Nota van uitgangspunten voor het omgevingsplan deel 1
Tekst van het document
19
Informatieplicht
Een voorbeeld: een inrit van 4 meter breed is toegestaan. Informeert u het college hierover. Dit is een verplichting om informatie te verstrekken aan een bestuursorgaan voordat met een activiteit wordt begonnen of tijdens het uitvoeren van een activiteit. Hieraan is geen verbod gekoppeld. De informatieplicht heeft vooral een informerende functie, zonder dat het nodig is dat het bestuursorgaan in staat wordt gesteld een inhoudelijke beoordeling uit te voeren. De verplichting zorgt ervoor dat het bestuursorgaan op de hoogte is van de activiteit. Dit kan zinvol zijn als wij bepaalde zaken moeten registreren. Denk aan het bijwerken van wettelijk verplichte registraties.
Meldplicht
Een voorbeeld: een inrit is alleen toegestaan als minimaal twee weken voor de start van de werkzaamheden een melding bij het college is ingediend. Wanneer een activiteit mogelijk een zwaarder gevolg heeft voor de fysieke leefomgeving, kan ook gewerkt worden met meldingen. Van een melding is onder de Omgevingswet alleen sprake als deze is gekoppeld aan een verbod om de activiteit te verrichten zonder voorafgaande melding. De initiatiefnemer mag dus pas met de activiteit starten wanneer de melding is gedaan en de periode die volgens de algemene regels ten minste tussen het melden en het starten van de activiteit moet worden aangehouden, is verstreken. Het bestuursorgaan kan voorafgaand aan het starten van de activiteit nog handelingen verrichten, zoals het uitvoeren van een controle, beoordelen of het nodig is om aanvullende eisen in de vorm van maatwerkvoorschriften te stellen, zelf maatregelen treffen of de directe omgeving informeren over de voorgenomen activiteit. Als de melding tijdig wordt gedaan, is de activiteit toegestaan. Bij het formuleren van de regel moet wel worden gewaakt voor het ontstaan van een besluit waartegen bezwaar of beroep open staat. Dat is het geval als het college een besluit moet nemen op een melding.14
Vergunningplicht
Een voorbeeld: Een inrit is verboden zonder vergunning van het college. Het werken met een vergunningplicht ligt voor de hand als een norm voor een bepaalde activiteit niet concreet te maken is en een nadere afweging nodig is. Dat geldt bijvoorbeeld ook als een deskundige voor de activiteit nog een nadere beoordeling moet geven. Beoordelingsregels in het plan geven aan onder welke voorwaarde de vergunning verleend of geweigerd wordt.
Verbods- en gebodsbepalingen
Een voorbeeld verbodsbepaling: een tweede inrit bij een perceel is niet toegestaan. Een voorbeeld gebodsbepaling: elk perceel heeft een eigen inrit. Uitgangspunt is om de planregels zo positief mogelijk te stellen en zo min mogelijk een bepalingen om iets niet te mogen doen (verbodsbepalingen). Soms is een verbodsbepaling (in bepaalde gebieden) nodig en biedt het duidelijkheid. Ook kan het omgevingsplan, en dat is nieuw, een gebodsbepaling bevatten. Dus de verplichting om iets te doen.
Maatwerkvoorschriften
Een voorbeeld: In het omgevingsplan staat: Elk perceel mag een inrit hebben van 4 meter breed. Het college kan maatwerkvoorschriften opleggen. In een individuele beschikking staat vervolgens: het perceel mag 8 meter breed zijn (=maatwerkvoorschrift). De Omgevingswet geeft mogelijkheden en ruimte voor maatwerk. Dat kan onder meer door in het omgevingsplan onderwerpen aan te wijzen waarvoor het college maatwerkvoorschriften kan stellen. Dat zijn voorschriften waarmee algemene regels kunnen worden aangevuld, versoepeld, aangescherpt, maar ook waarvan kan worden afgeweken. Maatwerkvoorschriften worden opgenomen in een beschikking en zijn daarmee individuele besluiten die worden opgelegd aan diegene die een bepaalde activiteit verricht. Gedacht kan worden aan een bedrijf dat een bepaalde mate van geluidhinder mag veroorzaken in de omgeving. Het gebruik van maatwerkvoorschriften laten we afhangen van het concrete geval.
14 ECLI:NL:RVS:2015:14.
20
Omgevingswaarden
Een voorbeeld: vanaf 2030 is elke voortuin voor minimaal 50% verhard. Omgevingswaarden beschrijven wat de gewenste staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving is, welke belasting door activiteiten is toegestaan en hoeveel er maximaal van een bepaalde stof in de fysieke leefomgeving aanwezig mag zijn. Het zijn dus eigenlijk doelstellingen in de vorm van een juridische regel. Dat kan een getal zijn (meetbare of berekenbare eenheid), een formulering of een verbeelding. Zolang het maar objectief vast te stellen en meetbaar is. Een omgevingswaarde richt zich tot de overheid en is niet bindend voor particulieren of bedrijven. Tenzij de omgevingswaarde is omgezet in een algemene regels in het omgevingsplan. Als een omgevingswaarde in het omgevingsplan is opgenomen, dan gelden de volgende twee rechtsgevolgen: 1. programmaplicht: bij overschrijding of dreigende overschrijding van de waarde moet een programma worden opgesteld, waarbij wordt aangegeven hoe de omgevingswaarde alsnog wordt behaald. 2. monitoringsplicht: de staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving, de belasting door activiteiten of de concentratie of depositie van stoffen moet worden bewaakt door monitoring.
Wie dat doet en hoe dat wordt gedaan, wordt in de regels bepaald waarin ook de omgevingswaarden staan.15 Omgevingswaarden zijn sterk afhankelijk van de ambities van de gemeente, die worden opgenomen in Omgevingsvisie. In de Omgevingsvisie Nijmegen Stad in beweging, zijn geen Omgevingswaarden (in het vooruitzicht) gesteld. Omgevingswaarden worden pas in het omgevingsplan opgenomen indien dit volgt uit de (toekomstige actualisatie van de) Omgevingsvisie of een Programma.
Tot slot
Er zijn dus meerdere manieren om onderwerpen en activiteiten in het omgevingsplan te regelen en doelen in de fysieke leefomgeving te bereiken. Deze keuzes kunnen vooraf nog niet goed worden gemaakt. Als gevolg van kenmerken en ambities voor een gebied zullen er ook combinaties van varianten ontstaan in het omgevingsplan. De keuze tussen toepassing van een algemene regel of een vergunningplicht betekent onder meer een keuze tussen toetsing vooraf en toetsing achteraf. Een vergunningplicht geeft burgers en bedrijven (vooraf) meer zekerheid over de vraag of een activiteit is toegestaan. Uiteraard heeft de keuze ook gevolgen voor de leges. Als wordt voldaan aan informatieplicht, meldplicht of algemene regels ontvangt de gemeente geen leges. De keuze of bij een bepaalde regel gebruik wordt gemaakt van een vergunning- of meldplicht, wordt bij de inhoudelijke beoordeling van de om te zetten regels gemaakt. Naarmate de effecten op de directe leefomgeving groter zijn, zal gekozen worden voor toetsing en controle vooraf door middel van een (lichte of zwaardere) vergunningplicht. Uitgangspunten: • In het omgevingsplan worden zoveel mogelijk algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving opgenomen, eventueel met een informatie- of meldplicht. • Voor activiteiten waarbij vooraf een nadere afweging noodzakelijk is, nemen we een vergunningplicht op.
• Regels worden zo positief mogelijk gesteld in Duidelijke Taal. • Er wordt zorgvuldig en voorzichtig omgegaan met het opnemen van specifieke zorgplichten. Vooraf kan nog niet bepaald worden of, en voor welke onderdelen, gebruik gemaakt wordt van maatwerkvoorschriften en omgevingswaarden in het omgevingsplan.
15 Functies toedelen aan locaties met de Omgevingswet, mr. Trees van der Schoot, Van Leijen Academie, maart 2022.
21
3.10 Open of gesloten normen In de huidige bestemmingsplannen wordt gewerkt met gesloten normen, zoals ‘de bouwhoogte mag maximaal 10 meter zijn’. Met een dergelijke regel is direct duidelijk wat er wordt bedoeld. In het omgevingsplan is het mogelijk om ook open normen / kwalitatieve beschrijvingen op te nemen in de regels, zoals bijvoorbeeld: ‘de bouwhoogte moet passen binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur’. In beleidsregels kan deze open norm verder worden uitgewerkt. Open normen bieden uiteraard meer flexibiliteit en beoordelingsvrijheid. Daartegenover staat dat ze minder duidelijk zijn en een gemeentelijke toets (vrijwel) altijd noodzakelijk is. Bovendien kan de toepassing van open normen zorgen voor onduidelijke situaties. Daarmee kan rechtszekerheid van omwonenden in geding zijn. De afgelopen jaren is in het kader van de zogenaamde ‘verbrede reikwijdte’ al geëxperimenteerd met open normen. Uit jurisprudentie over deze experimenten blijkt dat open normen voldoende concreet en objectief begrenst moeten zijn.16 Bij het toepassen van open normen zullen we hiermee rekening houden. Open normen zijn dus niet altijd en onbegrensd mogelijk. In zijn algemeenheid is behoefte aan duidelijke regels en normen.
Doorgaans willen burgers en bedrijven direct weten waar ze aan toe zijn en met zekerheid kunnen beoordelen dat hun plan (of het plan van de buren) voldoet aan de regels. Ook vergunningverleners, toezichthouders en handhavers willen heldere toetsingskaders. Dit scheelt tijd en werk, vereenvoudigd een afweging en zorgt voor duidelijkheid op het gebied van recht. Om deze wensen en redenen wordt, in ieder geval voor de veel voorkomende activiteiten, uitgegaan van zoveel mogelijk gesloten normen. Dit komt ten goede aan de dienstverlening richting burgers en bedrijven. Bijkomend voordeel is dat deze zich ook makkelijker laten vertalen in toepasbare regels, waardoor burgers en bedrijven zelf kunnen nagaan of zij een vergunning moeten aanvragen. Gesloten normen kunnen immers eenvoudig via een beslisboom digitaal worden ontsloten. Bij complexere initiatieven en ontwikkelingen/activiteiten die wenselijk worden geacht, maar een behoorlijke impact kunnen hebben, ligt het gebruik van open normen meer voor de hand. In deze situatie willen we meer flexibiliteit en creatieve vrijheid inbouwen voor de ontwikkelaar. Een nadere afwegings- en toetsmoment is dan van belang. Ook thema’s als parkeren, archeologie en welstand lenen zich meer voor open normen. Dit zijn thema’s waaraan vaak een subjectieve beoordeling ten grondslag ligt. Zo kan een beeldkwaliteitsplan als norm worden opgenomen.
Door een open norm te stellen en deze te koppelen aan beleidsregels buiten het plan (dynamische verwijzing) ontstaat flexibiliteit en kan worden ingespeeld op maatschappelijke behoeftes en actuele ontwikkelingen. Beleidsregels kunnen worden aangepast zonder dat het omgevingsplan hoeft te worden gewijzigd. Ten slotte kan advies van een ketenpartner nodig zijn. Wanneer open normen een duidelijk voordeel bieden voor burgers en bedrijven zullen we hier gebruik van maken. Uitgangspunten: • Voor veel voorkomende activiteiten worden zo veel mogelijk gesloten normen opgenomen. • Voor complexere initiatieven en ontwikkelingen/activiteiten waarbij afwegingsruimte en flexibiliteit gewenst is, kijken we naar de mogelijkheid op te werken met open normen, met een nader toets- en adviesmoment.
3.11 Omgevingsvergunning Gemeenten krijgen onder de Omgevingswet meer vrijheid om te bepalen of een omgevingsvergunning noodzakelijk is. Uitgaande van het gedachtegoed van de Omgevingswet, zou het opnemen van een vergunningplicht eerder een uitzondering dan regel moeten zijn. Burgers en bouwers staan over het algemeen niet negatief tegenover een vergunningplicht, omdat met een vergunning de activiteit mag worden uitgevoerd en zij daar ook een bewijs van hebben.
16 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 27 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2388.
22
Het streven is om voor zoveel mogelijk activiteiten algemene regels te maken volgens de bedoeling van de Omgevingswet. Hiermee worden onnodige vergunningsprocedures voorkomen en wordt de druk op lasten beperkt. Echter naarmate de effecten van activiteiten op de directe omgeving groter worden, zijn algemene regels niet voldoende om belangen af te wegen. Dan wordt gekozen voor toetsing en controle vooraf door middel van een vergunningplicht. Minder vergunningen, betekent ook minder leges. Dit terwijl de gemeentelijke kosten nagenoeg gelijk blijven: het werk verschuift van vergunningverlening naar handhaving en toezicht. Binnenplanse en buitenplanse omgevingsplanactiviteiten Het college is bevoegd tot het verlenen van een omgevingsvergunning. De raad geeft hier sturing aan door in het omgevingsplan te bepalen of er wel of geen vergunningplicht voor activiteiten geldt. Maar ook door beoordelingsregels en beleidsregels vast te stellen. Een activiteit die voldoet aan de regels in het omgevingsplan, en een vergunningplicht heeft, wordt een binnenplanse omgevingsplanactiviteit genoemd. Er zijn ook activiteiten die binnen het omgevingsplan niet mogelijk zijn, maar waarbij toch beoordeeld moet worden of de activiteit vergund kan worden met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit zijn buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (BOPA).
De raad kan hierbij gevallen aanwijzen waarbij de raad over een aanvraag wil adviseren. Dit is vergelijkbaar met de huidige ‘verklaring van geen bedenkingen’ bij afwijkingen van het bestemmingsplan. Deze lijst van gevallen heeft de raad inmiddels vastgesteld en komt grotendeels overeen met de huidige ‘verklaring van geen bedenkingen’. Bij een BOPA moet sprake zijn van een concreet en voldoende afgebakend bouwplan. Het is niet mogelijk om met een BOPA regels voor derden te wijzigen. Een evenwichtige toedeling van functies moet daarom te bereiken zijn, zonder te tornen aan regels buiten de grenzen van het initiatiefplan. Het is bijvoorbeeld niet mogelijk om met een BOPA een agrarisch bedrijf weg te halen, om een nieuwe woonwijk te kunnen bouwen. Daarnaast is herhaalde toepassing met de BOPA niet mogelijk. Een BOPA moet binnen 5 jaar zijn verwerkt in het omgevingsplan. Dit geldt niet voor de BOPA’s die voor 2025 onherroepelijk worden, die hoeven pas in 2030 te zijn ingepast. Reguliere procedure met nieuwe beslistermijn Voor de afhandeling van een aanvraag omgevingsvergunning geldt straks in principe een beslistermijn van 8 weken. Het bevoegd gezag kan deze termijn eenmalig met 6 weken verlengen. Op dit moment geldt voor complexe gevallen een termijn van 26 weken.
Deze nieuwe korte, reguliere procedure geldt dus ook voor de complexere aanvragen en ook voor die gevallen waarbij het adviesrecht van de raad geldt. In de wet zijn een paar uitzonderingen opgenomen waarvoor de uitgebreide procedure geldt, bijvoorbeeld als voor het besluit ook een milieueffectrapportage moet worden gemaakt. Het bevoegd gezag mag de uitgebreide procedure ook toepassen als de aanvrager daar om vraagt of ermee instemt, en als is voldaan aan de volgende open normen: ‘De mogelijkheid voor het bevoegd gezag tot het van toepassing verklaren van de uitgebreide procedure is beperkt tot een “activiteit die aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben op de fysieke leefomgeving” en “waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen hebben”.17 Op dit moment ontstaat er een vergunning van rechtswege als een vergunning niet binnen de beslistermijn is verleend (of geweigerd). Onder de Omgevingswet ontstaat er geen vergunning van rechtswege meer. Wel is de Wet dwangsom van toepassing. Omgevingstafel De totale doorlooptijd van complexe/grote projecten zoals de realisatie van meerdere woningen zal door de Omgevingswet waarschijnlijk niet veel veranderen. Er vindt vooral een verschuiving van het werk plaats. Er zal meer vooraf worden afgestemd in een vooroverleg.
Het inrichten van goed gestructureerd en efficiënt vooroverleg met gemeente, initiatiefnemer en ketenpartners is van belang om aanvragers duidelijkheid te geven over wat voor het uitvoeren van het project nodig is. In het ideale geval wordt de officiële aanvraag pas ingediend als het plan uitgewerkt is en kan de vergunning dan snel worden verleend. In sommige gevallen zal een wijziging van het omgevingsplan nodig zijn.
17 Artikel 16.65, vierde lid, Omgevingswet
23
Om een nieuwe en snelle wijze van vergunningverlening onder de Omgevingswet mogelijk te maken, heeft de VNG ‘de intaketafel’ en ‘de Omgevingstafel’ ontwikkeld. Het idee is dat een klein team van gemeenteambtenaren eerst kijkt of een binnengekomen initiatief wenselijk is. Als dit het geval is, schuiven meerdere experts (van bijvoorbeeld ruimtelijke ordening, milieu en bouwen) en ketenpartners (zoals Rijkswaterstaat en het waterschap) aan bij de Omgevingstafel. In Nijmegen werken we nu met ‘het initiatievenoverleg’. Hier worden initiatieven met meer dan tien woningen besproken, die niet passen in het bestemmingsplan. In de loop van de tijd zal worden bekeken of dit overleg nog aanpassing behoeft. Omgevingsvergunning bouwen: de knip Belangrijk om te weten, is dat de omgevingsvergunning voor het bouwen in de Omgevingswet wordt geknipt in een vergunning voor het bouwkundig deel (de technische bouwactiviteit) en een vergunning voor het ruimtelijk deel (de omgevingsplanactiviteit). Door deze splitsing dient voor beide onderdelen een afzonderlijke toetsing plaats te vinden. Het is mogelijk dat er geen, één of twee vergunningen nodig zijn. Bij het bouwkundig deel gaat het om de technische voorschriften waaraan het bouwwerk moet voldoen, zoals brandveiligheid en daglichttoetreding. Deze staan nu vermeld in het Bouwbesluit en gaan over naar het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Bovendien zal de technische toets in veel gevallen voortaan niet meer door gemeente, maar door een onafhankelijke kwaliteitsborger (een onafhankelijke private toetser) worden uitgevoerd. Dit wordt geregeld door de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb), die ook op 1 januari 2023 in werking zal treden. In het kader van de Wkb blijft het bevoegd gezag een rol houden (afhandeling meldingen) en blijven ze verantwoordelijk voor de handhaving. De vergunning voor het ruimtelijk deel wordt getoetst aan de regels in het omgevingsplan en dus door de gemeente zelf. De ‘knip’ is ook van toepassing op het vergunningvrij bouwen. Op dit moment geldt voor vergunningvrij bouwen nog landelijke regelgeving. De meeste bouwwerken die onder de huidige regelgeving vergunningvrij zijn, zijn ook in de Omgevingswet (Bbl) vrijgesteld van de bouwkundige toets. Voor wat betreft de ruimtelijke toets (omgevingsplanactiviteit) geldt dat een deel van de vergunningvrije bouwwerken onder de landelijke regelgeving (Bbl) blijft vallen (zoals een dakkapel of zonnepanelen). Maar het grootste deel van de vergunningvrije bouwwerken is opgenomen in de bruidsschat en zullen een plek krijgen in het omgevingsplan. Gemeenten mogen hierbij zelf bepalen of zij de regels willen wijzigen, schrappen of overnemen.
Bij het analyseren van de bruidsschat moeten hierin keuzes worden gemaakt, die per gemeente kunnen verschillen. Uitgangspunt is niet om huidige vergunningvrije bouwwerken weer vergunningplichtig te maken, maar om te kijken of er voor meer bouwwerken geen vergunningplicht nodig is. Daarbij zal de aandacht gericht zijn op het duidelijker en inzichtelijker maken van de regelgeving voor vergunningvrij bouwen, omdat deze nu als heel ingewikkeld wordt ervaren. Uitgangspunten: • We streven ernaar om het aantal vergunningplichten te verminderen en te vereenvoudigen. Onnodige vergunningprocedures worden voorkomen. • Voor complexere aanvragen vindt efficiënt en gestructureerd vooroverleg plaats met initiatiefnemer en ketenpartners. Het concept van de Omgevingstafel speelt hierbij een rol. • De regels voor vergunningvrij bouwen worden, waar mogelijk en wenselijk, verruimd en duidelijker en inzichtelijker gemaakt.
24
3.12 Bruidsschat Met de Omgevingswet is er sprake van een grootschalige decentralisatie. Honderden rijksregels verhuizen naar de gemeente en maken, in de overgangsfase tot 2030, wettelijk onderdeel uit van het omgevingsplan (het tijdelijk deel). Dit wordt de bruidsschat genoemd.18 Dit is beleidsneutraal of beleidsarm gedaan: de essentie van de regels is ongewijzigd. De bruidsschat is aangepast aan de terminologie van de Omgevingswet maar voldoet nog niet aan alle eisen van de Omgevingswet. Bovendien is het lokaal maatwerk nog niet vormgegeven. We moeten dus met de bruidsschat aan de slag! Waarom is er een bruidsschat? Met de bruidsschat worden de regels op lager niveau ondergebracht vanuit de gedachte dat deze regels vooral een lokaal effect hebben. De lokale wetgever kan het beste bepalen welke regels voor een specifieke locatie moeten gelden. De ruimte die zo voor de gemeenteraden ontstaat om te besluiten over zaken waar voorheen het rijk het bevoegd gezag was, wordt bestuurlijke afwegingsruimte genoemd. Wat zit er in de bruidsschat? De bruidsschat bestaat uit regels die ruwweg zijn onder te verdelen in drie thema’s. Hieronder zijn de thema’s genoemd én zijn per thema activiteiten genoemd die daarvan onderdeel uitmaken.
Thema 1 Activiteiten met betrekking tot bouwen, open erven en terreinen • Het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden; • Bouwen en in stand houden van bouwwerken, open erven en terreinen; • Gebruik van bouwwerken; • Vergunningplichten met betrekking tot het bovenstaande; • Cultureel erfgoed; Thema 2 Milieubelastende activiteiten • Energiebesparing; • Zwerfafval • Geluid; • Trillingen; • Geur; • Afvalwaterbeheer; • Lozen van afvalwater; • Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen; • Lozen bij maken van betonmortel; • Uitwassen van beton; • Recreatieve visvijvers; • Ontwikkelen en afdrukken van fotografisch materiaal; • Wassen van motorvoertuigen; • Niet-industriële voedselbereiding; • Voedingsmiddelenindustrie voor wat betreft geur; • Slachten van dieren; • Opwekken van elektriciteit met een windturbine; • In werking hebben van een acculader; • Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage; • Traditioneel schieten; • Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht; • Opslaan van vaste mest; • Opslaan van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen; • Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren en vogels.
18 De bruidsschat is grotendeels opgenomen in hoofdstuk 7 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Daarnaast worden regels aan de
bruidsschat toegevoegd via de aanvullingssporen bodem, geluid, grondeigendom en natuur. Een geconsolideerde versie van de bruidsschat is te vinden op iplo.nl.
25
Thema 3 Overige activiteiten • Aanvraagvereisten voor het aanvragen van een omgevingsvergunning: o Uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid o Slopen van een bouwwerk o Afwijken van de regels van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan (gebruik van locatie of bouwwerk) o Aanwijzen/voorbeschermen gemeentelijk monument en aanvraagvereisten omgevingsvergunning gemeentelijk monument o Uitweg o Alarminstallatie o Vellen houtopstand o Handelsreclame o Opslaan roerende zaken • Voorschriften over archeologische monumentenzorg Wat zijn de mogelijkheden met de bruidsschat? Op dit moment zijn deze regels nog geschreven als één norm die overal in heel Nederland geldt. Gemeenten mogen onder de Omgevingswet zelf een afweging maken hoe ze deze onderwerpen willen regelen. Dit is mogelijk vanaf het moment van inwerkingtreding van de wet. Er zijn dan drie mogelijkheden: 1.
2.
3.
Overnemen. De eerste mogelijkheid is dat (een deel van) de bruidsschatregels voldoen aan het uitgangspunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties en in overeenstemming zijn met instructie(regel)s. In dat geval kunnen de regels worden overgenomen in het definitieve deel van het omgevingsplan. Schrappen. De tweede mogelijkheid is dat (een deel van) de bruidsschatregels in het belang van een evenwichtige toedeling van functies, met het oog op instructie(regel)s en gezien de lokale situatie gemist kunnen worden.19 De gemeenteraad kan in dat geval besluiten de bruidsschatregels niet over te nemen en een omgevingsplan zonder deze regels vast te stellen. Aanpassen. De derde variant is dat de bruidsschatregels in het kader van een evenwichtige toedeling van functies, met het oog op instructie(regel)s en gezien de lokale situatie gewijzigd moeten worden. De regel kan strenger of soepeler worden. In dat geval stelt de raad in het definitieve omgevingsplan een gewijzigde regeling vast.
Hoe en wanneer zetten we de bruidsschat om naar het definitieve Omgevingsplan? De bruidsschatregels maken automatisch onderdeel uit van het tijdelijk omgevingsplan. Voor 2030 maken we een keuze of en hoe we de regels overzetten naar het definitieve omgevingsplan. Dit hoeft niet in één keer. Er zijn twee mogelijkheden om de bruidsschatregels over te zetten: per locatie of per thema. Na 2030 komen de bruidsschatregels overigens niet wettelijk te vervallen.20 De Omgevingswet bevat geen sanctie voor het geval gemeenten de regels niet tijdig hebben omgezet. Toch kan het niet tijdig omzetten wel rechtsgevolgen hebben. Voor zover het omgevingsplan na de overgangsperiode nog (bruidsschat)regels bevat die in strijd zijn met de instructieregels, kunnen die regels onder omstandigheden door de bestuursrechter onverbindend worden verklaard of buiten toepassing worden gelaten. Het omzetten van de bruidsschatregels naar het definitieve omgevingsplan doen we door een procedure tot het wijzigen van het omgevingsplan te doorlopen. Zoals toegelicht in paragraaf 3.1 willen we de bruidsschatregels zo veel mogelijk meenemen in de actualisatieplannen (spoor 2). Als het wenselijk, noodzakelijk of efficiënter is om delen van de bruidsschat in de andere sporen mee te laten lopen, dan doen we dat.
19 Zie N. Fikke & A.M.M. van der Wijst, ‘De echte schat van de bruidsschat: van rijksregels naar regels die echt goed passen’, M en R
2019/117, afweging 1. 20 Zie hierover Handboek Omgevingsplan, Hekkelman, p. 30.
26
We gaan als volgt aan de slag: 1. Inventariseren en analyseren We starten met het doornemen van de circa 300 bruidsschatregels. Hierbij maken we sets van regels die min of meer bij elkaar horen. Bijvoorbeeld alle regels die gaan over vergunningvrij bouwen. 2. Op het moment dat we een set regels of één regel oppakken gaan we na of de beleidsruimte wordt begrensd. Bijvoorbeeld door instructieregels van het rijk of de provincie. Bij de afweging gaan we uit van ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. 3. Om een goede beoordeling en keuzes te maken, is advies en expertise nodig van onder andere de Omgevingsdienst (ODRN) en de Veiligheidsregio (VRGZ). Ook zal, op onderdelen, afstemming moeten plaatsvinden met het waterschap. Met deze partners wordt intensief samengewerkt in dit proces. Ook heeft het voordelen om met de omliggende gemeenten te kijken naar onderwerpen waarin we samenwerken. Zoals bijvoorbeeld milieu. De ODRN kan efficiënter werken wanneer regels in de regio gelijk zijn of gelijk van opbouw. Uiteraard beslist uiteindelijk de gemeenteraad over de norm die we in Nijmegen opnemen. 4. Beleidsafweging. Wat willen we vanuit beleidsmatig opzicht met de regel doen? Overnemen, schrappen of aanpassen. En geldt dat voor het gehele grondgebied van Nijmegen of maken we verschil per locatie? Hierbij houden we rekening met de ’geest’ van de Omgevingswet.
De Omgevingswet gaat uit van minder regels, meer zorgplichten, eventueel een algemene regel (zoals een meldingssysteem) en als het echt niet anders kan een vergunningplicht of een algeheel verbod. Dat wil zeggen dat we nadenken over nut en noodzaak voor de regeling. We gaan ook na of voor een ander type regel (regime) kan worden gekozen. Regels over zaken die in Nijmegen niet kunnen voorkomen en zeker niet passen bij de lokale situatie worden geschrapt. 5. Tot slot moet het omgevingsplan daadwerkelijk worden gewijzigd. Uitgangspunten: • De bruidsschatregels worden aangepakt bij het actualiseren van het omgevingsplan (spoor 2 ) en als het noodzakelijk, efficiënt of wenselijk is, kunnen ze ook worden meegenomen bij een thematisch wijziging of bij het mogelijk maken van een nieuwe ontwikkeling (spoor 1 en 3). • Regels die in Nijmegen niet kunnen voorkomen en zeker niet passen bij de lokale situatie worden geschrapt.
3.13 Participatie Participatie is een belangrijke pijler onder de Omgevingswet. Met participatie wordt in de Omgevingswet bedoeld “het in vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van besluitvorming over een project of activiteit om tijdig belangen, meningen en creativiteit op tafel te krijgen”. Het gaat nadrukkelijk om het betrekken van partijen bij het besluitvormingsproces vóórdat formele besluitvorming van start gaat. Vroegtijdige participatie moet mensen in staat stellen mee te denken aan een nog te maken keuze voor de toekomst van een gebied of locatie. Participatie hoeft niet te leiden tot overeenstemming en kan variëren van informeren tot meebeslissen. Participatie is maatwerk en de vorm is afhankelijk van het initiatief. Het moet volgens de wetgever zorgen voor betere besluiten, meer draagvlak en snellere procedures. De Omgevingswet regelt wanneer participatie verplicht is. Iedere gemeente is verplicht om participatiebeleid op te stellen, waarin wordt vastgelegd hoe participatie vorm te geven en welke eisen daarbij gelden. Het participatiebeleid van Nijmegen zal in september aan de raad ter vaststelling worden voorgelegd.
Wanneer is participatie verplicht? Na inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt het verplicht om bij het maken van een Omgevingsvisie, Programma of omgevingsplan participatie toe te passen. We hebben een motiveringsplicht. Dat betekent dat wij bij de besluitvorming moeten aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding van het besluit en wat daarvan het resultaat was. Bij een omgevingsplan moet bovendien vooraf in de kennisgeving worden aangegeven hoe het participatietraject eruit komt te zien: wie we betrekken, waarover en wanneer. Wat onze rol is en wat de rol is van de initiatiefnemer, en waar meer informatie beschikbaar komt.
27
Bij het instrument omgevingsvergunning is participatie niet verplicht. Participatie wordt wel gestimuleerd. Voor activiteiten die binnen het omgevingsplan vallen en waar een vergunning voor nodig is, is in de wet een aanvraagvereiste opgenomen. Dit betekent dat de aanvrager bij de vergunningaanvraag moet aangegeven óf er participatie heeft plaatsgevonden en zo ja, hoe hij/zij dat heeft gedaan en wat er met de resultaten is gedaan. De initiatiefnemer is zelf verantwoordelijk om belanghebbenden te informeren/betrekken en mag ook zelf bepalen of, en op welke manier, dat wordt gedaan. Het is niet mogelijk om initiatieven af te wijzen als de initiatiefnemer heeft afgezien van participatie. Er is in het kader van de omgevingsvergunning één uitzondering. De omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit: de BOPA. Met deze omgevingsvergunning kan een activiteit worden mogelijk gemaakt die in strijd is met het omgevingsplan. In principe geldt voor de BOPA dat participatie niet verplicht is, maar de gemeenteraad kan gevallen aanwijzen waarin participatie wel verplicht is. Bij het vaststellen van het gemeentelijk participatiebeleid, zal ook een besluit worden genomen over in welke gevallen we participatie verplicht stellen bij de BOPA.
Paraplu-participatieplan voor actualisatieplannen Stapsgewijs gaan we aan de slag met het aanpassen van het tijdelijk omgevingsplan, met de ruimtelijke regels en de bruidsschat, naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Voor deze plannen maken we een parapluparticipatieplan waarin we uitleggen hoe we de participatie willen vormgeven. Dit participatieplan moet voldoende ruimte geven om bij elk actualisatieplan te doen wat nodig is en aan te sluiten bij de behoeften. In de kennisgeving voorafgaand aan de formele procedure van het actualisatieplan, geven we aan hoe participatie wordt vormgegeven. Hierbij is het participatieplan de kapstok. Uitgangspunten: • Participatie voor een omgevingsplan vindt in een zo vroeg mogelijk stadium plaats, voor de start van de formele procedure; • Participatie is maatwerk; • In het participatiebeleid wordt nader uitgewerkt wat wij als gemeente verwachten van participatie. Dit stuk wordt separaat aan de gemeenteraad aangeboden • In welke gevallen participatie bij een BOPA verplicht is, wordt besloten bij het participatiebeleid. • Voor het omzetten van het tijdelijk deel naar het nieuwe deel van het omgevingsplan (spoor 2), wordt een paraplu-participatieplan gemaakt, die als kapstok dient voor de verschillende wijzigingen.
3.14 Delegatie Het vaststellen en wijzigen van het omgevingsplan blijft een bevoegdheid van de gemeenteraad. De bevoegdheid van het college om het bestemmingsplan te kunnen wijzigen, komt onder de Omgevingswet niet terug. Wel krijgt de gemeenteraad de bevoegdheid om het wijzigen van delen van het omgevingsplan te delegeren aan het college. De wetgever geeft aan dat het moet gaan om (onder)delen van het omgevingsplan. Het is niet mogelijk om het wijzigen van het gehele plan te delegeren aan het college. In het delegatiebesluit wordt bepaald binnen welke grenzen en onder welke voorwaarden de bevoegdheid kan of moet worden uitgeoefend. De grenzen van de gedelegeerde bevoegdheid moeten zo concreet en nauwkeurig mogelijk worden geformuleerd. Dat is belangrijk voor de kenbaarheid en rechtszekerheid. De afbakening mag niet afhankelijk worden gemaakt van door het college te maken beleidskeuzes. Open normen ter afbakening van de delegatiebevoegdheid zijn wel mogelijk, mits concreet en objectief begrensd. Vanuit het oogpunt van efficiency, flexibiliteit en dienstverlening is delegatie op onderdelen wenselijk. Het voorkomt dan continue een wijziging van het omgevingsplan op de raadsagenda komt te staan en maakt het mogelijk om sneller in te spelen op actuele inzichten en omstandigheden.
28
Vooruitlopend op de inhoud van en het werken met het omgevingsplan, delegeren we de bevoegdheid om het omgevingsplan te wijzigen voor de volgende gevallen: het opnemen van onherroepelijke omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (BOPA) in het omgevingsplan. Onder de Omgevingswet blijft het mogelijk om ontwikkelingen die afwijken van het omgevingsplan mogelijk te maken. Het college kan een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) verlenen. Hierover lees je meer in paragraaf 3.11 Omgevingsvergunning. De gemeenteraad verwerkt deze BOPA-vergunningen binnen 5 jaar in het omgevingsplan. Hiertegen kan geen bezwaar worden gemaakt of beroep worden ingesteld. De raad stuurt op hoofdlijnen en het vertalen van een al verleende omgevingsvergunning is een administratieve handeling. Daarom leent deze bevoegdheid zich goed voor delegatie. het nemen van een voorbereidingsbesluit met het oog op de voorbereiding van in het omgevingsplan op te nemen regels. Onder de Wet ruimtelijke ordening is het mogelijk om een voorbereidingsbesluit te nemen. Deze bevoegdheid ligt bij de raad. Deze bevoegdheid bestaat ook onder de Omgevingswet. Door deze bevoegdheid te delegeren, is het niet langer nodig om geheimhouding op te leggen.
Het voorbereidingsbesluit omvat ook het toekennen van een voorlopige aanwijzing tot een gemeentelijk monument (tot voorbeschermd gemeentelijk monument). Bovendien kan het college (vanwege een kortere voorbereiding en het wekelijks vergaderen) in voorkomende gevallen zeer snel en slagvaardig handelen. het uitvoering geven aan wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsverplichtingen tenzij de wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsverplichtingen zijn omgezet tot beoordelingsregels voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteitvergunning; Onder de Omgevingswet vervallen de wijzigingsbevoegdheid en de uitwerkingsverplichting. De huidige bestemmingsplannen bevatten deze nog wel. Deze wijzigings- en uitwerkingsregels worden onder de Omgevingswet, gedeeltelijk omgevormd tot een beoordelingskader voor binnenplanse omgevingsplanactiviteitvergunningen voor bouwwerken.21 Een dergelijke vergunning kan worden verleend, indien de activiteit in overeenstemming is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht. Is er bij een aanvraag geen sprake van bouwen of het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, dan geldt dit niet en kan dus geen binnenplanse omgevingsplanactiviteitvergunning worden verleend. In deze gevallen kan de bevoegdheid om het omgevingsplan te wijzigen, aan het college worden gedelegeerd.
Hiermee kunnen we sneller meewerken aan een initiatief bij gevallen waarmee de raad al eerder heeft ingestemd. kennelijke verschrijvingen en wijzigingen van technische aard. Helaas ontstaan soms onjuistheden in een plan. Bijvoorbeeld door een verwijzing niet aan te passen. Het corrigeren van verschrijvingen, verkeerder verwijzingen. Evidente onjuistheden in het omgevingsplan is een bevoegdheid die zich voor delegatie leent. Dat geldt ook voor het doorvoeren van wijzigingen van technische aard. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat het werkingsgebied verkeerd is omgezet. Deze moet dan worden herstelt. Alhoewel het delegatiebesluit geen onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan, kan het wel gelijktijdig worden vastgesteld. In het kader van de voorspelbaarheid van de besluitvorming is het van belang om actief over het delegatiebesluit te communiceren. Het besluit wordt gepubliceerd op overheid.nl. Het college informeert de gemeenteraad over de krachtens delegatie genomen besluiten. Dit vindt plaats door verstrekking van de collegebesluitenlijst aan de gemeenteraad.
21 Artikel 22.32, eerste lid, Invoeringsbesluit Omgevingswet
29
Uitgangspunten: • Delegatie van onderdelen van het omgevingsplan aan het college is wenselijk. De volgende bevoegdheden worden gedelegeerd: o het opnemen van onherroepelijke omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten in het omgevingsplan. o voorbereidingsbesluit; o in bepaalde gevallen uitvoering geven aan wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsverplichtingen; o wijzigen van kennelijke verschrijvingen en wijzigingen van technische aard. • Het college informeert de gemeenteraad over de krachtens delegatie genomen besluiten door de collegebesluitenlijst ter beschikking te stellen.
30