Nota Bodembeheer Gemeente Nijmegen 2021
Tekst van het document
Er worden drie niveaus onderscheiden: • Hoog ecologisch beschermingsniveau • Gemiddeld ecologisch beschermingsniveau • Matig ecologisch beschermingsniveau In tabel 19 is voor de 7 bodemfuncties weergegeven welke bescherming nodig is met betrekking tot humane risico’s en ecologische risico’s (bron: NOBO: normenstelling en bodemkwaliteitsbeoordeling, onderbouwing en beleidsmatige keuzes voor de bodemnormen in 2005, 2006, 2007). Voor de vetgedrukte beschermingsniveaus zijn de risico’s in de verschillende deelgebieden bepaald (zie paragraaf 9.3).
48
Toetsing gevolgen lokale maximale waarden: humane en ecologische risico’s.
Tabel 19: Beschermingsniveau per bodemfunctie. Bodemfunctie
Humaan Mate bodemcontact (veel of weinig)
Humaan Mate gewasconsumptie (veel, gemiddeld, beperkt of geen)
Ecologie Beschermingsniveau
wonen met tuin
veel
beperkt
gemiddeld
plaatsen waar kinderen spelen i) met een gemiddelde ecologisch waarde ii) met weinig ecologische waarde
veel veel
geen geen
gemiddeld matig
moestuin en volkstuinen: I) grote moestuinen ii) kleine moestuinen
veel veel
veel gemiddeld
gemiddeld gemiddeld
landbouw
veel
beperkt
gemiddeld
natuur
weinig
geen
hoog
groen en natuurwaarden
weinig
geen
gemiddeld
ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie i) nagenoeg geheel verhard ii) niet nagenoeg geheel verhard
weinig weinig
geen geen
matig matig
Inventarisatie bodemfuncties per homogeen deelgebied Aan de hand van de Dynamiekkaart Nijmegen (bijlage 4) en de Bouwstenenkaart Nijmegen (bijlage 5) zijn de verschillende bodemfuncties per deelgebied geïnventariseerd en in tabel 20 weergegeven. Tabel 20: Inventarisatie van bodemfuncties per deelgebied Deelgebieden Bodemfunctie
centrum
1900-1945
1945-1965
1965-heden
Waalsprong
Waalsprong kassen
wonen met tuin
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
landbouw
-
-
-
-
-
-
natuur
-
-
X
X
X
-
groen en natuurwaarden
X
X
X
X
X
X
ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie i) nagenoeg geheel verhard ii) niet nagenoeg geheel verhard.
X
X
X
X
X
X
plaatsen waar kinderen spelen i) met een gemiddelde ecologisch waarde ii) met weinig ecologische waarde moestuin en volkstuinen: I) grote moestuinen ii) kleine moestuinen
49
Toetsing gevolgen lokale maximale waarden: humane en ecologische risico’s.
Berekening humane en ecologische risico’s Keuze19: Geen bodemfunctiekaart
De risicoberekeningen zijn uitgevoerd met de “risico-toolbox” (versie 2.0, 15 april 2020). Dit programma is ontwikkeld om risico’s in het kader van het Besluit Bodemkwaliteit te berekenen. In het programma kunnen de risico’s bij de 7 verschillende bodemfuncties worden berekend. Het is niet noodzakelijk om de risico’s voor álle bodemfuncties te berekenen vanwege overlap in beschermingsniveaus. Het is voldoende de risico’s van alleen die bodemfuncties te berekenen waardoor inzicht in alle humane en ecologische beschermingsniveaus wordt verkregen. In tabel 19 zijn die beschermingsniveaus vet gedrukt. De risico’s worden berekend op basis van de bodemfuncties zoals in tabel 20 aangegeven. Voor de volkstuinen, speeltuinen en ecologische hoofdstructuur schrijven wij een schone bodemkwaliteit voor, zodat daarvoor geen risico’s hoeven te worden berekend. Volgens het NOBO rapport is bij wonen sprake van een beperkte gewasconsumptie. In de risico-toolbox worden de lokale maximale waarden voor een niet gestandaardiseerde bodem ingevoerd. Daarnaast wordt het gemiddelde lutum- en humuspercentage van een deelgebied ingevoerd. Het programma rekent bij humane risico’s met de niet gestandaardiseerde gehaltes en bij ecologische risico’s wel met gestandaardiseerde gehaltes (gebruik makend van het lutum- en humuspercentage).
De berekening van de humane en ecologische risico’s van een stof zijn alleen uitgevoerd als de lokale maximale waarden uit tabel 5 de norm voor schone grond overschrijden (2 * achtergrondwaarde en kleiner dan wonen). Bij die gehaltes zou er sprake zijn van schone grond en bestaan er geen humane en ecologische risico’s. Alleen díe gehalten zijn weergegeven in tabel 21. De berekening voor PAK is alleen uitgevoerd bij een gehalte hoger dan de norm wonen (dus > 6,8 mg/kg).
Tabel 21: Lokale maximale waarden niet omgerekend naar een standaard bodem t.b.v. berekening humane en ecologische risico’s (in mg /kg ds) cadkomium per
kwik
lood
tot 1900
43
0,58
1900-1945
60
1945-1965
33
Deelgebied
zink
barium
299
175
113
0,62
270
0,28
138
1965-heden Waalsprong
nikkel
kobalt
Molyb -deen PAK
PCB
DDT
DDE
drins
lutum humus 2,9
1,7
271
16,
3,8
2,9
139
6,8
120 88
DDD
6,8
171
0,12
3,6
2,7
8,4
2,9
14,3
3,5
Waalsprong 44 92 171 0,56 0,81 0,29 0,7 14,3 3,5 ophoging Waalsprong 93 85 148 0,12 0,02 0,56 10,3 2,8 kassen PAK (som) en drins (som) zijn berekend- door de individuele paramaters in te voeren. De verdeling tussen die individuele stoffen is berekend via de gegevens in de database en is als volgt: • PAK som (100%): Naftaleen (2 %), Anthraceen (3 %), Benzo(a)anthraceen (11 %), Benzo(a)pyreen (11 %), Chryseen (12 %), Fluorantheen (24 %), Fenanthreen (14 %), Benzo(ghi)peryleen (8 %), Benzo(k)fluorantheen (6 %), Indeno(123cd)pyreen (8 %) • Drins som (100%): aldrin (0 %), dieldrin (13 %), endrin (87 %) Bij leeg vakje: lokale maximale waarde voldoet aan de 2 maal de achtergrondwaarde en kleiner dan generieke waarde wonen.
In tabel 22 is het resultaat van de berekeningen gepresenteerd. Als het beschermingsniveau wordt overschreden dan is dit aangeven door een risico-index groter dan 1,0. Die zijn vetgedrukt.
50
Tabel 22: risico-index bij verschillend humaan en ecologisch beschermingsniveau verschillende stoffen voor de Nijmeegse deelgebieden.
Humane risico’s
Ecologische risico’s
Waalsprong kassen
0,325
0,32
0,204
0,214
0,21
0,29 0,34
0,339
0,34
14,2
14,3
1965-heden
1945-1965
1900-1945
Waalsprong ophoging
0,71
tot 1900
Waalsprong kassen
Waalsprong ophoging
waalsprong
1965-heden
1945-1965
1900-1945
tot 1900
Waalsprong kassen
Waalsprong ophoging
waalsprong
1965-heden
1945-1965
2,07
0,02
waalsprong
Barium
1900-1945
plaatsen waar kinderen spelen met weinig ecologische waarde
tot 1900
wonen met tuin
Waalsprong kassen
natuur Waalsprong ophoging
wonen met tuin waalsprong
berekend met bodemfunctie
1965-heden
Matig beschermingsniveau
1945-1965
Gemiddeld beschermingsniveau
1900-1945
Hoog beschermingsniveau
tot 1900
Veel bodemcontact en beperkte gewasconsumptie
Deelgebied
Beschermingsniveau
0,43
Cadmium Koper
0,006 0,009 0,005
Lood
1,12
Kwik
0,005 0,005 0,002
1,01 0,52
0,006
0,006
2,16 2,84
1,58
0,329 0,34
0,32
9,26 8,1
4,17
5,48 5,73
2,6
2,84 4,12
2,14 1,51
2,21
1,54
1,54 1,6
2,1
1,17
1,14 1,14
0,45 0,598
0,33
2,31
2,29 2,2
1,9
0,99
0,525 0,549 0,55
0,86 0,75
0,39
0,1
0,102
0,05
0,02 0,024
0,01
1,74 1,99
2,89
1,5
0,55 0,8
0,417
Nikkel Zink
0,007 0,011 0,005 0,005
0,007 0,007
0,006
1,74
1,74
1,06
1,22 1,22 1,22
Kobalt Molybdeen PAK (som)
3,81
10,7
2,35
0,4
PCB (som) 0,17
133
0,024
0,002
42
4,11
0,024 0,164
0,03
23
4,11
Drins (som)
0,17
DDT
0,066
DDD DDE
133
8,5 3,31
50
50
8,5 1 2,55 17,7
1,7 0,098
0,025
0,002
3,16
0,255 1,77
0,32
51
Beleidsmatige afwegingen risico’s 9.4.1
Humane risico’s Alleen voor lood en PAK in deelgebied “tot 1900” en “1900-1945” wordt de risico index voor humane risico’s overschreden.
Keuze 20: Afweging risico's
Lood niet aangepast Voor lood in het gebied ‘tot 1900’ en ’1900-1945’ (resp. 299 en 270 mg/kg) wordt de humane risico index van het Besluit Bodemkwaliteit (de norm is 270 mg/kg) net overschreden. De LMW voor lood wordt in deze deelgebieden niet aangepast. We hebben hiervoor 2 overwegingen: 1 Bij de toepassing van grond op plaatsen met voor lood gevoelige bodemgebruiksfuncties (waaronder volkstuinen en speelplaatsen) moet altijd schone grond worden toegepast. 2 Van belang is te weten dat de berekening zijn uitgevoerd in een worstcasescenario; De berekende risico index voor lood is namelijk gebaseerd op een maximaal gehalte dat in het deelgebied kán worden toegepast (de P95). Feitelijk zal maar een klein deel van de toe te passen grond binnen het gebied aan dit hoge gehalte voldoen. Het gemiddelde gehalte ligt veel lager. In het deelgebied tot 1900 is het gemiddelde niet omgerekend naar een standaardbodem voor lood 94 mg/kg ds en de P90 236 mg/kg d.s.. Wanneer met deze gehalten de risico index wordt berekend ligt deze ruim beneden de 1. We stellen daarnaast wél een aanvullende regel voor toepassing van grond in tuinen in de deelgebieden ‘tot 1900’en ‘1900-1945; bij de gebruiksfunctie wonen met tuin, moet het loodgehalte in toe te passen grond voldoen aan de Maximale waarde Wonen. Dit is voor een standaardbodem 210 mg/kg.
In de deelgebieden ‘tot 1900’en ‘1900-1945’ is het percentage organisch stof en lutum een stuk lager dan bij de standaardbodem. 210 mg/kg. ds. voor een standaardbodem komt in deze deelgebieden overeen met een gemeten gehalte van 140 mg/kg. ds.. Dit is niet heel veel hoger dan de gemeten waarde van 90 mg/kg. ds. die de GGD vanuit gezondheidsoogpunt adviseert. PAK aangepast De humane risico index voor PAK (som) bedraagt voor het deelgebied “1900-1945” 3,81, bij een P95 van 16 mg/kg. Op dit moment is geen nadere studie bekend over humane risico’s van PAK in diffuus verontreinigde Nijmeegse stadsgrond op basis waarvan een hogere waarde aan PAK in het kader van het besluit Bodemkwaliteit kan worden vastgesteld. Om deze reden wordt bij het hergebruik van grond in het kader van het besluit bodemkwaliteit de grens bij de generieke maximale waarde voor wonen gelegd namelijk 6,8 mg/kg. Voor het afperken van een geval van ernstige bodemverontreiniging in het kader van de Wet Bodembescherming blijft de grens bij 16,0 mg/kg. Bij het verlagen van deze grens zouden de gevallen van ernstige bodemverontreiniging in dit deelgebied onterecht worden vergroot. Getoetst aan de risico-normen bij saneringen (wet Bodembescherming) bestaan bij dat gehalte geen ecologische of humane risico’s.
DDT, DDE, DDD en drins De humane risico index voor DDT, DDE, DDD en drins wordt niet overschreden bij de beleidsmatig vastgestelde normen. Uit de berekening blijkt dat de risico index voor deze stoffen ver beneden de 1 liggen waarmee er geen sprake is van een potentieel humaan risico. 9.4.2
Ecologische risico’s Uit de analyse van de ecologische risico’s blijkt dat voor veel stoffen (barium, koper, lood, zink, PAK, DDE en drins) de risico index bij een gemiddeld ecologisch beschermingsniveau wordt overschreden. Bij een matig beschermingsniveau wordt in geen van de gevallen de risico index overschreden behalve die voor drins. 52
Toetsing gevolgen lokale maximale waarden: humane en ecologische risico’s.
In de rapportage “ken uw bodemkwaliteit” die hoort bij de risico-toolbox, wordt beschreven dat als de risico index voor de vast te stellen lokale maximale waarde wordt overschreden, beleidsmatig de keuze kan worden gemaakt om toch een hogere waarde vast te stellen. Van deze mogelijkheid maakt Nijmegen gebruik. Argument 1: Bodemkwaliteit voldoet in het generieke kader dus geen risico’s De gemiddelde bodemkwaliteit in Nijmegen past binnen of is zelf beter dan de generieke normen die horen bij de bodemfunctie wonen. Daarmee voldoet het ook aan het ecologisch beschermingsniveau dat hoort bij de bodemfunctie wonen. Argument 2: Uitgangspunt is matig beschermingsniveau De belangrijke ecologische gebieden, zoals die in de ecologische hoofdstructuur zijn vastgelegd, worden beschermd, omdat daar alleen schone grond mag worden toegepast. In de overige gebieden kent de ecologie een meer binnenstedelijk karakter waarbij van een matig beschermingsniveau kan worden uitgegaan. Argument 3: Berekening met worstcasescenario; werkelijke gehaltes toegepaste grond liggen lager Uit de risicobeoordeling blijkt dat de risico index wordt overschreden voor de bestrijdingsmiddelen in het deelgebied Waalsprong ophoging en Waalsprong kassen. De berekende risico index is gebaseerd op een maximaal gehalte dat in het deelgebied kán worden toegepast.
Feitelijk zal maar een klein deel van de toe te passen grond binnen het gebied aan dit hoge gehalte voldoen. Het gemiddelde gehalte zal veel lager liggen. Argument 4: Per saldo verbetering ecologie Op gebiedsniveau is er geen toename van ecologische risico’s. Per saldo is zelfs sprake van een verbetering: • Vanwege de grote ontwikkelingsprojecten in de Waalsprong kan een grote hoeveelheid verontreinigde grond worden toegepast als ophoging van enkele meters op de voormalige stortplaats Zwarte weg onder een leeflaag van de bodemsanering. Ook op een groot deel van het archeologische rijksmonument ten oosten van het spoor komen parkeerplaatsen. Daarmee wordt de ecologische beschikbaarheid voor deze hoge gehaltes aan DDT, DDE en/of drins op gebiedsniveau sterk gereduceerd. • Het betreft alleen grond die binnen het gebied van Nijmegen vrijkomt. Er kunnen dus geen extra verontreinigingen van buiten Nijmegen worden toegevoegd. Argument 5: Landelijke acceptatie ecologische risico’s voor DDT, DDE en drins In de NOBOWA-notitie “voorgestelde beleidslijn op basis van consequenties verscherpte normstelling drins en DDT’s voor landbodem” worden de humane en ecologische risico’s voor drins uiteengezet. In de notitie is het verschil in normstelling tussen de Wet Bodembescherming en het Besluit Bodemkwaliteit verklaard.
De generieke maximale waarden voor de bodemfunctie Industrie voor drins bedraagt 0,14 mg/kg en is gebaseerd op ecologische risico’s. Daarentegen ligt de interventiewaarde uit de Wet Bodembescherming op 4,0 mg/kg, dus boven de ecologische risico-norm. Dat betekent dat er bij bodemsanering in het kader van de Wet Bodembescherming landelijk extra ecologisch risico’s worden geaccepteerd. Als de interventiewaarde ook naar 0,14 m/kg wordt verlaagd ontstaan er te grote maatschappelijk gevolgen. Eenzelfde redenering is te maken voor DDT en DDE waar ook een “gat” zit tussen de norm industrie (respectievelijk 1,0 en 1,3 mg/kg) en de interventiewaarde (respectievelijk 1,7 en 2,3 mg/kg). Volgens de NOBOWA-beleidslijn is het mogelijk lokale maximale waarden vast te stellen die hoger liggen dan de industrie-norm uit het Besluit Bodemkwaliteit. De gemeente Nijmegen maakt van deze mogelijkheid gebruikt en stelt de lokale maximale waarden voor drins vast op 2,0 mg/kg en voor DDT en DDE op de interventiewaarde (respect 1,7 en 2,3 mg/kg) (zie paragraaf 8.2.2 voor de motivatie van deze gehaltes). Hiermee wordt de hoogte van de norm en de ecologische risico’s van beide wetgevingen (BBK en WBB) op elkaar afgestemd.
53
Toetsing gevolgen lokale maximale waarden: humane en ecologische risico’s.
De lokale maximale waarden na afwegingen risico’s In tabel 5 staan de uiteindelijk vastgestelde lokale maximale waarden die gelden bij het hergebruik van grond. In tabel 7 staan de gehaltes die gelden bij het afperken van een geval van bodemverontreiniging en als terugsaneerwaarden bij bodemsaneringen; in tabel 8 voor de kwaliteit van een leeflaag bij een functiegerichte bodemsanering.
54
10
Handhaving De gemeente is bevoegd voor het toezicht op toepassing (aannemer en opdrachtgever) binnen het eigen beheergebied en kan bestuurlijk handhaven op: • De wijze van toepassing (overeenkomstig het gebiedsspecifieke beleid) en gemelde toepassing • De tijdige en correcte melding van de toepassing • De kwaliteitsverklaringen. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILenT, Ministerie van I en W) is in het kader van het Besluit bevoegd gezag voor • De keten van grond en bagger voorafgaande aan de aannemer, voor zover het gaat om activiteiten die onder kwalibo vallen. • De aannemer die grond en bagger toepast op de bodem. De Gemeente Nijmegen heeft het toezicht en de handhaving op grondstromen sinds 1 december 2017 gemandateerd aan de Omgevingsdienst Regio Nijmegen, conform het vastgestelde basistakenpakket van de omgevingsdiensten. ILenT heeft een toezichtloket bodem waar iedereen overtredingen en misstanden kan melden of klachten kan indienen over de kwaliteit van de uitvoering. https://www.ilent.nl/onderwerpen/bodemtoezicht/vragen-enmelden
55
11
Literatuur • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • •
Bodemkwaliteitskaart en Bodembeheerplan (actief bodembeheer) in Nijmegen, januari 2004. Nota Bodembeheer gemeente Nijmegen, augustus 2010. Nota Bodembeheer gemeente Nijmegen, september 2012 Besluit bodemkwaliteit; Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, jaargang 2007, nr. 469 en latere wijzigingen. Regeling bodemkwaliteit; Staatscourant, 20 december 2007 en latere wijzigingen Richtlijn bodemkwaliteitskaarten; Ministerie van VROM en Ministerie van Verkeer en Waterstaat; gepubliceerd via website NEN, 7 september 2007. Ken uw (water)bodemkwaliteit, de risico’s inzichtelijk; Grontmij 1 september 2007. NOBO: Normstelling en bodemkwaliteitsbeoordeling. Onderbouwing en beleidsmatige keuzes voor de bodemnormen in 2005, 2006 en 2007. NOBO-2008-029. Ministerie van VROM, december 2008. Wet Bodembescherming: Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu. Circulaire bodemsanering 2013. Beleidsnota bodem 2012, De Gelderse wegwijzer door bodemland, Bodem uitvoering en toetsing, 2012. Provincie Gelderland Geconsolideerde Omgevingsverordening (december 2018) (t.b.v. grondwaterbeschermingsgebieden) en latere wijzigingen. NEN5740, Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond; NEN 5740:2009 + A1:2016nl.
NEN 5725, Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, NEN 5725:2017nl Lood in de bodem en gezondheid. Aanvullend advies met informatie voor GGD-adviseurs gezondheid en milieu, GGD GHOR Nederland,29-1-2016. Werkgroep grond en bagger, emailbericht betreffende de drins/DDT-problematiek in Nijmegen; diffuus of niet, 16 juli 2009. NOBOWA-2009-017, Voorgestelde beleidslijn op basis van consequenties verscherpte normstelling drins en DDT’s voor landbodems. Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (geactualiseerde versie van 2 juli 2020) Handreiking inventarisatie gebieden met diffuus bodemlood, Tauw, N008-1248710MMK-V04-nnc-Nl, 25-102019 SIKB handreiking 8102, Onderzoeksstrategie diffuus lood in de bodem van kinderspeelplaatsen en (moes)tuinen, Versie 1.0, 13 december 2018. Landelijk Protocol omgaan met Aziatische duizendknopen; Aequator groen &ruimte, Stichting Probos en Geofox; versie 14 oktober 2019
57
BIJLAGE 1
BIJLAGE 2
Bijlage 2: Grondwaterbeschermingsgebied (zie ook website provincie Gelderland)
BIJLAGE 3
Bijlage 3: Ecologische hoofdstructuur (zie ook website provincie Gelderland)
BIJLAGE 4
Bijlage 4: Dynamiekkaart Nijmegen
BIJLAGE 5
Bijlage 5: Bouwstenenkaart Nijmegen
BIJLAGE 6
Bijlage 6 Rapport “Diffuus lood in de Nijmeegse bodem”, 2-7-2020, S. Broekman De in dit rapport genoemde voorstellen zijn uitgewerkt in de nota bodembeheer.
1 Inleiding
Door jarenlang menselijk handelen is, vooral in oude delen van steden, de bodem diffuus verontreinigd geraakt met onder andere lood. Een diffuse bodemverontreiniging heeft bijna nooit een direct te lokaliseren bron. De verontreiniging is vaak verspreid over een groot oppervlak. Binnen dit oppervlak kunnen hogere en lagere gehalten voorkomen en ontbreken meestal duidelijke concentratiecontouren. Het RIVM heeft onderzoek gepubliceerd over de gezondheidsrisico’s van bodemlood in diffuus verontreinigd gebied. Hieruit blijkt dat het risico van bodemlood voor jonge kinderen (ongeveer 0-7 jaar) hoger is dan tot nu toe werd gedacht. 5 Als jonge kinderen gronddeeltjes met lood inslikken kunnen er al bij lagere gehalten dan tot dan gedacht, nadelige effecten optreden op het leervermogen. Dit leidt onder andere tot een lagere intelligentie. In gebieden waar lood diffuus in de bodem voorkomt leidt lood eerder tot dergelijke risico’s omdat kinderen er in de hele wijk aan blootgesteld kunnen worden; in de eigen tuin, op het kinderdagverblijf, in de volkstuin, op de speelplaats etc. Volgens de GGD is het niet mogelijk om voor een individueel kind te achterhalen of het lood een effect op het IQ heeft gehad, maar wel op populatieniveau. Op populatieniveau kan een lagere intelligentie leiden tot hogere maatschappelijke kosten.
In dit rapport wordt onderzocht of in Nijmegen gebieden zijn waar lood in de bodem diffuus voorkomt in die mate dat maatregelen nodig worden geacht. Voor deze gebieden doen we een voorstel voor aanpassing van de nota Bodembeheer. Dit is besproken met GGD Gelderland-Zuid. Andere maatregelen worden in het kader van het projectplan Aanpak blootstelling aan lood in de bodem van Nijmegen lood uitgewerkt.
Voor de toetsing van het gezondheidsrisico van loodgehaltes in de grond geldt dat toetsing plaatsvindt met de werkelijk gemeten gehaltes, omdat het organisch stofgehalte en lutumgehalte van de bodem niet van invloed is op de blootstelling. Bij de normen van de Wbb wordt wel rekening gehouden met de samenstelling van de bodem (het organisch stofgehalte en lutumgehalte). De normen voor het bodembeleid waaraan normaliter getoetst wordt, zijn daarom bepaald voor een zogenaamde standaardbodem waarbij wordt uitgegaan van de aanwezigheid van 10 % organische stof en 25% lutum. Dat betekent dat om een gemeten 6concentratie aan de norm te kunnen toetsen deze op basis van het daadwerkelijk gemeten gehalte lutum en organische stof moet worden omgerekend naar een gehalte voor een standaardbodem. In dit rapport zijn de normen teruggerekend naar voorkomend organisch stofgehalte en lutumgehalte.
2 Identificatie van gebieden met diffuus lood in Nijmegen
In de ”Handreiking inventarisatie gebieden met diffuus bodemlood” (Tauw met kenmerk N008-1248710MMK-V04nnc-NL, 25-10-2019) is een werkwijze beschreven waarmee een analyse kan worden uitgevoerd die een beeld geeft over het aanwezig zijn van diffuus bodemlood in de contactzone in de bodem. Het doel is om gebieden (met een gevoelig gebruik) te identificeren waar lood min of meer geclusterd in een ruimtelijke samenhang in gehalten 5
RIVM Rapport 2015-0204. Diffuse loodverontreiniging in de bodem. Advies voor een gemeenschappelijk beleidskader. Otte P, Bakker MI, Lijzen JPA, Versluijs CW, Zeilmaker MJ. RIVM Report 607711015/2014. Oral bioavailability of lead from Dutch made grounds. A validation study. Kesteren PCE van et al
voorkomt boven een bepaald blootstellingsniveau waardoor op populatieniveau de kans bestaat op negatieve effecten (aandachtgebieden). Volgens deze werkwijze zijn voor Nijmegen deze aandachtgebieden bepaald. Overeenkomstig de handreiking is uitgegaan van de homogene deelgebieden van de bodemkwaliteitskaart en is er per deelgebied een aantal statistische kentallen bepaald op basis van de gemeten loodgehalten. 2.1 Statistische kentallen voor deelgebieden Nijmegen In onderstaande tabel is een aantal statistische kentallen opgenomen voor de verschillende deelgebieden van de bodemkwaliteitskaart van Nijmegen. De P80, P90 en P95 stellen het gehalte voor waaronder 80, respectievelijk 90 en 95% van alle meetgegevens liggen. Dit betekent dat in 20, respectievelijk 10 en 5% van de meetpunten het gehalte hoger is dan de P80, P90 en P95. Voor de berekening van deze kentallen is gebruik gemaakt van de dataset die ook is gebruikt voor het bepalen van de lokale maximale waarden voor Nijmegen 7. In deze analyse zijn de concentraties in de dataset niet omgerekend naar concentraties voor een standaardbodem, maar zijn de daadwerkelijk gemeten concentraties aan lood in de bodem gebruikt.
In de tabel zijn ook de verschillende grenswaarden voor de deelgebieden opgenomen: de Achtergrondwaarde 8 (“schoon”), de Maximale Waarde voor Wonen (licht verontreinigd, maar geschikt om te wonen) en de Maximale Waarde voor Industrie/Interventiewaarde (matig verontreinigd). Om ze vergelijkbaar te maken met de gemeten concentraties zijn de grenswaarden voor de standaardbodem (respectievelijk 100, 210 en 530 mg./kg. d.s.) teruggerekend naar de concentratie behorend bij het gemiddelde lutum en organisch stofgehalte in een deelgebied. Hieruit blijkt het volgende: Voor 4 deelgebieden liggen de P80, P90 en P95 onder de norm voor wonen, met uitzondering van de P95 voor het gebied ‘1945-1965’. In de deelgebieden ‘Centrum’ en ‘1900-1945’ liggen alle weergegeven percentielwaarden boven de norm voor wonen maar onder de Interventiewaarde. Per deelgebied is ook het gemiddelde loodgehalte bepaald. In de handreiking wordt geadviseerd om dit niet als representatieve waarde voor het loodgehalte te gebruiken. Bij het gebruik van het gemiddelde loodgehalte in een deelgebied bestaat namelijk het risico dat een clustering van hogere loodgehalten binnen een deelgebied wordt gemist. De heterogeniteit (tabel 1) is een maat waarmee in beeld wordt gebracht of de bodemkwaliteit sterk varieert binnen een deelgebied.
Daarmee geeft de heterogeniteit een indicatie voor de spreiding bij de berekende percentielwaarden. De heterogeniteit wordt berekend door gebruik te maken van de formule (P95-P5)/ (Maximale waarde, Industrie–, Achtergrondwaarde). Wanneer het quotiënt tussen 0,5 en 0,7 ligt of hoger is pleit dit er voor om een P90 of P95 als toetsingswaarde te gebruiken. Het gemiddelde of de P80 is dan een minder representatieve waarde om de kwaliteit van een gebied te beschrijven. Het risico bestaat dan dat een clustering van hogere loodgehalten binnen een deelgebied wordt gemist.
Tabel 1 Statistische kentallen en grenswaarden voor lood in mg/kg d.s. per deelgebied op basis van gemeten concentraties lood
7
Het gaat dan om de dataset van loodgehalten die ook is gebruikt om beleid te bepalen voor hergebruik van grond in Nijmegen. Hieruit zijn de uitbijters verwijderd. Er is sprake van een uitbijter als het analyseresultaat boven de 75-percentielwaarde plus drie maal de interkwartielafstand (75-percentielwaarde minus 25-percentielwaarde) van het betreffende deelgebied ligt. 8 De achtergrondwaarde die hier is opgenomen is de achtergrondwaarde waaraan getoetst mag worden om vast te stellen of sprake is van schone grond (2* AW en <maximale waarde wonen) in de regeling bodemkwaliteit.
Deelgebied (aantal waarnemingen)
P80
P90
P95
Gemiddelde
AW i
Wonen
Industrie/ Interventie waarde
Heterogeniteit
Centrum (336)
160
240
313
95
64
135
340
0,64
1900-1945 (2015) 1945-1965 (1013) 1965 – heden (604) Waalsprong (1749) Waalsprong kassen (504)
150
200
270
91
67
140
354
0,55
87
120
155
55
66
139
352
0,31
44
61
75
30
72
151
382
0,14
46
65
78
35
80
168
425
0,14
52
68
86
37
74
155
391
0,16
voldoet aan AW voldoet aan Maximale Waarde Wonen voldoet aan Maximale Waarde Industrie/ beneden Interventiewaarde
Als we kijken naar de waarden van de P90, P95 en de heterogeniteit is in de deelgebieden ‘Centrum’ en ‘19001945’ mogelijk sprake van een diffuus voorkomen van lood in de bodem. 2.2 Effecten lood op IQ-ontwikkeling in Nijmegen De mens wordt blootgesteld aan lood vanuit voeding, drinkwater, emissies naar lucht, huisstof en door het gebruik van de bodem. De blootstelling aan lood door het gebruik van de bodem treedt vooral op via ingestie. Jonge kinderen zullen vaker grond binnenkrijgen door het zogenaamde hand-mond-gedrag en zijn bovendien gevoeliger voor lood dan volwassenen. In de afgelopen jaren is uit onderzoek gebleken dat de risico’s van blootstelling aan lood bij jonge kinderen tot 6 jaar groter zijn dan voorheen werd aangenomen. Als zij te veel lood binnen krijgen, kan dat een nadelig effect hebben op hun leervermogen. Dit is nooit aantoonbaar voor een individueel kind, maar is op populatieniveau meetbaar. Er is geen drempelwaarde voor lood. Dat betekent dat elke blootstelling aan lood effect heeft. Bij de normen in de bodem wet- en regelgeving wordt ook rekening gehouden met bloostelling via andere wegen. Bij het vaststellen van de generieke maximale waarde voor lood in de bodem wordt 1 ug/kg lgew dag in mindering gebracht op het humaan toxicologisch toetscriterium 9.
De GGD adviseert daarom om voor blootstelling aan lood het ALARAprincipe (as low as reasonable achievable) 10 te hanteren. De GGD stelt dat een laag bodemloodgehalte, overeenkomend met minder dan 1 IQ-puntverlies, de voorkeur heeft voor bodemgevoelige functies. Bodemgevoelige functies zijn: wonen met tuin (inclusief kleine moestuin), plaatsen waar kinderen spelen en een grote moestuin. Een gehalte waarbij een IQ-verlies van 1 of minder optreedt heeft de voorkeur van de GGD. Dit komt volgens de GGD bij ‘wonen met tuin’ en ‘plaatsen waar kinderen spelen’ overeen met een bodemloodgehalte van respectievelijk 90 en 100 mg/kg ds. Uit gesprekken met GGD Gelderland-Zuid blijkt dat zij 3 IQ punten verlies als bovengrens beschouwen. Een IQverlies van 3 punten komt, uitgaande van dezelfde aannames voor ‘plaats waar kinderen spelen’ en ‘wonen met 9 Bij het vaststellen van de maximale waarde van lood voor wonen wordt de generieke blootstelling aan lood via andere bronnen (voornamelijk van voedsel) in mindering gebracht op het MTR humaan (VROM, 2008). Daarom wordt getoetst aan een humaan toxicologisch criterium van 1,8 μg./kg. lichaamsgewicht per dag (ipv 2,8 μg./kg. lg. dag bij de interventiew aarde). NOBO: Normstelling en bodemkw aliteitsbeoordeling. Onderbouwing en beleidsmatige keuzes voor de bodemnormen in 2005, 2006 en 2007, Ruimte en Milieu Ministerie van VROM.
Diffuse loodverontreiniging in de bodem Advies voor een gemeenschappelijk beleidskader, RIVM-rapport 2015-0204 P.F. Otte et al. 10 Lood in bodem en gezondheid. Aanvullend advies met informatie voor GGD-adviseurs gezondheid en milieu GGD-projectgroep bodem - definitieve versie: 29 januari 2016.
tuin’ overeen met een gemeten bodemloodgehalte van respectievelijk 390 en 370 mg/kg ds lood. De loodinname die hierbij hoort is gemiddeld 1,9 ug/kg/dag voor kinderen tot 6 jaar. Voor grote moestuinen is er bij 260 mg/kg ds lood modelmatig 3 IQ punten verlies (zie tabel 2). Tabel 2 Gezondheidskundige risicowaarden en handelingsperspectieven van de GGD voor loodgehalte in de bodem (in mg/kg ds) Gezondheidskundig voldoende bodemkwaliteit voor lood
Gezondheidskundig matige bodemkwaliteit voor lood
Gezondheidskundig onvoldoende bodemkwaliteit voor lood
Grote moestuin (> circa 200 m2)
< 60 mg/kg
60 - 260 mg/kg
> 260 mg/kg
Wonen met tuin (kleine moestuin)
< 90 mg/kg
90 - 370 mg/kg
> 370 mg/kg
Plaatsen waar kinderen spelen
< 100 mg/kg
100 - 390 mg/kg
> 390 mg/kg
minder dan 1 IQpuntverlies
1-3 IQ-puntenverlies
meer dan 3 IQ-puntenverlies
• goede ruimtelijke ordening: realiseer gevoelige bestemmingen zoveel mogelijk op grond met een voldoende bodemloodkwaliteit
• algemene communicatie over gebruiksadviezen (via folder, posters, website e.d.). • Ssanering bij herstructurering e.d.
• sanering • Zolang sanering niet haalbaar is: specifieke risicocommunicatie met bewoners en andere gebruikers van verontreinigde grond (via brieven, informatiebijeenkomsten e.d.), borging van de communicatie over gebruiksadviezen op de lange termijn
IQ-puntenverlies door bodemlood Handelingsperspectieven voor plaatsen waar jonge kinderen (0-7 jaar) veel in contact komen met grond (gevoelige locaties: wonen met tuin, speelplekken, kinderdagverblijven e.d.)
Toets aan GGD-waarden In alle deelgebieden voldoet de ‘gemeten P95’ aan de bovengrens voor het bodemlood gehalte dat de GGD hanteert voor ‘plaats waar kinderen spelen’ en ‘wonen met tuin’ (zie tabel 2). De P95 van de deelgebieden ‘Centrum’ en ‘1900-1945’ overschrijdt wel de bovengrens die de GGD hanteert voor de functie ‘grote moestuin’ 11. Voor de deelgebieden ‘Waalsprong’, ‘Waalsprong kassen’ en in het gebied ‘1965 tot heden’ voldoet de P95 ook aan de waarde waarbij minder dan 1 IQ punt verlies optreedt. In de andere 3 deelgebieden wordt deze norm wel overschreden, ook als wordt uitgegaan van de P80 (‘uitzondering 1945-1965’). Toets met behulp van Sanscrit 12 module ‘diffuus lood’ (RIVM) In Sanscrit is de module ‘Diffuus Lood’ opgenomen. Dit is een model om inzicht te krijgen in de blootstelling. Blootstelling hangt naast de loodconcentratie ook af van het bodemgebruik en de mate van contact met de bodem.
11 In de modellen die de GGD gebruikt wordt ervan uit gegaan dat 100% van bladgewassen die worden gegeten afkomstig is uit de moestuin en 50% van de knolgewassen afkomstig is uit de tuin, en dat de moestuin een oppervlak heeft van minstens 200 m2. 12 Sanscrit staat voor Saneringscriterium en is het model dat gebruikt wordt om risico’s ten gevolge van bodemverontreiniging vast te stellen.
Uit een RIVM-rapport 13 blijkt dat voor blootstelling aan lood in een diffuus verontreinigd gebied rekening moet worden gehouden met gestapelde blootstelling (blootstelling in tuin én speelplek én moestuin, waarbij de verblijfstijden beargumenteerd verdeeld moeten worden op basis van bezoekersfrequentie). Bij de berekeningen met behulp van dit model is daarom, in tegenstelling tot de berekeningen van de GGD, gebruik gemaakt van gestapelde blootstelling 14. Daarmee is sprake van een worst case situatie die wordt getoetst. De berekeningen voor de P80 en P95 zijn opgenomen in tabel 3, naast de toets aan de overschrijding voor individuele functies.
Tabel 3 Effect van de P80 en P95 van lood per deelgebied uitgedrukt in het verlies aan IQ-punten bij verschillende benaderingen Deelgebied
P80
IQ punten verlies volgens individuele functies GGD
IQ-punten verlies lood module bij gestapelde blootstelling
P95 ‘
IQ punten verlies volgens individuele functies GGD
IQ-puntenverlies lood module bij gestapelde blootstelling
Voor 1900
160
1-3
2
313
>3
3,8
1900-1945
150
1-3
1,9
270
>3
3,3
1945-1965
87
1-3
1,1
155
1-3
2
15
Na 1965
44
<1
-
75
<1
1
Waalsprong
46
<1
-
78
<1
1
Waalsprong kassen
52
<1
0,7
86
<1
1
Voldoende bodemkwaliteit voor lood voor bodemgevoelige functies Matige bodemkwaliteit voor lood voor bodemgevoelige functies Onvoldoende bodemkwaliteit voor lood voor bodemgevoelige functies
Hierin is te zien dat bij de P95 in de deelgebieden ‘Centrum’ en ‘1900-1945’ het IQ-verlies volgens beide methodes meer dan 3 punten is. In de deelgebieden ‘na 1965’ ‘Waalsprong’ en ‘Waalsprong kassen’ is het IQ-verlies lager dan of gelijk aan één punt, zowel bij de P80 als bij de P95. In deelgebied ‘1945-1965’ ligt het IQ-verlies tussen 1-3.
2.3 Conclusie deelgebieden met diffuus lood Voor de deelgebieden ‘Centrum’ en ’1900-1945’ ligt de heterogeniteit tussen 0,5 en 0,7, ligt de P90 en zelfs de P80 boven de maximale waarde voor wonen en ligt het gemiddelde boven de achtergrondwaarde. Het verlies aan IQ punten voor de P95 ligt boven de 3. We beschouwen deze deelgebieden dus als aandachtsgebieden. Voor de wijken binnen de deelgebieden ‘Centrum’ en ’1900-1945’ is daarom eenzelfde analyse uitgevoerd op wijkniveau als voor de deelgebieden. In de deelgebieden ‘1965-heden’, ‘Waalsprong’ en ‘Waalsprong kassen’ leiden de loodgehalten tot minder dan 1 IQ punt verlies.
13
Diffuse loodverontreiniging in de bodem. Advies voor een gemeenschappelijk beleidskader. RIVM (Otte, P.F. et al.) kenmerk 2015-0204, 2015. 14 Bij de uitgevoerde berekeningen mbv de module is uitgegaan van de standaard ingestie van grond die hoort bij de gekozen gebruiksfunctie (100 mg./kg./dag gedurende 125 dagen per jaar). Bij de functie wonen met tuin is verder rekening gehouden met een gewasconsumptie uit de tuin (blad en knolgewassen) van 10%. Bij speelplekken wordt uiteraard geen rekening gehouden met gewasconsumptie. Wat betreft de biobeschikbaarheid (een maat voor de opname van lood in het bloed) is uitgegaan van de standaardwaarde (70%). Ook is aangegeven dat er geen maatregelen zijn opgelegd die blootstelling aan lood moeten voorkomen. Tot slot is rekening gehouden met gestapelde blootstelling per gebied. Dat betekent dus dat wordt uitgegaan van 125 dagen per jaar blootstelling via gebruiksfunctie wonen met tuin én 125 dagen per jaar blootstelling via gebruiksfunctie plaatsen waar kinderen spelen. 15 Als het gehalte lager is dan 50 mg./kg. d.s. wordt geen IQ-verlies berekend in de loodmodule.
Voor het deelgebied ‘na 1965’ leidt het loodgehalte tot meer dan 1 maar minder dan 3 IQ punten verlies. Dit is gebaseerd op de P95. De concentratie lood die hoort bij de P90 van dit deelgebied is lager dan de maximale waarde voor wonen. De kans dat hogere blootstelling optreedt is een stuk kleiner dan in de deelgebieden ‘Centrum’ en ‘1900-1945’. We beschouwen deze deelgebieden daarom nu niet als aandachtgebieden.
3 Identificatie van wijken met diffuus lood in de deelgebieden ‘Centrum’ en ‘1900-1945’ 3.1 Statistische kentallen voor wijken uit deelgebied ‘Centrum’ en ‘1900-1945’ in Nijmegen Voor vrijwel alle wijken in deze deelgebieden zijn er voldoende waarnemingen om statistische kentallen te berekenen. Alleen voor de wijk Ooyse Schependom zijn er te weinig gegevens (9) om betrouwbaar kentallen te kunnen berekenen. De gegevens van deze wijk zijn omdat ze grenst aan de wijk stadscentrum aan deze wijk toegevoegd. In tabel 4 zijn de berekende statistische kentallen en een aantal grenswaarden voor de wijken binnen de deelgebieden ‘Centrum’ en ’1900-1945’van Nijmegen weergegeven.
Tabel 4 Statistische kentallen voor lood in mg/kg d.s. per wijk in de deelgebieden ‘Centrum’ en ‘1900-1945’ op basis van gemeten concentraties lood in mg/kg d.s.
Benedenstad (34)
Stadscentrum (311)
Bottendaal (104)
Biezen (224)
Wolfkuil (200)
Hees (131)
Haven en industrieter i ( 0 ) Sint Anna (74)
Galgenve;d (82)
Nijeveld (164)
Hunnerberg (98)
Hazenkamp (70)
Hengstdal (108)
Altrade (81)
Wijk (aantal waarnemingen) P80
184
160
140
220
240
170
80
110
158
130
136
140
99
180
P90
255
240
187
320
292
210
110
170
200
190
172
162
130
240
P95
338
310
259
350
352
283
160
200
240
237
192
190
177
290
Gemiddelde
112
93
85
144
164
116
50
83
102
79
83
91
68
114
AW
64
64
65
70
66
68
66
66
65
65
66
67
66
67
Wonen
134
135
136
147
139
142
139
139
137
137
138
140
138
142
337
341
344
371
352
359
351
352
346
346
348
353
349
357
0.69
0.63
0.52
0.70
0.71
0.57
0.32
0.40
0.49
0.48
0.38
0.38
0.34
0.57
Industrie/ Interventie waarde Heterogeni teit
voldoet aan AW voldoet aan Maximale Waarde Wonen voldoet aan Maximale Waarde Industrie/ beneden Interventiewaarde hoger dan Interventiewaarde
3.2 Effecten lood op IQ-ontwikkeling voor wijken uit deelgebied ‘Centrum’ en ‘1900-1945’ in Nijmegen Voor de wijken in de deelgebieden ‘Centrum’ en ‘1900-1945’ zijn de ‘gemeten’ P80 en P95 vergeleken met het bodemlood gehalte dat de GGD hanteert voor 3 IQ punten verlies bij de bodemgevoelige functies ‘plaats waar kinderen spelen’ en’ wonen met kleine tuin’ (respectievelijk 390 en 370 mg/kg ds). Voor alle wijken voldoet de P95 en P80 aan deze waarden. De P95 van een aantal wijken overschrijdt wel de bovengrens die de GGD hanteert voor de functie grote moestuin (260 mg/kg ds). De tuinen in de wijken van deze twee deelgebieden zijn echter meestal kleiner dan de 200 m2 die voor de omvang van de grote moestuin staan. Voor bijna alle wijken ligt het bodemloodgehalte hoger dan het gehalte dat overeenkomt met 1 IQ-punt verlies bij gevoelige locaties (90-100 mg kg ds). Als echter met de module Diffuus Lood de worst case situatie wordt getoetst, blijkt dat in een groot aantal wijken (9) bij de P95 een verlies van 3 of meer IQ punten optreedt. Slechts voor 5 wijken ligt het verlies aan IQ-punten dan tussen de 1-3. Voor de P80 geldt dat voor alle wijken en beide methodieken het verlies aan IQ-punten tussen de 13 IQ-punten ligt.
Tabel 5 Effect voor de P80 en P95 van lood per wijk uitgedrukt in het verlies aan IQ-punten Wijk
P80
IQ punten verlies volgens individuele functie GGD
IQ-punten verlies lood module bij gestapelde blootstelling
P95
IQ punten verlies volgens individuele functie GGD
IQ-punten verlies lood module bij gestapelde blootstelling
Benedenstad
184
1-3
2,3
338
>3
4,1
Stadscentrum
160
1-3
2
310
>3
3,8
Bottendaal
140
1-3
1,8
259
1-3
3,2
Biezen
220
1-3
2,8
350
>3
4,3
Wolfkuil
240
1-3
3
352
>3
4,3
Hees
170
1-3
2,1
283
>3
3,5
Haven- en industrieterrein
80
<1
1
160
1-3
2
Sint Anna
110
1-3
1,4
200
1-3
2,5
Galgenveld
158
1-3
2
240
1-3
3
Nijeveld
130
1-3
1,7
237
1-3
3
Hunnerberg
136
1-3
1,7
192
1-3
2,4
Hazenkamp
140
1-3
1,8
190
1-3
2,4
Hengstdal
99
1-3
1,3
177
1-3
2,2
Altrade
180
1-3
2,3
290
>3
3,6
Voldoende bodemkwaliteit voor lood voor bodemgevoelige functies Matige bodemkwaliteit voor lood voor bodemgevoelige functies Onvoldoende bodemkwaliteit voor lood voor bodemgevoelige functies
3.3 Conclusie voorkomen diffuus lood in wijken van deelgebieden ‘Centrum’ en ‘1900-1945’: aandachtwijken Op basis van de statistische kentallen, de gezondheidskundige waarden die de GGD adviseert en het IQ-punten verlies berekend bij verschillende percentielwaarden is de conclusie dat in vrijwel alle wijken sprake is van een diffuse lood problematiek. De GGD adviseert maatregelen te treffen bij bodemloodgehalten die leiden tot een verlies van meer dan 1 IQpunt 16. De GGD realiseert zich dat de keuze voor welke maatregelen genomen worden, ook met (financiële) haalbaarheid heeft te maken en heeft daarom als bovengrens 3 IQ-puntenverlies genoemd. Volgens de GGD en het RIVM kunnen ook gebruiksadviezen zorgen voor een vermindering van de blootstelling aan lood waardoor al winst wordt behaald. Het geven van gebruiksadviezen in combinatie met goede communicatie kan een alternatief zijn voor sanering. Het goed opvolgen van die adviezen door de gebruikers van de grond is hierbij cruciaal. Sanering van verontreinigde grond is een duurzamere oplossing waarbij gebruikersgedrag het gezondheidsrisico op IQ niet beïnvloedt en heeft, zeker bij relatief hoge loodgehalten, de voorkeur. De wijken met een IQ-puntverlies van 3 of meer beschouwen we als aandachtwijken.
Deze liggen in het centrum van Nijmegen en de wijken daar direct omheen (namelijk Benedenstad, Stadscentrum, Bottendaal, Biezen, Wolfkuil, Hees, Galgenveld, Nijeveld, Altrade). Voor deze wijken zijn in hoofdstuk 4 voorstellen geformuleerd voor te hanteren normen met betrekking tot het toepassen van grond en normen om de grens van de verontreiniging met lood te bepalen. Welke maatregelen verder mogelijk/haalbaar zijn wordt onderzocht bij de uitvoering van het projectplan Aanpak blootstelling aan lood in de bodem van Nijmegen lood.
16
‘Aanvullend advies met informatie voor GGD-adviseurs gezondheid en milieu 29-01-2016’
4 Aanpassen bodembeheernota
Toepassen Hergebruik van grond wordt op verschillende manieren getoetst. Voor grond afkomstig van buiten Nijmegen moet volgens het huidige beleid altijd een partijkeuring beschikbaar zijn en wordt voor lood al getoetst aan de Maximale Waarde voor wonen. Voor een standaardbodem is dit 210 mg/kg ds. In de praktijk is het gehalte aan organische stof en lutum in partijen grond die wordt toegepast lager dan de gehalten bij een standaard bodem. Hierdoor zal de gemeten concentraties lager zijn dan 210 mg/kg d.s. In Nijmegen Grond afkomstig van traject één (geroerde laag) uit de deelgebieden ‘tot 1900’ en ‘1900-1945' kan in het huidige beleid niet op basis van de bodemkwaliteitskaart in Nijmegen worden hergebruikt. De kwaliteit van deze grond moet altijd worden vastgesteld met een partijkeuring, ook als die wordt toegepast binnen het eigen deelgebied. De resultaten van de keuring worden getoetst aan de vastgestelde Lokale Maximale Waarden, behalve bij toepassing van grond in tuinen. Dan wordt getoetst aan de maximale waarde voor wonen. Deze is voor de deelgebieden ‘tot 1900’ en ‘1900-1945’, uitgaande van het gemiddelde gehalte organische stof en lutum, ongeveer 140 mg/kg ds (gemeten waarde). Voorstel: bij toepassing van deze grond in tuinen van de deelgebieden Centrum’ en ‘1900-1945' te toetsen aan de Maximale Waarde voor wonen.
In het huidige beleid mag grond die afkomstig is uit traject één van een van de overige deelgebieden in veel gevallen op basis van de bodemkwaliteitskaart worden toegepast in traject 1 van de deelgebieden ‘Centrum’ en ‘1900-1945’. De gemeten P95 voor lood in de andere deelgebieden ligt rond of ruim beneden de maximale waarde voor wonen als gemeten gehalte voor de aandachtwijken. Dat betekent dat de kans dat de kwaliteit verslechtert gering is (alleen voor het deelgebied 1945-1965 ligt de P95 net wat hoger zie tabel 1). Het eisen van een partijkeuring levert dus niet veel op, terwijl het wel tot een lastenverzwaring leidt. Als er echter kwaliteitsgegevens beschikbaar zijn in de vorm van een partijkeuring of een bodemonderzoek worden nu de resultaten daarvan getoetst aan de vastgestelde Lokale Maximale Waarden. Voorstel: bij toepassing van grond in tuinen in de deelgebieden ‘Centrum’ en ‘1900-1945’, wordt bij beschikbare kwaliteitsgegevens getoetst aan de Maximale Waarde voor wonen. Grond die afkomstig is van traject twee (ongeroerde ondergrond) binnen Nijmegen kan worden hergebruikt op basis van de bodemkwaliteitskaart. De kwaliteit van die grond voldoet namelijk in heel Nijmegen aan de AW. Als er kwaliteitsgegevens van de grond bestaan (op basis van een bodemonderzoek of een partijkeuring) dan moet het loodgehalte van die gegevens voldoen aan de Achtergrondwaarde.
Door verscherping van de norm voor lood bij toepassing in tuinen treedt geleidelijk een verbetering van kwaliteit op. Voor het toepassen van grond op plaatsen waar kinderen spelen of in een volkstuin geldt al de eis (staand beleid) dat de kwaliteit van die grond voldoet aan de Achtergrondwaarde. Saneren In de nota bodembeheer van de gemeente Nijmegen zijn ook normen opgenomen voor het afperken van een geval van bodemverontreiniging. Deze zijn van belang omdat daarmee de grens wordt bepaald van het gebied dat moet worden gesaneerd als een sanering noodzakelijk is. Deze normen zijn bijna altijd gelijk aan de Lokale Maximale Waarden. Uitzondering zijn bestrijdingsmiddelen in deelgebied ‘Waalsprong’ en PAK in deelgebied ‘1900-1945’. Sanering van lood is noodzakelijk waar, volgens het model Sanscrit, humane risico’s bestaan. Bij een diffuse verontreiniging kiest men meestal voor een onderzoeksstrategie waarmee een uitspraak over een vlak (een hele tuin of een aantal aaneengesloten tuinen) wordt gedaan, in plaats van een klein deel van zo’n tuin. Een eventuele
saneringsaanpak heeft dan betrekking op de gehele tuin of het aaneengesloten gebied. De begrenzing van het vlak waar concentraties aanwezig zijn boven de norm voor spoed vormt dan de horizontale begrenzing voor de sanering. Meestal de eigendoms- of ontwikkelgrens. Bij grotere gebieden worden meerdere vlakken onderzocht, waarbij ook verschillende gehalten kunnen worden aangetroffen. Voorstel: In de aandachtsgebieden (deelgebieden ‘Centrum’en ‘1900-1945’) wordt de norm voor het afperken van een bodemverontreiniging met lood gelijk aan de kwaliteit die geëist wordt bij het toepassen van grond. Voor tuinen Maximale Waarde voor Wonen en voor speelplaatsen/Volkstuinen de Achtergrondwaarde. De horizontale grens van de verontreiniging wordt veelal bepaald door de eigendoms- of ontwikkelingsgrens. Als de tuin of speelplaats/volkstuin zo groot is dat er meerdere vlakken zijn onderzocht, is bínnen de tuin of de speelplaats/volkstuin de Maximale Waarde voor Wonen respectievelijk de Achtergrondwaarde de saneringsgrens. In beide situaties wordt ook de verticale grens bepaald door die waarde. Dit zal niet leiden tot een grote lastenverzwaring, omdat • Er niet veel spoedlocaties zullen zijn ten gevolge van lood • Het in de aandachtsgebieden meestal om tuinen van een beperkte omvang gaat.
• Er ook gekozen kan worden voor een functionele sanering in plaats van een volledige verwijdering van de verontreiniging, bijvoorbeeld het aanbrengen van een leeflaag van één meter dik of het aanbrengen van een verharding.
BIJLAGE 7
Bijlage 7 Rapport Vaststelling kentallen PFAS, 15-7-2020, S. Broekman 1 Inleiding Op 2-7-2020 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie aangeboden aan de Tweede kamer. Daarin wordt uiteengezet hoe omgegaan moet worden met het toepassen van PFAS-houdende grond. In het handelingskader zijn tijdelijke generieke normen opgenomen voor PFAS. In het tijdelijk handelingskader worden dit toepassingsnormen genoemd. Onder voorwaarden mogen lokale specifieke waarden worden vastgesteld. Hierna komt achtereenvolgens aan de orde • Onderzoek naar PFAS in de Nijmeegse bodem • Hoe om te gaan met PFAS in het generiek en gebiedsspecifieke kader • Methodiek voor de vaststelling van normen • Bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel 2 Onderzoek naar PFAS in de Nijmeegse bodem In Nijmegen waren geen gegevens bekend omtrent de mate van voorkomen van PFAS in de bodem. Daarom is daar onderzoek naar gedaan. Dat onderzoek is uitgevoerd conform de vereisten die het tijdelijk handelingskader aangeeft voor stap 6 (het verzamelen van aanvullende informatie) uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten (zie paragraaf 4 van dit rapport).
In het tijdelijk handelingskader is aangegeven dat voor het actualiseren van de bodemkwaliteitskaart met PFAS op basis van aanvullend onderzoek dezelfde systematiek kan worden gebruikt als destijds is uitgewerkt voor pcb’s 17 . Volgens deze systematiek kan het beheergebied worden ingedeeld als één PFAS-zone als er geen duidelijke verschillen worden aangetroffen in het organisch stofgehalte. Voor PFAS is het organisch stofgehalte namelijk het enige onderscheidende kenmerk. Daarvoor worden drie klassen gehanteerd: tot 4% organische stof, 4-8% organische stof of meer dan 8% organische stof. Voor alle deelgebieden binnen het beheergebied van Nijmegenis het organische stofgehalte gemiddeld niet hoger dan 4% 18 . Het hele beheergebied mag daarom worden ingedeeld als één PFAS-zone. Het minimaal aantal benodigde waarnemingen per zone is 30 per te onderscheiden bodemtraject. Omdat het één aaneengesloten gebied betreft, kan worden uitgegaan van een indeling van het gebied in 30 even grote vakken waarbij in ieder vak een waarneming beschikbaar moet zijn. Omdat er nog geen gegevens zijn over voorkomen van PFAS in Nijmegen is een vooronderzoek conform de NEN 5725 (vooronderzoek) gedaan om vast te stellen op welke plekken géen boringen moeten worden uitgevoerd.
De bekende verdachte locaties (en daarmee mogelijke bronlocaties voor PFAS) of gesaneerde locaties zijn uitgesloten (die relatief schoon zullen zijn) als locatie waar een boring kan worden uitgevoerd. Om een representatiever beeld te krijgen zijn er meer dan 30 boringen uitgevoerd; in totaal 62 waarvan 30 geplaatst binnen de bestaande stad (grondgebied ten zuiden van de Waal). Deze boringen zijn doorgezet tot 2,0 m-mv. Van alle boringen is het monster van het traject van 0-0,5 m-mv geanalyseerd op PFAS. Voor traject 2 (de ongeroerde laag) zijn van 30 boringen monsters uit het traject van 0,5-2,0 m-mv geanalyseerd. In de Waalsprong zijn 32 boringen verricht. Daarbij is naast een evenwichtige ruimtelijke verdeling ook rekening gehouden met de functie die het gebied in het verleden had. Het vermoeden bestaat namelijk dat PFAS is gebruikt als toevoeging aan bestrijdingsmiddelen. Van de 32 boringen zijn er 8 uitgevoerd in voormalige boomgaarden en 9 in voormalige tuinbouwkassen. De boringen zijn doorgezet tot 1,0 m-mv waarbij de eerste 0,5 meter is bemonsterd in twee trajecten van elk 0,25 meter. Van alle boringen is het bodemmonster van 0-0,25 m-mv geanalyseerd. In de Waalsprong zijn voor traject 2 van10 boringen het monster van 0,5-1,0 mmv geanalyseerd op PFAS.
17
Wijzigingsblad d.d. 1 januari 2019 bij de “Richtlijn bodemkwaliteitskaarten versie 3 september 2007 Zie hiervoor Bijlage 8: Evaluatie bodemkwaliteitskaart gemeente Nijmegen en wijzigingen Lokale Maximale Waarden Traject 1, Lievens Milieu, 12-10-2018
18
Er zijn in totaal 62 monsters van traject 1 en 30 monsters van traject 2 geanalyseerd op PFAS. De monsters zijn geanalyseerd op de stoffen van de advieslijst voor PFAS, versie van 12-7-2019 19 . Daarnaast zijn nog enkele andere stoffen geanalyseerd die onder de PFAS-groep vallen, maar geen onderdeel uitmaken van de advieslijst. Met de resultaten is een aantal statistische kentallen berekend om de bodemkwaliteit te karakteriseren, zie de tabellen 2 en 3 van dit rapport. Per traject en per stof is het gemiddelde berekend en zijn een aantal percentielwaarden berekend, te weten de P5, P25, P50, P75, P80, P90 en P95. Het voorbewerken van de gegevens heeft plaatsgevonden volgens de landelijke Richtlijn bodemkwaliteitskaarten 20 . Uit de dataset blijkt dat voor veel stoffen de concentraties vooral beneden de detectielimiet liggen. Alleen voor de som PFOA en de som PFOS worden in traject 1 altijd concentraties waargenomen boven de detectiegrens. Uit de resultaten blijkt dat er geen significant onderscheid is tussen de concentraties die worden gevonden in tuinbouwkassen, boomgaarden en de rest van Nijmegen. De variatie in gehaltes binnen Nijmegen is klein; de coëfficient blijft ruim beneden de acceptabele grens van 2. De heterogeniteit is een maat voor de betrouwbaarheid van de bepaalde diffuse bodemkwaliteit.
Deze wordt bepaald door een index die het resultaat is van de formule: (p95-P5)/(toetsingswaarde industrie- toetsingswaarde natuur/landbouw 21 ). Wanneer de index kleiner is dan 0,2 is sprake van weinig heterogeniteit en bij een index van 0,2 -0,5 is er sprake van beperkte heterogeniteit. Uit de tabel blijkt dat de index voor heterogeniteit voor PFOA en PFOS iets hoger is dan 0,5. Voor geen van de overige stoffen is de index hoger dan 0,2. Het gemiddeld organisch stofpercentage per traject is berekend op 3,07%. Dit valt in dezelfde klasse (tot 4%) als het gemiddelde gehalte dat voor de diverse deelgebieden is berekend bij de evaluatie van de bodemkwaliteitskaart. Dit bevestigt dat de keuze voor 1 zone gerechtvaardigd is. 3 Hoe om te gaan met PFAS in het generiek en gebiedsspecifieke kader Generiek kader In Nijmegen voldoet volgens het generieke kader, de bodemkwaliteit aan de norm voor wonen in de deelgebieden ‘tot 1900’, ‘1900-1945’ , ‘1945-1965’ en ‘waalsprong kassen’. Voor de deelgebieden ‘1965-heden’ en ‘waalsprong’ voldoet de kwaliteit aan natuur/landbouw. De hoofdfunctie van alle deelgebieden is wonen (zie hoofdstuk 7.1.1 van de Bodembeheernota). Te hergebruiken grond moet, ook voor PFAS, voldoen aan de strengste van de bodemkwaliteitsklasse en de bodemfunctieklasse. Voor de eerstgenoemde deelgebieden is dat de norm voor wonen.
Voor de deelgebieden ‘1965-heden’ en ‘waalsprong’ landbouw/natuur. Dit betekent voor PFAS dat in een groot deel van Nijmegen de tijdelijk normen voor wonen/industrie gelden. Omdat het gemiddelde voor PFAS in Nijmegen onder de toetsingswaarden voor natuur/landbouw liggen (zie tabel 1) kan uitgaan van het generieke kader tot aanmerkelijke verslechtering van de bodemkwaliteit in Nijmegen leiden. Dit is niet wenselijk. Omdat voor de stofroep PFAS het normenkader nog in ontwikkeling is en men niet goed weet hoe de stoffen zich in de bodem en het grondwater verspreiden, worden er in het tijdelijk handelingskader voor PFAS conservatieve normen gehanteerd voor toepassing in grondwaterbeschermingsgebieden.De kwaliteit van toe te passen grond moet voor alle PFAS voldoen aan 0,1 ug/kg .d.s. Alleen voor grond afkomstig uit het grondwaterbeschermingsgebied , mag de gebiedswaarde worden gebruikt.
19
Deze lijst is beschikbaar via de website van bodemplus, https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wetregelgeving/bbk/vragen/grond-baggerspecie-pfas-veldwerk-analysetoetsing/faq/welke-pfas-verbindingen-geanalyseerd 20 Richtlijn bodemkwaliteitskaarten versie 3, september 2017 en het wijzigingsblad d.d 1 januari 2019 21 Formeel zijn er nog geen achtergrondwaarden voor PFAS de norm die voor deze berekening als achtergrondwaarde wordt gebruikt is de toetsingswaarde.
Tabel 1gemiddelde gehalte per deelgebied voor PFAS voor bodemtraject 1 en 2 (in ug/kg d.s.) en de indeling in bodemkwaliteitsklassen Gemiddelde traject 1 deelgebied
Tot 1900
19001945
19451965
1965heden
Waalspr ong
Waalspr ong kassen
stof perfluorbutaanzuur (PFBA) 0,13 0,13 0,13 0,13 0,13 0,13 perfluorpentaanzuur(PFPeA) 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 perfluorhexaanzuur (PFHxA) 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 perfluorheptaanzuur (PFHpA) 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 perfluoractaanzuur (PFOA) lineair 0,46 0,46 0,46 0,46 0,46 0,46 perfluoroctaanzuur (PFOA) vertakt 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 perfluornonaanzuur (PFNA) 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 perfluordecaanzuur (PFDeA) 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 perfluorundecaanzuur (PFUnDA) 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 perfluordodecaanzuur (PFDoDA) 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 perfluortridecaanzuur (PFTrDA) 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 perfluortetradecaanzuur (PFTeDA) 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 perfluorhexadecaanzuur (PFHxDA) 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 perfluoroctadecaanzuur (PFODA) 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 perfluor butaansulfonzuur (PFBS) 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 perfluorpentaansulfonzuur (PFPeS) 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 perfluorhexaansulfonzuur (PFHxS) 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 perfluorheptaansulfonzuur (PFHpS) 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 perfluoroctaansulfonzuur (PFOS) lineair 0,38 0,38 0,38 0,38 0,38 0,38 perfluoroctaansulfonzuur (PFOS) vertakt 0,13 0,13 0,13 0,13 0,13 0,13 perluordecaansulfonzuur (PFDS) 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 4:2 fluortelomeer sulfonzuur (4:2 FTS) 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 6:2 fluortelomeer sulfonzuur (6:2
FTS) 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 8:2 fluortelomeer (8:2 FTS) 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 10:2 fluortelomeer (10:2 FTS) 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 perfluoroctaansulfonamide (PFOSA) 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 7H-perfluorheptaanzuur (HPFHpa)* 0,28 0,28 0,28 0,28 0,28 0,28 2H,2H,3H,3H-perfluorundecaanzuu* 0,28 0,28 0,28 0,28 0,28 0,28 8:2 Fluortelomeer onverzadigd carbonzuur* 0,29 0,29 0,29 0,29 0,29 0,29 8:2 polyfluoralkylfosfaat diester (8:2 diPAP)* 0,08 0,08 0,08 0,08 0,08 0,08 F53B (9CLPF3-ONS) 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 ADONA 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 N-ethyl perfluoroctaansulfonamide (EtFOSA) 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 Perfluoroctaansulfonamide(N-ethyl)acetaat 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 (EtFOSAA) N-methylperfluorbutaansulfonylamide 0,28 0,28 0,28 0,28 0,28 0,28 (MeFBSA)* N-methyl perfluoroctaansulfonamideacetaat 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 Perfluor-3,7-dimethyloctaanzuur 0,70 0,70 0,70 0,70 0,70 0,70 Perfluorbutaan sulfonamide (PFBSA) 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 N-methylperfluoroctaansulfonamide (MeFOSA) 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 0,07 Perfluorbutaansulfonamide(N-methyl)acetaat 0,08 0,08 0,08 0,08 0,08 0,08 (MeFB)* som PFOA 0,55 0,55 0,55 0,55 0,55 0,55 som PFOS 0,44 0,44 0,44 0,44 0,44 0,44 *Voor deze stoffen was de detectiegrens hoger dan 0,1, maar is geen concentratie boven deze detectiegrens gemeten.
Voldoet aan bodemkwaliteitskla sse natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw natuur/landbouw
Gebiedsspecifiek kader Het gebiedsspecifieke kader biedt de mogelijkheid om de feitelijke bodemkwaliteit met een statistisch kental vast te stellen in plaats van met een bodemkwaliteitsklasse. In Nijmegen wordt voor deze lokale maximale waarde de P95 gebruikt. De 95-percentielwaarden zijn voor PFAS veelal lager dan de toetsingswaarden die gelden voor de kwaliteitsklasse natuur/landbouw. Deze toetsingswaarde kan beschouwd worden als norm voor schone grond. Maar: schone grond moet ook in het gebiedsspecifieke kader kunnen worden toegepast. Daarom wordt de toetsingswaarde voor natuur/landbouw als ondergrens gekozen. In de bodembeheernota wordt dit ook voor andere stoffen zo geregeld. Dit is in lijn met het tijdelijk handelingskader waar in geadviseerd wordt om als ondergrens de toetsingswaarde voor natuur en landbouw te nemen voor PFAS. Voor alle stoffen uit de PFASgroep is de LMW 1,4 ug/kg d.s. met specifiek voor PFOA(som) 1,9 ug/kg d.s).
Hierdoor wordt het mogelijk om binnen Nijmegen grond te hergebruiken zonder dat de concentratie aan PFAS de toepassing belemmert, zoals bij het generieke kader, terwijl de kwaliteit voor PFAS in alle deelgebieden in Nijmegen vergelijkbaar is. Grond die van buiten Nijmegen afkomstig is en wordt toegepast in Nijmegen moet ook voldoen aan de toetsingswaarde voor natuur/landbouw voor alle PFAS stoffen. Hierdoor treedt geen verslechtering van de kwaliteit op. Gelet op het bovenstaande kiezen we voor het gebruik van het gebiedsspecifieke kader. Daarmee sluiten we aan bij de keuze die we voor de andere stoffen in Nijmegen hebben gemaakt. Aanvullend op het bovenstaande vullen we de eisen voor het toepassen van grond in het grondwaterbeschermingsgebied in Nijmegen als volgt in. We maken onderscheid in de normen voor grond die afkomstig is van binnen het grondwaterbeschermingsgebied dat in Nijmegen ligt en normen voor grond die van buiten het grondwaterbeschermingsgebied dat in Nijmegen ligt afkomstig is. Voor de toepassing van grond die afkomstig is van binnen het grondwaterbeschermingsgebied wordt voor alle PFAS getoetst aan 0,1 ug/kg d.s. muv PFOA, PFOS en PFBA in traject 1. Voor deze drie stoffen is de gebiedswaarde in traject 1 respectievelijk 1,4 ug/kg d.s. voor PFOA, 1,2 ug/kg d.s. voor PFOS en 0,3 ug/kg d.s. voor PFBA in traject 1.