Nota Bodembeheer Gemeente Nijmegen 2021
Tekst van het document
Voor grond die van buiten het grondwaterbeschermingsgebied in Nijmegen afkomstig is geldt voor alle PFAS 0,1 m.u.v. toepassing van PFOA en PFOS in traject 1 dan geldt 0,5 ug/kg d.s. als die grond wordt toegepast binnen het grondewaterbeschermingsgebied in Nijmegen. Voor de toepassing van grond in het waterwingebied geldt voor alle PFAS dat de concentratie moet voldoen aan 0,1 ug/kg d.s. muv PFOA en PFOS. Voor deze stoffen geldt een bovengrens van 0,5 ug/kg. Zie ook tabel 6 in paragraaf 4.6. 4 Methodiek voor de vaststelling van normen In de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten (3 september 2007) wordt beschreven hoe de bodemkwaliteit moet worden berekend en een bodemkwaliteitskaart moet worden opgesteld. De verschillende stappen zijn hieronder aangegeven en worden, voor zover noodzakelijk voor het vaststellen van LMW voor PFAS, gevolgd. In de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten is aangegeven dat de stappen niet chronologisch gevolgd hoeven te worden. Stap 1: Opstellen programma van eisen. Stap 2: Vaststellen onderscheidende gebiedskenmerken. Stap 3: Gegevensverzameling en gegevensbewerking. Stap 4: Indelen beheergebied in deelgebieden. Stap 5: Controle indeling van het beheergebied. Stap 6: Verzamelen aanvullende informatie. Stap 7: Vaststellen bodemkwaliteitszones (karakterisering).
Stap 1 Programma van eisen van Nijmegen: • Het beheergebied van de bodemkwaliteitskaart omvat het grondgebied van de gemeente Nijmegen. • De bodemkwaliteitskaart wordt aangevuld met PFAS voor de landbodem van het beheergebied voor 2 bodemlagen: de visueel verontreinigde en geroerde bovenlaag (traject 1) en de visueel schone ongeroerde onderlaag (traject 2). • De volgende locaties/gebieden worden uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart: o Locaties met, of die verdacht zijn voor, een sterke bodemverontreiniging, waaronder ook Rijkswegen, provinciale wegen en (spoor)wegbermen o (Voormalige) stortplaatsen (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart). o Gesaneerde locaties in het kader van de Wet bodembescherming (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart). o Waterbodems (andere beheerorganisaties) met uitzondering van de drogere oevergebieden zoals gedefinieerd in de Waterregeling 22. o Het grondwater.
22
Waterregeling, publicatie Staatscourant 7 december 2009, inclusief update 1 januari 2014.
•
De gegevens voor de bodemkwaliteitskaart voor PFAS zijn afkomstig van onderzoek naar het voorkomen van PFAS in gemeente Nijmegen (uitgevoerd door Tauw).
Het vaststellen van de onderscheidende gebiedskenmerken (Stap 2), de indeling van het beheergebied in deelgebieden (Stap 4) en de controle van de indeling van het beheergebied (Stap 5) is niet nodig voor het vaststellen van de bodemkwaliteit voor PFAS. Omdat we nog geen gegevens hebben is stap 3 niet aan de orde en is op basis van stap 6 aanvullend onderzoek uitgevoerd om gegevens te verzamelen over het voorkomen van PFAS. In de tabellen 2 en 3 zijn de statistische kentallen opgenomen voor de stoffen die deel uitmaken van de advieslijst PFAS. 5 Bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel Naast toetsingskader om te bepalen wat de kwaliteit moet zijn van te hergebruiken grond, kan de bodemkwaliteitskaart voor PFAS ook gebruikt worden als bewijsmiddel voor de kwaliteit van binnen Nijmegen vrijkomende grond die binnen Nijmegen wordt hergebruikt. Dit mag volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten als de P95 niet hoger ligt dan de interventiewaarde. Voor de stoffen die deel uitmaken van de advieslijst PFAS is nog geen interventiewaarde bekend, maar de P95 overschrijdt in Nijmegen voor geen van die stoffen de toepassingsnorm voor landbouw/natuur. De norm die nu wordt gehanteerd voor landbouw/natuur is gelet op de onderbouwing in het tijdelijk handelingskader een veilige norm die niet boven de nog vast te stellen interventiewaarde ligt 23 .
In de nota bodembeheer is een toetsing opgenomen om te bepalen of de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan worden gebruikt. Als daar niet aan wordt voldaan, kan de bodemkwaliteitskaart niet als bewijsmiddel worden gebruikt. Dit geldt ook voor PFAS. • Van de toe te passen grond mag geen andere geldige milieuhygiënische verklaring beschikbaar zijn. Als er wel een andere geldige milieuhygiënische verklaring beschikbaar is, moet deze gebruikt worden in plaats van de bodemkwaliteitskaart. • Uitvoeren van vooronderzoek en bodemonderzoek bij (on)verdachte locaties: Om te bepalen of een locatie onverdacht of verdacht is moet een vooronderzoek worden uitgevoerd, waarbij ook de milieuatlas en de historische kaarten atlas van de gemeente Nijmegen worden geraadpleegd: https://kaart.nijmegen.nl/milieu en https://kaart.nijmegen.nl/historie/ Verdachte locaties Op verdachte locaties moet een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 en NEN 5707 beschikbaar zijn. Bij verdachte locaties hadden of hebben namelijk bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden, waardoor een reële kans bestaat op een verontreiniging van de bodem. Denk hierbij bijvoorbeeld ook aan locaties waar grote branden zijn geblust met schuim.
Onverdachte locaties Op onverdachte locaties is het niet nodig een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren, maar als dit bodemonderzoek aanwezig is, moeten deze gegevens wel worden meegenomen. Dit om de kans op een onterechte beslissing of de kwaliteit van de grond voldoet aan de bodemkwaliteitskaart zo klein mogelijk te houden.
23
In een notitie van RIVM: Overzicht van risicogrenzen voor PFOS, PFOA en GenX ten behoeve van een tijdelijk handelingskader voor het toepassen van grond en baggerspecie op of in de landbodem, 4-3-2019, zijn maximale waarden afgeleid voor het toepassen van grond op of in de landbodem (voor funkties landbouw/natuur, wonen en industrie). Voor landbouw en natuur zijn dat de concentraties die nu worden gebruikt als norm voor wonen (voor PFOS 3 ug/kg d.s. en voor PFOA 7 ug/kg d.s. De normen voor wonen en industrie liggen aanzienlijk hoger liggen dan de normen die nu worden gebruikt.
Tabel 2: Statistische kentallen in bodemtraject 1 voor een standaard bodem (ug/kg ds)
traject 1 Orgstof perfluorbutaanzuur (PFBA) perfluorpentaanzuur(PFPeA) perfluorhexaanzuur (PFHxA) perfluorheptaanzuur (PFHpA) perfluoractaanzuur (PFOA) lineair perfluoroctaanzuur (PFOA) vertakt perfluornonaanzuur (PFNA) perfluordecaanzuur (PFDeA) perfluorundecaanzuur (PFUnDA) perfluordodecaanzuur (PFDoDA) perfluortridecaanzuur (PFTrDA) perfluortetradecaanzuur (PFTeDA) perfluorhexadecaanzuur (PFHxDA) perfluoroctadecaanzuur (PFODA) perfluor butaansulfonzuur (PFBS) perfluorpentaansulfonzuur (PFPeS) perfluorhexaansulfonzuur (PFHxS) perfluorheptaansulfonzuur (PFHpS) perfluoroctaansulfonzuur (PFOS) lineair perfluoroctaansulfonzuur (PFOS) vertakt perluordecaansulfonzuur (PFDS) 4:2 fluortelomeer sulfonzuur (4:2 FTS) 6:2 fluortelomeer sulfonzuur (6:2 FTS) 8:2 fluortelomeer (8:2 FTS) 10:2 fluortelomeer (10:2 FTS) perfluoroctaansulfonamide (PFOSA) 7H-perfluorheptaanzuur (HPFHpa) 2H,2H,3H,3H-perfluorundecaanzuur 8:2 Fluortelomeer onverzadigd carbonzuur 8:2 polyfluoralkylfosfaat diester (8:2 diPAP) F53B (9CLPF3-ONS) ADONA N-ethyl perfluoroctaansulfonamide (EtFOSA) Perfluoroctaansulfonamide(N-ethyl)acetaat (EtFOSAA) N-methylperfluorbutaansulfonylamide (MeFBSA) N-methyl perfluoroctaansulfonamideacetaat Perfluor-3,7-dimethyloctaanzuur Perfluorbutaan sulfonamide (PFBSA) N-methylperfluoroctaansulfonamide (MeFOSA) Perfluorbutaansulfonamide(N-methyl)acetaat (MeFB) som PFOA somPFOS
P5
P25 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,28 0,28 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,07 0,7 0,07 0,07 0,07 0,1 0,1
P50 0,07 0,07 0,07 0,07 0,2 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,1 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,28 0,28 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,07 0,7 0,07 0,07 0,07 0,3 0,2
P75 0,07 0,07 0,07 0,07 0,4 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,3 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,28 0,28 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,07 0,7 0,07 0,07 0,07 0,5 0,4
P80 0,16 0,07 0,07 0,07 0,70 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,5 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,28 0,28 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,07 0,7 0,07 0,07 0,07 0,8 0,55
P90 0,21 0,07 0,07 0,07 0,70 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,5 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,28 0,28 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,07 0,7 0,07 0,07 0,07 0,8 0,6
P95 0,28 0,07 0,07 0,07 0,90 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,9 0,1 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,28 0,28 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,07 0,7 0,07 0,07 0,07 1 0,92
analyses aantal uitbijter- incl Standaard Variatie heteroge uitbijters deviatie gemiddelde standstill uitbijters grens Coefficient niteit 3,07 0,30 0,13 0,15 1 0,59 61 0,10 0,01 0,10 0,07 0,07 0,08 4 0,07 61 0,00 0,00 0,00 0,07 0,07 0,08 5 0,07 61 0,00 0,00 0,00 0,07 0,07 0,08 6 0,07 61 0,00 0,00 0,00 1,30 0,46 0,56 2,2 61 0,36 0,13 0,56 0,07 0,07 0,08 1 0,07 61 5,55112E-17 3,08149E-33 0,00 0,07 0,07 0,09 2 0,07 61 0,009035663 8,16432E-05 0,00 0,07 0,07 0,08 2 0,07 61 5,55112E-17 3,08149E-33 0,00 0,07 0,07 0,08 1 0,07 61 5,55112E-17 3,08149E-33 0,00 0,07 0,07 0,08 2 0,07 61 5,55112E-17 3,08149E-33 0,00 0,07 0,07 0,08 5 0,07 60 6,93889E-17 4,81482E-33 0,00 0,07 0,07 0,08 6 0,07 60 5,55112E-17 3,08149E-33 0,00 0,07 0,07 0,08 8 0,07 60 5,55112E-17 3,08149E-33 0,00 0,07 0,07 0,08 3 0,07 60 6,93889E-17 4,81482E-33 0,00 0,07 0,07 0,08 0,07 61 4,16334E-17 1,73334E-33 0,00 0,07 0,07 0,08 0,07 61 4,16334E-17 1,73334E-33 0,00 0,07 0,07 0,08 0,07 61 4,16334E-17 1,73334E-33 0,00 0,07 0,07 0,08 0,07 61 4,16334E-17 1,73334E-33 0,00 1,00 0,38 0,46 2 1,7 61 0,419869638 0,176290513 0,42 0,10 0,08 0,09 13 0,19 61 0,138849846 0,01927928 0,01 0,07 0,07 0,08 0,07 61 4,21609E-17 1,77754E-33 0,00 0,07 0,07 0,08 0,07 61 4,16334E-17 1,73334E-33 0,00 0,07 0,07 0,08 0,07 61 4,16334E-17 1,73334E-33 0,00 0,07 0,07 0,08 1 0,07 61 5,55112E-17 3,08149E-33 0,00 0,07 0,07 0,08 0,07 61 4,16334E-17 1,73334E-33
0,00 0,07 0,07 0,08 1 0,07 61 5,55112E-17 3,08149E-33 0,00 0,28 0,28 0,34 0,28 61 1,66533E-16 2,77334E-32 0,00 0,28 0,28 0,34 0,28 61 1,66533E-16 2,77334E-32 0,00 0,28 0,28 0,34 1 0,28 61 0,071149052 0,005062188 0,00 0,07 0,07 0,08 3 0,07 60 0,052422165 0,002748083 0,00 0,07 0,07 0,08 0,07 61 4,16334E-17 1,73334E-33 0,00 0,07 0,07 0,08 0,07 61 4,16334E-17 1,73334E-33 0,00 0,07 0,07 0,08 0,07 61 4,16334E-17 1,73334E-33 0,00 0,07 0,07 0,09 2 0,07 61 0,030386739 0,000923354 0,00 0,28 0,28 0,34 0,28 61 1,66533E-16 2,77334E-32 0,00 0,07 0,07 0,09 1 0,07 61 0,017777628 0,000316044 0,00 0,70 0,70 0,84 0,7 61 4,44089E-16 1,97215E-31 0,00 0,07 0,07 0,08 0,07 61 4,16334E-17 1,73334E-33 0,00 0,07 0,07 0,08 0,07 61 4,16334E-17 1,73334E-33 0,00 0,07 0,07 0,08 4 0,07 61 0,023008125 0,000529374 0,00 1,40 0,55 0,66 2,3 61 0,368250876 0,135608707 0,59 1,20 0,44 0,53 2 1,6 61 0,326314107 0,106480896 0,52
Tabel 3: Statistische kentallen in bodemtraject 2 voor een standaard bodem (ug/kg ds) traject 2 Orgstof perfluorbutaanzuur (PFBA) perfluorpentaanzuur(PFPeA) perfluorhexaanzuur (PFHxA) perfluorheptaanzuur (PFHpA) perfluoractaanzuur (PFOA) lineair perfluoroctaanzuur (PFOA) vertakt perfluornonaanzuur (PFNA) perfluordecaanzuur (PFDeA) perfluorundecaanzuur (PFUnDA) perfluordodecaanzuur (PFDoDA) perfluortridecaanzuur (PFTrDA) perfluortetradecaanzuur (PFTeDA) perfluorhexadecaanzuur (PFHxDA) perfluoroctadecaanzuur (PFODA) perfluor butaansulfonzuur (PFBS) perfluorpentaansulfonzuur (PFPeS) perfluorhexaansulfonzuur (PFHxS) perfluorheptaansulfonzuur (PFHpS) perfluoroctaansulfonzuur (PFOS) lineair perfluoroctaansulfonzuur (PFOS) vertakt perluordecaansulfonzuur (PFDS) 4:2 fluortelomeer sulfonzuur (4:2 FTS) 6:2 fluortelomeer sulfonzuur (6:2 FTS) 8:2 fluortelomeer (8:2 FTS) 10:2 fluortelomeer (10:2 FTS) perfluoroctaansulfonamide (PFOSA) 7H-perfluorheptaanzuur (HPFHpa) 2H,2H,3H,3H-perfluorundecaanzuur 8:2 Fluortelomeer onverzadigd carbonzuur 8:2 polyfluoralkylfosfaat diester (8:2 diPAP) F53B (9CLPF3-ONS) ADONA N-ethyl perfluoroctaansulfonamide (EtFOSA) Perfluoroctaansulfonamide(N-ethyl)acetaat (EtFOSAA) N-methylperfluorbutaansulfonylamide (MeFBSA) N-methyl perfluoroctaansulfonamideacetaat Perfluor-3,7-dimethyloctaanzuur Perfluorbutaan sulfonamide (PFBSA) N-methylperfluoroctaansulfonamide
(MeFOSA) Perfluorbutaansulfonamide(N-methyl)acetaat (MeFB) som PFOA somPFOS
P5
P25 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,28 0,28 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,07 0,7 0,07 0,07 0,07 0,1 0,1
P50 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,28 0,28 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,07 0,7 0,07 0,07 0,07 0,1 0,1
P75 0,07 0,07 0,07 0,07 0,2 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,28 0,28 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,07 0,7 0,07 0,07 0,07 0,3 0,1
P80 0,07 0,07 0,07 0,07 0,3 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,2 0,1 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,28 0,28 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,07 0,7 0,07 0,07 0,07 0,4 0,225
P90 0,07 0,07 0,07 0,07 0,32 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,22 0,1 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,28 0,28 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,07 0,7 0,07 0,07 0,07 0,42 0,3
P95 0,077 0,07 0,07 0,07 0,6 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,5 0,11 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,28 0,28 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,07 0,7 0,07 0,07 0,07 0,7 0,33
gemiddelde standstill 0,14 0,07 0,07 0,07 0,6 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,72 0,2 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,28 0,28 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,07 0,7 0,07 0,07 0,07 0,7 0,4
0,07 0,07 0,07 0,07 0,25 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,21 0,10 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,28 0,28 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,07 0,70 0,07 0,07 0,07 0,33 0,18
0,08 0,08 0,08 0,08 0,30 0,08 0,08 0,08 0,08 0,08 0,08 0,08 0,08 0,08 0,08 0,08 0,08 0,08 0,25 0,11 0,08 0,08 0,08 0,08 0,08 0,08 0,34 0,34 0,34 0,08 0,08 0,08 0,08 0,08 0,34 0,08 0,84 0,08 0,08 0,08 0,39 0,21
aantal analyses incl. variatieco standaade heteroge uitbijters uitbijtergrens uitbijters efficient viatie niteit 4 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1 1 3 2 0 0 0 0 2 3 0 0 0 0 0 0 1 0 0 2 0 0 0 0 1 0 0 0 0 1 0 2
0,07 0,07 0,07 0,07 0,99 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,59 0,19 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,28 0,28 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,28 0,07 0,7 0,07 0,07 0,07 1,3 0,6
30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30
0,0039 0,0000 0,0000 0,0000 0,0381 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0025 0,0025 0,0032 0,0026 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0809 0,0043 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0025 0,0000 0,0000 0,0003 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0006 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0002 0,0466 0,0133
0,0628 0,0000 0,0000 0,0000 0,1953 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0503 0,0503 0,0562 0,0514 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,2844 0,0654 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0503 0,0000 0,0000 0,0175 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0251 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0126 0,2159 0,1153
0,03 0,00 0,00 0,00 0,09 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,02 0,02 0,03 0,02 0,00 0,00 0,00 0,00 0,13 0,03 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,02 0,00 0,00 0,01 0,00 0,00 0,00 0,00 0,01 0,00 0,00 0,00 0,00 0,01 0,10 0,05
BIJLAGE 8
Bijlage 8 Beheer waterkwaliteit en droge oevergebieden
BIJLAGE 9
Bijlage 9: Samenvatting beleidsmatige keuzes Beleidsmatige keuze Keuze 1: Schone grond bij gevoelige functie Keuze 2: Diepte trajecten 1 en 2
Keuze 3: Criteria bij bodem-kwaliteitskaart als kwaliteits-bewijs
Keuze 4: BKK als kwaliteitsbewijs bij GBT uitgaande van de LMW waarden
Keuze 5: Vaststel-ling locale maximale waarden Keuze 6: Strengere kwaliteit grond van buiten Nijmegen
Keuze 7: Geen bodem-kwaliteitskaart van andere gemeente als kwaliteitsbewijs Keuze 8: Percentage bodemvreemd materiaal
Keuze 9: LMW i.p.v. AW 2000
Keuze 10: Sterke diffuse verontreiniging wel geval
Korte beschrijving Een aantal bodemgebruiksfuncties zijn dermate gevoelig dat daar alleen schone grond mag worden toegepast. Dat er naar de diepte toe meerdere bodemtrajecten worden gedefinieerd is conform het besluit. Wáár de grenzen in de diepte precies liggen is wel een specifieke keuze. De bodemvreemde bijmengingen zoals puin- en kooldeeltjes komen vanaf de bovenkant in de grond terecht. Hierdoor is bovenin meer diffuse verontreiniging aanwezig dan diep in de grond. Dit verschil is in het veld met het blote oog duidelijk te herkennen. Er bestaan twee bodemtrajecten namelijk, de visueel verontreinigde geroerde bovengrond (traject 1) en de visueel schone ongeroerde ondergrond (traject 2). De diepte van de grens tussen traject 1 en traject 2 varieert van plaats tot plaats. Indien de grens tussen traject 1 en 2 visueel niet is te onderscheiden zijn er voor de deelgebieden vaste dieptetrajecten voor traject 1 en 2 bepaald. Om de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel te gebruiken moet worden gewaarborgd dat de grond ook zal voldoen aan de lokale maximale waarde van het herkomstgebied. Die extra waarborg is nodig omdat van de grond geen partijkeuring bekend is. De verwachting is dat de grond zal voldoen aan de lokale maximale waarden van het deelgebied.
Opdat de grond ook aan die verwachting voldoet zijn extra criteria opgesteld waaraan moet worden voldaan om de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor een partij grond te mogen gebruiken. In het besluit bodemkwaliteit staat dat het gemiddelde van gemeten stoffen moet voldoen aan de normen geldend bij een grootschalige bodemtoepassing. De gemeente Nijmegen gaat in afwijking hierop uit van het 95 percentielwaarde om de volgende redenen: 1) De gehaltes van stoffen in een deelgebied kunnen van plaats tot plaats behoorlijk variëren met name in het deelgebied “tot 1900” en “1900-1945”. Het gemiddelde en de P95 liggen ver uiteen. Daarmee is er een gerede kans dat de emissie toetswaarden worden overschreden. 2) Bij een “normale” toepassing volgens de nota bodembeheer wordt ook een partijkeuring verlangd en wordt daarmee dus afgestemd. Omdat wordt gekozen voor het gebiedsspecifiek kader stelt de Raad de lokale maximale waarden voor het beheersgebied vast (artikel 44 Besluit Bodemkwaliteit). De richtlijn bodemkwaliteitskaarten 2007. Ministerie van VROM en Ministerie van Verkeer en Waterstaat; gepubliceerd via website NEN, geeft een opsomming van de kaders die door het besluit bodemkwaliteit zijn aangebracht. In deze opsomming is aangegeven dat toepassingseisen die een verslechtering van de bodemkwaliteit betekenen, uitsluitend gelden voor gebiedseigen grond en bagger.
Er wordt gesproken van een verslechtering indien de toepassingseis voor een of meer stoffen meer dan 20 % boven de gemiddelde kwaliteit van die stof in de zone ligt; Om te voldoen aan het standstill beginsel binnen het beheersgebied Nijmegen wordt een strengere bodemkwaliteit gesteld voor grond die afkomstig is van buiten het beheergebied Nijmegen. De toepassingseis sluit aan bij de generieke maximale waarde zoals die in het generieke kader zou gelden. De gemeente Nijmegen accepteert geen bodemkwaliteitskaart als kwaliteitsbewijs van grond afkomstig van buiten het beheergebied Nijmegen. De partij grond dient vergezeld te gaan van een erkende kwaliteitsverklaring, anders dan een bodemkwaliteitskaart. Binnen het gebiedsspecifieke kader kan het percentage aan bodemvreemd materiaal in de grond lager worden vastgesteld dan het maximum van 20 %. Er wordt voor gekozen geen lager percentage vast te stellen omdat: • Handhaafbaarheid: omdat in Nijmegen in de meeste situaties de grond minder dan 20 % bodemvreemd materiaal bevat is het in het veld makkelijker in te schatten of die 20 % wordt overschreden. • Schone grond: bij het toepassen van schone grond mag beleidsmatig geen lager percentage aan bodemvreemd materiaal worden vastgelegd. Wij willen voorkomen dat bij het toepassen van schone grond meer bodemvreemd materiaal aanwezig is dan voor het gebiedsspecifieke kader is vastgesteld.
• Minder hergebruik: In de binnenstad is het percentage bodemvreemd materiaal relatief hoog waardoor de kans groot is dat de grond niet voldoet als een strengere norm dan 20 % bodemvreemd materiaal. Deze grond kan dan niet worden hergebruik zonder voorafgaande bewerking. Als gevolg van vele kleinschalige activiteiten in het verleden en natuurlijke processen heeft de bodem een kwaliteit gekregen die afwijkt van de normen voor schone grond. Het gevolg is een diffuus verdeelde bodemverontreiniging zonder duidelijke bron of haard en zonder aanwijsbare veroorzaker. In de Wet Bodembescherming is geregeld dat de grenzen van een geval van ernstige bodemverontreiniging in principe bij de achtergrondwaarden (schone grond) liggen tenzij in een gebied verhoogde gehaltes aanwezig zijn. Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt dat deze verhoogde gehaltes inderdaad aanwezig zijn. In de nota is beschreven dat deze verhoogde gehaltes (de lokale maximale waarden) worden gebruikt om de grenzen van een geval vast te stellen. De Wet Bodembescherming maakt een onderscheid in enerzijds diffuse verontreinigingen en anderzijds gevallen van bodemverontreiniging. Een geval kenmerkt zich door een oorzakelijke, ruimtelijke en technische samenhang van een verontreiniging. Als meer dan 25 m3 sterk verontreinigd grond aanwezig is, bestaat er een saneringsnoodzaak.
Bij een diffuse verontreiniging ontbreken die kenmerken en saneringsnoodzaak.
Keuze 11: Kwaliteit leeflaag bij herschikken
Keuze 12: Grenzen deelgebieden
Keuze 13: Gebruik van gegevens ouder dan 5 jaar
Keuze 14: uitbijter-selectie
Keuze 15: Stoffen-pakket: 15: Standaardpakket A + OCB’s en PFAS
Keuze 16: afweging generiek en gebiedsspecifiek
Keuze 17: 95 percentielwaarde
Keuze18: Aanpassing LMW Keuze19: Geen bodem-functie-kaart
De gemeente Nijmegen acht het niet wenselijk dat zomaar op een sterke verontreiniging wordt gebouwd of dat daarin grondverzet wordt gepleegd. Daarom wordt een sterke diffuse verontreiniging als een geval van ernstige bodemverontreiniging beschouwd waardoor de saneringsparagrafen uit de Wet Bodembescherming van kracht worden. Op die manier kan een bodemsanering worden afgedwongen bij bijvoorbeeld een bouwvergunningen, graafwerkzaamheden of als er humane of ecologische risico’s bestaan. Voor hergebruik van saneringsgrond binnen een (geval van ernstige) bodemverontreiniging (herschikken) of als grond binnen het geval niet wordt verplaatst, is het Besluit bodemkwaliteit niet van toepassing. Wel zijn de beleidsregels uit de Beleidsnota Bodem 2012 van kracht. Voor Nijmegen betekent dit dat de kwaliteit van de leeflaag moet voldoen aan: 1) de generieke maximale waarden behorende bij die bodemfunctie van de saneringslocatie en 2) als de generieke maximale waarden van een stof lager is dan de lokale maximale waarden dan gelden die hogere lokale maximale waarden. Dat er deelgebieden in het beheergebied Nijmegen worden gedefinieerd is conform het besluit bodemkwaliteit. Wáár de grenzen van die deelgebieden liggen is wel een keuze.
De indeling in homogene deelgebieden is gemaakt op basis van gegevens over de bewoningsgeschiedenis en ontwikkeling van het gebied en op basis van gegevens over de bodemopbouw. Diffuse verontreinigingen in stedelijke gebieden vertonen over het algemeen een duidelijk verband met de bewoningsgeschiedenis: hoe langer een gebied in gebruik is geweest, hoe hoger de diffuse verontreiniging. Bij de indeling van de gemeente Nijmegen in homogene deelgebieden, is van deze informatie gebruik gemaakt. Verder is rekening gehouden met de bodemsoort. Nijmegen is in 7 deelgebieden ingedeeld. In principe mogen bij het opstellen van de bodemkwaliteitskaart de gegevens niet ouder zijn dan 5 jaar. De oudere gegevens kunnen toch nog worden gebruikt als uit een vergelijking met recentere gegevens er geen wezenlijk verschil blijkt. Deze vergelijking is voor een aantal stoffen uitgevoerd waarmee is aangetoond dat het gebruik van de oudere gegevens een meerwaarde heeft. Het verwijderen van uitbijters op basis van een statistische toets is vanuit de richtlijn opstellen bodemkwaliteitskaarten niet toegestaan. Deze toetst mag alleen worden gebruikt als hulpmiddel om uitbijters te identificeren. De gemeente Nijmegen wijkt hiervan af en wel om de volgende redenen: Er worden slechts enkele procenten uit de database verwijderd.
Bij een grote hoeveelheid gegevens is dan het effect op de uiteindelijke statistische kentallen beperkt. Het gebruik van een statistische toets is eenvoudiger, eenduidiger, beter reproduceerbaar en objectiever. De bodemkwaliteit kan voor een groot scala aan stoffen worden vastgesteld. In de praktijk wordt de keuze veelal beperkt tot de stoffen die in het standaard analysepakket van een verkennend bodemonderzoek voorkomen. Daarnaast wordt de keuze bepaald door het onderscheid in mobiele en immobiele stoffen. Uit dit pakket worden alleen de immobiele stoffen geselecteerd. Mobiele stoffen, zoals minerale olie kennen geen diffuus karakter. Ze komen meestal voor als puntverontreiniging bij bijvoorbeeld een olietank. Dit betekent dat de bodemkwaliteit wordt vastgelegd aan de hand van 9 metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), PAK (10, som) en PCB (7, som). Daarnaast worden de persistente bestrijdingsmiddelen DDT(som), DDE(som), DDD(som), drins (som) meegenomen. In de Waalsprong zijn deze stoffen veelvuldig gebruikt in de (voormalige) boomgaarden en kassen. Ten zuiden van de Waal zijn er minder kassen en boomgaarden aanwezig geweest, maar toch worden de kentallen voor de bestrijdingsmiddelen berekend om zo te beoordelen of ook in dat gebied bestrijdingsmiddelen verhoogd voorkomen. Tot slot wordt ook de bodemkwaliteit vastgesteld voor PFAS.
Dit is nodig om er voor te zorgen dat de bodemkwaliteitskaart gebruikt kan worden als milieuhygiënische verklaring en aanvullend onderzoek op PFAS niet noodzakelijk is. Binnen het generieke kader wordt de kwaliteit van de grond getoetst aan landelijk geldende normen terwijl bij het gebiedsspecifiek kader de normen worden afgestemd op de bodemkwaliteit die binnen de gemeente aanwezig is. Nijmegen kiest voor een gebiedsspecifiek kader om de volgende redenen: • 20 a 30 procent kans op afkeur van partij grond bij generiek beleid • Afstemming met saneringsbeleid • Drins problematiek in de waalsprong kassen • DDT en DDE problematiek in de boomgaarden • PFAS Kiezen voor een gebiedsspecifiek kader houdt in dat er lokale maximale waarden voor het beheersgebied worden vastgesteld (artikel 44 Besluit Bodemkwaliteit). De hoogte van de lokale maximale waarde wordt gelijkgesteld aan een statistische kental van de bodemkwaliteit, bijvoorbeeld het gemiddelde, de P80, P90 of P95. De keuze wordt ingegeven door kosten van grondafvoer, milieuhygiënische doelmatigheid en risico’s voor mens en ecologie. De gemeente Nijmegen kiest ervoor om zo min mogelijk kosten te maken met een zo hoog mogelijk milieuhygiënische doelmatigheid waarbij geen risico’s voor mens en ecologie bestaan. Het is een beleidsmatige keuze dat voor het statistisch kental P95 wordt gekozen.
De 95 percentielwaarde is het uitgangspunt voor de hoogte van de lokale maximale waarden. Om diverse redenen is een aantal aanpassingen daarop doorgevoerd. Het besluit stelt dat er een bodemfunctiekaart wordt opgesteld met de 7 bodemfuncties van het gebiedsspecifieke beleid. In de situatie van Nijmegen heeft dit geen meerwaarde. Voor de
Keuze 20: Afweging risico's
gevoelige bodemfuncties wordt al gesteld dat daar alleen schone grond mag worden toegepast. Voor de resterende bodemfuncties (lees humane en ecologische beschermingsniveau’s) wordt met berekeningen goed inzicht gekregen in alle overige humane en ecologische risico’s. De vast te stellen lokale maximale waarden overschrijden de risico-index van het Besluit Bodemkwaliteit. Echter bij het vaststellen van de lokale maximale waarden mag volgens het besluit een beleidsmatige afweging op basis van de humane en ecologische risico’s worden gemaakt. Er wordt voor gekozen de ecologische risico-index van het Besluit Bodemkwaliteit te overschrijden. Dit is verantwoord omdat 1) de gemiddelde bodemkwaliteit voldoet aan het generieke kader waarmee er dus in de deelgebieden per saldo geen risico’s bestaan en 2) het matig ecologisch beschermingsniveau niet wordt overschreden. Voor lood wordt de humane risico index van het Besluit Bodemkwaliteit in de deelgebeiden ‘tot 1900’ en ‘1900-1945’ maar net overschreden. Dit is verantwoord omdat: 1) bij de toepassing van grond op plaatsen met voor lood gevoelige bodemgebruiksfuncties (waaronder volkstuinen en speelplaatsen) altijd schone grond moet worden toegepast en 2) de berekende risico index voor lood gebaseerd is op een maximaal gehalte dat in het deelgebied kán worden toegepast (de P95).
Feitelijk zal maar een klein deel van de toe te passen grond binnen het gebied aan dit hoge gehalte voldoen. Het gemiddelde gehalte ligt veel lager. Aanvullendmoet voor toepassing van grond in tuinen in de deelgebieden ‘tot 1900’en ‘1900-1945; bij de gebruiksfunctie wonen met tuin, het loodgehalte in toe te passen grond voldoen aan de Maximale waarde Wonen. Voor PAK wordt de humane risico-index van het Besluit Bodemkwaliteit diverse maken overschreden. Dit geeft aanleiding om voor het toepassen van grond de lokale maximale waarde te verlagen tot het niveau van de generieke maximale waarden voor de bodemfunctie wonen, namelijk 6,8 mg/kg.
BIJLAGE 10
Evaluatie bodemkwaliteitskaart gemeente Nijmegen en wijzigingen lokale maximale waarden traject 1
Notitie Project Projectnummer Referentie Auteur Datum Bijlagen Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4:
Evaluatie bodemkwaliteitskaart gemeente Nijmegen en wijzigingen Lokale Maximale Waarden Traject 1 17M1250 17M1250.NOT001 Jeroen Spronk (Lievense Milieu B.V.) en Sjaak Broekman (gemeente Nijmegen) 12 oktober 2018 Lievense Milieu B.V.
Begrippenlijst Lijst met verwijderde uitbijters Overzicht met (getoetste) statistische parameters Verschillen 95-percentiel waarden 2012 en 2018
Adres
Regulierenring 6 3981 LB Bunnik Telefoon
+31 (0)88 91 020 00 E-mail
1
Aanleiding en doelstelling
info@Lievense.com WEBSITE
De gemeente Nijmegen heeft haar nota bodembeheer1, inclusief bodemkwaliteitskaart, in 2012 bestuurlijk vastgesteld. De gemeente maakt bij het toepassen van grond gebruik van het gebiedsspecifieke kader van het Besluit bodemkwaliteit2 (hierna: ‘het Besluit’). In de nota bodembeheer is in § 2.5 aangegeven dat de bodemkwaliteitskaart 5 jaar geldig is. Hiermee wordt aangesloten bij artikel 4.3.5 van de Regeling bodemkwaliteit3 (hierna ‘de Regeling’). Omdat de huidige bodemkwaliteitskaart van de gemeente Nijmegen ongeveer 5 jaar geleden bestuurlijk is vastgesteld, wil de gemeente Nijmegen de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart evalueren. Doel van de evaluatie van de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart is om een actueel en dekkend beeld te krijgen van de te verwachten diffuse chemische bodemkwaliteit van het gemeentelijke grondgebied. Het achterliggend doel is de wens van de gemeente Nijmegen om met de bodemkwaliteitskaart gebruik te kunnen blijven maken van de mogelijkheden die het Besluit biedt: als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van o vrijkomende grond en van de ontvangende bodem (hierdoor hoeven minder partijkeuringen en bodemonderzoeken te worden uitgevoerd wat een kostenen tijdbesparende factor is bij grondverzet); o vrijgekomen grond die wordt aangeboden bij de gemeentelijke grondbank; 1
Gemeente Nijmegen, Nota bodembeheer, Afdeling Milieu, bureau Bodem en Water, september 2012. Besluit bodemkwaliteit, publicatie Staatsblad, nr. 469, 3 december 2007. 3 Regeling bodemkwaliteit, publicatie Staatscourant, nr. 247, 21 december 2007 en latere wijzigingen. 2
1 / 11
Lievense.com IBAN
NL63ABNA0570208009 Kamer van Koophandel
30152124 BTW nummer
NL. 8075.03.368.B.01
om gebiedsspecifiek en milieuvriendelijk grondstromenbeleid voort te zetten.
In deze notitie staat beschreven volgens welke werkwijze de bodemkwaliteitskaart is geëvalueerd en wat de resultaten zijn. Een toelichting op de in deze notitie gebruikte begrippen is opgenomen in bijlage 1 2
Uitgevoerde werkzaamheden en resultaten
2.1
Uitgevoerde werkzaamheden
De huidige bodemkwaliteitskaart is geëvalueerd op basis van de Richtlijn bodemkwaliteits-kaarten4. Er is gewerkt volgens het in de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten opgenomen stappenplan. Hieronder zijn de verschillende stappen weergegeven, die in de volgende paragrafen nader zijn toegelicht. In de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten is aangegeven dat de stappen niet chronologisch gevolgd hoeven te worden. Wel is het noodzakelijk dat alle stappen terugkomen in de werkwijze bij het vervaardigen, evalueren of actualiseren, van de bodemkwaliteitskaart. Stap 1: Opstellen programma van eisen. Stap 2: Vaststellen onderscheidende gebiedskenmerken. Stap 3: Gegevensverzameling en gegevensbewerking. Stap 4: Indelen beheergebied in deelgebieden. Stap 5: Controle indeling van het beheergebied. Stap 6: Verzamelen aanvullende informatie. Stap 7: Vaststellen bodemkwaliteitszones (karakterisering). 2.2
Resultaten stap 1 t/m 6
Bij Stap 1 is hetzelfde programma van eisen gehanteerd als die van de huidige bodemkwaliteitskaart: Het beheergebied van de bodemkwaliteitskaart omvat het grondgebied van de gemeente Nijmegen. De bodemkwaliteitskaart wordt opgesteld voor de landbodem van het beheergebied voor 2 bodemlaag: de visueel verontreinigde en geroerde bovenlaag (traject 1) en de visueel schone ongeroerde onderlaag (traject 2). De volgende locaties/gebieden worden uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart: o Rijkswegen, provinciale wegen en spoorgebonden gronden inclusief de (spoor)wegbermen (andere beheerorganisaties). o Locaties met, of die verdacht zijn voor, een sterke bodemverontreiniging. o (Voormalige) stortplaatsen (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart). o Gesaneerde locaties in het kader van de Wet bodembescherming (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart).
4
Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, Ministerie van VROM, Ministerie van Verkeer en waterstaat, 3 september 2007 en latere wijzigingsbladen.
2 / 11
o
Waterbodems (andere beheerorganisaties) met uitzondering van de drogere oevergebieden zoals gedefinieerd in de Waterregeling5. o Het grondwater. De bodemkwaliteitskaart is geëvalueerd voor de stoffen barium (zie ook bijlage 1 kopje ‘Barium’), cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Daarnaast worden de volgende organochloorbestrijdingsmiddelen meegenomen in de bodemkwaliteitskaart: DDT (som), DDE (som), DDD (som) en drins. De gegevens voor de bodemkwaliteitskaart zijn afkomstig van het gemeentelijke bodeminformatiesysteem Nazca-i Bodem.
Voor het vaststellen van de onderscheidende gebiedskenmerken (Stap 2), de indeling van het beheergebied in deelgebieden (Stap 4) en de controle van de indeling van het beheergebied (Stap 5) is eveneens uitgegaan van huidige bodemkwaliteitskaart (zie de verschillende paragrafen in hoofdstuk 6 van de nota bodembeheer). Uitzondering hierop vormt het zuidelijke gedeelte van de Waalsprong. Hier is in 2015 het gebiedsbeheer overgedragen van de gemeente Nijmegen naar Rijkswaterstaat. Dit gebied maakt geen onderdeel meer uit van de bodemkwaliteitskaart. Voor de evaluatie van de huidige bodemkwaliteitskaart is een nieuwe dataset gemaakt (Stap 3). Hierbij is gebruik gemaakt van de bij de beschikbare bodeminformatie bij de gemeente. De gemeente registreert haar bodeminformatie in het bodeminformatiesysteem Nazca-i Bodem. Volgens de Richtlijn mogen alleen analysegegevens voor de bodemkwaliteitskaart worden gebruikt die niet ouder zijn dan 5 jaar. Door deze strenge selectie worden veel representatieve gegevens voor de bodemkwaliteitskaart uitgesloten. De Richtlijn stelt echter ook dat bodemgegevens ouder dan 5 jaar gebruikt mogen worden, als deze bodemgegevens vergelijkbaar zijn met de recente bodemgegevens. De oudere bodemgegevens zorgen voor een grotere dataset met analysegegevens waardoor de gemiddelde kwaliteit van een zone beter wordt onderbouwd.
De gemeente heeft aangegeven dat de oudere bodemgegevens vergelijkbaar zijn met de bodemgegevens die de laatste 5 jaar beschikbaar zijn gekomen. Daarom zijn, net zoals bij de huidige bodemkwaliteitskaart, de gegevens vanaf 1 januari 1995 meegenomen bij de evaluatie. De gegevens van de bodemonderzoeken die uitgevoerd zijn conform de NVN of NEN richtlijnen, of vergelijkbare onderzoeksopzetten zoals indicatief bodemonderzoek, zijn geselecteerd vanuit Nacza-i Bodem (zie tabel 2.1 en tabel 2.2). De hierdoor verkregen dataset is vervolgens aangevuld met twee grote onderzoeken van het Waalspronggebied (Hof van Holland en De Stelt Zuid).
5
Waterregeling, publicatie Staatscourant 7 december 2009, inclusief update 1 januari 2014.
3 / 11
Tabel 2.1 Geselecteerde type onderzoeken en aantal grondmonsters voor de evaluatie van de bodemkwaliteitskaart Type onderzoek
Aantal grondmonsters
Verkennend onderzoek NEN 5740
1.250
Verkennend onderzoek NVN 5740
14.667
Indicatief onderzoek
14
Oriënterend bodemonderzoek
83
Totaal
16.014
Tabel 2.2 Niet-geselecteerde type onderzoeken en aantal grondmonsters voor de evaluatie van de bodemkwaliteitskaart Type onderzoek
Aantal grondmonsters
Type onbekend
73
ASB - asbest onderzoek NEN 5707
2
Bouwstoffenbesluit
106
Historisch onderzoek
41
Monitoringsrapportage
2
Nader onderzoek
1.093
Nul- of Eindsituatieonderzoek
53
Sanerings evaluatie
10
Totaal
1.380
De dataset voor de bodemkwaliteitskaart bestaat uit meng- en puntmonsters met meetgegevens. De landelijke IPO Werkgroep Achtergrondgehalten heeft onderzocht wat de invloed is van het meenemen van zowel punt- als mengmonsters op de berekening van percentielwaarden van de meetgegevens6. De resultaten laten zien dat percentielwaarden die zijn gebaseerd op een bestand met meetgegevens van zowel punt- als mengmonsters, vrijwel identiek zijn aan percentielwaarden die zijn gebaseerd op een bestand met meetgegevens van alléén mengmonsters. Er bestaan daarom geen praktische bezwaren tegen het berekenen van de bodemkwaliteit uit een bestand met meetgegevens, afkomstig van zowel punt- als mengmonsters. In dit project zijn de meetgegevens van de mengmonsters éénmaal meegenomen. Op de dataset zijn enkele voorbewerkingen uitgevoerd. Zo zijn waarden beneden de detectielimiet, de waarde kan variëren van nul tot de detectielimiet, vervangen door rekenkundige waarden; de detectielimiet is vermenigvuldigd met een factor 0,7. Op deze wijze zijn deze waardevolle gegevens, met onbekende waarde, toch meegenomen bij de evaluatie. Ook heeft een analyse plaatsgevonden op ‘extreme waarden’ (uitbijters).
Een potentiële uitbijter is gedefinieerd als het analyseresultaat boven de 75-percentielwaarde plus 3 maal de interkwartielafstand (75-percentielwaarde minus 25-percentielwaarde) van het betreffende deelgebied ligt. De potentiële uitbijters zijn door de gemeente beoordeeld. In bijlage 2 staat een overzicht van de uiteindelijk verwijderde uitbijters. 6
Handreiking Achtergrondgehalten. Begeleidingscommissie actief bodembeheer, TNO MEPR98/283.IPO/TNO, 1998.
4 / 11
De Richtlijn stelt de volgende minimale eisen aan het aantal en de spreiding van waarnemingen per deelgebied (Stap 5): Per deelgebied zijn voor alle stoffen ten minste 20 waarnemingen beschikbaar. De waarnemingen liggen voldoende verspreid over het deelgebied: o Voor aaneengesloten deelgebieden bij een systematische indeling in 20 vakken zijn in tenminste 10 vakken één of meer waarnemingen beschikbaar. o Voor elk niet-aaneengesloten deel van een deelgebied zijn ten minste 3 waarnemingen beschikbaar. Na het samenstellen van de dataset voor de bodemkwaliteitskaarten en de voorbewerkingen, voldoen alle onderscheiden deelgebieden aan de minimumeisen van de Richtlijn (aantal en spreiding). Daarom is het niet nodig om aanvullende meetgegevens te verzamelen (Stap 6). Uitzondering hierop vormen de bestrijdingsmiddelen in enkele deelgebieden waar minder dan 20 meetgegevens van beschikbaar zijn. Hierdoor kunnen de statistische parameters minder nauwkeurig en betrouwbaar worden vastgesteld. Omdat de gemiddelden van de bestrijdingsmiddelen de Achtergrondwaarde (AW2000) uit de Regeling niet of slechts zeer beperkt overschrijden, beschouwd de gemeente Nijmegen dit als minder relevant. De in tabel 2.3 weergegeven definitieve deelgebieden worden de bodemkwaliteitszones van de gemeente Nijmegen.
Tabel 2.3 Onderscheiden definitieve deelgebieden, bodemkwaliteitszones, per bodemlaag Definitief deelgebied /
Traject 1
Traject 2 (in meters minus
bodemkwaliteitszone
(in meters minus maaiveld)
maaiveld)
Tot 1900
0-2,0
Niet gezoneerd#
1900-1945
0-1,0
> 1,0
1945-1965
0-1,0
> 1,0
1965-heden
0-0,5
> 0,5
Waalsprong
0-0,5
> 0,5
Waalsprong-kassen
0-0,5
> 0,5
#
Bij de meeste bodemonderzoeksrapportages volgens de NVN/NEN5740 is niet dieper geboord dan 2,0 m-mv waardoor er te weinig kwaliteitsgegevens voor traject 2 zijn.
2.3
Stap 7: Vaststellen bodemkwaliteitszones (karakterisering)
Binnen een bodemkwaliteitszone wordt vergelijkbare kwaliteit verwacht. Dan nóg kunnen de gehaltes van een bepaalde stof binnen zo’n gebied behoorlijk variëren. Er is dus niet een enkel vast gehalte aanwezig, maar een bepaalde verdeling van gehaltes. De meeste gehaltes zullen rond het gemiddelde liggen, maar er zijn er natuurlijk ook bij die iets hoger of lager uitvallen. Het is deze verdeling die een homogene bodemkwaliteitszone karakteriseert. Om een bodemkwaliteitszone toch getalsmatig te kunnen kenmerken wordt gebruikt gemaakt van statistische kentallen.
5 / 11
Veelgebruikte kentallen zijn het rekenkundig gemiddelde en percentielwaarden. Een rekenkundig gemiddelde is uiteraard het gemiddelde van alle gehaltes. Een percentielwaarde is iets lastiger voor te stellen en kan beter aan de hand voor een voorbeeld worden uitgelegd. Allereerst worden alle gehaltes van klein naar groot gesorteerd. Een 95-percentielwaarde (afgekort 95P) is dan het gehalte waar 95 procent van alle gehaltes onder ligt en 5 procent daar boven. De statistische kentallen van de stoffen die de bodemkwaliteit in de 6 verschillende deelgebieden en de 2 verschillende bodemtrajecten beschrijven zijn te vinden in bijlage 3. Naast de belangrijke kentallen ‘het gemiddelde’ en de 95P (en de 25P en 75P voor het berekenen van de uitbijtergrens) zijn ook nog de volgende statistische kentallen berekend, onder meer: 5P, 25P, 50P, 80P, 90P, minimum en maximum gehalte, aantal (exclusief uitbijters), aantal uitbijters, uitbijtergrens, standaarddeviatie en variatiecoëfficiënt. Ook is per bodemkwaliteitszone een controle op het saneringscriterium uitgevoerd en is de heterogeniteit van de meetgegevens in de zones berekend. Controle saneringscriterium In de Richtlijn staat vermeld, dat voor elke bodemkwaliteitszone met een 95-percentielwaarde boven de interventiewaarde uit de Wet bodembescherming een controle op het saneringscriterium nodig is.
Bij een overschrijding is het niet verantwoord om zonder partijkeuring grondverzet vanuit de betreffende zone te laten plaatsvinden. Deze situatie komt in de gemeente Nijmegen niet voor. Heterogeniteit Naast de percentielwaarden en variatiecoëfficiënt is ook de heterogeniteit van de waarnemingen berekend, volgens de methodiek zoals beschreven onder het kopje “Heterogeniteit” in bijlage 1. In de gemeente Nijmegen is in een aantal bodemkwaliteitszones sprake van een sterke heterogeniteit voor één of meerdere stoffen. Wanneer de diffuse bodemkwaliteit in een zone sterk heterogeen is verdeeld, is de betrouwbaarheid van het gemiddelde gehalte in de bodemkwaliteitszone kleiner. De bodemkwaliteitszones bevatten voor de betreffende stoffen echter ruim voldoende waarnemingen om de bodemkwaliteit goed te beschrijven. 2.4
Evaluatie gemeentelijke bodemkwaliteitskaart
Voor de evaluatie van de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart zijn de gemeentelijke Lokale Maximale Waarden (de 95-percentielwaarden) van de vastgestelde bodemkwaliteitskaart en de geactualiseerde dataset met elkaar vergeleken. De verschillen zijn in bijlage 4 gespecificeerd. Uit de evaluatie blijkt dat ten opzichte van de huidige bodemkwaliteitskaart: Het zuidelijke gedeelte van de Waalsprong maakt geen onderdeel meer uit van de bodemkwaliteitskaart. Hier is het gebiedsbeheer in 2015 overgedragen van de gemeente Nijmegen naar Rijkswaterstaat.
6 / 11