelijkingsgroep.10 De duurzaamheid van deze uitstroom is niet gemeten in deze evaluatie. Financiële effecten: Een traject kostte ongeveer €30.000 per deelnemer. Verschillende maatschappelijke kosten- en batenanalyses waren kritisch over de kosten en baten van de Werkbrigades. Succesfactoren: Deze zijn niet aan bod gekomen bij het gesprek met de gemeente Amsterdam.

Goes Doel: De basisbanen in Goes zijn redelijk nieuw. Op dit moment is het nog een pilot, opgenomen in het coalitieakkoord. Oorspronkelijk was er structureel budget vrijgemaakt, maar na een wisseling van coalitiepartijen is het een pilot geworden. De doelstelling is om structureel werk te creëren voor inwoners voor wie een reguliere baan niet haalbaar is, ter bevordering van hun welzijn en levenskwaliteit. Dit werk bestaat uit maatschappelijke taken. Het is mooi als het bijdraagt aan de sociale basis en leefbaarheid van Goes. Goes wil starten met acht basisbanen, volgens het Groninger model, met aanpassingen die passen binnen de structuren in Goes. Of dit inderdaad ook zo zal werken, hangt af van het succes van de pilot. De uitvoering loopt via twee gemeenschappelijke regelingen: de sociale dienst De Bevelanden en ontwikkelbedrijf De Betho. Goes heeft ongeveer 800 huishoudens met een bijstandsuitkering, dat komt neer op ongeveer 1.000 personen. Doelgroep: De doelgroep zijn inwoners voor wie een reguliere baan niet haalbaar is. Selectie vindt plaats op een beperkt aantal criteria:   

27 jaar of ouder; Motivatie: willen, maar niet kunnen; Het lukt niet om een reguliere baan te vinden. Ze bevinden zich in de praktijk op trede 2 van de participatieladder. In de praktijk houdt dat in dat ze geen zorg ontvangen, maar ook niet werkfit zijn.

Tussen de deelnemers zitten er op het moment relatief veel hoogopgeleiden, die al langere tijd in de bijstand zitten en kampen met psychische en sociale problematiek. Deelnemers worden door de klantmanagers bij De Bevelanden gevonden en doorverwezen. Klantmanagers vinden het in de praktijk nog moeilijk om passende

10

Evaluatie Werkbrigade, Gemeente Amsterdam, 2019.

19

kandidaten te selecteren. Ze zijn geneigd om te gaan voor mensen die nog redelijk wat ontwikkelpotentieel hebben. Werkgeverschap: Deelnemers komen in dienst bij ontwikkelbedrijf De Betho. Op het moment is dat nog met tijdelijke contracten. Vanuit daar worden bewoners geplaatst bij de organisaties waar ze komen te werken. Het doel is een arbeidsovereenkomst van minstens 24 uur. Voldoende inkomen om uit te stromen uit een bijstandsuitkering is echter voldoende. Zo is er een deelnemer die twaalf uur werkt, omdat deze ook nog een uitkering van het UWV ontvangt. Deelnemers worden betaald in overeenstemming met de cao Aan de Slag. Omdat het echter om een pilot gaat, is er op het moment geen pensioenregeling. Matching: De kandidaten worden gematcht op maatschappelijke functies bij bijvoorbeeld het wijkbedrijf en een zorgorganisatie. De kandidaat is het startpunt: wat past bij hem of haar? Werkgevers worden gevonden via het Werkgeversservicepunt van De Bevelanden – zij zijn bekend met welke maatschappelijke organisaties een tekort aan werknemers hebben. Zij benaderen deze organisaties ook. In de praktijk zijn er ook vrijwilligersfuncties omgezet naar basisbanen. Matching verloopt op dit moment moeizaam. Dit heeft verschillende redenen. Ten eerste matcht Goes op functies, niet op taken – in tegenstelling tot Groningen. Goes geeft aan hier niet groot genoeg voor te zijn.

Het blijkt echter moeilijk om bestaande functies te vinden die passen bij de doelgroep. Ten tweede staat de wijkgerichte aanpak nog in de kinderschoenen. Een netwerk in de wijk voor functies die passen bij een basisbaan moet nog worden opgebouwd. Ten derde zoekt De Bevelanden nog naar een goede balans te tussen de wensen van de kandidaat en het vinden van daadwerkelijk passend werk. Verhouding tot andere regelingen: Op het moment wordt er nog geen gebruik gemaakt van de loonkostensubsidie en de no-riskpolis. In de eerste instantie zoeken ze kandidaten die niet ingeschreven staan in het doelgroepregister. Ze sluiten het echter niet uit, maar het is niet hun eerste focus. Als een kandidaat ingeschreven staat, dan kan het, maar op het moment leiden ze niet toe naar het doelgroepregister. Begeleiding: Brede jobcoaching en ontwikkelcoaching zijn belegd bij De Betho. De Betho is vanaf het begin af aan bewust betrokken bij de pilot, omdat vanuit de ervaring uit het verleden bij de plantsoenendienst laat zien dat deze doelgroep veel begeleiding nodig heeft. De Betho heeft hiervoor de ervaring en kennis in huis; de werkplek zelf vaak niet. De dagelijkse aansturing ligt bij de werkplek. Daarnaast ondersteunen buddy’s van een plaatselijke vrijwilligersorganisatie de deelnemers met de veranderingen in hun financiële administratie.

Uitstroomdoelstellingen: Er zijn geen uitstroomdoelstellingen. Als de pilot succesvol is, dan worden basisbanen permanente functies. Op dit moment zijn het nog tijdelijke arbeidsovereenkomsten. Omdat de pilot nog in een opstartfase zit, zijn er nog geen mensen uitgestroomd. Kosten en baten: Op dit moment is er €440.000 beschikbaar gesteld voor deze pilot. Daar komt nog ongeveer €15.000 per deelnemer bovenop vanuit de BUIG-middelen. Goes is een voordeelgemeente, dus zij kunnen dit deels vanuit de BUIG betalen. Op dit moment kost een basisbaan per persoon jaarlijks ongeveer €25.000, inclusief overhead. De overhead zit hem in de financiering van beide gemeenschappelijke regelingen. De kosten liggen hoger dan een uitkering, maar omdat het een pilot betreft met vooralsnog weinig kandidaten, zijn de werkelijke kosten moeilijk in te schatten. Succesfactoren: De pilot loopt sinds 2024 en de eerste deelnemer is in januari 2025 geplaatst. Goes kan nog niet zeggen of de basisbaan bij de kandidaat een succes is. 20

Heerlen Doel: De basisbanen zijn opgezet in 2021. Kandidaten komen in dienst van Stichting Werk voor Heerlen en worden geplaatst via een inleenconstructie. In de eerste twee jaar van de basisbaan bestond de harde eis dat de inlener de werknemer na een jaar zou overnemen. Ook betaalde de inlener de loonkosten die overbleven na de forfaitaire loonkostensubsidie. Dit bleken knelpunten te zijn bij het plaatsen en de uiteindelijke uitstroom van de werknemers. In 2023 zijn de eisen versoepeld: 1. Het uitgangspunt is nog steeds dat de inlener de werknemer na een jaar zelf overneemt, maar hier kan van afgeweken worden, als er op dat moment geen formatieplaats gemaakt kan worden bij de inlener. Op dat moment is herplaatsing van de werknemer mogelijk, of de inlener kan de inleenperiode verlengen, mits zij een inleenvergoeding betalen. Dit is maatwerk en gebeurt op individuele basis. 2. Het traject wordt het eerste jaar volledig gesubsidieerd. Het eerste half jaar is dit deels forfaitaire loonkostensubsidie, aangevuld door Werk voor Heerlen. In het tweede half jaar wordt er een loonwaardemeting gedaan. De uitvoering van de basisbanen is belegd bij Stichting Werk voor Heerlen. Stichting Werk voor Heerlen verzorgt zowel het werkbedrijf als de groenvoorziening voor de gemeente Heerlen. Als deel van de dienstverlening nemen zij mensen zelf in dienst.

Deze mensen worden op verschillende manieren ingezet bij Werk voor Heerlen – waaronder dus de groenvoorziening. Het gaat op het moment om zo’n 300 mensen die op deze manier in dienst zijn. Het kost moeite om voldoende mensen binnen te krijgen. Er is ruimte voor circa 500 mensen. Per 1 januari 2026 worden de basisbanen beëindigd om financiële redenen. Het college is tevreden over het instrument, maar de kosten zijn hoog, terwijl het om een klein aantal kandidaten gaat. Met het oog op het ravijnjaar en de financiële situatie die daaruit volgt, is daarom besloten om de basisbanen in de huidige vorm te beëindigen. Het is nog niet bekend of er een vervolg komt op de huidige basisbanen. Het afgelopen jaar zijn er 23 mensen geplaatst in een basisbaan. Hiervan lopen er op het moment nog vijftien trajecten. Heerlen heeft tussen de 3.500 en 4.000 bijstandsgerechtigden. Doelgroep: In de eerste instantie was de doelgroep voor de basisbaan vanaf 2023 de doelgroep voor nieuw beschut werk. In de praktijk zijn hier kandidaten vanuit de Participatiewet bijgekomen. Er zijn geen uitgebreide criteria om in aanmerking te komen voor een basisbaan. Het kan teruggebracht worden tot het volgende. De kandidaat: 1. 2. 3.

Is inwoner van Heerlen; Valt binnen de doelgroep nieuw beschut werk of participatiewet; Kan met werk uitstromen uit de bijstand.

Daarbij speelt motivatie een rol en hoe goed een potentiële kandidaat past binnen een beschikbare functie. Vaak zijn de kandidaten al in dienst of bekend bij Werk voor Heerlen. Werkgeverschap: Het werkgeverschap ligt bij Werk voor Heerlen, totdat de inlener de baan overneemt. De bedoeling is dat dit na een jaar gebeurt. Werknemers ontvangen het wettelijk minimumloon voor 36 uur vanuit Werk voor Heerlen, ook als de cao van de sector van de inlener hoger ligt. Er wordt geen reiskostenvergoeding betaald; alle werkgevers bevinden zich binnen gemeentegrenzen. Het dienstverband is voor het aantal uren dat nodig is om geen uitkering meer nodig te hebben. In de regel is dat minstens 24 uur per week.

21

Als de inlener na een jaar nog niet in staat is de werknemer over te nemen, kan de basisbaan met een jaar verlengd worden. De inlener betaalt dan echter wel de loonkosten die na aftrek van loonkostensubsidie overblijven. Mocht de werknemer niet kunnen blijven, dan kijkt Werk voor Heerlen naar een herplaatsing. Matching: Werk voor Heerlen heeft partners waarmee ze samenwerken en waarmee ze regelmatig contact hebben over beschikbare plekken. Deze partners komen naar Werk voor Heerlen toe of Werk voor Heerlen haalt werk bij hen op. Voorbeelden van partners zijn de Kredietbank Limburg en gemeente Heerlen. Werk voor Heerlen neemt zelf ook basisbaners aan. De meeste kandidaten voor een basisbaan zijn al bekend bij, en vaak in dienst bij, Werk voor Heerlen. Er wordt goed gekeken naar wat de inlener vraagt of nodig heeft. De contactpersoon van Werk voor Heerlen heeft bij deze gesprekken vaak al namen in zijn hoofd. Het gaat om kandidaten die wat vaardigheden en wensen betreft aansluiten bij wat de inlener zoekt. Het is echter geen eenrichtingsverkeer; er wordt ook met de inlener besproken welke aanpassingen er mogelijk zijn, wat er wel en niet nodig is etc. Op deze manier wordt de basisbaan vormgegeven. Er wordt een persoonlijke match gemaakt met de basisbaan. Begeleiding: Aansturing op de werkvloer is de verantwoordelijkheid van de inlener.

Werk voor Heerlen voorziet in de bredere jobcoaching. Er zijn regelmatig gesprekken met de werknemer (ongeveer eens per twee weken), al dan niet met de werknemer erbij. Op het moment zijn er twee jobcoaches: één begeleidt op de basisbaan, de ander komt in beeld als er naar een opvolgbaan gekeken wordt. Hiernaast maakt Werk voor Heerlen ook aanvullende trainingen en opleidingen mogelijk, onder andere vanuit het re-integratiebudget. Zo heeft Werk voor Heerlen bijvoorbeeld een klas om autotheorie te studeren en betalen ze ook praktijklessen. Begeleiding en ondersteuning vanuit Werk voor Heerlen eindigt niet volledig nadat de basisbaan is in een reguliere baan. Ook dan kunnen werkgever en werknemer aankloppen voor begeleiding en ondersteuning. Er blijft contact tussen Werk voor Heerlen en de werknemer waar nodig. Verhouding tot andere regelingen: In Heerlen wordt de basisbaan ook gebruikt voor beschut werk. Daarnaast wordt er het eerste half jaar gebruik gemaakt van een forfaitaire loonkostensubsidie. Werk voor Heerlen betaalt de rest van het salaris. Hierna wordt er een loonwaardemeting gedaan. In de meeste gevallen betekent dit dat de werknemer ingeschreven wordt in het doelgroepregister en er gebruik gemaakt kan worden van de loonkostensubsidie en de no-riskpolis. Uitstroom: Het uitgangspunt is dat de werknemer in dienst komt bij de inlener na een jaar.

Mocht dit niet mogelijk zijn, dan wordt de basisbaan tijdelijk voortgezet of de werknemer herplaatst. Het afgelopen jaar zijn er 23 werknemers geplaatst. Vijftien hiervan zijn nog actief. Zes van de 23 zijn overgenomen door de inlener, bij vijf werknemers is de basisbaan verlengd. Kosten en baten: De totale subsidiekosten voor de basisbanen is €350.000 op jaarbasis. Dit wordt gefinancierd vanuit het participatiebudget. De trajectkosten kunnen variëren. De ontwikkelings- en begeleidingskosten zijn €2.400 per traject. De rest van de kosten bestaat uit de loonkosten voor de maatwerkbaan, op basis van het wettelijk minimumloon. Deze kan variëren en is afhankelijk van de loonwaardemeting van de kandidaat. Dat betekent dat Heerlen afhankelijk van de kandidaat en de functie tussen de 50% en 100% van de loonkosten betaalt. Succes- en faalfactoren: Ondanks de beëindiging van de huidige basisbanen, geeft Werk voor Heerlen aan dat ze het wel een succes vinden. Omdat het gesubsidieerd is, hebben de inleners meer ruimte om een werknemer ‘uit te proberen’; het is financieel aantrekkelijk. Het geeft de werknemer ook ruimte om te ontwikkelen en te groeien, en hij krijgt waardering. 22

De belangrijkste succesfactor voor het project zelf is de persoonlijke aanpak. Het feit dat Werk voor Heerlen de werknemers zelf kent, is erg belangrijk. Dit maakt het mogelijk om de werknemers aan de juiste baan en inlener te koppelen.

Rotterdam Doel: Rotterdam heeft in 2021 een experiment met Wijkbasisbanen uitgevoerd. Het doel was tweeledig: de Wijkbasisbanen waren bedoeld om werk dat bijdraagt aan de wijk te creëren én om mensen die langdurig aan de kant staan een baan te bieden. Uiteindelijk is het experiment na een jaar beëindigd. Rotterdam verstrekt circa 32.000 uitkeringen, waarmee ze ongeveer 38.000 werkzoekenden in de bijstand hebben. Momenteel heeft Rotterdam wel zogenaamde springplankbanen. De springplankbaan heeft als doel om mensen met doelgroepregistratie vanuit het werk door te ontwikkelen naar een baan bij een reguliere werkgever. Deze worden hier niet besproken. Het experiment met de wijkbasisbanen is beter vergelijkbaar met de Nijmeegse maatwerkbaan. Springplankbanen zijn daarentegen een vorm van ontwikkelbanen. Doelgroep: De doelgroep bestaat uit mensen die langdurig afhankelijk waren van de bijstand, maar bij wie wel sprake was van een volledige loonwaarde. In de eerste plaats richtte Rotterdam zich op mensen die gemiddeld 10 jaar in de bijstand zaten. De kandidaten zaten in het activeringsprogramma van de gemeente, Prestatie010. Hier zit ongeveer de helft van de bijstandsgerechtigden in Rotterdam in (ongeveer 18.000 mensen). Het voornaamste criterium voor deelname was de bijstandsduur. Deze criteria zijn tot stand gekomen in overleg met beleidsmedewerkers en verschillende werkgevers.

Werkgeverschap: Het werkgeverschap kwam te liggen bij de organisatie waar de kandidaat ging werken. De kandidaat kreeg hier een arbeidsovereenkomst van minstens 32 uur voor een duur van zes maanden, de originele duur van het experiment. De werkgevers ontvingen vanuit de gemeente een subsidie voor ongeveer 50% van de werkgeverslasten op basis van het minimumloon. De overige kosten kwamen voor rekening van de werkgever. Bij alle kandidaten werd het contract met zes maanden verlengd tijdens het experiment. Het zoeken naar werkgevers verliep moeizaam. Uiteindelijk zijn vier er werkgevers gevonden: een welzijnsorganisatie, twee woningcorporaties en een maatschappelijk initiatief. De meeste kandidaten kwamen in dienst van de welzijnsorganisatie. Matching: Rotterdam heeft eerst werkgevers gezocht. De werkgevers hebben vervolgens kandidaten gezocht, al dan niet met hulp van de gemeente. In de praktijk werden de selectie, de werving en de matching opgepakt door een lokale welzijnsorganisatie. Deze organisatie heeft zelf vijf mensen in dienst genomen. Twee hebben werk gevonden bij woningcorporaties, één bij een lokaal maatschappelijk initiatief. Deelname was vrijwillig. Kandidaten hebben gesolliciteerd op de wijkbasisbanen die beschikbaar werden gesteld door de betrokken werkgevers.

Begeleiding: De betrokken welzijnsorganisatie pakte de begeleiding van de kandidaten op, ook voor de kandidaten die bij een andere werkgever werkten. Verhouding tot andere regelingen: Het doel was om alleen kandidaten zonder verminderde loonwaarde te selecteren. Daarmee kon er geen aanspraak gemaakt worden op de loonkostensubsidie en de no-riskpolis. Achteraf bleek dat er wel kandidaten waren geselecteerd die in aanmerking kwamen voor het doelgroepregister.

23

Uitstroom: Omdat het een experiment met de looptijd van een jaar was, zijn alle kandidaten uitgestroomd. Aan het einde van het experiment, zijn vijf kandidaten uitgestroomd naar een reguliere baan. Eén is uitgevallen door ziekte. Eén kandidaat is door het werkontwikkelbedrijf van de gemeente Rotterdam in dienst genomen en gedetacheerd bij de maatschappelijke organisatie waar de kandidaat ook tijdens het experiment heeft gewerkt. Er waren geen uitstroomdoelstellingen. Dit paste niet bij de opzet van het experiment en de beoogde opzet als de wijkbasisbaan een permanent instrument zou zijn geworden. In de gemeenteraad was niet iedereen het hiermee eens en werd er verschillende malen geopperd om toch een uitstroomdoelstelling in te voeren. Kosten en baten: De gemeente Rotterdam heeft geen cijfers gegeven. De gesproken beleidsmedewerker gaf wel aan dat de kosten hoog lagen. Zonder bijkomende baten zou de wijkbasisbaan financieel niet duurzaam zijn. Succes- en faalfactoren: Na een jaar is het experiment beëindigd om de volgende redenen:   

Hoewel de opzet bij aanvang al beperkt was, zijn minder wijkbasisbanen gecreëerd dan verwacht. Het bleek moeilijk te zijn om passende kandidaten en bereidwillige werkgevers te vinden. De kosten bleken hoog. Het doel van de wijkbasisbaan stond onder spanning, onder andere omdat uitstroom als doel elke keer werd voorgesteld.

De gesproken beleidsambtenaar gaf echter aan dat het wel een nuttig instrument kan zijn, onder bepaalde voorwaarden. Rotterdam heeft de volgende aandachtspunten meegenomen: 

   

Fixeer je niet op uitstroom uit de baan, maar op een succesvolle instroom in de baan. Als het doorstromen naar een reguliere baan een doelstelling is, dan lukt het minder goed dan wanneer dat niet het geval is. Baanzekerheid geeft ook de rust die nodig is om volgende stappen te kunnen en durven zetten. Loonkostensubsidie is niet op voorhand uit te sluiten. Mensen die lang aan de kant hebben gestaan, zijn niet meteen volledig inzetbaar en kunnen dus niet altijd direct het niveau van het wettelijk minimumloon of meer halen. Zonder economische baten is het moeilijk financieel duurzaam te maken. Ook het uitsluiten van verdringing als het gaat om bijvoorbeeld vrijwilligerswerk is lastig. Een baan is echt iets anders dan werken met behoud van uitkering of allerlei vormen van onbeloond werk. Dat doet iets met mensen en er is een groep die daar echt baat bij heeft. Een eis om minimaal 32 uur te werken is niet realistisch. Deze eis helpt bij de uitstroom uit de bijstand, maar 32 uur is niet (direct) voor iedereen haalbaar. De nadruk kan beter liggen op het weer aan het werk gaan, niet alleen de uitstroom uit de uitkering. Er is een groep mensen voor wie dit de enige manier is om weer aan werk te komen in de reguliere arbeidsmarkt, maar deze groep is beperkt. Een brede of grootschalige invoering van de basisbaan lijkt niet realistisch.

Tilburg Doel: De basisbaan in Tilburg heeft een lange voorgeschiedenis. Een aantal jaar geleden werd in het coalitieakkoord €5.000.000 vrij gemaakt als budget voor talentontwikkeling. Een deel van dit budget zou ingezet worden voor basisbanen gericht op mensen in de bijstand die geen kansen hadden op de reguliere arbeidsmarkt, maar wel gemotiveerd waren en in staat werden geacht te werken. In deze variant zou er een coöperatie van werkgevers, werknemersorganisaties, het gemeentelijk werkbedrijf en maatschappelijke organisaties opgezet worden. De coöperatie zou in de opstartfase gefinancierd worden door de gemeente, maar in een later stadium zelf de kosten voor de basisbaan moeten dragen. Kandidaten zouden het wettelijk minimumloon voor 36 uur ontvangen, ongeacht hoeveel uur zij zouden werken. Uit berekeningen bleek echter dat deze vorm ongeveer 24

€3.000.000 zou kosten, waardoor het talentontwikkelbudget te snel opgebruikt zou worden. Daarnaast werd het onrealistisch geacht dat de coöperatie zelf de kosten voor de basisbanen grotendeels zou kunnen dragen. Terwijl er gewerkt werd aan een nieuw plan, werd er een praktijkexperiment uitgevoerd: vijf mensen werden geselecteerd, die gemiddeld elf jaar in de bijstand zaten. Accounthouders gingen in de stad op zoek naar passende functies bij werkgevers en maatschappelijke organisaties. Deze vijf mensen werken nog steeds en stromen uit naar de werkgever waar zij al werken. De basisbanen in dit experiment vertoonden een overlap met reguliere banen. Sinds eind 2024 is er een nieuwe basisbaan. Deze wijkt af van zowel het eerste plan als van het praktijkexperiment. In dit model liggen de basisbanen in het verlengde van de ontwikkelbanen, die een jaar daarvoor in deze vorm zijn opgezet. Het doel is dat iedereen die wil en kan werken, uit de bijstand blijft. Een basisbaan is dan ook een baan tot aan het pensioen van de kandidaat. De ontwikkelbaan en de basisbaan worden uitgevoerd door de Diamant-groep, het gemeentelijk ontwikkel- en werkbedrijf in de regio Tilburg. Dit is een gemeenschappelijke regeling.

Iedere gemeente gebruikt uniforme instrumenten en bepaalt zelf of een bijstandsgerechtigde wordt doorverwezen naar Diamant-groep De ontwikkelen basisbanen gelden alleen voor de gemeente Tilburg, hoewel andere gemeenten geïnteresseerd zijn. Tilburg heeft ongeveer 6.500 bijstandsgerechtigden, waarvan ongeveer de helft een serieuze afstand heeft tot de arbeidsmarkt. Op het moment hebben ongeveer 28 mensen een basisbaan. Doelgroep: De kandidaten voor een basisbaan hebben allemaal een afstand tot de arbeidsmarkt. Hoelang ze in de bijstand hebben gezeten, is hierbij van ondergeschikt belang. Ook hoeft een kandidaat niet volledig uit de bijstand te komen. De beleidsregels geven aan dat kandidaten in aanmerking komen voor een basisbaan als: 1. 2. 3. 4.

Ze maximaal drie jaar naar vermogen hebben geparticipeerd op een ontwikkelbaan; Er is vastgesteld dat doorstroming naar een (ondersteunde) reguliere baan of beschut werk niet mogelijk is; Ze gemotiveerd zijn om te werken in een basisbaan; Ze beschikbaar zijn voor minstens twaalf uur in de week.

Om in aanmerking te komen voor een ontwikkelbaan, moeten kandidaten een bijstandsuitkering ontvangen, ondersteuning naar werk nodig hebben, gemotiveerd zijn om te werken, minstens twaalf uur per week kunnen werken, geen indicatie beschut werk hebben en niet passen binnen andere trajecten die naar werk leiden. Tilburg heeft ervoor gekozen om kandidaten die al actief zijn in trajecten die al bestonden voor de huidige ontwikkelbaan ook te laten instromen in een basisbaan, waar dit passend blijkt te zijn. Werkgeverschap: Kandidaten komen in dienst van Diamant-groep, het ontwikkel- en werkbedrijf van de gemeente Tilburg. Diamant-groep is een gemeenschappelijke regeling. Ze bieden zelf ontwikkel- en werkplekken bij verschillende bedrijfsonderdelen. Ook wanneer externe werkplekken worden gevonden, komen kandidaten in dienst van Diamant-groep en worden dan gedetacheerd naar de inlener. Op het moment is hier nog geen sprake van, hoewel het bij het eerdere praktijk instrument wel is gebeurd. Kandidaten krijgen een dienstverband van minstens twaalf uur per week tegen het wettelijk minimumloon. Tweemaal per jaar krijgen ze daarbovenop nog een werkpremie. Een basisbaan biedt een vaste arbeidsovereenkomst, omdat de kandidaat ervoor al drie tijdelijke overeenkomsten had bij de ontwikkelbaan. Bovendien wil Tilburg mensen perspectief en vastigheid voor de toekomst bieden. 25

Matching: Matching gebeurt op basis van het doorlopen ontwikkeltraject en het profiel van de kandidaat. Tijdens de ontwikkelbaan leert Diamant-groep de kandidaat kennen en kunnen ze bepalen wat de beste vervolgstap is. Dit kan een reguliere baan zijn, beschut werk of dus een basisbaan. Op het moment zijn alle basisbanen ontwikkelbanen die zijn omgezet. De kandidaat blijft dus in de baan die hij of zij al had. Het gaat hier dus om werk bij een bedrijfsonderdeel van de Diamant-groep, bijvoorbeeld in de kringloopwinkel, op een kinderboerderij of in het groenonderhoud. Er wordt onderzocht hoe het netwerk voor ontwikkel- en basisbanen kan worden uitgebreid naar andere partijen in de stad. Dit vereist dat goed wordt vastgesteld wat de kandidaat wil en kan doen. Begeleiding: Aansturing op de werkplek gebeurt door de leidinggevende of werkbegeleider van de werkplek. In de praktijk is dat op dit moment iemand van Diamant-groep. Daarnaast is er vanuit Diamant-groep een begeleider die de kandidaat breder begeleidt en de ontwikkeling van de kandidaat volgt. Hierdoor is ook in beeld wanneer iemand een vervolgstap kan maken, mocht dit alsnog mogelijk zijn. Een klantregisseur vanuit de gemeente wordt in dit stadium alleen bij signalen en op verzoek van de begeleider betrokken.

Verhouding tot andere regelingen: Tilburg heeft overwogen om mensen die in aanmerking komen voor het doelgroepregister uit te sluiten voor deelname aan de basisbanen. Uiteindelijk hebben ze echter de keuze gemaakt deze doelgroep wel toe te laten. Hierdoor maakt Diamant-groep gebruik van de landelijke loonkostensubsidie en de no-riskpolis. Uitstroom: Er is zijn geen uitstroomdoelstellingen verbonden aan de basisbaan. Tijdens de ontwikkelbaan is vastgesteld wat de mogelijkheden voor de kandidaat zijn en dat een basisbaan de best passende optie is. Het uitgangspunt is dat de kandidaat geen grote ontwikkeling meer kan of hoeft door te maken, en dat de reguliere arbeidsmarkt buiten bereik ligt. Kosten en baten: Een basisbaan kost gemiddeld €8.400 per jaar, inclusief alle begeleiding. Hier komt de aanvullende bijstandsuitkering nog bij, voor zover van toepassing. Deze banen worden gefinancierd vanuit het Participatiebudget. De ontwikkelbanen worden betaald als incidentele kosten vanuit het budget voor talentontwikkeling. De structurele kosten worden opgenomen in de meerjarenbegroting als onderdeel van bestedingsplan Participatiebudget. De gemeente Tilburg is in het kader van BUIG een lichte nadeelgemeente. Succes- en faalfactoren: De gemeente Tilburg heeft een aantal lessen getrokken uit de vorige en huidige plannen en het praktijkexperiment:  

Een ontwikkelbaan met een langere looptijd is effectiever dan een korter traject van bijvoorbeeld 9 maanden. Een intensievere aanpak levert meer op, vooral omdat de mensen in de Participatiewet in toenemende mate tot doelgroepen behoren die vroeger in aanmerking zouden komen voor de Wajong of een sociaal werkvoorzieningsbaan. Tilburg geeft aan serieus te onderzoeken of de ontwikkelbaan als hoofdinstrument kan gaan fungeren, met de basisbaan als vervolgtraject waar nodig. Dit maakt onderdeel uit van de periodieke evaluaties die gaan worden uitgevoerd. 26

Persoonlijke aandacht en aansluiten bij de persoon zelf zijn noodzakelijk.

Vanuit het praktijkexperiment wordt daaraan toegevoegd: zorg dat je externe werkgevers ook goed ondersteunt bij het begeleiden en behouden van de kandidaten.

27

6. Bevindingen en aanbevelingen Bevindingen uit de vergelijking met andere gemeenten Iedere vergeleken gemeente heeft een eigen variant van de maatwerkbaan. Tussen deze varianten bestaan verschillen en overeenkomsten. Uit de vergelijking volgen een aantal belangrijke knoppen waar je als gemeente aan kunt draaien om de maatwerkbaan vorm te geven. Welke knoppen dit zijn, wordt hieronder omschreven. Het is belangrijk om te beseffen dat de verschillende keuzes die gemaakt kunnen worden bij het inrichten van een basisbaan, nooit los van elkaar staan. Wanneer je aan een van de knoppen draait, moet je andere knoppen vaak meedraaien.

Veel gemeenten stoppen met maatwerkbanen Alleen Groningen, Den Haag en Tilburg hebben het voornemen door te gaan met maatwerkbanen. Deze drie gemeenten hebben totaal verschillende varianten van het concept. De Groningse basisbaan is een baan voor het leven, waarmee de kandidaat door werk meer deelneemt aan het werkende leven. De Haagse STiP-baan is gericht op re-integratie en ontwikkeling. Na een jaar is het de bedoeling dat de kandidaat zonder subsidie vanuit de gemeente aan de slag gaat bij een werkgever. Beide gemeenten geven aan dat de kosten van een maatwerkbaan rond de €30.000 per baan per jaar liggen. Tilburg is onlangs definitief gestart met hun variant van de maatwerkbaan. Hier komt een kandidaat pas in aanmerking voor een basisbaan, als deze een ontwikkelbaan heeft gehad. De basisbaan is dan, net als in Groningen, een baan tot aan het pensioen. De kosten voor een basisbaan liggen hier lager. Een kandidaat kan namelijk een gedeeltelijke uitkering naast de basisbaan behouden. In de meeste overige gemeenten valt op dat de maatwerkbanen zijn beëindigd of worden afgebouwd. Dit betekent niet dat deze gemeenten ontevreden waren over het instrument zelf. Integendeel, de gesproken beleidsambtenaren zeggen grotendeels dat zij graag hadden willen doorgaan. De kosten van de projecten zijn echter hoog en worden betaald vanuit de eigen middelen van een gemeente.

Alleen Amsterdam geeft aan dat zij gestopt zijn omdat het effect van hun Werkbrigades begon af te nemen. Daarnaast is er in Rotterdam alleen sprake geweest van een experiment, dat beëindigd is in 2021. Rotterdam is wel meegenomen in deze inventarisatie, omdat hun aanpak het meest leek op de Nijmeegse aanpak.

Bepaal wat het doel van de maatwerkbaan is: participatie of re-integratie In grote lijnen zijn er twee varianten van de maatwerkbaan. Er zijn maatwerkbanen die tot doel hebben om bijstandsgerechtigden die anders geen kans maken op de reguliere arbeidsmarkt, toch deel te laten nemen aan het arbeidsproces. Deze mensen willen en kunnen werken, maar slagen er niet in om regulier werk te vinden. Met een maatwerkbaan participeren zij, hebben zij een stabiel inkomen en verbetert hun welzijn. Groningen is de grootste gemeente die maatwerkbanen hiervoor inzet. Dit was ook de insteek in Nijmegen. Uitstroom naar de reguliere arbeidsmarkt is hierbij bijvangst. De verwachting is niet dat deze doelgroep een reguliere baan zal vinden. De tweede variant is gericht op re-integratie. Kandidaten beginnen met een gesubsidieerde baan, om op termijn uit te stromen naar de reguliere arbeidsmarkt. Ze doen tijdens het traject werkervaring op, leren werkvaardigheden en volgen waar nodig ontwikkel- en opleidingstrajecten. Den Haag en Heerlen zijn twee varianten hiervan. In beide gemeenten is het streven dat de gesubsidieerde baan regulier wordt: de werknemer treedt in dienst bij de werkgever. De Amsterdamse werkbrigades hadden hetzelfde doel, maar van de kandidaten werd verwacht dat zij tegen het einde van hun traject zelf een baan zouden zoeken, al dan niet met begeleiding.

Beide varianten hebben hun voors en hun tegens. De kosten op jaarbasis lijken echter niet ver uit elkaar te lopen. Wel is het zo dat de participatievariant meer commitment vanuit de gemeente vereist: het gaat hier immers om 28

een baan die lange tijd, tot aan het pensioen van de kandidaat blijft bestaan en op lange termijn financiële consequenties heeft. Het voordeel is dat de gemeente meer grip heeft op een eventuele terugstroom naar de bijstand. Bij de re-integratievariant blijft altijd de kans bestaan dat de kandidaat weer in de bijstand komt. Wanneer de maatwerkbaan als participatie-instrument gebruikt wordt, bestaat er een spanningsveld tussen de maatwerkbanen en niet-betaalde participatie-instrumenten, zoals vormen van dagbesteding en vrijwilligerswerk. Er bestaat ook een grotere kans op verdringing van en concurrentie met onbetaald vrijwilligerswerk. Bepaal daarom helder wat het doel is van de maatwerkbaan. Wat wil de gemeente bereiken met de maatwerkbaan? Deze keuze is van invloed op de vorm, duur en financiering van de maatwerkbaan.

Ga uit van de individuele mogelijkheden In de gesprekken met andere gemeenten wordt een persoonlijke aanpak het meest als de succesfactor genoemd. Deze persoonlijke aanpak is nodig op alle vlakken: selectie, matching en begeleiding. Wie in aanmerking komt voor een maatwerkbaan, waar deze kandidaat kan werken en wat deze kandidaat nodig heeft, kan niet van tevoren bepaald worden. Een maatwerkbaan is ook echt maatwerk. De meeste gemeenten hanteren ruimere criteria dan de gemeente Nijmegen heeft gebruikt: een kandidaat is bijstandsgerechtigd, ouder dan 27 jaar, gemotiveerd en heeft een té grote afstand tot de arbeidsmarkt. De afweging of iemand geschikt is, gaat vooral uit van de persoon zelf: wat is er al geprobeerd, zijn er betere alternatieven en zou een maatwerkbaan iets toevoegen? Hetzelfde geldt voor de matching: hierbij wordt meestal eerst gekeken welk type werk de kandidaat wil doen en wat hierbinnen mogelijk is. Groningen gaat hier het verst in. In Groningen krijgt iedere 'basisbaner' een verzameling taken binnen de welzijnssector, die aangepast kunnen worden als dit nodig is. Ook in de begeleiding blijkt een persoonlijke aanpak essentieel te zijn. Niet iedere kandidaat heeft dezelfde ondersteuning nodig. In veel gevallen gaat het echter wel om een uitgebreide, brede begeleiding.

Vooral bij gemeenten die kandidaten een betaalde baan tot aan het pensioen bieden, loopt de begeleiding in deze hele periode door. Arbeidsovereenkomsten van 32 uur lijken in verschillende gemeenten de norm, maar bijna overal is 24 uur de ondergrens. Het uitgangspunt is overwegend: “hoeveel uur is er nodig om uit de bijstand te komen?” Ook hier is er sprake van maatwerk. Sommige kandidaten zullen nooit 32 uur kunnen werken en bij anderen is dit wel mogelijk, maar kan het lang duren.

Bepaal goed wat de relatie is tussen de maatwerkbaan en andere regelingen Het uitgangspunt van de meeste gesproken gemeenten is dat de kandidaten voor een maatwerkbaan in de regel een arbeidsbeperking hebben en daarmee een verminderde loonwaarde. Dat houdt in dat de productiviteit van een kandidaat lager is dan die van een gemiddelde, reguliere werknemer. Kandidaten staan dan ook overwegend ingeschreven in het doelgroepregister van UWV, waarmee het mogelijk is om aanspraak te maken op onder andere de wettelijke loonkostensubsidie en no-riskpolis van het UWV. Nijmegen en Rotterdam hebben deze groep uitgesloten voor maatwerkbanen. In Nijmegen is vastgelegd dat de groep die in aanmerking komt voor een maatwerk baan ‘tussen wal en schip valt’, en dat deze mensen geen beroep kunnen doen op andere regelingen. Voor de mensen met een arbeidsbeperking is WerkBedrijf immers de partij die instrumenten en begeleiding in kan zetten en faciliteiten vanuit het doelgroepregister benut. De gemeente Nijmegen kan zelf geen loonkostensubsidies inzetten.

29

Of een kandidaat wel of niet opgenomen kan worden in het doelgroepregister van UWV is belangrijk voor veel gemeenten die maatwerkbanen uitvoeren. Dit hangt samen met de doelgroep voor de maatwerkbaan en hoe de maatwerkbaan gefinancierd wordt. Kiezen voor mensen die staan ingeschreven, betekent dat de doelgroep groter is en dat de loonkostensubsidie gebruikt kan worden om een deel van de kosten van de maatwerkbaan te dekken. Voor deze groep zijn daarentegen al wettelijk veel voorzieningen beschikbaar om hen naar werk te begeleiden. Nijmegen heeft deze taak expliciet belegd bij WerkBedrijf en om die reden juist voor een andere groep gekozen bij de maatwerkbanen. Het is daarom belangrijk om te kijken naar de relatie dan wel de ‘concurrentie’ met voorliggende voorzieningen als de loonkostensubsidie, werkplekaanpassing en de no-riskpolis.

Beleg het werkgeverschap op de juiste plek In de meeste gesproken gemeenten zijn de kandidaten in dienst van een rechtspersoon die opgericht is en gefinancierd wordt door de gemeente: Thermiek BV in Groningen, Werk voor Heerlen in Heerlen, De Betho in Goes, Stoer BV in Oude-IJsselstreek en Pantar in Amsterdam. De kandidaat wordt vervolgens vanuit deze rechtspersoon ingezet. De constructies die de verschillende gemeenten hiervoor gebruiken, verschillen. In sommige gemeenten worden de kandidaten gedetacheerd. In andere gemeenten komen kandidaten bijvoorbeeld te werken bij bedrijfsonderdelen van het werkbedrijf. Wat opvalt is dat deze rechtspersonen niet specifiek zijn opgericht om het werkgeverschap van de maatwerkbanen de vervullen. Deze organisaties bestonden al en voerden al andere taken voor de gemeenten uit, zoals sociaal werkvoorziening of nieuw beschut werk. Deze constructie heeft voordelen. Door de werkgeversrisico’s bij een andere rechtspersoon te beleggen, maakt de gemeente de kandidaten aantrekkelijker voor inleners, die het daadwerkelijke werk aanbieden. Ook stelt het de gemeente in staat gebruik te maken van de loonkostensubsidie om de kosten voor een maatwerkbaan op te vangen. Daarnaast is het eenvoudiger om de kandidaten in beeld te houden.

Het grootste nadeel is dat alle risico’s van langdurige dienstverbanden, met de financiële verplichtingen daarvan, de verantwoordelijkheid zijn van deze rechtspersoon. Omdat de gemeente deze rechtspersoon financiert, komen de verbonden kosten uiteindelijk voor rekening van de gemeente. Wanneer een maatwerkbaan een baan tot aan het pensioen is, blijven deze kosten lange tijd bestaan. Hiermee ontstaat een situatie die vergelijkbaar is met eerdere vormen van gesubsidieerd werk zoals ID- en Wiw-banen: de gemeente blijft juridisch en financieel verantwoordelijk voor het dienstverband tot aan het pensioen van de kandidaat, ook als de regeling wordt afgeschaft en het programma wordt stopgezet. Bij het oprichten van een rechtspersoon horen ook overheadkosten, voor bijvoorbeeld een bestuur, huisvesting, ICT en ondersteunend personeel. Ook deze komen voor rekening van de gemeente. Deze kosten zullen relatief hoger zijn wanneer er weinig kandidaten met een maatwerkbaan in dienst zijn. Voor de Nijmeegse doelstelling van 22 kandidaten zou de overhead daarom relatief aanzienlijk hoger zijn dan voor de 164 basisbaners in Groningen. Alleen in Nijmegen, Rotterdam en Den Haag ligt het werkgeverschap bij de organisatie die de feitelijke werkplek aanbiedt. Zowel in Nijmegen als Rotterdam bleek het moeilijk te zijn werkgevers te vinden die gebruik willen maken van een maatwerkbaan.

Den Haag geeft aan hier geen problemen mee te hebben. Het verschil met Den Haag enerzijds en Rotterdam en Nijmegen anderzijds is tweevoudig: 1. 2.

De Haagse STiP-banen zijn tijdelijke trajecten; na beëindiging van het traject blijft de kandidaat in dienst bij de werkgever. Den Haag doet een loonwaardemeting en schrijft kandidaten in het doelgroepregister in; hierdoor kan de werkgever aanspraak maken op de loonkostensubsidie en de no-riskpolis, ook na afloop van het traject.

Met een STiP-baan wordt een kandidaat dus bemiddeld naar regulier werk met toepassing van de loonkostensubsidie en de no-riskpolis. In feite betaalt de gemeente Den Haag gedurende het traject de opleiding en het inwerken van nieuwe werknemer en beperkt in deze fase het risico van de werknemer. 30

Waar het werkgeverschap het best belegd kan worden, hangt af van andere keuzes zoals het doel van de maatwerkbaan. Overweeg daarom of het beleggen van het werkgeverschap bij een ‘reguliere’ werkgever wel past bij de gestelde doelen, of dat het toch beter is om het werkgeverschap te beleggen bij een aan de gemeente verbonden partij. Daarvoor is het belangrijk om bereid te zijn de eerder omschreven risico’s te aanvaarden.

Beleg de maatwerkbanen bij de juiste uitvoeringsorganisatie De uitvoering van de maatwerkbanen ligt bij een groot deel van de gemeenten bij een gemeentelijke afdeling. Zij hebben dus de dienstverlening en expertise voor selectie, matching en begeleiding grotendeels in huis. Dit is bijvoorbeeld de situatie in Groningen: de matching en selectie gebeurt door een coach basisbanen in dienst van de gemeente. Dit staat in contrast met de structuur in Nijmegen. WerkBedrijf is een regionale uitvoeringsorganisatie die werkt voor meerdere gemeenten. De expertise die nodig is om een instrument als maatwerkbanen goed uit te voeren, is niet langer beschikbaar binnen de gemeente Nijmegen zelf. Deze zal dus ingehuurd of elders belegd moeten worden. Ook Tilburg en Goes hebben de uitvoering van de maatwerkbaan belegd bij gemeenschappelijke regelingen. Goes heeft zowel een gemeenschappelijke regeling voor de uitvoering van de Participatiewet (Inkomen en Werk), Wmo, Schuldhulpverlening, ICT- en HRM-taken voor de aangesloten gemeenten (De Bevelanden), als een apart ontwikkelbedrijf voor uitvoering van de Sociale Werkvoorziening (De Betho). In Tilburg worden de maatwerkbanen uitgevoerd door het regionale werk- en ontwikkelbedrijf Diamant-groep. De werk- en ontwikkelbedrijven in Goes en Tilburg hebben andere taken dan Werkbedrijf.

De Betho en Diamantgroep functioneren als formele en materiële werkgever. Zij detacheren, maar hebben zelf ook werkplekken in bijvoorbeeld de groenvoorziening, de schoonmaak of op kinderboerderijen. Dit doen zij niet alleen in de vorm van maatwerkbanen, maar ook voor andere vormen van re-integratie. In de regio Rijk van Nijmegen is er door de gemeenten bestuurlijk een andere keuze gemaakt: Werkbedrijf heeft in 2016 het SW-bedrijf Breed overgenomen en heeft de verlieslijdende infrastructuur van Breed afgebouwd. WerkBedrijf biedt dus zelf geen werkplekken meer aan maar doet dat bij reguliere werkgevers. Een aantal werkgevers biedt dat werk overigens wel op locatie van WerkBedrijf (Boekweitweg) aan. Zij huren bedrijfsruimte van WerkBedrijf. Denk hierbij aan 2DA, Maak024, bedrijfsrestaurant van zorgorganisatie Droom. De primaire taak van WerkBedrijf is arbeidsbemiddeling naar zo regulier mogelijk werk. WerkBedrijf heeft zelf alle SW-medewerkers van het voormalige Breed in dienst en neemt mensen in dienst met een beschut werk-indicatie.

Kijk goed naar de plek van de maatwerkbaan in de gehele dienstverlening Het is belangrijk goed te kijken de plek die maatwerkbanen innemen binnen het lokale aanbod en hoe zij met elkaar samenhangen in het totaal. De gesprekken met de verschillende gemeenten hebben zich niet gericht op het in kaart brengen van de gehele dienstverlening op het gebied van werk en re-integratie. Deze dienstverlening verschilt uiteraard per gemeente. Groningen benadrukte dit expliciet in het gesprek, maar bij andere gemeenten kwam dit ook naar voren. De Tilburgse basisbaan is bijvoorbeeld een vervolgtraject: eerst gaat de kandidaat maximaal drie jaar aan de slag in een ontwikkelbaan en pas hierna is een basisbaan mogelijk. Tilburg geeft aan dat zij hun dienstverlening zo hebben aangepast dat de ontwikkelbaan hun hoofdinstrument is geworden. Zonder een goede inbedding in de dienstverlening, wordt het moeilijker om maatwerkbanen effectief uit te voeren. De kans dat een maatwerkbaan overlapt met andere instrumenten is dan groot.

31

Het aantal geschikte deelnemers is laag Het aantal deelnemers is in geen van de gesproken gemeenten bijzonder hoog. Meerdere gemeenten geven aan dat het vinden van geschikte kandidaten moeilijk was. Oude-IJsselstreek had in eerste aanleg 45 kandidaten als doel, maar heeft er uiteindelijk slechts zeven gevonden. Goes, die net begonnen is met een pilot, zegt dat zij moeite hebben met het vinden van voldoende mensen. Rotterdam geeft aan dat de opzet van hun experiment beperkt was, maar dat zeven kandidaten nog steeds veel minder is dan verwacht. Ook in Groningen en Den Haag valt op dat het aantal mensen met een maatwerkbaan vrij laag ligt in verhouding tot het bijstandsbestand. Deelname aan de regeling ligt in beide gemeenten tussen de 1% en 2% van het totaal aantal bijstandsgerechtigden. De maatwerkbaan is geen instrument dat een grote groep bereikt. Voor zover er al een groep bestaat die niet op andere manieren naar werk begeleid kan worden, is deze waarschijnlijk klein.

Maatwerkbanen kosten meer dan uitkeringen De maatwerkbaan is geen goedkoop instrument. De gesproken gemeenten geven aan dat een dergelijke baan meer kost dan een bijstandsuitkering. Er zit hierin geen verschil tussen de gemeenten die een baan volledig financieren en de gemeenten die dit slechts deels doen. Naast de werkgeverslasten komen er immers nog altijd begeleidingskosten en de overhead vanuit de uitvoeringsorganisaties bij. Omdat er geen vergoeding vanuit het Rijk bestaat voor maatwerkbanen, komen deze kosten ten laste van de eigen middelen van de gemeente. Verschillende gemeenten proberen de kosten te verlagen door gebruik te maken van de loonkostensubsidie. In Heerlen en Oude-IJsselstreek betalen de inleners een vergoeding voor een basisbaan. De hoge kosten en het lage aantal deelnemers heeft tot gevolg dat de besparingen op de bijstand beperkt zijn en wegvallen als je ze afzet tegen de kosten van een maatwerkbaan. Groningen, die het meest complete financiële beeld heeft gegeven, geeft aan op jaarbasis gemiddeld €30.700 per basisbaan te betalen. Ze besparen gemiddeld €14.000 op de uitkeringslasten per kandidaat. Per saldo kost een basisbaan dus gemiddeld €16.700 per jaar. Een maatwerkbaan heeft ook baten, maar deze zijn indirect en maatschappelijk.

Op langere termijn maakt iemand met een baan minder gebruik van andere voorzieningen en betaalt uiteindelijk meer belastingen en afdrachten. We moeten ervan uitgaan dat een maatwerkbaan meer kost dan een bijstandsuitkering, althans in euro’s uitgedrukt. Het is geen besparingsmaatregel, maar een betaalde manier om te participeren of een manier om kandidaten te laten re-integreren. In beide gevallen verbetert het hebben van werk en een inkomen de levenskwaliteit en het welzijnsgevoel van de kandidaat.

Kan verdringing van vrijwilligers- en regulier werk wel voorkomen worden? Meerdere gemeenten geven aan dat maatwerkbanen niet ten koste mogen gaan van reguliere banen en vrijwilligerswerk. Ook in Nijmegen is dit het uitgangspunt. Een eenduidige conclusie of aanbeveling over verdringing is op basis van deze verkenning niet mogelijk. Dit zou ander en uitgebreider onderzoek vereisen. Op basis van de gevoerde gesprekken zijn er echter wel redenen om de vraag te stellen of maatwerkbanen zonder verdringing mogelijk zijn. Alleen de gemeente Rotterdam geeft aan dat verdringing van vooral vrijwilligerswerk nooit helemaal uitgesloten kan worden. In sommige gemeenten, zoals Den Haag, zien we verdringing direct terug omdat vrijwilligersfuncties zijn omgezet in STiP-banen. Bij andere gemeenten kunnen we ons afvragen hoe deze taken en functies anders ingevuld zouden worden. In Groningen worden basisbaners ingezet om taken als maatje van iemand anders uit te voeren. In Nijmegen en veel andere gemeenten, zijn maatjes vrijwilligers. 32

Vergelijkbare vragen komen op bij de verhouding tussen maatwerkbanen en reguliere banen met toepassing van loonkostensubsidie en/of no-riskpolis. Sommige gemeenten zetten kandidaten bijvoorbeeld in voor schoonmaakwerk, conciërgetaken en het beheer van openbare fietsenstallingen. Wanneer zijn deze taken additioneel en bovenformatief en wanneer vallen ze onder regulier werk? Mogelijk blijft de grens tussen deze vormen van werk altijd vaag en is dit iets dat geaccepteerd moet worden. Er zal dan altijd enige verdringing blijven, ook al wordt er geprobeerd dit te beperken.

Aanbevelingen vanuit het Nijmeegse perspectief Naast de vergelijking met andere gemeenten, hebben we gekeken naar de uitvoering van de Nijmeegse maatwerkbanen. Hieruit volgt een aantal lessen die we geleerd hebben uit de praktijk in Nijmegen.

Positionering van het project Zorg voor een goede positionering, aansturing en facilitering van het project. De maatwerkbaan is een complex instrument, waarvoor specifieke kennis en expertise op het gebied van re-integratie vereist zijn. Hiervoor is het belangrijk de projectleider goed in positie te brengen en de verbindende factor te laten zijn tussen de verschillende betrokken partijen, zonder hierbij zelf de uitvoering op te pakken.

Plek binnen de dienstverlening Geef de maatwerkbaan een duidelijke plek binnen de dienstverlening op het gebied van werk en re-integratie en zorg voor de juiste expertise bij de uitvoering. De re-integratietaak is in de regio Rijk van Nijmegen gemandateerd aan Werkbedrijf. Er is in dat kader een regionaal arbeidsmarktbeleid Participatiewet vastgesteld voor het hele Rijk van Nijmegen, met een bijbehorende regionale dienstverlening. Het is belangrijk dat de maatwerkbaan binnen deze dienstverlening past en niet overlapt of concurreert met bestaande instrumenten.

Werk vanuit praktijkervaringen Werk bij de keuze voor een voortzetting van de maatwerkbanen vanuit de praktijkervaringen en minder vanuit vastomlijnde kaders en criteria. Maatwerkbanen vragen om maatwerk, een individuele benadering in de uitvoering. Hierbij past alle ruimte om een persoonlijke inschatting te maken, gebaseerd op de mogelijkheden van de kandidaat.

33

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=26d6260b-580c-41c6-9c62-6ccefc879799